EEN STOET VAN HELDEN

1.1 AART HARBERTS (2000)

Aart Harberts was mijn grootvader. Hij was een zorgzame macho en dat heb ik vooral in mijn prille jeugd mogen ervaren. Met mijn broer Piet mocht hij graag een potje boksen, maar hij was ook degene die in ons moederloze huis regelmatig de huishouding deed en mij verzorgde en vertroetelde. zoals een moeder dat zou hebben gedaan.

Later, tijdens mijn lagere schooltijd, at ik tijdens schooldagen elke middag bij hem, in dat oude, maar sfeervolle huis in de Amsterdamse Kinkerbuurt, en kreeg ik elke middag weer die mooie verhalen uit zijn jeugd te horen, waarnaar ik elke keer weer eerbiedig luisterde, ook al had ik ze vast wel eens eerder gehoord.

Ik denk elke dag wel even aan Opa terug. Met weemoed en met dankbaarheid, omdat zijn wijze en zorgzame karakter en zijn al even wijze en zorgzame daden gedurende mijn hele leven een hele waardevolle en eigenlijk onmisbare leidraad zijn geweest.

1.2 DAG, MALLE AT! (2017)

Je bent tot mijn verbijstering alweer bijna tien jaar dood. Over anderhalf jaar is het al zover. De meest recente herinneringen zijn natuurlijk de meest duidelijke herinneringen. Al zijn de fantastische uitsmijters, die je mij voorzette als je tijdens de jaren '80 en '90 weer eens de vrijgezel mocht uithangen, ook niet uit mijn geheugen weg te rammen.
Ik ben je nog steeds dankbaar voor al die keren in de jaren '0, dat je op Tum Tum hebt gepast en dat ik daardoor toch nog een paar keer op vakantie heb kunnen gaan. Ik ben je, als notoire kattengek, ook dankbaar voor het feit, dat je vlak voor je dood ongeneerd voor je stille liefde voor je honden bent uitgekomen. Ik ben je ook dankbaar voor de vele gezellige etentjes bij 'Mei Wah' en vooral voor je gezelschap bij die drie fabelachtige popconcerten in het laatste jaar van je leven.
Maar bovenal ben ik je dankbaar voor al je trouw, al je vriendschap en je werkelijk onuitputtelijke broederliefde. Je was een lieve, gekke en uitzonderlijk gierige broer en ik mis je nog steeds, zoals iedere jongere broer zijn overleden, oudere broer altijd zal blijven missen. Vandaar dit stukje dus, dat in de plaats komt van het gedicht, dat ik vlak na je dood heb geschreven. Ik hoop, dat dit stukkie, ontdaan van de rauwe emoties van die afschuwelijke nacht, veel beter en veelzeggender zal blijken te zijn dan dat gedicht!

1.3 HEIMWEE (2012)

Ik mis de busreisjes naar Nieuw-Vennep,
Ik mis de wandelingen naar het flatje,
Ik mis het flatje zelf en het mooie, groene uitzicht vanaf de bank,
Ik mis de 'Leffe's' in dat mooie, ronde glas,
Ik mis de soep,
Ik mis het malle gedoe met de vogeltjes,
Ik mis het gezamenlijke kijken naar de lachfilms of de meesterlijke series à la 'Haven',
Ik mis het gezamenlijke luisteren naar de muziek van Eric en Amy,
Ik mis de warme broodjes,
Ik mis de Magnums,
Ik mis de laatste koffie,
Ik mis het lange uitzwaaien na het afscheid,
Ik mis zelfs het eindeloze geleuter aan de telefoon...

1.4 EEN ODE AAN SIMON CARMIGGELT (2000)

Anton Tsjechow stierf in 1904, negen jaar voor de geboorte van Simon Carmiggelt. Die twee levens hadden elkaar eigenlijk in ruime mate moeten overlappen. Tsjechow werd vierenveertig, een leeftijd, die ik nu zelf heb bereikt, maar had minstens zeventig moeten worden. Dan had hij zijn pen pas definitief neergelegd op het moment, dat Carmiggelt die opnam.
Hoewel ik in 1975 bij Het Parool in dienst trad, op dezelfde afdeling, waar Annie M.G. Schmidt ooit haar Parool-carrière begon, las ik de Kronkels vrijwel nooit. Mijn interesse in literatuur betrof in die dagen niet de vaderlandse kanonnen als Carmiggelt, Mulisch, Reve, of W.F. Hermans, maar qua genre nogal uiteenlopende Engelse coryfeeën als D.H. Lawrence, Charles Dickens en P.G. Wodehouse. Verder las ik overigens alles, wat los en vast zat. Mijn interesses varieerden van Asterix tot Marcel Proust, enige lijn was er niet in te ontdekken.
Carmiggelt was ook niet vaak op de redactie; één keer heb ik op mijn werkplek een kort, nietszeggend gesprekje met hem gevoerd. Het ging om een aantal brieven, die op een zo efficiënt mogelijke manier moesten worden gekopieerd en die zich nu misschien in het Letterkundig Museum bevinden. Ik was degene, die hem daarbij behulpzaam mocht zijn, of beter: ik was degene, die hij op een uiterst charmante manier voor dat karweitje liet opdraaien.
Pas in 1979 begon ik mij in zijn werk te verdiepen. Het was een nogal ondeugende Kronkel, over een door een telefoontje onderbroken vrijpartij met zijn vrouw, waardoor het Carmiggelt-vuur in mij begon te branden. Twee jaar, in dezelfde tijd, dat mijn interesse in Tsjechow en de andere oude Russen begon te ontluiken, kocht ik mijn eerste Carmiggelt: 'Een stoet van dwergen', een bloemlezing in de Salamander-reeks, met een door Elsschot aangedragen titel.
Ik was er zeer van gecharmeerd en in de jaren daarna las ik alle Carmiggelts, die ik in de bibliotheek kon lenen. In mijn ogen was elke geboekstaafde Kronkel geniaal, maar ik had, net als bij Tsjechow, toch een lichte voorkeur voor zijn vrolijker werk uit zijn beginperiode. De enige Carmiggelt-boeken, die ik in die periode kocht, 'Poespas' en 'Jong beginnen', duiden daar ook op.
Bij zijn vertrek bij Het Parool in oktober 1983 verscheen 'Mag 't ietsje meer zijn' bij de Arbeiderspers, die wat dikkere bloemlezing uit zijn omvangrijke oeuvre. Ik kocht het boek via Het Parool en las het met gepaste weemoed uit. Tijdens het lezen besefte ik pas goed, wat voor verlies Het Parool had geleden. Mijn voorgevoel kwam helaas uit; in de vier jaar na zijn vertrek gleed de toch al verliesgevende krant langzaam naar een eerste bestaansbedreigende crisis af.
Toen in de herfst van '87 die crisis bleek te zijn afgewend, stierf Simon Carmiggelt. Het nieuws kwam, ondanks vage berichten over een recent ziekenhuisverblijf, onverwacht en kwam ook bij mij hard aan. In de week van zijn dood had ik avonddienst en elke keer als ik om half twaalf naar huis fietste, cultiveerde ik een onvervalst Carmiggeltiaanse melancholie. De weemoedige commentaren in de krant en een door Tony van Verre vervaardigde radiodocumentaire, waarnaar ik na mijn thuiskomst luisterde, hielpen daarbij een handje mee.
In de maanden na zijn dood kocht en las ik zijn twee laatst verschenen boeken: 'Bij nader omzien', met Kronkels uit de vijftiger jaren, en 'Vrolijke jaren', met Kronkels uit de jaren zestig. Het bleken twee juweeltjes te zijn, met als onbetwiste hoogtepunt: de Kronkel over een verblijf in Parijs, met als hoofdpersoon de ruig-behaarde, schaarsgeklede portier, die de verteller elke ochtend op een uiterst angstaanjagende manier uit de liefdevolle armen van Morpheus trok.
Het waren de laatste bundels, die Carmiggelt nog zelf had geredigeerd. De twee daaropvolgende bundels met oude Kronkels werden in oorspronkelijke vorm uitgegeven en waren zonder de corrigerende hand van de Meester iets minder van kwaliteit. Ze hadden naar mijn mening beter in het archief kunnen blijven, maar als ze die briljante finishing touch wèl hadden gehad, dan had ik ook deze bundels het predikaat wereldklasse meegegeven.
Over de persoon Carmiggelt kan ik kort zijn: in mijn ogen is hij een held. Om zijn rol in de oorlog en het illegale Parool, om de manmoedige manier, waarop hij de vele depressies in zijn leven te lijf ging en ook om zijn zorgzaamheid jegens zijn vrouw in de laatste tien jaar van zijn leven. Over zijn ontrouw tijdens zijn verhouding met Renate Rubinstein wens ik mij geen oordeel aan te meten. Dat zou ons idool Tsjechow namelijk ook niet hebben gedaan. Het was in mijn ogen ook niet laf, dat hij die voortdurende verhouding in een later stadium voor zijn vrouw verzweeg. Als ik zelf zou moeten kiezen tussen eerlijk zijn en kwetsen aan de ene kant, en zwijgen en gevoelens sparen aan de andere kant, zou ik ook altijd voor de laatste optie kiezen.

