GEMIS

Met drie toegangskaartjes voor Tivoli op zak liep Danny goedgemutst de belangrijkste winkelstraat van Kopenhagen in. Eigenlijk bestond die winkelstraat uit vier verschillende straten, elk met bijzonder moeilijk uit te spreken namen, maar Danny kende alleen de bijnaam: Strøget. Het was zijn eerste bezoek aan Kopenhagen sinds bijna veertien jaar. In oktober 1972 was hij er tijdens een werkweek met school geweest, in 1978 met een voormalige vriendin en nu werd hij zelfs door twee vriendinnen vergezeld. Hij had ze een kwartier daarvoor op de trein naar Helsingør gezet, waar ze de hele dag zouden blijven, en hij was daarna aan een heuse sentimental journey begonnen.
Tijdens die werkweek in '72 had namelijk zijn seksuele vuurdoop plaatsgevonden en de herinneringen daaraan hadden hem sinds het moment van zijn aankomst hier in Kopenhagen danig parten gespeeld. Zijn vriendinnen, de zevenentwintigjarige Carry en de eveneens zevenentwintigjarige Tanja, waren in dit opzicht ook weinig coulant jegens hem geweest. Elke toespeling zijnerzijds met betrekking tot die eerste liefde werd genadeloos weggehoond en om hem nog eens extra op zijn nummer te zetten, had Tanja de afgelopen nacht bij Carry doorgebracht. Zij was overigens wel degene, die in de komende drie nachten bij hem zou blijven slapen. Deze bezoekregeling kwam geheel overeen met de manier, waarop ze in Amsterdam met elkaar omgingen: in de weekenden behoorde Danny aan Carry toe, tijdens de weekdagen aan Tanja.
Die solitaire nacht, de eerste sinds vijf jaar, was hem niet eens zo slecht bevallen. Al had hij wel van Loes, die vermaledijde, eerste liefde, gedroomd. Het was een tamelijk ondeugende droom geweest, waaraan hij echter niet zo veel plezier had beleefd. Loes had het plezier van hun samenzijn namelijk geheel bedorven door op het moment-suprême een bloempot op zijn hoofd kapot te slaan.
Hij was er na zijn ontwaken danig door van streek geweest, maar was tijdens zijn eenzame ontbijt van daarnet weer wat opgefleurd. Door de harde broodjes, de smakelijke koffie en de vrolijke avances van een van de serveerstertjes. Hoewel hij niet op die avances was ingegaan, dacht hij met plezier aan haar terug, nu hij over de nog tamelijk stille Strøget liep. Het wandelen over die winkelstraat onder die grijze septemberlucht gaf hem ook een wonderlijk geluksgevoel. Hij hield van die sombere nazomerdagen, hij zag ze als de veelbelovende voorbodes van de herfst, het jaargetijde, waar hij elk jaar weer bijzonder van genoot.
Toen hij het via het fraaie Nytorv en Gammeltorv bij het al even fraaie Hojbroplads was aangekomen, liet hij Strøget even voor,hi wat het was. Hij stak het plein over, liep nog wat verder en nam tenslotte op een bankje langs het Holmenskanaal plaats. Daar begon hij zich een aantal plezierige beelden uit het verleden voor de geest te halen. Die beelden waren vanzelfsprekend amoureus van aard en varieerden van de eerste verliefde blik van Loes in Vordingborg tot dat goddelijke moment in hotel 'Scandis', hier in Kopenhagen, toen zij zich voor het eerst voor hem had uitgekleed. Een dergelijke aanblik was hem in de afgelopen twintig jaar natuurlijk wel vaker ten deel gevallen, maar de ontroering, die de vijftienjarige Loes bij hem had teweeg gebracht, was door geen van de betreffende dames geëvenaard. De herinneringen aan die nacht maakten hem rusteloos. Hij stond dus maar weer op en keerde terug naar Strøget, waar hij zijn wandeling naar het Kongens Nytorv vervolgde.
Ook dit plein had vele bezienswaardigheden. De grootste daarvan was het uitzicht op Nyhavn, een binnenhaven met de allure van een Amsterdamse gracht. Hij nam er een werkelijk fantastische foto van. De zeilschepen in de gracht en de statige huizen aan weerskanten daarvan leverden, mede dankzij het tegenlicht van de opkomende zon, een ongelooflijk, mooi sfeerbeeld op. Daarna slenterde hij naar de kiosk op het middenstuk van het Kongens Nytorv.
