UITSTAPJE

De donkergrijze Ford Consul stopte precies voor het hoekhuis aan de Noordamsterdamse Monnickendammerweg. Er zat een jong, uit Heemskerk afkomstig, gezin in: een knappe, bijna negenentwintigjarige man met donkerblond krulhaar, een mollige, zevenentwintigjarige brunette en een klein, blond meisje van drie jaar, dat op de achterbank dromerig voor zich uit zat te staren. Ze waren alle drie uitstekend gekleed. De man droeg een smetteloos, wit overhemd, een rode stropdas, een zwart kostuum en een lange, zwarte regenjas. De vrouw had onder haar half lange, rode regenjas, een wit, wollen jurkje aan, met daaronder een paar donkerbruine nylonkousen. Het meisje droeg een zwart winterjasje en een fleurig jurkje, dat haar in combinatie met haar mooie gezichtje het aanzien van een eigentijds gekleed engeltje gaf.
Wat voor hun kleren gold, gold in nog sterkere mate voor de auto. Die was namelijk gloednieuw; ze hadden de Consul een kwartier daarvoor bij de plaatselijke Ford-dealer opgehaald. De man, die als eerste uitstapte, liep zonder zijn trots over zijn nieuwe aankoop te verbergen om de auto heen en hield daarna met ironisch gemimeerde eerbied de deur voor zijn vrouw open.
De vrouw doorzag zijn act. Zij stapte uit met de allure van een filmster en onthulde daarbij tamelijk veel van haar benen, iets, wat haar ontuchtig grijnzende man zichtbaar plezier deed. De vrouw negeerde die grijns. Zij gooide de voordeur dicht en trok daarna met een nonchalant gebaar de achterdeur van de auto open. Haar dochtertje leek nog steeds in verre oorden te verblijven. Pas toen de vrouw voor de derde maal haar naam had genoemd, kroop zij over de bank naar haar moeder toe. De vrouw nam haar liefdevol in haar armen en liep toen samen met haar man naar de voordeur van het huis, waar haar ouders woonden.
Het echtpaar was nu vier jaar getrouwd. Ze hadden elkaar in de lente van 1951 ontmoet, op een terrasje van een strandpaviljoen in Zandvoort. De man was die dag als een blok voor haar gevallen en de ontmoeting in Zandvoort met die vrolijke, mollige meid uit Amsterdam-Noord was na een verloving van drie jaar uiteindelijk in een gelukkig huwelijk uitgemond.
De rolverdeling in dat huwelijk was vanzelfsprekend traditioneel van aard. De vrouw deed het huishouden en was vrijwel in haar eentje verantwoordelijk voor de opvoeding van hun dochtertje. De man was aannemer van beroep. Hij boerde goed. Hij bezat al twee huizen, midden in de dorpskern van Heemskerk, waarvan hij er een met zijn gezin bewoonde en dacht met het oog op de uitbreidingsplannen van zijn woonplaats meer en meer aan een verdere uitbouw van zijn bedrijf.
Maar vandaag, op deze druilerige zaterdag in november, bleef hij bij de toekomst niet zo lang stilstaan. Deze eerste rit met zijn nieuwe auto hield hem op dit moment meer bezig. Staande bij de deur keek hij nog even naar de auto om. Hij zag nogal op tegen het nu op handen zijnde bezoek aan zijn schoonouders, maar de wetenschap, dat die welgevormde beauty geduldig op hun terugkomst zou blijven wachten, deed alle onlustgevoelens op slag verdwijnen. De aanblik van de auto bracht zelfs een ongekend geluksgevoel in hem teweeg.
Het duurde niet lang, voordat ze door zijn schoonvader werden binnengelaten. Het was een grijsharige, bebrilde man van ongeveer zestig jaar met een wat ingevallen gezicht en een tenger postuur.
"Dag, paps!", zei de vrouw vrolijk.
"Dag, Conny! Dag, Frans! Kom binnen!"
"We komen toch niet ongelegen?", vroeg Frans, met welgemeende, maar onhandig geuite hartelijkheid.
"Nee, natuurlijk niet", antwoordde zijn schoonvader afgemeten.
Ze betraden een smal gangetje, dat doorliep tot de keuken. De koele blik, waarmee Conny's vader Frans had aangekeken, werd door de aanblik van zijn snoezige kleindochter meteen al wat verzacht. Het meisje had zelf al haar jasje uitgetrokken en aan haar moeder overhandigd en keek nu heel nieuwsgierig om zich heen.
"Blijven jullie eten?", vroeg hij.
"Nee, paps!", antwoordde Conny, met iets van spijt in haar stem, "En we kunnen ook niet zo heel lang blijven. We zijn op weg naar Marken."
"Wat hebben jullie daar in godsnaam te zoeken?"
"Ach, we zijn er nooit geweest en nu die dijk er is, willen we wel eens zien, hoe het er uitziet. En we gaan er natuurlijk vooral heen om Trudy een plezier te doen."
"Ik snap het."
"Is mama er niet?"
"Nee, zij is bij je grootmoeder op bezoek."
"Bij oma? O, en hoe is het nou met haar?"
"Ach, het is een aflopende zaak, h? We hebben ook niet het idee, dat ze in het ziekenhuis nog erg veel werk van haar maken."
