bjh GRANAATJE, VOORHEEN SIMBA (2003-2014)


Op 4 juli 2006 werd door de 'Stichting Amsterdamse Zwerfkatten' in de Granaatstraat in Amsterdam-Zuid een zwerfkat gevangen. Het was een kortharige, Cyperse poes van ongeveer drie jaar oud. Een dag later werd Granaatje, zoals zij de rest van haar leven zou gaan heten, aan de goede zorgen van het kattenasiel in Oostzaan toevertrouwd en in het daaropvolgende halfjaar werd zij daar gesocialiseerd en voor een plaatsing bij een baasje klaargestoomd. Dat baasje, een jong meisje uit Wormerveer, haalde haar op 28 december 2006 uit het asiel. In het gastenboek van het asiel staat beschreven, hoe haar eerste dag bij haar baasje verliep:


''Hallo allemaal!


Ik heb sinds een paar dagen Granaatje thuis en ik wil jullie even laten weten, dat het heel goed met haar gaat. De eerste uren was zij wat voorzichtig, maar na een tijdje lag zij al als een echte freule naast mij op de bank. En waste zij heel aandoenlijk mijn hoofd. Soms rent zij hard door het huis met een speelgoedmuisje, haha, goed voor haar lijn. En zij praat lekker terug. Ik wens jullie allemaal een heel goed uiteinde!


Groetjes van Chris, en kopjes van Granaatje''


Een paar weken later stond er nog een berichtje over Granaatje in het gastenboek:


''Hallo allemaal!


Hier nog even de laatste nieuwtjes over Granaatje! Zij is een ontzettend lieve en ondeugende huiskat. Een paar weken geleden was zij ziek. Gelukkig is zij na een antibiotica-kuurtje van de dierenarts weer helemaal opgeknapt. Het bleek een griepje te zijn. Nu is zij weer helemaal de oude. Zij is een een echte schaduw en loopt mij overal achterna, zelfs bij het douchen (wel op een veilige afstand). Het is echt een geweldige kat. Die zien jullie nooit meer terug!


Groetjes Chris & Granaatje

P.S. Heel veel succes met de rest van jullie knuffels. Ik hoop, dat ze allemaal een fijn huisje vinden!''


Uit de berichtjes valt af te lezen, dat Granaatje een vrolijk en gelukkig leventje in Wormerveer heeft geleid. Dat is ook zo. Granaatje ontpopte zich al heel snel en in vele opzichten als een lief, zorgzaam en zelfs bijna engelachtig vriendinnetje voor Chris. Chris was dan ook stapelgek op haar en had heel veel voor haar over, maar op 5 augustus 2013 keerde Granaatje dus toch terug in het asiel. Om een nogal ontroerende reden: Chris had het gevoel, dat Granaatje, door een aantal veranderingen in haar persoonlijke omstandigheden, ongelukkig bij haar was, en zij hoopte, dat het asiel een baasje voor Granaatje zou kunnen vinden, waar Granaatje wel gelukkig zou kunnen zijn. Haar wens zou snel in vervulling gaan: Granaatje zou ditmaal maar heel kort in het asiel verblijven en wel door mijn toedoen.

Na de dood van Boris, mijn voorlaatste kat, had ik van mijn nichtje Daniëlle, de zorg over Ilse, een van haar Noorse Boskatten, toebedeeld gekregen. Daan en ik hadden afgesproken, dat Ilse het eigendom van Daniëlle blijven, maar ik zou tot haar dood voor haar gaan zorgen. Die dood kwam helaas veel te snel, en wel precies drie maanden na het inslapen van Boris. Een onderzoek door Belinda, een dierenarts van 'Dierenpraktijk De Meteoor' in Tuindorp Oostzaan, wees uit, dat Ilse water in de longen had en dat een operatie geen zin meer zou hebben. Tijdens een kort beraad met Daan besloten we om Ilse in te laten slapen.

Een half uur na het inslapen van Ilse kwam ik voor de tweede keer in drie maanden met een lege kattenkooi thuis en trof ik daar een 'Echo' aan, met daarin een 'katvertentie', een verhaaltje, waarin een kat uit het Oostzaanse asiel in het zonnetje werd gezet. De tekst, van ene Stella Oelbers, was briljant en wervend en zorgde er onmiddellijk voor, dat de emoties over de dood van Ilse voor even helemaal naar de achtergrond verdwenen.


''En nu aandacht voor Granaatje, 10 lentes jong. Zij heeft wat weg van een Britse Korthaar. Een bolle toet, met grote amberkleurige ogen. In combinatie met een prachtig, Cypers velletje is Granaatje een mooie meid, volslank. Zij houdt haar lijn in de gaten en is kieskeurig, wat haar eten betreft. Een goed merk light brokjes is prima. Zij is lief en aanhankelijk. Behalve bij drukte, dan kruipt zij weg. Granaatje is zes jaar geleden door een gelukkig stel bij ons opgehaald en kort geleden door het inmiddels gescheiden stel weer teruggebracht.


Jammer, het lag niet aan haar.


Een rustig thuis zoeken wij, want Granaatje hoeft niet zo nodig naar buiten. Als u werkt, geen probleem: zij kan goed alleen zijn. Een andere – rustige – kat is ook prima. Drukke kinderen of een hond lijken ons minder geschikt voor deze dame. Met haar wollige omvang is zij een echt gezellig theemutsje. Kom maar kijken.''


Ik was meteen verkocht – het leek mij echt een 'perfect match' met een kat, die sprekend op mijn overleden lievelingskat Miepie leek – maar ik ging er na de lezing van de advertentie vanuit, dat zij waarschijnlijk al weg was. Zo'n leuke kat zou vast niet lang in het asiel blijven zitten. Desalniettemin noteerde ik het nummer van het asiel om de volgende ochtend toch nog een poging te wagen.

De volgende dag belde ik even over enen het asiel op. Ik kreeg Joke aan de lijn, de asielmedewerkster, die in 2000 mijn tweede kat Tum Tum bij mij had thuisgebracht en die ook degene was, die bijna zeven jaar later Boris aan mij had verkocht.

''Ja, hoi!'', zei ik, ''Ik bel op naar aanleiding van de 'katvertentie'. Ik heb namelijk interesse in Granaatje.''

''O, wat leuk!'', riep zij enthousiast.

''Is zij er nog?'', vroeg ik, blij verrast.

''Ja, hoor! Zij is er nog!''

''O, geweldig! Ik ben echt helemaal weg van haar! Kan ik vandaag langs komen om kennis met haar te maken?''

''Ja, hoor!''

''Is het nog steeds mogelijk om haar vandaag te kopen en haar dan een paar dagen later op te halen?''

''Hoe lang wilt u dan wachten?'', klonk het, enigszins wantrouwig.

''Tot zaterdag, twee dagen dus. Ik moet vanmiddag naar mijn broer, die in een verpleeghuis in Zeist woont en ik heb daarna nog een dagje nodig om de boel hier in huis nog een beetje schoon te maken en om nog wat nieuwe spullen voor haar te kopen.''

''O, zaterdag is prima, hoor!''

''Fantastisch! Dan kom ik nu naar u toe.''

''Prima, dan zien we u zo.''

Ik ging snel op weg, maar maakte van de gelegenheid gebruik om eerst bij het dierencrematorium langs te gaan, waar Ilse dezelfde dag nog zou worden gecremeerd. Zij was daar nog niet aangekomen, hetgeen ik toch wel als een opluchting ervoer. Ik gaf mijn wensen over de crematie aan de receptioniste door en fietste daarna door naar het asiel. Joke begroette mij hartelijk, pakte een sleutelbos en ging mij voor naar de afdeling van het asiel, waar Granaatje verbleef. Zij was een van de twee Cyperse katten, die daar rondliepen. Joke pakte haar op, hield haar in haar armen en zei:

''En dit is dus Granaatje!''

''O, wat een schatje!'', prevelde ik.

Ik liep naar Granaatje toe, hield mijn rechterwijsvinger voor haar bolle snoet en werd onmiddellijk op mijn wenken bediend: zij miauwde luid en likte aan mijn vinger met een overgave, waarmee zij mij voor altijd inpalmde. Zij had haar keus gemaakt en ik kon niets anders doen dan de voor de hand liggende woorden uitspreken:

''Ik neem haar!''

Joke scheen niet anders te hebben verwacht. Zij zette Granaatje, zeer tot haar ongenoegen, op de vloer neer en ging mij voor naar het kantoortje om de financiële zaken met mij te regelen. Het lief klinkende gemiauw van Granaatje bleef lang in mijn oren naklinken.

Twee dagen later keerde ik, nog steeds wat shaky door de plotselinge dood van Ilse, terug naar het asiel. Het was een regenachtige herfstdag en de hete zomer, waarin ik twee katten had laten inslapen, leek ineens heel ver weg. Ik meldde mij bij de balie, zei tegen een wat oudere asielmedewerkster, dat ik Granaatje kwam ophalen en overhandigde haar de kattenkooi, waarin ik Granaatje zou gaan meenemen. We gingen weer naar de afdeling, waar zij verbleef en werden daar door een luidruchtig miauwende Granaatje opgewacht. De asielmedewerkster zette de kooi op een tafel neer, tilde Granaatje op, zette haar ook op de tafel neer, verwijderde de vlooienband en stopte de nog steeds luidruchtig miauwende kat in de kooi. Zij was daarna onmiddellijk stil. Het was een moment, dat mij ontroerde en waaraan ik in de daaropvolgende maanden regelmatig zou terugdenken. Ik zou dan ook een vaag schuldgevoel hebben, omdat ik haar twee dagen daarvoor niet meteen had meegenomen.

''We zullen haar best wel gaan missen!'', zei de asielmedewerkster, ''We zijn allemaal dol op haar. En het was heel leuk om te zien, hoe zij steeds meer met de andere katten begon om te gaan. Dat was er een maand geleden nog niet bij.''

We gingen weer terug naar het kantoortje, waar ik nog wat zakjes voer van de asielmedewerkster ontving. Het waren brokjes van Smölke en niervriendelijke brokjes van Purina. Ook kreeg ik wat Purina-blikjes mee.

''Die vindt zij heerlijk!'', zei de asielmedewerkster, ''We hebben haar regelmatig zo'n blikje gegeven als zij weer eens zo luidruchtig om eten stond te miauwen.''

''Dank u wel!''

''Graag gedaan!''

''Luistert zij eigenlijk echt naar de naam Granaatje?''

''Neuh, niet echt!''

''Dus ik mag haar ook Miepie gaan noemen? Zij lijkt namelijk sprekend op een van mijn vorige katten.''

De asielmedewerkster knikte bevestigend. Vanaf dat moment zou Granaatje voor heel even Miepie heten...

Ik nam afscheid van de asielmedewerkster, verliet het asiel en liep naar de halte van lijn 92, net over de grens met Amsterdam. Zes jaar geleden, toen ik Boris uit het asiel had gehaald, had ik met die bus 92 rechtstreeks naar mijn huis kunnen rijden; nu echter zou ik, door een verlegging van de route, in Banne Buiksloot op bus 37 moeten overstappen. Het regende inmiddels flink en het waaide ook nog en ik begon al te vrezen voor de gezondheid van mijn nieuwste aanwinst. Gelukkig voor mij en Granaatje kwam bus 92 al heel snel aanrijden en konden we aan de ietwat ingewikkelde thuisreis beginnen.

