AAN DE VOORAVOND

In december 1976 werd bij de vierenzestigjarige Peter Harberts een gezwel in een long geconstateerd. In maart 1977 onderging hij een langdurige operatie. Tijdens die operatie werd de long tot zijn grote teleurstelling in zijn geheel bij hem weggehaald. Voor de operatie had hij nog de hoop gehad, dat de chirurg met het verwijderen van het gezwel zou kunnen volstaan, maar zijn long was al te zeer door het gezwel angetast en kon niet meer worden gered. De operatie bood hem ook niet veel soelaas: een paar maanden later openbaarde zich een uitzaaïng in zijn bekken, waaraan hij niet meer kon worden geopereerd. Hij stierf precies een maand voor zijn pensionering, in de late avond van 27 juli, en zijn begrafenis vond plaats op 1 augustus, de eenentwintigste sterfdag van zijn vrouw.
Op de avond na de begrafenis kwamen zijn jongste zoon Dennis en diens vriendin Trudy om tien uur in de avond thuis. Na hun aankomst liepen ze een poosje wezenloos door het huis heen. Ze hadden hevig tegen dit moment opgezien en niet ten onrechte: het huis aan de Noordamsterdamse Kamperfoelieweg ademde in alles nog de losse, morsige sfeer uit, waarin de oude Harberts zijn leven had geleid. De oude meubelen, de schilderijen, de grote eettafel langs het venster, de prullaria, zoals de vele wijnflesjes in miniatuurformaat, alles herinnerde nog aan de man, die vijf dagen daarvoor was overleden.
Toch zouden ze hier niet meer weggaan. Ondanks het feit, dat Dennis al drie jaar met Trudy samenwoonde, had hij zich nooit uit zijn ouderlijk huis laten uitschrijven en na overleg met zijn broers Arie, Peter en Eric hadden hij en Trudy besloten om maar weer in dit huis te gaan wonen. Dennis zelf had de grootste twijfels over de verhuizing naar dit huis, maar hij was uiteindelijk toch voor de wensen van Trudy en zijn broers gezwicht. De huur van hun huis aan de Blankenstraat zouden ze overigens nog wel een paar maanden aanhouden.
In de weken erna hernam het leven langzaam weer zijn normale loop. De eerste twee weken werden aan het leegruimen van het huis besteed. Een groot deel van pa Harberts' spullen verdween naar de huizen van de broers van Dennis; de rest werd bij het grof vuil gezet. De volgende stap was het opknappen van het interieur van het huis. De huiskamer kwam het eerst aan de beurt; de gang en de slaapkamers werden daarna onder handen genomen. De voltooïng van de werkzaamheden lukte maar net, want de gezondheid van Dennis begon ineens snel te verslechteren. Een stevige verkoudheid was in een hardnekkige kriebelhoest overgegaan en een verwijzing naar een longspecialist was daar uiteindelijk het gevolg van.
Op de morgen van 29 september, de dag voor hun trouwdag, zaten ze samen in de gang van het Amsterdamse Bureau voor de Bestrijding van Tuberculose. Gearmd, zwijgend en in afwachting van de uitslag van de onderzoeken. Ze vormden een hoogst aantrekkelijk, zij het wat alternatief gekleed stelletje: ze waren knap, blond, lang en slank en ze droegen slobberige truien, jeans en niet al te nieuwe overjassen.
Trudy keek strak voor zich uit. Zij voelde zich ellendig. Zij had hier tien maanden eerder regelmatig met haar schoonvader gezeten en zij ervoer die herinneringen nu als een regelrechte kwelling. Terwijl zij terugkeek op het verloop van de ziekte van haar schoonvader, frappeerde de nuchterheid, waarmee de oude Harberts met die ziekte was omgegaan, haar nog het meest. Haar schoonvader was gedurende zijn hele leven een rasechte hypochonder geweest, maar hij had zich vanaf het moment, dat zijn ziekte de kop had opgestoken, bijzonder kalm en moedig gedragen. Dennis leek met dezelfde koelbloedigheid te zijn gezegend. Hij had weken met die hardnekkige hoest doorgelopen en was pas na lang aandringen van Trudy toch maar eens bij hun huisarts langsgegaan.
In de afgelopen week had zij haar ongerustheid over zijn ziekte met veel moeite voor hem verborgen kunnen houden; nu was die ongerustheid haar dus heel goed aan te zien. Dennis leek ook wel door te hebben, wat er door haar heen ging, want toen de laatste patiënt voor hem de spreekkamer was binnengegaan, vlijde hij glimlachend zijn hoofd op haar schouder.
"Wat is er, liefje?", vroeg zij vriendelijk.
"Ik dacht even aan pa."
"Mis je hem?", vroeg zij, met een niet al te vaste stem.
"Ja, jij ook, hè?"
"Ja, ik mis hem ook en ik vind het heel erg, dat hij onze bruiloft niet meer zal kunnen meemaken."
"Ja, dat is inderdaad heel erg."
"Wat mis je meest aan hem?"
"Zijn warmte, zijn naïeve charme en ik mis hem ook in allerlei kleine dingetjes."
"Zoals?"
"Ik mis het heerlijke, zoete drankje, dat hij altijd voor mij maakte als ik verkouden was. Ik mis de wentelteefjes, die hij altijd voor ons bakte als we op visite waren..."
"O, ja! Ik ook! Ik zie hem nog zo staan voor het gasstel in de keuken, met die dikke buik in dat veel te nauwe, grijze vest."
"Ja, ik zie het ook voor mij. Maar eigenlijk..."
"Eigenlijk wat?"
"Eigenlijk heb ik de laatste maanden ook een ander beeld van pa voor ogen gehad. Een beeld, dat mij de laatste maanden nog veel meer heeft pijn gedaan."
"Welk beeld bedoel je?"
"Ach, het hangt allemaal samen met een incident met pa, waar jij niet bij was."
"Wat voor een incident?"
"Het gebeurde twee jaar geleden. Het was een incident van niets, eigenlijk. Jij was toen in Keulen voor dat congres en ik logeerde voor de gezelligheid een paar dagen bij pa. Het was eigenlijk een heel genoeglijke avond. We keken samen tv, dronken een paar biertjes en bespraken alles, wat op tv kwam. Op een gegeven moment begon een programma over de Derde Wereld. En je weet, hoe pa was, die was fel tegen elke vorm van ontwikkelingssamenwerking en ook die avond uitte hij die aversie in de meest hartstochtelijke bewoordingen. Ik heb het eerst een beetje zitten negeren, maar uiteindelijk werd mij dat toch teveel en ik begon hem dus nogal belerend toe te spreken. Ik zei hem, dat zijn mening nergens op sloeg, dat die mensen daar recht hadden op onze hulp en dat we verplicht waren om die hulp ook ruimhartig te geven. En het gekke was, dat hij zich volkomen liet overdonderen. Je weet zelf wel, dat hij in dit soort kwesties meestal wel een weerwoord had, maar dit keer... Niets, helemaal niets! Ik zag hem langzaam ineenkrimpen. Ik zag hem echt kleiner en kleiner worden."
Zijn stem stokte en hij haalde even heel diep adem. Trudy's hart leek zich samen te knijpen, toen zij zag, hoe hij met die pijnlijke herinnering worstelde, maar zij zei niets.
"Uiteindelijk liep ik dus hoofdschuddend de kamer uit", vervolgde hij, "Als een beul, die een vervelende, maar noodzakelijke executie had voltrokken, In de deuropening keek ik nog één keer naar hem om. Ik zag hem aan tafel zitten, zwijgend naar de tv kijkend, met zijn hoofd leunend op zijn handpalm en toen... Toen had ik zo verschrikkelijk veel medelijden met hem. Hij zag er ineens zo in- en inzielig uit!"
