UIT DE MEMOIRES VAN CHICKENMAN


1. DE KIPPENHOKSCHOONMAKER


Even voorstellen? Mijn naam is Bert Harberts, beter bekend als Chickenman, of de broer van Willem, de schilder. Ik ben een vrolijke vent van 61, die graag schrijft (korte verhalen voor de website The Harberts Chronicles), graag leest en een beetje fotografeert (maar wie doet dat niet tegenwoordig?) en die kalmpjes samenleeft met Watka, een vier jaar oude en hele ondeugende, cyperse kat.

Na mijn vertrek bij 'de krant', waar ik zesendertig jaar heb gewerkt, werk ik nu al vijf jaar als vrijwilliger bij drie verschillende verpleeghuizen, twee in Amsterdam en een in Bosch en Duin. Ik help bij kerkdiensten, schaak en functioneer als afruimer op een Dienstencentrum in het ene Amsterdamse verpleeghuis en scan archieven en maak een website voor een geestelijk verzorger in een ander Amsterdams verpleeghuis.

De leukste functie is echter die van Kippenhokschoonmaker voor de Kippen van Rozemarijn! Lang, lang geleden heeft er in het ouderlijk huis van Willem en mij een poosje een hele aimabele kip rondgelopen en nu, zeker vijftig jaar later, hebben we eindelijk weer de kans gekregen om voor maar liefst zes, hele aimabele kippen te kunnen zorgen. Die kans hebben we dus met beide handen aangegrepen. Klaartje1, Klaartje2, Klaartje3, Klara1, Klara2 en Wilhelmientje, alias de Noorse Boskip, fleuren zowel Willems als mijn leven danig op en ik hoop dus vurig, dat ze nog heel lang rond de Wijngaard mogen rondscharrelen!


2. DAG, MALLE KIPPIE!


Ik heb zelf slechts wazige herinneringen aan jou. Wat ik wel van je weet, weet ik van Willem. Ik weet dus, dat je ergens in 1960 uit een naburige kippenslachterij bent ontsnapt en dat Willem je toen heeft meegenomen naar ons huis. Ik weet, dat je daarna in een hok op zolder het restant van je leventje hebt geleid, ik weet, dat je heel lief en heel tam was, ik weet, dat je Willem overal achterna liep als hij je uit je kooi liet en dat je daarbij alles opvrat, wat je op de vloer vond, ik weet, dat je elke avond voor een poosje op zijn schoot zat te slapen en ik weet dus ook, dat je op een intens sullige en tegelijkertijd ook heel relaxte manier aan je einde bent gekomen.

Ondanks die wazige herinneringen aan jou treur ik soms nog steeds een beetje over de idiote manier, waarop je bent doodgegaan. Ik troost mij dan maar met de wetenschap, dat je op het moment van je fatale alcoholvergiftiging al heel oud was en op een plezierig leventje op een boerderij kon terugkijken en dat je door je ontsnapping uit die kippenslachterij dat plezierige leventje toch maar mooi met een jaar hebt weten te verlengen.

Uiteindelijk ben je door die heldhaftige ontsnapping ook op niemands bord beland, omdat je na je dood, in dat nogal onooglijke plantsoen aan de Klimopweg, een fatsoenlijke begrafenis hebt gekregen. En ook dat is natuurlijk een troostgevende gedachte, hè?


3. WILHELMIENTJE


Wat Kippie was voor Willem, is Wilhelmientje voor mij. Ik weet niet tot wat voor ras mijn oogappeltje behoort, maar ik duid haar meestal maar aan als de 'Noorse Boskip' van Rozemarijn. Ik vermoed, dat zij, behalve de liefste en de mooiste, ook de jongste van de Dames is en dat zij om die reden onderaan de pikorde staat. Dat valt vooral op als ik de Dames te eten geef. Het wordt haar bij die gelegenheden regelmatig hardhandig duidelijk gemaakt, dat zij op haar beurt moet wachten.

De aanblik van die afstraffingen gaat mij als doorgewinterde, maar overgevoelige dierengek door merg en been. En dus ben ik haar de laatste weken maar een beetje aan het helpen bij het eten geven. Telkens als zij door een van haar 'zusters' van de voederbak wordt weggejaagd, pak ik wat voer uit de voederbak en strooi ik het voor haar neer. Zij is mij daar zichtbaar dankbaar voor. Zij begint er zo langzamerhand ook op te rekenen, dat ik voor haar in de bres spring en zij laat het mij dan ook altijd weten als zij hulp nodig heeft.

De laatste week is er echter een klein wonder gebeurd. Zij wordt nu door de beide Klara's, de twee donkerbruine akela's onder de Dames, getolereerd bij het eten! Ik koester een beetje de illusie, dat mijn hulpacties de oorzaak van dat wonder zijn, maar helaas heeft ook deze medaille een keerzijde. Want nu is het Klaartje3, de liefste van de drie witte werksters onder de Dames, die soms van de 'voedertrog' wordt weggejaagd en dus op haar beurt moet wachten. Eigenlijk zou ik nu voor Klaartje3 in de bres moeten springen, maar dat kan ik dus niet opbrengen. De charmes van mijn steeds tammer wordende oogappeltje zijn te sterk voor mij, dus heb ik besloten om Klaartje3 maar in haar sop te laten gaarkoken. Dat is natuurlijk buitengemeen gemeen van mij, maar wat is het nut van het hebben van oogappeltjes als je ze niet af en toe mag voortrekken?


4. DE TAKEN VAN EEN KIPPENHOKSCHOONMAKER


Mijn officiële functie als Kippenhokschoonmaker van Rozemarijn vervul ik meestal op dinsdag en zondag. Als ik kom aanlopen en het kippenhok nader, komen de Dames meestal allemaal naar mij toe rennen. Dat is – dat moge duidelijk zijn – een hartverwarmende aanblik. Ik begroet ze dan ook altijd met open armen en spreek ze dan allemaal vriendelijk toe.

Als dank voor hun hartelijke ontvangst geef ik de Dames daarna te eten. Ik pak de voederbak, loop naar het werkhok en vul de voederbak met twee maatbekers met gewoon voer, één maatbeker met strooivoer en een handvol grit. Bij het teruglopen naar het hok let ik terdege op de zes Dames, die dan, welgemoed kakelend, met mij mee lopen. Het komt overigens toch wel eens voor, dat ik een van de Dames per ongeluk een licht schopje geef, maar gelukkig heeft geen van de Dames in deze ooit van enige rancune blijk gegeven.

