UTRECHTS INTERMEZZO

1. Drie weken nadat Dennis Harberts in Utrecht met zijn studie aan de School voor de Journalistiek was begonnen, nam hij zijn intrek in een kamer van een huis aan de Pausdam, op het mooiste plekje van de stad. Hij woonde daar alleen. Trudy Schouws, zijn in Amsterdam woonachtige vriendin, wilde pas met hem gaan samenwonen als ze een eigen huis zouden hebben, maar zij zou wel de weekenden bij hem in Utrecht gaan doorbrengen.
Dat alleen wonen, als onderdeel van die lat-relatie-avant-la-lettre, ging hem niet zo goed af. Hij kon het in huis maar heel moeilijk uithouden en hij zwierf elke avond urenlang door het centrum van Utrecht. Hij zag de toekomst somber in. Het idee, dat hij een onbekend, aantal maanden in zijn eentje in Utrecht zou moeten wonen, stond hem bijzonder tegen. Bovendien had hij geldzorgen. Zijn spaarpotje, waarin aanvankelijk vijftienhonderd gulden had gezeten, slonk langzaam maar zeker en hij wist nog niet, hoe hij van de bescheiden toelage van zijn vader zou kunnen rondkomen als het spaarpotje eenmaal leeg zou zijn.
Toch besloot hij op vrijdag om Trudy op een copieuze, zelfbereide maaltijd te trakteren. Hij kocht wat andijvie, wat aardappelen, twee biefstukken en een enorme meloen en trok zich na schooltijd luid zingend in de keuken terug.Tijdens het koken draaiden zijn gedachten alleen maar om het naderende weerzien. Zou zij echt komen? En als zij echt zou komen: in welke stemming zou zij dan zijn? En wat zou zij dragen? Dat grijze, nauwsluitende mini-jurkje, waar hij helemaal weg van was? Of zou zij in haar hoedanigheid van beginnend bankemployee in een gedistingeerd mantelpakje voor zijn ogen verschijnen?
Hij ruimde onderwijl ook een beetje zijn kamer op. Na dat, niet al te fanatieke opruimen zag hij haar ineens zijn kamer binnenstormen. Het knappe, slanke meisje met het half lange, blonde haar vloog hem met een dusdanige kracht om de hals, dat hij zijn evenwicht verloor en beiden op het bed langs het raam tuimelden. Zijn gebed, voor zover het haar kleding betrof, was overigens verhoord: zij droeg het al genoemde, grijze jurkje en wel in combinatie met een rood hoedje, een zwarte panty en zwarte schoenen. Het was een ensemble, dat zij de komende weken op elke vrijdag zou dragen.
"Ja, nou! Ik heb de laatste week echt niets meer door mijn keel kunnen krijgen."
"Ha, dat komt goed uit, want ik ga je dit weekend eens lekker verwennen."
"Waarmee? Waarmee?"
"Ja, ja! Ook daarmee, seksmaniak! Maar daarna ook met andere dingen. Met lekkere etentjes bijvoorbeeld en ook met andere leuke dingetjes. Ik heb onderweg een heleboel, leuke winkeltjes ontdekt en die gaan we morgenochtend dus ook allemaal bezoeken. Geld moet rollen en nu ik als veelbelovend Postgiro-employee een vast inkomen heb, zal ik mij met vreugde van die taak gaan kwijten."
Dennis hoorde haar ontboezemingen lachend aan, maar zei er verder niets over.
Tijdens het eten toonde Trudy zich zeer verrast, zowel door de overvloed van spijzen als door de kwaliteit ervan.
"Gossie", zei zij na afloop van het diner, "Ik wist niet dat jij zo lekker kon koken."
"Ik kan niet alleen lekker, maar ook gezond koken", snoefde hij, "Die overheerlijke biefstuk en die overheerlijke tomatensaus zijn namelijk bereid met zuivere, cholesterol afbrekende, zonnebloemolie."
"Ha, je groeit nog eens tot een prima huisvrouwtje uit!"
"Dank je wel!", kraaide hij uit, "Maar ik moet natuurlijk ook tot een prima huisvrouwtje gaan uitgroeien, want jij bent per slot van rekening degene, die de poen voor ons zal moeten gaan verdienen."
"Ja, dat lijkt mij ook wel redelijk. Trouwens, over poen gesproken: ik word elke dag door mijn collegaatjes geprest om mij bij een modellenbureau in te schrijven. Wat zou jij daarvan vinden?"
Dennis had daar niet meteen een antwoord op. Hij werd ineens heel bleek, maar wist, na enig nadenken, uiteindelijk toch een eerlijk antwoord te produceren.
"Jezus, dat zou ik echt afschuwelijk vinden! Als jij fotomodel zou worden, zou mijn hele wereld meteen ineenstorten."
"Echt waar?"
"Ja, jij zou dan in een compleet andere wereld terechtkomen, in een glitterachtige glamourwereld, waar ik nooit en te nimmer in zou passen."
"Aha, dat is precies, wat ik wilde horen! Ik loop tegen mijn collegaatjes namelijk hetzelfde te verkondigen. Alleen vinden zij, dat het wel niet zo'n vaart zal lopen. Maar nu kan ik tenminste tegen ze zeggen, dat jij het mij verbiedt. Want je wilt het niet, hè?"
"Nee, ik wil het niet."
"Goed zo, jochie!", zei zij glimlachend, terwijl zij opstond en bij hem op schoot kroop, "Dat wilde ik horen. En niets anders."
"Ah."
"Is het zo goed?"
"Ja."
"Ben je niet boos op mij, omdat ik het ter sprake heb gebracht?"