Eenmaal in de bus nam ik de kooi op schoot en probeerde ik Granaatje gerust te stellen. Zij was nogal actief en miauwde af en toe en leek niet al te teveel aandacht aan mijn lieve woordjes te besteden. Zij negeerde mij dus, zoals vrouwen de mannen in hun leven regelmatig plegen te negeren, en ik moest daar om glimlachen. Straks zou in mijn huis, na dertien jaar van voornamelijk mannelijke aanwezigheid, dus opnieuw een vrouwtjeskat rondlopen en ik was daar heel blij mee. Het was ook goed om weer een Cyperse kat in huis te hebben. Het overlijden in 2000 van Miepie, Granaatjes, Cyperse voorgangster, had een leegte in mijn leven achtergelaten, die nodig moest worden opgevuld.

Bij de laatste halte op de IJdoornlaan voor het Noordhollandsch Kanaal stapte ik uit en liep ik met een soort snelwandelpas naar de halte van lijn 37 aan de Statenjachtstraat. Helaas moest ik bij die halte lang op de bus wachten. Ik hoorde Granaatje niezen en vervloekte de klootzaak, die de route van lijn 92 had verlegd. Als die lul dat niet had gedaan, was ik nu allang thuis geweest.

Na meer dan tien minuten wachten kwam de bus aanrijden en kon ik instappen. Ik moest vrij snel weer uitstappen, maar bij de halte aan de Floraweg had ik geluk: er kwam een bus 35 aan, uit de richting van de Molenwijk. Ik stapte in en liep meteen door naar de uitgang, want ik moest bij de eerstvolgende halte alweer uitstappen. Na dat uitstappen restte nog een korte wandeling naar mijn huis van circa honderd meter. Ik opende en sloot de voordeur, liep de trap op, controleerde, of alle deuren dicht waren en opende in de huiskamer de kattenkooi.

Er was geen spoortje van angst of paniek bij Granaatje. Zij stapte met een nogal bedachtzame gelaatsuitdrukking de kooi uit en begon aan een toch wel enigszins voorzichtige verkenningstocht door het huis. Ik liet haar maar begaan en begon haar, toen zij zich eenmaal op mijn bed had geïnstalleerd, rustig te kammen en te borstelen. Dat viel in goede aarde bij haar. Zij begon vrolijk te spinnen en aan mijn rechterwijsvinger te likken, waarbij zij een heel maf geluidje maakte, dat toch echt als ''Mjam! Mjam! Mjam! Mjam! Mjam!'' klonk en zij strekte zich daarna ook als een echte diva uit. Het was in dit geval ook een typisch geval van het verenigen van het noodzakelijke met het aangename, want ik vond vrijwel meteen een paar vlooienlarven. De vlooienband van het asiel had dus niet zo best gewerkt. Ik nam mij meteen voor om maandag wat vlooiendruppels te kopen.

In de daaropvolgende uren raakten Granaatje en ik al heel snel aan elkaar gewend. Ik maakte een aantal foto's van haar, terwijl zij op het bed zat, en vertoefde regelmatig in haar nabijheid. Een paar uur na haar aankomst tilde ik haar op om haar op schoot te nemen, maar dat viel dus niet in goede aarde bij haar. Zij gromde even en beet daarna in de muis van mijn rechterhand. Daar schrok ik toch wel een beetje van; het was zeker zevenentwintig jaar geleden, dat ik voor het laatst door een kat was gebeten of gekrabd. Toch ervoer ik ook iets van opluchting. Het was voor de verandering wel eens goed om geen engelachtige kat in huis te hebben. Dat zou het afscheid over een jaar of vier, vijf wel eens een beetje makkelijker kunnen maken.

In de dagen daarna liet Granaatje zich dan toch van haar lieve, aanhankelijke kant zien. Twee dagen na haar aankomst in mijn huis stuurde ik een dankmailtje naar de mannelijke beheerder van het asiel:


Hoi, Wim!


Ik ben dolgelukkig met Granaatje! Zij heeft mijn huis onmiddellijk goedgekeurd en in bezit genomen. Zij is geen moment angstig geweest en de aan- en afvoer verloopt nu ook prima!


Doe iedereen de groeten van mij en bedank ze, als altijd, voor de goede zorgen voor Granaatje en de andere katten.


groetjes,


Bert


PS. Granaatje gaat vanaf gisteren dus wel als Simba door het leven...


Ook die naamsverandering, een ode aan een overleden kat in mijn stam-pizzeria, was geen lang leven beschoren. Na een paar weken zou Granaatje gewoon weer Granaatje heten.

Nog dezelfde middag haalde ik bij 'Dierenkliniek Van der Pek' vlooiendruppels voor Granaatje. Na mijn thuiskomst bracht ik ze onmiddellijk bij haar aan. Daar was zij dus niet zo blij mee. Zij rende verontwaardigd naar de gang en mijn poging om haar daar te kalmeren werd beantwoord met een snauw en een poging om mij te bijten. Die poging mislukte, maar ik had daarna gedurende een paar dagen het gevoel, dat ik nog een afstammeling van Snoepie, de moeder van Miepie, in huis had gehaald. Ook Snoepie was, behalve lief en aanhankelijk, soms een beetje agressief geweest.

Maar twee dagen later, na een nogal emotioneel bezoek aan de asweide van het dierencrematorium, waar ik in de afgelopen drie maanden twee katten had laten cremeren, liet Granaatje zich opnieuw van haar lieve kant zien. Toen zij zag, dat ik mij op mijn logeerbed, een eenpersoonsmatras, had teruggetrokken om even uitgebreid over Ilse te treuren, rende zij naar mij toe en begon zij heel energiek mijn gezicht af te likken. Dat was weer een van die momenten, waarop ik besefte, dat ook katten weten, wanneer hun baasjes moeten worden getroost en dit moment is waarschijnlijk ook wel de meest dierbare herinnering, die ik aan Granaatje heb.

In de daaropvolgende weken nam het leven weer zijn normale loop. Ik maakte mij af en toe wel zorgen over Granaatjes gezondheid. Zij dronk en plaste nogal veel en braakte af en toe. Ook maakte ik mij zorgen over de verdoofde vlooien, die ik dagelijks van mijn bed plukte. Granaatje bleef mij weliswaar af en toe bijten, waarbij ik één keer op een nogal jolige manier terugbeet, maar over het algemeen genoot ik met volle teugen van de aanwezigheid van mijn nieuwe kat, die toch wel heel erg lief en heel erg vrolijk was. Ik deed daar ook wel kond van. Eerst in het blaadje van het asiel:


''Ik ben de geluksvogel, die voor Granaatje mag gaan zorgen! Of eigenlijk is het omgekeerd. Ik heb in de afgelopen drie maanden twee katten moeten laten inslapen – een taak, die een mens maar eens in de zoveel jaar op zich zou moeten nemen – en op Granaatje rustte sinds zaterdag 14 september de zware taak om de leegtes, die haar twee illustere voorgangers hebben achtergelaten, te vullen. Daar is zij nu al glansrijk in geslaagd! Zij is uitermate lief, uitermate zorgzaam en zij ziet er natuurlijk prachtig uit. Ik begrijp niet, waarom zo'n lieve kat voor de tweede maal in het asiel is terechtgekomen en hoe iemand überhaupt afstand van haar heeft kunnen doen. Maar ik ben degenen, die daarvoor verantwoordelijk zijn, toch heel dankbaar. En ik hoop natuurlijk vurig, dat Granaatje nog heel lang voor mij zal kunnen zorgen.''


Ingezonden door lezer van het eerste uur Bert Harberts, 21 september 2013


En op 14 oktober van dat jaar, in een iets andere en ook wat vrolijker toonzetting, in het digitale gastenboek van het asiel:


'''Zij is lief en aanhankelijk, zij wekt mij elke ochtend door op mijn hoofdkussen te gaan zitten, zij wast regelmatig mijn vingers en mijn gezicht en zij rent op tienjarige leeftijd nog heel vaak als een wilde kitten door het huis. Over wie heb ik het? Over Granaatje, natuurlijk! Ik heb haar precies een maand geleden uit het asiel gehaald en ik voel mij heel bevoorrecht, dat ik haar sindsdien mag verzorgen en vertroetelen. En ik hoop vurig, dat ik dat nog heel veel jaren mag blijven doen!!!''


In beide stukjes heb ik al een groot deel van al haar charmes opgesomd. Er waren er dus meer. Een was bijvoorbeeld haar neiging om aan plastic te likken en om regelmatig in de plastic boodschappentassen van Albert Heijn te gaan zitten. Die laatste neiging heb ik een paar gefotografeerd en dat heeft een paar uiterst koddige foto's opgeleverd. Zij zat ook met een zekere regelmaat op schoot. Nooit lang, niet vaak, maar dus toch wel regelmatig en zij was op haar grappigst als ik haar te eten gaf en zij, luidkeels miauwend, met haar voorpootjes tegen het keukenkastje stond. Het meest dierbare aan haar was echter de 'verliefde' blik, waarmee zij mij soms aankeek als ik op de wc zat. Aan die blik kon ik moeiteloos aflezen, dat zij zich in dit o zo rustige huis, met dat o zo rustige baasje volledig op haar gemak voelde.

In de daaropvolgende weken nam zij dat huis inderdaad helemaal in haar bezit. Ik trof haar overal aan: voor de verwarming, op de vrijwel nooit gebruikte rotanstoel in de huiskamer, op de bureaustoel in de slaapkamer, die nog van mijn vorige werkgever, PCM Uitgevers, was geweest, op de vensterbanken, waar zij af en toe opzichtig naar voorbijvliegende vogels loerde en dus ook op de plastic boodschappentassen, die ik regelmatig op de vloer liet slingeren. Ik fotografeerde haar op elke plek, iets, wat zij zich telkens rustig liet welgevallen. Elke foto toonde haar schoonheid en haar extreem hoge aaibaarheidsfactor.

Helemaal rimpelloos verliep haar leventje overigens niet. Zij bleef veel drinken en veel plassen en zij bleef, ondanks het feit, dat ik haar, over de hele dag verspreid, telkens in kleine hoeveelheden te eten gaf, met een zekere regelmaat braken. De vrees, dat zij, net als Boris, een nieraandoening had, bleef mij van tijd tot tijd kwellen. Eén keer, op 19 november om precies te zijn, verspeelde Granaatje zelfs één van haar negen levens, toen zij zich door mij in de koelkast liet opsluiten. Na het schoonmaken van de koelkast miste ik haar ineens. Ik meende wel ergens een gekrabbel te horen en vond haar uiteindelijk, toen ik, met een almaar groeiende onrust, de koelkastdeur opende. Zij stapte de koelkast uit, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was om je in de koelkast te verstoppen en ging meteen over tot de orde van de dag. Dit in tegenstelling tot haar baasje, die gedurende de rest van de dag danig uit zijn doen was...