Op het terrasje van die kiosk bevonden zich op dat moment slechts twee klanten: een vrouw van om en nabij de vijfendertig met half lang, blond haar en haar, ongeveer tienjarige dochtertje. Terwijl hij bij de kiosk op zijn koffie wachtte, bekeek hij de vrouw met een mengeling van welgevallen en nieuwsgierigheid. Er was iets aan haar, wat hem bekend voor kwam. Hij had haar misschien wel eerder ontmoet en hij vermoedde al vrij snel, wanneer dat moest zijn gebeurd.
Eenmaal van koffie voorzien nam hij aan een tafeltje plaats, dat naast dat van de mysterieuze dame stond. Zijn verwarring werd danig vergroot, toen de vrouw zijn blikken met enige schuchterheid begon te beantwoorden en uiteindelijk op een wat aarzelende manier het woord tot hem richtte. Danny kende geen Deens; zijn repliek lag dus voor de hand en daarna werd de vraag in het Engels gesteld:
"Kunt u mij misschien de kortste weg naar Tivoli wijzen?"
"Ja, dat denk ik wel."
"Is het nog ver?"
"Nee, van hier is het ongeveer een kilometer."
De vrouw glimlachte vaag voor zich heen, rommelde in haar tas en haalde daar een plattegrond van Kopenhagen uit. Zij had iets Duits of iets Nederlands over zich, maar Danny's vermoeden, dat zij uit Zweden afkomstig was, werd onderwijl steeds sterker.
"Blijf u lang in Kopenhagen?", vroeg hij.
"Nee, we gaan vanavond weer terug naar huis", antwoordde zij, zonder van haar plattegrond op te kijken.
"Waar komt u vandaan?"
"Uit Zweden."
"Uit welk gedeelte?", vroeg hij, met een langzaam wat rood wordend gezicht.
"Ik ben zelf geboren in Hindas, een klein dorp ten oosten van Gothenburg, maar ik woon al sinds jaren in Stockholm."
Daarmee had zij zijn vermoeden bevestigd. Hij had haar zeventien jaar geleden al een keer eerder ontmoet, op een koude novemberavond, in het treintje tussen Gothenburg en Boras. Het was niet meer dan een vluchtige ontmoeting geweest. Ze hadden zelfs geen woord met elkaar gewisseld, maar toch had zij bij die ontmoeting een dusdanige indruk op hem gemaakt, dat hij haar zeventien jaar later nog moeiteloos herkende. Terwijl hij onafgebroken naar haar gezicht keek, begon de reden daarvan langzaam tot hem door te dringen: de achterliggende jaren hadden vrijwel geen vat op haar gehad. Op haar smalle en scherp gesneden gezichtje waren nog maar weinig lijntjes te zien en zij had nog steeds hetzelfde tengere figuurtje uit haar tienerjaren. Ook haar kleren leken uit de jaren '70 afkomstig te zijn. Zij droeg een eenvoudig groen truitje en een spijkerbroek en haar kleine voeten waren in sandalen gehuld.
"Waar komt u vandaan?" vroeg zij, haar ogen naar hem opslaand.
"Uit Amsterdam."
"Uit Holland?"
"Ja."
"Wat leuk!", zei zij, met een wat vreemd aandoend enthousiasme, "Is dit de eerste keer, dat u in Kopenhagen bent?"
"Nee, dit is de tweede keer en het is de zevende keer, dat ik in Denemarken ben. Het is min of meer mijn favoriete vakantieland."
"Is Denemarken uw favoriete vakantieland? Wat vreemd! Houdt u niet van warme landen?"
"Nee, helemaal niet. Ik ben er zelfs nog nooit geweest."
De vrouw keek hem peilend aan. Er was iets in haar gelaatsuitdrukking, wat hem zowel verontrustte als opwond. Hij begon steeds meer het gevoel te krijgen, dat zij hem ook had herkend en door haar volgende vraag kreeg hij daar al wat meer zekerheid over:
"Bent u ook wel eens in Zweden geweest?"
"Ja", antwoordde hij, naar adem happend, "Eén keer. Heel lang geleden."
"Wanneer was dat?"
"In de herfst van 1975."
"Waar bent u precies geweest?", vroeg zij, met een langzaam doorbrekende glimlach.