"Welnee, ik ben helemaal niet boos op je! Wanhopig? Ja, dat wel. Maar boos niet."
"Wanhopig?"
"Ja, wanhopig! Want ik heb het met de huidige situatie al moeilijk genoeg."
"Wat is er dan, schatje? Wat scheelt er dan aan?"
"Ach, ik weet het niet goed. Ik denk, dat het vooral de tegenstelling tussen onze maatschappelijke posities is."
"Dat snap ik niet, hoor!"
"Ik ben simpelweg jaloers op je. Ik ben jaloers op je vrijheid, die je met je baantje hebt veroverd. Jij werkt nu, jij verdient nu geld, dat je in de komende, drie jaren op charmante wijze over de balk kunt gooien. En ik zit hier voor drie jaar op school, in een andere stad, in een andere provincie en moet in dezelfde drie jaar met de toelage van mijn vader zien rond te komen."
"Maar..."
"Bovendien mis ik je natuurlijk. Ik kwijn hier echt weg. Elke dag zonder jou is een marteling. Voor ik jou ontmoette, had ik heel goed geleerd om mij met verve door het leven te slaan, maar door jou ben ik dat allemaal weer verleerd."
"Wat bedoel je?"
"Je bent in de afgelopen drie jaar gewoon te lief voor mij geweest. Door jou, door jouw liefde ben ik vergeten, hoe hard het leven soms kan zijn. En nu ik deze week van jou en je liefde ben verstoken geweest, ben ik ineens op een verschrikkelijke manier op mijzelf teruggeworpen. En daarbij komt dan ook nog eens, dat ik voortdurend bang ben, dat je binnenkort een knappe, rijke jongen tegen het lijf zult lopen, wiens charmes je uiteindelijk toch niet zult kunnen weerstaan."
"Maar dat is een waandenkbeeld!"
"Ja, dat wil ik best wel geloven, maar ik lijd aan dat waandenkbeeld, omdat jij in Amsterdam woont en ik in deze teringstad gevangen zit. Ik ga ook echt van school af als die scheiding tussen ons nog veel langer zal gaan duren. Dan word ik maar geen journalist."
"Nee, dat meen je niet!"
"Dat meen ik wel. Ik hou het hier echt niet meer uit."
Trudy was gedurende zijn betoog ook heel bleek geworden, maar zij wist nog wel de juiste woorden te vinden, waarmee zij hem weer op het juiste spoor kon helpen.
"Stil, lieveling", zei zij zacht, "Zo moet je niet praten! En je moet zeker niet van school gaan. Je bent geknipt voor de journalistiek. Je hebt zelf altijd gezegd, dat het een roeping voor je is. Dat moet je voor mij niet opgeven, dat zou je mij later alleen maar gaan verwijten. En wat die snelle jongen betreft: je weet toch welke les ik uit de losbandige levenswandel van mijn vader heb getrokken? En je weet toch, hoe monogaam ik ben? Je weet toch, dat ik verschrikkelijk veel van je hou? Je weet toch, dat ik mij het leven zonder jou niet meer voor zou kunnen stellen. Je weet toch, dat ik jou ook vreselijk mis als we niet bij elkaar zijn?"
"Ja, dat weet ik."
"Nou, dan? Het enige, wat ik nu van je vraag, is een beetje geduld. Ik ben druk bezig om in Amsterdam een huis voor ons te vinden en er is best wel een goede kans, dat we snel geluk zullen hebben. Het zal niet volgende week gebeuren en misschien ook niet in de weken daarna, maar gebeuren zal het."
"Goed, lieverd", zei hij, terwijl hij zuchtend zijn hoofd op haar tengere schouder legde, "Je hebt volkomen gelijk."
"Is nou alles weer goed?"
"Nee, niet alles."
"Wat scheelt er dan nog aan?"
"Ik ben toch nog steeds een beetje bang."
"Waarom dan?"
"Om jou te verliezen, natuurlijk! Ik geloof diep in mijn hart echt wel, dat je het nooit uit zult maken en dat we altijd bij elkaar zullen blijven, maar er kunnen ons natuurlijk ook een heleboel andere dingen overkomen.
"Zoals wat?"
"Ik ben eigenlijk bang voor alles, waaraan je dood kunt gaan."
"Draaf je nou niet een beetje door?"
"Nee, ik vind van niet. Ik heb in mijn jeugd twee korte periodes gekend, waarin ik heel gelukkig was, maar de veel langere periodes daarna waren regelrechte drama's, waarin ik de ene afgrijslijke klap na de andere kreeg te verwerken en al het goede, dat ik had, helemaal kwijtraakte."
"Wat wil je daarmee zeggen?", vroeg zij, met een iel stemmetje.
"Dat ik, sinds ik jou ken, met de derde, gelukkige periode bezig ben, dat ik in de eerste negentien jaar van mijn leven mijn dierbaren niet al teveel geluk heb gebracht en dat ik heel bang ben, dat jij van die doem, die over mijn leven schijnt te hangen, uiteindelijk ook de dupe zult gaan worden."
Zij was opnieuw heel bleek geworden. Zij scheen even niet weten, hoe zij hierop moest reageren, maar toen zij dat eenmaal wel wist, deed zij dat op een manier, die weinig aan de verbeelding overliet.
"Dat huwelijksaanzoek van jou van een paar jaar geleden...", begon zij.
"Ja, wat is daarmee?"
"Geldt dat nog steeds?"
"Ja, natuurlijk!"
"Dat is mooi! Want ik neem het heel graag aan."
"Echt?", vroeg hij hijgend, "Ook na wat ik daarnet allemaal heb gezegd?"
"Juist daarom!"
"Weet je dat echt heel zeker?"