"Ach, nee!", riep Conny ontzet, "Dat meent u niet!"
"Helaas wel, kindje! Maar je moeder is er gelukkig vrij nuchter onder. Dat moet ook wel, h? Je grootmoeder is bijna drientachtig, zij heeft nu natuurlijk haar beste tijd wel gehad."
"Ja, maar toch..."
"Tja, maar het is gewoon niet anders. Maar kom toch binnen! Het is zo ongezellig om zo in het portaal te blijven kletsen. Als jullie nou de kamer ingaan, ga ik wel even thee zetten."
"Ah, dat is lief van u!", zei Conny lachend, "En kan Trudy dan een glaasje Ranja van u krijgen?"
"Tuurlijk! Die heeft je moeder vanochtend speciaal voor haar gekocht."
"Ah, dat is lief van haar."
De gasten gingen de huiskamer binnen. Die huiskamer lag rechts van het portaal en maakte door de aanwezigheid van de vele meubels en de vele planten een wat benauwde indruk. Ze namen op de bank plaats en Frans keek daarna met welgevallen naar zijn duimzuigende dochter. Zij verleende deze omgeving iets fris; alleen door haar aanwezigheid kon hij tegen de sombere en morbide sfeer in dit huis bestand zijn.
Het zou in de komende jaren namelijk niet bij het overlijden van die ene inwonende grootmoeder blijven. Conny's moeder had al sinds jaren een hartkwaal, waaraan zij zou gaan overlijden en ook Conny's vader was ongeneeslijk ziek. Bij hem was drie maanden daarvoor een niet-operabele longtumor ontdekt. Een hevig, uit de keuken afkomstig gehoest, deed Frans' agitatie jegens dit huis nog toenemen. Het gehoest bleef zo lang doorgaan, dat het hem danig op de zenuwen begon te werken. Conny scheen het te merken. De zorgzame gelaatsuitdrukking waarmee zij in de richting van de keuken keek, had ook iets wanhopigs.
"Ik ga even naar hem toe", zei zij, na een korte aarzeling.
"Goed, liefje, ga maar gauw!", zei hij zacht.
Zij stond op en liep naar de keuken.
"Waar gaat mammie naartoe?", vroeg Trudy verbaasd.
"Even naar opa. Zij komt zo terug."
"Echt waar?"
"Ja, hoor, Snoepie! Wees maar niet bang: zij komt echt zo terug."
"Ik ben helemaal niet bang!", klonk het parmantig.
"Ah, prima!", zei hij lachend.
Na een paar minuten hield het gehoest op en keerde Conny weer in de kamer terug.
"Gaat het weer een beetje?", vroeg hij.
"Ja, ik heb hem even flink op zijn rug geslagen en hem even een flinke knuffel gegeven en toen kon hij er wel weer even tegen."
"Ah, goed zo!"
Zij plofte weer op de bank neer en trok daarbij in n beweging Trudy op schoot. Zij deed dat op een tamelijk bruuske manier, waardoor Trudy's schoentje onder de zoom van haar jurk bleef haken. Het resultaat daarvan, de aanblik van een kouseboord, een witte jarretelle met een ijzeren klemmetje en een ontbloot en bekoorlijk stukje bovendij, bracht Frans tamelijk in verwarring.
"Is Trudy een beetje lief geweest in mijn afwezigheid?", vroeg Conny, met gespeelde strengheid.
"Ja, natuurlijk!", antwoordde Frans fier, "Zij is toch altijd lief!"
"Da's waar!"
"Zij heeft er alleen wel voor gezorgd, dat pappie nu een heleboel van mammies, mooie linkerbeen ziet."
"O, da's niet erg! Dat is wel eens goed voor pappie. Dan ziet hij, dat er nog wel andere leuke dingen zijn dan alleen maar werken, werken en nog eens werken."
"Maar tijdens het werken denkt pappie toch alleen aan maar aan de leuke dingen, die hij daardoor voor mammie en Trudy kan kopen?", zei hij, een tikje verongelijkt.
"Ah, jh!", riep Conny schaterend, "Doe niet zo zielig!"
"Ik doe niet zielig. Ik weet best, dat ik vaak weg ben..."
"Ja, dat weet ik ook en daarom vind ik het des te fijner als je er wel bent."
"Ah, da's lief van je!"
"En aangezien je er nu dus wel bent, wil ik de middag niet met kleinzielig gekibbel verpesten."
"Da's mooi."
"Wil je eigenlijk echt naar Marken?"
"Ja! Jij toch ook?"
"Nee, eigenlijk wil ik nu al terug naar huis?"
"Waarom dan?"
"Ten eerste om Trudy voor een uurtje bij de buren onder te brengen en ten tweede om jou voor een uurtje voor mijzelf te hebben."
"Hm, het klinkt heel verleidelijk. Maar ik vind toch, dat we eerst naar Marken moeten gaan."
"Waarom?"
"Omdat we dat aan dat wurm hebben beloofd."
"Dat wurm?", vroeg zij, met opgetrokken wenkbrauwen.
"Ja, dat wurm!"
"En is dat wurm belangrijker dan..."
"Ja, vandaag wel!"
