ONTHULLING

Voor een raam op de tweede verdieping van hotel 'Brinkhorst' aan het Heemskerkse Burgemeester Nielenplein stond een knappe, mollige blondine naar buiten te kijken. Zij had vanuit haar kamer een goed uitzicht op twee van de belangrijkste bezienswaardigheden van Heemskerk. Schuin links stond het tweehonderd jaar oude raadhuis en recht voor het hotel stond de Nederlands-Hervormde kerk uit 1628, het middelpunt van het kerkhofje, waar ook de vader van de vrouw lag begraven. Het verwonderde haar, dat het buiten op deze zonnige zaterdagochtend nog zo rustig was. Bij de taxistandplaats voor het stadhuis liep een taxichauffeur heen en weer te slenteren en op de stoep voor het filiaal van de HEMA aan het aangrenzende Raadhuisplein stond een winkelmeisje te wachten, maar meer menselijke activiteiten waren er niet te zien.
Aan de blijmoedige glimlach, waarmee de vrouw naar dit straattafereeltje keek, was haar gemoedsstemming duidelijk af te lezen. Zij voelde zich in de stad, waar zij tweendertig jaar daarvoor was geboren, weer helemaal op haar gemak. De vorige morgen was zij bij het verlaten van haar huis in Amsterdam-Noord tamelijk gedeprimeerd geweest; nu bruiste zij van levenslust. Die omslag had zich voltrokken, toen zij gisteren na een afwezigheid van zeventien jaar weer aan haar vaders graf had gestaan. Op dat moment waren de problemen, waarmee zij worstelde, zoals haar tragische jeugdherinneringen, haar depressies van de laatste weken en haar zorgen over het ouder worden binnen n minuut vervaagd.
Na een poosje verloor zij haar interesse in het straattafereeltje en liep zij naar de badkamer. Zij nam een douche, droogde zich af, bracht een nieuwe tampon in en drentelde naar het bed. Op een stoel naast dat bed lagen haar kleren al klaar: een rode beha, een zwart tangaslipje, een rood hempje, een wollen mini-jurkje met rode en zwarte strepen, een zwarte panty en een rode kouseband. Zij ging op het bed zitten, trok het slipje aan en gluurde daarbij met voldoening in de kastspiegel. De ronde schouders, de brede heupen, de mollige dijen en de kleine, poezelige voeten, eigenlijk kon alles haar goedkeuring wel wegdragen. Het enige, waaraan haar leeftijd was af te lezen, waren de lijntjes bij haar ogen, maar ook die konden haar stemming niet meer bederven.
Jarenlang had zij voor een verminderde belangstelling van de kant van haar man gevreesd als haar jeugdige schoonheid en haar slanke figuurtje eenmaal zouden beginnen te wijken. Nu het eindelijk zover was, bleek echter het tegendeel het geval. Eigenlijk besefte zij nu ook wel, waarom haar man haar juist de laatste tijd zo intens begeerde: haar wat rondere vormen pasten veel meer bij haar zachtmoedige karakter dan de fotomodelmaten van haar meisjesjaren.
Toch bleef zij die verhevigde passie voor haar als een groot wonder ervaren en de gedachte daaraan deed haar nu naar de telefoon grijpen. Zij hoefde niet lang te wachten: haar man liet de telefoon in hun huis maar tweemaal overgaan.
"Dag, lieve Trudy", zei hij.
"Hoe wist je, dat ik het was?", vroeg zij verbaasd.
"Niemand anders is zo gek om mij op een zaterdagochtend om negen uur op te bellen", antwoordde hij lachend, "Normale mensen doen zoiets namelijk niet. Normale mensen hebben begrip voor de funeste uitwerking van mijn variabele werktijden op mijn nachtrust. Normale mensen laten hardwerkende journalisten op zaterdagochtend altijd uitslapen."
"Ach, ik wilde gewoon even je stem horen. Die lieve, warme telefoonstem van jou, die altijd het minnaresje in mij wakker roept. Je hebt het nooit gehoord of gezien, maar na elk telefoongesprek met jou hang ik altijd kirrend op. Ik voel mij dan altijd als een marmotje, dat langdurig over haar vachtje is geaaid."
"Nee, zeg! Meen je dat?"
"Ja, natuurlijk meen ik dat. Ik zou het ook zeer op prijs stellen als je mij in het vervolg wat vaker belde."
"Is vijf keer per dag dan niet genoeg voor je?"
"Nee, dat is veel te weinig voor een hartstochtelijke vrouw zoals ik."
"Ik zal er in het vervolg rekening mee houden."
"Ik had niet anders verwacht."
"Is dat alles, wat je mij te zeggen hebt?"
"Ja, eigenlijk wel. Ik wilde eigenlijk alleen maar weten, of je al weg was."
"Nou, ik ben dus nog niet weg, maar ik sta al wel met mijn jas aan."
"Ah, dan ben je verder dan ik. Ik lig nog in mijn blootje op bed."
"Ah, ik zie het voor mij."
"Echt waar?"
"Ja, echt! Ik zie je helemaal. Van top tot teen. Van je prachtige gezichtje tot je mooie, kleine voetjes. En het water loopt mij echt uit de mond!"
"Ha, en terecht! Ik zie er vandaag weer verrukkelijk uit."
"Je ziet er altijd verrukkelijk uit. En de laatste maanden helemaal. Ik heb vannacht niet zo best geslapen, maar als ik vannacht het beeld van jouw prachtige lichaam niet voor ogen had gehad, was ik helemaal niet aan slapen toegekomen."
Zij slikte iets weg. Die combinatie van die gekmakende stem en die paar nonchalant geuite, maar diepgemeende opmerkingen had een zeer indringende uitwerking op haar. Zij rolde zich in elkaar en trok zachtjes kreunend het dekbed over haar lichaam. Toch kwam zij nog wel met een passende repliek:
"Zal ik dan maar gewoon zo in bed blijven liggen?"
"Hoezo?"
"Het is zo zonde van mijn tijd als ik mij nu moet aankleden om je van de trein te halen als ik mij daarna meteen weer voor je moet uitkleden. Want dat wil je toch, h?"
"Ja, en nu helemaal!"
"Nou, zullen we dat dan maar doen?"
"Nee, lieverd", antwoordde hij, na een korte aarzeling, "Het klinkt heel verleidelijk, maar kom mij toch maar afhalen."
"Waarom?"
"Ik geloof, dat je mij gisteren hebt gezegd, dat we vandaag een leuk, snoezig weekendhuisje zouden gaan kopen."
"Dat is waar!"
"En volgens mij kunnen we dat niet vanuit een hotelbed doen."
"Dat is ook waar!"
"En dus moet je mij om tien uur van het station in Heemskerk afhalen. Als ik nu weg ga, kan ik nog net de trein van drientwintig over negen halen."
"Goed, liefje. Ga dan maar gauw. Ik zal op het station zijn als je daar aankomt."
"Okay, dan ga ik nu meteen weg."
"Tot zo!"
"Doei!"
Zij hing op, sloeg de dekens om en deed een greep naar haar kleren. Zij kleedde zich aan, zonder zich te haasten en zij genoot daarbij van elke beweging. Aan het einde van het uitgebreide en talmend uitgevoerde kousenritueel drapeerde zij ook de kouseband om haar linkerdij en streek zij even met haar vingers over haar kousen, maar daarna stond zij zuchtend op. Zij stapte in haar schoenen, bewonderde zichzelf nog eenmaal in de spiegel, met de handen op de rug en met een lief, verrukt glimlachje om de mond, en verliet de kamer voor het ontbijt in de eetzaal van het hotel.
Daar kwam zij tot de ontdekking, dat zij die eetzaal, een langwerpig vertrek in de souterrain van het hotel, met een drietal zakenlieden van middelbare leeftijd moest delen. Het was een niet geheel onverdeeld genoegen voor haar: de heren, allen in een driedelig kostuum gekleed, staarden haar bij haar binnenkomst ademloos aan. Een dergelijke, ongeneerde blijk van bewondering maakte haar altijd wat kregel. Waar de heren ook in stilte op mochten hopen, op iets meer dan een koel hoofdknikje hoefden ze niet te rekenen. Niettemin was de reactie op dat hoofdknikje tamelijk opgetogen. Hun "Goedemorgen!" klonk eenstemmig uit drie monden, haar "Dag, heren" had echter iets benepens.
Zij nam plaats aan een tafeltje in een hoek van de zaal, met de rug naar de heren toegekeerd. Veel hielp het haar niet; zij voelde, dat ze naar haar keken en dat ze over haar spraken. Het bewijs daarvan werd haar door de heren ook niet onthouden.
"En nacht met haar zou alles nog kunnen goedmaken!", hoorde zij een van hen zeggen, "En nacht in die warme, mollige armen en ik zou alle ellende van gisteren op slag zijn vergeten."
Trudy begon te blozen en overwoog om maar meer weg te lopen. De vriendelijke houding van de dienstdoende serveerster, een slank, donkerharig meisje van een jaar of negentien, weerhield haar daarvan.
"Eet u alleen?", vroeg het meisje.
"Ja, helaas wel!"
"Vindt u dat ook zo ongezellig?"
"Ach, het valt vandaag wel mee, hoor. Ik ga zometeen mijn man van het station afhalen, dus morgenochtend zal ik het bij het ontbijt wel wat gezelliger hebben dan nu..."
"Ah, prima!", zei de serveerster lachend, "Wilt u koffie of thee?"
"Koffie graag."
"Vindt u het echt zo vervelend om alleen te eten?", vroeg zij, terwijl zij Trudy een witte koffiepot aanreikte.
