Het is zaterdagochtend. Mijn ouderlijk huis is vrijwel verlaten; ik ben de enige, die thuis is. Mijn vader is naar de markt, mijn oudste broer At is in de stad op zoek naar een nieuwe stropdas en mijn jongste broer Willem is aan het werk in het computercentrum van KLM. Mijn moeder en mijn middelste broer Piet ontbreken. De een is negen maanden na mijn geboorte overleden; de ander is sinds vier jaar getrouwd en is een half jaar geleden vader geworden.
Als ik aan de eettafel bij het raam heb ontbeten, ga ik, zittend op de vloer, de krant lezen. De rechterkant van de voorpagina wordt gedomineerd door het verschrikkelijke bericht over een vermoord meisje. Onder die kop staat een foto van haar en die foto schokt mij zeer. Waarom de foto mij zo raakt, is mij nu, heel veel jaren later, nog steeds niet helemaal duidelijk. Ik herken iets van mijzelf in het meisje, vermoed ik. Zij had mijn jongere zusje kunnen zijn, of anders geformuleerd: ik had haar oudere broertje kunnen zijn.
Het verslag over de vondst van haar lichaam is al even schokkend en voedt die eerste hele sterke indruk van de foto nog wat meer. Eerst door de typering van haar, waarin ik k veel van mijzelf herken: 'Tenger, blond, schuchter en vriendelijk' en daarna door de vermoedelijke toedracht van de moord: ''Geen spoor van een worsteling. Suzanne stierf verrast, weerloos, misschien zonder verbazing of schrik. Zij was al dood, voordat de dader haar vanaf het fietspad over een greppel heentilde en haar in een lariksbosje neerlegde.''
Ik ben die dag danig uit mijn doen en in de dagen daarna ben ik er niet veel beter aan toe. Ik volg de berichtgeving over de begrafenis van Suzanne en de jacht op haar moordenaar op de voet. Op een van die dagen vis ik de krant met het bericht over haar moord uit de stapel oude kranten en knip ik haar foto uit. Ik bewaar hem in een boek, dat ik laatst van At heb gehad. Het heet: 'Ik zal het vergelden', het tweede deel uit de Rode Pimpernel-serie van Baronesse Orczy. In de maanden daarna begin ik het boek ook daadwerkelijk te lezen en zal ik daar een levenslange fascinatie voor de Franse revolutie aan overhouden.
Ik blijf in die maanden ook om Suzanne treuren. Mijn gezonde verstand - dat heb ik dus wel degelijk - verzet zich daartegen, maar mijn overgevoelige/hoogsensitieve hart heeft daar heel lang geen boodschap aan. Wat mijn gemoedstoestand er niet beter op maakt, is een voorval, dat zich op een zonnige zaterdagavond in mei voordoet: die avond word ik zelf op een nogal gewelddadige manier door een keurig getrouwde pedofiel aangerand. Maar ik overleef het dus w l, zonder misbruikt te worden.
In de weken en maanden daarna blijf ik mij intensief bezig houden met het tragische lot van Suzanne, tot er op 18 september iets gebeurt, wat alles anders maakt: ik ontmoet een blonde, mollige schoonheid, op wie ik smoorverliefd word. Hoewel het nooit iets zal worden met die blonde, mollige schoonheid, zorgt de nogal stevige impact van die ontmoeting er wel degelijk voor, dat ik Suzanne gaandeweg een beetje kan loslaten.
Ruim een jaar na de moord lees ik in een verslag over de arrestatie van een verdachte, dat Suzanne tijdens de aanranding niet is gewurgd, zoals eerst is beweerd, maar dat zij is overleden, omdat de moordenaar te lang zijn hand op haar neus en mond heeft gehouden. Tijdens de sectie op haar lichaam blijken er ook geen sporen van wurging te zijn ontdekt. Ik ben daar heel erg opgelucht over. Haar dood is dus geen brute lustmoord, maar een aanranding en verkrachting met dodelijke afloop geweest. De jongen, die van haar mogelijk onbedoelde dood en de daaropvolgende verkrachting wordt verdacht, zal dan ook niet voor moord worden aangeklaagd. Tot een vonnis komt het echter niet: de jongen wordt wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken. De echte moordenaar wordt helaas nooit gevonden en de moord wordt uiteindelijk een cold case, waaraan niets meer wordt gedaan.