"Zeker weten?"
"Ja! En als we slim zijn en in Marken meteen wat gaan eten, hoeven we, als we eenmaal thuis zijn, Trudy helemaal niet naar de buurtjes te brengen. Dan kan zij gewoon meteen naar bed."
"Goed, liefje. Ik zal mij bij je machtswoord neerleggen en ook in dit geval gehoorzaam aan je zijn."
"Ach, je weet best...", stoof hij op.
"Stil, liefje!", suste zij, "Ik plaagde je alleen maar. En bovendien is papa daar al met de thee."
Conny's vader kwam inderdaad de kamer binnenlopen, met een dienblad vol versnaperingen. Er stonden, behalve de thee en het glaasje Ranja, ook vier mousselines met slagroom op. Conny zette Trudy weer naast zich neer, duwde de zoom van haar jurk weer naar beneden en begon met een raadselachtige glimlach aan de verdeling van de lekkernijen.
Frans keek naar Trudy en zijn schoonvader en zag hoe zij met een hartveroverende blik in haar ogen beurtelings naar haar grootvader en naar de voor haar bestemde mousseline keek. Hij zag ook, hoezeer zijn schoonvader zich aan haar o zo lieve en o zo rustige manier van doen leek op te trekken. Hij was daar uitermate trots op en verloor zich in de meest fantastische toekomstdromen, waar het Trudy aanging. Misschien zou zij hem wel kunnen opvolgen als hij over een jaar of veertig zou aftreden als directeur van zijn vaders bouwconcern. Of misschien zou zij voor die tijd allang arts zijn geworden of beter nog: een wereldberoemd chirurg. Voor haar zou in ieder geval geen zee te hoog gaan. Daar was hij vast van overtuigd. Binnen niet al te lange tijd zou de hele wereld aan haar voeten liggen.
Tijdens het theedrinken werd er niet gesproken. Conny's vader glimlachte nu kalm voor zich heen, Frans deed hetzelfde en diens vrouw en kind zaten zichtbaar van hun mousselines te genieten. Uiteindelijk verbrak Conny het stilzwijgen.
"Heeft de dokter gisteren nog wat belangrijks gezegd?", vroeg zij aan haar vader.
"Alleen maar, dat ik mij heel erg rustig moet houden. En dat je moeder moet doorgaan met die rugkloppingen. Voor het sl..."
"En helpt dat wel?" vroeg Conny, met een bemoedigende glimlach, "Komt het slijm daardoor een beetje los."
"Ja, nou! Alleen is het soms een beetje te vermoeiend voor je moeder."
"O, verdikkie!", riep Conny, "Hoe moet dat nou toch verder met u?"
"Ik weet het niet, kindje! Ik weet het echt niet!"
De beklemmende stilte, die daarop volgde, werd al vrij snel door Frans verbroken.
"Ik denk, dat ik het wel weet", zei hij kalm, "Het lijkt mij het beste, dat je vader, zodra het echt niet meer gaat, bij ons komt wonen."
Zowel Conny als haar vader keek hem verbluft aan. De tegenwerping kwam echter van haar vader:
"Ik denk niet, dat ik jullie dat mag aandoen."
"Waarom niet?", vroeg Conny, een tikje gepikeerd.
"Omdat het einde en de aanloop naar dat einde ook voor de nabestaanden bepaald niet plezierig zal zijn. Dat is niet iets, wat jullie dagelijks zouden moeten zien. En die kleine meid al helemaal niet."
"Ik heb geen andere keus!", zei Conny kortaf, "Ik zal u en mama toch moeten bijstaan als het eenmaal zover is. En daar zal Trudy toch ook bij aanwezig moeten zijn. En dan heb ik toch maar liever, dat zij gewoon thuis is. Dat zij in haar eigen bedje kan slapen, dat zij met haar eigen vriendinnetjes kan spelen, enzovoort, enzovoort..."
"Ik begrijp, wat je bedoelt. Maar ik ben bang, dat het een herinnering zal worden, waarvan zij haar hele leven last zal blijven houden."
"Dat hoeft niet. Zij zal u alleen maar zien als u zich goed voelt. En als u en mama bij ons komen logeren, kan ik haar op het moment zelf heel makkelijk bij de buren onder brengen."
"En dat kan Conny niet als u hier blijft", vulde Frans aan.
"Dat is wel zo", zei Conny's vader, met een toonloze stem, "Maar wat gebeurt er daarna? Denk je niet, dat de aanblik van een kist, die de deur wordt uitgedragen, haar geen angst zal aanjagen?"
"Nee, daar hoeft u zich ook geen zorgen over te maken", antwoordde Frans vriendelijk, "Als het zover is, neem ik haar mee voor een lange wandeling door de duinen. Dat doen we toch al, elke zondagmorgen."
"Wel, als jullie er zo over denken."
Ze zwegen even, maar van het gezicht van Conny's vader was de opluchting duidelijk af te lezen.
"Hebben we u overtuigd?", vroeg Conny.
"Ja, helemaal!", antwoordde haar vader, "En het is een pak van mijn hart! Nu ik weet, dat alles goed geregeld zal worden, zullen de komende maanden toch wel iets plezieriger voor mij zijn."