"Ach, ik ben het wel een beetje gewend. Mijn man heeft onregelmatige werktijden, dus ik eet wel vaker alleen. Maar het vooruitzicht op de komende hereniging met hem maakt veel goed, hoor. Ik zal hem straks ook eens flink verwennen, in alle opzichten."
Het serveerstertje schoot in de lach en bleek niet ongenegen om het spelletje mee te spelen:
"Ja, leuk, h? Die voorpret! Het is soms nog leuker dan het echte werk."
"Nou, in mijn geval niet, hoor!", riep Trudy lachend, "Bij ons is de werkelijkheid altijd wilder dan in mijn dromen. Vooral de laatste tijd is het echt elke nacht raak. Ik kom de laatste tijd echt slaap te kort."
"O, werkelijk?", zei het meisje, een tikje beduusd.
"Ja, en het is bepaald niet zo, dat de kwaliteit onder de kwantiteit lijdt. Hij wordt eigenlijk alleen maar beter in bed."
Die laatste ontboezeming leek wat teveel van het goede voor de heren te zijn. Ze stonden op en bliezen de aftocht. Drie breekbare, oude dames kwamen voor hen in de plaats en daarna daalde een haast serene rust over de eetzaal neer. Trudy at kalm verder en dronk met smaak van haar koffie. Met de rechterhand om het kopje geklemd en met de linkerhand rustend op haar schoot was zij ineens een toonbeeld van tevredenheid. Zij was gek op rustige zaterdagochtenden zoals deze en de nabije aanwezigheid van haar vaders graf gaf haar een sterk gevoel van geborgenheid. Hij was er nog, in de geest en in haar hart. Voor het eerst sinds zijn dood kon zij zonder enige angst, woede of schuldgevoelens aan hem denken.
Zij voltooide haar ontbijt, verliet de eetzaal met een vriendelijk, voor de serveerster bestemd "Dag!" en liep terug naar haar kamer. Op de gang van de eerste verdieping kwam zij de drie heren uit de eetzaal tegen. Zij negeerde hen met een geniepig glimlachje en het gefluisterde "Geil serpent!", dat een van de heren haar daarna toevoegde, accepteerde zij stilzwijgend als een geuzennaam. Na de terugkeer in haar kamer ontdekte zij echter, dat het al bijna tien uur was. Zij zou zich moeten haasten om nog op tijd op het station te kunnen zijn.
Zij trok haar jas aan, verliet in een ijltempo het hotel en zag de enige aanwezige taxi bij de taxistandplaats in snel tempo wegrijden, met de drie zakenlui als opzichtig gnuivende passagiers. Zij gunde de heren hun pleziertje wel; de implicatie daarvan, een wachtende echtgenoot op het station, deed haar gezicht echter betrekken. Maar vandaag was, behalve het serveerstertje, ook Vrouwe Fortuna op haar hand: uit de richting van het station kwam een tweede taxi aanrijden. Zij stak haar hand op en de auto, een niet al te schoon uitziende, witte Mercedes, stopte precies voor haar voeten.
De taxi verliet het oude dorp, passeerde de Tolweg en reed al vrij snel de wijk Zuidbroek binnen, de wijk, waarin het station lag. Op het moment van hun aankomst aldaar kwam de trein uit Amsterdam voor het perron tot stilstand. Dennis, een lange, blonde man, was een van de eerste passagiers, die de spoorwegovergang passeerden. Zij stapte uit, rende naar hem toe en vloog hem giechelend om de hals.
"Dag, lieverd!", mompelde hij verward.
"Dag, lief jochie van mij!", murmelde zij, "Ik ben zo blij dat je er bent! Heb je een goede reis gehad?"
"Het kon niet beter! Ik heb het hele compartiment voor mijzelf gehad. Ik heb weer eens heerlijk kunnen piekeren."
"Over wat?", vroeg zij bezorgd.
"Over jou. Over mijzelf. Over hoe ik in de put had gezeten als ik jou niet had gehad."
"Dus je voelt je nu wel goed?"
"Ja, natuurlijk! Zolang jij je dure geld spendeert aan taxi's om voor mij op tijd op het station te zijn, zit het wel snor met mij. Hij staat er trouwens nog steeds."
"Ja, we gaan ook weer terug met hem."
"Kunnen we niet beter gaan lopen?"
"Nee, luister: dit is wat we gaan doen. We gaan eerst met de taxi naar het dorp. Voor het bezoek aan papa's graf. Daarna gaan we lopend naar meneer Stol, naar het huisje dus. En als we de koop gesloten hebben, gaan we met de taxi weer terug naar het hotel. En wat daar zal gebeuren, weet je dus al."
"Hm, dat klinkt aardig", zei hij welgemoed.
"Hee, waar is je koffertje?"
"Shit, dat ben ik vergeten!"
"O, nou, dat geeft ook eigenlijk niet! Een pyjama zul je vannacht toch niet nodig hebben."
"En mijn tandenborstel dan?"
""Die tandenborstel kun je straks wel even bij de HEMA kopen. Dan ga ik gezellig met je mee, dan kan ik zelf meteen een paar mooie nylons aanschaffen."
"Hm, dat klinkt ook wel aardig."
"Aardig?"
"Nou, veelbelovend dan?"
"Mag het nu echt van je?"
"Ja, ik zal mijn jarenlange verzet staken. Het beeld van jou, vrolijk dartelend door ons nieuwe huis in je babydoll en je nylons, heeft mij vannacht heel veel plezier bezorgd."
"Ah, prima", zei zij lachend, "Laten we dan maar gauw gaan."
Ze liepen naar de taxi en namen op de achterbank plaats. Twee minuten later hadden ze Zuidbroek al verlaten en stopte de taxi voor het stoplicht bij de Tolweg. Daar streelde Trudy haar man even over de hand.
"Daar is Assumburg", zei zij, wijzend naar het kasteel in de verte.
"Daar is het gebeurd, h?", zei hij, zichtbaar ontroerd.
"Ja."
"Het heeft zonder meer stijl, hoor!"
"Wat?"
"Om je op zo'n plek van het leven te beroven. Mijn moeder heeft het in de veilige beslotenheid van haar slaapkamer gedaan, jouw vader had tenminste nog de fantasie om een mooie kasteelgracht uit te zoeken."
Zij schoot in de lach. Zijn nonchalante manier van praten luchtte haar nogal op. Het nieuws over de mogelijke zelfdoding van zijn moeder, dat hem de vorige avond door zijn oudste broer Arie was verteld, had hem schijnbaar minder geschokt dan het zich eerst had laten aanzien. Zijn volgende opmerking deed haar zelfs nog meer goed:
"Een dood door verdrinking schijnt trouwens heel erg prettig te zijn."
"Meen je dat?", vroeg zij, met een stralend gezichtje.
"Ja, onderzoek heeft uitgewezen, dat de drenkeling tijdens zijn laatste momenten in een staat van extase komt. Over die laatste ogenblikken van je vaders leven hoef je dus nooit meer in te zitten. Hij is heel gelukkig gestorven."
"Hoe weet je, dat ik daarover in heb gezeten?"
"Dat heb ik gisteravond van je moeder gehoord. Volgens haar heb je daar heel vaak met haar over gesproken. Tot op onze trouwdag aan toe."
"Ja, dat is zo! Maarre... Hoe weet je dat van die extase?"
"Dat heb ik een tijdje geleden in de Elsevier gelezen. Als je het graag wilt lezen, kan ik het artikel wel voor je uit het archief vissen."
"Kun je dat? Als je dat voor mij wilt doen, zou ik dat heel lief vinden. Ik wil het heel graag lezen."
De auto trok weer op; het gezicht van de taxichauffeur drukte opperste verbijstering uit. Een minuut later reden ze het oude dorp binnen, waar zich ook Trudy's geboortehuis bevond.
"Kijk!", riep zij lachend, "Daar ben ik geboren."
"Mooi pandje! Zodra we hier komen wonen, zal ik hier elke dag bij het voorbijgaan een rode roos in de tuin werpen."
"Vind je het mooi hier?", vroeg zij, terwijl zij hem een arm gaf. de zijne trekkend.
"Ja, maar dat komt vooral door jou. Doordat ik nou eindelijk eens zie, waar jij bent opgegroeid. Je bent nooit zo openhartig over je jeugd geweest, maar ik zie je hier in mijn verbeelding toch echt wel rondlopen. Ik heb ook haarscherp voor ogen staan, wat voor een kind je bent geweest."
"Hoe ben ik dan geweest?"
"Ach, dat weet je toch zelf wel? Je moet zo'n lief, blond elfje zijn geweest, dat vrolijk zingend op haar blote voetjes door de tuinen en over de straat trippelde en dat alle kinderen uit de buurt elke dag weer met zachte hand naar haar pijpen liet dansen. Je moet het lievelingetje van de buurt zijn geweest, het schattige, tengere meisje, dat nooit schreeuwde, nooit huilde, nooit lastig was en dat om die redenen door alle winkeliers verschrikkelijk werd verwend. Met snoepjes, stukjes worst, stukjes kaas, etc. etc."
Zij keek hem verbluft aan; hij had in een paar zinnen een haarscherp beeld van haar kinderjaren geschetst. Een beeld, dat ineens een hevig gevoel van heimwee in haar wakker riep.
"Ik eh...", begon zij hakkelend.
De taxichauffeur onderbrak haar met een kuchje. Daar had hij een goede reden voor, want ze stonden al voor het kerkhof. Dennis rekende af en gaf, zoals altijd, een veel te hoge fooi. Trudy zei er ditmaal niets over; zij had nu andere dingen aan haar hoofd.