"Ach, ik maakte toen een soort rondreisje door het zuiden van Zweden. Ik kwam op een zaterdagavond aan in Gothenburg en ben daarna verder gereisd. Eerst naar Boras en in de volgende dagen naar Stockholm en Karlstad."
"Zei u Boras?", vroeg zij aarzelend.
"Ja."
"Maar dat betekent, dat u ook door Hindas bent gereisd."
"Dat klopt. Ik kan het mij zelfs nog heel goed herinneren. De treinreis ernaartoe was het hoogtepunt van mijn vakantie. De dagen en de uren ervoor en de uren en de dagen erna waren lang zo plezierig niet."
Die duidelijke bekentenis werd ook als zodanig ervaren. Haar handen vielen in haar schoot en zij keek ineens wat hulpeloos voor zich uit. Danny was er niet veel beter aan toe, maar wist de conversatie uiteindelijk toch weer op gang te brengen.
"Bent u getrouwd?", vroeg hij zacht.
"Nee, niet meer. Ik ben begin dit jaar gescheiden."
"O, dat spijt mij."
"Dat hoeft niet. Ik voel mij nu veel gelukkiger dan een jaar geleden."
Hoewel hij er zich terdege van bewust was, dat het gesprek wel heel snel vertrouwelijk werd, werd hij daar bepaald niet door afgeschrikt.
"Heeft u inmiddels een vriend?", vroeg hij.
"Nee", antwoordde zij, met een veelbetekenende blik in haar ogen, "En om u de waarheid te zeggen, doe ik er ook niet veel moeite meer voor. De jaren met mijn man zijn tamelijk vermoeiend voor mij geweest."
"Hoe lang bent u getrouwd geweest?"
"Bijna veertien jaar. Hij was mijn eerste liefde. Ik heb hem ontmoet in 1976, toen ik achttien was en in Stockholm ging studeren en we trouwden in december 1977, toen ik net twintig was geworden."
"Was het een aardige man?"
"Hij was meer knap dan aardig", antwoordde zij, zonder enige wrok in haar stem, "Qua uiterlijk leek hij nogal op u, om u de waarheid te zeggen. Maar hij was zich dus wel heel erg van zijn mooie uiterlijk bewust en hij heeft mij daarmee ook vrij veel verdriet bezorgd."
"Was het echt zo'n... ", begon hij, met een nu lijkbleek gezicht.
"Ja, dat was hij", vulde zij behulpzaam aan, "Maar hij heeft mij gelukkig wel een lief, mooi dochtertje geschonken."
"En dat is een hele troost?"
"Ja, en veel meer dan dat!"
"Ik snap het."
"En u?", vroeg de vrouw, met die zo typerende vage glimlach, "Bent u getrouwd?"
"Nee, ik ben niet getrouwd", antwoordde Danny, na een korte aarzeling, "Maar ik heb wel een paar vriendinnen."
"Hoeveel?", vroeg zij, met een kort lachje.
"Twee maar."
"O, wat leuk! Heeft u er een naar Kopenhagen meegebracht?"
"Ik heb ze allebei meegebracht", antwoordde hij, met een vies gezicht.
"Wat gezellig!", riep zij schaterend.
"Och, wat zal ik zeggen?"
"Hoe zit dat precies? Met die twee vriendinnen van u?"
"Carry is eh... mijn vriendin, degene die ik min of meer als mijn vrouw beschouw, Tanja is eigenlijk niet meer dan mijn maîtresse."
"Wauw! U bent een boffer!"
"Ach, ik weet het niet. Ik denk, dat ik pas echt een boffer zou zijn als Tanja uit mijn leven zou verdwijnen."
"Wat mankeert er aan Tanja?"
"Eigenlijk helemaal niets", antwoordde hij, met een zachte stem, "Zij is lief voor mij als we samen zijn, in alle opzichten. Meer kan ik er eigenlijk niet over zeggen."
"Maar u zou liever alleen een relatie met Carry willen hebben."
"Ja, precies."
"Ik begrijp het."
"Begrijpt u dat echt?"
"Ja, u lijkt mij daar ook echt het type voor."
"Ik zou het heel normaal vinden als u het niet zou begrijpen. Ik ben mij er heel goed van bewust, dat er miljarden mannen zijn, die onmiddellijk met mij zouden willen ruilen. Want ik heb toch maar twee leuke en lieve vriendinnen, die ook nog eens heel erg goed met elkaar kunnen opschieten en dat is natuurlijk best wel uniek. Maar toch... is dat niet, wat ik werkelijk wil."