Daarna maak ik het hok schoon. Ik trek plastic handschoenen aan, verwijder de met urine doordrenkte houtkrullen, de kranten en de uitwerpselen met de hand en vervang die weggegooide kranten en houtkrullen door nieuwe kranten en nieuwe houtkrullen. Het klinkt als een vies karweitje, en dat is het natuurlijk ook, maar ik ben, behalve een kippengek, ook een kattengek en maak al sinds 1980 kattenbakken schoon. Ik ben dus wel wat gewend.

Tijdens die schoonmaakwerkzaamheden word ik regelmatig door een broedende Dame op mijn vingers gekeken. Ik vind dat uitermate gezellig! Het is natuurlijk altijd leuk om tijdens het werk een beetje aanspraak te hebben. Gelukkig onthouden ze zich doorgaans van commentaar op de kwaliteit van die schoonmaakwerkzaamheden. Ik zou mij vast heel beschaamd voelen als ik zou weten, wat ze werkelijk van die schoonmaakwerkzaamheden vinden!

Na het schoonmaken van het hok ga ik altijd de stoep schrobben, maar dat is een nogal smerig karweitje en de details daarvan wil ik u, in mijn hoedanigheid van bij uitstek discreet man, maar liever onthouden. Ik hoop, dat u mij dat niet euvel zult duiden!

Na het schrobben van de stoep en het bijvullen van de drie watertorens is het meestal koffietijd. Die koffie gebruiken Willem en ik meestal in de Brasserie. Dat is een gezellig tentje! Er hangt een typische, gemoedelijke Wijngaard-sfeer, vooral op zaterdag als het net even wat rustiger is dan op dinsdag. Mijn bestellingen zijn vrijwel altijd hetzelfde: een cappuchino voor Willem, een gewone koffie voor mij en twee kleine gebakjes voor ons beiden. Alleen op dinsdag voer ik soms een kleine variant door als ik het kleine gebakje inruil voor een gratis stukje cake.

Na de koffie wacht de maaltijd in Willems kamer en het becommentariëren van de bewegingen van de Dames op het terras. Die bewegingen zijn natuurlijk altijd koddig, vooral als ze rennen of als ze bij elkaar gaan liggen en dan tezamen een enorme kippenberg vormen. Ze hebben gelukkig veel meer leuke eigenaardigheden. Volgens Willem gluurt een van de Dames vaak bij hem naar binnen. Niet van een afstandje op het terras, maar door op de rugleuning van de tuinstoel voor zijn raam plaats te nemen. Ik heb dat zelf helaas nooit gezien en dus probeer ik ze tijdens de maaltijd altijd weer naar ons toe te lokken door ze vanachter het, meestal gesloten raam toe te schreeuwen. Met name het lichtelijk krankjoreme “Wilhelmientje! Kom voor!” ligt mij dan in de mond bestorven.

De maaltijd, waarbij we soms ook – o, gruwel! – kippenvlees eten, wordt altijd afgesloten met het nuttigen van twee alcoholvrije Amstel Radlers. Dat 'ritueel van het goede leven' volstrekt zich meestal ook in Willems kamer, maar soms, op dagen, dat het lekker zonnig, maar niet te warm is, nuttigen we die twee alcoholvrije Radlers bij het kippenhok. Dat is natuurlijk een goede gelegenheid voor ons om de Dames om ons heen de nodige aandacht is geven. Dat doen we dan ook met overgave en combineren daarmee met veel plezier het aangename met het aangename!


5. ARIE!


Vlak na de verhuizing van de Dames naar de tuin van Rozemarijn kregen ze gezelschap van een piepjonge haan. Dat kon ze aanvankelijk niet echt bekoren. De eerste weken moeten een hel voor het arme jochie zijn geweest. Het duurde dus even, voordat het haantje zijn draai had gevonden. De eerste met wie hij het goed kon vinden, was Wilhelmientje, die andere outcast onder de Dames, en uiteindelijk draaiden ook de andere Dames bij.

Zelf sloot ik het beest onmiddellijk in mijn hart. Ik had ook al snel een naam voor hem bedacht: Arie. Het was – ik geef het eerlijk toe – een ietwat stompzinnig eerbetoon aan een ex-voetballer aan wie ik eigenlijk een enorme hekel had. Willem was overigens al even verzot op Arie. En niet ten onrechte: Het haantje paarde een mooi uiterlijk aan een zeer klunzige manier van doen, die op een verregaande mate van bijziendheid leek te duiden. Ook hij was al snel heel tam en ook hij zat in de avonduren soms urenlang naast Willems rolstoel.

Ik maakte in de daaropvolgende weken vele foto's en filmpjes van Arie. Ik deed dat vooral, omdat ik het vermoeden had, dat zijn verblijf in de tuin van Rozemarijn niet zo heel lang zou gaan duren. De reden van dat vermoeden lag voor de hand: hij was, behalve een hele leuke haan, ook een hele extraverte haan. Voor mij was dat een reden om uitgebreid over de toekomst van Arie te tobben en dat deed ik dan ook; telkens als ik hem hoorde kraaien, had ik de nauwelijks te onderdrukken neiging om een luidkeels “HOUD JE KOP!'” naar zijn kop te slingeren.

Arie's verblijf bij de Dames zou inderdaad niet veel meer dan zes weken duren en na zijn vertrek moest ik toch wel even iets wegslikken. Nu, ongeveer een jaar na zijn vertrek, kan ik nog steeds een beetje weemoedig worden over die malle, kippige rode haan en bewaar ik de foto's en de filmpjes van hem op maar liefst twee laptops en één smartphone en daarnaast ook op Google Drive, Faceboek en Twitter. Eén ding is dus wel zeker: zijn bestaan is niet onopgemerkt gebleven...


6. DAG, MALLE KLAARTJE3!


Heden is aan een kalm, rimpelloos verlopen leventje een einde gekomen. Heden is Klaartje3 overleden, ook wel Oude Klara genoemd. Vandaag vond ik haar in het broedhok, in een houding, waarin ik vroeger menig parkiet heb gevonden: met haar koppie weggedoken in een hoek. In dit geval was er iemand, die de wacht bij de overledene hield en tegelijkertijd ook nog twee eieren legde: Klaartje2. Zij nam haar dodenwake overigens serieus op, Zij pikte mij een paar keer nogal venijnig in de vinger, toen ìk met die vinger Klaartje3 in beweging probeerde te krijgen.