Ze stapten uit, keken de wegrijdende taxi even na en liepen daarna zwijgend het kerkhof op. Het graf van Trudy's vader was goed onderhouden. Het had een grijze, staande steen, waarop in de gangbare bewoordingen alleen de naam en de geboorte- en sterfdatum van de overledene was aangebracht en het perkje daarvoor stond vol met planten. Trudy had er overigens geen oog voor; zij keek naar haar man en zag met een mengeling van verbazing en ontroering, dat hij tegen de opkomende tranen moest vechten.
"Ik heb er heel lang over nagedacht", begon zij aarzelend, "Maar nu weet ik dus echt heel zeker, dat jij de mafste van ons tween bent."
"Hoezo?"
"Jij bent degene, die aan het graf van een man, die je nooit hebt gezien, een potje gaat staan janken."
"Hij is geen vreemde voor mij. Ik zie hem in jou. Hij leeft in jou voort, in je charme, in je tederheid en in je sterke, maar onbaatzuchtige sensualiteit. Telkens als jij mij tijdens een van die vele slapeloze nachten in je armen neemt, als je mij als een kind koestert, als ik, zolang als ik wil, van je prachtige lichaam mag genieten, dan heb ik heel vaak het gevoel, dat ik dat allemaal aan hem te danken heb. En dat gevoel is sinds gisteravond alleen nog maar sterker geworden. Omdat ik nu weet, dat ik jou alleen maar door zijn dood, door zijn offer, heb mogen ontmoeten. Want dat heeft je moeder mij gisteren dus echt feilloos duidelijk gemaakt: als zijn dood niet zulke traumatische herinneringen bij jou had veroorzaakt, waren jullie nooit naar Amsterdam verhuisd. Ik heb mijn levensgeluk dus aan deze man te danken. Niets meer en niets minder. Mag ik dan ontroerd zijn als ik aan zijn graf sta?"
Zij knikte, nu zelf vechtend tegen haar tranen, op zoek naar woorden, die zij niet zou kunnen vinden. Dennis zag haar verwarring. Hij sloeg zijn arm rond haar schouders en trok haar zwijgend tegen zich aan.
Na hun korte wake verlieten ze het kerkhof en liepen ze met een ferme tred in de richting van de duinen. Ze passeerden de Mozartlaan en liepen door de bossen van het landgoed Marquette, waar ze achtereenvolgens twee kapitale villa's, een tennisbaan en een imposant kasteel passeerden.
"Je bent echt helemaal zeker van je zaak?", vroeg Dennis, "Je wilt echt weer in Heemskerk gaan wonen?"
"Ja, in ieder geval in de weekends en in de vakanties. Ik heb er gisteravond heel erg goed over nagedacht. Het lijkt mij, met het oog op jouw voorspoedig verlopende carrire, geen goede zaak om ons nu al voorgoed op het platteland te vestigen. Het is volgens mij beter, dat we door de week gewoon in ons goedkope, Amsterdamse huurhuisje blijven wonen."
"Ja, mij ook!"
"Ja, h? Het lijkt mij een hele goede verdeling. Als we moeten werken, zijn we in Amsterdam en als we allebei vrij hebben, zijn we hier."
"Dat lijkt mij prima. Al vind ik wel, dat we nu iets gaan doen, wat helemaal tegen onze toekomstwensen ingaat."
"Wat bedoel je?", vroeg zij, een beetje gealarmeerd.
"Als we nu een duur huis kopen, ondergraven we ons plan om eerder met het werken te kunnen stoppen."
"Hoe bedoel je?"
"Als we nog tien jaar doorsparen, zoals we dat de laatste tien jaar hebben gedaan, hebben we zoveel geld, dat we allebei op ons vijfenvijftigste kunnen stoppen met werken. Als we dat spaargeld aanspreken, dan moeten we doorwerken tot ons zestigste en misschien nog wel langer."
"Je bent niet goed bij je hoofd!", riep zij verstoord.
"Waarom?"
"Omdat je verhaal gewoon nergens op slaat! Dat huisje zal waarschijnlijk alleen maar meer waard worden. Het zou wel eens een hele goede investering kunnen worden!"
Ze staken de weg over en liepen verder over een kronkelend en zacht glooiend paadje. Trudy vervloekte zichzelf om haar volstrekt onnodige uitval, maar werd al snel door Dennis gerustgesteld.
"Sorry, lieverd", zei hij aarzelend, "Het was niet mijn bedoeling om je overstuur te maken."
"Dat geeft niet, lief imbecieltje van mij. Misschien heb je ook wel gelijk, maar ik wil het zo graag. Als we hier in de weekenden gaan wonen, kan ik eindelijk dat heerlijke, lieve leventje uit mijn jeugd weer hervatten."
"Ik begrijp het, lieverd. En als je echt helemaal zeker van je zaak bent, zal ik je heus wel je zin geven."
"Tja, en dat ben ik nu juist niet!"
"Meen je dat?"
"Ja, want nu ik er goed over nadenk, begin ik toch weer flink te twijfelen."
"Is het om je vader?", begon hij voorzichtig, "Of om het geld?"
"Nee, het is niet om mijn vader en het is ook zeker niet om het geld. Het is om wat ik vanmorgen heb meegemaakt."
"Om wat dan?"
"Om een ontmoeting met drie hotelgasten, die mij vanmorgen in de ontbijtzaal nogal seksistisch bejegenden. Misschien is dat wel een veelbetekenend voorteken geweest, misschien moeten we het inderdaad ook niet doen."
"Tja, als je er zo over denkt."
"Maar toch wil ik hier graag blijven terugkomen. Ik heb mij hier, vanaf het moment, dat ik gisteren het oude dorp binnenliep, meteen weer thuisgevoeld. In dit dorp bevinden zich een heleboel dingen, die ook van mij zijn. Die kan ik niet voor de rest van mijn leven blijven negeren. Maar aan de andere kant wil ik eigenlijk ook nooit meer uit Amsterdam-Noord weggaan."
"Maar voor dat dilemma is toch wel een genuanceerde oplossing te bedenken?"
"Welke dan?"
"We zullen toch altijd wel in het hotel kunnen logeren? Zo druk zal het daar toch niet zijn? Als we zeker weten, dat we daar altijd terecht kunnen als we naar Heemskerk willen afreizen, dan hebben we toch een soort huis, een soort van thuishaven. Waar we dan overigens niet voor de rest van onze levens aan vastzitten."
"Ach ja, natuurlijk! Dat is de oplossing!"
"Ja, h? We hebben in de afgelopen tien jaar een heerlijk luxeleventje kunnen leiden, we hebben van elkaar en van onze vrijheid genoten en we hebben door al het geld opzij te leggen, dat anderen aan kinderen, auto's, dure huizen, sigaretten en drank hebben uitgegeven, ook nog een omvangrijk kapitaaltje bijeengespaard, dat vanaf nu steeds sneller, steeds groter zal worden. Dat kapitaaltje geeft ons nu al de zekerheid, dat we tot onze dood kunnen blijven leven, zoals we dat nu doen. Dus met die twee etentjes per week, dus met dat ene korte reisje per jaar en met die uitstapjes op zaterdag naar Utrecht, Den Haag, Maastricht, Heemskerk..."
"Hou maar op!", riep zij lachend, "Je hebt mij al overtuigd!"
"Om kort te gaan: om al die leuke dingen te kunnen blijven doen, hoeven we maar van en ding afstand te doen: die laatste, gezamenlijk gekoesterde droom van een weekendhuisje."
"Jij wilde het ook, h?"
"Ja, het had mij heerlijk geleken, maar ik deins er nu toch een beetje voor terug."
Ze kruisten opnieuw de Marquettelaan en liepen daarna via de Kerkweg naar de Rijksstraatweg. Op het kruispunt van die twee wegen bleef Trudy ineens stilstaan.
"Zijn we er al?", vroeg hij, met een minzaam lachje.
"Nee, ik durf niet meer verder te gaan!", antwoordde zij, op een jengeltoon, "Ik ben zo bang om meneer Stol teleur te stellen. Hij was gisteren zo blij, toen ik hem zei, dat we zijn huis wilden kopen. Ik wil liever naar het hotel teruggaan en hem van daaruit even bellen, of een briefje schrijven."
"Nee, lieverd, dat kun je niet maken! Je hebt hem beloofd, dat we zouden komen en dat moeten we dus ook doen. Als je het echt heel erg vervelend vindt, wil ik zometeen wel het woord doen, maar we moeten echt naar hem toe gaan."
"Echt?"
"Ja, het zal misschien een beetje lastig worden, maar als we dit probleempje hebben opgelost, hebben we het hele weekend helemaal voor onszelf. Dan gaan we eerst ergens lunchen en dan gaan we daarna naar de HEMA, waar jij een tandenborstel voor mij en vijf paar nylonkousen voor jezelf mag gaan kopen. En wel op mijn kosten!"
"Oh, meen je dat? En daarna?"
"Daarna gaan we naar het hotel. Voor een exhibitionistisch-voyeuristisch voorproefje op de vele wilde weekenden, die we in de toekomst in Heemskerk zullen gaan doorbrengen. Vind je, dat geen... Hee, Trutje! Waar ga je nou heen?"
Hij had weer eens moeiteloos de juiste toon aangeslagen: zonder iets te zeggen, was zij nogal abrupt doorgelopen. Dennis schoot in de lach en liep haar kalm achterna.
Het duurde niet lang, voordat ze het huis van meneer Stol in zicht kregen. Trudy begon daardoor opnieuw wat langzamer te lopen. Het vooruitzicht, dat zij de oude man misschien zou moeten kwetsen, kwelde haar nog steeds in hevige mate en de aanblik van twee voorbijfietsende schoolmeisjes, die Dennis met meer dan normale belangstelling bekeken, dreef haar vervolgens tot wanhoop.
