EEN OASE

1. De postkoets hield stil voor de herberg aan de rand van Svendborg. Danil bleek de enige uitstapper te zijn. Hij strekte zijn benen, kreeg in ruil voor een exorbitant hoge fooi zijn reistas aangereikt en liep daarna met een onzekere tred de herberg binnen. De drukte in de gelagkamer schrok hem wat af, maar na een korte aarzeling liep hij toch naar de waard toe en vroeg hij de waard, of hij voor de komende nacht nog een kamer kon krijgen. Helaas voor hem moest hij door zijn zachte stem zijn vraag driemaal herhalen. Een beloning daarvoor bleef achterwege: hij kreeg een vriendelijk, doch afwijzend antwoord. Hoewel hij dat antwoord niet helemaal verstond, drong de essentie ervan wel tot hem door. Hij stamelde een afscheidsgroet en verliet de herberg, in de hoop in Svendborg wel snel een kamer te kunnen vinden.
Het duurde niet lang, voordat Danil Svendborg had bereikt. Hij was er bijzonder blij mee. Zijn stemming verbeterde nog aanzienlijk, toen hij door een kleine calche werd ingehaald. Er zaten namelijk vier, tamelijk knappe meisjes in, waarvan er n omkeek en hem brutaalweg fixeerde. Hij wuifde naar haar, minzaam en met een zekere waardigheid, tot... hij de grond onder zijn voeten voelde wegzakken. Hij had een brede zijstraat over het hoofd gezien en tuimelde om die reden zonder enige gratie van het trottoir. Een veldwachter, die vanaf de overkant van de straat zijn strapatsen had gadegeslagen, wierp hem een spottende blik toe:
"Heeft u daar een vergunning voor?", vroeg hij, wijzend op de zich snel verwijderende calche.
Hij grinnikte maar wat en vervolgde strompelend zijn weg. Het parelende gelach van de meisjes bleef lang in zijn oren naklinken.
Na enige omzwervingen door het doodstille centrum van het vissersstadje kwam hij aan op het Torvet, waar, behalve een kerk en het stadhuis, ook een pittoresk ogende herberg stond. Hij gluurde door het venster naar binnen en zag, dat de gelagkamer vrijwel leeg was. De enige aanwezige, een knap, blond meisje van een jaar of negentien, zat achter het buffet een boek te lezen. Hij ging de gelagkamer binnen en diende zich bij het meisje aan. Tot zijn verbijstering werd hij met een stralende glimlach verwelkomd.
"Wat kan ik voor u doen?", vroeg zij vriendelijk.
"Euh... Euh... Heeft u, euh... nog een kamer vrij?", vroeg hij.
Het meisje knikte bevestigend en legde hem het gastenboek voor. Het duurde even, voordat het tot hem doordrong, wat zij daarmee voorhad, maar daarna schreef hij met een trillende hand zijn naam, Danil Harberts, en zijn woonplaats, Amsterdam, in het gastenboek. Het meisje bekeek het resultaat van zijn inspanningen met een onmiskenbare voldoening en begeleidde hem daarna naar zijn kamer op de eerste verdieping.
Het was een plezierige aanblik. De tred van het meisje, zoals die in het schijnsel van haar lamp werd gevangen, was gracieus als de vlucht van een elfje. Bovengekomen liepen ze in ganzenpas door een gang, tot het meisje stilhield voor de deur van kamer zeven. Zij ontsloot de deur, overhandigde hem een tweede lamp, maakte een allercharmantste buiging en nam tenslotte glimlachend afscheid van hem. Hij keek haar hunkerend na, hetgeen hem duur kwam te staan, want hij merkte daardoor niet dat de deuropening nogal laag was. Te laag voor zijn rijzige gestalte.
"Bengs...", klonk het hol.
Hij glipte als in doodsnood de kamer binnen en begon zich, na de deur te hebben gesloten, langzaam uit te kleden. Het was hem een beetje vreemd te moede. Aan de ene kant was hij in de wolken over de manier, waarop hij door het meisje was bejegend, aan de andere kant voelde hij zich ook wat weemoedig. De lieve houding van het meisje had hem namelijk aan een van de verhalen van zijn recent overleden, uit Denemarken afkomstige grootvader doen denken. Het was hem nooit helemaal duidelijk geworden, of de verhalen van zijn grootvader over de vrijgevochten en tamelijk doortastende meisjes uit diens jeugd ook echt waren gebeurd, maar toen hij voetstappen op de gang hoorde en er vervolgens op een nogal dwingende manier op zijn deur werd geklopt, moest hij in ieder geval hevig blozen. Hij stond van zijn bed op, gordde zijn ochtendjas om en liep met wankele passen naar de deur.