1.5 EEN ODE AAN EEN EX-COLLEGA (2017)

Iets meer dan een jaar geleden, een dag na de dood van de door mij ook al hevig betreurde Wim Brands, overleed mijn ex-collega Martin. Dat schokte mij zeer. Martin was namelijk een fantastisch mens! Hij was heel aardig, heel beschaafd, heel attent, heel behulpzaam, behept met een heerlijke, droge humor en gezegend met een schrijfstijl, die de vergelijking met de schrijfstijl van Toergenjew moeiteloos kon doorstaan.
Hij was ook een fantastische collega, hij speelde... nee, was gedurende tien jaar de wijze, oudere man, die alleen al door zijn aanwezigheid de ambitieuze, jonge honden op de afdeling moeiteloos in het gareel wist te houden. Zijn vertrek in 1992, voortvloeiend uit de door hem hevig verfoeide Vut, veroorzaakte dan ook een leegte op de afdeling, die nooit meer zou worden opgevuld. Kortom: hij was in het zestig jaar durende bestaan van de door Annie M.G. Schmidt opgerichte afdeling met afstand de meest geliefde collega onder de journalisten van Het Parool en Trouw en natuurlijk ook onder zijn eigen collega's.
Ik koester mijn herinneringen aan de uren, dat we die afdeling met zijn tweeën hebben gerund. Jarenlang heb ik een soort van tussendienst gedraaid, waarbij ik van tien tot zes werkte en in de laatste twee uren van mijn werkdag als 'relief-pitcher' voor de avonddienstcollega fungeerde. De tussendienst met Martin was dus veruit de gezelligste tussendienst. Er was ook altijd wel genoeg gespreksstof tussen ons. We waren allebei slagerszonen, we waren allebei verzot op treinen en treinreizen, we waren allebei verzot op muziek en dachten over een heleboel dingen hetzelfde. Het kwam vaak voor, dat ik na werktijd een poosje bleef hangen en pas om zeven uur naar huis ging.
Hij sprak ook elke middag weer zijn waardering uit voor mijn aanwezigheid in de eerste uren van zijn avonddienst. Hij had, net als ik, last van faalangst en had om die reden een hekel aan die avonddiensten. Van mijn kant vond ik het natuurlijk heel plezierig om hem te kunnen helpen en om hem van advies te kunnen dienen als hij daar behoefte aan had.
Ik heb dus vele leuke herinneringen aan Martin, maar als ik aan hem terugdenk, denk ik vooral terug aan de twee dagen, waarop hij zich als een enorme steunpilaar voor mij ontpopte. Hij had daar geen opzienbarende woorden of daden voor nodig. De eerste was een kalm schouderklopje op een januaridag in 1991, toen ik mij door toedoen van een dom mokkeltje in een heuse bestaanscrisis bevond; de andere was een achteloos uitgesproken zinnetje in mei 1995, waarmee hij de strapatsen van dat domme mokkeltje, en eigenlijk alle strapatsen van alle domme mokkeltjes in mijn leven, heel simpel verklaarde en meteen ook voor altijd onschadelijk maakte.
Dat achteloos uitgesproken zinnetje heeft tweeëntwintig jaar later namelijk nog niets van zijn kracht verloren. Het is eigenlijk een toverzinnetje, want er is geen enkele vorm van neerslachtigheid tegen bestand en het brengt altijd weer een brede glimlach op mijn gezicht teweeg, Dat is, gelet op de vele domme mokkeltjes uit mijn verleden en de vele liederlijke puinhopen, die ze telkens weer in mijn leven wisten aan te richten, toch echt een prestatie zonder weerga van die o zo bescheiden ex-collega van mij.
Dat bijzondere zinnetje was natuurlijk slechts de aanleiding om dit portretje te schrijven. De reden was de persoon, die hij was, want ook ik heb hem in het afgelopen jaar danig gemist en ook ik zal hem nooit, maar dan ook nooit vergeten. Hij heeft deze kleine ode dus meer dan verdiend!

1.6 EEN KOSTBAAR GESCHENK (2017)

Het duurde even, voordat zij mij opviel. Ik kwam al jaren twee keer per dag in de Aart Hendrik op het Mosveld, maar pas in de lente van 2015 zag ik, dat die kleine, langharige caissière toch wel heel veel op Marjon leek. Ik ging tamelijk verstandig met die ontdekking om. Ik schatte haar op een jaar of 17, 18, dus ik was dus zeker meer dan veertig jaar ouder dan zij. Toch kon ik mijn ogen vaak niet van haar afhouden als ik in de rij voor een kassa stond. Ik vond dat heel plezierig, ook al vormden de herinneringen aan Marjon nog steeds een fors litteken op mijn ziel, dat bij tijde en wijle nog danig kon schrijnen.
Wat ik niet had verwacht, dat de caissière mijn weemoedige blikken echt wel opmerkte en dat zij, toen het filiaal voor een jaar naar een tijdelijk gebouw aan de Meidoornweg was verhuisd, die blikken ineens begon te beantwoorden. Dat bracht mij – dat moge duidelijk zijn – danig van mijn stuk. Ik besefte heus wel, dat ik op mijn leeftijd nog steeds een 'lekker ding' ben, maar de kracht van mijn sexappeal is al decennialang even sterk als mijn onvermogen om daarmee om te gaan en ik had niet de illusie, dat die tot vele tantaluskwellingen aanleiding gevende combinatie van factoren ooit uit de wereld zou worden geholpen.
Dat gebeurde nu dus ook niet. Ik gaf mij volledig aan de flirt met de jeugdige caissière over, zonder ooit tot een amoureus initiatief over te gaan. Het was vooral het leeftijdsverschil, dat mij tegenhield. Een langdurige, al dan niet met kinderen gezegende relatie kon ik haar niet bieden en de gedachte aan een one-nightstand met dat leuke, jonge grietje had iets obsceens in mijn ogen, dus bleef ik mij bescheiden en terughoudend opstellen.
Het kon haar vermoedelijk niet veel schelen. Ik zag haar regelmatig glimlachen als ik het filiaal binnenliep en ik scoorde regelmatig een werkelijk stralende glimlach als ik bij haar kassa had afgerekend. Een keer, tijdens een gesprekje met twee van haar collega's, nam zij naar mij toe een nogal uitdagende houding aan, die ik zelfs bij Marjon nog nooit had waargenomen. Ik was daar volkomen flabbergasted over...
In de daaropvolgende weken herbeleefde ik de eerste, fantastische weken met Marjon en ik genoot daar met volle teugen van! De platonische idylle bleef ook voortduren, totdat het filiaal van Aart Hendrik in juli 2016 weer naar het Mosveld verhuisde. Die verhuizing viel zo ongeveer samen met het einde van het contract van de caissière. Na die verhuizing zag ik haar niet meer. Ook daar ging ik redelijk nuchter mee om. Ik had dus nooit de illusie gehad, dat er iets meer had ingezeten dan een leuke flirt en ik ervoer de herinneringen aan die kleine caissière als een kostbaar geschenk, als een fris ruikend zalfje, dat ik naar believen over het litteken kon smeren, dat Marjon in het begin van de jaren '90 zo vakkundig had aangebracht.
Een paar maanden later zag ik mij genoodzaakt om van supermarkt te veranderen. Een gênant incident met een beveiligingsbeambte, die mij ten onrechte van diefstal verdacht, was daarvan de oorzaak. Het feit, dat het kruidenierszaakje van mijn overgrootvader ooit door de oer-Aart Hendrik was weggeconcurreerd, fungeerde als een hele goede, tweede reden. Ik kon nu eindelijk de broodnodige solidariteit gaan tonen jegens mijn ongelukkige overgrootvader.
Ik ervoer de overstap naar de nieuwe Noor-supermarkt op het Mosveld dan ook als een verademing, of sterker nog, als een warm bad. Wat mijn gevoel van welbehagen nog danig versterkte, was een korte ontmoeting met de ex-caissière van Aart Hendrik bij een van de kassa's. Zij was echter geen klant, want zij had geen tas of boodschappen bij zich en zij liep meteen door naar de uitgang, onderwijl druk telefonerend via haar smartphone. Die ontmoeting maakte mij nog blijer dan ik al was; zij woonde dus in de buurt en ik zou haar vast nog wel een keer gaan tegenkomen, in of bij de Noor.
Die verwachting kwam sneller uit dan ik verwachtte: op de woensdag daarna zag ik haar bij de broodafdeling van de Noor, niet als klant, maar in haar hoedanigheid van nieuwe medewerkster! Zij deed net, of zij mij niet kende, hetgeen ik haar natuurlijk niet kwalijk nam en ik was zelf te verbouwereerd om iets meer te zeggen dan een nauwelijks verstaanbaar "Hoi!" In de dagen daarna bleef zij mij negeren en het duurde toch wel een paar weken, voordat we daadwerkelijk de draad oppakten, die we in juni 2016 aan de Meidoornweg hadden laten vallen.
Nu zijn we alweer negen maanden verder. Soms negeert zij mij, soms flirten we, dat de stukken er vanaf vliegen, maar telkens als ik de Noor binnenga, zweeft er een blije, verwachtingsvolle glimlach om mijn mond. Want elke keer als we wèl flirten, schuurt zij een hoekje van het Litteken van Marjon af en daar ben ik haar heel dankbaar voor! Ik koester vanzelfsprekend nog steeds geen romantische en/of erotische illusies over haar en mij, maar o... o.... wat ben ik blij, dat dit kostbare geschenkje mij rond mijn zestigste verjaardag ten deel is gevallen. Ik heb vele, vele Pauline Viardots gekend en ik heb nu eindelijk ook mijn eigen Maria Sawina...

2.1 DE KIPPENHOKSCHOONMAKER (2016)

Even voorstellen? Mijn naam is Bert Harberts, beter bekend als Chickenman, of de broer van Willem, de schilder. Ik ben een vrolijke vent van 61, die graag schrijft (korte verhalen voor de website The Harberts Chronicles), graag leest en een beetje fotografeert (maar wie doet dat niet tegenwoordig?) en die kalmpjes samenleeft met Watka, een vier jaar oude en hele ondeugende, cyperse kat.
Na mijn vertrek bij 'de krant', waar ik zesendertig jaar heb gewerkt, werk ik nu al vijf jaar als vrijwilliger bij drie verschillende verpleeghuizen, twee in Amsterdam en een in Bosch en Duin. Ik help bij kerkdiensten, schaak en functioneer als afruimer op een Dienstencentrum in het ene Amsterdamse verpleeghuis, scan archieven, maak een website voor een geestelijk verzorger in een ander Amsterdams verpleeghuis en scan sinds kort ook patiëntendossiers in meerdere Amsterdamse verpleeghuizen.
De leukste functie is echter die van Kippenhokschoonmaker voor de Kippen van Rozemarijn! Lang, lang geleden heeft er in het ouderlijk huis van Willem en mij een poosje een hele aimabele kip rondgelopen en nu, zeker vijftig jaar later, hebben we eindelijk weer de kans gekregen om voor maar liefst zes, hele aimabele kippen te kunnen zorgen. Die kans hebben we dus met beide handen aangegrepen. Klaartje1, Klaartje2, Klaartje3, Klara1, Klara2 en Willemientje, alias de Noorse Boskip, fleuren zowel Willems als mijn leven danig op en ik hoop dus vurig, dat ze nog heel lang rond de Wijngaard mogen rondscharrelen!