"Je had weer eens sjans!", zei zij nors.
"Hoe bedoel je?", vroeg hij verbaasd.
"Die twee grietjes op de fiets keken je nogal lief aan. Als ik ze niet zo boos had aangekeken, waren ze van hun fiets gestapt en waren ze in aanbidding voor je op hun knien gezakt."
"Meen je dat? Daar heb ik niets van gemerkt."
"O, ja? Heb je daar niets van gemerkt? Dat staat je dan mooi! Ik voel mij tot op het bot gekwetst door die stomme trutjes, maar meneer Harberts heeft er niets van gemerkt. Meneer Harberts heeft alles, wat hem voor vrouwen aantrekkelijk maakt, maar meneer Harberts merkt er nooit iets van. Meneer Harberts heeft dus, f een heleboel stront in zijn ogen, f een verschrikkelijk groot bord voor zijn kop. En ik weet eigenlijk niet, wat erger is!"
Hij liet haar rustig uitrazen, zonder ook maar een spoortje van kwaadheid of ergernis te tonen. Zijn weerwoord, waarmee hij een werkelijk stralende glimlach op haar gezicht teweeg wist te brengen, was simpel, maar doeltreffend:
"Wat kunnen mij die domme grietjes schelen! Ik heb jou toch!"
"Zou je...", begon zij, met een overslaand stemmetje. "Zou je je even nader willen verklaren?
"Alleen als je mij vertelt, waarom ik nog niets van je mooie mini-jurkje heb gezien. Of beter: waarom ik nog niets van je mooie dijen heb gezien."
"Dat komt nog wel, schatje", zei zij lachend, "Straks, als je mij van dat rothuis hebt verlost en we in onze hotelkamer zullen zijn, zul je er meer van zien dan je lief is. Dan zal ik mijn mooie dijen met alle liefde aan je begerige handen ter beschikking stellen."
"Dat is mooi. Temeer daar die verlossing nu wel nabij schijnt te zijn."
"Hoezo?"
"Ik geloof, dat we op de plaats van bestemming zijn aangekomen."
"Hoezo?"
"Er staat daar een tuinman naar ons te zwaaien."
Zij keek op en zag, dat hij gelijk had. Op een glad, driehoekig gazon, behorend bij een wit, langwerpig landhuisje, stond een oude man naar hen te wuiven.
"Dat is geen tuinman, imbeciel!", riep zij, een beetje wanhopig, "Dat is meneer Stol zelf!"
"Ha, nu is er dus geen weg terug meer. Nu zullen we er echt aan moeten geloven."
"Ik vrees het ook!"
Met de armen om elkaars middel geslagen drentelden ze voort, tot ze in de achtertuin van het huisje stonden. Daar zagen ze, hoe meneer Stol de tuindeur opende en hen vervolgens aandachtig bekeek.
"Zo, komen jullie je toekomstige bezitting inspecteren?", vroeg hij, met een wat gemelijke gelaatsuitdrukking.
"Nou, om u de waarheid te zeggen...", antwoordde Trudy aarzelend, "Heeft Dennis het mij daarnet eigenlijk al een beetje uit mijn hoofd gepraat."
"Ha, heel verstandig!", riep meneer Stol grijnzend, "Dat betekent, dat hij een gezond stel hersens in zijn kop heeft zitten."
"H?", vroeg Trudy verbaasd, "Wat bedoelt u daarmee?"
"Eh, zullen we dat maar even binnen bespreken?", vroeg meneer Stol, "Ik mag van mijn dokter niet al te lang staan en dat nieuwe espresso-apparaat van mij staat al een paar minuten aan."
"Oh, wat lekker!", riep Dennis lachend, "Heeft u er ook een paar broodjes bij?"
"Ja, mijn jongen, die heb ik. Heb je honger, dan?"
"Als een paard, meneer Stol! Als een paard!"
"Goed, kom dan maar gauw binnen!"
Ze betraden het huisje en liepen via de keuken door een korte en lage gang naar de huiskamer, waar hun gastheer hun koffie begon in te schenken. De huiskamer lag aan de straatkant van het huis en het meubilair bestond slechts uit een grenen eettafel, die voor het raam stond, vier, bijpassende stoelen, een zwart-leren bankstel, een zwart-leren stoel en een ronde salontafel met een glazen tafelblad.
"Plof maar ergens neer, hoor!", bromde meneer Stol, "Dan ga ik vast even de broodjes voor Dennis klaarmaken. Hoeveel wil je er eigenlijk?"
"Och, wat zal ik zeggen?"
"Vier witte broodjes met kaas is wel genoeg, meneer Stol!", antwoordde Trudy.
"Bepaal jij dat altijd voor hem?", vroeg meneer Stol, aarzelend tussen irritatie en verbazing.
"Ach, ja!", suste Dennis, "Zij is al zestien jaar degene, die van ons tween de broek aan heeft."
Meneer Stol schudde misprijzend het hoofd, maar liep daarna zonder verdere tegenwerpingen naar de keuken.
Ze namen aan de eettafel plaats en Trudy slaakte een zucht van verlichting. Zij wist nu zeker, dat zij van haar beslissing om van het huis af te zien nooit spijt zou krijgen. De benepen afmetingen en het gebrek aan privacy, met de weg en het fietspad pal naast het huis, zouden haar na verloop van tijd bij de keel hebben gegrepen. Nu zij er goed over nadacht, vond zij, dat ze eigenlijk ook helemaal geen types voor een weekendhuisje waren. Daar waren ze nog te rusteloos voor. Ze moesten er op uit kunnen trekken als ze daar de behoefte toe voelden. Zij besefte nu pas, hoe prettig zij hun winkeluitstapjes naar Maastricht en Den Haag altijd vond. Hoe fijn zij het vond om op zo'n vroege zaterdagmorgen in zo'n leeg eerste-klassecompartiment te stappen, hoe fijn het was om na aankomst in een sjiek caf een espresso te drinken en hoe heerlijk zij het vond om na hun thuiskomst haar nieuwe sexy lingerie op Dennis uit te proberen.
Terwijl zij dat allemaal overdacht, voelde zij, hoe zijn handen zich om haar rechterknie sloten. Dat ontroerde haar een beetje en zij deed geen poging om hem af te weren, of terecht te wijzen.
"Ga je lekker?", vroeg zij liefjes.
"Nee, niet echt!"
"Wat bedoel je?"
"Ach, ik zit mij al vanaf het station af te vragen, hoe jij er onder je jas uitziet. Hoe dat jurkje je zal staan. En ook wat je onder dat jurkje draagt. Maar eigenlijk weet ik het dus al. Ik heb bij alles wat je doet, of je nu zit, staat of loopt, haarscherp voor ogen, hoe je er daaronder uit moet zien. Eigenlijk zie ik, zonder het te willen, dwars door je kleren heen. Ik zie niets, maar ik zie ook alles, kortom: je hebt de laatste maanden iets, wat mij langzaam tot waanzin drijft."
"Dan is het maar goed, dat ik mijn jas draag. Want ik heb echt iets heel moois aan!"
"Ja, dat zie ik!", zei hij blijmoedig, "Het is een prachtjurk! Ik zie weliswaar alleen de bovenkant, maar..."
"Ik heb het eigenlijk helemaal niet over mijn jurk."
"Waar heb je het dan wel over?"
"Over datgene, wat er onder zit."
"Wat zit er dan onder?", vroeg hij aarzelend.
"Nou, om te beginnen zit er dus een hele mooie, zwarte panty onder. Zo een, die geen kousebroekje heeft. Hij is dus echt helemaal doorzichtig. Je kunt alles dus heel goed zien! Mijn heupen, mijn billen, alles!"
"Nee, h?", piepte hij.
"Daaronder zit een zwart tangaslipje, een leuk dingetje, dat bijna helemaal uit touwtjes bestaat en waarin mijn 'verrukkelijke kontje` wel heel voordelig uitkomt."
"O, god!"
"Hou je mond! Ik ben nog niet klaar met de martelingen! Maar het allermooiste zit om mijn linkerdij, op het meest vlezige plekje, waar jij al zo lang zo helemaal weg van bent. Dat plekje, dat je altijd het eerst mag strelen als we gaan vrijen."
"Wat zit daar dan?"
"De kouseband, de vuurrode kouseband, waarmee ik je altijd verblind als ik voor je uit de kleren ga. En hij zit ook heel erg lekker, vandaag. Hij zit namelijk een beetje strak. Niet extreem strak, maar net strak genoeg om mij zometeen tot grootse daden te bewegen. Wat vind je daar nou van?"
"Ssst! Meneer Stol komt eraan!"
Hij had gelijk: hun gastheer kwam met een dienblad in de hand en een glimlach om de lippen de huiskamer binnensloffen.
"Zo, meneer Schouws", zei meneer Stol, terwijl hij Dennis terloops van Trudy's meisjesnaam voorzag, "Hier zijn uw broodjes kaas."
"Haaaaa!", brulde Dennis verheugd.
"Geniet er maar van, mijn jongen!", zei meneer Stol, "Je hebt ze meer dan verdiend! Je hebt mij, geloof ik, van een gruwelijk dilemma verlost."
"Hoezo?", vroeg Trudy.
"Nou, ik heb gisteravond een geweldige ruzie met Kitty gehad!", antwoordde hij, doelend op zijn dochter.
"Hoe bedoelt u dat?"
"Nou, de onthulling, dat ik een koopster voor mijn huisje had, viel nou niet bepaald in goede aarde bij haar. En dan druk ik mij nog heel gematigd uit. Mijn mededeling, dat daardoor mijn vertrek uit Nederland vaststond, maakte daarna nog meer agressie bij haar los."