Hij stond op en begon door de gang te ijsberen. Zij keek hem wat ongerust aan, maar toen hij weer naast haar kwam zitten en zijn verhaal hervatte, had hij zichzelf wel weer redelijk in de hand:
"Dat beeld schiet dus steeds door mij heen als ik aan hem denk, of aan zijn graf sta. En het schuldgevoel, dat daar het gevolg van is, is volgens mij ook de reden geweest, waarom ik die laatste weken bij elk bezoek aan het ziekenhuis tot het einde van het bezoekuur bij hem ben gebleven. Nu wilde ik wel bij hem blijven en alleen maar omdat ik hem toen had gekwetst en bij hem was weggelopen. Elke keer bleef ik hardnekkig zitten, ook al was hij door die morfine helemaal niet aanspreekbaar meer, ook al sloeg hij wartaal uit, ook al lag hij vaak maar wat te suffen, of te doezelen. Ik moest en ik zou bij hem blijven en deed dat dus ook. Elke middag weer."
"Dat is ook heel lief van je geweest", zei zij, met een zachte stem.
"Maar is het niet vreemd, dat één zo'n incidentje iemand zo'n schuldgevoel kan geven? God weet, dat hij mij veel vaker en veel erger heeft gekwetst en vaak waar anderen bij waren."
"Dat komt, omdat je treurig over zijn dood bent en omdat je hem niet meer kunt zeggen, dat je zo'n spijt van die tirade hebt."
"Ja, dat zal het wel zijn."
"Het is anders wel een verschrikkelijke tijd geweest, hè?"
"Ja, nou! En er schijnt ook maar geen eind aan te komen."
"Wat heb je het afschuwelijkst gevonden in die dagen rond zijn dood?"
"Dat korte bezoek aan zijn ziekenhuiskamer op de avond van zijn dood. Die geur van ontlasting, die in de kamer hing, die ingeklapte borstkas, die gierende ademhaling, die angst in die ogen, die bij het afscheid van mij wegdraaiden en mij niet eens meer aan durfden te kijken, de ontreddering bij mijzelf, Eric, die begon te huilen, Gerda, die Eric met een lieve, begrijpvolle glimlach bij zijn arm greep, de ontzetting in jouw ogen. Het was mijn eerste confrontatie met de dood en dan nog uitgerekend de dood in zijn meest afschrikwekkende vorm: de dood die zijn slachtoffer ontluistert en de nabestaanden volkomen ontwricht achterlaat."
"Toch waren er daarna ook prettige momenten", begon zij voorzichtig, "De opmerking van Peter bijvoorbeeld, toen hij ons na het bezoek aan het ziekenhuis nog even naar zijn huis bracht."
"O, ja! Toen bij dat blauwe gebouw van de FNV aan de Slotermeerlaan, toen hij zei, dat we ons deel van het aardse leed nu wel gehad hadden en dat we ons na deze beproeving alleen maar beter zouden gaan voelen."
"En dat we in ieder geval elkaar nog hadden en dat we, als alles voorbij zou zijn, zonder zorgen van elkaar konden gaan genieten."
"Ja, dat was op dat moment precies, wat we moesten horen."
"Hoewel die avond natuurlijk afschuwelijk was. Ik weet niet, wat ik erger vond. Het moment, waarop Peter ons zei, dat hij was overleden, of zijn verhalen van een paar uur daarna."
"Verhalen?"
"Ja, die verhalen over die ogen, die Peter in die laatste uren overal volgden als Peter heen en weer liep en die, toen pa stierf, eerst naar boven en daarna naar beneden gingen en dat verhaal over die opmerking van die nachtzuster over de laatste zucht, of de laatste adem, die daarna misschien nog zou komen. Het was zo beangstigend, allemaal! Ik was zo blij, toen we in bed lagen en ik mij eindelijk weer tegen jouw warme lichaam kon aanvlijen."
"Dat gevoel was geheel wederzijds."
"Ben je blij, dat je hem nog hebt gezien, toen hij die avond in de Breestraat lag opgebaard?"
"Ja, en dat was ik ook aan hem verplicht. Ik was het helemaal niet van plan, maar toen ik die kist zag staan, moest ik ernaartoe. Ik moest hem nog één keer zien. Maar ook dat is een beeld, dat ik maar niet van mij af kan zetten. Ik heb er nog het meeste last van als ik een douche neem. Dan verbeeld ik mij, dat de wasbak in de douchecel de glasplaat van de doodkist is. En dat daaronder..."
"Hm, het is goed, dat je mij dat vertelt! De volgende keer als jij een douche neemt, ga ik mee. Ik heb, geloof ik, wel een probaat middeltje tegen dat soort enge waandenkbeelden."
"Ik geloof het graag!", zei hij lachend, "Maar het was ook niet alleen pa's gezicht. Het was ook de hele entourage: die kist met al die bloemen eromheen, op die vreemde plek in die kamer in dat voormalige woonhuis, waar jarenlang vele mensen moeten hebben geleefd. Het was zo aangrijpend om juist daar dat dode gezicht onder die glasplaat te moeten zien."
"Ik vond het anders heel moedig van je, dat je hem nog hebt willen zien. Jij als de benjamin in het gezelschap deed het wel, terwijl anderen, waaronder ikzelf, het niet meer aandurfden."
"Hm, ik heb daarna ook aardig zitten janken. Als jij er toen niet bij was geweest, dan..."
"Ach, jochie, je moest eens weten, hoe heerlijk ik het vond om je te kunnen troosten! Ik vind trouwens, dat je je vreselijk goed gehouden hebt. Je bent mij in die dagen meer tot steun geweest dan omgekeerd."
"Hm, ik denk, dat mijn houding zo voorbeeldig was, omdat ik voor het ophalen van de condoleancekaarten steeds naar huis moest. Dat ik daar telkens heb kunnen uithuilen, heeft mij in die dagen tot de begrafenis telkens weer ontzettend opgelucht."
"Dat zou best wel kunnen. Hoe voelde je je eigenlijk na de begrafenis?"
"Beter dan daarvoor. En dat kwam ook alleen maar door dat onverwoestbare geloof van mij. Juist in die dagen kreeg ik steeds meer het gevoel, dat hij er nog steeds was. Als ik over straat liep, had ik steeds het gevoel, dat pa mij zag, dat hij bij wijze van spreken samen met mijn moeder over de reling van de hemel geleund hing. Dat hij voelde, wat er door mij heen ging en mij probeerde op te beuren. Jezus! Het klinkt als een cliché, maar toch wist ik op die momenten zeker, dat hij nu gelukkiger was en is dan hij tijdens zijn leven ooit is geweest. En dat was een gedachte, die mij heel veel troost gaf. Mede daardoor ben ik in die dagen eigenlijk helemaal niet ongelukkig geweest. Wel ontzettend bedroefd, maar niet ongelukkig. Bovendien had en heb ik jou immers nog. Als ik jou had moeten verliezen, was mijn wereld wel voor altijd ingestort. Is... Is dat cru, of liefdeloos? Ik hield toch wel van pa. Meer dan ik tijdens zijn leven heb beseft."
"Nee, lieveling", antwoordde zij, met een wat trieste glimlach, "Ik voel het ook zo. Ik hield ook van hem en ik mis hem ook heel erg, maar als ik jou had moeten begraven in plaats van hem, was mijn leven voorbij geweest. Ik geloof ook niet, dat we ons daarover schuldig hoeven te voelen."
"Nee, hè?"
Ze vielen een poosje stil, maar uiteindelijk sneed Dennis toch maar het onderwerp aan, dat ze de laatste dagen zo hardnekkig hadden genegeerd:
"Als ik ook longkanker blijk te hebben, zullen we de bruiloft dan maar afgelasten?"
"Nee, natuurlijk niet, imbeciel!", antwoordde zij, met een kort lachje, "Dat is juist een reden te meer om ermee door te gaan. Elk uitstel kan nu fataal zijn. Als ik dan toch het klooster in moet, dan toch maar liever als weduwe."
"Hè, hè! Het hoge woord is er uit, hè?"
"Ja! Zit jij ook zo in je rats?"
"Een beetje wel, ja. Het zal wel iets van tuberculose zijn, denk ik. Maar ja, het blijft toch een beetje eng, zo vlak na de dood van pa."
Op dat moment verscheen een gezette vrouw van middelbare leeftijd in de deuropening van de spreekkamer.
"Meneer Harberts?", vroeg de vrouw vriendelijk.
"Ja, dat ben ik!", antwoordde Dennis, "Ga je mee, Trudy? Of blijf je wachten?"