2.2 DE TAKEN VAN EEN KIPPENHOKSCHOONMAKER (2017)

Mijn officiële functie als Kippenhokschoonmaker van Rozemarijn vervul ik meestal op dinsdag en zaterdag. Als ik kom aanlopen en het kippenhok nader, komen de Dames meestal allemaal naar mij toe rennen. Dat is – dat moge duidelijk zijn – een hartverwarmende aanblik. Ik begroet ze dan ook altijd met open armen en spreek ze dan allemaal vriendelijk toe.
Als dank voor hun hartelijke ontvangst geef ik de Dames daarna te eten. Ik pak de voederbak, loop naar het werkhok en vul de voederbak met twee maatbekers met gewoon voer, één maatbeker met strooivoer en een handvol grit. Bij het teruglopen naar het hok let ik terdege op de zes Dames, die dan, welgemoed kakelend, voortdurend voor mijn voeten lopen. Het komt overigens toch wel eens voor, dat ik een van de Dames per ongeluk een licht schopje geef, maar gelukkig heeft geen van de Dames in deze ooit van enige rancune blijk gegeven.
Daarna maak ik het hok schoon. Ik trek plastic handschoenen aan, verwijder de met urine doordrenkte houtkrullen, de krant en de uitwerpselen met de hand en vervang die weggegooide krant en houtkrullen door een nieuwe krant en nieuwe houtkrullen. Die krant is altijd een oude Trouw, de krant, die ik bijna dertig jaar met veel plezier heb gearchiveerd. Het schoonmaken van het hok is natuurlijk een vies karweitje, maar ik ben, behalve een kippengek, ook een kattengek en maak al sinds 1980 kattenbakken schoon. Ik ben dus wel wat gewend.
Tijdens die schoonmaakwerkzaamheden word ik regelmatig door een broedende Dame op mijn vingers gekeken. Ik vind dat uitermate gezellig! Het is natuurlijk altijd leuk om tijdens het werk een beetje aanspraak te hebben. Gelukkig onthouden ze zich doorgaans van commentaar op de kwaliteit van die schoonmaakwerkzaamheden. Ik zou mij vast heel beschaamd voelen als ik zou weten, wat ze werkelijk van die schoonmaakwerkzaamheden vinden!
Na het schoonmaken van het hok vul ik de drie watertorens met schoon water en ga ik de stoep schrobben, maar dat laatste is een nog smeriger karweitje dan het schoonmaken van het kippenhok en de details daarvan wil ik u, in mijn hoedanigheid van bij uitstek discreet man, maar liever onthouden. Ik hoop, dat u mij dat niet euvel zult duiden!

2.3 DAG, MALLE KIPPIE! (2017)

Ik heb zelf slechts wazige herinneringen aan jou. Wat ik wel van je weet, weet ik van Willem. Ik weet dus, dat je ergens in 1960 uit een naburige kippenslachterij bent ontsnapt – door vanaf de wal in Willems kano te springen – en dat Willem je toen heeft meegenomen naar ons huis.
Ik weet, dat je daarna in een hok op zolder het restant van je leventje hebt geleid, ik weet, dat je heel lief en heel tam was, ik weet, dat je Willem overal achterna liep als hij je uit je kooi liet en dat je daarbij alles opvrat, wat je op de vloer vond, ik weet, dat je elke avond voor een poosje op zijn schoot zat te slapen en ik weet dus ook, dat je op een intens sullige en tegelijkertijd ook heel relaxte manier aan je einde bent gekomen.
Ondanks die wazige herinneringen aan jou treur ik soms nog steeds een beetje over de idiote manier, waarop je bent doodgegaan. Ik troost mij dan maar met de wetenschap, dat je op het moment van je fatale alcoholvergiftiging al heel oud was en op een plezierig leventje op een boerderij kon terugkijken en dat je door je ontsnapping uit die kippenslachterij dat plezierige leventje toch maar mooi met een jaar hebt weten te verlengen.
Uiteindelijk ben je door die heldhaftige ontsnapping ook op niemands bord beland, omdat je na je dood, in dat nogal onooglijke plantsoen aan de Klimopweg, een fatsoenlijke begrafenis hebt gekregen. En ook dat is natuurlijk een troostgevende gedachte, hè?

2.4 WILLEMIENTJE (2017)

Wat Kippie was voor Willem, is Willemientje voor mij. Ik weet niet tot wat voor ras mijn oogappeltje behoort, maar ik duid haar meestal maar aan als de 'Noorse Boskip' van Rozemarijn. Ik vermoed, dat zij, behalve de liefste, de mooiste en de kleinste, ook de jongste van de Dames is en dat zij om die reden onderaan de pikorde staat. Dat valt vooral op als ik de Dames te eten geef. Het wordt haar bij die gelegenheden regelmatig hardhandig duidelijk gemaakt, dat zij op haar beurt moet wachten.
De aanblik van die afstraffingen gaat mij als doorgewinterde, maar overgevoelige dierengek door merg en been. En dus ben ik haar de laatste weken maar een beetje aan het helpen bij het eten geven. Telkens als zij door een van haar 'zusters' van de voederbak wordt weggejaagd, pak ik wat voer uit de voederbak en strooi ik het voor haar neer. Zij is mij daar zichtbaar dankbaar voor. Zij begint er zo langzamerhand ook op te rekenen, dat ik voor haar in de bres spring en zij laat het mij dan ook altijd weten als zij hulp nodig heeft.
De laatste week is er echter een klein wonder gebeurd. Zij wordt nu door de beide Klara's, de twee donkerbruine akela's onder de Dames, getolereerd bij het eten! Ik koester een beetje de illusie, dat mijn hulpacties de oorzaak van dat wonder zijn, maar helaas heeft ook deze medaille een keerzijde. Want nu is het Klaartje3, de liefste van de drie witte werksters onder de Dames, die soms van de 'voedertrog' wordt weggejaagd en dus op haar beurt moet wachten. Eigenlijk zou ik nu voor Klaartje3 in de bres moeten springen, maar dat kan ik dus niet opbrengen. De charmes van mijn steeds tammer wordende oogappeltje zijn te sterk voor mij, dus heb ik besloten om Klaartje3 maar in haar sop te laten gaarkoken. Dat is natuurlijk buitengemeen gemeen van mij, maar wat is het nut van het hebben van oogappeltjes als je ze niet af en toe mag voortrekken?

2.5 ARIE! (2017)

Vlak na de verhuizing van de Dames naar de tuin van Rozemarijn kregen ze gezelschap van een piepjonge haan. Dat kon ze aanvankelijk niet echt bekoren. De eerste weken moeten een hel voor het arme jochie zijn geweest. Het duurde dus even, voordat het haantje zijn draai had gevonden. De eerste met wie hij het goed kon vinden, was Willemientje, die andere outcast onder de Dames, en uiteindelijk draaiden ook de andere Dames bij.
Zelf sloot ik het beest onmiddellijk in mijn hart. Ik had ook al snel een naam voor hem bedacht: Arie. Het was – ik geef het eerlijk toe – een ietwat stompzinnig eerbetoon aan een ex-voetballer aan wie ik eigenlijk een enorme hekel had. Het eerbetoon was, behalve stompzinnig, ook zeer misplaatst. Het haantje had namelijk niets van de arrogantie van de ex-voetballer; hij was echt oneindig veel aardiger.
Willem was overigens al even verzot op Arie. En niet ten onrechte: Het haantje paarde een mooi uiterlijk aan een zeer klunzige manier van doen, die op een verregaande mate van bijziendheid leek te duiden. Ook hij was al snel heel tam en ook hij zat in de avonduren soms urenlang naast Willems rolstoel.
Ik maakte in de daaropvolgende weken vele foto's en filmpjes van Arie. Ik deed dat vooral, omdat ik het vermoeden had, dat zijn verblijf in de tuin van Rozemarijn niet zo heel lang zou gaan duren. De reden van dat vermoeden lag voor de hand: hij was, behalve een hele leuke haan, ook een hele extraverte haan. Voor mij was dat een reden om uitgebreid over de toekomst van Arie te tobben en dat deed ik dan ook; telkens als ik hem hoorde kraaien, had ik de nauwelijks te onderdrukken neiging om een luidkeels "HOUD JE KOP!" naar zijn kop te slingeren.
Arie's verblijf bij de Dames zou inderdaad niet veel meer dan zes weken duren en na zijn vertrek moest ik toch wel even iets wegslikken. Nu, ruim een jaar na zijn vertrek, kan ik nog steeds een beetje weemoedig worden over die malle, kippige rode haan en bewaar ik de foto's en de filmpjes van hem op maar liefst twee laptops en één smartphone en daarnaast ook op Google Drive, Faceboek en Twitter. Eén ding is dus wel zeker: zijn bestaan is niet onopgemerkt gebleven...