"H?", mompelde Dennis verbaasd.
"O, ja!" riep Trudy, "U zou met een camper door Europa gaan reizen, h?"
"Ja, daar heb ik trouwens ook al maanden ruzie over met Kitty."
"En nu?", vroeg zij gespannen.
"Nou, mijn verzet is herosch geweest, maar uiteindelijk heb ik toch het onderspit moeten delven. Ik heb haar dus moeten beloven om er nog een maandje over na te denken. En dat geldt zowel voor de verkoop van het huis als voor het ondernemen van de reis."
"Ach, die vrouwen!", zei Dennis filosofisch, "Ik heb in mijn hele leven nog nooit een vrouw ontmoet, die haar man niet in alles de baas was."
"Ik ook, niet!", zei meneer Stol, met komisch gemimeerde instemming, "Voor dochters geldt trouwens hetzelfde euvel."
Trudy, die Kitty goed kende, moest lachen, maar ging verder niet op de onredelijke aantijging in. Na een korte aarzeling vervolgde meneer Stol zijn relaas:
"Jullie kunnen je dus wel voorstellen, hoe blij ik was, toen ik hoorde, dat Dennis over een grote mate van gezond verstand en een..."
"Fikse dosis overtuigingskracht beschikt?", vulde Dennis behulpzaam aan.
"Precies, mijn jongen", riep meneer Stol lachend, "Ik zal je eeuwig dankbaar zijn. Zonder jouw briljante interventie had ik nu tussen twee vrouwen in gezeten."
"Vuren", verbeterde Dennis grijnzend.
"Wat is het verschil, mijn jongen? Wat is het verschil?"
"Mag ik uw verhaal even samenvatten?", vroeg Trudy, met een minzaam glimlachje.
"Dat is goed, lieverd!", zei Dennis, "Vat jij het verhaal maar even samen."
"Dit betekent dus, dat de koop niet doorgaat?"
"Nee, wat mij betreft, voorlopig niet", antwoordde meneer Stol.
"Ah, prima!", zei zij opgelucht.
"Mag ik daaruit opmaken, dat die mededeling geen teleurstelling voor jullie is?"
"Nee, niet echt. We waren het er vanmorgen al snel over eens, dat het huisje ons teveel in onze vrijheid zou gaan beknotten."
"Ik denk, dat jullie daarin gelijk hebben. Als ik jullie was, zou ik het zoeken naar een huis ook maar staken. Jullie zijn nog veel te jong en te levendig voor het leven op het platteland. Sommige mensen zijn daar geschapen voor, jullie niet. Jullie zijn twee mooie, levenslustige luxediertjes, jullie horen in het Hilton thuis en in het restauratierijtuig van de Orint-Express, maar niet hier. Als jullie zestig zijn en zijn uitgeraasd, dan zouden jullie kunnen overwegen om je hier te gaan vestigen, maar die tijd zal ik zeker niet meer meemaken."
"Ik hoop anders van wel", zei Dennis, "En dat kan ook best. U zult volgens mij heel gemakkelijk de negentig kunnen halen."
"Dank je voor het compliment! Maar als ik jullie zestigste verjaardag wil meemaken, zal ik toch echt bijna de honderd moeten halen."
"Die haalt u ook wel", riep Trudy lachend, "En we zullen u in de komende dertig haar nog vaak komen opzoeken. En zeker als u in Heemskerk blijft wonen."
"Ah, daar zal ik jullie aan houden. Jullie moeten maar vaak in hotel 'Brinkhorst' komen logeren."
"Dat gaan we ook zeker doen", beaamde zij, "We zijn het erover eens, dat we hier nooit een huis zullen kopen, maar we zullen in ieder geval wel heel vaak naar Heemskerk terugkomen. Voor de gezelligheid, voor het ophalen van de plezierige jeugdherinneringen en voor u. Bij elk uitstapje, dat we vanuit het hotel naar het Noordhollands Duinreservaat zullen gaan ondernemen, zullen we bij u komen buurten."
"Ja, het zal een van onze vaste gewoontes gaan worden", vulde Dennis aan.
"Ah, dat zal ik heel prettig vinden" zei hij aangedaan, "Dat zou mijn leven danig gaan opvrolijken."
Er viel een stilte. Trudy had het vermoeden, dat ze deze morgen op een verborgen drama waren gestoten, maar voelde zich niet in staat om daar verder op in te gaan. Dus dronk zij in gedachten verzonken haar koffiekopje leeg.
Na enige minuten bracht een voorbijdenderende bus haar in de werkelijkheid terug. Het was de hoogste tijd om op te stappen.
"Meneer Stol, zou u het heel erg ongezellig van ons vinden als we nu weggaan?", vroeg zij, met een lief stemmetje.
"Nu al?"
"Ja", antwoordde zij schuldbewust, "We zouden graag wat langer hebben willen blijven, maar we moeten nog even naar de HEMA."
"De HEMA?"
"Ja, Dennis is zo stom geweest om zijn reiskoffertje te vergeten en daarom moeten we nog wat toiletartikelen voor hem kopen."
"Ik begrijp het. Nou, ik zou zeggen: ga dan maar gauw!"
"Maar ik heb mijn koffie nog niet eens op!", protesteerde Dennis.
"Dat geeft niet, schatje!", suste Trudy, "We gaan ook niet meteen weg, want ik moet eerst nog even een taxi bellen. Als meneer Stol dat tenminste goedvindt."
"Dat is wel goed, natuurlijk", zei meneer Stol, "De telefoon hangt in de gang. Het telefoonnummer is 18000, geloof ik."
"Dank u!"
Trudy sprong van haar stoel op, rende naar de gang, greep de telefoon en belde het nummer. Het duurde tot haar grote vreugde maar een paar seconden, voor de telefoon aan de andere kant van de lijn werd opgenomen. Zij vertelde de taxichauffeur, waar hij moest zijn en drentelde daarna naar de huiskamer terug, waar Dennis inmiddels met een lange monoloog bezig was:
"Omdat zij de Totale Vrouw is! Niet meer en niet minder! Ik geniet van haar mooie karaktertrekken en word vertederd door haar minder mooie karaktertrekken. En andersom geldt hetzelfde. Ons huwelijk is ook een soort kunstwerk. Een kunstwerk dat steeds mooier wordt, waar nog steeds aan geschaafd en gepolijst wordt, doordat we ook voortdurend aan onszelf blijven schaven en polijsten. En dat laatste blijft nodig. Niet omdat het ons aan wederzijdse liefde ontbreekt, verre van dat, maar wel omdat het ons aan innerlijke rust ontbreekt. Er is iets, wat ons telkens maar voort doet drijven. Die reizen naar die steden in Europa, waarnaar we telkens weer terugkeren: die reizen naar Praag, naar Veneti, naar Florence, naar Kopenhagen, naar Stockholm, die uitstapjes in Nederland naar steden zoals Utrecht, Maastricht en Den Haag, dat reizen in de ivoren toren van een eerste-klassecompartiment, dat voortdurende zoeken naar iets, het heeft natuurlijk een paar hele duidelijke oorzaken. Het vloeit natuurlijk allemaal uit die ellendige jeugdherinneringen voort: het overlijden van onze ouders en het leed, dat die sterfgevallen voor ons met zich mee hebben gebracht. We hebben alles overleefd, we zijn er zelfs heel sterk uit te voorschijn gekomen, maar we hebben er wel een groot litteken aan overgehouden. Dat is die onrust, die ons al jaren kwelt. Die onrust, die zich het sterkst uit in die haast maniakale drang om van het leven te genieten, die drang, die dat genieten juist daardoor soms teniet doet. Het bestrijden van die onrust in elkaars karakter, ja, dat zal de grote strijd in ons leven blijven. Misschien wel tot het einde van onze dagen, misschien vinden we die rust wel nooit."
Meneer Stol luisterde geboeid toe. Evenals Trudy, die bij haar binnenkomst als aan de grond genageld was blijven staan.
"Wat een wijs filosoofje, h?", vroeg zij, met een knipoog naar meneer Stol.
"Ja, maar hij heeft ze wel allemaal op een rijtje staan!"
"Dank u!", zei Dennis, een beetje besmuikt.
"Ja, u hebt gelijk!", zei zij, terwijl zij naar Dennis toeliep en haar armen rond zijn borst legde, "En hij is natuurlijk ook de Totale Man voor mij. Hij is alleen veel te lief. Hij verwent mij teveel. Dag in, dag uit! Met grote en met kleine attenties."
Hij smoorde haar betoog met een wat lang aanhoudende kus, hetgeen meneer Stol na enige tijd een protestkuchje ontlokte.
"Heb je een taxi besteld, Trudy?", vroeg hij.
"Jawel, hij komt er al aan."
"Prima, dan neem ik nu alvast maar afscheid. Ga maar vast naar buiten, dan loopt die taximeter zometeen niet langer door dan strikt noodzakelijk is."
Dat liet zij zich geen tweemaal zeggen. Zij drentelde naar meneer Stol toe, omhelsde hem en kuste hem op beide wangen.
"Dag, meneer Stol", zei zij, "We zullen volgende week zaterdag weer terugkomen, hoor!"
"En daarna elke tweede zaterdag in de maand", zei Dennis.
"Goed, kinderen", zei hij, zichtbaar ontroerd, "Ik zal er naar uitzien."
Ze verlieten het huis en hoefden daarna niet lang op de taxi te wachten: na een paar minuten kwam hij al aanrijden. De chauffeur toeterde even, keerde met een wijde bocht en stopte, net als zijn collega van daarnet, precies voor Trudy's voeten.