Een uur later, nadat ik met de jarige Willem en ook met Adrie en Jessica, koffie en taart had genuttigd, ontdekte ik, dat ik een uurtje daarvoor in een kippenlijkje had zitten porren. Ik meldde dat aan een van de verzorgsters en uiteindelijk werd de van een lunch genietende tuinman verzocht om Klaartje3 uit de kooi te halen en te begraven.

Het duurde nog een half uur, voordat die verwijdering en die begrafenis daadwerkelijk plaatsvonden en ik het schoonmaken van het hok, waaraan ik inmiddels was begonnen, kon voltooien. Ik heb uiteindelijk alle houtkrullen verwijderd en vervangen, ik heb het hele hok flink geboend en de eieren, die Klaartje2 tijdens haar dodenwake nog heeft gelegd, heb ik vanzelfsprekend weggegooid.

Tot mijn niet geringe verbazing is er van verdriet of medelijden geen sprake van mij. Mijn koele verstand zegt mij, dat Klaartje3 een fantastisch leventje, een kalme dood en een fatsoenlijke begrafenis heeft gehad en de sentimentele dierengek in mij neemt daar zonder morren genoegen mee. Ik zal haar in de komende dagen en weken misschien toch wel gaan missen, maar wat de weemoed dan zal gaan temperen, is natuurlijk het besef, dat zij een heel ander leventje had kunnen leiden en dat zij in het uiterste geval ook op mijn bord terecht had kunnen komen in plaats van in een graf op de Algemene Dierenbegraafplaats van de Wijngaard.


DIEREN BUITEN DE WIJNGAARD


1. DAG, MALLE GOMPY!


Je bent al zeventien jaar dood, maar op de een of andere manier heb je toch een permanent plekje in mijn hart gekregen. Jouw leventje, dat dus ook zeventien jaar duurde, omspande min of meer de beste jaren van mijn leven. Voor je geboorte was er sprake van een langzaam stijgende lijn; na je dood begon langzaam maar zeker de neergang.

Ik zag je vanaf november 1990 eigenlijk wel elke week. Je was daar in 'San Remo', de beste pizzeria van Nederland, waar ik elke week een overheerlijke pizza at, de kat, die overdag de muizen op een afstand moest houden. Hoe je dat deed, weet ik niet, want je was zo'n beetje de meest suffe kat van de hele wereld.

Je was tegelijkertijd ook een van de liefste katten van de hele wereld. Je zat nooit echt op schoot bij mij, maar ik herinner mij wel een avond, waarop je permanent op mijn tafel en naast mijn bord lag. Die avond is mijn meest duidelijke en mooiste herinnering aan jou.

Jouw dood in maart 2000 liet een leegte in mij achter, die zelfs door je zeer charmante opvolgster nooit helemaal is opgevuld en dat is dus een hele goede reden om nog één keer bij je kalme bestaan stil te staan. Bij deze dus!


2. DAG, MALLE SIMBA!


Ergens in september 2000 nam jij je intrek in mijn stam-pizzeria. Je was een fel, tenger opdondertje en het duurde echt wel een poosje, voordat ik aan je was gewend geraakt. Maar naarmate de jaren vorderde, werd je steeds rustiger en tammer. Veel tammer. Je brak het ijs door mij, staande op je achterpootjes, regelmatig stukjes kaas en stukjes lamsvlees af te bietsen en uiteindelijk sprong je op een dag gewoon maar op mijn schoot en liet je mijn geaai vervolgens met veel plezier welgevallen.

Ons samenzijn had in de jaren daarna veel van een lang uitgesponnen ritueel weg. Voor het eten zat je op mijn schoot, als ik at, zat je naast mijn stoel en voorzag ik je van stukjes kaas en stukjes lamsvlees en na het eten zat je weer op mijn schoot, waar je dan bleef zitten, tot ik mijn twee espresso's had genuttigd en ik je weer met veel wederzijdse tegenzin op de vloer moest neerzetten, omdat ik toch echt naar huis moest gaan.

Er waren in de daaropvolgende jaren periodes, waarin je minstens zo belangrijk als mijn toenmalige huiskat, de sullige Boris. Aan het einde van 2009, toen ik al een poosje worstelde met maagproblemen, was jouw bestaan een lichtpuntje, waaraan ik mij voortdurend kon optrekken. Ik ervoer dat het sterkst op de dag, dat ik op weg naar een bloedafname langs de pizzeria liep en jou daar even kon begroeten. Of je mij op dat moment herkende, was niet belangrijk. Ik was even afgeleid van de bacterie in mijn maag, waarvan ik binnen een paar weken zou worden verlost, en voelde mij meteen een stuk beter.

Ik was de eerste klant bij wie je op schoot zat en daarmee bleef je heel lang doorgaan, ook nadat je langzaam begon af te takelen en aan die gevreesde nierziekte bleek te lijden. Je was niet de enige kat in mijn leven, die in die periode met die nierziekte kampte. Boris had het ook en ik zag ook hem langzaam aftakelen. Ik wist zowel met ene als het andere ziektegeval naar vermogen om te gaan.

In het eerste kwartaal van 2013 heb ik je nog elke woensdag mogen vertroetelen, maar het einde van je ziekte, in juli van dat jaar, zou ik niet meer meemaken. In dezelfde periode had ik zelf regelmatig maagklachten en moest ik besluiten om mijn wekelijks bezoekjes aan 'San Remo' voorlopig te staken. Gedurende dat intermezzo, dat niet zo heel lang zou gaan duren, ben je overleden.

Als ik je zou zeggen, dat ik je mis, zou dat een understatement zijn. Je bent echt jarenlang een onmisbaar onderdeel van mijn leven geweest en elke keer als ik in 'San Remo' ben en je foto bij de bar zie hangen, gaat er toch echt een steek door mijn hart. Wat het gevoel van weemoed dan danig tempert, is het karakter van de kat, die nu in mijn huis rondloopt:in Watka zie ik heel veel van van jou terug. Ook Watka is een fel opdondertje, dat vaak niet van mijn schoot is weg te slaan. Ik vermoed dat Watka in 2012 is geboren, maar ik kan ook niet helemaal uitsluiten, dat Watka is verwekt op de dag, dat jij overleed. Die vage notie van een mogelijke reïncarnatie blijf ik toch maar koesteren. Je kunt immers nooit weten...


