BEFORE THE DELUGE

Tussen de sterfdata van Trudy's grootouders van moederszijde lag precies tweenhalf jaar. Op 1 mei 1959 stierf opa Bhmermann aan longkanker en op 1 november 1961 stierf zijn vrouw aan een hartkwaal. De vrouw verbleef, net als haar man, de laatste maand van haar leven in het Heemskerkse huis van Trudy's moeder, de dertigjarige Conny Schouws. De lichamelijke verzorging van de zieke werd door Conny, een voormalige verpleegster, voor haar rekening genomen, maar het was de vijfjarige Trudy, die zich met de geestelijke verzorging van haar grootmoeder bezighield. Het was haar nabije aanwezigheid, waaraan haar grootmoeder de meeste steun ontleende.
Elke middag als Trudy uit het kleuterschooltje kwam, liep zij altijd meteen door naar de ziekenkamer, waar zij haar grootmoeder telkens weer met een knuffel en een wat natte zoen begroette. Wat volgde, was dan een rustig samenzijn tussen grootmoeder en kleindochter, zonder al teveel conversatie. Haar grootmoeder was vaak te moe om te praten; Trudy had er door haar rustige en dromerige aard simpelweg geen behoefte aan.
Trudy vond het heerlijk om samen met haar oma naar de radio te luisteren en zij genoot zichtbaar als zij de zieke met kleine attenties behulpzaam kon zijn. Conny en haar man Frans bezagen die zorgzame houding van hun dochtertje met stijgende verbazing. Trudy at goed, zij sliep zonder nachtmerries te hebben, kortom: zij scheen zich helemaal niets aan haar grootmoeders ziekte gelegen te laten liggen. Toch bleek zij zich wel van de ernst van de situatie bewust te zijn. Zij had haar moeder ook voorgesteld om haar naderende verjaardagspartijtje maar af te gelasten, omdat dat 'voor oma zo ongezellig zou zijn'.
Na enig aarzelen had Conny het advies van haar dochtertje opgevolgd. Op de avond van de zesentwintigste oktober waren er, behoudens Conny's moeder, slechts vijf gasten aanwezig: de buren, het echtpaar Marinus en Eveline Stol, hun dochter Kitty en Frans' ouders. Allen zaten die avond rondom oma's bed geschaard. De volwassenen in het gezelschap wisten, dat het afliep met Conny's moeder, maar door de aanwezigheid van het vrolijke en fleurig geklede feestvarkentje in hun midden voelde niemand zich erg door die wetenschap bezwaard.
Zes dagen later brak dan toch de sterfdag aan. Conny's moeder raakte aan het begin van de middag in een diepe coma en Trudy werd na haar thuiskomst uit school onmiddellijk bij de buren ondergebracht.
Conny's moeder stierf even over tienen. Conny nam het, in tegenstelling, tot Frans vrij nuchter op en stuurde haar man vrijwel meteen naar de buren om uit te vinden, hoe het met Trudy was. Haar man accepteerde die opdracht met een zekere opluchting. Hij verliet zijn huis in een nogal gedeprimeerde stemming en belde bij zijn buren aan. Hij werd al snel door zijn buurman binnengelaten.
"Is het afgelopen?", vroeg Marinus vriendelijk.
"Ja, zij is rustig ingeslapen."
"Gecondoleerd, beste kerel."
"Dank je. Kan Trudy bij jullie blijven, tot het moment, waarop mijn schoonmoeder wordt weggehaald?"
"Maar natuurlijk, beste kerel! Kom haar maar ophalen, wanneer het jullie het beste uitkomt."
"Is zij al naar bed?"
"Ja, Eveline en Kitty hebben haar net naar bed gebracht. We hebben haar maar zo lang mogelijk op gehouden. We wisten natuurlijk niet precies, wat er bij jullie zou gaan gebeuren."
"Heb je nog wat aan haar gemerkt?"
"Ach, ik weet het niet. Volgens mij heeft zij wel een beetje door gehad, wat er bij jullie gaande is geweest. Zij was nog een beetje stiller dan zij gewoonlijk al is."
"Ach, meen je dat?"
"Ja, maar we hebben er natuurlijk alles aan gedaan om het haar zo plezierig mogelijk te maken. Bij het eten hebben wij haar haar lievelingskostje gegeven..."