"Dat is ook de bedoeling!", zei Conny ontroerd, "We willen trouwens ook heel graag, dat u en mama tijdens de feestdagen rond Kerst en Oud en nieuw bij ons komen logeren."
"Ach, nee! Dat is echt een beetje teveel van het goede."
"We staan erop!", zei Frans.
"Ja, nou!", zei Conny, "We gaan er een echte feestweek van maken, zo eentje, die ons altijd zal bijblijven."
"Goed, maar dan wel op n voorwaarde."
"En die is?"
"Dat jullie nu weggaan. Ik heb jullie al te lang opgehouden. Jullie vertelden mij net, dat jullie met Trudy naar Marken wilden gaan en ik vind, dat zij dat uitstapje nu ook meer dan verdiend heeft."
"Waarom?"
"Omdat zij mij daarnet met haar lieve smoeltje over een hele diepe depressie heeft heengeholpen."
"Ah, dat is lief van u!", murmelde Conny verguld.
De bezoekers stonden op en liepen naar het gangetje, waar ze hun jassen weer aantrokken. De afscheid tussen Frans en zijn schoonvader verliep een stuk hartelijker dan de begroeting van twintig minuten daarvoor.
"Dag, pa!", zei Frans, met een goedmoedige grijns, "Hou u haaks, h?"
"Ja, jij ook, h? Maar rijdt in godsnaam wel voorzichtig, zometeen. Het regent al en er is ook nog storm voorspeld."
"Ik zal het doen!"
Ze verlieten het huis en stapten in de auto. Terwijl Frans de auto keerde om daarna in de richting van Schellingwoude te kunnen rijden, keek Conny met vochtige ogen naar haar, in de deuropening staande, vader. Het was de enige emotie, die zij die middag over haar vaders, naderende dood zou tonen.
Ze hadden Amsterdam-Noord snel verlaten en reden Schellingwoude binnen. De huizen van dat dijkdorp lagen er door de regen nogal mistroostig bij. Het ging nu al harder waaien en zowel Frans als Conny begon aan het welslagen van dit uitstapje te twijfelen. Toch was voor beiden n blik op Trudy's, stralende gezichtje voldoende om van een onmiddellijke terugkeer naar Heemskerk af te zien.
Hun dochtertje liet zich namelijk niets van het uitstapje ontgaan. Zij was net groot genoeg om door het raam te kunnen kijken en zij rekte zich voortdurend uit als zij iets van belang leek te zien. Soms was het de deerniswekkende aanblik van een natgeregende fietser, soms die van een kromgebogen, oud vrouwtje, dat zich voetje voor voetje voortbewoog. Zij leek elk beeld in haar geheugen te registreren, alsof het iets was, wat zij later aan iemand anders wilde doorvertellen. Voor het moment liet zij het praten echter aan haar ouders over.
"Bedankt, lieverd!", zei Conny.
"Voor wat?"
"Voor je voorstel van daarnet."
"Ach, het is toch ook in mijn belang, dat jij en Trudy gewoon thuis kunnen blijven? Het idee, dat jullie met z'n tweetjes voor onbepaalde tijd in dat benauwde huisje zouden moeten verblijven, stond mij nou niet bepaald aan."
"Dat is wel zo, maar ik blijf het toch vreselijk lief van je vinden. En het is echt veel beter voor hem. Als hij bij ons komt, kunnen we hem in ieder geval garanderen, dat hij in een vertrouwde en redelijk luxueuze omgeving zal mogen sterven. Dat had in zijn eigen kleine huisje misschien een stuk moeilijker geworden. Dan was de zorg voor hem, mama en Trudy mij misschien wel wat te veel geworden."
"Ik snap het. Hij heeft nu, zoals hij zelf al zei, n zorg minder."
"Precies!"
"Het is nog steeds niet bekend, hoe lang hij nog te leven heeft?"
"Nee, de dokter kan er niets over zeggen. Het kan drie maanden zijn, maar ook een half jaar. Het enige, wat we zeker lijken te weten, is, dat het volgend jaar zal gaan gebeuren. Maar wanneer precies..."
"O, wat een verschrikking!"
"Ja, dat is zo! Daarom ben ik ook zo blij, dat het tussen jullie tween daarnet wat beter ging."
"Ja, ik ook. Al kan ik mij wel indenken, dat hij mij tot vanmiddag nou niet bepaald als de volmaakte schoonzoon zag."
"Waarom niet?"
"Ach, liefje, dan kun je zelf toch ook wel bedenken? Ik ben de verpersoonlijking van alles, waar hij zijn hele leven tegen heeft gevochten: hij is een echte arbeider en ik ben het typische rijkeluiszoontje, dat op zijn twintigste door zijn papa in een van diens bedrijfjes is geplaatst..."
"En die zich daar heel kranig weert."
"Ja, dat is zo. Maar dat feit hoeft aan de aversie van je vader jegens mij niets af te doen. Het verschil tussen ons is gewoon te groot. Ik heb in mijn leven alles mee gehad. Ik heb in de oorlog geen honger hoeven lijden en heb altijd in een redelijk, tot zeer goede welstand geleefd. Hij heeft zijn leven lang voor zijn brood en zijn gezinnetje moeten sappelen, hij heeft wel van twee oorlogen te lijden gehad en hij heeft in de tussentijd ook nog een hele zware, economische depressie meegemaakt."