"En wat wilt u dan wel?"
"Een monogame en dus rustgevende liefdesrelatie met een vrouw, die niet al teveel jonger is dan ik."
"Maar die rustgevende, monogame liefdesrelatie heeft u dus niet?"
"Nee, die heb ik niet. Nou is het nog niet zo, dat ik een orgasme lig te faken als ik met Tanja aan het vrijen ben, maar soms scheelt het toch eigenlijk maar bar weinig."
"U zou het dus prettiger vinden als zij met u zou breken", vroeg zij lachend.
"Ja, precies! Want ik ben helaas niet in staat om zelf met haar te breken."
"Waarom eigenlijk niet?"
"Omdat Carry dat niet wil."
"Hm, dat is dan ongelooflijk stom van haar."
"Vindt u dat echt?"
"Ja, dat vind ik echt! Ik zou in haar plaats wel een beetje anders reageren."
"Hm, ik vind, dat u Carry in deze kwestie misschien iets te kritisch beoordeelt. Carry kan eigenlijk niet anders. Tanja heeft al heel vaak tegen haar gezegd, dat zij zelfmoord zou plegen als ik definitief bij haar weg zou gaan."
"Meent u dat?", riep de vrouw verstoord.
"Ja."
"Wat een smerige heks, zeg!"
"Tja, zij heeft ons tweeën echt wel in een houdgreep en ik vrees toch echt, dat de huidige situatie tot aan mijn dood zal blijven voortduren."
"Ach, je weet maar nooit", zei de vrouw, met een besmuikt glimlachje.
Het gesprek viel daarna stil en tijdens het koffiedrinken keken de beide volwassenen naar het kind, dat rustig voor zich uit staarde. De vrouw deed dat met een liefdevolle blik in haar ogen en Danny met iets, wat daar verdacht veel op leek. De genegenheid was in beide gevallen wederzijds. Ook bij het kind was Danny bijzonder in de smaak gevallen. Die ontdekking bracht hem op een idee.
"Zou u het leuk vinden als ik u beiden naar Tivoli vergezel?" vroeg hij.
"O, als u dat wilt doen, zal ik u heel dankbaar zijn!", antwoordde de vrouw opgetogen, "Ik kan heel slecht omgaan met plattegronden zoals deze. Als ik er een gebruik, verdwaal ik meestal."
"Zullen we dan maar meteen gaan?"
"Dat is prima."
Ze dronken hun koffie op en liepen met het kind tussen hen in naar de Ostergade, het begin van Strøget. Hij had geen zin om de twee Zweedse dames rechtstreeks naar Tivoli te brengen en leidde hen via een aantal zijstraatjes van Strøget langs een aantal andere bezienswaardigheden. De eerste bezienswaardigheid waren de straatjes en steegjes van het winkelcentrum rond de Pistolstraede, de tweede was de Ronde Toren aan de Kobmagergade. De toren was net voor bezoekers opengesteld en de top, die door een binnenmuurse en spiraalvormige oprit bereikbaar was, oefende op Danny een grote aantrekkingskracht uit.
"Zullen we naar boven gaan?", vroeg hij aan de vrouw.
"Hm, het is wel erg hoog", antwoordde zij, met een tuitmondje, "Ik weet niet, of Britta dat wel haalt. Zij lijdt namelijk aan astma."
"Natuurlijk haalt zij dat wel. En als zij het niet haalt, draag ik haar wel."
"Nou, goed dan!"
Hij kocht drie toegangskaartjes en ging de beide dames voor op de oprit naar de top van de toren. Halverwege was hij, zoals hij al had gehoopt, genoodzaakt om de vermoeide en naar adem snakkende Britta op zijn rug te nemen. Het beviel het kind zeer. Zij hield haar armen stevig rond zijn borst geklemd en kletste onderwijl naar hartelust met haar moeder. Eenmaal op de top van de toren maakte Danny geen aanstalten om het kind op de grond te zetten. Hij drentelde met haar het hele platform rond, wees haar de voornaamste bezienswaardigheden van Kopenhagen en wees haar ook de richting, waar haar moederland lag.
"Zij vindt u lief!", murmelde de vrouw.
"Ik... vind haar ook lief!", hakkelde hij.
"Heeft u zelf nooit kinderen willen hebben?"
"Nee, dat is niet waar. Ik had best wel kinderen willen hebben, maar het is er nooit van gekomen."