"Macaroni?", vroeg Frans glimlachend.
"Ja, precies! En zij mocht dus opblijven, zolang zij maar wilde. Zij heeft de hele avond op de bank mogen zitten en naar de televisie mogen kijken."
"En dat heeft zij ook gedaan?"
"Ja, van die mogelijkheid heeft zij gretig gebruik gemaakt. Maar zij was erg lief, hoor. Zij is de hele avond het middelpunt van het gezelschap geweest, maar daar heeft zij dus helemaal geen misbruik van gemaakt."
"Kan ik haar even zien?"
"Maar natuurlijk!"
Marinus ging zijn buurman voor naar het logeerkamertje, waar Eveline nog steeds op de rand van het bed zat. Het echtpaar keek ontroerd toe, hoe Frans zich heel voorzichtig over het slapende meisje heenboog en haar heel even over haar blonde haren streelde. Daarna trokken de drie volwassenen zich terug van het bed. Ze posteerden zich in de deuropening en begonnen aan een, op een fluistertoon gevoerde conversatie:
"Gaat het weer een beetje?", vroeg Eveline.
"Ja, nu weer wel", antwoordde Frans.
"Echt?"
"Ja, het is natuurlijk een hele schokkende ervaring voor mij geweest. Het was voor het eerst, dat ik een mens heb zien sterven en het was bovendien een mens, dat mij minstens zo dierbaar was als mijn eigen moeder."
"Meen je dat?", vroeg Marinus, enigszins verbijsterd.
"Ja, echt! Ik had een hele goede band met haar. Conny's vader haatte mij bijna, maar haar moeder was stapelgek op mij."
"En jij dus ook op haar?"
"Ja, zij was lief, wijs en bescheiden en als zij er niet was geweest, dan was Trudy hier dus ook niet eens geweest."
"Hoezo?", vroeg Eveline.
"Conny's vader is in het begin faliekant tegen ons huwelijk geweest. Hij vond mij maar een verwend rijkeluiszoontje, een volgevreten etalagepop, die zijn dochter in geen enkel opzicht waardig was."
"Meen je dat?"
"Ja, het is echt een hels gevecht geweest om zijn toestemming te krijgen en het is alleen aan de wijsheid en de overredingskracht van dat arme mens te danken geweest, dat we die toestemming toch nog kregen. Zonder die wijsheid en die overredingskracht hadden we tot Conny's dertigste, verjaardag moeten wachten en dan... Ja, dan was Trudy dus ook nooit geboren."
"Ik begrijp het, lieverd."
"Hoe is het nou met Conny?", vroeg Marinus.
"O, die houdt zich goed. Veel beter dan ik. Ik heb daarnet een stevig potje zitten janken, maar zij is de hele avond al kalm en beheerst geweest."
"Wanneer wordt je schoonmoeder opgehaald?", vroeg Marinus.
"Morgenochtend, in alle vroegte. De dokter wilde haar nu al laten ophalen, maar dat wilde Conny niet: zij wilde haar moeder nog even bij zich houden."
"Dat is ook heel verstandig van haar", zei Eveline, "Op die manier zal zij het verlies later veel beter kunnen verwerken."
De laatste paar zinnen werden hardop uitgesproken en dat bleef niet zonder gevolgen.
"Pappie?", vroeg een zacht stemmetje op de achtergrond.
Frans keerde zich met een ruk om en lag in een mum van tijd op zijn knien voor het bed.
"Hebben we je wakker gemaakt, Snoepie?", vroeg hij, terwijl hij schuldbewust Trudy's linkerhandje greep.
"Nee, hoor! Ik sliep nog niet echt."
"Echt niet?"
"Echt niet!"
"Oh, goed zo!"
"Is alles goed met Oma?"
Frans wisselde een blik van verstandhouding met zijn buren uit en besloot vervolgens om de waarheid niet voor zijn dochtertje verborgen te houden.
"Nee, Snoepie, het gaat niet zo goed met haar. Oma is niet meer wakker geworden, zij is nu..."
"In de hemel?"
"Ja, Snoepie, zij is nu weer samen met mammies vader, bij wie zij ook het liefste wilde zijn."