"Da's wel waar, natuurlijk."
"En het ergste is, dat hij straks in een tijd, dat het eindelijk langzaam beter gaat worden voor mensen zoals hij, op de meest vreselijke manier zal moeten creperen."
"Tja, dat is zo! Maar mijn vader houdt veel van mij en ik denk dus niet, dat hij mij een zelfde soort leven heeft toegewenst, zoals hij dat met mama heeft geleid."
"Ja, maar dat neemt niet weg, dat het niet meer dan normaal is, dat hij zich instinctief tegen mij afzet. Al is het alleen maar, omdat ik zijn oogappel uit zijn leven heb weggerukt."
"Ach, misschien heb je wel gelijk. Al is dat volgens mij iets, wat elke vader wel zal hebben."
"Als hij een dochter heeft wel, ja."
"Tja, dat is zo! Wie weet, wat voor ellende jou nog te wachten zal staan."
"Hou op!", riep hij lachend, "Ik begon mij net een beetje vrolijker te voelen."
"Ah, stel je niet zo aan!"
Na een paar minuten reden ze Schellingwoude alweer uit. De weg voerde eerst onder de pasgebouwde Schellingwouderbrug door en gaf na een scherpe bocht naar rechts het eerste zicht op Durgerdam, het tweede dijkdorp, dat ze op hun weg naar Marken zouden passeren.
Tijdens de korte rit door Durgerdam bleef het echtpaar zwijgen. Conny scheen wat slaperig te worden. Zij schopte haar schoenen uit en zakte met een zucht van welbehagen onderuit. Frans was inmiddels weer een beetje gedeprimeerd geraakt. Hij was in hun verlovingstijd regelmatig met Conny in het gezellige en van drie kroegen voorziene Durgerdam geweest en hij ervoer die kroegherinneringen niet als onverdeeld plezierig.
Hoewel hij zielsveel van Conny hield, was hij zeker niet ongevoelig voor de charmes van andere vrouwen. Die aantrekkingskracht was wederzijds. Niet alleen in de kroegen van Durgerdam, maar eigenlijk op elke plek, waar hij zich vertoonde. In de eerste jaren van zijn huwelijk had hij al aan een groot aantal verleidingen blootgestaan en ofschoon hij Conny sinds de dag van hun eerste ontmoeting trouw was gebleven, wist hij niet, of hij dat ook in toekomst zou kunnen volhouden.
Terwijl ze verder reden in de richting van Uitdam, keek hij af en toe vluchtig naar haar gezicht. Zij was nog wat verder onderuitgezakt en daarna heel langzaam weggedoezeld. In die houding, met de handen op de schoot en met die licht gespreide benen, had zij opeens iets weerloos over zich. Voor zijn gevoel was zij mooier geworden, de laatste maanden, en ook wat molliger. Dat stijgende gewicht was iets, waar zij elke avond voor het slapen gaan goedmoedig over kankerde. Nu glimlachte zij echter, op een half naeve, half ironische manier, en voor even kon Frans de gedachten aan andere vrouwen uit zijn hoofd zetten. En ding was wel zeker voor hem: zij zou in ieder geval altijd zijn vrouw blijven, zelfs als zou hun huwelijk ooit op een scheiding zou uitdraaien.
Het was Trudy, die hem van al zijn sores wist af te leiden. Zijn dochtertje had tot nu toe hardnekkig gezwegen, maar zij was nu wel een stuk beweeglijker geworden. Zij zat nu op haar knien en verdeelde haar aandacht tussen de achterruit en de linkerzijruit.
"Hee, Snoepie!", begon Frans lachend.
"Ja, pappie?"
"Zit je soms met je schoenen op mijn mooie achterbank?"
"Nee, die heb ik uitgetrokken."
"Nee, echt? Kun je dat dan al zelf?"
"Ik heb toch sandalen aan!"
"O, ja! Die heb ik vanmorgen zelf nog wel aangetrokken. Wat stom van pappie, h?"
"Ja."
"Zullen we er even uitgaan en op de dijk gaan staan?"
"Jaaaah!"
"Goed, maar dan moet pappie wel even een parkeerplaats zoeken."
Hij vond er een ter hoogte van Holysloot, waar in een bocht van de dijk een picknicktafel was neergezet. Hij stopte de auto, draaide zich om, en keek lachend toe, hoe zijn dochtertje op een handige manier haar sandalen aantrok.
"Wil je echt mee naar buiten?", vroeg hij ten overvloede.
"Ja!"
"En je bent niet bang voor de regen?"
"Nee, die doet toch geen pijn?"
"Nee hoor, Snoepie! En als de regen dat wel zou doen, zou pappie de regen mores leren! Ik zal er in ieder geval wel voor zorgen, dat je voetjes droog blijven."
Hij nam haar in zijn armen en klom via een trap de dijk op. Eenmaal boven speurden ze de horizon af. Heel in de verte konden ze Pampus zien, daaromheen was slechts het water van het IJsselmeer te ontwaren. Het waaide nu hevig en de regen striemde hen in het gezicht, maar het bleek hen niet te kunnen deren.