Het echtpaar nam op de achterbank plaats en gaf het reisdoel aan de chauffeur door. De auto trok daarna snel op. Trudy keek door de achterruit en zwaaide naar meneer Stol, die weer in zijn tuin aan het werk was.
"Ik geloof, dat hij zeer in zijn nopjes is", zei zij tevreden, "Gisteren zwaaide hij niet terug, maar nu wel."
"Ik snap het ook wel", zei Dennis peinzend, "Ik kan best begrijpen, waarom hij bij nader inzien toch maar liever niet weggaat. Het is hier echt heel mooi en ook heel apart. Het landschap is aan de ene kant van de weg oer-Hollands en aan de andere kant heeft het door die bossen en duinen wel iets van de Veluwe weg."
"Ja, dat is zo", fluisterde zij, zich naar hem overbuigend, "Het heeft echt wel iets idyllisch. Ik droom er ook vaak van. En dan met name van dat kronkelige paadje op het landgoed, waar we op de heenweg overheen liepen.
"Wat is daarmee aan de hand?"
"Niets, het speelt alleen maar een hele belangrijke rol in een van mijn vele fantasien."
"Je meent het", zei hij droogjes.
"Ja, ik droom altijd, dat we daar midden in het bos aan het vrijen zijn. In een heel speciaal hutje, dat in mijn verbeelding wat terzijde van het paadje staat."
"Wat voor een hutje?", vroeg hij met stijgende interesse.
"Hm, even denken! Jeetje, hoe moet ik dat nou uitleggen? Het is een hutje in de vorm van een mini-piramide en het is opgebouwd uit spiegelglas. Maar dan wel glas van een speciaal soort. Je kunt wel naar buiten kijken, maar niet naar binnen."
"Wat handig!"
"Ja, h? Het hutje is van binnen ook helemaal ingericht. Er staat echt van alles in: een chemisch toilet, een doorzichtige badkuip, een keukenblok, waarop we onze lekkere boterhammetjes smeren, een hele grote kist, waar ik al mijn mooie lingerie en al mijn mooie nylonkousen in bewaar."
"Staat er ook een bed in?"
"Nee, we hebben alleen maar een matras, met een geel hoeslaken eromheen.
"Geen dekens?"
"Nee, die hebben we helemaal niet nodig. Het hutje heeft namelijk ook centrale verwarming..."
"Met een thermostaat?"
"Ja, natuurlijk! Maar het is verder dus helemaal niet luxueus."
"Waarom niet?"
"Omdat het een soort gevangenis is. Ik ben namelijk een blanke slavin. En ik ben natuurlijk jouw blanke slavin. Je hebt mij 's morgens na veel gesjacher met de marktkoopman gekocht op de blanke-slavinnenmarkt."
"Op welke markt?"
"Op de blanke-slavinnenarkt, die elke zaterdagochtend op het Burgemeester Nielenplein in Heemskerk wordt gehouden."
"O, die markt! O, ja! Ik zie het helemaal voor mij."
"Zie je mij liggen op dat kraampje? Ik ben namelijk het pronkstuk van de markt en er staan vele arme sloebers om mijn kraampje heengeschaard. Ik ben natuurlijk helemaal naakt, op een zwart jarretellegordeltje en een paar zwarte nylonkousen na."
"Ik zie je inderdaad liggen! En je ziet er echt fantastisch uit."
"Zie je ook, hoe je onverstoorbare butler mij na de geslaagde aankoop de hut indraagt en mij op die matras neerlegt?"
"Ja...", antwoordde hij, met een begrijpelijke aarzeling, "Maar ik weet niet, of ik daar nou zo blij mee moet zijn."
"O, daar hoef je helemaal geen problemen mee te hebben. Ik vind het zelf namelijk heel leuk. Ik ben dan wel je slavin, maar je geeft mij tegelijkertijd ook het gevoel, dat ik meer een soort godin voor je ben. Je bent na het vertrek van je butler ook meteen ook aan mijn voeten gaan zitten, zoals je dat in het echt ook altijd doet en je bent daarna ook langzaam van start gegaan."
"Waarmee?"
"Met in het bezit nemen van je nieuwste aanwinst."
"Wat doe ik dan?"
"Nou, ik zie bijvoorbeeld, hoe je mijn mooie kousevoetjes streelt, hoe je met mijn tenen speelt, hoe je vingers langzaam over mijn kousen omhoog gaan. Ik zie je strelende ogen en je zoekende vingers, die nooit recht op hun doel afgaan en altijd maar talmen. Ik zie de bewondering in je ogen en naarmate de minuten verstrijken, zie ik, hoe mijn benen langzaam uiteengaan en zie en voel ik uiteindelijk ook, hoe je pols tussen mijn dijen glijdt en hoe je vingers..."
"Ja, hou nu maar op!", zei hij hardop, "Ik zie het nu echt helemaal voor mij."
Ze reden weer over de Marquetteweg en zagen de bebouwde kom van Heemskerk alweer vrij snel voor zich opdoemen. Trudy vond dat om een voor de hand liggende reden heel plezierig, maar of dat ook Dennis gold, was haar niet helemaal duidelijk.
"Ben je erg moe?", vroeg zij.
"Ja, nou! Dat hazenslaapje van vannacht heeft mij niet veel goed gedaan."
"Hoe lang heb je geslapen?"
"Drie uurtjes, van drie tot zes."
"Och, arm kereltje van mij. Heb je mij zo gemist?"
"Ja, ik heb je vreselijk gemist, maar daar hoef jij je dus niet schuldig om te voelen. Het was voor jou verreweg het beste om vannacht in Heemskerk te blijven."
"Hm, het is lief van je om dat te zeggen, maar die vermoeidheid van jou betekent dus wel, dat we zometeen geen wilde middag zullen hebben."
"Nee, maar dat kon toch al niet, h?"
"Omdat ik ongesteld ben?"
"Ja."
"Dat is toch nooit een beletsel voor je geweest?"
"Nee, dat is zo, maar ik loop nu dus echt op mijn laatste benen. Dat komt ook door die weerzinwekkend enerverende dag van gisteren. Eerst dat schokkende telefoongesprek met je moeder, toen dat al even schokkende telefoongesprek met Arie, toen dat telefoongesprek met jou met jouw mededeling over het huisje, toen dat piekeravondje en die vrijwel slapeloze nacht en tenslotte dan deze enerverende ochtend, waarin alles toch nog ten goede is gekeerd. Het is allemaal een beetje teveel van het goede geweest. Ik ben nu echt total-loss."
"Kan ik iets voor je doen?", vroeg zij, met een treurig stemmetje.
"Ja, ga met mij mee naar de HEMA, koop daar je mooie nylons, trek ze aan en neem mij voor de rest van de middag in je armen."
"Goed, jochie, ik zal het doen."
Inmiddels hadden ze hun bestemming bereikt: de taxi stopte voor de HEMA. Ze betaalden de chauffeur, stapten uit en gingen de winkel binnen.
"Weet je al wat je precies wilt hebben?", vroeg Dennis.
"Ja, ik wil vijf paar 'hold-up'-kousen. Dat zijn van die kousen, die je zonder jarretelles kunt dragen."
"Welke kleur?"
"Zwart en bruin. Drie paar zwarte kousen voor mijn eigen plezier en twee paar bruine kousen, omdat jij die zo mooi vindt."
"Denk je, dat je aan vijf kousen genoeg hebt?", vroeg hij, met een minzaam lachje.
"Ja, voorlopig wel! Ik zal ze trouwens alleen maar dragen als ik met jou samen ben."
"Waarom?"
"Omdat dit soort kousen de eigenaardigheid schijnen te hebben, dat ze regelmatig en ook vaak op de verkeerde momenten afzakken."
"Tja, zoiets kan wel eens gnante consequenties hebben."
"Precies. Daarom zal ik ze alleen maar dragen als we thuis zijn, of samen in een hotelkamer verblijven."
"Ik snap het!"
"Ik zal ze dinsdag tijdens het neuken dus ook aanhouden."
"Ik had niet anders verwacht!", zei hij, met een diepe zucht.
Eenmaal in de kousenafdeling viste Trudy met trefzekere hand de door haar verlangde kousen uit de rekken. Een minuut later stond zij met de kousen en een tandenborstel in de rij voor de kassa. Dennis keek dat even lachend aan en stopte toen een biljet van honderd gulden in haar handen.
"Hier!", zei hij, "Betaal er ook mijn tandenborstel maar mee."
"Je bent lief!", murmelde zij.
"Jij ook. Na alles wat je de afgelopen maand hebt meegemaakt, heb je ze ook meer dan verdiend."
"Over vijf minuutjes mag ik ze al aantrekken. Ik denk, dat ik mij toch nog wel een beetje schuldig zal voelen."
"Dat hoeft niet. Ze zullen je vast heel goed staan."
"Denk je? Ik ben zo bang, dat het zo'n smakeloos gezicht zal zijn, dat je op mij af zult knappen."
"Nee, dat kan niet. Jij kunt er niet smakeloos uitzien. Daar ben je te lief, te mooi en te moederlijk voor. Over het gemak, waarmee jij voor mij zowel een moeder als een lustobject kunt zijn, heb ik mij al zo vaak verbaasd. En ik weet zeker, dat je dat ook zult kunnen als je die kousen aan hebt. Je zult je er niets eens moeite voor hoeven doen: je zult het gewoon zijn."
"Dank je", zei zij, met neerslagen oogleden.
"Waarvoor?"
"Voor alles. Voor de kousen. Voor je lieve woordjes van daarnet, voor je geduld van de laatste weken. Ik zal zometeen ook heel erg lief voor je zijn."
"Ik geloof het graag."