"Dus wij zullen haar nooit meer zien?"
"In dit leven niet meer, Snoepie. In dit leven niet meer."
"Ik snap het."
"Vind je het erg, Snoepie?"
"Ik ben wel een beetje bedroefd", antwoordde Trudy, met een sip gezichtje.
"Ik ook, Snoepie, ik ook", stamelde hij, "Maar ik ben heel blij, dat ik jou nog heb."
"En mammie!"
"Ja, en mammie, natuurlijk! En mammie zal natuurlijk ook heel blij zijn, dat zij ons nog heeft en daarom moeten we in de komende dagen maar heel erg lief voor haar zijn."
"Ja, natuurlijk!"
Er viel een beklemmende stilte. Noch de man naast het bed, noch het echtpaar in de deuropening wist, hoe het nu verder moest. Het was uiteindelijk Trudy, die de verlossende woorden sprak.
"Gaat u nu terug naar mammie?", vroeg zij aan Frans.
"Vind je het niet erg als ik je weer alleen laat?"
"Nee, ik zal zo wel gaan slapen en..."
"Mammie niet, h?", vulde Frans aan.
"Nee."
"Goed, Snoepie. Maar wat moeten we nou doen als je niet meer in slaap komt?"
"Blijf maar hier, tot zij in slaap is gevallen", zei Eveline, "Maar ga eerst even naar Conny toe en vertel haar, waarom je nog even wegblijft. En als Trudy helemaal niet meer kan slapen, dan blijf je de hele nacht maar hier."
Frans scheen het daarmee helemaal eens te zijn. Het enige bezwaar, dat tegen die nachtelijke wake bij zijn dochtertje kon worden aangedragen, werd door Marinus onder woorden gebracht:
"Zou Conny dat niet vervelend vinden?"
"Conny kennende denk ik van niet", antwoordde Eveline, "Misschien vindt zij het zelfs wel prettig om deze nacht alleen met haar moeder te zijn. En zij zal het, denk ik, alleen maar plezierig vinden als Frans onder deze omstandigheden bij Trudy blijft."
"Nou, goed dan", zei Frans, "Dan ga ik eerst maar even naar haar toe."
Frans drukte een kus op Trudy's voorhoofd en liep daarna in gedachten verzonken naar zijn huis terug. Hoewel hij veel van zijn schoonmoeder had gehouden, bleek de confrontatie met haar stoffelijke resten hem maar bar slecht af te gaan, want toen hij de sterfkamer betrad, liepen de rillingen over zijn rug. Conny leek zijn gemoedstoestand te doorzien en maakte het hem niet moeilijk. Zij wist, dat hij bang voor de dood was - tijdens een rattenplaag in de afgelopen zomer had hij Marinus de dode ratten uit de val laten halen - en stuurde hem dan ook zonder pardon, maar met een welgemeende nachtkus naar hun buren terug.
Hij werd door Kitty binnengelaten. Het echtpaar stond nog steeds in de deuropening van hun logeerkamer en Frans, die opeens in een opperbeste stemming verkeerde, voegde zich weer bij hen.
"Gaat het een beetje met Conny?", vroeg Marinus fluisterend.
"Ja, zij houdt zich nog steeds goed."
"En zij vindt het prettig als je hier blijft?", vroeg Eveline.
"Ja, je had helemaal gelijk: zij zat een beetje over Trudy in en zij vindt het inderdaad bijzonder prettig als ik deze nacht een beetje bij haar in de buurt blijf."
"Nou, prima dan! Je bent van harte welkom!"
"Hee, slaapt zij nou toch weer?", vroeg Frans, enigszins teleurgesteld.
"Nee, dat denk ik niet", antwoordde Eveline.
"We zien haar er voor aan, dat zij zich slapende houdt", vulde Marinus aan, "Het is eigenlijk net, alsof zij medelijden met je heeft en dat zij je een beetje..."
"Wil ontzien?", vroeg Frans.
"Ja, precies", antwoordde Eveline glimlachend.
"Meen je dat echt?"
"Ja, het is echt waar!", antwoordde Marinus vertederd, "Het is ook echt een schatje, dat dochtertje van jou. Ik heb in mijn hele leven nog nooit zo'n lief kind gezien. En dat zeg ik niet, omdat jij haar vader bent."