De rest van de avond verliep als in een droom. Het meisje knikte hem bij het binnenkomen vriendelijk toe en ging, zonder iets te zeggen, op het bed zitten, waar zij zich doodgemoedereerd begon uit te kleden. Het was een lieflijk tafereeltje, waarvan hij met volle teugen genoot. Aanvankelijk bleef zij nog even zwijgen en keurde zij hem ook geen blik waardig, maar toen zij nog slechts n onderjurk aan had, sloeg zij met een half moederlijke, half ondeugende glimlach haar ogen naar hem op.
"Mag ik verder gaan?", vroeg zij giechelend.
"Ja, graag!", mompelde hij, met een bijzonder schorre stem.
Zij trok ook die laatste onderjurk uit en daarna zag hij pas goed, hoe mooi zij was. Haar hals was slank, haar borsten waren vol en prachtig van vorm, haar heupen en benen waren stevig en haar voeten waren klein en poezelig. Kortom: zij was in alle opzichten werkelijk volmaakt. Hij deed dan ook het enige, wat hij kon doen: hij liep naar haar toe, greep haar bij de onderarmen en zeeg eerbiedig aan haar voeten neer.
2. De volgende morgen werd Danil om acht uur wakker. Het meisje, dat Ellen bleek te heten, lag nog steeds in zijn armen en streelde hem liefdevol over zijn haren. Het was een lange en uitermate boeiende nacht geweest. Zijn animo om Svendborg te verlaten was zo goed als afwezig.
"Ga je straks weg?", vroeg zij zacht.
"Ik weet het niet", antwoordde hij, "Ik was eigenlijk van plan om straks naar Mns Klint te gaan."
"Waarom?"
"Om een familiemysterie op te lossen. Iets, waar ik eigenlijk niet onderuit kan komen."
"Wanneer kun je terug zijn?"
"Morgenavond."
"En kom je ook terug?"
"Ja, heel graag! Maar alleen als jij dat ook wilt!"
"Ik wil het ook heel graag!"
"Ook als ik je zeg, dat ik dan misschien nooit meer weg zal gaan?"
Die vraag viel in goede aarde bij haar en gedurende een paar minuten mocht hij zich nog voluit aan de attracties van haar mooie lichaam laven. Maar uiteindelijk wurmde zij zich toch onder hem vandaan.
"Ga je weg?", vroeg hij, een beetje ten overvloede.
"Ja, ik moet mama helpen. Ik ben eigenlijk al veel te laat."
Zij kleedde zich snel aan. Het was een schouwspel, dat hij met een mengeling van weemoed en verlangen bekeek. Het idee, dat zij die kleren pas weer uit zou trekken als hij zo'n honderd kilometer van Svendborg zou zijn verwijderd, deprimeerde hem in hevige mate. Eenmaal aangekleed gaf zij hem nog een laatste kus en daarna liep zij, zonder om te kijken, de kamer uit. Na haar vertrek staarde hij een poosje naar het plafond. Hoewel de herinneringen aan de vorige avond en nacht zonder meer hemels van aard waren, vervulden ze hem zowel met zorg als met geluk.
Om kwart over acht begaf hij zich naar de gelagkamer, waar hij heel vriendelijk door de waardin werd ontvangen. Zijn aanstaande schoonmoeder was een tanige vrouw van ongeveer achtenveertig met scherpe gelaatstrekken en een mallotig ogend bloempotkapsel. Zij maakte een zeer energieke indruk. Zij voorzag hem in snel tempo van brood en koffie; een vaag ondeugende glimlach lag daarbij voortdurend op haar gezicht bestorven.
Hij wist heel goed, wat dat betekende: hij kon niet aan Ellen denken, zonder dat er een hemels visioen van een waslijn vol luiers voor zijn lodderig geestesoog verscheen. Het was een visioen, waaraan hij zich danig verlustigde en hij schrok zich dan ook wezenloos, toen hij iemand de woorden "Wil je nog koffie?" hoorde uitspreken. Het bleek de hartelijk lachende waardin te zijn. Hij keek haar een beetje hulpeloos aan, maar wist haar vraag toch nog met een "Ja, graag!" te beantwoorden. Na die tweede kop koffie te hebben opgedronken, stond hij met de nodige tegenzin op. Hij haalde zijn bagage op en vroeg de waardin om de rekening.