"Is dat echt zo?"
"Ja, mijn exen hadden allemaal andere prioriteiten."
"Ervaart u dat als een gemis?"
"Soms."
"En nu?"
"Nu ervaar ik het als een groot gemis."
Zij glimlachte en verwijderde met een wat peinzende blik een pluisje van zijn jack. Het ontroerde hem en het wond hem eigenlijk ook wel een beetje op. Dat ontging haar waarschijnlijk niet.
"Moet u eigenlijk niet naar uw vriendinnen terug?", vroeg zij liefjes.
"Nee, ze hebben mij deze dag vrijaf gegeven."
"O, wat lief van hen!"
"Vindt u dat echt?", klonk het koeltjes.
"Ja, natuurlijk! En ik zal er deze morgen graag misbruik van maken."
"Hm, zullen we ons dan eerst maar even voorstellen? Mijn naam is Danny Harberts."
"Ik heet Suzanne Hiddink."
"Suzanne Hiddink? Dat klinkt nogal Hollands!"
"Dat kan wel kloppen. Mijn ouders komen ook uit Holland. Ze zijn een halfjaar voor mijn geboorte naar Zweden geëmigreerd."
"Waar kwamen ze vandaan?"
"O, dat weet ik niet precies. De naam van de streek, waar ze vandaan komen, heeft een moeilijk uit te spreken naam. Ze woonden in ieder geval op een boerderij in de buurt van een stad, die Doetengem heet."
"Doetinchem?"
"Ja, precies."
"Ben je er zelf nooit geweest?"
"Nee, nooit. Ooit zal het er misschien wel een keer van komen, maar nu heb ik er nog niet zo'n behoefte aan."
"Wat doen je ouders?"
"Ze zijn hun leven lang boer geweest, maar ze zijn er nu mee gestopt. De boerderij wordt nu door mijn oudste zwager en mijn oudste zuster gedreven."
"Kom je nog vaak in Hindas?"
"Ja, één keer in de twee maanden. Voor een lang weekend. Dat is net lang genoeg om mijn heimwee in toom te houden. Eens zal ik waarschijnlijk wel definitief naar Hindas teruggaan."
"Je weet nog niet wanneer?"
"Nee, maar het zal waarschijnlijk pas gaan gebeuren als ik met pensioen ga. Tot die tijd zal ik het met logeerpartijtjes moeten doen."
"Ik snap het."
"Waarom heb je tijdens je vakantie in '75 eigenlijk niet een bezoekje aan Hindas gebracht?"
"Omdat ik haast had. Ik wilde zo snel mogelijk naar Boras om de volgende dag met de trein naar Stockholm te kunnen reizen. Maar toen de trein naar Boras op die avond in Hindas stopte, ben ik er toch nog bijna uitgestapt."
"Waarom?"
"Om het snoezige meisje, dat vanaf Gothenburg tegenover mij zat en dat tot mijn grote spijt al in Hindas uitstapte."
"Waarom heb je dat dan niet gedaan?", vroeg zij, met een parelend lachje.
"Omdat de trein net iets te snel wegreed."
"Het is jammer, dat je niet bent uitgestapt!", zei zij, na een korte aarzeling, "Het is ... het is er namelijk heel erg mooi."
"Ik geloof het graag. En ik weet ook zeker, dat ik er echt wel een keer naartoe zal gaan. Ik zal je graag een keer komen bezoeken als je daar bent."
"Goed, dat is afgesproken!", zei zij monter, "Maar zullen we eerst maar even naar Tivoli gaan?"
"Okay!"
Ze voltooiden de afdaling in een bedaagd tempo en Danny leidde zijn lieftallige metgezellen via een kleine omweg naar het punt terug, waar ze Strøget hadden verlaten. Daar begonnen Suzanne en Britta aan hun eigen ritueel van tijdrekken. Voor bijna elke etalage werd langdurig stilgestaan en werd het gebodene uitgebreid door moeder en dochter becommentarieerd. Tijdens het bekijken van een van die etalages, die van 'Svend E of Copenhagen', een gerenommeerde kledingzaak, besloot Suzanne tot de aanschaf van een nieuw jurkje voor Britta. Die aanschaf had overigens nog enige voeten in aarde, want moeder en dochter schenen het niet eens te kunnen worden over de keuze tussen twee jurkjes. Danny mocht op initiatief van Suzanne de knoop doorhakken en koos voor de duurdere keuze van Britta; een beslissing, die door Suzanne op verdacht blijmoedige wijze werd gerespecteerd.