"Je bent toch niet jaloers op Frans, h?", vroeg Eveline, met een geniepig glimlachje.
"Neuh..."
"Echt niet? Je zou haar niet voor die akelige Kitty willen omruilen?"
"Nee, maar dat hoeft ook helemaal niet", gniffelde Marinus, "Want zoals het er nu naar uitziet, komt dat lieve, snoezige meisje over een half jaar op mijn schooltje en in mijn klas terecht. En dan zal ik haar in de zes jaar daarna meer zien dan Frans."
"O, la, la! Zes jaartjes jong pas en nu al brengt zij alle volwassen mannen het hoofd op hol."
"Ach, stel je niet zo aan! Je weet best, wat ik bedoel."
"Ach, stil maar, liefje! Ik plaagde je alleen maar een beetje."
"Dus jullie vinden het goed, dat ik hier blijf?", vroeg Frans, met een lijzige stem.
"Ja, lieverd", antwoordde Eveline, een beetje blozend, "We staan erop! Die kleine heeft vreselijk veel van haar grootmoeder gehouden en het is dus maar de vraag, of zij een beetje redelijk de nacht zal doorkomen."
"Ja, je moet echt hier blijven, Frans", zei Marinus, "En je moet het je hier ook maar zo gemakkelijk mogelijk maken. Ik zal wel even de schommelstoel van beneden halen. Als je dan een hoofdkussen tegen de rugleuning legt, zit je toch nog een beetje comfortabel."
"Dat lijkt mij prima."
"Okay, dan" zei Eveline, "Dan zal ik, voor ik naar bed ga, nog wat boterhammen en wat koffie voor je klaarmaken."
"O, wil je dat echt voor mij doen?", vroeg Frans dankbaar, "Dat zou ik echt vreselijk lief van je vinden. Het eten is er vanavond inderdaad bij ingeschoten en ik rammel echt van de honger."
Het echtpaar liet Frans alleen en Frans zelf zette zich voorzichtig op de rand van het bed neer. Trudy ademde regelmatig en hield haar ogen gesloten, maar kon het steelse knipperen van die ogen toch niet voor haar vader verborgen houden. Het vertederde hem en het luchtte hem op. Nu zij wakker was, was hij ook moreel gerechtigd om hier bij zijn buren te blijven en zijn huis met zijn ontzielde schoonmoeder te laten voor wat het was. Die buren keerden onderwijl een voor een in hun logeerkamer terug. De een met de schommelstoel en het kussen, de andere met een dienblad met boterhammen, een thermosfles met koffie en een kop en schotel.
"Ah, dank je wel", prevelde Frans.
"Denk je, dat je het hiermee zult redden?", vroeg Eveline.
"Ja, natuurlijk!"
"Ik heb Conny daarnet ook nog even een sleutel gegeven. Voor het geval het haar daar teveel wordt."
"O, dat is vreselijk lief van je", zei Frans.
"Je weet zeker, dat je niks meer nodig hebt?"
"Ja, ik weet het zeker", antwoordde Frans glimlachend.
"Dus we kunnen met een gerust hart naar bed gaan?"
"Ja, natuurlijk! Ik hoop, dat jullie ondanks alle consternatie toch nog een beetje kunnen slapen."
"Dat zal wel lukken, hoor", zei Eveline, "Welterusten, h?"
"Welterusten."
"Maf ze, beste kerel", zei Marinus grinnikend, "En hou je taai!"
"Dank je. Ik red mij wel."
Zijn buren verlieten de kamer en trokken zich in de aangrenzende slaapkamer terug. Frans schonk zich onderwijl een kop koffie in. Hij was er aan toe, deels omdat hij er trek in had, deels omdat hij deze nacht wakker wilde blijven. Deze nacht wilde hij, koste wat het kost, in het gezelschap van Trudy doorbrengen en daarvan zou nu niets, of niemand hem meer kunnen afbrengen.