In de maand november kreeg ik twee keer bezoek: één keer van broer Piet en één keer van vriend Frank uit Nijmegen. Beide keren liet Granaatje zich van haar vrijmoedige en sociale kant zien. Zij vluchtte niet, zoals bijna al mijn vorige katten, naar de zolder, maar bleef in de huiskamer en onderwierp beide keren de beide bezoekers aan een gedegen onderzoek. Ik wist toen nog niet, dat dit gedrag heel opmerkelijk voor haar was en ik wist ook nog niet, wie er voor had had gezorgd, dat zij zich zo sociaal tegenover mijn bezoekers opstelde. Ik was in ieder geval heel blij met dat sociale gedrag. Of zij zich lang zo sociaal zou blijven gedragen, was overigens nog maar de vraag. Door mijn solitaire levensstijl ontving ik vrij weinig bezoek en Granaatje zou dat sociale gedrag waarschijnlijk wel weer afleren als ik een poosje geen bezoek had gehad.

In december ging ik voor een paar uren per dag aan het werk en aan de vooravond van mijn eerste dag als postbezorger in Slotervaart maakte ik twee prachtige foto's van Granaatje. Zittend op een omgekeerde krat van Albert Heijn, waar een rode badhanddoek overheen lag, met op de achtergrond een brandend, enigszins op de zon lijkend schemerlampje, poseerde zij als een echte diva. Een welgevulde diva, wel te verstaan, met een wat grappige, quasi-filosofische gelaatsuitdrukking, die elke doorgewinterde kattenhater onmiddellijk tot een ongeneeslijke kattengek zou hebben omgeturnd.

De feestdagen verliepen rustig en 2013, dat o zo bewogen kattenjaar, werd afgesloten door een kat, die volstrekt niet bang voor het vuurwerk was en tijdens de jaarwisseling ook rustig op mijn schoot zou blijven zitten. Pas na haar dood zou ik via de site van Chris te weten komen, hoe bijzonder dat was geweest.

Na de jaarwisseling verergerden mijn zorgen over haar gezondheid. Zij begon steeds vaker te braken. Ik gaf haar nog steeds in kleine porties te eten, maar als zij een paar uur niet had gegeten, kwam het eten er toch vaak meteen weer uit. Haar eetfixatie, voortvloeiend uit een hongersyndroom, ontstaan in haar straatjaren en niet verholpen in haar Zaanse jaren, zorgde er dan altijd wel voor, dat zij daarna meteen weer om eten bedelde. Dat voedsel bleef er meestal dan wel in.

Mijn gewoonte om haar steeds in kleine porties eten te geven had één nadeel: zij wekte mij meestal toch wel één keer in de nacht, omdat zij honger had. Ik heb één poging gedaan om de slaapkamerdeur voor het slapen gaan voor haar gesloten te houden. Maar dat werkte dus niet: zij begon verwoed te miauwen en aan de deur te krabben en dus gaf ik haar maar dag en nacht toegang tot de slaapkamer, met alle gevolgen vandien. Haar neiging om pontificaal op mijn kussen te gaan liggen of zitten, was ook maar één van haar trucjes om 's nachts aan eten te komen. Soms likte zij aan mijn wang, soms likte zij aan het kussen en soms sprong zij op mijn bureau om de voorwerpen, die altijd naast mijn laptop lagen, op de vloer te gooien. Het waren beproefde methoden om mij wakker te krijgen en ze werkten dus altijd. Ik werd er nooit kwaad om. Als zij op mijn kussen ging liggen of zitten, gaf ik haar een knuffel, als zij één van de lik-trucjes gebruikte, aaide ik haar over haar kop en in alle gevallen gaf ik haar daarna een hoeveelheid voedsel, waarmee zij de rest van de nacht kon doorkomen. Omdat ik liever had, dat zij 's nachts blikvoer at – dat bleef er beter in dan de harde brokjes – moest ik altijd opstaan om dat blikvoer uit de koelkast te halen. Dat had ik dus wel voor haar over. Zij was 'lief en aanhankelijk' en ik hield van haar, meer kan en hoef ik er niet over te zeggen.

Midden februari stapte ik over op light-brokjes, in de hoop het regelmatige braken te stoppen. Het werkte niet. Zij bleef ook af en toe bijten, meestal uit speelsheid. Soms ging het likken aan mijn vinger over in het bijten van die vinger en omgekeerd. Eén keer, toen ik haar op een wat al te jolige manier over haar buik kriebelde, beet zij zelfs door. Zij schrok er zelf nog het meeste van. Zij rende meteen weg en verschool zich onder het bureau in de slaapkamer. Ik was weliswaar een beetje geschrokken, maar ik was in het geheel niet kwaad op haar. Ik liep naar haar toe, knielde bij haar neer en aaide haar rustig over haar kop. Zij was mij daar zichtbaar dankbaar voor. Die kalme houding jegens haar vervulde mij toch wel met trots. Twintig jaar geleden zou ik haar een flinke tik of misschien wel een paar flinke tikken hebben gegeven; nu wist ik, dat ik daar achteraf het meeste last van zou hebben.

Op donderdag 20 februari 2014 kreeg Granaatjes regelmatige braken een wat luguber vervolg. Het begon met een voortdurend, luid gemiauw en het leeglikken van de gebruikte Purina-blikjes, die nog op de gootsteen stonden, en het ging verder met een wat moeizamere tred en trillende pootjes. Met stijgende onrust keek ik toe, hoe zij op de vensterbank sprong en zich daarbij nauwelijks staande kon houden. Ik zag ook, dat zij niet stil kon zitten en voortdurend heen en weer deinde in de vensterbank.

Even leek er wat verbetering in haar toestand te komen, toen zij van de vensterbank en op mijn schoot sprong, maar er was toch iets aan de hand met haar. Zij hing echt over mij heen, alsof zij geen kracht meer in haar lijf had. Een paar minuten later sprong zij van mijn schoot af en zag ik haar achterlijf bij het neerkomen op de vloer naar links vallen. Ik schrok mij wezenloos. Zij stond op en liep moeizaam verder naar de gang, waar ik haar opnieuw zag omvallen. Ik liep naar haar toe en begon haar, terwijl ik langzaam in paniek raakte, te aaien. Zij leek dat zeer te waarderen; zij begon zelfs te spinnen en leek datgene, wat er met haar gebeurde, als iets heel gewoons te beschouwen.

Heel even aarzelde ik nog, maar daarna belde ik naar 'Dierenpraktijk De Meteoor'. Ik vertelde de assistente op een nu wel heel paniekerige toon, wat er aan de hand was. Haar reactie gaf mij niet veel hoop: ik moest Granaatje onmiddellijk naar de praktijk brengen. Ik hing op, haalde de kattenkooi uit de kast in de kattenkamer en stopte Granaatje in de kooi. Het duurde niet lang, voordat we naar de halte van lijn 35 liepen. Ik dacht aan die twee dagen in 2013, toen ik dezelfde weg was gegaan en vervolgens met een lege kattenkooi was teruggekomen en voelde mij miserabel.

Gelukkig kwam bus 35 snel aanrijden. Ik stapte in en ging op de stoel schuin naast de chauffeur zitten. Tijdens de rit naar de Meteorenweg miauwde Granaatje af en toe, maar zij leek niet echt bang te zijn. Na het uitstappen bij de halte op de Meteorenweg liep ik via de bekende route naar de dierenpraktijk. Ik hoefde daar niet lang te wachten; ik werd vrijwel meteen binnengeroepen. Belinda, de dierenarts, die vijf maanden daarvoor Ilse had laten inslapen, zag de humor van de situatie wel in.

''Je hebt niet veel geluk met je katten, hè?'', zei zij glimlachend.

''Nee, zeg dat wel.''

Tijdens het onderzoek, dat met het nodige geblaas en gebijt van het patiëntje ging gepaard, viel de angst snel van mij af. De symptomen van de onbekende ziekte leken ook geheel te zijn verdwijnen. Granaatje liep zonder moeite van de behandeltafel naar het bureau van de dierenarts en vice versa.

''Zij is weer normaal!'', zei ik opgelucht.

''Hm, ik wil haar toch wel een paar uurtjes observeren als dat kan!'', zei Belinda, ''Ik denk, dat er niet veel aan de hand is met haar, en dat je haar vanavond wel weer mee naar huis kunt nemen, maar ik wil daar toch wel zeker van zijn.''

''Dat is goed! Ik ga nu naar mijn werk en als ik daarmee klaar ben, kom ik haar ophalen.''

''Dat is goed. En bel mij straks maar even, om een uur of een, of zo. Dan kan ik je misschien wel meer vertellen en dan kun je ook een tijd afspreken, waarop je haar kunt komen afhalen.''

Ik nam met de nodige wroeging afscheid van Granaatje, die zich, een tikje verongelijkt, in de verste hoek van haar kattenkooi had teruggetrokken en vertrok naar mijn werk in Slotervaart.

Dat werken verliep best wel vlot; ik voelde mij redelijk zeker van het komende herstel van mijn kat. Ik belde een keer tevergeefs naar de praktijk, maar bij de tweede keer kreeg ik Belinda aan de lijn. Zij had helaas geen goed nieuws.

''Ik ben niet meer zo optimistisch als vanochtend'', zei zij, ''Zij heeft net gebraakt en daar schrok ik toch wel van. Het zou kunnen, dat zij een neurologisch probleem heeft, dat zij een hersentumor heeft, of een TIA, of een beroerte heeft gehad en in het eerste geval zouden we dan misschien toch aan inslapen moeten gaan denken.''

''Ach, jee!'', mompelde ik geschokt.

Ik sprak met haar af, dat ik straks naar de praktijk zou komen om verder te praten. Ik maakte mijn wijk af en fietste daarna naar Station Amsterdam-Zuid, waar ik op de sneltram naar het Centraal Station stapte. Tijdens de rit naar het Centraal Station, door het sombere, grijze Amsterdam, had ik mij eigenlijk al een beetje verzoend met het verlies van mijn derde kat binnen één jaar. Ik had er vrede mee, ook al besefte ik, dat ik na dit derde kattensterfgeval binnen één jaar waarschijnlijk nooit meer een kat zou durven nemen. Zo was het steeds gegaan bij de vorige kattensterfgevallen. Telkens als ik de beslissing moest nemen om een kat in te laten slapen, was ik heel nuchter. De knal kwam meestal pas na een paar dagen en ik had niet de illusie, dat het ditmaal anders zou zijn.

Eenmaal op het Centraal Station stapte ik snel over op bus 35, in het besef, dat ik over een half uur opnieuw een kat zou moeten laten inslapen. De rit was niet al te plezierig, maar duurde ook niet al te lang. Ik liep naar de dierenpraktijk, opende de deur en meldde mij bij de wat oudere assistente.

''Ik kom voor Granaatje'', zei ik.

''U bent meneer Harberts?''

''Jawel!''

''Mooi! Ik moest van de dokter zeggen, dat zij stabiel is.''

''O, wat geweldig!'', riep ik, met een zucht van verlichting.

''Maar de dokter heeft ook gezegd, dat zij Granaatje nog een dagje hier wil houden en dat zij morgenochtend nog een bloedonderzoek wil doen.''

''O, dat is prima, hoor! Maar wat goed, dat zij stabiel is! Ik had haar eigenlijk al opgegeven.''

''Het kan nog wel alle kanten opgaan, hoor!''

''O.''

''De dokter zal u morgenochtend in ieder geval opbellen en dan zal zij wel verder met u afspreken, hoe het verder zal gaan.''