"Ja, lief, imbeciel tweelingzieltje van mij, ik weet het echt heel zeker. Ik ben alleen nog over de datum aan het dubben, maar als ik die eenmaal heb geprikt, hoor je het wel van mij."
"O, dat is mooi!", prevelde hij voor zich heen.
"Prima! En omdat we nu dus min of meer verloofd zijn, moet je mij nu maar naar het bed dragen."
"Wil je dat echt?"
"Weet je dan iets beters?"
"Nee, niet echt. Ik had je eigenlijk willen voorstellen om naar de bioscoop te gaan, maar daar staat mijn hoofd nu helemaal niet meer na."
"Nou, kom op dan!"
2. De maandag erna kon Dennis de scheiding van Trudy ineens veel beter aan. 's Avonds hervatte hij zijn omzwervingen door Utrecht en langzaam, heel langzaam begon hij zich aan de bisschopsstad te hechten. Hij mat zich ook maar meteen een stamcafé aan: 'Het Heen en weer' aan de Lange Gaard, het oudste café van Utrecht. De inrichting van het café was sober en ouderwets, de koffie was lekker, het ambachtelijk bereide appelgebak smaakte fantastisch en het bedienend personeel, bestaande uit drie, knappe werkstudentes, ging op een half moederlijke, half flirterige manier met hem om.
Op vrijdagmiddag arriveerde Trudy weer op dezelfde tijd als vorige week: even na zessen. Bij haar binnenkomst merkte hij vrijwel onmiddellijk, dat zijn depressie van de vorige week in een verhevigde vorm op haar was overgegaan. Zij bleek er minder goed mee om te kunnen gaan dan hij, want toen zij, zonder iets te zeggen, op het bed was neergeploft, kreeg zij vrijwel onmiddellijk een enorme huilbui. Het was een aanblik, die hij maar nauwelijks kon verdragen. Hij liep naar haar toe, ging naast haar op het bed zitten en legde behoedzaam zijn arm rond haar schouders.
"Trudy, wat is er?", vroeg hij.
"Ik durf het niet te zeggen."
"Waarom dan niet?"
"Het is zo stom."
"Ah, toe, schatje! Zeg het mij nou? Ik zal echt gek worden als je het niet zegt."
"Ik... ik ben misschien in verwachting!"
"Meen je dat?"
"Ja, ik ben vergeten om zondag de pil in te nemen!"
"Echt waar?"
"Nou heb ik hem maandagochtend nog wel ingenomen en het kan zijn, dat ik daarmee nog net op tijd was, maar als ik vanavond of morgenochtend niet ongesteld raak, dan is het vast raak. Dan is... Dan is... Maar... Maar... Waarom grijns je nou zo stom?"
"Ik grijns helemaal niet."
"Dat doe je wel!", riep zij verontwaardigd.
"Ik grijns echt niet, schatje!", zei hij kalm, "Ik heb een hemelse glimlach op mijn gezicht!"
"Hemelse glimlach?"
"Ja, dat is zo'n glimlach, die alleen bij intens gelukkige mensen voorkomt."
"Maar... Maar... Vind jij het dan niet erg?"
"Nee, integendeel!"
"Integendeel?"
"Ja, ik vind het heerlijk! Het idee, dat jij van mij misschien een kind zult krijgen, staat mij zeer aan. Ik voel mij er hartstikke lekker door."
"Meen je dat?"
"Ja!"
"Dus je wilt niet, dat ik een abortus onderga?"
"Nee, dat wil ik zeker niet."
"Ik wil het ook niet. Als ik zwanger ben, dan is dat niet gepland, maar als het echt zo is, dan zal ik het absoluut niet over mijn hart kunnen verkrijgen om het weg te laten halen."
"Dat hoef je ook niet. En je hoeft het ook niet, omdat het helemaal niet nodig is."
"Echt niet?"
"Nee, want zodra jij zekerheid over je zwangerschap hebt, gaan we ten eerste zo snel mogelijk trouwen."
"Ja, en dan?"
"Dan laten we het kind lekker komen!"
"Ja, en dan?"
"Dan ga jij na zes weken weer aan het werk en dan neem ik verder de verzorging en de opvoeding van ons kind voor mijn rekening."
"Meen je dat?"
"Ja, ik zou je ook dolgraag van die zwangerschap en die bevalling willen verlossen, maar dat kan nu eenmaal niet."
"Maar... Maar dat betekent dan wel, dat je van school af moet."
"Misschien, misschien. Tenzij ik daar iets kan ritselen met aangepaste uren, of zo. Of misschien kan ik het kind gewoon mee naar school nemen. En als het niet kan, ga ik inderdaad van school af. Misschien kom ik dan tussen het huishouden doen en het kind verzorgen eindelijk eens aan het schrijven van dat korte verhaal toe. Je weet wel: dat verhaal over die patholoog-anatoom, die, behalve zijn brood, ook zijn lijken laat thuisbezorgen."
"Een crèche is natuurlijk ook nog een mogelijkheid", zei Trudy, met een langzaam doorbrekende glimlach.
"Nee, dat wil ik niet!", zei hij fel, "Ik wil niet, dat mijn kind in de eerste vijf jaar van zijn, of haar leven door anderen wordt opgevoed. Iemand, die een kind de wereld opschopt, moet daarvan ook fulltime de verzorging voor zijn rekening durven nemen. En dat ga ik dus ook doen!"
"Meen je dat echt?"
"Ja, ik meen het echt! En ik begin mij er nu al heel erg op te verheugen!"
"Je hebt het al helemaal uitgekiend, hè? Ik zie echter nog een kleine moeilijkheid: de huisvesting..."