Na de aankoop van de kousen en de tandenborstel wandelden ze naar het hotel. Tijdens die hele korte wandeling besefte Trudy, dat zij deze dag door niets meer uit haar evenwicht was gebracht. In alle situaties was zij de sterkste gebleken en nu de beloning daarvoor aanstaande was, nam zij zich heilig voor om zich voortaan nergens meer druk over te maken. Zij was ook nergens meer bang voor. Niet voor het verleden, niet voor het heden en niet voor de toekomst. Zij had Dennis, een lieve moeder, een goede gezondheid, een leuk baantje, een leuk huis, een zeer omvangrijk kapitaal op de bank en de rest zou haar voortaan een rotzorg zijn. Zij had al teveel meegemaakt om zich nog langer door trivialiteiten van de wijs te laten brengen.
Ze gingen het hotel binnen en bestegen na de ontvangst van hun sleutel de trap naar de tweede verdieping. Eenmaal op hun kamer trok Trudy met trillende vingers haar jas uit. De opwinding bleek wederzijds te zijn; de aanblik van Trudy in het nauwsluitende jurkje bracht Dennis zelfs enigszins in ademnood. Zij zag het ontroerd aan. Zij zette zich neer op de rand van bed, greep hem stevig bij de handen en trok hem op de vloer voor het bed. Hij liet het zich lijdzaam welgevallen; zijn wat afwezige blik was voortdurend op haar benen gericht. Zij ontdeed zich van het jurkje, de panty en het T-shirt, pakte een paar bruine nylons uit het tasje en scheurde met een vaag glimlachje de verpakking open.
Ik heb het gevoel, dat ik naar de onthulling van een mooi kunstwerk zit te kijken", zei hij grinnikend.
"Hou je mond, imbeciel! Je moest eens weten, hoe ik naar dit moment heb uitgekeken!"
Ze peuterde de kousen uit het pakje en liet ze een voor een door haar vingers glijden, voordat zij haar linkervoet in een kous stak en hem haast spinnend van genoegen begon af te rollen. De pasvorm van de kous bleek perfect te zijn; de brede boord reikte tot halverwege haar bovendij. De rechterkous volgde met hetzelfde ritueel en de kouseband werd op een, al even plechtige manier rond de bekoorlijke linkerdij gegord. Wat toen volgde, was een aaneenschakeling van langdurige en voor Dennis zeer vermakelijke plichtplegingen. Zij trok de kousen glad, friemelde eindeloos aan de teenstukjes, speelde net zo lang met de uiteinden van de boorden, tot ze beiden op precies dezelfde hoogte zaten en bekeek haar benen in de kastspiegel, in elke houding, die haar aanstond.
"Je bent mooi, zo", zei Dennis, met een vaag lachje.
"Zitten ze goed?", vroeg zij glunderend.
"Ja."
"Zie ik er zo toch niet wat hoerig uit?"
"Nee. En ik weet ook, hoe dat komt."
"Waardoor dan?"
"Dat komt door dat slipje. Dat maakt een hele lieve indruk. Het is een niemendalletje, dat haast niets verhult, maar het geeft je toch iets onschuldigs. Je geeft heel veel van jezelf prijs. Met dat blozende koppie en dat prachtige lichaam zie je er heel sexy en opwindend uit. Maar de belangrijkste dingen verberg je. Door die beha en dat slipje vormt het geheel toch een heel esthetisch beeld. Kortom, je ziet er echt heel snoeperig uit. Verkerke zou kapitalen aan je verdienen als hij nu een foto van jou op de markt zou gooien. Ik zou echt uren naar je kunnen kijken."
"Meen je dat echt?"
"Ja, lieverd, dat meen ik. Ik kan je niet vaak genoeg zeggen, dat deze momenten, dit verstild in je opgaan, de beste in mijn leven zijn. Er is niets, maar dan ook niets, wat daar in de verste verte aan kan tippen."
"Ik vind het ook heerlijk om zo te kunnen zitten. Ik vind het heerlijk om zo in alle rust bewonderd te worden."
"Ah, dan is het goed."
"Daarom zul je vanavond ook de hele avond naar mij mogen kijken. Ik zal de hele avond op bed naar de tv gaan liggen kijken, met alleen dat slipje en die mooie nylons aan. Straks zul je dus heel goed kunnen zien, 'hoe lief mijn snoezige teentjes met de rechthoekige teennageltjes onder de mooie teenstukjes vallen, hoe charmant de versterkte hielstukjes mijn ranke enkels accentueren, hoe strak het ragfijne nylon om mijn stevige kuiten en dijen spant, hoe prachtig het vlees van mijn blote, lelieblanke bovendijen tegen het donkerbruine nylon van de kouseboord afsteekt'."
"Ja, nu weet ik het wel weer."
"Het bed zal straks geen bed meer, maar alleen nog een altaar zijn'", vervolgde zij onverstoorbaar, "'Met mij als de godin en jij als het zelfoffer'."
"Ah, toe! Stop nou!"
Zij lachte luid en streelde hem over het haar. Op een lieve, aanminnige manier, die zijn verlegenheid alleen nog maar versterkte. Hij legde zijn hoofd op haar rechterbeen en leek daarna even weg te doezelen. Trudy zag het glimlachend aan; naar dit moment had zij vierentwintig uur uitgezien. Zij hoopte nog steeds, dat zij hem tot wat ondeugender daden zou kunnen aanzetten, maar hij bleek zich in zijn gedachten met heel andere dingen bezig te houden.
"Ik ben zo blij, dat alles weer goed met je is", zei hij zacht.
"O, om mij hoef je je echt geen zorgen meer te maken."
"En daar ben ik ook ongelooflijk blij om. Ik had mij echt geen raad geweten als het met je was misgegaan."
"Ja, maar je weet toch wel, wat de oorzaak van die depressies was?"
"Het had met je ouders te maken, h?"
"Ja, toen mama net zo oud was als ik nu, zag zij haar huwelijk langzaam de mist ingaan. Het was in een periode, waarin zijzelf sterk begon te verouderen en waarin mijn vader steeds vaker vreemd ging."
"Ik begrijp het."
"Begrijp je dat echt? Begrijp je echt, waarom ik mij een beetje depressief en onzeker voelde, nu ik mijn schoonheid langzaam maar zeker begin te verliezen en nu jij je, net als mijn vader, tot een heus sekssymbool begint te ontwikkelen?"
"Dat begrijp ik echt! Het is alleen niet nodig, dat je je depressief en onzeker voelt, want..."
"Ja, maar het is waar van mijn uiterlijk..."
"Ssst! Laat mij nou even uitspreken. Het is niet nodig, omdat je uiterlijk nu is, zoals ik mij dat al jaren heb gewenst. Ik heb je namelijk altijd veel te knap gevonden. Te knap voor mij, althans."
"Nou, dat is dus een heel dom waandenkbeeld geweest!"
"O, dat geloof ik graag, maar als je nu even goed nadenkt, begrijp je, wat het voor mij betekent, nu je, wat dat betreft, naar mij toe begint te groeien."
"Een beetje", zei zij, met een kort lachje.
"Nou, ik ben er dus echt dolgelukkig mee. En ik ben er dus zo gelukkig mee, omdat ik mij nu echt volkomen zeker van je voel. Ik ben dan ook gek op die leuke kraaienpootjes bij je ogen, ik ben ook weg van dat grappige, dubbele onderkinnetje van je. En wat ik van dat verrukkelijke lichaam van je vind, heb je al vele maanden aan den lijve mogen ondervinden."
"Ja, en dat heeft mij ook door bijna al mijn depressies heen geholpen."
"Ah, prima!", verzuchtte hij, "En ben je nou helemaal gerustgesteld?"
"Ja, lieveling, helemaal! Ik wil alleen nog even van je weten, waarom ik de Totale Vrouw voor jou ben."
"Door je volmaaktheid", lispelde hij.
"Mijn wat?"
"Je hoorde mij best: door je volmaaktheid."
"Leg dat eens uit?"
"Er zijn drie eisen waar de Totale Vrouw in mijn ogen aan moet voldoen. Solidariteit, moederlijkheid en menselijkheid. En jij voldoet aan elke eis."
"Meen je dat?"
"Ja, solidariteit staat bijvoorbeeld heel hoog in je vaandel geschreven. Bij elk conflict, waarin ik in de afgelopen zestien jaar ben verwikkeld geraakt, heb je altijd onvoorwaardelijk aan mijn kant gestaan. Bij al dat soort situaties heb je mij ook altijd als je gelijke behandeld. En dat terwijl je in geestelijk opzicht toch eigenlijk superieur aan mij bent."
"Dank je", riep zij lachend.
"Ten tweede vind ik het heerlijk, dat je mij altijd bemoedert, dat je mij altijd als je uit de kluiten gewassen kind behandelt. Dat je mij altijd weer beschermt tegen alles, wat mij kan kwetsen of kwellen."
"I see!"
"Maar eigenlijk ben je nog het liefst en het aandoenlijkst als je laat blijken, dat je ondanks alles toch nog aan mijn liefde en trouw twijfelt."
"Echt?"
"Ja, als je jaloers bent, ben je echt om te vreten, vooral als ik je, zoals daarnet, met een simpel zinnetje kan kalmeren."
"Dus..."
"Ben jij de Totale Vrouw voor mij. Niet veel mannen is het gegeven om samen te leven met een vrouw, die n een trouwe kameraad n een geboren moeder n een volmaakte minnares is. Mij is dat geluk wel ten deel te vallen en daar zal ik nooit genoeg van krijgen."
Zij schoot vol, maar kon zich wel beheersen. Zij gleed van het bed af, ging voor hem op de knien zitten en begon hem heel kalm uit te kleden. Daarna leek niets een plezierige middag in de weg te staan, maar helaas moest zij toch nog een wat heikele vraag stellen, waarop zij graag een duidelijk antwoord wilde hebben.