2.6 KLAARTJE3! (2017)

Een poosje geleden is Klaartje3, alias Oude Klara, overleden. Op Willems verjaardag vond ik haar in het broedhok, in een houding, waarin ik vroeger menig parkiet heb gevonden: met haar koppie weggedoken in een hoek. In dit geval was er iemand, die de wacht bij de overledene hield en tegelijkertijd ook nog twee eieren legde: Klaartje2. Zij nam haar dodenwake-taak overigens serieus op, Zij pikte mij een paar keer nogal venijnig in de vinger, toen ik met die vinger Klaartje3 in beweging probeerde te krijgen.
Een uur later, nadat ik met Willem en ook met Adrie en Jessica, koffie en taart had genuttigd, drong het pas tot mij door, dat ik een uur daarvoor in een kippenlijkje had zitten porren. Ik meldde dat aan Gerlinda1 en uiteindelijk werd de van een lunch genietende tuinman verzocht om Klaartje3 uit de kooi te halen en te begraven.
Het duurde nog een half uur, voordat die verwijdering en die begrafenis daadwerkelijk plaatsvonden en ik het schoonmaken van het hok, waaraan ik inmiddels was begonnen, kon voltooien. Ik heb uiteindelijk alle houtkrullen verwijderd en vervangen, ik heb het hele hok flink geboend en de eieren, die Klaartje2 tijdens haar dodenwake nog heeft gelegd, heb ik vanzelfsprekend weggegooid.
Zoals te verwachten was, was er aanvankelijk van verdriet of medelijden geen sprake bij mij. Mijn koele verstand zei mij, dat Klaartje3 een fantastisch leventje, een kalme dood en een fatsoenlijke begrafenis had gehad en de sentimentele dierengek in mij nam daar zonder morren genoegen mee.
Een dag later sloeg de weemoed toch weer toe en zat ik in iets, wat ik een milde rouwstemming noemde. Wat de weemoed een beetje temperde, was natuurlijk het besef, dat zij een heel ander leventje had kunnen leiden en dat zij in het uiterste geval ook op mijn bord terecht had kunnen komen in plaats van in een graf op de Algemene Dierenbegraafplaats van de Wijngaard.
Maar ook dat besef kon mij er niet van weerhouden om bij elk bezoek aan de Wijngaard even bij dat kleine graf stil te houden en om dan ook in gedachten nog even stil te staan bij dat kalme, rimpelloos verlopen leventje van Klaartje3!

2.7 SCHULD EN BOETE (2017)

Mijn huidige adoratie voor de Dames wordt ook een beetje gevoed door een volstrekt irrationeel schuldgevoel. Ik heb eigenlijk helemaal niet naar ze omgekeken, toen ze nog in de Dierenweide woonden. Ik was verzot op Miss Piggy en Porky, respectievelijk het witte en het zwarte zwijntje, ik was verzot op Gerrit, het bokje, dat eigenlijk Berend had moeten heten, maar in werkelijkheid Sjakie heette en ik was verzot op Wammes, de extreem luidruchtige, altijd hongerige eend, die ik abusievelijk voor een gans aanzag. De konijnen waren ook wel leuk, maar lang niet zo leuk als Brownie, het huiskonijn van Reade, en de kippen? Tja, ik vond ze eigenlijk maar saai...
Wat het nog erger maakte, was, dat de briljant bedelende Gerrit en Wammes uiteindelijk ook de zwijntjes verre in de schaduw stelden en dat Willem en ik ons vooral met het vrolijke bokje en de vrolijke eend bezig hielden. Daar voel ik mij dus ook schuldig over, want eigenlijk waren ze allemaal heel belangrijk voor mij. Tijdens het eerste Wijngaard-jaar moest ik eerst om een recent overleden kat rouwen, en moest ik daarna nog tweemaal een kat laten inslapen. Mijn omgang met de dieren van de Dierenweide in het algemeen en met Gerrit en Wammes in het bijzonder vormden dus een welkome afleiding voor mij.
De eerste Facebook-berichten over een verkoop van de grond, waarop de Dierenweide stond, brachten mij dan ook tamelijk van mijn stuk. Het idee om eventueel afscheid te moeten nemen van de Dierenweide-dieren gaf meteen aanleiding tot veel melancholisch getob. Gelukkig kreeg ik al snel zekerheid over hun lot. Dat gebeurde, toen ik van Mijnie het verzoek kreeg om als Kippenhokschoonmaker te gaan fungeren: de kippen, de enige Dierenweide-dieren, voor wie nog geen regeling was getroffen, zouden namelijk naar de tuin van Rozemarijn gaan verhuizen.
Het afscheid van de andere dieren in januari 2016 verloor daardoor veel van zijn scherpe kanten. Ik mis ze echt wel, hoor! Die malle Gerrit en Wammes en die aandoenlijke Miss Piggy en Porky waren echt heel leuk en die aanblik van die onttakelde Dierenweide, waar ze jarenlang hun leventje hebben geleid, is ook niet echt plezierig, maar het (mede) zorgen voor die vijf, malle achterblijvers vormt een alleszins, adequate compensatie voor het gemis!

2.8 WEGGELOPEN! (2017)

Een poosje geleden werd ik bij het naderen van Rozemarijn alleen door Willemientje begroet. Zij begeleidde mij, met de haar kenmerkende vriendelijkheid, tot de deur en bleef daar op mij wachten, tot ik met een gevulde voederbak terugkwam. Daarna trippelde zij met mij mee op mijn gang naar het hok.
"Zij houdt van je!" voegde de pauzerende Jacolien mij toe.
"Het is wederzijds, hoor!", zei ik grinnikend terug.
Op de weg naar het hok, kwam Klaartje2, luid kakelend, naar ons toe rennen. Zij nam onmiddellijk het voortouw bij het eten en dwong Willemientje om buiten het hok te blijven staan. De pikorde leek een paar maanden daarvoor door mijn toedoen een beetje verstoord te zijn, maar dat was dus slechts schijn. Op elke dag, dat ik de kippen hun voer geef, moet ik Willemientje zelf het voer voorzetten. Ik doe dat natuurlijk graag en ook op die dag bleef ik tijdens het schoonmaken van het hok een oogje in het zeil houden.
De drie andere kippen, Klara1, Klara2 en Klaartje1, waren dus afwezig en bleven dat ook gedurende bijna mijn gehele Wijngaard-shift. Het gaf mij een vaag gevoel van onrust, dat ik kon beteugelen, tot ik met Willem had gegeten (Rijstebrij met krenten!) en met hem naar de Brasserie was geweest, waar we onder andere een lang gesprek over een hele bekwame huishoudster, ene Lies, en haar op Agnes Wickfield lijkende dochter Lea hadden gehad.
Na dat bezoek aan de Brasserie begon ik toe te geven aan mijn ongerustheid over de drie weglopers. Ik had vele sinistere visioenen, vooral over drie vossen, die drie spartelende kippen in hun bek hadden, en uiteindelijk zei ik ook maar tegen Jacolien, dat ik maar liefst drie kippen miste. Zij stelde mij snel gerust: zij had het illustere drietal gezien. Ze liepen over een mooi, glooiend paadje – het buurtschap heet niet voor niets Bosch en Duin - dat aan de andere kant van Rozemarijn lag. Ik liep er naartoe en vond ze inderdaad op het aangewezen paadje. Ik was heel blij om ze te zien! De blijdschap leek gelukkig wederzijds te zijn, want ze renden meteen naar mij toe.
"Dag, lieve meisebeesies!", zei ik, een ietwat gênante koosnaam gebruikend, "Zijn jullie een beetje verdwaald?"
Hun vrolijke gekakel klonk mij als muziek in de oren. Het gekakel ontroerde mij ook; voor mij was dat een teken, dat ze alle vijf diep in mijn hart waren gaan zitten. Ze volgden mij ook meteen en na wat heen en weer geloop, wees ik hen de kortst mogelijke weg en liepen ze uiteindelijk een voor een het hok binnen, waar hen een slechts voor de helft gevulde voederbak wachtte. Ze leken er niet mee te zitten. Een kwartiertje later lagen ze alle vijf in de tuin, heel tevreden en ingegraven in de tot modder getransformeerde aarde, naast hun favoriete raam en en kon ik na een korte maaltijd in de Brasserie met een gerust hart huiswaarts keren.

2.9 GERED! (2017)

De Wijngaard-shift begon die dag met het eten geven aan de Dames en ging verder met het koffie drinken in de Brasserie, waar ik Willem meedeelde, dat ik deze week was gestopt met het eten van varkensvlees. De dag was begonnen met een domme Facebook-reactie op dat besluit - waarover ik overigens beter mijn mond had kunnen houden – en ik bleef daardoor in een stemming, die ronduit stresserig kon worden genoemd. Die stressstemming verergerde, toen Willem een gewonde vogel op het terras vond. Het was een grijze merel, die een gebroken pootje had en die, gelet op zijn open bekkie, in een shocktoestand leek te verkeren.
De aanblik van het beestje ging mij door merg en been. Ik was er eigenlijk van overtuigd, dat het beestje stervende was en ging onmiddellijk tot actie over. Ik liep naar binnen en vroeg aan een van de dienstdoende woonbegeleidsters, of zij een doos had, waarmee ik het beestje naar de dierenarts kon brengen. Zij was heel behulpzaam en kwam meteen ook met een betere suggestie: een telefoontje naar de Dierenambulance.
De eerste actie was het oprapen van het beestje. Ik deed het heel voorzichtig en stopte hem in een brede, rechthoekige, plastic bak. Daarna belden we allebei beurtelings naar de Dierenambulance en de dichtstbijzijnde dierenarts. Ik kreeg een assistente van de dierenarts aan de lijn, die mij vertelde, dat de praktijk niet aan het oplappen van vogels deed en dat ik beter eerst kon proberen om de Dierenambulance aan de lijn te krijgen, zodat de vogel naar een naburige Vogelopvang kon worden gebracht.
Dat lukte mij niet, maar de woonbegeleidster wel en zij sprak af, dat ik de vogel in de loop van de middag bij de hoofdingang aan de Denneweg aan de Dierenambulance zou afgeven. Daarna hielden Willem en ik ons nog even met de vogel bezig. Ik legde een krant op de bodem van de bak neer, zodat zijn gebroken pootje niet telkens weggleed en Willem legde een paar rode bessen op de krant neer, waar de merel overigens niets van at, We legden daarna op advies van de woonbegeleidster ook een krant over de bak heen, zodat het beestje een beetje tot rust kon komen.
Intussen had de stress mij helemaal overmand en begon ik misselijk te worden. Ik was daarna ook nog zo dom om een macaroni-maaltijd te eten, waarbij mijn heldhaftige pogingen om de stukjes ham opzij te leggen mijn misselijkheid alleen maar leken te versterken. Na het eten vluchtte ik de kamer uit en ging ik bij de bak met de vogel zitten, die nu onder het afdakje bij de ingang stond.
Het beestje leek inmiddels helemaal te zijn opgeleefd. Hij gebruikte zijn staart om zich staande te houden en hij keek ineens heel vief en levenslustig uit zijn oogjes. Hij leek echt volkomen op zijn gemak te zijn! Het vermocht mij niet op te monteren. De woonbegeleidsters merkten onderwijl, dat ik steeds zieker begon te worden. Ze namen de vogel mee naar binnen en boden mij een paracetamol aan. Na een korte aarzeling – ik had liever een anti-misselijkheidmedicijn gehad - accepteerde ik die paracetamol.
Ik nam ook het aanbod aan om mij van een bakje te voorzien, waarin ik eventueel zou kunnen overgeven. Dat bakje kwam echter te laat. Het overgeven begon, voordat ik het bakje mocht ontvangen en het ging daarna nog wel even door. De substantie zag eruit als tomatensoep. Als ik daarnet al een piepklein stukje varken had opgegeten, dan was het in ieder geval nog niet verteerd. Uiteindelijk ging ik, gewapend met een zwarte vuilniszak, een poosje op Willems bed liggen, waar ik eerst het heuglijke bericht ontving, dat Pietje, oftewel de merel, was opgehaald en ik vervolgens nog een keer overgaf in de vuilniszak. Pas daarna kwam ik een beetje tot rust.
Het duurde tot half vier, voordat ik genoeg was hersteld. Na wat te hebben gegeten, kon ik de thuisreis aanvaarden. Ik nam afscheid van Willem en van Klara1 en Willemientje, die tot mijn niet-geringe verbazing in een nogal teder tête-à-tête waren verwikkeld, en liep naar de bushalte in Huis ter Heide, waar ik op bus 59 stapte. Twee uur later was ik thuis. Ik voelde nog steeds een beetje moe en gammel en bracht een groot deel van de avond in bed door.
Maar aan aan het einde van die o zo moeilijke dag overheerste opeens de voldoening over het redden van dat nietige vogeltje. Mijn grootste, literaire held, Anton Tsjechow, vermoordde ooit een, door Isaac Levitan gewonde watersnip; ik was er die dag samen met een andere schilder mede verantwoordelijk voor geweest, dat een gewond vogeltje was blijven leven. En daar was ik toch wel heel erg blij mee!