Hij had het Conny nooit verteld, maar als hij door zijn zaken genoodzaakt was om in een hotelkamer te overnachten, miste hij Trudy het meest. Hij verafgoodde haar en keek met afschuw uit naar de periode in haar leven, waarin zij tot een mooie, jonge vrouw zou gaan uitgroeien. In de komende jaren zou hij duchtig aan zichzelf moeten werken om te zijner tijd op een volwassen manier met het onvermijdelijke om te kunnen gaan. Hij betwijfelde echter, of hij daartoe ook in staat zou zijn.
Zijn angst voor de toekomst vertroebelde ook zijn kijk op het heden. Hij genoot door zijn harde werken te weinig van het leven. Wat had dat harde werken van hem voor zin als hem dat praktisch elke werkdag bij zijn vrouw en kind vandaan hield? Dat harde werken had overigens wel resultaat gehad. Door zijn aannemingsbedrijfje rendabel te maken en uit te bouwen, had hij zich in de ogen van zijn vader meer dan bewezen. Frans wist ook, wat dat betekende: over een jaar of tien zou hij aan het hoofd van zijn vaders bouwconcern komen te staan en zou hij met zijn gezin misschien wel naar Bloemendaal of Aerdenhout kunnen verhuizen.
Maar nu na die eerste confrontatie met de dood twijfelde hij steeds sterker aan de haalbaarheid van dat toekomstperspectief. De prijs daarvan was hoog. Te hoog voor zijn gevoel. Hij kon niet genoeg van Trudy genieten. Elke zondag besefte hij weer, hoe gezegend hij was. Elke zondag genoot hij weer van haar dromerige buien, van haar zachtmoedige, stille karaktertje, waarmee zij de sfeer in hun huis elke dag weer iets liefs meegaf.
En nu, op de dag, waar hij de laatste weken zo tegenop had gezien, had hij haar ineens helemaal voor zichzelf. Dat zij inmiddels waarschijnlijk toch wel in slaap was gesukkeld, was niet zo belangrijk voor hem. Zij hoefde niets te zeggen en zij hoefde niets te doen; haar nabije aanwezigheid was meer dan genoeg voor hem.
Terwijl hij met een luchtig gemoed zijn boterhammen at, werd hij zich echter wel van een vage onrust bewust. Het duurde even, voordat hij doorhad, wat daarvan de oorzaak was, maar toen steeg het schaamrood hem dan ook onmiddellijk naar de kaken. De dochter des huizes was namelijk haar slaapkamer binnengegaan - de kamer, die recht tegenover het logeerkamertje lag - en was bezig om zich gereed te maken voor de nacht. Hij wilde het absoluut niet zien, maar kon door de openstaande deuren toch heel goed zien, hoe het mooie, mollige meisje zich begon uit te kleden. Hij deed overigens geen enkele poging om van haar weg te kijken. Integendeel: hij kon zijn ogen niet meer van haar afhouden en kon zich niet aan de enigszins troostende gedachte onttrekken, dat zij dat uitermate plezierig vond.
De jurk, de onderjurk, de kousen, het jarretellegordeltje en de beha werden uitgetrokken en voor een, naar Frans' mening, iets te kort nachthemd verwisseld. Op dat moment leek er echter een kleine pauze in de schermutselingen op te treden: zij ging op de rand van het bed zitten en rookte in alle rust de laatste sigaret van die dag.
"O, mijn God!'' brabbelde hij voor zich uit, ''Wat moet ik doen?"
In de afgelopen jaren was hij zich vaaglijk bewust geweest van een stijgende belangstelling van haar kant, maar daar had hij verder niets mee gedaan. Want hoewel Conny hem twee jaar geleden in bedekte termen toestemming had gegeven om van tijd tot tijd vreemd te gaan, had hij niet verwacht, dat hij daarmee het recht had verworven om een affaire met een minderjarig buurmeisje te beginnen.
Hij vroeg zich wel af, of Kitty misschien iets van die afspraak afwist. Conny was heel open in die dingen; misschien had zij die afspraak in een gesprek met Eveline ter sprake gebracht en de al even openhartige Eveline had het misschien ook wel met haar gezin besproken.