"Ik ga mee!", antwoordde zij resoluut.
De vrouw stelde zich voor als mevrouw Schoumans. De handdruk, waarmee het noemen van die naam ging gepaard, was formidabel; haar houding was informeel en gemoedelijk. Zij nam plaats achter het bureau, rangschikte de papieren van Dennis' dossier en viel toen onmiddellijk met de deur in huis:
"Wel, Dennis, alle onderzoeken, zoals het je toegediende Mantouxprikje, de gemaakte röntgenfoto's en het sputum- en bloedonderzoek, hebben een voor jou gunstig resultaat gehad. Ze hebben uitgewezen, dat je slechts eenmaal besmet bent geweest met het tuberkelbacil. Dat wil dus niet zeggen, dat je aan tuberculose lijdt, dat zou namelijk het geval zijn geweest als je ook aan een tweede besmetting zou hebben blootgestaan."
Haar toehoorders keken elkaar even aan en slaakten toen een zucht van verlichting. Dit was zo ongeveer, wat ze hadden willen horen.
"Is het echt tuberculose?", vroeg Trudy vrolijk, "Bent u daar echt volkomen zeker van?"
"Ja, of eigenlijk niet", antwoordde mevrouw Schoumans, een beetje verbaasd, "Het is een eerste tuberculosebesmetting, geen tuberculose."
"Wat betekent dat verder voor hem?", vroeg Trudy, "Hoe gevaarlijk is die eerste besmetting?"
"Die is ongevaarlijk! Het is wel nodig, dat je man... Je bent toch de echtgenote van Dennis, hè?"
"Bijna, nog één nachtje slapen!", antwoordde Trudy, met een stralende glimlach.
"Ah, prima! Wel, het enige vervelende aspect van de besmetting is het feit, dat je aanstaande echtgenoot gedurende een half jaar medicijnen moet innemen. Die zijn nodig om hem te vrijwaren van de gevolgen van een eventuele, tweede besmetting. Als hij die trouw elke dag inneemt, is er echt helemaal niets aan de hand. Hij is in feite ook niet ziek te noemen."
Dennis hoorde het betoog tot zover aan en droomde daarna weg; de rest van het verhaal van mevrouw Schoumans scheen hij verder wel te geloven. De beide vrouwen ontdekten pas na een paar minuten, dat de patiënt in verre streken leek te verblijven. Trudy zag het even aan en streelde hem daarna lachend over het haar. Zoals hij nu was, was hij haar het liefst. Zij was gek op die vage glimlach en die dromerige uitdrukking op zijn gezicht, vooral als zij er zeker van kon zijn, dat zij daarvan de oorzaak was.
"Is hij altijd zo afwezig?", vroeg mevrouw Schoumans lachend.
"Ja, als hij bij mij is wel. Maar op zijn werk is, schijnt hij veel alerter te zijn."
"Wat doet hij voor werk?"
"Ha, u zult het niet geloven, maar die slome duikelaar is journalist!"
"Werkelijk?"
"Sinds drie maanden pas, maar ze schijnen zeer tevreden met hem te zijn. Ze hebben hem nu al een vaste aanstelling in het vooruitzicht gesteld."
"Da's mooi!"
"Hee, imbeciel!", riep Trudy streng, "Word-es wakker!"
Hij schrok en keek de beide vrouwen nogal verwilderd aan.
"O, sorry!", stamelde hij, "Ik was er, geloof ik, niet helemaal met mijn gedachten bij."
"Dat kun je wel stellen, ja!", gniffelde mevrouw Schoumans, "Ik maak het vrijwel nooit mee, dat mijn patiënten na het aanhoren van de diagnose in een soort trance vervallen."
"Het spijt mij ontzettend. Het is natuurlijk tamelijk onbeschoft van mij, maar ik ben namelijk heel erg blij, ziet u. Ik ga morgen eindelijk trouwen met die schoonheid hier naast mij. En de uitzinnige vreugde daarover is de laatste weken een beetje getemperd door die onbekende ziekte, waaraan ik bleek te lijden."
"Ja, we zijn allebei een beetje bang geweest, ziet u", zei Trudy blozend, "Vooral ook omdat zijn vader pas aan longkanker is overleden."
"Ah, ik begrijp wat je bedoelt!", zei mevrouw Schoumans resoluut, "Wel, daar is dus echt geen sprake van!"
"Dat is dan ook een hele opluchting", verzuchtte Trudy, "U kunt zich ook niet voorstellen, hoe gelukkig u ons heeft gemaakt."
"U bent een engel!", merkte Dennis op.
"Kunnen die medicijnen nog een vervelende bijwerking hebben?", vroeg Trudy lachend.
"Nee, hoor!"
"Weet u dat wel zeker?", vroeg Dennis, met zijn meest ernstige gezicht, "Ik heb van een collega gehoord, dat dat soort medicijnen soms hele ernstige gevolgen voor de patiënt kan hebben. Dingen zoals haaruitval, maag- en darmklachten, impotentie."
"Dennis, gedraag je!", riep Trudy.
"Nee, hoor, Dennis!", antwoordde mevrouw Schoumans grinnikend, "Je libido zal er niet onder lijden. Ik garandeer je, dat je haardos en je potentie door het innemen van deze medicijnen totaal geen gevaar zullen lopen."
"Zijn ze dan misschien potentieverhogend?", vroeg Trudy.
"Nee, Trudy", was het droge antwoord, "Ik moet je tot mijn spijt teleurstellen: de medicijnen zijn ook niet potentieverhogend."
"Dat is jammer!", zei Trudy, met een sip gezicht.
"Dat is maar van welke kant je het bekijkt!", zei Dennis.
"Ik hoor het al!", riep mevrouw Schoumans lachend, "Jullie zijn verreweg de vrolijkste patiënten, die ik ooit heb meegemaakt."
"Tja", zei Dennis, "Maar de reden daarvan kent u al, hè?"
Zij knikte, greep een stuk papier en overhandigde dat aan Dennis.
"Dit is je recept voor de medicijnen", zei zij, "Het zijn doodnormale, witte pilletjes, geen enge capsules, of iets dergelijks. Je hoeft ze alleen maar drie keer per dag in te nemen en dan komt alles vanzelf op zijn pootjes terecht."
De moederlijke toon van haar stem raakte een tere snaar bij Trudy en zij kon zich er, evenals Dennis, maar moeilijk toe zetten om afscheid van mevrouw Schoumans te nemen. Dat was hen ook niet echt kwalijk te nemen. Het korte verblijf in de kamer van mevrouw Schoumans had een punt gezet achter een periode, waarin ziekte en dood een allesbepalende rol in hun leven hadden gespeeld. Nu lag er een heel andere periode in het verschiet. Mevrouw Schoumans leek hun verwarring wel te begrijpen en rees langzaam uit haar stoel omhoog.
"Wel, kinderen!", begon zij, "Dan rest mij niet anders meer dan jullie een hele fijne trouwdag toe te wensen."
"Dank u!", klonk het eenstemmig.
"Volgt er na morgen nog een huwelijksreis?", vroeg mevrouw Schoumans.
"Ja, we gaan voor vijf dagen naar Florence", antwoordde Trudy.
"O, leuk!", riep mevrouw Schoumans, "Is het de eerste keer, dat jullie naar Italië gaan?"
"Voor mij wel", antwoordde Trudy schamper, "Maar Dennis loopt al maanden bij hoog en bij laag te beweren, dat hij daar al in een vorig leven is geweest."
"Meen je dat, Dennis?", vroeg mevrouw Schoumans lachend.
"Ja", antwoordde hij, met een wat broeierige blik in zijn ogen. "Ik weet het eigenlijk wel zeker. In Siena ben ik ook geweest, Vroeger, heel vroeger. Ik ben vast zo'n aristocratische Medicus geweest."
"Ja, nu weten we het wel, Dennis", zei Trudy, terwijl zij hem bij zijn arm greep, "We moeten gaan! Mevrouw Schoumans heeft vast nog wel wat meer te doen."
"Okay!"