"Jezus, lieverd! Als je echt zwanger bent, hebben we nog zeker acht maanden. Als we echt niets kunnen vinden, kunnen we desnoods een poosje met kind en al bij je moeder gaan wonen. Dat lijkt mij toch geen probleem?"
"Nee, dat is het ook niet. Dat heeft zij mij ook al voorgesteld."
"Nou, dat is dan ook geregeld."
Zij maakte zich van hem los en ging met een zucht van verlichting languit op het bed liggen.
"Kom!", zei zij, terwijl zij haar armen naar hem uitstrekte, "Ik wil je even knuffelen. Als toekomstig vader van mijn kind heb je daar natuurlijk meer dan recht op."
"Daar zeg ik geen nee op."
"Maar voor ik dat doe, wil ik je nog één ding vragen."
"Wat dan?"
"Zou het je het heel erg vinden als we vanavond het noodlot niet tarten en dus niet eh..."
"Nee, natuurlijk niet, liefje! Ik wil alleen maar, dat je bij mij blijft. Dat is het enige, wat belangrijk voor mij is."
Die ontboezeming leek het laatste restje onrust bij haar weg te nemen en na een korte aarzeling trok zij hem lachend over zich heen. Een paar uur later bleek, dat haar zorgen van die dag voor niets waren geweest. Gedurende de rest van het weekend zouden ze daar allebei nogal gemengde gevoelens over hebben.
3. Na het weekend mocht Dennis zich in een werkelijk volmaakte gemoedsstemming verheugen. Aan zijn avondwandelingen door Utrecht was hij verslaafd geraakt, maar hij legde de kilometers nu zingend af. Hij begon elke wandeling met een bezoek aan 'Het Heen en weer'. Het was een fijne plek om met een biertje onder handbereik aan Trudy te kunnen denken en het was ook heel plezierig om met de drie vrolijke werkstudentes over haar te kunnen roddelen.
Voordat hij het goed en wel besefte, was het alweer vrijdag. Trudy arriveerde op de gewone tijd en nam na een tedere welkomstceremonie op zijn schoot plaats. Het weerzien leek al vrij snel op een al even tedere vrijpartij uit te draaien, tot zij met de verrassende mededeling kwam, dat ze iets te vieren hadden en dat zij om die reden liever eerst een Wiener Schnitzel in 'Het Heen en Weer' wilde gaan eten. Het was een voorstel, waarmee hij toch wel van harte instemde.
Tijdens de wandeling naar de kroeg bleef zij over de reden van het komende feestmaal hardnekkig zwijgen en tijdens het wachten op die maaltijd nam zij, om hem vermoedelijk nog eens extra te jennen, haar meegebrachte boek ter hand.
"Wat lees je?", vroeg hij.
"'Madame Bovary'."
"Ah, dat is een klassieker!"
"Ja, en terecht!"
"Voel je enige verwantschap met Emma?"
"Nee, totaal niet", antwoordde zij, met een vage glimlach.
"Hm, dat verbaast mij niets. Eigenlijk ben je ook een soort tegenhangster van haar."
"Ja, gelukkig wel. Zij heeft overigens wel wat van jou weg. Zij is net zo'n ziekelijke romanticus als jij."
"O, dank je. Maar een beetje gelijk heb je wel."
"Ja, hè? Maar wil je nu je mond houden? Emma heeft net een hapje arsenicum ingenomen en ik wil even ongestoord lezen, hoe zij langzaam krepeert."
"Goed, liefje. Geniet er dan maar van."
Pas na de maaltijd begon Dennis zichtbaar zijn geduld te verliezen. Trudy zag zijn ongedurigheid lachend aan, liet hem nog even in zijn sop gaar koken en begon vervolgens in haar tas te rommelen.
"Wat doe je nu weer?", vroeg hij gemelijk.
"Zie je deze sleutels hier?", vroeg zij, onderwijl een sleutelbos omhooghoudend.
"Ja."
"Dit, liefje, zijn de sleutels van onze woning!"
"Oh, meen je dat!", vroeg hij, naar adem happend.
"Ja, liefje, dat meen ik", antwoordde zij glimlachend, "Mijn heroïsche zoektocht naar een woning heeft uiteindelijk toch resultaat gehad."
"Waar is het?"
"In de Blankenstraat."
"Is dat niet in de Czaar Peterbuurt?"
"Ja, het is een hele oude en ook een hele kleine tweekamerwoning. Met een smal keukentje en een klein toilet, waar gelukkig wel een piepkleine, nieuwe douche is ingebouwd."
"Da's mooi."
"Alleen het uitzicht is niet om over naar huis te schrijven. We kijken uit op een opslagplaats van hout en de terreinen van Van Gend & Loos."
"Dat geeft niet!"
"Je vindt het ook niet erg om vijf keer per week op en neer naar Utrecht te reizen?"
"Nee, als ik jou elke avond aan het andere einde van de tafel aantref, vind ik dat helemaal niet erg."
"Ha! Zo mag ik het horen!"
"Wanneer kunnen we er in?"
"Per 1 november."
"Kom je dan vanaf volgende week vrijdag bij mij in Utrecht logeren? Het lijkt mij zo leuk om later te kunnen zeggen, dat we al vanaf onze negentiende verjaardag samenwonen."
"Goed, liefje!", antwoordde zij, met een ironisch glimlachje.
Tijdens het koffiedrinken zette zij zich onmiddellijk aan het schrijven. Hij kon zien, dat het een lijstje was en hij wilde toch wel graag weten, wat het voor een lijstje was.
"Wat schrijf je, lieverd?", vroeg hij.
"Ons huisreglement. Een lijstje van taken, die we beiden moeten gaan uitvoeren als we eenmaal samenwonen."