Toen ze uiteindelijk toch bij het einde van Strøget waren aangekomen en de Radhuspladsen waren overgestoken, begonnen ze in volmaakte harmonie aan het laatste stukje van hun wandeling.
"Zijn we er bijna?", vroeg Suzanne vriendelijk.
"Ja, nog een paar honderd meter."
"Ga je echt mee?"
"Ja, ik zal echt heel graag meegaan."
"Mag ik dan ditmaal de kaartjes betalen?"
"Dat hoeft niet, want die heb ik daarnet al gekocht."
"Maar die waren toch niet voor ons bestemd?"
"Dat zijn ze nu dus wel!"
Suzanne zei niets meer, maar gaf hem glimlachend een arm, hetgeen Danny vanzelfsprekend als heel plezierig ervoer. Na die laatste, korte wandeling betraden ze Tivoli en lieten ze Britta verder hun wandelroute bepalen.
"Is Kopenhagen een beetje bevallen?", vroeg hij, na een poosje.
"Ja, hoor. De stad was lief, de mensen waren aardig en het hotel schoon en comfortabel."
"In welk hotel hebben jullie geslapen?"
"In hetzelfde hotel, waar jij nu slaapt."
"Wat?"
"Je hebt mij best gehoord. In hetzelfde hotel waar jij nu slaapt: in hotel 'Absalon' aan de Helgolandsgade."
"Hoe weet je, dat ik daar slaap?"
"Omdat Britta en ik je vanochtend in de ontbijtzaal hebben gezien."
"Meen je dat?"
"Ja, echt! We hebben heel goed gezien, hoe je met smaak van je ontbijt at, hoe je met smaak van je koffie dronk en hoe je met smaak naar dat zwartharige serveerstertje hebt zitten kijken."
"Nee, echt?"
"Ja, echt! En we zijn je daarna nog een keer op de Vesterbrogade tegengekomen, toen we onze bagage in een stationskluisje hadden gezet. En vanaf dat moment hebbn we je dus gevolgd."
"Meen je dat?"
"Ja, dat meen ik echt. Je oefende echt een hele grote aantrekkingskracht op ons uit."
"Maar als jullie mij vanaf het station hebben gevolgd, betekent dat, dat jullie ook langs Tivoli zijn gelopen!"
"Ja, dat is zo."
"Dus je wist ook heel goed, waar Tivoli lag?"
"Ja, schatje, natuurlijk wist ik dat! Ik ben hier trouwens al zeker vijf keer geweest. Eén keer met mijn ouders en mijn zusters, één keer met school en drie keer met mijn man en Britta."
Danny deed er geschokt het zwijgen toe, maar draaide al heel snel weer bij en raakte zelfs bijzonder gecharmeerd van het toch wel zeer romantische Tivoli. Ondanks zijn afkeer van kermissen en pretparken onttrok hij zich ook nergens aan. Met Suzanne aan zijn arm bleek niets hem teveel, of het nu het bijwonen van een pantomimevoorstelling of een ritje in een antieke draaimolen betrof.
Het eerste rondje over het Tivoli-terrein werd op een gepaste wijze afgesloten: met een bezoek aan het terras van de 'Faergekroen', een restaurant aan de rand van het kleine Tivoli-meer. Het restaurant zelf was in een rood-zwart geschilderd vakwerkhuisje gevestigd; het terras was door met geraniums gevulde bloembakken afgezet en bood een mooi uitzicht op de feeërieke omgeving rondom het meertje.
Hoewel Danny zeer van dat uitzicht genoot, kreeg hij op dat moment ineens een aanval van zwaarmoedigheid te verwerken. De wetenschap, dat Suzanne straks toch weer voor lange tijd uit zijn leven zou verdwijnen, greep hem hoe langer hoe meer bij de keel. Britta leek te merken, dat hij zich niet helemaal gelukkig voelde en kroop, zonder iets te zeggen, op zijn schoot. Die aanhankelijkheidsbetuiging bracht enige verlichting met zich mee, maar hij bleef zich in geestelijk opzicht toch nog tamelijk gammel voelen. Suzanne en Britta waren onderwijl aan een langdurig gesprek begonnen. Wat ze daarbij bespraken, werd Danny pas duidelijk, toen Suzanne met een glimlach het woord tot hem richtte:
"Dat klopt."