Een paar minuten na hun afscheid van mevrouw Schoumans zaten ze in een coffeeshop aan het Weesperplein. Ze waren de enige klanten; op hun tafel stonden twee dampende espresso's, waar ze zwijgend en in alle rust van dronken. Het duurde zeker tien minuten, voordat Dennis de conversatie hervatte:
"We wonen al bijna drie jaar samen, maar ik heb toch het gevoel, dat het na morgen pas echt begint voor ons."
"Meen je dat nou? Alleen maar, omdat we gaan trouwen?"
"Ach, nee! Hoe moet ik dat nou uitleggen? Ik heb het gevoel, alsof die drie jaar in de Blankenstraat alleen maar Spielerei is geweest. Ik weet niet, hoe dat komt. Misschien omdat ik nog naar school ging, of zo. We hebben voor mijn gevoel ook niet echt samengewoond, we hebben alleen maar 'Vadertje en Moedertje' lopen spelen, zij het gelukkig dan wel zonder kind. Maar nu... Nu gaat het echt beginnen voor ons. Het huur van het huis aan de Blankenstraat is opgezegd, het huis aan de Kamperfoelieweg is gerenoveerd, ik ben eindelijk afgestudeerd en werk nu als journalist, jij hebt inmiddels al je eerste promotie achter de rug. Eindelijk, ja eindelijk ligt dan toch het echte leven voor ons in het verschiet."
"Overdrijf je niet een beetje? Ik heb juist het idee, dat het in de Blankenstraat wel allemaal 'echt' was."
"Dat komt, volgens mij, omdat jij de kostwinster was. Jij had de verantwoordelijkheid voor de inkomsten en de uitgaven. Ik hoefde alleen maar mijn studie te voltooien, een beetje te koken en het huis een beetje schoon te houden."
"Hm, wat het schoonhouden betreft, moeten we misschien een kleine herverdeling van taken gaan overwegen. Jij werkt nu ook, dus het lijkt mij niet meer dan rechtvaardig als ik wat meer in het huis ga doen."
"Ach, we zullen wel zien, jôh. Ik heb er nooit problemen mee gehad. Ik heb dat boen- en poetswerk zelfs wel leuk gevonden. Het zit hem in de genen, volgens mij, want pa en opa hadden dat ook."
"Dat is allemaal goed en wel", zei zij, met een glimlach, waarin een zekere opluchting was te bespeuren, "Maar ik worstel ook nog met een ander probleempje. En dat is een probleempje, waarover ik toch wel graag even wil praten, voor we afscheid van elkaar nemen."
"Wat voor probleempje? Alles is toch al geregeld? Je trouwjurk is klaar, onze koffers zijn gepakt en de treinkaartjes zijn gekocht. We gaan een rustig, maar smaakvol dagje tegemoet, een dagje met een heerlijk einde en een fantastisch vervolg."
"Ik wil het ook niet over morgen of de komende week hebben, maar wel over de periode daarna."
"Over wat dan?"
"Ik wil, dat we nu een definitief besluit nemen over het al dan niet nemen van kinderen."
"O, dat!"
Ze zwegen voor zeker twee minuten. Uiteindelijk hakte Dennis de knoop door:
"Jij wilt ze alleen als ik ze wil, hè?"
"Eh, ja, ik hoef ze niet echt, maar ik heb altijd het idee gehad, dat ik jou met een definitief 'Nee' tekort zou doen. En zeker nu je ouders en grootouders allemaal dood zijn."
"Wel, dan kan ik je nu definitief uit de droom helpen. Ik wil ze niet. Ik ben er te egoïstisch voor. Ik heb een tamelijk moeilijke jeugd achter de rug en nu die eindelijk voorbij is, is de tijd aangebroken om zorgeloos van jou en van het leven te gaan genieten. Met jou en met jou alleen. Ik ben gek op kinderen, ik vind het heerlijk om met de neefjes en nichtjes op stap te gaan en ze ontzettend te verwennen, maar dat zijn de lusten van het oom zijn. De lasten, die mijn eigen kinderen met zich mee zouden brengen, zouden mij gegarandeerd teveel worden. Bovendien staat het idee, dat ik jou aan de kwellingen van een bevalling moet blootgeven, mij zeer tegen. Ik zou waarschijnlijk niet eens met je kunnen vrijen als ik zou weten, dat ik je daarmee zwanger zou maken. Van dat idee zou ik dus echt impotent kunnen worden."
Zij keek hem stralend aan. Hij leek heel goed te begrijpen, wat zijn woorden voor haar hadden betekend, maar hij zei verder niets meer.
"Wat ga je straks doen?", hernam zij.
"Ik ga natuurlijk eerst naar de apotheek voor mijn medicijnen. En daarna ga ik naar Zandvoort."
"Waarom?"
"Zomaar."
"Is het, omdat daar mijn ouders elkaar voor het eerst hebben ontmoet?", vroeg zij langs haar neus weg.
"Ja, natuurlijk!", zei hij blozend, "Het is al jaren een soort bedevaartsoord voor mij."
"Ha! En terecht natuurlijk!"
"Maar ik wil ook gewoon een beetje langs het strand slenteren. Tot het tijd is om naar Peter te gaan."
"Maar waarom dan? Het is nu toch hartstikke stil in Zandvoort?"
"Ja, dat trekt mij juist zo aan. Die stilte, dat uitgestorven stadje, dat weemoedig aan de net voorbije zomer ligt terug te denken. Die lege café's met die, landerig voor zich uitkijkende kasteleins. Als ik er ben, zal het geheel mij weer een echt Jalta-gevoel geven."
"Wat is dat nou weer?"
"Ach, dat slaat op Tsjechow, lieverd! Die heeft echt aan tuberculose geleden en is daar ook aan gestorven. De laatste jaren voor zijn dood verbleef hij voortdurend in het warme Jalta, een badplaats aan de Zwarte Zee. Mijn reisje naar Zandvoort is dus ook een soort eerbetoon aan de voortschrijdende, medische wetenschap."
"Waarom?"
"Omdat die ervoor heeft gezorgd, dat ik aan de vooravond van mijn huwelijk heel wat betere vooruitzichten heb dan die arme Anton Pawlovitsj."
"Ach, wat lief van je!", zei zij, met een wat meewarig glimlachje.
"Ja, hè? En wat ga jij zometeen doen?"
"Ach, een beetje door de stad wandelen, een beetje winkelen, en daarna naar mama, natuurlijk. Voor mijn laatste avond en nacht in het moederlijk huis."
"Ah."
"Wat ga jij vanavond doen? Stappen met je lieve broertjes?"
"Nee, dat lijkt mij niets. Het is zo'n cliché om op je vrijgezellenavond met je broers te gaan stappen. Bovendien schijnt Peter thuis ook nog het een en ander onder de kurk te hebben."
"Aha! De gebroeders Harberts gaan het dus thuis op een zuipen zetten!"
"Hee, hee! Wat een grove woorden voor een aanstaand bruidje!"
"De waarheid dient gezegd te worden!"
"De waarheid? De waarheid? Als jij zegt, dat ik het vanavond op het zuipen zet, dan zit je smerig te insinueren. Je weet best, dat ik na twee pilsjes of twee glazen wijn al slaperig begin te worden."
"Ja, lieveling, ik weet het! Maak je maar niet zo druk! Ik plaagde je alleen maar."
"O, dan is het goed."
"Is het ook goed, dat ik je nu ga verlaten?"
"Nu al?"
"Ja, nu al! Zul je mij heel erg missen?"
"Ja, natuurlijk! Maar de voorpret zal veel goedmaken, hoor!"
"Ah, prima, geef mij dan maar snel een kus! Het zal de laatste zijn, voordat we elkaar aan het altaar terugzien."
"Altaar? Altaar? Altaar? Gaan we dan ook voor de kerk trouwen?"
"Dat zou je wel willen, hè? Is één keer trouwen dan niet genoeg voor je?"
"Nee, mijn lief! Met jou zou ik wel duizend keer willen trouwen."
"Ja, ja! En zeker alleen maar om de huwelijksnacht, hè?"
Hij schoot in de lach en gaf haar de gevraagde kus.
"Gaat heen in vrede, mijn lief", zei hij weemoedig, "Morgen zal ik in mijn strak zittend kostuum van zwart velours mijn opwachting bij je komen maken."