"Heb je het hier naar je zin gehad?", vroeg zij, terwijl zij zijn geld in ontvangst nam.
"Eh... Euh... Jawel, hoor! Ik zou graag morgenavond terug willen komen! Kan dat?"
"Morgenavond al? Ja, hoor! Dat kan! Hoe laat arriveer je?"
"Ik denk omstreeks negen uur."
"Uitstekend, ik zal Ellen vragen of zij tegen die tijd een uitgebreid soupeetje voor je wil klaarmaken."
"Ah, prima... Prima!", murmelde hij, met een vuurrood gezicht, "Wilt u eh... Wilt u haar de... de groeten doen? Ik heb haar... haar attenties zeer eh... zeer gewaardeerd!"
"Ik zal het doen, hoor! Dit is overigens nog van Ellen."
Zij had een pakje vanonder de toonbank vandaan gehaald, waaromheen een roze strikje zat geknoopt en schoof dat met een effen gezicht naar hem toe. Hij nam het pakje op, alsof het een collectie diamanten bevatte en bekeek het van alle kanten.
"Het is niets bijzonders, hoor!" zei zij, met een lief glimlachje, "Er zitten een paar sandwiches in voor onderweg. Die heeft Ellen daarnet nog even voor je klaargemaakt."
"Ah, dank u!", mompelde hij sidderend, "Wilt u... wilt u haar namens mij hartelijk danken!"
"Dat zal ik doen, hoor! En we zien je heel graag morgenavond terugkeren."
Hij knikte haar toe en liep daarna wankelend naar de deur. Eenmaal buiten keek hij nog een keer om. Een daad, die hem voor altijd aan de ketting zou leggen. Want voor een raam op de eerste verdieping verscheen een slank silhouet, waarin hij moeiteloos het figuurtje van Ellen herkende. Hij wuifde naar haar, zag tot zijn grote voldoening, dat zij enthousiast terugwuifde en liep daarna diep in verwarring naar het pontveer in de haven, waarmee hij zijn reis zou vervolgen.
3. Tegen het einde van de middag kwam hij na een saaie, vermoeiende tocht door Langeland, Lolland en Falster in Vordingborg aan. Hij dineerde in een herberg aan de Storstrmmen. Veel at hij niet en zijn innerlijke onrust groeide. Het beeld van Ellen, zoals zij gisteravond voor zijn deur had gestaan, achtervolgde hem al de hele dag. Dat beeld, dat hem de vorige avond al hevig naar adem had doen snakken, dreigde hem nu langzaam gek te maken en hij vroeg zich dan ook met gepaste wanhoop af, waarom hij zo stom was geweest om Svendborg meteen weer te verlaten.
Dergelijke gevoelens waren hem doorgaans vreemd: over het algemeen kon hij het nergens langer dan een dag uithouden. Door een zeer aanzienlijke erfenis, hem toegevallen na de dood van zijn vader, was hij de voorbije drie jaren in staat geweest door heel Europa te reizen. Zijn vele zwerftochten hadden hem een sterk gevoel van vrijheid gegeven, maar heimwee en een sterk verlangen naar huiselijke geborgenheid hadden hem altijd weer naar Amsterdam teruggedreven.
Meestal verbleef hij dan een poosje op zijn luxueuze kamers in zijn moeders huis aan de Prinsengracht tot zijn rusteloosheid, soms in combinatie met schrijnend liefdesleed, hem weer noopte te vertrekken. De aanleiding voor deze reis naar Denemarken vormde echter de schatkaart die hij tussen de bezittingen van zijn grootvader had gevonden. Hij geloofde niet echt in het bestaan van een schat - zijn opa was gedurende zijn leven, behalve een verhalenverteller, ook een naeve humorist geweest - maar hij vond het wel prettig om ditmaal een doel voor zijn reis te hebben.
Even na zeven uur vertrok hij in een lege postkoets naar het eiland Mn. Gedurende de gehele rit door het donkere, haast uitgestorven landschap van Zuid-Sjaelland hield hij zijn gezicht in de kraag van zijn jas verborgen. Hij had het koud en elke omwenteling van de wielen bracht hem verder van de plek, waar hij werkelijk wilde zijn. Het deprimeerde hem. Het liefst zou hij rechtsomkeert hebben gemaakt en naar Svendborg zijn teruggekeerd. Hij was het zwerven moe en wilde zich voorgoed in Svendborg vestigen. Een toekomstig bestaan als herbergier lokte hem meer en meer aan.