Vier maanden later brengt de gedachte aan Suzanne mij er toe om de tweede dag van mijn allereerste Tienertoerkaart voor een uitstapje naar haar geboortestreek te gebruiken. Hoewel ik ontroerd ben als de trein door haar woonplaats rijdt, voel ik geen verdriet meer over haar dood. Ik ben inmiddels best wel een knappe jongen geworden en als ik na een hele mooie treinrit uiteindelijk in de Intercity naar Utrecht heb plaatsgenomen, flirt ik een poosje met alweer een blonde, voluptueuze schoonheid.
In de daaropvolgende jaren maak ik nog een paar keer hetzelfde tochtje met mijn Tienertoerkaart, maar daarna wordt Suzanne steeds meer een herinnering. ik haal in die jaren mijn Havo-diploma, vind werk bij de krant, verlies mijn vader aan longkanker en begin daarna weer permanent voor katten te zorgen nog zo'n klik met Suzanne. Ergens in die redelijk vrolijke periode keert zij toch weer in mijn kleine, lieve en afgesloten wereldje terug. Dat gebeurt in een droom. Ik ben er in die droom bij als zij vlak bij haar ouderlijk huis wordt gevonden. Hoewel ik haar niet zie liggen, zie ik wel, hoe haar vader volkomen ontredderd het lariksbosje uitloopt en zelfs even het woord tot mij richt en dan een paar woorden uitspreekt, die mij door de ziel snijden. Die korte, bijna levensechte droom brengt ook het verdriet om haar dood terug. Daar zal ik het gedurende een aantal weken heel erg moeilijk mee hebben. Het rouwen in de maanden na de moord op Suzanne was al vreemd; de terugkeer van dat rouwen in de dagen en weken na die afschuwelijke droom is iets, waarvoor ik al helemaal geen logische verklaring kan vinden.
Een paar maanden later stap ik weer op de trein naar Suzannes geboortestreek en ga ik in haar woonplaats op zoek naar het kerkhof, waar zij wellicht ligt begraven. Het is, om het mild uit te drukken, een onzinnig reisdoel en ik acht de kans op succes minder dan nihil, maar ik moet iets doen met dat vreemde verdriet om haar dood, waarmee ik mij totaal geen raad weet. Ik besteed twee opeenvolgende zondagen aan het zoeken naar dat best wel grote kerkhof, dat ik op de een of andere manier toch niet kan vinden.
Als ik twee maanden later vakantie heb, hervat ik op de eerste maandag van die vakantie mijn zoektocht naar de begraafplaats. Die blijkt opnieuw onvindbaar te zijn. Aan het einde van mijn zwerftocht - als ik mij eindelijk bij het echec van deze onzinnige onderneming heb neergelegd - verzeil ik op een mooi bosweggetje en zie ik schuin links van mij een klein kerkhof liggen. Ik loop daarna, zonder enige illusie te koesteren, toch maar het kerkhofje op, sla rechtsaf en het eerste graf, dat ik dan zie, is dat van Suzanne.
''Dat is 'r!'', mompel ik verbijsterd.
Ik blijf heel kort bij haar graf staan, kijk naar het opschrift met haar volledige naam, zie nog net haar geboortedatum en keer dan op mijn schreden terug. ''Je hoort hier niet te staan!'', fluistert mijn gezonde verstand mij in en ik verlaat dus het kerkhof, zonder naar haar graf om te kijken.
Ik wandel via de kortste weg terug naar het station, maar blijf daarna wel omkijken, tot het kleine kerkhof helemaal uit het zicht is verdwenen. Het verdriet om Suzanne is ineens verdwenen en ik ben er hartstikke trots op, dat ik, met hulp van Boven en misschien ook wel van Suzanne zelf, haar graf heb gevonden. Dat vooral in stilte beleden geloof in God en het hiernamaals, dat in de jaren '70 even afwezig was, is sinds 1981 weer helemaal terug en eigenlijk vind ik die volstrekt onverwachte vondst van Suzannes graf dan ook niets minder dan een Godsbewijs.