In n ding zat het hem mee: Trudy sliep nog steeds. Het vermocht hem niet op te monteren. Als zij wakker was geworden, had hij zich misschien wat minder eenzaam gevoeld en minder bevattelijk voor de depressie, waarvan hij nu last begon te krijgen. Vooral omdat ook deze depressie werd veroorzaakt door het toekomstbeeld van een opgroeiende Trudy. Beetje bij beetje drong het tot hem door, dat hij een verloren man was. Nu Trudy nog jong was, had zij hem nog nodig, maar over tien jaar, twaalf jaar zou hij met zijn obsessieve vaderliefde niet meer dan een blok aan haar been zijn.
Voor dit probleem was eigenlijk ook maar n oplossing te bedenken: hij zou zich, als het eenmaal zover was, onmiddellijk van kant moeten maken. Het zou een daad van zelfopoffering gaan worden, voortvloeiend uit dezelfde keuze, die Sydney Carton in 'A Tale of Two Cities' had gemaakt. Want alleen door zijn dood zou hij Trudy in gelegenheid kunnen stellen haar eigen geluk te vinden. Alleen dan zou zij in staat zijn om de juiste levenskeuzes te maken.
Intussen had Kitty haar sigaret opgerookt. Zij doofde de peuk, legde hem in de asbak op haar nachtkastje en trok vervolgens haar onderbroekje uit. Zij deed het met een zekere aarzeling, alsof zij zich toch niet helemaal zeker van haar zaak voelde. Pas toen het broekje haar knien was gepasseerd, scheen zij alle aarzelingen van zich af te schudden. Zij trok het van haar voeten, wierp het haast achteloos weg, stond van het bed op en liep met een zekere vastberadenheid naar Frans toe. Hij hield zich slapende, maar wist zich verslagen, toen de geur van babyzeep zijn neusgaten bereikte en een slanke hand hem even teder over zijn donkerblonde krulharen streelde. Hij sloeg zijn ogen op en keek haar hulpeloos aan.
"Kan ik nog iets voor u doen?", vroeg zij.
Zijn linkerhand gaf het antwoord: door heel behoedzaam over haar rechterdij te glijden. Zijn terughoudendheid was overigens misplaatst. Zij deed namelijk geen enkele poging om hem af te weren. Zij hield de handen ineengevouwen voor haar buik en bekeek de bewegingen van zijn hand met een lieve, haast zorgzame gelaatsuitdrukking.
"Ik eh... heb een verrassing voor u", zei zij, met een glimlachje.
"Wat dan?", vroeg hij, zonder hoop op mededogen.
"Trudy heeft mij uitgenodigd."
"Uitgenodigd?"
"Ja, zij heeft mij deze avond verklapt, dat zij in de kerstvakantie met u mee op karwei mag en dat zij dan samen met u een weekje in een hotel in Zwolle zal gaan logeren."
"Ja, dat is zo."
"En zij heeft mij gevraagd, of ik met haar mee wil gaan. Zij is een beetje bang, dat u haar een beetje lastig zult vinden."
Frans kreeg met veel moeite zijn spraakvermogen terug en wist, wonder boven wonder, ook zijn zwervende linkerhand weer onder controle te krijgen.
"Dat zou ik natuurlijk heel leuk en gezellig vinden", zei hij, "Maar ik ben bang, dat je ouders dat niet goed zullen vinden."
"O, dat is helemaal geen punt. Ik heb het ze al gevraagd en ze hebben er helemaal geen problemen mee."
"Echt niet?", vroeg hij kleintjes.
"Nee, ze zijn er juist heel blij mee. Ze vinden, dat het de hoogste tijd is, dat ik een beetje levenservaring opdoe en wat meer van de wereld zie."
"En dat moet in Zwolle gebeuren?", vroeg hij, met dapper klinkende ironie.
"De plaats is niet belangrijk, de persoon des te meer."
Die laatste opmerking schokte hem zeer. Hij hapte naar adem, maar zag nog een laatste uitweg:
"En wat vindt je vriend van je plannetje?"
"Ronny heeft niets te vinden", antwoordde zij, met een vaag lachje, "Bovendien heb ik hem beloofd, dat het daarna zijn beurt zal zijn."
Daarmee had zij hem schaakmat gezet. Hij was zich meteen terdege van die nederlaag bewust en zei verder niets meer.