3. MUSKIE


De eerste eend, die mij in haar ban kreeg, was Muskie, de Muskuseend van Broek in Waterland. Die eerste en volgens mij enige ontmoeting tussen mij en haar vond plaats in september 2009. Zij voerde, samen met een al even lieve, grote, witte eend, een troep eenden aan, die mij op die dag van heel veel oud brood verloste. Eigenlijk valt er weinig over Muskie te zeggen, behalve, dat zij uitermate lief en aanhankelijk was en dat zij zich zelfs liet aaien. Zij bracht daarbij weliswaar enig, protesterend gepiep voort, maar dat verhoogde haar aantrekkingskracht alleen maar.

Nu, acht jaar later, tob ik een beetje over de impact, die Muskie toen op mij heeft gehad. Zij was geen wondereend, want elke muskuseend schijnt een lief en aanhankelijk karakter te hebben. Het probleem, voor zover daar al sprake van was, lag en ligt geheel bij mij. Sommige beesten kunnen mij, net als Voskuil, tot tranen toe ontroeren. Soms zijn het hun daden, soms is het hun uitstraling en bij Muskie was het een combinatie daarvan.

De ontmoeting met Muskie bracht het dwaze plan in mij naar boven om in de daaropvolgende winter elke week naar Broek in Waterland te gaan en om haar dus elke week te eten te geven. Daar is het dus niet van gekomen. Ik had die winter een paar lichamelijke problemen, waaronder een permanente maagzweer, en had te kampen met een permanente reorganisatie op mijn werk en langzaam, maar zeker verdween ze uit mijn gedachten.

Maar ik ben haar dus nooit helemaal vergeten en de behoefte om na acht jaar het bestaan van die doodnormale muskuseend digitaal vast te leggen, was uiteindelijk niet te weerstaan. Misschien is zij al lang dood, misschien leeft zij nog wel en misschien kom ik haar wel tegen als ik morgen weer naar Broek in Waterland fiets, maar als dat laatste niet gebeurt, is het ook goed. Dan heb ik in ieder geval dit stukkie, dat mij tot het einde van mijn leven aan haar zal herinneren!


4. BROWNIE & CO!


Wat de kippen zijn voor Rozemarijn, zijn de konijnen voor Reade. In de vijftien maanden, dat Willem in Revalidatieklinek Reade verbleef, waren die 'wilde' konijnen een voortdurende bron van vermaak voor ons. Een verblijf in de tuin, waarbij de konijnen zich niet lieten zien, was een saai verblijf en leidde doorgaans tot een snelle gang naar de kroeg van Reade, waar ze overigens heerlijke koffie en appelgebak serveerden.

Waren de konijnen er wel, dan was het simpelweg observeren van etende of slapende konijnen al genoeg om de twee, soms nogal gestreste broers weer helemaal rustig te krijgen. De konijnen deden overigens wel wat meer dan alleen eten en slapen, want er liepen ook regelmatig jonkies door de tuin. Hoewel een paar van die jonkies waarschijnlijk ten prooi aan roofdieren zijn gevallen, hebben we er ook een aantal zien opgroeien.

De idylle in de aan het Vondelpark grenzende tuin werd helaas wel eens verstoord. De konijnen werden regelmatig weggejaagd. Soms door luidruchtige kinderen, soms door honden, die zo nodig hun jachtinstinct op onze oogappeltjes moesten botvieren. Willem en ik droomden regelmatig van een bord, waarop de woorden “Op honden wordt gejaagd!'” waren geschilderd, maar van het fabriceren en het plaatsen van zo'n bord is het helaas nooit gekomen.

Willem en ik hadden een favorietje onder de konijnen. Het was een groot konijn, dat ik om een voor de hand liggende reden al snel 'Brownie' noemde. Hij was min of meer handtam. Hij at echt uit onze handen en in alle standen, die je maar kunt bedenken. Soms graaide hij het voor hem bestemde witte bolletje zomaar uit mijn hand, soms leunde hij tijdens het eten met zijn voorpootjes tegen mijn scheenbeen, soms hing hij helemaal over Willems schoen heen en liet hij zich zelfs even aaien. Ook Brownie moest af en toe voor zijn leven rennen, maar meestal zat hij na het eten met half geloken oogjes bij ons te suffen, of deed hij in alle rust een dutje. Op dat soort momenten was de idylle in de tuin eigenlijk wel compleet.

Het afscheid van Brownie en een paar van zijn nakomelingen voltrok zich op de nogal warme avond van maandag 17 juni 2013. Ik voelde weemoed over dat malle, vriendelijke beestje en wenste hem in stilte een heel lang en heel gezond leventje toe. Een dag later verhuisde Willem naar de Wijngaard en namen een bok, een eend, twee zwijntjes, drie Vlaamse Reuzen en, natuurlijk, zes mooie kippen de fakkel van Brownie & Co over.


5. BIRDS!


Op 24 februari 2014 trad ik als postbezorger in dienst bij Postnl. Mijn depot lag op acht kilometer van mijn huis en was eigenlijk niet meer dan een garage voor één auto, zonder elektriciteit, maar wel met een kraantje, waar water uitstroomde, dat eigenlijk niet te drinken was. Een tafeltje, een stoel, zes stellages voor de postzakken, een afvalbak, drie rolcontainers en wat schoonmaakattributen, meer stond er niet in.

Ik had drie redelijk makkelijke wijken en bracht vrij veel tijd door in het depot en het duurde niet lang, voordat ik vriendschap sloot met een paar vogels. Dat 'een paar' is eigenlijk een joekel van een understatement, want het was bij alle duiven en kraaien in Overtoomsche Veld en Slotervaart al heel snel bekend, dat er in dat postdepot aan de Maassluistraat nu een hele aimabale postbezorger rondliep, die van dinsdag tot en zaterdag kwistig met brood strooide. Dat bleef dus niet zonder gevolgen...