"Lees-es op!", klonk het achterdochtig.
"Goed, hou je vast! De werkverdeling in huize Schouws is als volgt: 1. Betalen van huur: Trudy, 2. Betalen van gas en licht en andere vaste lasten: Trudy, 3. Boodschappen doen: Trudy..."
"Hm, dat klinkt goed."
"Hou je mond! Ik ga verder: 4. Koken: Dennis, 5. Afwassen: Trudy, 6. Stofzuigen: Dennis, 7. Dweilen: Dennis, 8. Afstoffen: Trudy, 9. Ramen lappen: Dennis, 10. Wassen: Dennis."
"Hm, is dit een dictaat? Of mag ik nog enige inspraak plegen?"
"Nee, dat mag je niet! Dit lijkt mij een volstrekt eerlijke verdeling. Iedereen doet evenveel. Ik verdien het geld, ik schrijf de cheques uit en geef het geld uit en jij doet het grootste deel van het huishouden."
"Kunnen we van die huishoudelijke klusjes niet iets ruilen?"
"Nee, jij mag precies die dingen doen, waar ik een hekel aan heb."
"Krijg ik dan wel een wasautomaat van je?"
"Natuurlijk, jochie. Je krijgt ook een hele mooie stofzuiger van mij. En pannen. En een kookboek. En zeemleren lappen. En dweilen. En schortjes. En hoofddoekjes."
"Oh, dat is lief van je. Mag ik ze zelf uitzoeken?"
"Tuurlijk!"
"Hm, dit zijn allemaal plichten. Staan daar ook nog rechten tegenover?"
"Nou zeg, mij dunkt! Vrije kost, vrije inwoning, ik betaal om je vader verder te ontlasten, vanaf nu je studie, je krijgt vijftig gulden zakgeld per week van mij en je verkrijgt een onbeperkt gebruik van de vrouw des huizes."
"O, Trudy, lief schatje van mij!", riep hij, met gepaste blijdschap, "Je bent mijn maecenas! Mijn eigen, beeldschone maecenas!"
"Je wat?", vroeg zij nuffig.
"Laat maar! Maar in ruil voor dat al je goede gaven zal ik vanaf nu met alle liefde jouw sloofje, kok en minnaar zijn."
"Mag ik voor vanavond de volgorde omdraaien?"
"Ja, hoor! Dat mag!"
Zij greep hem stevig bij de handen, probeerde iets te zeggen, maar leek daarover toch even te twijfelen.
"Wat is er, schatje?", vroeg hij lachend.
"Jij lijkt niet echt op Emma, hoor!", antwoordde zij uiteindelijk.
"Echt niet? Ook niet een heel klein beetje?"
"Nee, want je bent niet alleen romantisch. Je bent ook nog eens heel lief, heel trouw, heel verstandig, heel standvastig en soms, als het moet, heel erg praktisch."
"Praktisch? Wanneer dan?"
"Zoals vorige week vrijdag. We hebben al drie jaar verkering, maar ik heb nu eigenlijk pas het gevoel, dat ik je echt ken."
"Verklaar je eens nader."
"Ik besef nu pas, dat die kwetsbare en dienstbare houding, die jij ten opzichte van mij altijd aanneemt, alleen maar schijn is. Ik besef nu pas, dat je in wezen een hele krachtige persoonlijkheid bent, die in tijden van nood heel goed zijn mannetje kan staan. Want, Dennis, je hebt mij een week geleden uit een hele diepe put gehaald. Daar ben ik je echt heel erg dankbaar voor. Het is een zalig gevoel om te weten, dat ik in tijden van nood altijd op je zal kunnen bouwen."
"Kunnen we het niet ergens anders over hebben?"
"Nee, liefje, dat kunnen we niet. Ik wil namelijk nu wel eens van je weten, hoe jij over jezelf denkt."
"Meen je dat?"
"Ja, ik meen het! En ik wil ook, dat je een gunstig beeld van jezelf geeft. Enne... we gaan pas naar huis als het helemaal naar mijn zin is."
"Maar dat kan ik helemaal niet!"
"O, jawel! Het moet je in een paar zinnen kunnen lukken."
"Nou, goed dan", zei hij, na enig nadenken, "Ik ben charmant, prettig gestoord, een tikje naïef en heel erg sentimenteel. Ik laat mij altijd door mijn hart leiden als het kan en alleen door mijn verstand als het echt moet. Ik ben zacht voor anderen, maar hard voor mijzelf. Ik leer van het verleden, geniet van het heden en koester de toekomst. Is het zo goed?"
"Ja, Emma zou verrukt van je zijn geweest. Je bent zo lief als Charles, zo teder als Leon en zo sexy als Rodolphe."
"Dank je!", zei hij lachend.
4. De volgende vrijdag had Dennis vrij van school. Hij besteedde de ochtend aan boodschappen doen en het kopen van een verjaardagscadeautje voor Trudy. Om twaalf uur begaf hij zich - gekleed in een gedistingeerd, zwart kostuum - naar hotel 'Des Pays-Bas' aan de Korte Jansstraat. Hij nam een tweepersoonskamer met bad en betaalde voor het logies en ontbijt een bedrag, dat zijn financiële reserves danig aantastte.
Na de ontvangst van de sleutel besteeg hij samen met de piccolo de trap naar de eerste verdieping. De kamer was ruim, klassiek gemeubileerd en van alle gemakken voorzien. Dennis was er zeer mee in zijn nopjes. Hij wierp de piccolo een verfrommeld biljet van vijf gulden toe, waarbij hij de jongen het blijmoedige advies meegaf om 'er een lekker ijsje voor te kopen' en besloot na enig nadenken om eerst maar eens een bad te gaan nemen.