"Dat is je geraden ook. Als je er niet uiterlijk om elf uur bent, kom ik je halen!"
"Dat zal echt niet nodig zijn."
"Dat weet ik, Dennis, dat weet ik!"
"Ah, dan is het goed."
"Maar nu ga ik echt, hoor!"
"Dag, koningin van mijn ziel! Het ga je goed!"
"Doeg!"
Zij stond op, krauwde nog even door zijn haar en verliet met enige tegenzin de koffieshop.
Na een wandeling van twintig minuten over de Sarphatistraat en de Weteringschans kwam zij op het Weteringplantsoen aan. Het was een plek, die zowaar een sentimentele waarde voor haar had: het plantsoen had in de jaren zestig als speelplaats voor de leerlingen van Dennis' voormalige, lagere school gefungeerd. Zij ging op een bank zitten en kon de Dennis uit die tijd - een stille, bedeesde jongen van twaalf met een wat trieste gelaatsuitdrukking en een wat slome manier van voortbewegen - ineens heel duidelijk voor de geest halen.
Dat beeld ontroerde haar en voor even nam weer een gevoel van beklemming bezit van haar. Het liefst zou zij de komende trouwplechtigheid willen overslaan, het liefst was nu al samen met Dennis op de trein naar Florence gestapt. Toch wist zij, dat het niet kon. De trouwplechtigheid zou echt moeten plaatsvinden. En niet eens voor de familie, maar vooral voor henzelf. Ze hadden allebei het houvast van een huwelijk nodig. Hun huwelijk zou voor hen een soort tehuis moeten worden, een veilig toevluchtsoord, dat ze in hun jeugd hadden moeten missen, dan wel hadden verloren. Dennis zou bij haar de rust moeten vinden, die hij thuis had moeten missen. Hun huwelijksgeluk zou de compensatie moeten zijn voor alles, wat er in zijn jeugd was misgegaan, hetgeen dus ook voor haarzelf gold.
Zij stond weer op en liep in de richting van de Weteringschans, met de handen in de zakken van haar oude bontjas. Die bontjas, aangeschaft op het Waterlooplein, stamde nog uit de periode, waarin zij en Dennis van haar toen nog magere salaris hadden geleefd. Ze hadden zich in die drie jaar veel ontzegd, maar toch keek zij niet zonder weemoed op die tijd van soberheid terug. In haar ogen was haar voormalige woning aan de Blankenstraat een paleisje en de omringende Czaar Peterbuurt een klein koninkrijk geweest, waarover zij drie jaar lang de alleenheerseres was geweest. Dennis' vrolijke karakter, zijn kookkunst, zijn zuinigheid, zijn toegeeflijkheid jegens al haar grillen, het had allemaal geholpen om het luxediertje in haar rustig te houden.
Nu hij sinds begin juli ook geld in hun huishouden inbracht, was een beloning daarvoor ook niet achterwege gebleven: elke zaterdag had zij hem verrast met een klein of groot cadeau, die varieerden van dure overhemden tot de complete oeuvres van Dan Fogelberg en Anton Tsjechow. Zijn herhaalde, naar wanhoop neigende tegenwerping, dat zij al meer dan genoeg voor hem had betaald, had tot nu toe niet mogen baten.
Bij de kruising tussen het Weteringschans en de Spiegelgracht sloeg zij linksaf. Zij stak de brug over, liep door het tunneltje onder het Rijksmuseum en kuierde via de Hobbemastraat naar het begin van de P.C. Hooftstraat, is de hoop daar nog iets leuks voor de komende huwelijksnacht te kunnen aanschaffen. Eenmaal in de P.C. Hooftstraat aangekomen, besefte zij echter, dat haar kleding haar wel eens van een bezoek aan een winkel zou kunnen weerhouden. Zij voelde zich heel lekker in de al eerder genoemde kleren, maar ze vormden niet het soort kleding, waarmee zij zich op haar gemak in een winkel aan de P.C. Hooftstraat zou kunnen vertonen.
Zij vond uiteindelijk wel de winkel, die zij zocht: 'La Culotte', een winkel gespecialiseerd in lingerie en nachtmode. Eén blik in de etalage was voldoende om haar in vuur en vlam te zetten. Toch bleef zij aarzelen. Tot tweemaal toe liep zij weg en tot tweemaal toe keerde zij weer voor de etalage terug. Dat vreemde gedrag trok uiteindelijk de aandacht van een van de verkoopsters; een kort, kittig meisje, iets jonger dan Trudy, met een knap, sproetig gezicht en lange, blonde haren. Trudy beantwoordde haar blik, voelde zich een beetje verlegen worden, maar kwam toen tot de ontdekking, dat het verkoopstertje een voormalig schoolvriendinnetje van haar was. Die ontdekking trok haar uiteindelijk over de streep. Zij ging de winkel binnen, waar de verkoopster, die Carla heette, haar onmiddellijk om de hals vloog.
Na de gebruikelijke begroetingsrituelen, waarbij de beide dames zich toch wel een tikje ontroerd toonden, wist Trudy het gesprek zonder al te veel moeite op gang te brengen. Met een voor de hand liggend vraagje:
"Ben jij al getrouwd?"
"Ja! Ik ben sinds twee maanden getrouwd!"
"Je meent het! Met..."
"Met Ton, ja! En jij? Heb je nog steeds verkering met Dennis?"
"Dan kun je wel zeggen, ja. Wij gaan morgen trouwen!"
"Wat? Nee, echt? O, daar moet je mij alles over vertellen."
Carla nam Trudy bij de arm en troonde haar mee naar een rustig hoekje in de winkel, waar ze beiden op een krukje plaatsnamen.
"Zo, het is nog niet zo heel erg druk", begon Carla, "Dus we hebben wel even tijd om wat bij te kletsen."
"Wie begint?"
"Jij, want om te beginnen ben ik razend nieuwsgierig naar Dennis. Hoe gaat het met hem?"
"Prima! Nu tenminste wel!"
"Hoe bedoel je?"
"Ach, we hebben een beetje moeilijke tijd achter de rug."
"Vertel op!"
"Ach, jee! Waar moet ik in godsnaam beginnen? Nou, ja, om een lang verhaal kort te maken: Dennis is in juni afgestudeerd en vanaf dat moment hebben we eigenlijk geen moment rust gehad. Dennis' vader is eind juli aan longkanker overleden, we hebben het ontzettend druk gehad met het opknappen van ons huis, Dennis heeft zelf ook last van zijn longen gehad, ik heb mij daarover vreselijk druk lopen maken. Nee, Carla, de laatste maanden zijn echt heel zenuwslopend en dus ook vreselijk vermoeiend geweest. Zo'n periode hoop ik nooit meer mee te maken."
"Ik geloof het graag."
"En morgen, ja morgen is de laatste vuurproef."
"Jullie trouwdag dus!"
"Ja, het gaat overigens een hele sobere plechtigheid worden. We trouwen om elf uur in 'Het Tolhuis', dat restaurant bij de pont, en geven daar ook een etentje voor de familie, maar daar blijft het verder bij."
"Vind je dat niet jammer?"
"Nee, niet echt. Meer feestelijkheden lijkt ons niet gepast, zo vlak na de dood van Dennis' vader."
"Ja, dat is natuurlijk zo!"
"Tja, en als alles morgen achter de rug is, zal ons leven wel een stuk rustiger gaan worden. Al is het alleen maar, omdat we dan twee weken vakantie hebben."
"Gaan jullie nog ergens heen?"
"Ja, we gaan voor vijf dagen naar Florence."
"O, wat leuk!"
"Ja, ik verwacht er ook wel veel van. En Dennis ook. Hij zegt, dat hij er voor de musea heen wil, maar..."
"Maar?"
"Ik heb eigenlijk een paar andere plannetjes."
"Aha! En daarvoor ben je dus hier!"
"Ja!"
"Hm, je bent eigenlijk best wel gemeen!"
"Hoe bedoel je?"
"Ik, je overwonnen rivale in de liefde, moet je de middelen verschaffen, die je huwelijksnacht en huwelijksreis tot een succes moeten maken. Vind je dat niet een beetje wreed van jezelf?"