Het merendeel van mijn collega's vond het prima, dat ik de vogels te eten gaf, maar er zat toch ook een overigens aardige dame tussen, die het niet zo leuk vond. Uiteindelijk kreeg ik van Eric, de vriendelijke depothouder , het verzoek om niet meer met brood te strooien. Het was een verzoek, dat ik na enig nadenken niet inwilligde. Het verzoek kwam namelijk van hemzelf en niet van Gé, de meestal joviale en soms nogal autoritaire teammanager, voor wiens woedeaanvallen ik toch wel een beetje bevreesd was. Dat klinkt een beetje dociel en dat is het natuurlijk ook. Ik troost mij er maar mee, dat Gé ook Viktor Frölke wel eens de stuipen op het lijf heeft gejaagd...

Na een paar weken had ik zowel onder de kraaien als onder de duiven een favorietje uitgekozen. Bij de duiven was het Peter, bij de kraaien was het Manda. Peter was een forse, zeer assertieve duif, die het depot als zijn tweede huis beschouwde en regelmatig op een stellage zat als hij het brood uit mijn hand at. Ik was zeer gesteld op Peter, maar Manda, vernoemd naar Manda Kraai uit 'Het Bureau', lag nog wat dichter bij mijn hart. Zij had namelijk een verfrommeld of misschien wel verbrijzeld rechterpootje en zij kon dus moeilijk lopen. Zij had echt iets heel aandoenlijks als zij naar een stukje brood hinkte. Ik trok – dat moge duidelijk zijn – zowel Peter als Manda voor bij het eten geven en ik kreeg daarin al snel een zekere handigheid, waarmee ik vooral Manda veel plezier deed.

Mijn dienstverband bij Postnl zou iets meer dan twee jaar gaan duren en gedurende die twee jaar bleven Peter en Manda mij trouw op elke werkdag bezoeken en gaf ik ze trouw op elke werkdag te eten. Na afloop van mijn dienstverband bezocht ik ook voor Peter en Manda nog een paar keer het depot. Ik heb ze daar inderdaad nog een paar keer gezien en wat brood gegeven, maar de laatste keren niet meer en nu heb ik dus besloten om ze maar los te laten. Ik heb nu ook wel genoeg dieren om te vertroetelen en te verzorgen...


DE HUISDIEREN


1. RINIE!


De enige foto, die ik van haar heb, is een kleine, gescheurde zwart-witfoto. Zij zit op haar kooi, die op de eettafel staat, met haar rug naar de camera toegekeerd, en zij kijkt nieuwsgierig uit het raam. Ik zit achter haar, met ongekamde haren en in mijn pyjama. In de blik, waarmee ik naar haar kijk, strijden liefde en zorgzaamheid om de voorrang. Op geen enkele foto is beter te zien, hoe gek ik op dieren ben, hoe belangrijk ze voor mij zijn geweest en hoe belangrijk ze nog steeds voor mij zijn.

Zij was mijn eerste parkiet. Ik had haar eind 1966 van Willem gekregen, samen met een andere parkiet, die overigens een gemeen, bijtgraag loeder was. Maar zij was anders. Liever, veel liever en ook veel tammer. Willem had haar gekortwiekt, voordat hij haar aan mij had gegeven en ik had haar daarna zonder veel moeite kunnen temmen. Zij zat dus regelmatig op mijn hand, hoofd en schouders en ik kon haar op stille zondagen, zoals op de foto, dus ook kalmpjes bewonderen als zij op haar kooi zat te relaxen.

Zij was gedurende vier jaar een nietig, maar ferm ankertje in mijn leven. Ik miste mijn lieve stiefmoeder bij wie mijn vader, Willem en ik drie jaar hadden gewoond, ik werd al jaren gepest op de lagere school, ik had vele gebitsproblemen, die onder andere tot twee kaakoperaties zouden leiden en ik voelde mij dus niet al te gelukkig. Maar mijn parkiet was er dus ook, evenals mijn grootvader, die ik doordeweeks elke dag zag, omdat ik in zijn huis aan de Hasebroeksstraat de lunch gebruikte. Mijn grootvader en mijn parkiet vormden tezamen de basis van mijn bestaan. Met hen in mijn leven kon ik dat niet altijd gemakkelijke leven toch wel aan.

Maar mijn grootvader en mijn parkiet werden ouder en ouder en takelden tegelijkertijd af. Ze bleven net lang genoeg leven om mij naar het begin van mijn volwassenheid te begeleiden. Op 18 september 1970, de sterfdag van Jimmy Hendrix, werd ik smoorverliefd op een blonde schoonheid en tien dagen later maakte ik een eind aan de pesterijen op school door de ergste plaaggeest letterlijk naar de strot te vliegen. Daarna was ik sterk genoeg om van mijn grootvader en mijn lievelingsparkiet afscheid te kunnen nemen.

Mijn grootvader stierf op 23 november 1970, mijn parkiet volgde acht dagen later. Ik begroef haar in een plantsoen aan de Klimopweg, naast het sportveld, waar een voetbalclub speelde, die toch echt 'De Blauwe Vogels' heette. Hoewel ik huilde, toen ik afscheid van haar nam, kon ik ook dit verlies wel dragen. In de weken daarna ben ik nog een paar keer naar de plek teruggekeerd om over haar te rouwen, daarna hernam het leven zijn normale loop en kon ik haar loslaten. Het sportveld en het plantsoen bestaan allang niet meer, maar de aanblik van de plek, waar ik bijna vijftig jaar geleden mijn lievelingsparkiet heb begraven, kan mij soms nog steeds ontroeren.

Zij was overigens niet mijn laatste parkiet. Tot mei 1981 zou ik voor parkieten blijven zorgen. Pas toen mijn laatste parkiet door mijn toenmalige lievelingskat was gedood en voor een deel was opgegeten, kwam aan mijn parkietentijdperk een einde.


2. HET TORTELDUIF-INTERMEZZO


Binnen mijn parkietentijdperk, dat in totaal dus vijftien jaar zou gaan duren, heb ik gedurende een half jaar ook nog tortelduiven gehouden. Ik kreeg ze van een kroegeigenaar, ene Ludo van café 'De propellor', om precies te zijn. Voor ze arriveerden , timmerde mijn o zo handige vader in een ommezien een hok in elkaar, dat hij in mijn slaapkamer aan de muur van de douchecel bevestigde en het duurde daarna niet lang, voordat het tortelduifpaartje hun intrek namen in het hok.