"Trudy heeft het daarnet overigens al helemaal uitgedokterd", vervolgde zij, met een wat sluwe gelaatsuitdrukking, "We nemen, als we in Zwolle zijn, twee kamers, een tweepersoonskamer en een eenpersoonskamer en gaan er elke dag om loten, wie die nacht in de eenpersoonskamer moet gaan slapen."
"O?"
"Theoretisch is het mogelijk, dat zij het dus steeds wint."
"Aha!", zei hij, met iets van hoop.
"Maar ik weet gelukkig wel een paar trucjes om dat te voorkomen."
"Ik geloof het graag", mompelde hij voor zich uit.
"Weet u eigenlijk al, wanneer het zover is?"
"Op maandagochtend 18 december gaan we weg en op zaterdagavond 23 december komen we weer thuis."
"Vijf nachten dus", vulde zij voldaan aan.
"Ja, vijf nachten, maarre... Hoeveel daarvan zul je in mijn bed gaandoorbrengen?"
"Alle vijf."
"Daar ben je zeker van?"
"Heel zeker."
"Ik snap het."
"U heeft er dus geen bezwaar tegen?"
Hij schudde zijn hoofd, hij had er ook echt geen bezwaar tegen. Iedereen scheen het te willen, dus waarom zou hij er zich dan wel tegen verzetten? Zijn reactie scheen het enige, juiste antwoord voor Kitty te zijn. Zij keerde zich abrupt om en liep, zonder iets te zeggen, naar haar kamer terug, waar zij met opgetrokken benen en een verwachtingsvolle glimlach om de lippen op haar bed ging liggen.
Die aanblik deed Frans niet veel goed. Want ergens in zijn achterhoofd begon een stemmetje te zeuren, dat 'het toch niet helemaal in de haak was' en dat stemmetje won beduidend in kracht, toen de voordeur van het huis dichtsloeg en hij in de kalme en tegelijk krachtige tred, waarmee de bezoeker de trap besteeg, de tred van zijn vrouw herkende. Sterker nog: haar komst deed hem zelfs aan een heuse angststuip ten prooi vallen. Wat zou Conny van dit speciale hotelarrangement denken? Het was waar: hij mocht van haar vreemdgaan en zeker als hij voor een week ver van huis vertoefde. Maar zou zij aan dit afspraakje ook haar goedkeuring hechten? Zou hij daarmee niet een stapje te ver gaan?
Bij haar binnenkomst viel hem alleen haar kalme gelaatsuitdrukking op. Verder was er niets bijzonders aan haar te merken. Zij droeg een zwart jurkje en bruine nylonkousen en zij had haar lange, bruine haren in een paardenstaart op de rug hangen.
"Hoe is het hier?", vroeg zij.
"Goed, we worden allebei uitstekend verzorgd."
"Echt?", vroeg Conny glimlachend.
"Ja, ik heb echt geen klachten", antwoordde hij, met een holle stem, "Ik eh... maak mij alleen zorgen om jou."
"Dat hoeft niet, schatje. Ik heb gisteren, toen mama nog bij kennis was, fatsoenlijk afscheid van haar kunnen nemen. En daar ben ik echt verschrikkelijk blij om."
"Heeft zij gisteren nog iets... belangrijks gezegd?"
"Ja, zij heeft mij ervan doordrongen, dat papa en zij alleen maar zo vroeg zijn doodgegaan, omdat ze roofbouw op hun lichaam hebben moeten plegen, omdat ze teveel hebben moeten sappelen voor hun dagelijks brood, omdat ze in die strijd om in leven te blijven teveel hebben gerookt en teveel hebben gedronken. En dat heeft mij heel erg opgelucht."
"Waarom?"
"Omdat ik mij door de aard van hun ziektes en door hun nog jonge leeftijd heel veel zorgen over Trudy heb gemaakt. Ik zal het echt niet erg vinden als ik ook op mijn zestigste doodga. Maar ik word gek bij de gedachte, dat het die kleine misschien ook overkomt."
"Ik snap het", zei hij ontroerd, "Maar ik denk, dat je spoken ziet. In mijn familie worden we allemaal minimaal tachtig en als ik mij goed herinner zijn al jouw grootouders ook tamelijk oud geworden."