Ik nam afscheid en liep met een enigszins verlicht gemoed naar huis. Onderweg stuurde ik een vrolijk sms'je naar Peter de Ruijter, een vriend van mij, die ik eerder die dag al op de hoogte van de Granaatje-crisis had gebracht:

''Zij is stabiel!!!''

''Dat is Schumacher ook!'', luidde het tekstje van zijn antwoord, waarmee hij doelde op de ex-coureur, die na zijn ski-ongeluk in de Franse Alpen al bijna twee maanden in coma lag.

En zo was het natuurlijk ook. Ik zou dus nog iets meer dan een dag in de zenuwen blijven zitten over de gezondheid van Granaatje.

Na mijn thuiskomst viel de confrontatie met het lege huis mij heel zwaar en 's avonds, na het naar bed gaan, miste ik het knarsen van de kledingkastdeur in de slaapkamer. Achter die altijd openstaande deur had ik een paar weken geleden twee oude, wollen truien neergelegd, die Granaatje onmiddellijk als een soort mandje in gebruik had genomen. Sindsdien hoorde ik de deur elke avond wel even knarsen als zij zich, na de laatste maaltijd van de dag, op het 'mandje' installeerde. Nu bleef dat gezellige geknars achterwege en had ik de slaapkamer voor mij alleen. Dat deed mijn nachtrust bepaald geen goed...

De volgende dag, wachtend op het telefoontje van de dierenarts, was ik er zeer slecht aan toe. Ik probeerde mijn emoties van mij af te schrijven en schreef een stukkie over Granaatje, dat, zoals te verwachten was, nogal pregnant van toon was:


''Dag, malle Granaatje!


Gisteren heb ik je naar de dierenarts gebracht en vandaag krijg ik te horen, of je nog een poosje bij mij mag blijven, of dat ik je vandaag moet laten inslapen. Ik weet niet, wat het gaat worden, maar ik weet nu al wel, dat je echt de allerleukste kat bent, die ik ooit heb gehad. De verliefde blik, waarmee je af en toe naar mij keek, het likken aan mijn vingers en mijn gezicht, dat malle geren door het huis, het zitten op mijn schoot, de ondeugende streken, waarmee je mij zo vaak wakker maakte als je honger had, het staan tegen de aanrechtkastjes en dat grappige gemiauw als ik je Purina-blikje openmaakte en tenslotte dat instemmende gebrom als we daarna samen naar je eetschoteltje liepen. Het zijn, stuk voor stuk, prachtige herinneringen, die mij in deze moeilijke uren toch een beetje opvrolijken!


Dag, malle Granaatje!

Dag, mal etterbakkie!

Je bent, net als Miepie, Tum Tum, Boris, Ilse, Simba en Gompy een wereldkat en ik zal je echt nooit vergeten.''


De andere namen waren van mijn eigen katten of van de katten van mijn stam-pizzeria, voor wie ik ooit een soort in memoriam had geschreven. Het enige verschil met de andere kattenstukjes was de tegenwoordige tijd, waarin het was geschreven. Ik had de andere stukjes altijd na de dood van de katten geschreven; ditmaal was het dus anders en ik hoopte vurig, dat ik daarmee een goede afloop zou gaan afdwingen.

Het telefoontje bleef lang uit. Ik bracht bijna de hele ochtend op bed door. Ik voelde mij uitermate gestrest en werd gek van het lege huis. Om half twee belde ik zelf op naar de praktijk. Ik kreeg ditmaal Marjon, de andere dierenarts, aan de lijn, dezelfde dierenarts, die vorig jaar Boris had laten inslapen.

''U spreekt met Bert Harberts'', zei ik, ''Ik bel voor Granaatje!''

''O, hallo! Ik probeer u al de hele morgen te bellen!''

''Hee, wat raar! Ik ben al de hele ochtend thuis en zit al de hele ochtend op uw telefoontje te wachten.''

''O, nou, dat geeft niet! Het gaat dus redelijk goed met Granaatje en u kunt haar voor het weekend meenemen.''

''O, wat geweldig!''

''U krijgt ook een heleboel medicijnen mee, want zij heeft nu ook diarree en ik wil dus ook graag, dat u haar maandag terugbrengt. Ik wil dan een bloedonderzoek bij haar doen en daarvoor zal zij waarschijnlijk ook wel een roesje nodig hebben. Zij heeft, geloof ik, nogal een hekel aan dierenartsen.''

''Ik snap het! Het lijkt mij ook het beste, dat zij een bloedonderzoek ondergaat! Wanneer kan ik haar komen ophalen?''

''Wanneer u dat wilt!''

''Prima, dan kom ik over een uurtje naar u toe. Voor ik haar ophaal, wil ik eerst nog wat boodschappen doen. Dan kan ik de rest van de dag bij haar blijven.''

''Dat is een goed idee.''

We hingen op en ik spoedde mij meteen naar Albert Heijn, waar ik de broodnodige boodschappen deed. Ik nam ook nog wat Purina-blikjes mee. Granaatje zou vast wel weer honger hebben. Dat had zij inderdaad, maar die blikjes zouden nog bijna vijf maanden in het keukenkastje blijven liggen; voor Granaatje lag namelijk een lange periode van dieetvoer in het verschiet.

De eerste blikken herstelvoer van A/D en een zak harde 'Sensitivity Control'-brokjes kreeg ik een half uur later van Selina, de jongere assistente in de praktijk, aangereikt, tezamen met twee soorten medicijnen tegen de diarree, die volgens Selina nogal hevig was, en een doosje met Prednison-tabletten, de bekende ontstekingsremmer. Daarna ging zij het patiëntje ophalen. Het duurde niet lang, voordat zij met de kattenkooi terugkwam.

''Hier komt een hele boze poes!'', zei zij lachend.

Zij zette de kooi op de balie en ik zag, hoe Granaatje naar het deurtje liep. Dolblij stak ik mijn vinger voor haar kop en zij begon meteen aan die vinger te likken.

''Dag, lief meissebeessie!'', mompelde ik binnensmonds, daarbij een koosnaam gebruikend, waarnaar zij vaker luisterde dan naar Granaatje.

Terwijl ik de laatste instructies kreeg voor het toedienen van de medicijnen, trok Granaatje de aandacht van een jong meisje van een jaar of acht.

''O, wat een leuke kat!'', riep zij uit.

''Kom maar niet te dichtbij!'', zei Selina, ''Zij bijt af en toe.''

Ik betaalde gniffelend de rekening, die overigens niet mals was, en verliet de praktijk. Het was voor het eerst, sinds ik hier klant was geworden, dat ik de praktijk met een gevulde kattenkooi verliet. Mijn tred was dan ook licht en mijn gemoedsstemming was vrolijk. Eenmaal bij de bushalte op de Meteorenweg zette ik mij neer op het bankje en keek ik tussen de spijlen van het deurtje naar mijn kat. Granaatje lag op haar buik, miauwde niet en keek kalm voor zich uit. Dat verbaasde mij zeer, want tijdens haar verblijf in de praktijk had ik mijn eigen (over)gevoeligheid weer eens op haar geprojecteerd. Ik was bang geweest, dat zij zou denken, dat ik haar had achtergelaten en nooit meer terug zou komen, maar nu kreeg ik het gevoel, dat zij mijn terugkeer in haar leven als de gewoonste zaak van de wereld beschouwde. Daar was ik dus heel blij mee. Ik aaide haar dus maar weer eens over haar kop; een liefkozing, die zij daarna op een gepaste en voor de hand liggende manier beloonde: met een tweede likje aan mijn vinger. Helemaal senang voelde ik nou ook weer niet. Ik was bang voor dat bloedonderzoek, bang voor de resultaten, die dat zou kunnen opleveren en ook bang voor het roesje, dat daarvoor nodig was. Als zij echt een TIA of een kleine beroerte had gehad, dan zou zij dat roesje misschien wel niet overleven.

Een kwartiertje later kon ik de kooi in mijn huiskamer neerzetten en het deurtje openen: zij kwam kalm naar buiten en liep rechtstreeks door naar haar waterbakje. Zij bleef de rest van de dag veel drinken en ook veel plassen. Zij at weliswaar goed, maar zij was ook heel loom en de diarree bleef die dag aanhouden.

De volgende dag moest ik werken en voor ik wegging, nam ik met veel aarzeling afscheid van Granaatje. Ik had haar van alle medicijnen voorzien en het eerste blik A/D-voer was al op, maar zij had nog steeds diarree en ik was bang voor een herhaling van de toeval van dinsdag, maar dan in mijn afwezigheid. De gedachte, dat ik haar bij mijn thuiskomst misschien wel dood zou aantreffen, deed mij rillen.

Toch ging ik weg en aan de slag en gelukkig bleken al mijn angsten op niets te berusten en trof ik bij mijn thuiskomst tot mijn grote opluchting een levende en ook hele hongerige kat aan. Zij bleek inmiddels ook een stuk actiever te zijn. Het lopen ging prima en zij sprong nu heel gemakkelijk op mijn schoot en ook op de keukentafel. De diarree was helaas nog niet gestopt en daarom gaf ik haar gedurende de rest van de dag vooral harde brokjes en gebruikte ik het blikvoer alleen maar om de medicijnen toe te dienen.

De volgende dag, zondag, bleek dat te hebben geholpen: 's ochtends vroeg vond ik een paar hele mooie keuteltjes in de kattenbak. Het toedienen van de medicijnen verliep door haar eetfixatie ook zonder problemen. Zij schrokte het voer met de fijngemaakte medicijnen met veel bravoure naar binnen. De rest van de dag besteedde ik verder alleen maar aan haar. Ik maakte met mijn mobieltje een paar foto's van haar in de slaapkamer, ik maakte met mijn fototoestel een kostelijk filmpje van het eten geven en ik zat voortdurend met haar op schoot naar de televisie te kijken. Een tafereel, waar ik met mijn mobieltje uiteindelijk ook maar een paar deerlijk mislukte Granaatje-selfies van maakte.

In de namiddag werden de spanningen van de laatste dagen mij opeens een beetje teveel: ik voelde mij kotsmisselijk worden. Ik ging meteen naar bed, maar moest toch een aantal keren overgeven. De lichamelijke malheur werd nog vergezeld door een stevige dosis, geestelijke malheur. Na een vrolijke Granaatje-dag zoals vandaag kwam het leven zonder haar mij ineens leeg en zinloos voor en ik zag dus als een berg tegen de volgende dag op.

Tegen negenen herstelde ik weer wat in lichamelijke zin en kon ik nog een poosje met Granaatje op schoot naar de televisie kijken. Maar het Zwaard van Damocles hing nog steeds boven mijn hoofd. Morgen zou ik haar weer naar de dierenarts moeten brengen, morgen zou ik waarschijnlijk te horen krijgen, of en zo ja, welke ziekte de toeval van donderdag jl. had veroorzaakt.

Voor ik naar bed ging, zette ik nog even mijn laptop aan. Ik verzond wat berichtjes aan mijn, met mij meelevende nichtjes Daniëlle en Jessica en nam vervolgens het koene besluit om een van de 'Diva'-foto's van 10 december jl. op de site van 'Dierenpraktijk De Meteoor' te zetten. Dat deed ik dus maar. Na enig nadenken wist ik ook nog een geestig en veelzeggend onderschrift te verzinnen: ''Granaatje, een lastpost voor dierenartsen, het zonnetje in huis voor mij...''