Het bleken buitengemeen lieve beesten te zijn. Ze waren veel groter dan mijn parkieten, maar waren ook een stuk docieler. Ze lieten zich rustig vastpakken, zonder te bijten of zich te verzetten, en keken hoogstens een beetje verstoord als dat vastpakken hen iets te lang duurde. Het paartje ontpopte zich ook echt als een paartje. Na een poosje vond ik drie eieren in de kooi, waar na een paar weken drie jonge vogels uit kropen. Een daarvan was een vogeltje, dat niet levensvatbaar bleek te zijn; de andere twee, een mannetje en een vrouwtje, bleken dat wel te zijn.

De kooi was eigenlijk te klein voor vier tortelduiven en in overleg met mijn broer At, die al snel een beetje allergisch werd voor het ochtendgekoer van mijn duiven, deed ik afstand van het ouderpaar door hen naar een buurman met een volière te brengen. De zoon en de dochter konden dus in hun ouderlijk huis blijven wonen. Ook zij konden het goed met elkaar vinden en ook zij vonden het helaas nodig om zich voort te planten. In hun geval bleef het echter bij het leggen van de eieren. Die eieren kwamen dus niet uit.

Intussen opende At opnieuw de onderhandelingen met mij. Van het ouderpaartje had hij zich kunnen ontdoen, zonder zijn portemonnee te trekken, maar ditmaal zou ik vijfentwintig gulden van mijn ietwat gierige broer krijgen als ik ook afstand van de duivenkinderen zou doen. Ik weet niet meer, hoe lang het duurde, voordat ik zwichtte, maar uiteindelijk gebeurde dat dus wel en bracht ik ook de duivenkinderen naar de Buurman met de Volière.

Nu, bijna vijftig jaar later, betreur ik dat in hevige mate – het waren echt hele lieve beesten – en overweeg ik zelfs om toch nog een keer tortelduiven in huis te nemen. Dat zal naar alle waarschijnlijkheid nog wel even gaan duren. Ik deel mijn leven nu met Watka, een jonge kat, die in haar nog jonge leven, ontelbare insecten, één muis en één kraai heeft gedood en twee tamme tortelduiven zouden dus zeker een te gemakkelijke prooi voor Watka gaan vormen!


3. DAG, MALLE MIEPIE!


Je werd geboren onder mijn gootsteen, op 11 september 1980 om precies te zijn. Je was al snel mijn favorietje van het nestje, als het enige poesje van het stel, dat sterk genoeg was om te blijven leven. Uiteindelijk bleef je ook als enige bij mij wonen. Dat je chagrijnige en lichtelijk valse moeder ook bij mij bleef wonen, was eigenlijk van geen belang. Je was mijn oogappeltje en als zodanig behandelde ik je ook.

In de eerste jaren van je leven sloopte je mijn vloerbedekking en mijn overgordijnen en doodde je mijn enige, overgebleven parkiet. Ik was gelukkig dronken, toen ik dat onthoofde parkietenlijkje in de gang vond. Ook toen ik weer nuchter was, kon ik vanzelfsprekend niet boos op je zijn. Je was een lieve, vrolijke en speelse schootkat, die mij nooit beet en nooit krabde, en ik ging dus onmiddellijk over tot de orde van de dag.

Vanaf het moment, dat jij in mijn leven kwam, fleurde je dat leven danig op. Ik ging mij op mijn werk zodanig onderscheiden, dat ik eigenlijk onmisbaar werd, ik begon met het schrijven van korte verhalen en ik beleefde een paar leuke romances, waar ik toch wel heel veel lol aan beleefde. Ik was dus eigenlijk wel gelukkig, in de eerste helft van de jaren '80 en jij had daar volgens mij een heel groot aandeel in.

In 1986 liep je moeder weg en daarna hadden we het heel gezellig met zijn tweetjes. Maar twee jaar later verliet ik je voor een paar dagen, voor een hele korte vakantie in Kopenhagen en Helsingor. Dat had ik beter niet kunnen doen, want bij het weerzien liet je heel goed merken, dat je dat helemaal niet leuk had gevonden. Ik trok daar geen lering uit, want drie maanden later maakte ik een nog grotere blunder: door een jong, kittig poesje in huis te nemen. Het werd een groot drama, waarmee noch jij, noch ik goed kon omgaan. In de daaropvolgende vier jaar groeide je uit tot een humeurige, regelmatig blazende kat en was onze verstandhouding eigenlijk helemaal verknoeid.

In december 1992 liep ook het jonge, kittige poesje weg en daarna zag ik je eigenlijk onmiddellijk alweer opleven. Ik miste het weglopertje in die eerste dagen wel degelijk, maar ik was aan de andere kant heel blij, dat ik jou nu een redelijk rustige oude dag kon gaan bezorgen. Die verwachting kwam uit. Je bleef weliswaar af en toe naar mij blazen, maar langzaam, heel langzaam konden we de draad weer oppakken, die we in december 1988 hadden laten vallen.

Je zat dus weer regelmatig bij mij op schoot, je zat weer heel vaak naast mijn toetsenbord als ik mijn verhalen aan het schrijven was, je sliep weer heel vaak naast mijn hoofdkussen, je wekte mij weer elke dag om vijf uur en je zat weer elke middag bovenaan de trap op mij te wachten als ik thuiskwam van mijn werk. Ik genoot ook weer van de goeïge blik, waarmee je mij nu weer heel vaak aankeek, ik genoot weer van het likken van mijn wang, ik genoot weer van het likken van de boter van mijn vinger, ik genoot weer van de afdrukken van je nagels in de pindakaas en ik genoot weer van de knuffels, die ik je mocht geven.

De laatste zeven jaren van je leven waren ook daardoor de beste jaren van mijn leven. Ik genoot weer van mijn werk, waar ik hele nieuwe dingen mocht gaan doen, ik genoot van het schrijven, ik genoot van de website, waarop die verhalen uiteindelijk terecht kwamen, ik genoot ook van het nooit verwachte succes, dat ik met die website had. Voor de tweede maal in je leventje leek je een hele goede invloed op mijn leven te hebben en ik was je daar heel dankbaar voor.