Enige uren later trof hij Trudy volgens afspraak op het terrasje van 'Het Heen en Weer'. Dennis was er zich terdege ervan bewust, dat ze vanaf nu als samenwonenden door het leven zouden gaan, maar hij wenste dat plechtige moment in stilte te verwerken en liet haar gebabbel over haar werk en haar geroddel over haar collega's rustig langs zich heen gaan.
"Hoe is jouw dag eigenlijk geweest?", vroeg zij, na een poosje, "Heb je een leuke, vrije dag gehad?"
"Ja, hoor!"
"Wat heb je gedaan?"
"Ik heb eerst alles in huis gehaald voor het feestje van morgenavond en daarna heb ik twee cadeautjes voor je gekocht."
"Twee?!? En ik heb helemaal niets voor jou gekocht! Dat hadden we toch afgesproken, halvegare idioot!"
"Ja, ja! Ik weet het, ik weet het. Maar ik kon mij niet beheersen. Ik ben ook zo blij, dat wij nu eindelijk gaan samenwonen. Ik moest je op de een of andere manier mijn dankbaarheid tonen."
"Oh, dat is wel weer lief van je! Maar dat doet niets af aan het feit, dat ik nu nog steeds geen cadeautje voor jou heb."
"Da's waar."
"Tenzij..."
"Tenzij wat..."
"Ik mijzelf als cadeautje aanbied."
"Tja, dat kan natuurlijk!"
"Daar heb je geen bezwaar tegen?", vroeg zij lachend.
"Neuh, daar kan ik niet echt een probleem van maken."
"Ook niet als je heel erg je best doet?"
"Nee, sorry! Daar ben ik echt niet toe in staat!"
"Goed, dan doen wij dat. Als je maandagmiddag uit school thuiskomt, zul je mij naakt in je bed vinden."
"Ik zal dat moment met genoegen tegemoet zien."
"Hm, misschien vind ik nog wel iets, dat ik als een soort lintje om mijzelf heen kan knopen. Lijkt je dat geen leuk idee?"
"Dat lijkt mij een buitengemeen leuk idee."
"Maar vind je het eigenlijk niet gemeen van mij, dat ik je een cadeautje zal geven, waarvan ik zelf net zoveel plezier zal hebben als jij?"
"Ja, eigenlijk wel. Om je de waarheid te zeggen, vind ik het bijzonder berekenend van je. Het is echt iets voor jou om zoiets te doen. Het is eigenlijk een grof schandaal."
"Oh! Meen je dat?"
"Nee, natuurlijk niet, malle meid! Ik zal je vanavond zonder morren hetzelfde cadeautje geven. Daar heb ik helemaal geen problemen mee."
"Ha, zo mag ik het horen! Maar geef mij eerst die andere cadeautjes maar."
"Hee, zeg! Je bent morgen pas jarig."
"Ja, dat is waar! Maar ik wil ze nu al hebben!"
"Nou, goed dan! Omdat jij het bent."
Hij liet zijn rechterhand in zijn rechterjaszak glijden, rommelde daar wat in en haalde daar tenslotte een doosje, waarin een gouden halskettinkje zat, dat hij voorzichtig rond haar hals hing.
"Oh, wat mooi!", murmelde zij voor zich heen.
"Ik heb voorlopig geen geld voor verlovingsringen. Dus je moet het maar even met dit kleine aardigheidje doen. Zodra ik weer een leuk vakantiebaantje bij de hand heb, zal ik er ook een bijpassend sieraad bij kopen."
"Dank je, lieveling!", zei zij, terwijl zij hem lachend een kus gaf, "Ik ben hier al heel erg blij mee!"
"Da's mooi."
"Wanneer krijg ik mijn tweede cadeautje?"
"Zometeen."
"Als we thuis zijn?"
"Nee, voor dat tweede cadeautje moeten we ergens anders heen."
"O, nou! Laten we dan maar snel gaan!"
"Goed, lieverd", zei hij goeïg.
Hij rekende af en troonde haar mee naar het hotel, zij het dan wel via een enorme omweg. Gedurende een poosje liep Trudy kalm naast hem voort, maar toen ze aan het einde van Nieuwe Gracht waren gekomen, kon zij haar nieuwsgierigheid niet meer bedwingen.
"Waarom lopen we hier?", vroeg zij, "En waar gaan we in godsnaam naartoe?"
"We lopen hier, omdat dit in de afgelopen weken mijn favoriete wandelroute was en waar we heen gaan, zul je zometeen wel merken."
"Heb je hier vaak gelopen?"
"Ja, elke avond!"
"Elke avond?"
"Ja, het is geen enkele keer voorgekomen, dat mijn verlangen naar jou mij niet het huis uitdreef."
"Oh, meen je dat?"
"Ja, natuurlijk!"
"O... Nou, dan heb ik in dat verband weer een leuk nieuwtje voor je!"
"O?"
"O, liefje, kijk maar niet zo benauwd! Nu is het echt een leuk nieuwtje. Een kwartier geleden heb ik in de trein, bij het passeren van het station van Breukelen, onze trouwdatum geprikt."
"O, ja?", vroeg hij, blij verrast.
"Ja!"
"Welke datum wordt het?
"15 augustus 1977."
"Waarom 1977?"
"Omdat je dan net bent afgestudeerd. Lijkt je dat niet leuk? Ons huwelijk zal mijn cadeautje zijn, waar je dan toch zeker zestig jaar van mag gaan genieten."
"Ah, dat is mooi! Maar waarom zal het op 15 augustus gaan gebeuren?"