De volgende ochtend zette ik al heel vroeg de kattenkooi op de wasautomaat. Ik deed dat om Granaatje alvast een teken te geven, dat ik haar weer naar de dierenarts zou moeten brengen. Het teken bleef ook niet onopgemerkt. Zij zag de kattenkooi op de wasautomaat staan, sprong er zonder enige moeite in en onderwierp het daarin liggende kussentje aan een onderzoek. Daar was ik heel blij mee; de komende gang naar de dierenarts verloor daardoor iets van zijn spanning.

Even later liet zij zich ook heel rustig in de kooi stoppen en ging ik met de kattenkooi weer op weg. De bushalte, waar ik naartoe liep, riep weer de herinneringen aan de laatste dagen van Boris en Ilse in mij op, maar de losse houding van mijn huidige kat, die af en toe energiek in de kooi heen en weer scharrelde, vlakte de scherpe kantjes van die herinneringen een beetje af.

Gedurende de busrit bleef zij welgemoed zwijgen en ook tijdens de wandeling naar de praktijk gaf zij geen kik. Ik ging de praktijk binnen, zette de kooi op de balie neer, en wachtte tot de telefonerende Selina tijd voor mij had. Tijdens het wachten likte Granaatje weer even aan mijn vinger en blies zij daarna even naar Selina. Ik sprak met Selina af, dat ik Granaatje vanmiddag na het bloedonderzoek weer zou ophalen en vertrok, nadat Selina Granaatje had weggebracht, naar mijn broer Willem in Bosch en Duin.

Eenmaal in de trein naar Utrecht liep de spanning snel in mij op. Ik vroeg mij af, of Granaatje nog wel zou leven als ik straks in Amsterdam zou zijn teruggekeerd. Bij het passeren van de Arena hoorde ik het ouderwetse belgerinkel van mijn mobieltje. Het bleek de dierenpraktijk te zijn. Selina vertelde mij, dat Marjon Granaatje nog een dagje wilde observeren en pas morgen het bloedonderzoek wilde uitvoeren. Ik had daar ietwat gemengde gevoelens over, maar was uiteindelijk wel blij, dat het bezoek aan Willem daardoor redelijk relaxed zou kunnen verlopen.

De volgende ochtend begon het wachten op het telefoontje van de praktijk. Ik ging er vanuit, dat het bloedonderzoek in de ochtend zou plaatsvinden en ik kreeg gelijk. Ik werd even over tienen gebeld door de wat oudere assistente, die ik afgelopen donderdag ook al had gesproken:

''Goedemorgen, meneer Harberts, ik zou u nog bellen over het bloedonderzoek van Granaatje.''

''Ja, dat klopt! Hoe is het gegaan?''

''Prima! Het onderzoek heeft geen ernstige ziekte aangetoond. Geen suikerziekte, haar nieren zijn prima! Alles functioneert naar behoren.''

''O, wat fantastisch!''

''Er is nog één dingetje, dat door het Academisch Dierenziekenhuis in Utrecht moet worden onderzocht. En dat betreft haar schildklier, maar daar krijgt u later in de week bericht over.''

''Dus ik kan haar nu ophalen?''

''Ja, hoor! Zij zit al naar mij te kijken met een blik van 'Wanneer mag ik hier weg?'''

''O, wat gaaf! Ik ben er over een halfuurtje!''

''Prima, meneer Harberts!''

Ik hield woord: een half uur later was ik inderdaad in de praktijk en moest ik in de spreekkamer behulpzaam zijn bij de verhuizing van Granaatje van de kooi van de praktijk naar mijn eigen kooi. Om te beginnen gaf ik haar maar een tikje tegen haar nog steeds omvangrijke kont. Dat ene tikje had natuurlijk meteen een voorspelbaar resultaat: zij verliet de kooi van de praktijk en liep een beetje schuchter mijn kooi binnen. Ik rekende af, nam afscheid van de assistente en liep met kooi en al naar de bushalte aan de Meteorenweg. Ditmaal leek Granaatje wel een beetje uit haar doen te zijn. Zij miauwde af en toe, zoals bij de bakker op het Zonneplein, waar ik even wat brood kocht, en ook tijdens het wachten op de bushalte. Ik schreef het maar toe aan het roesje en dat bleek inderdaad het geval te zijn, want na mijn thuiskomst was zij al snel weer helemaal de oude.

Ik kon ook met onmiddellijke ingang stoppen met de diarreemedicijnen en zou haar alleen nog een paar weken Prednison moeten blijven geven. Ik moest dat echter wel afbouwen en dat was het enige, waar ik nog wat spanning over voelde. Maar voor de rest kon ik mij koesteren in de wetenschap, dat ik een gezonde kat had en dat de toeval, die zij had gehad, waarschijnlijk door een kaliumtekort was veroorzaakt. Enig speurwerk op internet had mij namelijk geleerd, dat de symptomen, die zij donderdag had vertoond, geheel overeenkwamen met de symptomen van een kat met een kaliumtekort.

In de dagen daarna ging het inderdaad steeds beter met haar. Haar ontlasting bleef na het bloedonderzoek weliswaar een paar dagen uit, maar dat hoorde erbij. Het roesje had volgens Marjon een remmende werking op haar maag-darmkanaal gehad en inderdaad: op donderdag vond ik een prachtige drol in de kattenbak. Het onderzoek van haar schildklier had ook niets ernstigs aan het licht gebracht, al wist Selina mij tijdens een telefoongesprek op vrijdag toch nog wel een beetje op de kast te krijgen, door te zeggen, dat Granaatje mogelijk toch iets in haar hersenen had, of had gehad. Zij deed daar verder vrij luchtig over; ze zouden dat pas gaan onderzoeken als Granaatje weer zo'n toeval als vorige week donderdag zou krijgen. Daar had ik wel vrede mee. Volgens mij was er dus helemaal niets mis met haar hersenen en was de toeval veroorzaakt door dat constante braken, maar ik had geen zin om dat ter sprake te brengen. Ik was ook veel te blij, dat zij helemaal was hersteld en ik zou er alles aan gaan doen om een volgende toeval te voorkomen.

Een paar dagen later kreeg ik een enorme, psychische terugslag te verwerken. Die terugslag manifesteerde zich, toen ik na een moeizaam verlopend bezoek aan een vermoeide Willem via station Driebergen/Zeist naar huis terugreisde. De toestand van Willem, die na twee beroertes invalide was geworden, de dreigende, tweede Krim-oorlog, de herinneringen aan de ziekte van Granaatje, het waren allemaal al redenen om flink te tobben en dat deed ik dus ook.

De crisis bereikte haar hoogtepunt na een ontmoeting op het station Driebergen/Zeist met een gehandicapt kind van een jaar of vijf, dat in een speciaal soort rolstoel zat en dat samen zijn ouders en zijn oudere broertje naar Breukelen reisde. Het knappe, bebrilde jongetje, dat er uitzag als een peuter, maar praatte als een baby, moest huilen, toen er een Intercity langs hem voorbij raasde en daarna brak er iets in mij. Ik had door de angst van het jongetje ineens zo'n intens medelijden met hem en daarna ook weer met Willem en Granaatje, dat ik in een diepe depressie wegzonk. Ik wenste het kind, Willem en Granaatje een lang en gelukkig leven toe, maar zelf wilde ik eigenlijk niet meer verder leven.

De depressie ebde langzaam weg, toen ik na een moeilijke rit naar Utrecht CS op de trein naar Amsterdam stapte. Eenmaal thuis zette ik mij voor mijn laptop en was ik na een poosje weer redelijk vrolijk. De nabije aanwezigheid van Granaatje, die, schuin achter mij, in haar truienmandje zat, zal daar wel debet aan geweest zijn. Een teveel aan deernis is misschien niet goed voor een mens, maar ik zond uiteindelijk toch maar een bede hemelwaarts: ''O, God, bescherm dat kind, Willem en Granaatje! Ze zullen Uw bescherming misschien wel heel erg hard nodig hebben!''

Een dag later rende Granaatje weer als een idioot door het huis en was alles weer normaal. Een week later liet ik mij door Selina overreden om haar op een nierdieet te zetten. Ik had daar, gelet op Granaatjes kieskeurigheid, niet veel fiducie in, maar zij at er met smaak van. In de weken daarna werd zij steeds tieriger. Het stoppen met de Prednison verliep ook zonder problemen en ik genoot in de weken daarna met volle teugen van mijn gezonde kat. Een mooie illustratie daarvan vormen een paar fragmenten uit mijn dagboek:


''12 maart 2014: Granaatje ligt nu achter mij op het bed te slapen, in een reepje zonlicht. God, wat ben ik stapelgek op dat beest...''


''22 maart 2014: Granaatje zit nu naast mij op de bureaustoel; zij is van de Prednison af en zij is bij tijd en wijle weer heel tierig. Dank u, God! Ik ben U echt heel erg dankbaar!!!''


''23 maart 2014: Heb na de kerkdienst en het vacature-zoeken weer lang aan mijn nieuwe verhalen gewerkt en vooral aan 'De broer'. Ik heb het verhaal over de stervende hond van At uit het zo deerlijk mislukte 'Oklahoma Blues' gehaald en nu in 'De broer' verwerkt. Al die tijd heeft Granaatje naast mij op de bureaustoel gezeten. Bij het schrijven van alle nieuwe verhalen in de afgelopen weken heeft zij om mij heen gescharreld of op de truien voor de kast gelegen, of, zoals nu, naast mij op de bureaustoel gezeten. Ze zullen alle drie (of hopelijk alle dertig) een fantastisch aandenken aan haar zijn!''


Een keer schrok ik weer hevig, toen zij nogal wat herrie veroorzaakte en daarna als een gek door het huis rende. Ik hield haar staande en onderwierp haar aan een kort onderzoek. Het bleek een drolletje te zijn, dat aan haar achterste was blijven hangen. Ik verwijderde het drolletje met een stukje wc-papier en daarna was de opluchting bijna van haar snoet te scheppen. Ik heb nog nooit een kat zo blij zien kijken als Granaatje op die dag.

In de maand april begon zij toch een beetje te veranderen. Zij werd rustiger en rende niet meer zo vaak door het huis. Dat werd vermoedelijk door het dieetvoer veroorzaakt; na een nogal ernstige ziekte in 2010 was zij door Chris ook op dieetvoer gezet en zij was daarna ook een stuk rustiger geworden. Ik heb in april een paar prachtige foto's van die kalme, lievere Granaatje gemaakt. Een paar foto's van haar op haar 'mandje' voor de klerenkast, en een paar in de rommelkamer, waar zij zich vaak in de zon koesterde en daarbij soms ook op de weegschaal ging zitten of liggen. Die foto's zijn mij heel dierbaar en vormen een onmisbaar onderdeel van de omvangrijke fotoverzameling, die ik van haar heb.

Zij zat nog wel af en toe op schoot. In een mailtje aan Peter de Ruijter doe ik daar melding van:


''Ik typ dit mailtje met een kat op schoot, die tijdens het typen mijn onderarm aflebbert. Zij is lief en aanhankelijk, volgens het asiel, en dat is zij!''