In die laatste jaren van je leven stond ik nooit stil bij je mogelijke dood. Je was er gewoon altijd, je was, net als Rinie twintig jaar daarvoor, het ankertje in mijn leven en ik kon mij het leven zonder jou simpelweg niet voorstellen. Je stierf uiteindelijk dus toch, op zondag 2 juli 2000, en je zou dus net niet de twintig halen. Je dood, na een korte periode van aftakeling, kwam snel, evenals mijn ontdekking, dat ik de leegte, die je in het huis achterliet, als iets volstrekt onverdraaglijks ervoer.

De oorzaak daarvan lag in de laatste, tien dagen van je leven. Ik miste het spinnen van jou, als ik je alleen maar aankeek of aansprak, ik miste die malle 'gesprekjes' tussen ons voor het slapen gaan en ik miste vooral die laatste knuffels van de laatste dagen. Die laatste knuffels, waarbij ik je steevast met steeds sterker wordende weemoed, een soort van afscheidsgroet toefluisterde.

Op de dag na je dood werd de leegte in het huis mij al teveel en haalde ik een nieuwe kat in huis, een malle, vrolijke kater, die in die eerste, gruwelijke julidagen misschien wel mijn leven heeft gered. Maar die malle, vrolijke kater verdient dus een eigen verhaaltje en daarom eindig ik dit portretje van jou met een variant op een vaak gebruikte afscheidsgroet: Dag, malle Miepie! Dag, mal, oud besje! Je was met afstand de allerliefste kat van de hele wereld en ik zal je echt nooit vergeten!


4. DAG, MALLE TUM TUM!


Mijn eerste herinnering aan jou is een blazende Tum Tum. Je zat in een kooi in het asiel en je vond het daar helemaal niet leuk. Toch mocht ik je daarna gewoon aaien en ik wist al snel, dat ik je wilde hebben. Joke, een asielmedewerkster, bracht je een paar uur later met de auto naar mijn huis en daarna kon ons gezamenlijke leventje beginnen.

Die avond zat je in het hoekje achter de televisie en daar bleef je ook zitten, toen ik mijn matras in de huiskamer had neergelegd en probeerde om in slaap te komen. Dat laatste lukte voor geen meter. Een dag daarvoor was mijn lievelingskat overleden en de rouwperiode om dat sterfgeval was nog maar net begonnen. Je leek het te merken, want even later kwam je toch maar even uit je schuilhoekje tevoorschijn om mij een als troostgevend ervaren kopje te geven

Je keerde daarna meteen weer naar je schuilhoekje terug, maar ik was meteen verkocht en in de daaropvolgende weken was je troostgevende aanwezigheid genoeg om mij door mijn rouwperiode om Miepie heen te helpen. Je gooide in die weken ook al je charmes in de strijd. Je was een lieve, vrolijke en af en toe knettergekke kater, die ik al snel als 'Knuffelbuffel' aansprak en ook als zodanig behandelde.

Ik genoot van je ondeugende streken, ik genoot van al die keren, dat je als een idioot door het huis rende, ik genoot van al die keren dat je mijn afstandsbediening te grazen nam en ik genoot ervan als je je, voor het slapen gaan, op het voeteneind van mijn bed installeerde. Toch was je gelukkig geen engeltje. Je kon mij soms venijnig krabben als ik je uitdaagde, je vertikte het om de muizen op te eten, die je door de jaren heen ving en je zette een paar jaar later ook met veel plezier je nagels in mijn fonkelnieuwe bed. Ik kon daar best wel mee leven; het hebben van een niet-helemaal-volmaakte kat heeft zo zijn voordelen.

Het leven buiten mijn huis was intussen veranderd. 9-11, een economische crisis, een telg van de familie Swaab, die mijn geliefde, sociaal betrokken bedrijfje min of meer om zeep hielp en aan het grootkapitaal uitleverde, een ontslagdreiging, die daardoor met het jaar sterker leek te worden, het werd mij steeds meer duidelijk, dat die vrolijke, zorgeloze jaren '90 definitief voorbij waren.

Er waren twee dingen, waar ik telkens weer door opleefde. Het groeiende succes van mijn website en mijn verhalen en het vrolijke, vrijwel rimpelloze leventje met jou. Het enige, wat mij een beetje zorgen baarde, was je zwakke maag. Je gaf regelmatig over en in de zomer van 2003 leek je ineens heel ziek te zijn, omdat je toen ook last van diarree kreeg. De dierenarts raadde mij aan om je voortaan op een maagdieet te zetten. Ik volgde zijn advies op en in de jaren daarna konden we je maagproblemen redelijk onder controle houden.

Ik was inmiddels smoorverliefd op een veel te jonge collega geworden en dat bracht mij gedurende twee jaar tamelijk uit mijn evenwicht. Het was ook een periode, waarin ik je wat vaker zag, omdat ik door mijn stressproblemen twee dagen per week thuiswerkte. Dat hielp mij ook wel. Het was jouw rustgevende aanwezigheid, die mij in die periode op de been hield en in de lente van 2006 was het jouw zingevende aanwezigheid, die mij op de been hield, toen het leven om een voor de hand liggende reden even geen zin meer leek te hebben.

Ik ging na het liefdesechec met Elisabeth eigenlijk weer heel snel tot de orde van de dag over. Het was weer goed om een vrolijke, alleenstaande vent met een vrolijke kat zijn. Ik schreef in de daaropvolgende maanden, maar liefst zeven nieuwe verhalen en ik flirtte nu met iemand, die eigenlijk veel geschikter voor mij was dan Elisabeth. Ik was dus weer helemaal de oude!

Des te groter was de schok, toen je op 1 december ernstig ziek bleek te zijn. Je nieren en schildklieren waren eigenlijk al te veel aangetast om nog op een genezing te kunnen hopen, maar ik liet mij toch overhalen om je gedurende vier maanden te laten behandelen. De stoïcijnse manier, waarop je die nare behandelingen onderging, kan mij tot op de dag van vandaag nog tot tranen toe beroeren, maar uiteindelijk moesten we de strijd opgeven en op 27 april 2007 moest ik je naar de dierenarts brengen om je in te laten slapen.

Mijn laatste herinneringen aan jou bevatten ook een paar herinneringen van een blazende Tum Tum, maar de allerlaatste herinnering is een herinnering aan een Tum Tum, die onder narcose was gegaan en geen pijn meer had. Die herinnering zal ik tot het einde van mijn leven blijven koesteren.