"Oh, smeerlap! Dat weet je best! Het gaat op 15 augustus gebeuren, omdat wij elkaar op 15 augustus 1971 hebben ontmoet!"
"Ik weet het, liefje!", riep hij lachend, "Ik weet het! De datum staat met platina letters in mijn geheugen gegrift en ik zal vanaf vandaag ook reikhalzend naar die andere, mooie datum gaan uitkijken."
"Ik had niet anders verwacht."
Ze liepen kalm verder en uiteindelijk kwamen ze via het Servaasbolwerk, de Herenstraat, opnieuw de Nieuwe Gracht, de Pausdam, de Dom, de Voetijsstraat, Achter Sint Pieter, de Keistraat, Drift en het Janskerkhof bij hotel 'Des Pays-Bas' aan.
"Wat een leuke sightseeing, zeg!", verzuchtte Trudy, "Maarre... ik wil nu wel graag naar huis gaan. Of beter nog: mijn tweede cadeautje in ontvangst nemen."
"Dat krijg je, als je nu met mij meegaat."
Hij liep, zonder verder iets te zeggen, het hotel binnen en na enige aarzeling liep Trudy achter hem aan. Zij bleef zwijgen, tot ze de kamer waren binnengegaan, maar na het vertrek van de werkelijk dolgelukkige piccolo duwde zij hem schaterend tegen de deur.
"Oh, Dennis, wat ben jij een smeerlap!", riep zij, "Heb je je hierom zo mooi uitgedost?"
"Ja, de komende jaren zal ik als een armlastige student door het leven moeten gaan, maar de komende nacht zal ik voor even de rol van de jonge, veelbelovende zakenman mogen spelen."
"En welke rol is daarbij voor mij weggelegd?"
"Wat dacht je van de rol van mijn door de wol geverfde maîtresse? Als je dat wilt, tenminste!"
"Nou en of ik dat wil! Maar eigenlijk..."
"Eigenlijk wat?"
"Wil ik... wil ik liever... eerst even een douche nemen. Kan dat?"
"Is een bad ook goed?"
"Zit er ook een bad bij?"
"Ja, wat een luxe, hè?"
"Ja, nou!"
Zij nam met een wat peinzende gelaatsuitdrukking op de rand van het bed plaats en Dennis kon zijn ogen niet van haar afhouden. Het was hem pas in de laatste weken opgevallen, hoezeer haar geestelijke rijpheid ook in haar lichaam tot uiting was gekomen. Haar vormen onder dat grijze, nauwsluitende jurkje waren mooier, voller en zachter geworden. In niets leek zij meer op dat tengere en o zo breekbare meisje van een paar jaar geleden; onder zijn liefhebbende handen was zij toch echt tot een bloedstollende schoonheid uitgegroeid. Die vage notie van een definitief verloren gegane onschuld vervulde hem even met weemoed. Tot de vreugde over hun toekomstig huwelijk weer de overhand kreeg en het hem tegelijkertijd ook duidelijk werd, dat Trudy iets ondeugends in de zin had.
"Zal ik mij hier uitkleden, of in de badkamer?", vroeg zij.
"Waarom mag ik dat zeggen?"
"Wil je een striptease? Of wil je die niet?"
"Ik, eh..." begon hij.
"Zeg het maar, jochie!", zei zij, met een moederlijke en tedere toon in haar stem, "Je hebt een groot deel van je spaargeld opgeofferd om hier met mij een wilde nacht door te kunnen brengen. Dus jij mag zeggen, hoe je mij wilt hebben. Je mag toch best een beetje waar voor je geld verlangen?"
"Ik, eh..."
"Stil maar, lieveling. Je hoeft al niets meer te zeggen. Ik weet al, wat je wilt."
Zij trok haar schoenen uit en begon met lome, behaagzieke gebaartjes de knopen van haar jurkje los te maken.
"Goh, wat jammer, dat ik geen nylonkousen aan heb", zei zij, meer tegen zichzelf dan tegen hem, "Dan had ik er echt iets heel moois van kunnen maken."
"Denk je?", vroeg hij huichelend.
"Ja, lieveling, dat zou je heel mooi hebben gevonden. Het losmaken van de jarretelles, het afrollen van de kousen, dat zijn handelingen, waarmee ik jou hartstikke gek zou hebben gemaakt."
"Je hebt gelijk."
"Je vindt het nog steeds niet goed, dat ik weer nylonkousen ga dragen?"
"Er is geen sprake van 'niet goed vinden', mijn lief. Er is sprake 'van nog niet aankunnen'."
"En zal de dag, waarop je het wel aankunt, ooit aanbreken?"
"O, vast wel!"
"Dat is mooi! Maar wees maar niet bang: ik zal pas weer nylons gaan dragen als ik net zo mollig als mama zal zijn. En dat zal waarschijnlijk pas na mijn dertigste gaan gebeuren."
Zijn niet-vocale reactie op die nogal pikante onthullingen scheen haar nogal te bevallen.
"O, wat kijk je weer gekweld!", riep zij, toen zij met een koket lachje de jurk op de vloer had laten vallen, "Ben je niet tevreden over het gebodene?"
"Integendeel!", antwoordde hij, vol vuur, "Ik ben helemaal weg van je! Ik ben helemaal weg van je mooie lichaam en van die mooie benen en ik word dronken van vreugde van het idee, dat ze nu voor altijd ook van mij zullen zijn."
"Hm, zal ik dan maar meteen verder gaan?"
"Goed, lieverd."
De beha en het slipje volgden daarna in al even bedaagd tempo. De striptease eindigde op een huiselijke manier: met het oprapen en het opvouwen van de kleren.
"Zo, lieveling, was het een leuke striptease?", vroeg zij, toen zij na gedane zaken haar benen over elkaar heen sloeg.