2.10 WILLEMIENTJE EN DE BUIZERD (2017)

De dag begon al slecht. Tijdens het checken van mijn Facebook-prikbord in Vreugdehof stuitte ik op een filmpje over een gruwelijk mishandelde, jonge hond in Zuid-Afrika, die uiteindelijk toch was gered en een goed tehuis had gevonden. De confrontatie met het leed van de hond hakte er echter zodanig in bij mij, dat het happy-end er eigenlijk al niet meer toe deed. Ik was de hele ochtend zo gedeprimeerd, dat ik een diepe haat jegens de mensheid koesterde. Dat is niet iets, wat van de laatste tijd is. Ik ben sinds een paar jaar overgevoelig voor dierenleed, vooral als het door mensen wordt veroorzaakt. Dat geldt natuurlijk voornamelijk voor de bio-industrie, maar ik raak de laatste tijd zelfs al geïrriteerd als jonge kinderen achter duiven aan rennen...
Na mijn thuiskomst werd ik hardhandig tot de orde geroepen. Een mailtje van Marije meldde heel slecht nieuws over Willemientje. Ik opende het mailtje en las, dat Willemientje door een buizerd was gegrepen. Marije en Willem waren nog op zoek gegaan naar haar, maar hadden alleen maar heel veel veren gevonden. Hoewel Marije nog wel een slag om de arm hield - het zou kunnen, dat Willemientje ergens in een hoekje of onder een struikje verscholen zat – ging zij er eigenlijk wel van uit, dat het voor Willemientje afgelopen was.
Het nieuws daalde nauwelijks in bij mij. Ik prentte mij, net als bij de dood van Klaartje3, opnieuw in, dat zij een mooi leventje had gehad en dat zij allang dood had kunnen zijn als Marije bij het uitzoeken van de kippen voor Rozemarijn voor een andere Noorse Boskip had gekozen en dat leek wel weer te helpen. Toch stuurde ik een mailtje terug, waarin al wat emotie doorheen klonk:

“Hoi, Marije,

Oef, dat is wel effe schrikken! Zij heeft een mooi, lang leventje gehad, zeg ik nu heel stoer tegen mijzelf, maar ik zal het er wel een paar dagen een beetje moeilijk mee hebben.”

Groetjes,

Bert"

Ik verzond het mailtje en besefte ineens, dat mijn mensenhaat was verdwenen. De natuur was immers net zo wreed als de mens. Ik zette mijn laatste foto van Willemientje op mijn Facebook-prikborrd - met als titel Willemientje, 2010-2017 - en voegde er geen commentaar aan toe. Wat er de komende dagen door mij heen zou gaan, wist ik nog niet, maar ik was, hoe dan ook, niet van plan om mijn rouw over Willemientje met mijn Facebook-vrienden te delen.
Ik checkte daarna opnieuw mijn Yahoo-app en zag een tweede berichtje van Marije in mijn inbox staan. Ik kon uit de eerste zin al opmaken, dat de inhoud daarvan heel anders was dan de vorige:

“Wees gerust, ze leeft!!! Ik kijk net in het hok en daar loopt ze, enigszins verschrikt, het trapje op om een eitje te leggen.”

Daar was ik - dat moge duidelijk zijn - heel blij mee. Mijn antwoord duidde daar al op:

"Hahaha! Oei, dat moet ik snel mijn in memoriam op Facebook gaan rectificeren ;-) ;-) ;-)"

Het antwoord kwam snel:

“Hahahaha, wat een blijdschap! Willem is ook erg blij, maar ook wat bezorgd en heeft de kippen voor vandaag maar opgesloten.;-)”

Ik betuigde mijn instemming met die handelwijze en daarna drong het in een flits tot mij door, dat ik na dit krankzinnige kwartiertje nooit meer in staat zou zijn om kippenvlees te eten. Het schuurde al een poosje, dat Willem en ik regelmatig naar de vrolijke capriolen van de Dames keken, terwijl we allebei een smakelijke kippendij aten en ik had al besloten om alleen nog maar het vlees van scharrelkippen te eten, maar nu was ook dat een gepasseerd station. Je kunt niet én om de dood van een geliefde scharrelkip rouwen én tegelijkertijd regelmatig het vlees van een andere scharrelkip eten. Ook die scharrelkip had immers de charmes en het lieve, zachtmoedige karakter van Willemientje kunnen hebben. Helemaal stoppen met het eten van kippenvlees was dus de enige optie. De behoefte om dat besluit vast te leggen, was te sterk om te weerstaan en dus zette ik eerst de volgende rectificatie onder Willemientjes foto:

"Rectificatie: Zij is niet dood, zij leeft! Zij is aan de buizerd ontsnapt..."

En een kwartier later volgde dit tekstje:

"Dit is het Teken van Boven geweest! Ik eet nu ook geen kippenvlees meer...;-)"

De rest van de middag besteedde ik aan het kijken naar de Robert Johnson-dvd van Eric Clapton - de meestergitarist, die helaas ook een fanatieke jager is – en daarna at ik op het zonovergoten terrasje van 'San Remo' een overheerlijke Pizza Shoarma!

Epiloog:

Willemientje scheen, op een wat toegetakelde staart na, niets aan de aanval van de buizerd te hebben overgehouden. Zij was wel een stuk schuwer geworden en bracht een groot deel van haar tijd onder de struiken door. Op de ene dag scheen zij weer wat losser te worden en wat meer zichzelf te zijn; op de andere dag liet zij zich helemaal niet zien en stortte zij mij opnieuw in een prematuur rouwproces. Maar zij leeft dus nog steeds en ik mag haar nog steeds heel vaak te eten geven.
Wat overigens mogelijk niet meer geldt voor Klara2. Die is namelijk spoorloos verdwenen in de dagen na de buizerdaanval op Willemientje. Volgens Marije heeft zij ergens een plekje voor zichzelf gezocht; volgens anderen is zij ten prooi gevallen aan een vos. Ik heb vrede met zowel het een als het ander en zie stiekem, heel stiekem een Ingrijpen van Boven in zowel het overleven van Willemientje als de daaropvolgende verdwijning van Klara2!

3.1 GOMPY, of REQUIEM VOOR EEN PIZZERIA-KAT

Je bent al veertien jaar dood, maar op de een of andere manier heb je toch een permanent plekje in mijn hart gekregen. Ik zag je vanaf november 1990 eigenlijk wel elke week. Je woonde toen al zeven jaar in de allerbeste pizzeria van Nederland en je was daar de kat, die overdag en 's nachts de muizen op een afstand moest houden. Hoe je dat deed, weet ik niet, want je was zo'n beetje de meest suffe kat van de hele wereld.
Je was om die reden tegelijkertijd ook een van de liefste katten van de hele wereld. Je liet je graag aaien, je begroette mij regelmatig door even op mijn tafel te springen en mij een kopje te geven en ik herinner mij een avond, waarop je permanent op mijn tafel en naast mijn bord lag. Dat was eigenlijk streng verboden, maar die avond mocht je dat dus wel. Die avond is dan ook mijn meest duidelijke en tegelijkertijd ook mooiste herinnering aan jou. Jouw dood in maart 2000 liet een leegte in mij achter, die zelfs door je zeer charmante opvolgster nooit helemaal is opgevuld en dat is dus een hele goede reden om nog één keer bij je kalme bestaan stil te staan. Bij deze dus!