5. DAG, MALLE ILSE!


Je bent alweer bijna vier jaar dood, maar de herinneringen aan je vrolijke gezelschap in die veel te warme zomer van 2013 zijn nog heel levendig. Het gemak, waarmee je in die eerste uren het eerste contact met mij legde, terwijl je toch je hele leven bij Daniëlle had gewoond, frappeerde mij zeer. Het was mij na een paar uren al heel duidelijk, dat dit een 'perfect match' was.

Eigenlijk vond ik alles leuk aan jou. Je oogverblindende schoonheid, in je hoedanigheid van oogverblindend mooie, Noorse Boskat, je voortdurende aandacht vragen als je Pim, je maatje uit Zoetermeer, weer eens miste, , de vanzelfsprekendheid, waarmee je 's nachts naar mij toe liep als ik je riep, je malle gekef als ik je tijdens een van je schoonheidsslaapjes even aaide, dat malle plasongelukje, toen je een plas deed op de oude, gammele leren stoel, die nog ouder was dan jij en tot slot dat malle geknuffel na je terugkeer van de zolder, waar je eind juli tot mijn grote frustratie meer dan een etmaal had doorgebracht en waar ik je uiteindelijk toch maar had weggejaagd.

Na dat langdurige verblijf op zolder veranderde je in een luie, permanent slapende kat, die permanent op dezelfde plek verbleef. Het hoekje achter de televisie groeide in één maand uit, tot wat het altijd zal blijven: het hoekje van Ilse. Je begon ook te sukkelen en wat Daniëlle en ik voor de symptomen van astma aanzagen, bleken uiteindelijk de symptomen van iets ernstigers te zijn.

Je stierf juist in een periode, waarin je weer wat levendiger werd en wat vaker uit je eigen hoekje kwam en ook weer regelmatig naast mij sliep. Op zondag 1 september, toen het eindelijk wat koeler was, maakte ik mijn laatste foto van jou. Het was een foto, die ik vol trots 'Ilse onder de salontafel' noemde. Tien dagen later ging je, na een paar hele moeilijke dagen, in mijn armen onder narcose en even later stierf je, precies drie maanden, nadat ik je voorganger had laten inslapen. Dat was vanzelfsprekend een hard gelag voor mij, maar nu bijna vier later, besef ik maar al te goed, dat ik de zesenzeventig dagen met jou en de tien maanden met je al even ongelukkige opvolgster voor geen goud had willen missen.


6. WATKA!


En hoe gaat nu met mij? Welke kat begeleidt mij nu door het leven? Die laatste vraag heb ik dus al beantwoord: het is Watka, een cyperse poes met witte schoentjes om haar voorpoten en witte laarsjes om haar achterpoten. Een kat dus, met een mix van het uiterlijk van Miepie en Tum Tum en het karakter van de hele jonge Simba. Zij zal nu vier of vijf jaar oud zijn, maar ze heeft nog steeds het temperament en de manier van doen van een kitten.

Ik moet voortdurend lachen om haar speelsheid. Dat rennen door het huis, soms met die idiote, zijwaartse bewegingen, dat spelen met lakens en zakdoeken en alle andere dingen, die bij mij soms op de vloer liggen, dat malle bijten in mijn blote voeten, dat krabben aan mijn stokoude stoelen, dat fanatieke jagen op insecten, dat niet-zo-fanatieke jagen op muizen, dat malle drafje, waarmee zij altijd naar haar eetschoteltje loopt als ik haar te eten geeft, eigenlijk is alles leuk en grappig aan haar.

We leiden met zijn tweetjes ook een heel plezierig sleurleventje. Zij wekt mij 's ochtends meestal met een tikje van haar pootje op mijn haar, zij wacht mij, als ik thuiskom van mijn werk, altijd op achter de deur van het portaal, zij laat zich graag aaien en knuffelen, soms ongevraagd en soms als zij daar op een nogal opzichtige manier om vraagt, zij brengt in de zomermaanden vele uren op mijn veranda of mijn balkonnetje door, zij zit in de wintermaanden soms vele uren op mijn schoot, zij bedelt mij elke avond voor het slapen gaan nog vele harde brokjes af en als ik het licht uitdoe en mij, met opgetrokken benen op mijn linkerzij draai, nestelt zij zich elke nacht weer in de holte van mijn knieën, waar zij dan de hele nacht blijft liggen.

In de drie jaar, dat zij nu bij mij woont, ben ik pas goed gaan beseffen, hoe belangrijk mijn dieren voor mij zijn geweest. Zonder hen was ik er waarschijnlijk niet meer geweest. In slechte tijden vormden ze de noodzaak om door te gaan, in goede tijden maakten ze die tijden nog beter dan ze al waren. Sinds Watka bij mij is, verloopt mijn leven opnieuw in een stijgende lijn. Ik doe nu vrijwilligerswerk, dat veel zinvoller is dan mijn werk bij de krant, ik ben weer fanatiek aan het schrijven en ik geniet van iets, wat verdacht veel op gemoedsrust lijkt. Ik beleef dus opnieuw een hoogtijperiode in mijn leven, waar ik mijn huidige kat in sterke mate verantwoordelijk voor acht.

Ik doe er ditmaal ook wel wat voor terug. Ik zal tijdens haar leven nooit meer een jong, kittig poesje of katertje in huis nemen, ik zal tijdens haar leven nooit meer met vakantie gaan – ik zou waarschijnlijk ook gek van heimwee worden - en ik zal nooit, maar dan ook nooit afstand van haar doen. Niemand zal mij er ooit toe kunnen brengen om haar naar het asiel terug te brengen. Met deze kat wil ik namelijk oud gaan worden; aan de aanwezigheid van deze knettergekke, maar ook zeer aanhankelijke kat ga ik de energie ontlenen om de ongemakken van die naderende ouderdom het hoofd te gaan bieden. Of Watka, net als Miepie, zelf de negentien jaar gaat halen, is vanzelfsprekend nog niet zeker, maar ik ga er echt alles aan doen om haar stokoud te laten worden!


Inspiratiebronnen: P.G. Wodehouse (Amor in het kippenhok), Gerard Reve (De avonden), Henri Troyat (Toergenjew) en – dat moge duidelijk zijn – Heinze Bakker