"Ja, het was heel leuk!"
"Niet ordinair?"
"Nee, integendeel! Het was heel gracieus en bekoorlijk. Het was precies, zoals het hoort. Zoiets mag je best wel wat vaker doen."
"Goed, dat beloof ik je. Maar mag ik nu dan even een bad gaan nemen?"
"Wil je dat echt?", vroeg hij, met een stem, waar de wanhoop duidelijk doorheen klonk.
"Ja, ik voel mij echt een beetje vies. Ik moet even in het bad gaan liggen. Even maar. Ik zal echt zo terug zijn!"
"Meen je dat?"
"Ja, en datgene, wat jij wilt, moet dus nog heel even wachten."
"Nee, dat wil ik niet!"
Hij wankelde naar haar toe, maar Trudy kon hem moeiteloos ontwijken en rende giechelend de badkamer binnen.
"Je bent gemeen!", riep hij haar na.
"Dat weet ik!" riep zij terug, "En ik ben nog veel gemener dan je denkt, want je mag pas de badkamer inkomen als ik dat zeg!"
"Wat gebeurt er met mij, als ik het toch doe?"
"Dan spat ik je hartstikke nat!"
Hij wachtte even, tot zij in het bad zat en liep toen toch maar de badkamer binnen. Zijn tred was wat aarzelend, maar zij leek niet van zins te zijn om haar daarnet aangekondigde strafmaatregel ook daadwerkelijk uit te voeren.
"Wat kom je doen?", vroeg zij grinnikend, "Wil je erbij? Mag best, hoor! Maar ik zou mijzelf eerst uitkleden als ik jou was."
"Nee, ik ben vanmiddag al geweest!"
"Het is anders lekker warm, hoor."
"Hm, ik geloof het graag."
"Maar ik zal er maar niet zo lang in blijven liggen. Die striptease heeft mij heel erg geil gemaakt en dat hete water maakt de zaak er niet veel beter op."
"O, jee!"
Toch maakte zij nog geen aanstalten om uit het bad te komen. Zij had haar armen rond haar opgetrokken benen gelegd en staarde peinzend voor zich uit.
"Waar denk je aan?", vroeg hij.
"Aan mijn vader."
"Is daar een speciale reden voor?"
"Ja, toch wel. Als ik mama mag geloven, is hij altijd heel bang geweest, dat ik de verkeerde man tegen het lijf zou lopen en dit is een van die zeldzame momenten, waarop ik besef, dat hij terecht zo ongerust over mij is geweest."
"Hoezo?"
"Hij moet hebben beseft, dat zijn sterke sensualiteit en die van mama op mij was overgegaan en hij moet hebben voorvoeld, wat dat voor mij in mijn latere leven zou gaan betekenen."
"Wees eens wat concreter."
"Dat kan ik alleen maar doen door je mijn nieuwe fantasie te onthullen."
"En die is?"
"Wil je die echt weten?"
"Ja."
"Nou, goed dan: sinds ik in het bad zit, ben ik mijzelf aan het wijs maken, dat jij met het kopen van dat halskettinkje en met het huren van deze kamer voor vanavond mijn lichaam hebt gekocht."
"Meen je dat?", vroeg hij lachend.
"Ja, ik meen het echt. Ik ben ook vast van plan om die fantasie werkelijkheid te laten worden. Vanavond zal ik voor één avond niet je vriendin zijn, maar een bloedmooie en zeer getalenteerde callgirl, die je voor veel geld hebt moeten inhuren."
"O, ja?"
"Ja, maar dan alleen als jij dat ook leuk vindt."
"Ach, als je daar nou plezier in hebt...", begon hij, nog wat aarzelend.
"O, ja! Daar zal ik heel veel plezier in hebben. En je kunt ervan op aan, dat ik er ook heel goed in zal zijn."
"Ik geloof het graag."
"Ja, maar als ik daar goed over nadenk, vind ik dat heel beangstigend. En juist daarom ben ik ook zo verschrikkelijk blij, dat ik met jou mag gaan trouwen."
"Hoe bedoel je dat?"
"Ik denk, dat het met iedere, andere man heel slecht met mij was afgelopen. Of denken? Ik weet het eigenlijk wel zeker. Ik ben er echt rotsvast van overtuigd, dat het met iedere, andere man heel gemakkelijk fout had kunnen gaan. Iedere andere man had heel gemakkelijk misbruik van mij kunnen maken."
"Wat had er dan kunnen gebeuren?"
"Alles, wat er maar met een zo op seks belust meisje kan misgaan. Misschien was ik uiteindelijk wel achter een raam op de Walletjes terecht gekomen."
Die laatste opmerking sloeg hem met stomheid, hetgeen zij overigens niet als een probleem leek te ervaren. Zij deed een greep naar zijn linkerbroekspijp en trok hem langzaam naar zich toe.
"Wat dacht je van een voorproefje voor vanavond?", vroeg zij, met een weer heel dromerig gezichtje.
"Waar?"
"Hier natuurlijk! Hier in deze verrukkelijke, zij het wat harde badkuip."
"Hm... dat idee lokt mij eigenlijk wel aan."
"Tja, dat had ik al in de gaten."
"Maar wil je niet eerst wat eten?"
"Nee, ik heb niet zo'n trek, zei zij, terwijl zij hem glimlachend bij de revers van zijn colbert, ''Niet in eten, in ieder geval."
"Hee, pas op!", schreeuwde hij, "Nee, niet doen!"
Zijn verzet bleek nutteloos...

BERT HARBERTS


Terug



Amsterdam, 10 juli 1988. © Bert Harberts