In de maand mei veranderde zij meer en meer in een vrouwelijke versie van Boris. Zij liet zich nog maar zelden in de huiskamer zien en verbleef meestal in de slaapkamer of de rommelkamer. Zij zat, net als Boris, ook nooit meer op schoot. Eigenlijk was zij van een altijd hongerige, ADHD-kat in een hele rustige kat veranderd, die nooit meer kwaad werd en mij nooit meer beet en voor wie het eten helemaal niet meer zo belangrijk leek te zijn. Een belangrijk bewijs, dat zij echt was veranderd, werd op de dag geleverd, waarop ik voor het eerst weer vlooiendruppels bij haar aanbracht. Zij accepteerde het, zonder boos te worden, of te bijten. Zij was er hoogstens een beetje door uit haar doen.

Het meest in het oog springende teken van de nieuwe Granaatje was echter toch haar veranderde eetgedrag. Zij bedelde dus vrijwel nooit meer om eten. Ik vroeg mij af, of ik haar hongersyndroom echt had genezen, of dat zij het nierdieetvoer uiteindelijk toch niet zo lekker vond. Dat laatste leek ook wel meer voor de hand te liggen. Zij liet sommige brokjes en sommige blikjes blikvoer steeds vaker staan. Uiteindelijk at zij alleen nog maar de harde brokjes van Trovet. Die eetstaking-in-etappes maakte mij een beetje onrustig. Ik vond het namelijk een heel veilig idee, dat zij op een nierdieet zat. De hoop, dat zij daardoor nog een aantal jaren zou blijven leven en misschien, net als Miepie, zelfs de twintig zou kunnen halen, had mij in de afgelopen weken en maanden tamelijk vrolijk gemaakt.

Ik had op 11 mei in een mail aan de dierenarts al melding van die gedragsverandering gemaakt en ik kreeg daar pas op 25 mei een telefonische reactie op. Selina vertelde mij, dat zij toch maar mijn mail aan Marjon had laten lezen en dat het volgens Marjon toch wel noodzakelijk was, dat zij Granaatje een dezer dagen weer kon onderzoeken. Ik weigerde, op een hakkelende toon, maar met een verbetenheid, die mij zelf verbaasde. Ik wilde Granaatje niet aan een onderzoek blootstellen, zolang er nog niet echt iets ernstigs met haar aan de hand was. Zij braakte weliswaar met een zekere regelmaat en zij was inderdaad nogal veranderd in de laatste twee maanden, maar zij was dus niet echt ziek. Als er echt iets met haar hersenen aan de hand was, dan zou de toekomst dat wel uitwijzen en er was dus geen enkele reden om Granaatje nu al aan een aantal hele vervelende onderzoeken te onderwerpen. Selina accepteerde het, met een zekere aarzeling, en ik hervond na een kort telefoongesprek met steun-en toeverlaat Peter de Ruijter weer iets van mijn gemoedsrust terug.

Een paar weken later brokkelde die gemoedsrust toch weer verder af, want in de eerste week van juni stopte Granaatje met het eten van het nierdieetvoer. Dat onwrikbare besluit van mijn eigenwijze en zeer kieskeurige kat luidde een maand in van een lange serie van voedingsexperimenten. Ik vroeg aan iedereen raad en advies, waardoor ik haar achtereenvolgens 'Sensitivity Control'-brokjes, normaal blikvoer, I/D-blikvoer, I/D-brokjes en 'Hypoallergenic'-brokjes voorzette. Niets werkte, zoals ik wilde. Het I/D-blikvoer at zij gedurende een paar weken, maar daarna dus niet meer, de 'Sensitivity-Control-brokjes en het normale blikvoer vielen wel goed bij haar, maar verergerden het braken en ook het eten van het normale blikvoer, de I/D-brokjes en de 'Hypoallergenic'-brokjes deden haar met een zekere regelmaat braken.

De terugkeer van de eetproblemen deprimeerde mij nogal en beetje bij beetje en vrijwel onbewust gleed ik toch weer in een 'Kattenafscheid'-modus. Ik wist niet, hoe lang zij nog zou leven, maar ik wist nu zeker, dat ik haar gedurende de rest van haar leven zo weinig mogelijk alleen wilde laten. Ik zou, zolang als zij leefde, dus niet meer op vakantie gaan, geen treinuitstapjes meer maken, niet meer in mijn eentje in restaurants gaan eten en niet meer in eentje op terrasjes gaan zitten.

Als ik thuiskwam en haar achter de deur van het trappenhuis aantrof, tilde ik haar altijd meteen op, voor een kalme knuffel en een kalme, maar welgemeende kus op haar kop. Zij waardeerde dat zeer en liet dat ook altijd weer blijken door de vingers van mijn rechterhand af te likken. Ik knuffelde haar trouwens toch steeds meer - iets, wat haar altijd een beetje leek te verbazen - en ging ook steeds vaker voor een paar minuten bij haar liggen. Als ik het huis verliet om te werken, of om naar Willem te gaan, duurde het, net als in de laatste weken van Boris, vele minuten, voordat ik werkelijk wegging. Ik kon simpelweg bijna geen afscheid van haar nemen, ook als ik maar voor een paar uren weg zou blijven. Kortom: ik behandelde haar, alsof elke dag haar laatste dag kon zijn en ik was daardoor, aan een langdurig, prematuur afscheid begonnen, voor het geval zij toch nog binnen afzienbare tijd zou doodgaan.

Het was in die weken, dat ik weer eens een openbare liefdesverklaring jegens Granaatje afstak. Ditmaal in een Facebook-berichtje aan de 'Stichting Amsterdamse Zwerfkatten':


''Hoi!

Ik las net in een oude mail van Wim Damstra, van het asiel in Oostzaan, dat jullie het zijn geweest, die in 2006 mijn kat Granaatje in de Granaatstraat hebben gevangen. Daar ben ik jullie heel dankbaar voor! Het is een schat van een beest en ik ben dol op haar! Ik ben overigens haar tweede baasje. Granaatje heeft vorig jaar nog een maandje in het asiel gezeten, omdat haar eerste baasje afstand van haar moest doen. Maar aan het einde van die maand heb ik haar dus in huis genomen en hier zal zij dus tot haar dood blijven. Het is een heel apart beest. Een van mijn vorige katten was ook een straatkat (die was ook al in 2006 gevangen en misschien ook wel door jullie) en die ben ik ook nog lang niet vergeten. Straatkatten lijken meer in je ziel te gaan zitten dan andere katten, lijkt het wel. Dat harde verleden blijft altijd een woordje meespelen.

Kortom: jullie doen dus heel goed werk!!!

dag!

Bert Harberts''

Het antwoord kwam snel en was kort en bondig:

''Graag gedaan en nog heel veel plezier met haar!''


In het begin van juli leek het braken te verergeren. Ik werd nooit boos, of was nooit geïrriteerd als het gebeurde: ik zag het aan, ruimde de rotzooi op en gaf haar daarna telkens weer een langdurige en stevige troostknuffel, die haar altijd weer zichtbaar goed deed. Ook in die dagen leek het braken haar niet veel te doen; zij ontlastte zich van het voedsel, dat haar spijsverteringsorganen niet beviel en bedelde vervolgens meteen om nieuw voedsel, dat vrijwel altijd dus wel goed viel. Zij braakte nog steeds alleen maar als zij een poosje niet had gegeten en daardoor kon ik dat braken aan die nogal kwetsbare maag van haar blijven toeschrijven.

Mijn tolerantiegrens bleef even hoog, waar het haar nachtelijke eetescapades betrof. Als zij mij wakker maakte, kreeg zij nog steeds een knuffel of een aai over haar kop en kreeg zij vervolgens haar eten. Soms kon ik haar voor het eten geven even op het bed trekken en dan lag zij heel even naast mijn hoofdkussen, maar dat hield zij dus nooit lang vol. Hetzelfde gebeurde als ik haar op schoot nam. Zij bleef altijd wel even zitten, met haar kop leunend tegen mijn borst, maar uiteindelijk sprong zij dus toch van mijn schoot af, op zoek naar een van haar favoriete plekjes.

Zij begon zich steeds meer op die paar favoriete plekjes terug te trekken. Zij kwam nu ook nooit meer in de rommelkamer, de kamer, waarin zij de laatste weken het meest had gebraakt. Soms zat zij in haar 'truienmandje' voor de klerenkast, soms zat zij onder het bureau, soms lag, of zat zij op het bed, soms lag zij op de gang naast de ingang naar de keuken en de laatste tijd lag zij soms ook in de meterkast op de gang. Ik had een wat onplezierig gevoel bij dat laatste plekje, maar legde uiteindelijk toch een trui op de vloer in die meterkast neer.

De reden daarvan was mijn vermoeden, dat zij nu ook aan artrose leed en dat zij dus een beetje moest worden ontzien. Zij trok soms met haar linkervoorpootje. Het leek haar geen pijn te doen, want toen ik een paar keer aan het gewrichtje voelde, begon zij meteen met veel enthousiasme aan mijn vinger te likken. Een ander teken, dat op een mogelijk verslechterende gezondheidstoestand wees, waren haar mager wordende kop en lijf. Haar gewicht leek overigens te fluctueren. De ene week woog zij de normale vier kilo, een week later kon zij daar een halve kilo onder zitten.

In de tweede week van juli werd het langzaam warmer. Soms zag ik haar op de snikhete veranda aan de achterkant van het huis liggen, soms zat zij samen met mij op het kleine balkonnetje aan de voorkant van het huis. Zowel het een als het ander had zij bij Chris nooit gedurfd. Haar verminderde stressgevoeligheid uitte zich ook op een andere manier. Zij was, in tegenstelling tot al mijn vorige katten, niet bang voor het geluid van de stofzuiger. Ik moest, vanwege het gevaar van een vlooienplaag, nu elke dag stofzuigen en dat deed haar helemaal niets. Ik was daar heel verbaasd over en was ook heel trots op haar: het was echt een 'heel apart' beest.

In dezelfde week nam ik een gedurfd besluit: ik zou haar vanaf nu alleen nog maar blikvoer geven. Ik deed dat op een moment, dat zij weer wat magerder leek te zijn dan een paar dagen daarvoor en vlak na een nachtelijk braken, dat door een paar harde dieetbrokjes was veroorzaakt. Ik begon met de twee blikken A/D-voer, die ik nog had staan en twee dagen later begon ik haar de oude Purina-blikjes te voeren. Het werkte! Het braken stopte en naarmate de braakloze dagen zich aaneenregen, begon ik mij steeds gelukkiger te voelen.

Een paar dagen voordat de hittegolf zijn hoogtepunt bereikte, liet ik haar dat ook merken. Ik zag haar op het bed voor de openstaande slaapkamerdeur liggen en voegde mij bij haar. Voor zeker een halfuur bleef ik bij haar liggen, soms gewoon zittend, soms half-liggend met mijn hoofd op mijn kussen. Ik aaide haar niet al te vaak, omdat ik bang was, dat zij dan weg zou lopen en genoot mede daardoor gedurende een prachtig halfuurtje van de nabije aanwezigheid van mijn kat, die mij uiteindelijk ook tot een echte liefdeverklaring bracht. Het hardop uitgesproken ''Ik hou zo verschrikkelijk veel van jou!'' kwam recht uit mijn hart en ik koester de illusie, dat zij die woorden ook wel heeft begrepen.