Dit moment zou Frans altijd bijblijven. Hij had nooit meer van Trudy gehouden dan juist nu. Al bleef hij ook op dit gouden moment niet van zwartgallige bijgedachten gespeend. Want hoewel zij nu nog van hem was, zou hij haar over twaalf, dertien jaar toch zeker aan iemand anders gaan verliezen. Dan zou zij tot een waarschijnlijk, beeldschone tienerdochter zijn uitgegroeid, die al haar mannelijke leeftijdsgenootjes in Heemskerk moeiteloos het hoofd op hol zou kunnen brengen.
De regen had gelukkig een verfrissende uitwerking op hem. Bovendien zou geen enkele zwartgallige gedachte bestand kunnen zijn geweest tegen de aanraking van dat tere, en o zo breekbare armpje rond zijn nek.
"Vind je het mooi hier?", vroeg hij.
"Ja, heel erg!"
"En je hebt het niet koud?"
"Nee."
"Ah, wat ben je toch een flinke meid! Ik ben echt vreselijk trots op je, maar het lijkt mij toch beter om maar weer terug naar de auto te gaan."
"Goed, pappie!"
Hij streelde haar over het haar, drukte een kus op haar wang en liep daarna in gedachten verzonken naar de auto terug.
"Waar gaan we nu naartoe?", vroeg Trudy.
"Nu gaan we naar Marken!"
"Wat gaan we daar doen?"
"Een beetje lopen en misschien een beetje eten."
"En daarna?"
"Ik weet het niet. Misschien moeten we daar wel in een hotel blijven slapen als het zo blijft stormen! Zou je dat leuk vinden?"
"Ja!"
"Wil je dan alleen in een bedje slapen? Of liever bij mammie en pappie in het hele grote bed?"
"Liever bij mammie en pappie in het hele grote bed!"
"Ook als mammie daar heel boos om wordt?"
"Mammie wordt toch nooit boos?"
"Nee, maar daar is ook nooit een reden voor, h?"
"Nee."
"Zal zij ook niet boos op pappie worden, omdat ik met jou naar buiten ben gegaan?"
"Nee, zij wordt niet boos."
"Echt niet?"
"Echt niet!"
Eenmaal terug in de auto bleek Trudy's optimistische kijk op haar moeders reactie bewaarheid te worden. Conny begroette de twee dijklopers slechts met milde ironie:
"En jongens, was het lekker nat buiten?"
"Het was heerlijk!", antwoordde Frans, "Ik ben er vreselijk door opgeknapt."
"Voelde je je dan niet lekker?"
"Nee, dat niet. Maar ik was wel een beetje treurig."
"Waarom dan?", vroeg zij voorzichtig.
"Om het lot van je vader, je moeder en je grootmoeder en ook om het bestaan van dat miezerige, driejarige ventje, dat later met mijn schattige dochtertje zal gaan trouwen."
Zij barstte in lachen uit, hetgeen zijn gemoedsstemming bepaald niet ten goede kwam, want toen hij zijn auto startte, deed hij dat op een felle, geagiteerde manier, die zijn onmacht tamelijk goed weerspiegelde.
"Lach jij maar!", zei hij grimmig, terwijl hij de auto weer de dijkweg opreed, "Wie weet met wat voor griezelige bruut zij in 1971 thuiskomt!"
"Ben je daar echt bang voor?"
"Ja", zei hij, met een toonloze stem, "Ik word soms gek van de zorgen, die ik mij om haar maak! Wie weet, wat zij later tegenkomt? Ik zou willen sterven als ik wist, dat ik daarmee haar geluk zou bevorderen, als ik daarmee zou kunnen bewerkstelligen, dat zij later, als zij twintig is, wel de juiste keuze maakt en dus wel een goede man vindt. Maar wie kan ons garanderen, dat haar dat geluk ten deel zal vallen? Wie kan ons garanderen, dat zij voor die tijd niet een kinderlokker zal tegenkomen?"
"O, Frans, hou op!", riep Conny.
"Ben jij daar dan niet bang voor? Je weet toch, wat voor viezeriken er op deze wereld rondlopen?"
"Ja, dat weet ik!", zei zij, met weldadig aandoende kalmte, "Maar ik weet ook, dat we haar daar afdoende tegen kunnen beschermen."
"Hoe dan?", hoonde hij, "De komende tien zullen we haar nog bij ons kunnen houden, maar eens zullen we haar los moeten laten. Eens komt er een tijd, dat zij uit zal willen gaan, of naar dansles zal willen."
"Als zij ooit naar dansles gaat, zal dat heus niet in de duinen zijn, hoor. Of in een oud landhuisje in de bossen. Dat zal dan in Beverwijk of IJmuiden zijn. In een buurt, waar een bus doorheen rijdt, die ook ons dorpje zal aandoen."
"Tja, dat is misschien wel zo, maar toch..."
"En als het ooit zover komt, zul jij degene zijn, die haar elke keer mag brengen en ophalen. Ik zie je ook al helemaal zitten. Je verbijtend achter het stuur van de auto en met argusogen kijkend naar de jongens, die dan in groten getale om haar heen zullen zwermen."