3.2 DAG, MALLE SIMBA! (2017)

Ergens in september 2000 nam jij je intrek in mijn stam-pizzeria. Je was een fel, tenger opdondertje en het duurde echt wel een poosje, voordat ik aan je was gewend geraakt. Maar naarmate de jaren vorderde, werd je steeds rustiger en tammer. Veel tammer. Je brak het ijs door mij, staande op je achterpootjes, regelmatig stukjes kaas en stukjes lamsvlees af te bietsen en uiteindelijk sprong je op een dag gewoon maar op mijn schoot en liet je mijn geaai vervolgens met veel plezier welgevallen.
Ons samenzijn had in de jaren daarna veel van een lang uitgesponnen ritueel weg. Voor het eten zat je op mijn schoot, als ik at, zat je naast mijn stoel en voorzag ik je van stukjes kaas en stukjes lamsvlees en na het eten zat je weer op mijn schoot, waar je dan bleef zitten, tot ik mijn twee espresso's had genuttigd en ik je weer met veel wederzijdse tegenzin op de vloer moest neerzetten, omdat ik toch echt naar huis moest gaan.
Er waren in de daaropvolgende jaren periodes, waarin je minstens zo belangrijk voor mij was als mijn toenmalige huiskat, de sullige Boris. Aan het einde van 2009, toen ik al een poosje worstelde met maagproblemen, was jouw bestaan een lichtpuntje, waaraan ik mij voortdurend kon optrekken. Ik ervoer dat het sterkst op de dag, dat ik op weg naar een bloedafname langs de pizzeria liep en jou daar even kon begroeten. Of je mij op dat moment herkende, was niet belangrijk. Ik was even afgeleid van de bacterie in mijn maag, waarvan ik binnen een paar weken zou worden verlost, en voelde mij meteen een stuk beter.
Ik was de eerste klant bij wie je op schoot zat en daarmee bleef je heel lang doorgaan, ook nadat je langzaam begon af te takelen en aan die gevreesde nierziekte bleek te lijden. Je was niet de enige kat in mijn leven, die in die periode met die nierziekte kampte. Boris had dezelfde, dodelijke kwaal en ik zag ook hem langzaam aftakelen. Ik wist zowel met ene als het andere ziektegeval naar vermogen om te gaan.
In het eerste kwartaal van 2013 heb ik je nog elke woensdag mogen vertroetelen, maar het einde van je ziekte, in juli van dat jaar, zou ik niet meer meemaken. In dezelfde periode had ik opnieuw maagklachten en moest ik besluiten om mijn wekelijks bezoekjes aan 'San Remo' voorlopig te staken. Gedurende dat intermezzo, dat niet zo heel lang zou gaan duren, ben je overleden.
Als ik je zou zeggen, dat ik je mis, zou dat een understatement zijn. Je bent echt jarenlang een onmisbaar onderdeel van mijn leven geweest en elke keer als ik in 'San Remo' ben en je foto bij de bar zie hangen, gaat er toch echt een steek door mijn hart. Wat het gevoel van weemoed dan danig tempert, is het karakter van de kat, die nu in mijn huis rondloopt: in Watka zie ik heel veel van van jou terug. Ook Watka is een fel opdondertje, dat vaak niet van mijn schoot is weg te slaan. Ik vermoed dat Watka in 2012 is geboren, maar ik kan ook niet helemaal uitsluiten, dat Watka is verwekt op de dag, dat jij overleed. Die vage notie van een mogelijke reïncarnatie blijf ik toch maar koesteren. Je kunt immers nooit weten...

3.3 MUSKIE! (2017)

De eerste eend, die mij in haar ban kreeg, was Muskie, een muskuseend. Die eerste en enige ontmoeting tussen mij en haar vond plaats in Broek in Waterland, in september 2009. Zij voerde een troep eenden aan, die mij op die dag van heel veel oud brood verloste. Ik was onmiddellijk verzot op haar. Zij gedroeg zich lief en aanhankelijk en liet zich zelfs even aaien. Zij bracht daarbij weliswaar enig, protesterend gepiep voort, maar dat verhoogde haar aantrekkingskracht alleen maar.
Nu, acht jaar later, tob ik een beetje over de enorme impact, die Muskie toen op mij heeft gehad. Zij was namelijk in geen enkel opzicht een speciale of bijzondere eend: elke muskuseend schijnt een lief en aanhankelijk karakter te hebben. Het probleem, voor zover daar al sprake van was, lag en ligt geheel bij mij. Sommige beesten kunnen mij, net als Voskuil, tot tranen toe ontroeren. Soms zijn het hun daden, soms is het hun uitstraling en bij Muskie was het een combinatie daarvan.
De ontmoeting met Muskie bracht meteen het dwaze plan in mij naar boven om in de daaropvolgende winter elke zaterdag naar Broek in Waterland te gaan en om haar dus elke week te voederen. Dat is er uiteindelijk niet van gekomen. Ik rouwde in die periode nog steeds om de dood van At, ik had die winter ook een paar lichamelijke problemen en ik had al jaren te kampen met een permanente reorganisatie op mijn werk en langzaam, maar zeker verdween zij uit mijn gedachten.
Maar ik ben haar dus nooit helemaal vergeten en vandaag heb ik besloten om uit sentimentele overwegingen toch nog één keer naar Broek in Waterland te fietsen. Het wordt natuurlijk niet echt een bedevaartstocht voor een muskuseend, meer een kleine ode aan een lief beest, wier bestaan toch een van de weinige lichtpuntjes in een verder nogal donkere levensperiode was. Misschien is zij al lang dood, misschien leeft zij nog wel en misschien kom ik haar wel tegen als ik morgen weer in Broek in Waterland ben, maar als dat laatste niet gebeurt, is het ook goed. Dan heb ik in ieder geval dit stukkie, dat mij tot het einde van mijn leven aan haar zal herinneren!

3.4 KATRIEN! (2017)

Zij kwam elk jaar in juli, zij ging ook elk jaar in juli weg en zij had elk jaar haar echtgenoot bij zich. Zij was, zoals Duckface uit 'Four Weddings and a Funeral' het eens uitdrukte, een 'serial monogamist', want zij had elk jaar een andere echtgenoot. Soms was het een sullig, ouder mannetje, soms was het een mannetje, met een 'rectal prolaps', dat de zomer naar alle waarschijnlijkheid niet zou gaan overleven, soms was het een kerngezonde, jonge God. Zij had er wel altijd goed de wind onder. Het brood, dat zij mij en mijn buren afbietste, was in de eerste plaats voor haar; de kruimels waren, bij wijze van spreken, voor hem.
Ik herkende haar altijd aan het rechthoekige, kale streepje op de bovenkant van haar kop. Niet àlle woerden waren altijd even lief voor haar geweest. Zelf hield ik van haar, omdat zij telkens door mijn straat liep als ik het ergens heel erg moeilijk mee had. In 2012 was het om Willem, die net een tweede beroerte had gehad, in 2013 was het om Boris, die net was overleden en in 2014 was het om Granaatje, die ongeneeslijk ziek was en nog voor het einde van de maand zou komen te overlijden. Alleen in 2015, het jaar van de jonge God, kon ik zorgeloos van Katrien genieten, omdat Willem alweer twee jaar in de Wijngaard zat en het daar naar zijn zin had en ikzelf een hele jonge, hele gezonde kat in huis had.
Na 2015 heb ik mijn vrolijke, tamme Straateend niet meer gezien. Vorig jaar heb ik weliswaar een vrouwtjeseend met twee woerden door de straat zien lopen, maar ik weet niet, of dat Katrien was. Hetzelfde geldt voor het eendenpaartje, dat ik een paar weken geleden langs mijn huis heb zien lopen. Ik kan met die onzekerheid wel leven. Ik heb immers de foto's nog en vele vrolijke herinneringen aan een zeer assertieve eend, die in mijn portiek zit, samen met haar tijdelijke echtgenoot dat portiek onderschijt en onderwijl met veel bravoure het brood uit mijn handen pikt...

3.5 BROWNIE & CO! (2017)

Wat de kippen zijn voor Rozemarijn, zijn de konijnen voor Reade. In de vijftien maanden, dat Willem in Revalidatieklinek Reade verbleef, waren die 'wilde' konijnen een voortdurende bron van vermaak voor ons. Een verblijf in de tuin, waarbij de konijnen zich niet lieten zien, was een saai verblijf en leidde doorgaans tot een snelle gang naar de kroeg van Reade, waar ze overigens heerlijke koffie en appelgebak serveerden.
Waren de konijnen er wel, dan was het simpelweg observeren van etende of slapende konijnen al genoeg om de twee, soms nogal gestreste broers weer helemaal tot rust te brengen. De konijnen deden overigens wel wat meer dan alleen eten en slapen, want er liepen ook regelmatig jonkies door de tuin. Hoewel een paar van die jonkies waarschijnlijk ten prooi aan roofdieren is gevallen, hebben we er toch een aantal zien opgroeien.
De idylle in de aan het Vondelpark grenzende tuin werd helaas wel eens verstoord. De konijnen werden regelmatig weggejaagd. Soms door luidruchtige kinderen, soms door een arrogante puber, die ik graag op zijn arrogante bek had willen rammen en soms door honden, die zo nodig hun jachtinstinct op onze oogappeltjes moesten botvieren. Willem en ik droomden regelmatig van een bord, waarop de woorden "Op honden wordt gejaagd!" waren geschilderd, maar van het fabriceren en het plaatsen van zo'n bord is het helaas nooit gekomen.
Willem en ik hadden een favorietje onder de konijnen. Het was een groot konijn, dat ik om een voor de hand liggende reden al snel 'Brownie' noemde. Hij was min of meer handtam. Hij at echt uit onze handen en in alle standen, die je maar kunt bedenken. Soms graaide hij het voor hem bestemde, witte bolletje zomaar uit mijn hand, soms leunde hij tijdens het eten met zijn voorpootjes tegen mijn scheenbeen, soms hing hij helemaal over Willems schoen heen en liet hij zich zelfs even aaien. Ook de beminnelijke Brownie moest af en toe voor zijn leven rennen, maar meestal zat hij na het eten met half geloken oogjes bij ons te suffen, of deed hij in alle rust een dutje. Op dat soort momenten was de idylle in de tuin eigenlijk wel compleet.
Het enige minpuntje van onze Brownie-adoratie was het aankomende afscheid. Quirine, de nijvere en briljante transfermanager van Reade, was al maanden bezig om Willem in een verpleeghuis onder te brengen en ergens in maart kwam een dame van Accolade in Reade op bezoek om kennis met Willem te maken. Die kennismaking viel van beide kanten bepaald niet tegen; daarna was het wachten op een openvallende plek in een tehuis van Accolade.
Ik zag op tegen de komende verhuizing en het komende afscheid van Reade en Brownie, maar wist natuurlijk, dat het onvermijdelijk was. Dat afscheid van Brownie voltrok zich uiteindelijk op de nogal warme avond van maandag 17 juni 2013. Ik voelde weemoed over dat malle, vriendelijke beestje en wenste hem in stilte een heel lang en heel gezond leventje toe. Een dag later verhuisde Willem naar de Wijngaard en namen een bok, een eend, twee zwijntjes, drie Vlaamse Reuzen en, natuurlijk, zes mooie kippen de fakkel van Brownie & Co over.