Mijn dwaze hart en mijn gezonde verstand gooien het in de jaren daarna op een akkoordje. Mijn gezonde verstand vindt het goed, dat ik een paar keer per jaar Suzannes graf bezoekt, mits ik intussen ook gewoon verder ga met mijn leven en ik doe dus zowel het een als het ander. Ik ga dus ook naar haar graf als op een mooie meidag een radioactieve wolk van Oekra nse makelij boven Nederland hangt. ik heb er gelukkig niets aan overgehouden...
In de daaropvolgende jaren blijf ik Suzannes graf dus een paar keer per jaar bezoeken. Dat is overigens in het geheel geen opoffering voor mij. Ik ben nog steeds een enorme treinengek en maak elk jaar vele uitstapjes naar elke uithoek van het land. Voor mij is het regelmatige bezoeken van Suzannes graf een goede manier om haar nooit te vergeten, om in elk geval een paar keer per jaar aan haar te denken en om - dat ook! - nooit meer zo'n afschuwelijke droom over haar moord te hebben. Mijn list werkt, want mijn onderbewustzijn houdt zich koest en de dromen over Suzannes moord blijven voortaan achterwege.
Hoewel ik voor elk bezoek aan haar graf meer dan vier uur onderweg ben, blijf ik nooit lang bij haar graf staan. En dat voelt goed! ik ben en blijf een buitenstaander en dat moet ik te allen tijde blijven respecteren. Een paar keer regent het als ik het kerkhof betreed. Telkens begint dan weer de zon te schijnen als ik het kerkhof verlaat en telkens ervaar ik dat toch echt als een teken en een goedkeuring van Boven. Tijdens elk bezoek aan Suzannes graf heb ik ook het gevoel, dat zij mij kan zien en dat zij dus heel dichtbij is.
In de laatste veertien jaar heb ik haar graf echter niet meer bezocht. In 2008 is At in Oklahoma overleden en ben ik door mijn vliegangst niet in staat geweest om zijn begrafenis in Oklahoma bij te wonen, of om daarna Ats graf te bezoeken. Mijn schaamte daarover weerhoudt mij er uiteindelijk van om daarna wel weer naar Suzannes graf te gaan. Een half jaar later wordt Willem ziek en moet ik mij voor lange tijd als zijn mantelzorger gaan ontpoppen. Ook als Willem in een verpleeghuis wordt ondergebracht, blijf ik mijn jongste broer tot diens overlijden in 2020 twee keer per week bezoeken en ontbreekt het mij aan de energie om op een andere dag naar Suzannes graf af te reizen.
Nu is het inmiddels januari 2024 en kijk ik met een wat andere blik op mijn verdriet om Suzannes dood terug. Ik schaam mij er niet meer voor, maar ben er tegelijkertijd ook niet trots op. Het overkwam mij gewoon - ik ben ook tot op de dag van vandaag een overgevoelig/hoogsensitief mens gebleven - en ik slaagde er telkens wel weer in om op een intelligente manier met dat vreemde verdriet om Suzannes dood om te gaan.
Hoewel het verdriet om Suzanne er nu niet meer is, heb ik nog wel een foto van haar. Die foto, ditmaal uit een boek, zit in een ander boek: een nieuwe versie van 'Ik zal het vergelden'. Volgens mij is dat een hele toepasselijke titel, die ook op haar vermoedelijke moordenaar van toepassing is geweest. Haar moordenaar is weliswaar nooit gepakt, maar ik ben ervan overtuigd, dat hij door zijn hardnekkige zwijgen over zijn daad gedurende de rest van zijn leven door schuldgevoelens is verteerd en dat hij daardoor een afschuwelijk en nogal kort leven heeft gehad. Hij is dus wel genoeg gestraft, zij het niet door Vrouwe Justitia...