"O, dat zal ik ook zeker doen. Wees daar maar niet bang voor. Als het eenmaal zover is, zal ik haar ook geen moment uit het oog verliezen."
"Meen je dat?"
"Ja, natuurlijk!"
"Dat is natuurlijk wel lief van je, maar ik begin er eigenlijk nu al over te twijfelen, of het ooit zover zal komen."
"Met wat?"
"Met die dansles! En dat uitgaan."
"Hoezo?"
"Volgens mij is zij daar veel te dromerig voor. En te introvert. Het wordt geen uitgaanstypetje, dat van dansen houdt. Trudy zal naar alle waarschijnlijkheid gewoon uitgroeien tot een mooi, maar serieus meisje, dat verliefd zal worden op de eerste de beste, leuke schooljongen, die zij tegenkomt."
"Denk je?"
"Ja, dat geloof ik echt! Ik denk, dat het een heel lief jochie zal zijn. Een kalm, snoezig ventje, dat zij helemaal haar wil kan opleggen en dat altijd bij haar zal blijven."
"Ik help het je hopen."
"O, daar heb ik echt het volste vertrouwen in. Zij zal haar man uitkiezen op de manier zoals zij haar kleertjes uitkiest. Met de kalme, geduldige overredingskracht, waarmee zij mij altijd inpalmt, als we kleertjes voor haar kopen, zal zij ook de jongen van haar dromen in haar netten gaan vangen."
Hij schoot in de lach. Het scenario, dat zijn vrouw hem voorspiegelde, kwam heel geloofwaardig op hem over. Het vervolg van haar betoog klonk ook wel overtuigend:
"En als het eenmaal zover is, zal zij hem aan ons tonen op de manier, zoals zij naar zichzelf in de spiegel kijkt als zij die nieuwe kleertjes eenmaal aan heeft."
"Met een zoet glimlachje om de mond en met haar handen op de rug!", vulde hij schaterend aan.
"Ja, precies! Alsof zij wil zeggen: 'Zien jullie nou wel, dat ik altijd de juiste keuzes maak'?"
Ze reden inmiddels door Uitdam, een gehucht, dat op vijf kilometer van Marken lag verwijderd. Er was nog maar weinig verkeer op de weg. Het regenen was vrijwel gestopt, maar het begon al wel langzaam donker te worden.
"En jij?", hernam Frans aarzelend, "Ben jij er eigenlijk wel zeker van, dat je met mij de juiste keuze hebt gemaakt."
"Ja."
"Weet je dat heel zeker?"
"Ja, heel zeker. Ik weet ook heel zeker, dat ik nooit spijt van ons huwelijk zal krijgen, wat er in de toekomst ook met ons zal gaan gebeuren."
"Wat zou er dan kunnen gebeuren?", vroeg hij, een tikje schijnheilig.
"Ach, dat weet je toch zelf wel? Je weet heel goed, dat je een hele knappe, hele succesvolle man bent en dat je dus ook heel goed in de markt ligt. Ik kan mij bijvoorbeeld heel goed voorstellen, dat je ooit een hele knappe, hele rijke opdrachtgeefster zult krijgen, wier charmes je uiteindelijk toch niet zult kunnen weerstaan. Om van de charmes van je toekomstige secretaresses nog maar te zwijgen."
"Dat zal niet gebeuren! Ik zweer het je! Ik zal nooit vreemdgaan en ik zal jou en Trudy nooit in de steek laten."
"Echt niet?"
"Nee, echt niet! Het zou ook mijn eigen ondergang worden. Als ik ooit bij jullie weg zou gaan, zou ik uiteindelijk kapot gaan aan mijn schuldgevoelens daarover."
"Hm, ik geloof je als je zegt, dat je nooit zult willen vreemdgaan. Ik geloof echt, dat je mij altijd trouw zult willen blijven. Ik ben er alleen niet helemaal zeker van, of je dat ook zult kunnen."
"Ik kan het wel! Het moet ook! Ik kan niet anders! Ik zal iedereen ten gronde richten als ik het niet zal kunnen."
"We zullen zien! Maar ondertussen kun je voorlopig echt geen kwaad bij mij doen. Voor wat je daarnet voor mijn arme vader hebt gedaan, zal ik je namelijk altijd dankbaar blijven."
Hij was opgelucht, dat zij van gespreksonderwerp was veranderd, maar toen hij na enig aarzelen de conversatie hervatte, klonk zijn stem nog tamelijk mat:
"Zou er een hotel op Marken zijn?"
"Ik weet het niet, liefje!", antwoordde zij lachend, "Heb je iets ondeugends in de zin?"
"Dat heb ik toch altijd."
"Ja, dat is zo! Maar de laatste keer, dat we aan de oever van het IJsselmeer hebben gevrijd, ben ik er niet zonder kleerscheuren afgekomen."
"H? O, je bedoelt onze eerste keer, op die steiger bij Durgerdam."
"Ja, op die heerlijke dag in de zomer van '51, met die heerlijke en o zo prikkelende zonnestralen op mijn huid, met dat romantische geluid van dat klotsende water bij mijn voeten en met die hartveroverend, knappe verloofde, die mij en zichzelf bij die gelegenheid bepaald niet spaarde."