"Dit is mijn laatste reis!", mompelde hij, "Als ik in Svendborg terug ben, ga ik onmiddellijk met Ellen trouwen en als dat eenmaal gebeurd is, dan... dan... koop ik alle herbergen in de buurt op en dan... dan... laat ik ze allemaal tegen de vlakte gooien!"
Na zijn aankomst in Stege, de hoofdplaats van Mn, besloot hij om onmiddellijk verder te reizen. Hij huurde een paard bij de herberg aan het Torvet en vertrok in oostelijke richting.
Om half tien hield hij stil voor de toegangspoort van Mns Klint, een uitgestrekt en eeuwenoud beukenbos, aan de oostzijde begrensd door hoge, en zeer steile, krijtrotsen. Hij had honger gekregen en op een bankje tegenover de ingang at hij de door Ellen besmeerde sandwiches op. Hij deed het toch nog met de nodige tegenzin; hij kon zich niet helemaal aan het gevoel onttrekken, dat hij zich aan een vorm van heiligschennis schuldig maakte.
Tijdens het eten dacht hij weer met weemoed terug aan de lieflijke, maar resolute manier, waarop Ellen hem uit zijn ivoren toren had getrokken. Hij rommelde daarbij in zijn tas, meer uit verstrooidheid dan uit noodzaak, en deed toen een schokkende ontdekking. Om de bijl, die hij al sinds het begin van zijn reis met zich mee droeg, zat een souvenirtje van Ellen geknoopt: een zwarte kous. Hij maakte de kous los en liet hem langzaam door zijn vingers glijden.
"O, mijn God, ik moet terug!", mompelde hij, "Zo snel mogelijk! Maar eerst... Eerst moet ik weten wat voor malle poets Opa mij gebakken heeft."
Hij stond op en liep via een door vele lampionnen verlichte trap naar de top van Mns Klint. Het duurde iets meer dan tien minuten, voordat hij dat hoogste punt had bereikt. Hij gunde zich even de tijd om van het adembenemende uitzicht over de Oostzee te genieten, maar daarna liep hij doelbewust naar een bankje toe, dat precies op het hoogste punt was neergezet. Hij haalde een schep uit zijn tas tevoorschijn en begon onderaan dat bankje een gat te graven.
Diep hoefde hij niet te graven: binnen een minuut stootte hij op een zwart, houten kistje. Hij haalde de al eerder genoemde bijl uit zijn tas tevoorschijn, verpletterde het kistje met n daverende klap en doorzocht de brokstukken van dat kistje tot hij de restanten van een deerlijk gehavend theekopje omhooghield. De aard van zijn vondst was niet echt een verrassing voor hem. Hij begon te lachen, maar schrok zich vervolgens wezenloos, toen hij een rochelend geluid achter zich hoorde. Hij draaide zich met een ruk om en stond oog in oog met een kale, en in een grijze cape gehulde man.
"O, hallo!", zei Danil, "Wat kan ik voor u doen?"
Een antwoord kreeg hij niet en de man had overduidelijk niet veel goeds in de zin: hij kwam namelijk met gestrekte armen op hem af. Danil ontweek hem door zich behendig naar links te laten vallen. Een manoeuvre, waarop de man duidelijk niet had gerekend. Hij struikelde over Danils rechtervoet en stortte met veel misbaar in de afgrond.
"Aaaaarrrrrrggggghhhhh..."
Zijn angstkreet stierf langzaam weg. Danil tuurde over de rand naar beneden, maar kon in het zwarte water geen levensteken meer ontdekken. Het voorval had hem bijzonder geschokt.
Hij stond op en begon in een ijltempo aan de afdaling van Mns Klint. Tijdens die afdaling kon hij nog maar aan n ding denken: aan de komende terugreis naar Svendborg. Hij wilde zo snel mogelijk terugkeren naar die herberg aan het Torvet, die vriendelijke schuilplaats midden in die vijandige wereld, waarin hij zich zo moeilijk kon handhaven.
Eenmaal bij zijn paard aangekomen, steeg hij moeizaam in het zadel. Hoewel hij nog steeds zeer onder de indruk van het ongeluk was, kon hij zich toch nog wel over de voltooing van zijn missie verheugen.
"En nu...", mompelde hij, "Terug naar Ellen!"
Hij steeg in het zadel, gaf zijn paard de sporen en liet een wolk van zand en stof achter zich opdwarrelen.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 26 juli 1984. © Bert Harberts