3.6 BIRDS! (2017)

Op 11 december 2013 trad ik als postbezorger in dienst bij Postnl. Mijn depot lag op acht kilometer van mijn huis en was eigenlijk niet meer dan een garage voor één auto, zonder elektriciteit, maar wel met een kraantje, waar water uitstroomde, dat eigenlijk niet te drinken was. Een tafeltje, een stoel, zes stellages voor de postzakken, een afvalbak, drie rolcontainers en wat schoonmaakattributen, meer stond er niet in.
Ik had drie redelijk makkelijke wijken. Ik bracht dus vrij veel tijd door in het depot en het duurde niet lang, voordat ik vriendschap sloot met een paar vogels. Dat 'een paar' is eigenlijk een joekel van een understatement, want het was bij alle duiven en kraaien in Slotervaart al heel snel bekend, dat er in dat postdepot aan de Maassluistraat nu een hele aimabele postbezorger rondliep, die van dinsdag tot en met zaterdag kwistig met brood strooide. Dat bleef dus niet zonder gevolgen...
Het merendeel van mijn collega's vond het prima, dat ik de vogels te eten gaf, maar er zat toch ook een overigens aardige dame tussen, die het niet zo leuk vond en er op milde toon over klaagde. Uiteindelijk kreeg ik van Eric, de vriendelijke depothouder, het verzoek om niet meer met brood te strooien. Het was een verzoek, dat ik na enig nadenken toch maar niet inwilligde. Het verzoek kwam namelijk van hemzelf en niet van Gé, de meestal joviale en soms nogal autoritaire teammanager, voor wiens woedeaanvallen ik toch wel een beetje bevreesd was. Dat klinkt een beetje dociel en dat is het natuurlijk ook. Ik troost mij er maar mee, dat Gé ook Viktor Frölke wel eens de stuipen op het lijf heeft gejaagd...
Na een paar weken had ik zowel onder de kraaien als onder de duiven een favorietje uitgekozen. Bij de duiven was het Peter, bij de kraaien was het Manda. Peter was een forse, zeer assertieve duif, die het depot als zijn tweede huis beschouwde en regelmatig op een stellage zat als hij het brood uit mijn hand at. Ik was zeer gesteld op Peter, maar Manda, vernoemd naar Manda Kraai uit 'Het Bureau', lag nog wat dichter bij mijn hart. Zij had namelijk een verfrommeld of misschien wel verbrijzeld rechterpootje en zij kon dus moeilijk lopen. Zij had echt iets heel aandoenlijks als zij naar een stukje brood hinkte. Ik trok – dat moge duidelijk zijn – zowel Peter als Manda voor bij het eten geven en ik kreeg daarin al snel een zekere handigheid, waarmee ik vooral Manda veel plezier deed.
Mijn dienstverband bij Postnl zou iets meer dan twee jaar gaan duren en gedurende die twee jaar bleven Peter en Manda mij trouw op elke werkdag bezoeken en gaf ik ze trouw op elke werkdag te eten. Na afloop van mijn dienstverband bezocht ik ook voor Peter en Manda nog een paar keer het depot. Ik heb ze daar inderdaad nog een paar keer gezien en wat brood gegeven, maar de laatste keren niet meer en nu heb ik dus besloten om ze maar los te laten. Ik heb nu ook wel genoeg dieren om te vertroetelen en te verzorgen...

3.7 MARINUS! (2017)

Een van de voordelen van de winter – een onderschat jaargetijde volgens mij – is de jaarlijks terugkerende aanwezigheid van een troep meerkoeten bij het Buiksloterwegveer. In de rest van het jaar schijnen ze in Rusland te verblijven, maar in de wintermaanden, als de oliebollenkraam bij de pont is verdwenen, zitten ze dus bij de pont en geef ik ze, zo vaak als ik kan, te eten. Het zijn leuke, brutale beesten! De brutaalste onder hen staan altijd op je voeten als je ze te eten geeft en ze schrikken er dan niet voor terug om in je broekspijpen te bijten als het wachten op dat eten te lang duurt.
In mijn Postnl-jaren fietste ik op elke werkdag langs de plek, waar de meerkoeten vertoefden. In die jaren maakte Marinus nog deel uit van de troep. Marinus was een al wat oudere meerkoet, die een danig toegetakeld rechterpootje had. De voet ontbrak namelijk. Vliegen ging prima, zwemmen ook, en hij kon ook, al fladderend, naar het water rennen als de troep door een hond werd aangevallen en bedreigd, maar staan was een probleem voor Marinus, die malle, manke meerkoet uit Rusland.
Hij viel dus regelmatig om als ik de troep te eten gaf en die deerniswekkende aanblik leidde er vanzelfsprekend toe, dat ik hem altijd voortrok bij het eten geven. Ik was daar zeer fanatiek in en ik had daar ook een ietwat malle, ideologische reden voor: elke keer als ik erin was geslaagd om Marinus veel meer brood te geven dan de anderen, stak ik in gedachten een middelvinger op tegen Charles Darwin en diens infantiele evolutietheorie. Niks recht van de sterkste! Dit grappige, maar verzwakte beestje moest, koste wat het kost, door de winter heen worden geholpen en ik moest en zou daar een bijdrage aan leveren.
Dat heb ik drie jaar kunnen volhouden, maar dit jaar is Marinus niet meer uit Rusland teruggekeerd. Ik ben daar, voor mijn doen, zeer nuchter onder. Ik heb ook niet de illusie, dat ik de beslissende factor was voor zijn overleven tijdens die drie achtereenvolgende winters, maar ik ben en blijf trots op die kleine bijdrage, die ik daaraan heb geleverd!

3.8 HET NIJLGANZEN-INTERMEZZO (2017)

Augustus 2014 was mijn eerste katloze maand sinds juni 1980. Op 26 juli 2014, precies 30 jaar na de voltooing van mijn eerste verhaal, had ik Granaatje laten inslapen. Het was de derde zachte kattendood in vijftien maanden geweest en ik was van plan om minimaal zes weken te rouwen om Granaatje en eigenlijk al haar voorgangers en voorgangsters. Het lukte mij uiteindelijk wel om in die zes weken in het reine te komen met de dood van Granaatje c.s, maar mijn, niet al te fanatieke pogingen om alvast een heel jong katje aan te schaffen, dat ik pas na de afloop van die rouwperiode in huis zou halen, faalden allemaal.
Er waren toch wel een paar lichtpuntjes in die rouwperiode. De eerste was de voltooing van het levensverhaal van Granaatje, het tweede was het contact, dat ik legde met Lotte, het vorige baasje van Granaatje, met wie ik het leed over Granaatjes dood een beetje kon delen en tenslotte het nestje met jonge nijlganzen, dat bij de pont was te bewonderen. Ik stopte elke dag bij het nestje als ik uit Slotervaart kwam en voederde de ouders en de zes, zeven jonkies op een kalme manier, zonder een van de vogels voor te trekken.
De ouders waren heel zorgzaam voor de kinderen en ietwat bruut jegens de andere vogels, die van het brood probeerden mee te eten. Die agressie jegens andere vogels bleek karakteristiek voor nijlganzen te zijn. Het was een feit, dat ik met een Tsjechowiaanse mildheid bezag en beoordeelde. Kortom: ik nam ze, zoals ze waren en velde geen oordeel over de manier, waarop ze zich manifesteerden en gedroegen.
De jonkies werden snel groter en moesten bij het voederen steeds vaker concurreren met hun ouders, die nu wèl een deel van de broodbuit opeisten. Ook dat liet ik vanzelfsprekend toe, maar ik genoot wel van dat ene brutale jonkie, dat als enige wel het brood uit mijn hand pikte. De strenge houding van de ouders jegens hun kroost leidde overigens het einde van het nest in: in de laatste week van augustus moest ik afscheid van de nijlganzen nemen.
Dat vervulde mij toch wel met enige weemoed. Ze hadden mij veel afleiding gegeven en het kwam mede door hen, dat ik de dagelijkse confrontatie met mijn veel te lege huis redelijk makkelijk aankon. Gelukkig voor mij was het einde van mijn rouwperiode over mijn katten inmiddels in zicht en op woensdag 10 september ging ik naar het asiel in Oostzaan en koos, na Miepie en Granaatje, uiteindelijk toch weer voor een cyperse poes: de tweejarige Watka, qua karakter een soort nijlgans, maar dan in een kattenlijf!