"Het heeft je toen inderdaad wel een kous gekost. Om van die gemene schaafwond nog maar te zwijgen."
"Ja, da's waar. Oei! Ik voel nog, hoe mijn dijbeen toen langs dat scherpe hout schuurde. Maar ik mag natuurlijk niet klagen. Als jij toen niet... O, nee! Pas op!"
"O, godver..."
De reden van die laatste kreten betrof een autoband, die van een, voor hen rijdende auto was gegleden en hen nu de weg versperde. De reactie van Frans was overigens adequaat. Een snelle stuurbeweging naar links was voldoende om de autoband te ontwijken en een al even snelle stuurbeweging in tegengestelde richting hield de auto nog net op de weg. De linkerwielen reden voor enkele seconden over de berm en langs de rand van de steil aflopende oever van een binnendijks meertje, maar daarna wist Frans de auto weer in het juiste spoor te krijgen.
Het bleef even stil in de auto. Frans streek met de rug van zijn linkerhand langs zijn voorhoofd en Conny keek met een bezorgd gezicht naar Trudy om. Het kind leek de gevolgen van Frans' manoeuvres echter goed te hebben doorstaan.
"Alles goed, Snoepie?", vroeg Frans, met een rauwe stem.
"Ja, pappie!"
"Je bent helemaal niet gevallen!", riep Conny verbaasd.
"Nee, ik heb mij ook heel goed vastgehouden!"
"Ah, brave meid!", verzuchtte Frans.
"Ik heb wel een beetje pijn in mijn arm."
"O, verdomme!", riep Frans, "Als ik de hufter van die auto in mijn handen krijg, dan..."
"Stop maar even, lieverd!", zei Conny, "Ik wil even kijken, hoe het met haar arm is. Hij is misschien wel uit de kom geschoten."
"Goed! We zijn er trouwens al."
Hij had gelijk: in de verte konden ze Marken al zien liggen. Links lag de weg naar Monnickendam, rechts de weg naar de dam, die nog niet voor hetautoverkeer was opengesteld. Aan het begin van de laatste weg stond de halte van de bus, waarmee ze naar Marken zouden rijden.
Frans parkeerde de auto op de parkeerplaats bij die halte, stapte uit en liep met grote stappen van de auto weg. Hij was zonder overdrijving tot het plegen van een moord in staat. Het idee, dat zijn vrouw en kind door een stommiteit van de een of andere klungel slechts op een haar na aan de dood waren ontsnapt, maakte een scala van emoties in hem los. Woede, angst, opluchting, trots, hij voelde het allemaal.
"En tegenligger!", dacht hij, "En tegenligger en het was in n klap afgelopen geweest!"
Hij hield stil bij de oever van de Gouwzee en Conny kwam met Trudy op de arm naast hem staan. Uiteindelijk won de trots het van de andere emoties. Het was heel goed mogelijk, dat hij ze in de nabije toekomst tekort zou doen, maar de gedachte aan die ene geslaagde proeve van zijn stuurmanskunst zou zijn schuldgevoelens daarover wel in ruime mate kunnen temperen. Die conclusie werd vervolgens door Conny op een subtiele manier bevestigd.
"Hier zal ik je dus echt altijd dankbaar voor blijven!", zei zij zacht.
"Echt?"
"Ja! En in de toekomst zal geen enkele secretaresse daar iets aan kunnen veranderen. Wat je ook met haar zult gaan doen!"
Er verscheen een trieste glimlach op zijn gezicht. Hij besefte heel goed, wat die woorden voor hem inhielden.
"Alles goed met Snoepie?", vroeg hij, met een redelijk vaste stem.
"Ja, hoor! Zij heeft helemaal geen pijn meer in haar arm en zij is heel erg trots op haar pappie! En dat geldt ook natuurlijk ook voor mammie."
"Is zij ook erg trots op mammie?", vroeg hij, met misplaatste meligheid.
"Nee, mispunt! Mammie is ook heel erg trots op pappie. En wel zo trots, dat zij Trudy ervan heeft kunnen overtuigen, dat het voor iedereen fijner is als we nu toch maar meteen naar huis teruggaan."
"Goed, liefje", zei hij glimlachend, "Dan gaan we wel naar Marken als de dam ook voor autoverkeer wordt opengesteld. Ik had toch al niet zo'n zin in een busritje."
"Ah, prima! Ik heb Trudy al beloofd, dat zij tot acht uur bij Eveline mag blijven."
"Goed, kindje, ga dan maar vast met Trudy in de auto zitten."
"Wat ga jij dan doen?"
"Ik loop nog even terug om die band van de weg te halen. Een volgende automobilist zal misschien minder geluk hebben dan wij."
"Goed, lieverd, ga dan maar gauw."
Hij liet haar met de vrolijk lachende Trudy bij de auto achter en voelde zich ineens heel gelukkig. De reden daarvan lag voor de hand: in de afgelopen minuten waren al zijn toekomstvisioenen van hun bedreigende lading ontdaan. Hij wist nu zeker, dat hij voor altijd van de liefde van vrouw en kind verzekerd mocht zijn. In de nabije toekomst zou wel blijken, wat het leven nog meer voor hem in petto zou hebben.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 29 april 1994. © Bert Harberts