"Nee! Het is je verdiende loon! Dan had je maar wat meer geduld moeten hebben!"
"Ja, dat is natuurlijk ook wel weer waar!", zei Carla, met een kort lachje.
"Nu we het er toch over hebben: zou je mij nu eindelijk een keer kunnen vertellen, waarom je hem toen hebt laten lopen? Die vraag houdt mij namelijk al zeker zes jaar bezig."
"Ach, ik weet het niet. Het was niet beredeneerd, daar was ik natuurlijk nog veel te jong voor. Maar ik geloof wel, dat ik intuïtief aanvoelde, dat Dennis niet voor mij was bestemd. Dat er... Ach, hoe moet ik dat nou uitleggen? Hij was... en is natuurlijk een schatje, in alle opzichten. Enne... Het feit, dat hij zich daar absoluut niet van bewust was, was en is waarschijnlijk nog wel zijn grootste charme. Maar toch besefte ik al heel snel, dat ik niet degene was, die hij nodig had, dat ik hem niet datgene kon geven, waar hij recht op had. En toen ik jullie een jaar later voor het eerst samen zag, wist ik meteen, dat ik met die conclusie gelijk had gehad. Ik kon op het eerste gezicht al zien, dat jullie echt geknipt voor elkaar waren en toen ik in de maanden daarna het een en ander van jou te weten was gekomen, wist ik het ook zeker."
Trudy zweeg; zij wist ook werkelijk niet, hoe zij op deze onthullingen zou moeten reageren.
"Hij was wel groen, hè?", hernam Carla, "Toen het begon tussen jullie."
"Ja, maar dat trok mij meteen al zo aan in hem. Dat onschuldige, maar toch ook dat verstandige."
"Ik begrijp het."
"Weet je, Carla, hij was en is zo... zo... ongrijpbaar. En toch ook weer niet. Soms is hij heel brutaal, soms is hij heel stuntelig, maar hij is altijd zichzelf. Hij heeft geen dubbele bodem, hij verbergt niets, maar in zijn houding tot andere mensen is er toch geen peil op hem te trekken. Hij is rechtlijnig tot in het krankzinnige, maar ook heel erg plooibaar. Hij is kortaangebonden, een echte driftkikker, maar ook heel verzoeningsgezind. Hij is heel erg wraakzuchtig, maar absoluut niet rancuneus. Tja, en zo kan ik wel nog uren doorgaan. Het is een mysterie, dat kereltje van mij!"
"Ja, je hebt volkomen gelijk", zei Carla peinzend, "Ik weet trouwens ook iets vreemds van hem."
"Wat dan?", klonk het gealarmeerd.
"Hij liet zich op school jarenlang door iedereen treiteren, maar sloeg zijn ergste plaaggeest uiteindelijk toch maar even het ziekenhuis in."
"Wat?"
"Weet je dat niet?", vroeg Carla, zichtbaar verbaasd.
"Nee, dat van die ergste plaaggeest heeft hij mij nooit verteld!"
"Nou, dat kan natuurlijk. Het gebeurde, toen Dennis en ik in de tweede klas zaten, vlak voordat ik verliefd op hem werd."
Trudy liet haar handen in haar schoot vallen en keek haar plaaggeest weerloos aan.
"Maar wat heeft hij dan gedaan en bij wie?", vroeg zij.
"Hij heeft Patrick White een gebroken neus bezorgd. Het gebeurde op het schoolplein en het gaf een hele consternatie. Het was namelijk een echt bloedbad!"
"Maar... Patrick White? Dat was toch die vriendelijke, Amerikaanse jongen?"
"Ja."
"Maar daar kon hij heel erg goed mee opschieten! Patrick was altijd heel erg aardig tegen ons."
"Tja, vind je het gek?"
"Maar hoe is het toen dan verder afgelopen?"
"Nou, eh... Patrick is in het ziekenhuis opgelapt en Dennis is vervolgens een week geschorst geweest. Het was nog een hele rel, die overigens met een sisser afliep. Er waren wat verzachtende omstandigheden. Het bleek namelijk, dat Dennis het nogal moeilijk had gehad in de maanden daarvoor."
"Hoezo?"
"Ja, Jezus! Wat was het ook alweer? Hij heeft het mij wel eens verteld, toen we samen in het studielokaal aan het studeren waren. Ik geloof, dat hij een paar maanden daarvoor op een nogal gewelddadige manier door een pedofiel was aangerand en dat hij daardoor nog steeds heel erg van slag was."
"Wat?!?"
"Weet je dat ook nog niet?", vroeg Carla geschokt.
"Nee! Nee! Dennis beschouwt zijn jeugd als een afgesloten hoofdstuk, waar nooit meer over gepraat hoeft te worden."
"Hm, dat is maar goed ook, vind je niet? Er is toen met die pedofiel ook helemaal niets gebeurd, hoor!"
"Echt niet?"
"Nee, hoor! Er is dus, zoals ik al zei, sprake geweest van een worsteling, maar hij heeft zich wel bijtijds los kunnen rukken."
"Toch moet het een afschuwelijke ervaring voor hem zijn geweest", mompelde Trudy, "Hij had wel vermoord kunnen worden. O, ik moet er niet aan denken!"
"Ach, welnee, lieveling! Hij schijnt toen al heel sterk te zijn geweest. En wat die hele episode met Patrick betreft: die heeft hem al helemaal geen kwaad gedaan. Toen hij na zijn schorsing terugkwam, was hij namelijk totaal veranderd. Hij was ineens een hele geestige jongen geworden. Een beetje ondeugend ook, maar dan op een hele leuke manier. Hij werd daarna ook heel populair. En vooral bij de meisjes."
"Ja, vertel mij wat!", mompelde Trudy, op een wat mismoedige toon.
"Ach, liefje! Wat zeur je nou? Jij hebt hem toch gekregen? Jij gaat toch morgen met hem trouwen?"
"Ja, ik heb de jackpot gewonnen, hè?", zei Trudy kleintjes.
"Ja, en hij houdt echt van je, hè?"
"Ja, en ik van hem. Ik hoor bij hem, ik ben in hem opgegaan en hij in mij. Zonder hem zou ik niet verder kunnen leven, vrees ik. Ik ben helemaal van hem, mijn hart, mijn gedachten, mijn lichaam, alles behoort hem toe. Eén blik of één streling van hem kan mij voor de rest van de dag gelukkig maken. En, Carla, ik kan je met de hand op mijn hart verzekeren, dat het nooit bij één blik of één streling blijft. En dat heeft mij door de jaren heen niet onberoerd gelaten. Ik zou het niet meer kunnen verdragen als hij bij mij weg zou gaan. Ik zou hem overal volgen, waarheen hij ook ging. Ik zou het zelfs van hem accepteren als hij een keertje vreemd zou gaan. Ik zou hem meteen weer terugnemen, zonder één woord van verwijt."
"Ik snap het!"
"Weet je, Carla, als hij ooit voor zijn tijd doodgaat, dan zal ik ook nooit meer iemand anders willen hebben. Elke man na hem zou een gigantische afknapper zijn geweest. Geen enkele man zou met mij om kunnen gaan, zoals hij dat doet, geen man zou bijvoorbeeld de kracht kunnen opbrengen om van tijd tot tijd mijn charmes te weerstaan. We hebben een heerlijke, gekke, spannende, seksuele relatie met elkaar en dat komt door hem, alleen maar door hem. Hij is degene, die mij regelmatig afremt, hij is degene, die zich regelmatig en altijd op het goede moment weet te beheersen. Weet je, Carla, ik kan het eigenlijk maar op één manier omschrijven. Hij neemt mij, zoals jij en ik een goed glas wijn drinken. Langzaam, rustig, maar intens. Hij geniet van mij, zonder mij te gebruiken. Elke dag weer. Sinds we elkaar kennen, is elke dag een feest voor mij geweest."
Ze hoorden de winkelbel rinkelen en zagen, dat Carla's collega naar een klant toe liep. Ze konden dus nog wel even blijven doorpraten.
"Maar het belangrijkste feest moet morgen dus nog komen", merkte Carla op.