"Wat vond je daar eigenlijk van?"
"Ik heb het er niet zo naar mijn zin gehad. Maar dat kwam voornamelijk, omdat ik op dat moment een beetje depressief was."
"Hoe kwam dat?"
"Ach, ik voelde mij eenzaam en ik had bovendien nogal wat liefdesverdriet."
"Om wie?", vroeg zij lachend.
"Om ene Loes, mijn eerste liefde."
"En je verblijf in Stockholm verleende je niet veel troost?"
"Nee, integendeel! Ik heb mij nog nooit zo ellendig gevoeld als juist daar."
"Oh, meen je dat?"
"Ja, echt! Maar dat kwam ook, omdat ik die nacht in de verkeerde buurt heb overnacht."
"Welke dan?"
"De buurt rond het Centraal Station: Norrmalm."
"Maar daar woon ik al jaren!", riep zij lachend, "Wat is er verkeerd aan Norrmalm?"
"Het is te nieuw en de gebouwen zijn te hoog! Maar nogmaals: het is de enige buurt van Stockholm is, die ik heb gezien."
"Niet alle gebouwen in Norrmalm zijn hoog en nieuw, hoor! Maar ben je dan ook niet in Gamla Stan geweest?"
"Gamla Stan?"
"De oude stad, bedoel ik. Het oudste gedeelte van de stad, waar ook het Koninklijk Paleis staat."
"Nee, het spijt mij! Dat heb ik toen dus niet kunnen vinden."
"Maar dat is nou juist het mooiste gedeelte van Stockholm!"
"Ik weet het! Maar ik heb het tot mijn grote spijt dus nog steeds niet gezien."
"Hm, daar moeten we dan maar gauw wat aan doen!", zei zij energiek.
"Hoezo?"
"Heb je zin om vanavond met ons mee naar Stockholm te reizen?"
"Dat eh... zou ik heel erg plezierig vinden!", antwoordde hij grijnzend.
"Denk je, dat je vriendinnen daar geen problemen mee zullen hebben?"
"Neuh...", was het enigszins voorbarige antwoord, "We laten elkaar heel erg vrij."
"Dat is mooi. Hoelang denk je in Stockholm te kunnen blijven?"
"Twee weken."
"Heb je er bezwaar tegen om die twee weken in een kleine, maar comfortabele flat in Norrmalm door te brengen?"
"Nee, daar heb ik geen bezwaar tegen", antwoordde hij ferm.
"Het bevindt zich anders wel in een tamelijk hoog gebouw."
"Het zal mij niets kunnen schelen."
"En ons flatje kijkt ook op een begraafplaats uit."
"Als jij en Britta altijd in dat flatje aanwezig zullen zijn, zal ik daar echt geen probleem mee hebben."
"O, wees maar niet bang! We zullen je geen minuut alleen laten. En we zullen je zeker niet laten gaan, voordat je alle mooie plekjes van Gamla Stan hebt gezien."
"Ik kijk er naar uit", zei hij, naar haar hand grijpend.
"Prima, dat is dan afgesproken."
Zij liet haar hand rustig in de zijne rusten, maar bleek toch nog wel iets op haar hart te hebben:
"Maar het is dus niet zo, dat ik je aan het einde van die twee weken niet terug naar Amsterdam zal laten gaan. Ik zal je in die twee weken alles geven, wat ik je te geven heb, maar ik zal in ruil daarvoor nooit van je verlangen, dat je Carry voor mij opgeeft."
"Dat is heel lief van je, maar dat betekent wel, dat ik in de komende jaren heel vaak naar Stockholm zal gaan reizen."
"In welke frequentie?"
"Een keer per jaar. Minimaal."
"O, dat lijkt mij een fantastisch idee! Als we dan ook nog een vaste periode uitkiezen, hebben we allebei iets, waar we elk jaar naartoe kunnen leven."
"Hm, zullen we nu dan maar meteen afspreken, dat ik elk jaar de eerste twee weken van juli in Stockholm kom doorbrengen?"
"Dat lijkt mij prima! We zullen je ieder jaar weer met open armen ontvangen."
"Ook als je op een goede dag toch nog een andere man vindt?"
"Dat zal niet meer gebeuren."
"Ben je daar echt helemaal zeker van?"
"Als jij vanaf nu twee weken per jaar naar Stockholm komt, zal ik aan een andere man absoluut geen behoefte meer hebben."