Ik probeerde de warmte wat draaglijker voor haar te maken door haar regelmatig met natte handen te aaien en zij was mij daar heel dankbaar voor. Hoewel zij al sinds een week een luie en lusteloze indruk maakte, lag zij nog steeds regelmatig te zonnen op de veranda. Soms zat zij zelfs voor de gesloten verandadeur te miauwen, omdat zij zo graag op de veranda wilde zitten. Toch keek ik reikhalzend uit naar het einde van de warmte. Als het eenmaal wat koeler was, zou zij vast wel weer wat actiever worden. Het liep echter anders. Vanaf dinsdag 22 juli, toen het inderdaad begon af te koelen, begon zij juist steeds moeizamer te lopen. Het was weliswaar nog steeds heel warm in huis, maar ik besefte nu toch echt, dat die stramme tred en het moeizame opstaan, dat daaraan voorafging, een lichamelijke oorzaak moesten hebben.

Er waren meer zorgwekkende signalen. Soms legde zij tijdens het slapen een pootje over haar ogen, iets, wat ik in diens laatste weken ook bij Boris had waargenomen. Zij rende bij het eten geven ook nooit meer naar haar eetschoteltje. Zij bleef bij die gelegenheden vaak in de keuken dralen, waardoor ik af en toe tegen haar aanliep, hetgeen mij ook al aan de laatste weken van Boris herinnerde. De week daarvoor, na het overstappen op het A/D-voer, had zij nog wel een paar keer naar het eetschoteltje gerend; nu werd de tred, waarmee zij naar dat eetschoteltje liep, langzamer en langzamer. Er lag soms ook een blik in haar ogen, die op pijn leek te wijzen en ook al verdween die blik altijd wel weer als ik haar aaide: het was voor mij toch zonneklaar, dat ik over een paar dagen weer met haar naar de dierenarts zou moeten gaan.

Ik zou ditmaal naar 'Dierenpraktijk Van der Pek' gaan. Diep in mijn achterhoofd hield ik rekening met de mogelijkheid van een ernstige en fatale ziekte en ik had mij voorgenomen om Granaatje in dat geval niet in 'Dierenpraktijk De Meteoor' te laten inslapen. Drie keer binnen veertien maanden een kat van één cliënt laten inslapen zou voor de praktijk wat teveel van het slechte zijn geweest en zou mij vermoedelijk een levenslange 'Tuindorp Oostzaan'-fobie hebben bezorgd. Het zou natuurlijk ook de heerlijke 'Meteoor'-herinneringen van februari voor altijd hebben bezoedeld.

Het lopen van Granaatje ging uiteindelijk zo slecht, dat ik haar het eten letterlijk moest voorzetten. Ik deed het met alle liefde, maar die verslechterende, lichamelijke toestand van Granaatje begon mij toch steeds meer te deprimeren. Opnieuw dacht ik aan de mogelijkheid van een naderbij komende dood. Het enige lichtpuntje in de huidige situatie - het achterwege blijven van het braken – was echter sterk genoeg om die mogelijkheid weer snel uit mijn hoofd te kunnen zetten.

Op de avond van vrijdag 25 juli lag zij urenlang op het bed, in een schijnbaar hele diepe slaap. Ook toen ik zelf naar bed was gegaan, bleef zij gewoon op het voeteneind van het bed liggen slapen. Hoewel ik dat heel gezellig vond, kon ik zelf dus niet in slaap komen en maakte ik mij steeds meer zorgen over haar. Dus besloot ik uiteindelijk om even uit te proberen, of zij eigenlijk nog wel kon lopen. Ik tilde haar op en zette haar, midden in de slaapkamer, op de vloer neer. Het lopen ging prima: zij liep op haar gemak naar haar plekje onder het bureau. Ik was gerustgesteld en legde haar na een poosje weer terug op het bed. Ditmaal bleef zij niet lang op het bed liggen; zij sprong redelijk kwiek van het bed af en liep de slaapkamer uit. Een paar minuten later kwam zij nog even terug om water te drinken, maar daarna verliet zij de slaapkamer opnieuw en liep zij vermoedelijk naar een nieuw, favoriet plekje: een hoekje tussen een keukenkastje en de vensterbank in de keuken. Tien minuten later viel ik toch in slaap.

De volgende morgen werd ik op de vertrouwde manier gewekt: door een kat, die met haar voorpootjes op het bed stond en mijn wang aflikte. Ik stond op, gaf haar te eten en ging, na een heleboel koffie te hebben gedronken, een poosje achter mijn pc zitten. Ik verzond mijn aanvraag voor een IOAW-uitkering en zond daarna ook een mailtje aan 'Dierenpraktijk Van der Pek', waarin ik meldde, dat ik graag een keer met Granaatje langs wilde komen. Ik wilde weten, of dat moeizame opstaan en dat moeizame lopen echt door artrose werd veroorzaakt en hoopte, dat ik haar door middel van medicijnen van de pijn zou kunnen afhelpen. Daarna ging ik naar mijn werk.

Na mijn thuiskomst verliep alles eigenlijk heel normaal. Ik gaf Granaatje een flinke knuffel, een kus en wat A/D-voer, dat ik haar nu gaf om haar wat aan te laten sterken, en zag, dat zij weer de veranda opliep om nog even wat te zonnen. Zelf ging ik weer achter mijn pc zitten om nog wat over de IOAW-uitkering uit te zoeken. Granaatje bleef overigens niet lang op de veranda zitten. Zij kwam na een poosje weer naar binnen en nestelde zich onder mijn bureau, waar zij in slaap viel.

Even over zessen besloot ik om de nieuwste cd van Eric Clapton te rippen. Na het rippen van de 'The Breeze', de magistrale tribute-cd aan J.J. Cale, luisterde ik nog even naar de laatste nummers, tot ik onder het bureau opeens wat rumoer hoorde. Ik keek onder het bureau en schrok mij wezenloos: Granaatje had opeens een toeval gekregen, waarbij zij een paar keer om haar as leek te draaien. Ik wist onmiddellijk, dat het helemaal mis met haar was. Even raakte ik in paniek en liep ik wezenloos naar de woonkamer om God weet wat te doen. Uiteindelijk keerde ik in de slaapkamer terug en zag ik, dat Granaatje zich onder het bureau had weten uit te werken. Met alleen haar voorpoten, want haar achterlichaam leek niet meer mee te werken en lag er ook heel raar bij.

Opeens begonnen mijn hersenen wel te werken. Misschien zou een beetje eten haar wel goed doen. Ik pakte haar eetschoteltje, liep naar de keuken, wierp een vijftal 'Sensitivity-control'-brokjes op het schoteltje, keerde naar haar terug en zette het schoteltje met de brokjes voor haar neer. Zij at ze meteen op en miauwde meteen om meer. Dat was een goed teken. Ik nam het schoteltje weer op, liep terug naar de keuken, pakte het A/D-blikvoer uit de koelkast en het doosje met de Prednison-tabletten uit het keukenkastje en fabriceerde een prutje met een fijngemaakte Prednison-tablet erin. Ook dat at zij gretig op en hoewel zij daarna iets leek op te leven, bleef zij liggen, zoals zij lag en was er van opstaan geen sprake, laat staan van weglopen.

Er zat dus niets anders op: ik zou het Medisch Centrum voor Dieren aan de Isolatorweg moeten bellen. Ik kreeg het MCD gelukkig vrij snel aan de lijn. Tijdens het telefoongesprek begon Granaatje klaaglijk te miauwen en probeerde zij tevergeefs om weer overeind te komen. De receptioniste van het MCD was zich meteen van de ernst van de situatie bewust en ik kon deze avond nog langskomen. De afspraak werd op halfacht gezet, maar als ik er eerder was, zou Granaatje eerder worden geholpen.

Ik pakte de kattenkooi uit de kast, plaatste hem weer op de wasautomaat en stopte Granaatje erin. Zij gaf geen kik en begon zelfs te spinnen, toen ik haar aaide: zij kwam meteen helemaal tot rust. Ik ging snel op weg en tijdens de vlot verlopende reis per bus, trein en metro, die alle drie precies op tijd kwamen, bleef ik haar aaien en bleef zij maar spinnen. Tijdens de reis was ik bijna volstrekt gedachteloos; ik wist mij, bewust of onbewust, voor elke gedachte over de afloop van deze avond af te sluiten.

Ik arriveerde even over zevenen in het Medisch Centrum voor Dieren. Het oogde als een echt ziekenhuis, met een ruime hal, met modern ogende, witte zitbanken en een lange, al even witte balie. Ik meldde mij meteen bij die balie.

''U heeft net gebeld?'', vroeg de receptioniste.

''Ja, dit is Granaatje!'', antwoordde ik, wijzend op de kooi.

De receptioniste schreef Granaatje in en beloofde mij, dat zij zo snel mogelijk zou worden geholpen. Daarna zette ik mij, met de kooi op mijn schoot, op een van de witte banken neer.

Tijdens het wachten op de dierenarts liet ik de kooi bijna uit mijn handen vallen, waardoor Granaatje even schrok, maar zij was snel gekalmeerd, toen ik haar weer begon te aaien en zij viel daarna zelfs in slaap. Ik ervoer dat als heel opmerkelijk. Welke kat is zo rustig, dat hij, of zij in de wachtkamer van een dierenarts in slaap valt? Kwam het door haar ruime, medische ervaring of had de Prednison een kalmerende uitwerking op haar gehad?

Ik bleef haar onderwijl maar aaien, vurig hopend op een tweede wonder binnen tien maanden. Vijf maanden eerder had ik, met een levende Granaatje in de kooi, de dierenpraktijk in Tuindorp Oostzaan kunnen verlaten; of dat nu weer zou gebeuren, was zeer de vraag. Diep in mijn hart wist ik wel, dat een tweede wonder ditmaal achterwege zou blijven en dat ik mij op een derde kattenafscheid binnen veertien maanden moest gaan voorbereiden.

Na tien minuten kon ik terecht bij de dierenarts, een nog jonge vrouw van begin dertig. Eerst moest ik mijn verhaal tegen haar afsteken; daarna begon het onderzoek van het patiëntje.

''Ach, jee, dat ziet er uit als een hersenprobleem!'', zei zij, vrijwel meteen.

''Een beroerte?''

''Of een hersentumor!''

''En daar is niks tegen te doen?''

''Jawel, we zouden haar kunnen opnemen en in behandeling kunnen nemen, maar het is de vraag, of dat verstandig is. De prognose is in elk geval heel slecht.''

''Laten inslapen is dus een betere oplossing?'', vroeg ik, op een nuchtere toon.

''Ja'', antwoordde zij, met zichtbare opluchting, ''Haar huidige toestand is heel beroerd voor haar. Katten zijn zelfbewuste wezens, die moeten niet van iemand afhankelijk zijn. En zoals zij nu is, zal zij gedurende lange tijd heel veel verzorging nodig hebben.''

''U weet zeker, dat zij geen last van een kaliumtekort heeft?''

''Nee, dat weet ik niet zeker!'', antwoordde zij, een beetje betrapt, ''Want ik heb haar nog niet echt onderzocht.''

Op dat moment wierp zij een blik op Granaatjes ogen. Zij verduisterde het vertrek door de jaloezie te sluiten, keek even met een lampje in Granaatjes ogen en deed toen een allesbeslissende ontdekking.