"Ja, dat is zo, maar mama heeft mij gisteren dus wel op het hart gedrukt om Trudy dusdanig op te voeden, dat zij in haar leven nooit met dezelfde zaken te maken krijgt, waar papa en mama zelf aan onderdoor zijn gegaan."
"Ja, dat is inderdaad van levensbelang."
"Ja, h?"
"Ja, ik hoop echt, dat die kleine de honderd haalt, al zou ik haar op dit moment het liefst een pak rammel willen geven."
"H?"
"Ja, ik meen het serieus. Ik ben echt vreselijk kwaad op haar."
"Wat heeft zij dan gedaan?"
"Zij heeft Kitty gevraagd, of zij mee wil gaan als we samen naar Zwolle gaan. En zij heeft het op een dusdanige manier gedaan, dat ik met geen mogelijkheid nee kon zeggen."
"O, jee!", zei Conny, na een korte aarzeling, "Is dat echt zo?"
"Ja, en Kitty heeft mij daarnet ook haarfijn duidelijk gemaakt, hoe zij daar misbruik van gaat maken."
Conny reageerde daar niet meteen op. Zij ging op de rand van het bed zitten, schoof met een haar typerende onbevangenheid haar jurk omhoog en begon zich in alle rust met een losgeschoten jarretelle van haar rechterkous bezig te houden. Zij maakte de jarretelle aan de kous vast en controleerde beide kousen ook nog even op ladders. Tijdens de laatste handeling verscheen er een vage glimlach op haar gezicht, die hem eigenlijk al helemaal geruststelde.
"Ach, schatje, maak je daar nou maar niet druk om", zei zij uiteindelijk, "Het is misschien een beetje gnant voor je, maar over een paar dagen, als mama eenmaal is begraven, hebben we nog anderhalve maand om te bespreken, hoe we met dat probleempje zullen gaan omgaan."
"Ah, prima", verzuchtte hij.
"Heb ik je een beetje gerustgesteld?", vroeg zij, haar jurk weer omlaag duwend.
"Ja, helemaal. Ik wil nu alleen nog maar weten, hoe de situatie thuis is? Ligt je moeder daar nu helemaal alleen?"
"Nee, schatje, wees maar niet bang. Je moeder is gekomen en zij waakt nu bij mama."
"Wat?", vroeg Frans, met een iets te luide stem, "Is mam er ook?" "Ssst!", zei Conny verstoord, "Schreeuw niet zo, halvegare idioot, die je bent!"
Het was al te laat.
"Mammie?", klonk het aarzelend.
Conny keerde zich naar Trudy om en leek ineens zeer ontroerd te zijn. Zij had daar een goede reden voor: Trudy had zich half opgericht en strekte zonder verder iets te zeggen haar tengere armpjes naar haar uit.
"Dag, schatje van mij", zei zij fluisterend.
Er ging een rilling door Conny's lichaam, toen zij haar dochtertje naar zich toe trok. Het ontging Frans niet. Het leek hem het beste om zijn vrouw en dochtertje maar even alleen te laten. Hij rees op uit zijn stoel en drukte met oprechte tederheid een kus op Conny's wang.
"Ik ga mijn moeder even gedag zeggen," zei hij.
"Goed, schatje, doe dat maar", zei zij zacht, "Als Trudy weer slaapt, bel ik je wel en kun je mij wel weer komen aflossen."
"Goed."
Hij verliet de kamer en wuifde naar de dromerig voor zich uit kijkende Kitty, zonder er zich van te vergewissen, of zij ook terugwuifde. Eenmaal buiten snoof hij met welbehagen de koele avondlucht in. Het was goed zo. Trudy was in goede handen, bij de steun- en toeverlaat, die haar wel altijd terzijde zou blijven staan en hij wist nu zeker, dat hij zich in de laatste acht, negen jaar van zijn leven geen enkel pretje zou hoeven te ontzeggen. Toen hij een minuut later opnieuw de sterfkamer binnenliep, was van beklemming dan ook geen sprake meer.

BERT HARBERTS


De geschilderde versie van 'Before the deluge', geschilderd door Peter Hagenaar (Bedankt, Peter!)


Trudy (6) - Geschilderd door Peter Hagenaar (Nogmaals bedankt, Peter!)


Terug


Amsterdam, 31 juli 1995. © Bert Harberts