"Ben jij ook een beetje in het reine gekomen met de eventuele... eh, daad van je moeder", vroeg zij, met een zachte stem.
"Ja, toch wel! Als zij het heeft gedaan, hetgeen dus helemaal niet zeker is, mag ik alleen maar medelijden met haar hebben. En het heeft ook geen zin meer om mij in het eventuele waarom te verdiepen. Want het is, zoals mijn lieve broertje Arie gisteren al zei, al een hele tijd geleden."
"Dat is waar."
"Al zou het natuurlijk best kunnen, dat ik over een paar weken een soort terugslag krijg. Ik heb het nu lekker kunnen verdringen met de toverzin: "Ja, maar... je hebt Trudy toch nog?", maar het kan natuurlijk zijn, dat ik er wat al te luchtig overheen stap. Dat ik er binnenkort toch nog wel een keer een flinke depressie door zal krijgen."
"Hm, dat mag best, hoor! Als je dan je mond maar opendoet, als ik je dan maar mag troosten."
"Dat mag je. Op alle mogelijke manieren."
"Dat is mooi."
Die belofte leek hem hem toch niet echt gerust te stellen. Zonder enige aanleiding leek er opeenseen rilling door zijn lichaam te gaan. Hij hapte opnieuw naar adem en wierp haar een wat angstige blik toe.
"Wat is er, liefje?", vroeg zij bezorgd.
"Ik moet je nog wat vertellen."
"Wat dan?"
"Iets engs."
"Wat dan?"
"Het eh... gaat over iets, wat er na mijn moeders dood met mij is gebeurd. Arie heeft het gisteravond namelijk niet alleen maar over de zelfmoord van mijn moeder gehad." "Kun je wat duidelijker zijn?", vroeg zij, met een wat schorre stem.
"Ik eh... Ik schijn in die periode na de dood van mijn moeder in een soort van tehuis te zijn ondergebracht, waar ik alles bij elkaar niet zo best ben behandeld."
"In welk opzicht?"
"Nou, het fijne weet ik er dus niet van, maar Arie nam gisteren de woorden ondervoeding, verwaarlozing, zware mishandeling en seksueel misbruik in de mond."
"Oh, nee!"
"Tja, ik was er zelf nogal verbaasd over. Hij drukte zich ook nogal plastisch uit. Hij zei iets in de trant van: 'Toen je weer thuis was en we je in bad deden, hadden we het idee, dat ze je regelmatig voor de lol met je kont in een brandende koekenpan hadden gezet'."
"O, hou op!"
"Had ik dan toch beter mijn mond kunnen houden?", vroeg hij, na een korte aarzeling.
"Nee, lieveling", zei zij, zich onderwijl op haar lippen bijtend.
"Echt niet?"
"Echt niet! Het is een verschrikkelijk nieuwtje, maar het is niet iets, waarover je in je eentje moet gaan piekeren. Dus vertel mij alles maar."
"Ach, er is verder niet veel over te vertellen. Ik kan misschien het beste de vergelijking gebruiken, die Arie gisteravond gebruikte."
"Wat was dat voor vergelijking?"
"Hij zei mij, dat ik in dat tehuis hetzelfde heb meegemaakt, als een collega van hem, die als baby in een Jappenkamp heeft gezeten. En mijn opa heeft hem later ook inderdaad verteld, dat ik in dat tehuis seksueel ben misbruikt."
"O, wat verschrikkelijk!"
"Ja, h? En het meest lugubere is nog, dat pa het eigenlijk bij toeval heeft ontdekt."
"Hoe bedoel je?"
"Nou, er scheen in dat tehuis een soort bezoekregeling te zijn. En die hield in, dat de ouder het kind eens in de vier weken op een zondag mocht bezoeken."
"En deed hij dat ook?"
"Ja, natuurlijk! Je weet toch, hoe pa was?"
"Maar... Maar waarom heeft hij op die zondagen dan niks aan je gezien?"
"Dat kon hij niet."
"Waarom niet?"
"Omdat elk bezoek telefonisch moest worden aangekondigd en omdat ik na dat telefoontje altijd heel zorgvuldig werd gewassen en ook heel keurig werd aangekleed."
"O, wat gemeen!"
"Ja, precies! Maar die hufters, hoe doortrapt en gemeen ze ook waren, hadden dus niet op mijn eigenwijze vader gerekend. Die wilde mij namelijk ook wel eens op een dinsdag bezoeken. En deed dat dus ook en ditmaal zonder van te voren te bellen."
"En op die dag kwam het dus uit?"
"Ja, op die dag hebben hij en Arie mij gevonden. En wat ze toen van mij zagen, schijnt zo erg te zijn geweest, dat Arie het jarenlang heeft verdrongen. Ik schijn hem het gevoel te hebben gegeven, dat ik bijna dood was of in een soort coma lag. Hij zat bijna te janken, toen hij het mij gisteren vertelde."
"Ik weet niet, wat ik moet zeggen."
"Ik ook niet zo goed. Het is allemaal heel tragisch, maar eigenlijk ook een tikje ironisch, want het was namelijk helemaal niet nodig geweest om mij in een tehuis te plaatsen."
"Hoe bedoel je?"
"Ik had na de dood van mijn moeder bij oom Ben in huis kunnen komen", antwoordde hij, doelend op de broer van zijn vader, "Althans: hij en tante Tiny schijnen dat in de dagen na mijn moeders dood aan mijn vader te hebben aangeboden."
"En waarom is dat niet doorgegaan?"
"Pa wilde het niet. Op de dag voor haar dood had hij mijn moeder moeten beloven om het gezin bij elkaar te houden als zij eenmaal dood zou zijn en oom Ben en tante Tiny wilden mij alleen maar adopteren als mijn vader voorgoed afstand van mij zou doen."
"En dat wilde hij dus niet?"
"Nee, want dan was hij tegen de wens van mijn moeder ingegaan."
"En dat wilde hij dus niet?"
"Nee."
"O, wat een verschrikkelijke..."
"Stommeling!", vulde hij grijnzend aan.
"Ik wilde eigenlijk iets anders zeggen. Ik ben echt razend op die halvegare ouders van jou. En dan vooral op je moeder! Je jeugd had er echt heel anders uitgezien als zij gewoon was blijven leven, of als zij had toegestaan, dat je na haar dood door je oom en tante zou zijn geadopteerd."
"Ja, dat is natuurlijk ook zo! Maar ik ben vannacht al tot de conclusie gekomen, dat het geen zin heeft om er kwaad over te worden. Niet over de eventuele daden van mijn moeder, niet over de stommiteit van pa en ook niet over de gevolgen daarvan. Als ik mijzelf toesta om daar kwaad over te worden, dan begeef ik mij op een hellend vlak en word ik misschien wel een gevaar voor mijzelf en mijn omgeving. En het is eigenlijk ook niet nodig om er kwaad over te worden. Ten eerste, omdat ik mij van die toestanden in het tehuis helemaal niets kan herinneren en ten tweede, omdat Arie's onthulling mij in de afgelopen uren een wat vreemde blijmoedigheid heeft verschaft."
"Hoe bedoel je?"
"Ik ben op de weg hiernaartoe gaan beseffen, dat datgene wat mij in dat tehuis is overkomen, zo erg is, dat ik de nare dingen, die mij in de tien jaar daarna zijn overkomen, op slag niet meer als naar ervaar. De herinneringen aan die nare dingen zijn er natuurlijk nog wel, maar ik ervaar ze niet meer als een last. En daarbij mag ik natuurlijk heel veel voldoening voelen over het feit, dat ik al die ellende heb overleefd. Ik ben er niet alleen in geslaagd om die jeugd ongeschonden door te komen, ik ben er ook nog in geslaagd om een nuttig lid van de maatschappij te worden. Want, zoals je gisteren al suggereerde: uit die jeugd van mij had ook een crimineel, een pedofiel, een junkie, of een psychopaat tevoorschijn kunnen komen."
"Ja, precies! En dan heb je het nog niet eens over datgene gehad, wat je in de afgelopen zestieneneenhalf jaar voor mij en je andere dierbaren hebt betekend. En als ik bedenk, wat er aan die zestieneneenhalf jaar allemaal is voorafgegaan, heb ik daar nog veel meer bewondering voor dan ik al had."
"Tja, en dat is natuurlijk volkomen terecht", zei hij lachend, "Ik heb ook het gevoel, dat mijn leven nu al helemaal 'af' is. Als ik morgen zou doodgaan, zou ik dat heel erg jammer vinden, maar ik zou dan in ieder geval wel tegen mijzelf kunnen zeggen, dat ik een zeer welbesteed leven heb gehad."
"Maar met dat doodgaan zul je toch nog wel een jaar of vijftig willen wachten, h?"
"Ja, natuurlijk! En nu helemaal."
Tijdens het uitspreken van die laatste zin, streelde hij haar glimlachend over haar kuit. Hoewel zij die liefkozing met voldoening onderging, had zijn relaas haar zeer onrustig gemaakt. Hij was er zelf nu redelijk rustig onder, maar zij achtte de kans, dat hij in een later stadium last van Arie's onthullingen zou gaan krijgen, tamelijk groot. Zij had hem inmiddels, op zijn slipje na, helemaal uitgekleed en zij trok hem nu met zachte hand op het bed. Heel even hoopte zij nog, dat hij uiteindelijk toch zijn zelfbeheersing zou verliezen, maar zij moest tot haar spijt het tegendeel constateren: toen hij zijn hoofd op haar borst had neergevlijd, viel hij vrijwel onmiddellijk in slaap...

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 18 april 1992. © Bert Harberts