''Je kunt aan haar ogen zien, dat zij een hersenprobleem heeft'', zei zij, nadat zij de jaloezie weer had opengetrokken, ''De ene pupil is groter dan de andere. Dat wijst echt op een hersenprobleem, vermoedelijk op een hersentumor.''

Ik herinnerde mij, dat er de afgelopen maand een aantal dagen waren geweest, waarop zij af en toe haar eten pas kon zien als ik dat met mijn vinger aanwees, of heen en weer bewoog en besefte, dat ik haar uit haar lijden moest laten verlossen.

''Wilt u haar nu laten inslapen?'', vroeg ik.

''Ja, dat lijkt mij echt het beste. Ik ben blij, dat wij het eens zijn, over wat het beste voor haar is.''

''Mag ik bij haar blijven, tot zij is ingeslapen?''

''Ja, natuurlijk! Wilt u tot het einde bij haar blijven?''

''Nee, ik wil weggaan als zij onder narcose is. Ik wil er liever niet bij zijn als zij sterft.''

''Dat kan natuurlijk! Ik zal even een handdoek halen, dan kunt u haar zo meteen eventueel op schoot nemen.''

''Dat is goed! En o, ja, ik wil haar in het dierencrematorium in Noord laten cremeren. Kunt u dat voor mij regelen?''

''Ik zal het voor u regelen. U weet, hoe het daar in zijn werk gaat?''

''Ja, hoor!'', antwoordde ik, met de nodige galgenhumor, ''Ik ben daar immers vaste klant!''

Zij regelde een aantal administratieve zaken en verliet het vertrek om een handdoek te halen. Tijdens haar afwezigheid deed Granaatje opnieuw een poging om op te staan. Het lukte haar niet en haar klaaglijke gemiauw ging mij opnieuw door merg en been. De dierenarts keerde terug, legde een handdoek op de behandeltafel neer en deed nog een laatste onderzoek bij Granaatje. Dat beviel het patiëntje maar niks. Zij deed een poging om de dierenarts te bijten, maar de dierenarts wist haar aanval handig te ontwijken.

''Oh, liefje, je bent best nog wel fel!'', zei zij.

Dat was zij inderdaad; zij beet mij zelfs even in de vinger, toen zij de eerste van in totaal drie narcose-injecties kreeg. De dierenarts schrok daar nogal van.

''O, dat spijt mij toch wel heel erg!'', zei zij.

''Het geeft niet!'', zei ik, meer tegen Granaatje dan tegen haar.

Daarna begon ik Granaatje heel rustig in slaap te knuffelen. Misschien wel om het goed te maken likte zij, nu voor de allerlaatste maal, aan mijn vinger en begon zij daarna ook weer te spinnen. Tijdens een korte afwezigheid van de dierenarts probeerde ik tevergeefs om haar op mijn schoot te trekken, maar zij wilde toch liever op de tafel blijven liggen en ik liet haar maar begaan. Nog één keer probeerde zij op te staan, ditmaal om haar rechterachterpootje af te likken; nog één keer weerklonk dat klaaglijke gemiauw, om datgene, wat er nu met haar gaande was. Zowel het een als het ander deprimeerde mij zeer. Het enige, wat ik voor haar kon doen, was zelf maar even aan het pootje krabben en ik bleef haar daarna vriendelijk toespreken en knuffelen.

Na de tweede injectie, waar zij niet al te boos meer op reageerde, begon zij weer te spinnen en bleef zij ook spinnen. De dierenarts kwam af en toe kijken, ook om nog wat administratieve zaken rond de crematie te regelen en zag, dat zij nog steeds tamelijk actief was.

''Zij is nog steeds heel levendig, hè?'', zei zij.

''Ja, dat geloof ik ook!''

''Het probleem ligt volgens mij in het proces, dat in de achterkant van haar lijf bezig is. Dat houdt de werking van de injecties tegen.''

Zij gaf Granaatje een derde injectie, waar het patiëntje in het geheel niet meer op reageerde, en bleef even toekijken om te zien, wat voor uitwerking dat op Granaatje had.

''Kunt u een beetje schatten, hoe oud zij is?'', vroeg ik.

''Ach, ik wil haar nu niet meer onderzoeken'', antwoordde zij, na een korte aarzeling, ''Zij begint nu net een beetje rustiger te worden. Zij is nog niet zo heel oud. Van middelbare leeftijd schat ik.''

De dierenarts verliet het vertrek weer en ik boog mij voor een van de laatste keren over Granaatje heen. Even hoorde ik haar nog een beetje spinnen, maar daarna stopte dat en gleed zij langzaam weg in de narcose. Ik bleef haar aaien en toespreken en legde, om wat voor reden dan ook, uiteindelijk ook nog even mijn oor op haar buik. In de maagstreek was wat geborrel te horen; een teken, dat juist dat, door mij zo vaak vervloekte lichaamsdeel nog perfect functioneerde.

Na de terugkeer van de dokter was het moment van afscheid gekomen en gaf ik Granaatje nog een allerlaatste afscheidsknuffel. Dat leek de dierenarts zichtbaar te ontroeren. Zij beloofde mij, dat zij Granaatje nu onmiddellijk zou laten inslapen. Ik pakte de kattenkooi, nam afscheid van haar, bedankte haar ook, wierp over haar schouder heen nog een allerlaatste blik op mijn teerbeminde, zevende kat en liep tenslotte naar de balie om te betalen.

Onderweg naar die balie viel de kooi, die ik in de behandelkamer een beetje onhandig in elkaar had gezet, uit elkaar. Nadat ik de kooi met de nodige moeite weer in elkaar had gezet, keek ik even op de klok. Het was twee minuten over acht. Het afscheid van Granaatje had in totaal bijna een uur geduurd. Ik was hier om tien over zeven gearriveerd en zij was om precies acht uur ingeslapen. Eigenlijk was het wel mooi zo. Het zielige, verwilderde straatkatje uit de Granaatstraat had haar leven na acht, mooie jaren in een mooi, brandschoon dierenziekenhuis in haar geboortestad beëindigd en daar kon ik op dat moment, waarop ik nog vol adrenaline zat, best wel vrede mee hebben.

Daar was ook wel een goede reden voor. Haar leven was, ondanks haar spijsverteringsproblemen, inderdaad heel mooi geweest en zij had daarbij ook de hulp van vele mensen gehad. De 'Stichting Amsterdamse Zwerfkatten' had haar gevangen en haar daardoor de kans op een veel beter leven gegeven, het asiel in Oostzaan had haar met veel kennis en kunde gesocialiseerd en een fantastische huiskat van haar gemaakt, Chris had zeseneenhalf jaar op de best mogelijke manier en met heel veel liefde voor haar gezorgd, het asiel had haar vervolgens in nauwelijks een maand tijd van een in-actieve en aan stress lijdende kat in een hele actieve kat veranderd, die niet meer bang was voor bezoekers, niet meer bang was voor harde geluiden en ook niet meer bang was voor vuurwerk en tenslotte had ik haar mooie leventje op de valreep nog van een mooi uitroepteken kunnen voorzien. Het tien maanden durende verblijf in mijn huis was zonder meer het verrukkelijke toetje van haar mooie leventje geweest en dat toetje had natuurlijk niet mogen ontbreken.

Van al die feiten was ik mij dus heel goed bewust en in de eerste dagen na Granaatjes dood nam het verdriet maar langzaam bezit van mij. Na de crematie, drie dagen na haar inslapen, kwamen de emoties wel goed los. Ik moest regelmatig om Granaatjes dood huilen en dat huilen leek ditmaal niet uit verdriet, maar uit pure wanhoop voort te vloeien. Dat malle beest, met haar vele eigenaardigheden en (on)hebbelijkheden, was in die tien maanden toch echt heel diep in mijn ziel gaan zitten. De leegte, die zij daardoor had achtergelaten, was om die reden soms nauwelijks te verdragen. Vooral de herinnering aan dat laatste likje aan mijn vinger, op die tafel in dat dierenziekenhuis, was bij tijd en wijle een regelrechte kwelling voor mij.

Pas nadat ik op internet een aantal verhaaltjes van Chris over Granaatjes verleden in Wormerveer had gevonden, hervond ik mijzelf een beetje. Ik kreeg daardoor een heel duidelijk beeld van haar hele leven en dus niet alleen maar van de tien maanden, die zij in mijn huis had doorgebracht. Wat tenslotte ook hielp, was het vinden van een site, waarin de belangrijkste symptomen van een kat met kanker werden opgesomd. In de laatste week van haar leven had Granaatje acht symptomen gehad. Door haar snel te laten inslapen had ik haar een enorme lijdensweg bespaard en door mijn snelle handelen na de toeval onder mijn bureau had zij in de laatste twee uur van haar leven maar een paar momenten gekend, waarop zij angstig en/of boos was geweest. Ook die wetenschap hielp mij dus bij het aanvaarden van haar dood.

Vijftien dagen na Granaatjes dood liep ik op een ietwat bewolkte zondagochtend naar de asweide bij het Dierencrematorium in Amsterdam-Kadoelen. Het zou mijn eerste bezoek aan de asweide gaan worden na de dood van Granaatje en mijn gemoedsstemming was een beetje wankel. Op de Buiksloterdijk kwam ik een Cyperse kat tegen, die ik daar ook in de dagen na de dood van Boris was tegengekomen. Het was een lief beest, dat zich toen en ook nu van zijn of haar aanhankelijke kant liet zien. Mijn stemming verbeterde daardoor aanzienlijk, zodat ik de rest van het traject naar de asweide wat gemakkelijker kon afleggen.

Toch was het heel moeilijk om het erf van het dierencrematorium op te lopen. Mijn strot was dik, toen ik de gebouwen van het crematorium passeerde, en bij het betreden van de asweide buitelden de herinneringen aan Granaatjes, laatste avond over elkaar heen. Eenmaal aan het einde van de asweide ging ik op een bankje zitten en daar voltrok zich opnieuw het wonder, waarop ik niet had durven hopen. Opeens brak de zon door het wolkendek heen en met zoveel kracht, dat het opeens heel erg warm begon te worden. Dat was mij dus wel eens eerder overkomen, zo'n teken van de zon op een begraafplaats. Twee keer op een normale begraafplaats in Marken en Doetinchem en afgelopen september tijdens het bezoek na de dood van Ilse was het ook hier gebeurd, maar nog nooit was het 'teken van boven' zo sterk geweest.

Ik kreeg dus 'goedkeuring van boven'. Ik kreeg goedkeuring van de kat, die tijdens haar leven zowel 'het engeltje' als, inderdaad, 'het zonnetje' in huis was geweest en tijdens het verlaten van het terrein van het dierencrematorium lag er dan ook een hele brede grijns op mijn gezicht. Zij was er dus nog steeds, die malle Granaatje van mij. Zij is dus, met andere woorden, ook na haar dood bij mij gebleven en daarom mag ik dit verhaal ook met de nodige overtuiging afsluiten met iets, wat ik al op 21 februari van dit jaar heb geschreven, zij het dit keer met een hele minieme, maar alleszeggende verandering:


''Dag, malle Granaatje!

Dag, mal etterbakkie!

Je was, net als Miepie, Tum Tum, Boris, Ilse, Simba en Gompy een wereldkat en ik zal je echt nooit vergeten.''