"Ja, gevolgd door een heel opwindende treinreis!"
"Ah, en daarvoor ben je ook hier, hè?"
"Eh... ja!"
"Wat zoek je eigenlijk?"
"Ach, ik weet het zelf niet. Een paar leuke dingetjes, waardoor hij op slag zijn interesse in de kunstschatten van Florence zal verliezen. Een paar leuke dingetjes, die hem vijf dagen lang aan de hotelkamer gekluisterd zullen houden. Een sexy nachthempje, jarretelles, nylons. Ach, je weet het zelf wel."
"Gossie, je bent nogal wat van plan!"
"Tja, maar zou jij niet hetzelfde doen?"
"Hm, misschien... Maar misschien ook niet. Is het niet een beetje teveel van het goede?"
"Ach, ik weet het niet. Ik wil in ieder geval iets leuks voor de komende nachten. Maar over de kousen twijfel ik wel een beetje."
"Hm, wat dacht je van een zwart nachthempje, een zwarte panty voor onder je trouwjurk en een zijden kouseband als versiering?"
"Een kouseband?"
"Ja, over je panty heen. Zo ter hoogte, waar bij een nylonkous de boord zit."
"Ja! Dat lijkt mij leuk! Zoiets heb ik altijd al willen hebben!"
"Heb je nog een voorkeur voor een kleur?"
"Ja! Rood! Knalrood! Het kan mij niet rood genoeg zijn!"
"Heb je nog steeds maatje 36?"
"Ja, natuurlijk! En mijn schoenmaat is 38."
"Goed, als je nou even die paskamer daar in bezit neemt en even wacht, dan zoek ik wel het een en ander voor je uit."
"Okay!"
Trudy liep een van de kleine paskamers binnen en hing haar jas aan de haak. Zij hoefde niet lang te wachten: na een kleine minuut trok Carla het gordijn opzij.
"Zo, Truusje, ik heb het een en ander bij elkaar gegraaid", zei zij, "Kun je het voor de rest zelf even uitzoeken? Het loopt ineens storm in de winkel."
"Ja, hoor! Geef maar!"
Carla overhandigde Trudy een drietal nachthemden en een werkelijk knalrode kouseband en schoof daarna lachend het gordijn weer dicht. Trudy legde de kouseband op het krukje en hield de nachthemden één voor één voor haar lichaam. Uiteindelijk viel haar keus op een met kant afgezet nachthemd, dat tot halverwege haar dijen zou vallen. Het was precies, wat zij zocht. Het was doorzichtig, maar toch niet helemaal; het verhulde precies datgene, wat het moest verhullen.
Zij kleedde zich uit, op haar slipje na, trok het nachthemd aan en bevestigde de kouseband om haar linkerdij. Het resultaat mocht er zijn. De combinatie tussen haar knappe, stralende gezichtje en haar slanke, in zwart satijn gehulde lichaam weerspiegelde zowel haar karakter, dat altijd iets onschuldigs en puurs zou behouden, als haar seksuele raffinement. Zij genoot van de blankheid van haar huid, zij bewonderde haar tengere, rechte schouders, haar slanke figuurtje, haar lange, al even slanke benen en haar kleine, welgevormde voeten. Het geheel was overweldigend, haar schoonheid oogverblindend. Een nooit geambieerde loopbaan als fotomodel had haar wereldfaam kunnen brengen. Zij verschoof de kouseband, zodat deze net onder de zoom van het nachthemd viel en kwam toen tot een hoopgevende conclusie.
"Ha, hier kan geen Michelangelo tegen op!", zei zij hardop.
"Tevreden?", vroeg Carla, vanachter het gordijn.
"Ja, het is prachtig, jôh! Als Dennis mij hier in ziet, zullen de herinneringen aan de drama's in zijn jeugd wel voor altijd vervagen, denk ik."
"Dat denk ik ook wel, ja", was de opgeluchte reactie.
"Ha, Carla! Ik weet nu al zeker, dat ik deze kouseband gedurende ons hele huwelijk zal gaan dragen. Het zal het teken zijn, waarmee ik Dennis duidelijk kan gaan maken, dat ik met hem wil vrijen. Zie je het al voor je? Ik, kijkend naar de tv en Dennis, verdiept in een van die mooie boeken van Tsjechow en ik, die dan heel terloops, heel geroutineerd die kouseband omdoe en Dennis, die dat dan vanuit zijn ooghoeken gadeslaat en langzaam vuur- en vuurrood wordt. Ah, ik krijg het er nu al warm van."
"Ach, jee! Arme Dennis!"
"Ik neem het! Het hempje, de kouseband. Alles!"
"Prima, als je je nu dan weer even omkleedt, zal ik even gaan uitrekenen, hoeveel je dat allemaal gaat kosten."
"Goed! En doe er ook maar drie zwarte panty's bij. Je weet nooit, waar die goed voor kunnen zijn."
"Tja, je kunt maar beter op alles voorbereid zijn."
Carla schoof het gordijn weer dicht. Trudy bekeek zichzelf nog even in de spiegel, maar verwisselde daarna zonder morren het nachthemd en de kouseband voor de beha, het truitje, de jeans en de oude bontjas.
Eenmaal weer aangekleed stapte zij na enige aarzeling de paskamer uit. Het was inderdaad tamelijk druk in de winkel. Toch bleef de schaamte over haar kleren ditmaal achterwege. Er was ook geen reden voor: de aanwezige vrouwen, allen rondom de dertig en allen chic tot zeer chic gekleed, keken haar zeer vertederd aan. Trudy besefte, dat haar ontboezemingen over de kouseband niet alleen de oren van Carla hadden bereikt en liep met een blozend gezicht naar de kassa, waar Carla inmiddels de rekening had opgemaakt.Haar aankopen waren duurder dan Trudy had verwacht, maar zij bleek gelukkig net genoeg geld bij zich te hebben.
"Ga je zometeen eigenlijk nog naar de kapper?", vroeg Carla, terwijl zij het geld van Trudy in ontvangst nam.
"Nee, dat mag niet van Dennis!", was het argeloze antwoord, "Hij wil mij morgen hebben, zoals ik altijd ben. Dus niet in een dure jurk, dus niet met overvloedige make-up op en dus ook niet met een nieuw en exotisch kapsel. Maar gewoon als de Trudy, die hij op school heeft ontmoet, de Trudy met het half lange meisjeskapsel, de Trudy dus met de twee haarspelden in het haar, dat zoals altijd netjes achter de 'lieve, schattige oortjes' is gekamd."
"Ach, je meent het!", mompelde Carla, hoorbaar aarzelend tussen ironie en vertedering.
"O, jawel!", vervolgde Trudy, met een parelend lachje, "Het is overigens een compromis, hoor! Als ik hem dat niet had beloofd, was hij morgen in een ouwe spijkerbroek voor de ambtenaar van de burgerlijke stand verschenen."
"Ik geloof het graag!", zei Carla, "Zo, schatje! Hier is het wisselgeld en hier is je verrassingspakket voor Dennis. Ik wens jullie een hele fijne dag en een hele fijne huwelijksreis toe."
"Dank je!", zei Trudy beduusd, "Voor alles! Dag!"
"Dag, Trudy!"
Ze omhelsden elkaar bij het afscheid en daarna verliet Trudy lachend de winkel. Zij vond het heel fijn om weer buiten te zijn en huppelde bijna naar de tramhalte van lijn 2 aan de Van Baerlestraat.
"En nu op naar mama!", dacht zij.
Drie kwartier later liep zij over de Kamperfoelieweg, op weg naar haar huis. Zij wilde haar koffers ophalen en daarna meteen naar haar moeders huis aan de Heggerankweg gaan. Tijdens die korte wandeling besefte zij, dat aan de vooravond van haar huwelijk alles op zijn plaats was gevallen. Afgesloten was het rouwproces om de dood van Dennis' vader, weg was de angst voor de ziekte van Dennis, weg was de angst voor een zwangerschap en een bevalling. In de komende jaren zouden zij en Dennis carrière gaan maken en die carrières zouden de basis voor een rustig en comfortabel leven gaan vormen. Ze zouden een leven leiden, zoals haar ouders, dat tot hun scheiding in 1968 hadden geleid. Een zorgeloos leven, met een zekere luxe en zonder geldzorgen.