Danny moest iets wegslikken, toen hij die laatste, schokkende bekentenis had aangehoord, maar daarna voelde hij zich ineens weer heel vrolijk worden.
"Wat voor kaartje moet ik zometeen kopen?", vroeg hij lachend.
"Bedoel je een enkele reis of een retour?", was haar wat sluwe wedervraag.
"Ik bedoelde eigenlijk: reizen jullie tweede of eerste klasse?"
"Eerste klasse. Is dat een bezwaar?"
"Nee, integendeel. Ik reis zelf ook altijd eerste klasse. Hoe laat vertrekt de trein?"
"Om vier uur. Je hebt dus nog alle tijd."
"En hoe laat komen we in Stockholm aan?"
"Om twaalf uur in de nacht. En als we dan een taxi nemen, zijn we om vijf over twaalf thuis."
"En wat doen we daarna?", vroeg hij voorzichtig.
"Doe maar een voorstel."
"Wat voor een voorstel?"
"Dat kan mij niet schelen!", antwoordde zij lachend, "Want ik zeg toch overal 'ja' op."
"Heb je er bezwaar tegen als ik vannacht in je slaapkamer blijf slapen?"
"Nee, het zal mij niets dan plezier doen. Zo'n tweepersoonsbed kan soms heel eenzaam aanvoelen. Als jij je vannacht na het tandenpoetsen in mijn slaapkamer meldt, zal ik je dus een heel plezierig welkom bereiden."
"En wat dan?"
"Dan zul je mogen doen, wat je in 1975 ook al had mogen doen, als je toen wel samen met mij in Hindas was uitgestapt."
"Ah, ik snap het."
"Is zo alles naar je zin?"
"Ja, ik heb niets meer te wensen. Ik ben volmaakt gelukkig."
"Zo mag ik het horen."
Hij had overigens niet helemaal gelijk. Zometeen zou hij de beide dames voor een half uurtje moeten verlaten en daar had hij bijzonder weinig zin in. Er viel echter niet aan te ontkomen. Hij zou toch zijn bagage uit het hotel moeten ophalen en hij zou daar toch ook een of ander berichtje voor Carry en Tanja moeten achterlaten.
"Goed, dan ga ik nu maar even naar het hotel", zei hij zacht.
"Goed, schatje!", zei Suzanne, met een zoet glimlachje, "Vergeet je niet om daarna een treinkaartje en daarna ook nog een kaartje voor Tivoli te kopen?"
"Nee, natuurlijk niet!"
Hij boog zich naar haar over en drukte met enige schroom een kus op haar lippen.
"Kom je echt terug?", vroeg zij, ineens heel ernstig.
"Ja, en ik zal mij ook heel erg haasten."
"En je zult niet meer van gedachten veranderen?"
"Nee, echt niet!"
"Goed, dan zullen we hier heel geduldig op je blijven wachten."
"Ik had niet anders verwacht."
Het afscheid, voor hoe kort dat ook zou zijn, viel hem zwaar, maar toen hij Tivoli via de uitgang aan de H.C. Andersonboulevard verliet, verkeerde hij ineens in een opperbeste stemming. Hij had zin in dat reisje naar Stockholm en van schuldgevoelens jegens Carry en Tanja was geen sprake. Over de vraag, hoe hij hen het nieuws van zijn vertrek zou mededelen, hoefde hij niet lang na te denken. Hij zou zometeen een briefje onder hun deur doorschuiven, waarin hij uiteen zou zetten, dat hij een beetje overspannen was en dat hij voor twee weekjes richting Noorwegen zou vertrekken in de hoop daar wat rust te kunnen vinden. Het was een perfecte oplossing, waarmee hij de dames de nodige schuldgevoelens en zichzelf een onbeperkte vrijheid van handelen zou geven.
In de Istedgade, op vijftig meter afstand van zijn hotel, stond hem echter nog een kleine verrassing te wachten: het was een bloempot, die met een ferme klap op het trottoir in stukken viel en wel precies op de plek, waar hij een paar seconden later zou hebben gestaan. Voor zeker twee minuten bleef hij naar de scherven van die bloempot staan staren, daarna rende hij naar het hotel.
"Eerst die rotbagage ophalen!", dacht hij, "Dan het logies betalen, dan een enkele reis Stockholm kopen en dan... als de sodemieter terug naar Tivoli."

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 27 mei 1996. © Bert Harberts