Negen jaar waren inmiddels verstreken na die scheiding, een scheiding, die door de zelfmoord van haar vader uiteindelijk in een waar drama was ontaard. Negen jaar had zij moeten knokken om datgene terug te winnen, wat zij door haar vaders toedoen had verloren. En nu was het dan zover. Nu kon zij tegen zichzelf zeggen, dat zij alles had, wat zij wilde hebben. Zij was jong, mooi en sexy, zij had een leuk huis, een goede baan bij de Postbank, die zij niet door haar schoonheid, maar door haar kennis en gaven had veroverd en zij werd aanbeden door een man, waarvan er in de verste verten geen tweede was.
Inmiddels was zij bij haar huis gearriveerd. Zij ontsloot de deur, besteeg gedachteloos de trap en stond eenmaal boven oog in oog met Dennis.
"Hoi!", zei hij, met een wat onzekere stem.
Zij zette haar boodschappentas naast zich neer en vloog hem om de hals met een, zelfs voor hem, verbijsterende vurigheid.
"Wat doe jij hier?", vroeg hij, naar adem snakkend.
"Mijn koffers ophalen. En wat doe jij hier?"
"Ik eh... ik heb mijn medicijnen gehaald en net toen ik op de bus naar het station wilde stappen, realiseerde ik mij, dat ik nog één ding moest doen."
"Wat dan?"
"Het schilderen van de deurstijl van de douchecel."
"O, ja! Dat is waar ook. Dat is er door je ziekte bij ingeschoten, hè?"
"Ja, maar daar ben ik nu net mee klaargekomen. Nu is de renovatie van dit rothuis echt voltooid."
"Ben je daar blij mee?"
"Ja, ik was er zelfs nogal ontroerd om. Het was net, alsof ik daarmee een tijdperk had afgesloten."
"Goed zo, jochie, zo mag ik het horen! En dan is hier je beloning."
"Trudy, wat heb je toch?", riep Dennis, toen zij hem weer even op adem liet komen, "Je bent zo..."
"Lief?"
"Ja, dat ook! Maar er is ook iets anders met je. Het is net, alsof je onder stroom staat."
"O, dat? Dat heeft niets te betekenen, hoor! Ik ben alleen maar heel erg gelukkig. Alle ellende is eindelijk achter de rug en alles is ineens volmaakt. Ik heb de dood van pa verwerkt, ik hoef niet meer bang om jouw gezondheid te zijn, ik heb iets leuks aangeschaft voor morgenavond..."
"Wat?", vroeg hij achterdochtig.
"Iets leuks!"
"Wat?", vroeg hij, met iets meer nadruk.
"Doet dat er eigenlijk wat toe?", was haar schijnheilige wedervraag.
"Nee, eigenlijk niet!", antwoordde hij nederig, "Of eigenlijk toch weer wel. Ik vind je zo al sexy genoeg!"
"Dank je!"
"Dus als je morgenavond te ver gaat, zou mijn hart het wel eens kunnen begeven."
"O, dat zit wel goed, jochie! Ik heb in ieder geval geen nylons gekocht. Daar hoef je dus niet over in te zitten."
"Ah! Dat is inderdaad een hele opluchting!"
Die opluchting leek niet geheel wederzijds te zijn. Trudy slaakte een diepe zucht en trok hem nog wat dichter tegen zich aan.
"Wat is er?", vroeg hij lachend.
"Ik wil met je vrijen."
"Hè?"
"Ah toe! Een half uurtje maar!"
"Hee, zeg! Kom nou!"
"Je wilt toch wel, hè?", vroeg zij liefjes.
"Ja, dat is het punt niet."
"Wat is het punt dan wel?"
"Nou, ten eerste ben ik in een heel romantische stemming..."
"Ha, prima!"
"En ten tweede ben jij veel te lief en te mooi voor een ordinair vluggertje."
"You don't like quickies?"
"No, I only like longies!"
"Hm, zullen we dan maar een half uurtje gaan knuffelen? Gewoon een beetje vrijen, zonder verdere..."
"Ja, dat lijkt mij wel leuk!"
Zij loodste hem langzaam naar hun slaapkamer, waar ze behoedzaam op de rand het bed plaatsnamen. Daar stelde zij hem voor een wat hachelijk dilemma:
"Mag ik mij, om het een beetje echt te maken, dan wel een beetje uitkleden?"
"Hm, nou, vooruit dan maar. Maar niet alles, hoor!"
"Goed, jochie. Zeg jij maar 'Ho!'"
"Goed!"
"Heb jij je medicijnen eigenlijk al ingenomen?"
"Ja!"
"Werken ze?"
"Ja, hoor! Ik voel mij prima!"
"Geen bijwerkingen, hè?", vroeg zij, haar hoofd een beetje schuin houdend.
"Je moet niet zo naar de bekende weg vragen!", antwoordde hij, na een korte aarzeling.
"Wat bedoel je daar nou weer mee?"
"Volgens mij heb je dat daarnet al aan den lijve ondervonden."
"Goed, goed! Ik plaagde je alleen maar."
Zij trok haar jeans uit en zij zag tot haar grote voldoening, dat hij onmiddellijk aan haar voeten neerknielde. Haar truitje en haar beha vielen daarna ook naast hem op de vloer neer. De afronding van de striptease bleef echter achterwege.
"Ho!", zei hij.
"Weet je het zeker?", vroeg zij lachend.
"Ja!"
"Wil je echt niet, dat ik mijn slipje uittrek?"
"Nee!"
"Waarom dan niet, jochie?"
"Omdat ik het niet wil. Ik wil nu geen seks, althans niet voor mijzelf."
"Wanneer wil je dat dan wel?", vroeg zij, op hoge toon.
"Morgenmiddag om half twee!"
"Hè?!?", riep zij, met gepaste verbijstering, "Maar dan zitten we toch nog aan de broodmaaltijd in 'Het Tolhuis'?"
"Nee, dat is niet zo. Dan zijn we net weg."
"Hè? Ik snap het echt niet, hoor!"
"Ik heb voor morgenmiddag voor twee uur een hotelkamer gehuurd. Om de tijd tussen de lunch en het vertrek van de trein te kunnen overbruggen."
"Waar?", vroeg zij verbijsterd.
"In een lekker, obscuur hotelletje tegenover het Centraal Station. Het ligt aan de Prins Hendrikkade, in het verlengde van de Zeedijk. Heel dichtbij de Walletjes dus."
"Nee, dat meen je niet!"
"Ik meen het wel. Ik heb daarnet een kamer gereserveerd en ook al betaald. We hoeven morgen na het vertrek uit 'Het Tolhuis' alleen maar onze koffertjes in een bagagekluis te zetten en naar het hotel te lopen."
Zij keek hem glunderend aan. Het leek haar te mooi om waar te zijn. Het vooruitzicht op een kort, maar heftig verblijf in een hotel aan de rand van de rosse buurt van Amsterdam, als subtiele inwijding van wat een heel braaf huwelijk beloofde te worden, sprak zeer tot haar verbeelding.
"Je bent zo geniaal als je geil bent!", riep zij.
"Ha! En dat wil heel wat zeggen."
Zij trok hem op het bed, nestelde zich in zijn armen en merkte met een zekere voldoening, dat zij zijn door haarzelf zo geroemde zelfbeheersing zwaar op de proef stelde.
"Is het zo goed?", vroeg zij.
"Ja! Ik heb niets meer te wensen."
"Ha, prima!"
Zij was inderdaad bijzonder tevreden met dat antwoord, al was er toch nog een ding, dat haar enigszins kwelde.
"Zeg, Dennis...", begon zij.
"Ja, schat?"
"Je moet nog de groeten van Carla hebben!"
"Welke Carla?", vroeg hij onnozel.
Zij giechelde en besloot verder te zwijgen. Het verleden had afgedaan. Voor altijd, naar het haar toescheen...

BERT HARBERTS


Terug


Piet Harberts (1912-1977)


Amsterdam, 19 maart 1991. © Bert Harberts