4.1 RINIE! (2017)

De enige foto, die ik van haar heb, is een kleine, gescheurde zwart-witfoto. Zij zit op haar kooi, die op de eettafel staat, met haar rug naar de camera toegekeerd, en zij kijkt nieuwsgierig uit het raam. Ik zit achter haar, met ongekamde haren en in mijn pyjama. In de blik, waarmee ik naar haar kijk, strijden liefde en zorgzaamheid om de voorrang. Op geen enkele foto is beter te zien, hoe gek ik op dieren ben, hoe belangrijk ze voor mij zijn geweest en hoe belangrijk ze nog steeds voor mij zijn.
Zij was mijn eerste parkiet. Ik had haar eind 1966 van Willem gekregen, samen met een andere parkiet, die overigens een gemeen, bijtgraag loeder was. Maar zij was anders. Liever, veel liever en ook veel tammer. Willem had haar gekortwiekt, voordat hij haar aan mij had gegeven en ik had haar daarna zonder veel moeite kunnen temmen. Zij zat dus regelmatig op mijn vinger, hoofd en schouders en ik kon haar op stille zondagen, zoals op de foto, dus ook kalmpjes bewonderen als zij op haar kooi zat te relaxen.
Zij was gedurende vier jaar een nietig, maar ferm ankertje in mijn leven. Ik miste mijn lieve stiefmoeder bij wie mijn vader, Willem en ik drie jaar hadden gewoond, ik werd al jaren gepest op de lagere school, ik had vele gebitsproblemen, die onder andere tot twee kaakoperaties zouden leiden en ik voelde mij dus niet al te gelukkig. Maar mijn parkiet was er dus ook, evenals mijn grootvader, die als tachtigjarige nog steeds een enorme steunpilaar voor mij was. Mijn grootvader en mijn parkiet vormden tezamen de basis van mijn bestaan. Met hen in mijn leven kon ik dat niet altijd gemakkelijke leven toch wel aan.
Maar mijn grootvader en mijn parkiet werden ouder en ouder en takelden tegelijkertijd af. Ze bleven net lang genoeg leven om mij naar het begin van mijn volwassenheid te begeleiden. Op 18 september 1970, de sterfdag van Jimmy Hendrix, werd ik smoorverliefd op een blonde schoonheid en tien dagen later maakte ik een eind aan de pesterijen op school door de ergste plaaggeest letterlijk naar de strot te vliegen. Daarna was ik sterk genoeg om van mijn grootvader en mijn lievelingsparkiet afscheid te kunnen nemen.
Mijn grootvader stierf op 23 november 1970, mijn parkiet volgde acht dagen later. Ik begroef haar in een plantsoen aan de Klimopweg, naast het sportveld, waar een voetbalclub speelde, die toch echt 'De Blauwe Vogels' heette. Hoewel ik huilde, toen ik afscheid van haar nam, kon ik ook dit verlies wel dragen. In de weken daarna ben ik nog een paar keer naar het kleine graf in het plantsoen teruggekeerd om over haar te rouwen, daarna hernam het leven zijn normale loop en kon ik haar loslaten.
Het sportveld en het plantsoen bestaan allang niet meer, maar de aanblik van de plek, waar ik bijna vijftig jaar geleden mijn lievelingsparkiet heb begraven, kan mij soms nog steeds ontroeren. Zij was overigens niet mijn laatste parkiet. Tot mei 1981 zou ik voor parkieten blijven zorgen. Pas toen mijn laatste parkiet door mijn toenmalige lievelingskat was gedood en voor een deel was opgegeten, kwam aan mijn parkietentijdperk een einde.

4.2 DAG, MALLE MIEPIE! (2017)

Je werd geboren onder mijn gootsteen, op 11 september 1980 om precies te zijn. Je was al snel mijn favorietje van het nestje, als het enige poesje van het stel, dat sterk genoeg was om te blijven leven. Uiteindelijk bleef je ook als enige van het nestje bij mij wonen. Je chagrijnige en lichtelijk valse moeder bleef weliswaar ook bij mij wonen, maar dat was eigenlijk van geen belang. Je was mijn oogappeltje en als zodanig behandelde ik je ook.
In de eerste jaren van je leven sloopte je mijn vloerbedekking en mijn overgordijnen en doodde je mijn enige, overgebleven parkiet. Ik was gelukkig dronken, toen ik dat onthoofde parkietenlijkje van Geertje in de gang vond. Geertje, vernoemd naar een oude rivaal in de liefde, was een lief, tam beestje, waarvoor ik maar liefst zes jaar had gezorgd, maar ik ging op dat moment heel rustig met zijn dood om. Ook toen ik weer nuchter was, kon ik vanzelfsprekend niet boos op je zijn. Je was een lieve, vrolijke, speelse en ook heel zachtmoedige schootkat, die mij nooit beet en nooit krabde, en ik ging dus onmiddellijk over tot de orde van de dag.
Vanaf het moment, dat jij in mijn leven kwam, fleurde je dat leven danig op. Ik ging mij op mijn werk zodanig onderscheiden, dat ik eigenlijk onmisbaar werd, ik begon met het schrijven van korte verhalen en ik beleefde een paar leuke romances, waar ik toch wel heel veel lol aan beleefde. Ik was dus eigenlijk wel gelukkig, in de eerste helft van de jaren '80 en jij had daar volgens mij een heel groot aandeel in. In de lente van 1986 liep je moeder weg en daarna hadden we het heel gezellig met zijn tweetjes. Ook in die periode verliep mijn leven in een stijgende lijn. Ik begon het schrijven, mijn enige grote talent, volgens mij, onder de knie te krijgen en ik produceerde na een moeizame start een paar verhalen, 'Contrast' en 'Voleinding', die op hun beurt mij veranderden en dus min of meer karaktervormend bleken te zijn. Ook jij veranderde na het vertrek van je moeder: het wilde, jonge katje in jou maakte gaandeweg plaats voor een door en door lief dametje van middelbare leeftijd.
In september 1988 verliet ik je voor een paar dagen, voor een hele korte vakantie in Kopenhagen en Helsingor. Dat had ik beter niet kunnen doen; bij het weerzien liet je mij heel goed merken, dat je dat helemaal niet leuk had gevonden. Ik trok daar geen lering uit, want drie maanden later maakte ik een nog grotere blunder: door een jong, kittig poesje in huis te nemen. Het werd een groot drama, waarmee noch jij, noch ik goed kon omgaan. In de daaropvolgende vier jaar groeide je uit tot een humeurige, regelmatig blazende kat en was onze verstandhouding eigenlijk helemaal verknoeid.
In december 1992 liep ook het jonge, kittige poesje weg en daarna zag ik je eigenlijk onmiddellijk alweer opleven. Ik miste het weglopertje in die eerste dagen wel degelijk, maar ik was aan de andere kant heel blij, dat ik jou nu een redelijk rustige oude dag kon gaan bezorgen. Die verwachting kwam uit. Je bleef weliswaar af en toe naar mij blazen, maar langzaam, heel langzaam konden we de draad weer oppakken, die we in december 1988 hadden laten vallen.
Je zat dus weer regelmatig bij mij op schoot, je zat weer heel vaak naast mijn toetsenbord als ik mijn verhalen aan het schrijven was, je sliep weer heel vaak naast mijn hoofdkussen, je wekte mij weer elke ochtend om vijf uur en je zat weer elke middag bovenaan de trap op mij te wachten als ik thuiskwam van mijn werk. Ik moest weer lachen om de goeïge blik, waarmee je mij nu weer heel vaak aankeek, ik moest weer lachen om je gemiauw tijdens het openmaken van het blikje Whiskas, ik moest weer lachen om de afdrukken van je nagels in de pindakaas, ik moest weer lachen om het likken van de boter van mijn vinger, ik genoot weer van de knuffels, die ik je mocht geven en ik genoot weer van je reactie op dat geknuffel: het likken van mijn wangen.
De laatste zeven jaren van je leven waren ook daardoor de beste jaren van mijn leven. Ik genoot weer van mijn werk, waar ik hele nieuwe dingen mocht gaan doen, ik genoot van het schrijven, ik genoot van de website, waarop die verhalen uiteindelijk terecht kwamen, ik genoot van het nooit verwachte succes, dat ik met die verhalen en die website had en ik genoot tenslotte op een onnavolgbaar bescheiden manier van mijn eigen, tot volle wasdom gekomen sex-appeal, waarmee ik het geniale begincouplet van 'Take it easy' van de Eagles regelmatig van een geheel nieuwe dimensie bleek te kunnen voorzien. Kortom: voor de tweede maal in je leventje leek je een hele goede invloed op mijn leven te hebben en ik was je daar heel dankbaar voor.
In die laatste, prachtige jaren van je leven stond ik nooit stil bij je mogelijke dood. Je was er gewoon altijd, je was, net als Rinie twintig jaar daarvoor, het ankertje in mijn leven en ik kon mij het leven zonder jou simpelweg niet voorstellen. Na een korte periode van aftakeling stierf je uiteindelijk toch, in een auto van de Dierenambulance, op zondag 2 juli 2000, en je zou dus net niet de twintig halen. Je dood kwam snel, evenals mijn ontdekking, dat ik de leegte, die je daarna in het huis achterliet, als iets volstrekt onverdraaglijks ervoer.
De oorzaak daarvan lag in de laatste, tien dagen van je leven. Ik miste het spinnen van jou, als ik je alleen maar aankeek, aansprak of aaide, ik miste die malle 'gesprekjes' tussen ons voor het slapen gaan en ik miste vooral die laatste knuffels van de laatste dagen. Die laatste knuffels, waarbij ik je steevast met een steeds sterker wordende weemoed, een soort van afscheidsgroet toefluisterde.
De som van al die herinneringen deprimeerde mij zeer en op de dag na je dood besloot ik om meteen maar een nieuwe kat in huis te halen. Die kat, een malle, vrolijke kater, die mij in die eerste gruwelijke julidagen misschien wel voor een enorme depressie heeft behoed, kwam er dus ook. Maar die malle, vrolijke kater verdient toch echt een eigen verhaaltje en daarom eindig ik dit verhaaltje over jou met een variant op een al vaak gebruikte afscheidsgroet:

Dag, malle Miepie!
Dag, lief, oud besje!
Je was met afstand de allerliefste kat van de hele wereld en ik zal je echt nooit vergeten!

4.3 DAG, MALLE TUM TUM! (2017)

Mijn eerste herinnering aan jou is een blazende Tum Tum. Je zat in een kooi in het asiel en je vond het daar helemaal niet leuk. Toch mocht ik je daarna gewoon aaien en ik wist al snel, dat ik je wilde hebben. Joke, een asielmedewerkster, bracht je een paar uur later met de auto naar mijn huis en daarna kon ons gezamenlijke leventje beginnen.
Die avond zat je in het hoekje achter de televisie en daar bleef je ook zitten, toen ik mijn matras in de huiskamer had neergelegd en probeerde om in slaap te komen. Dat laatste lukte voor geen meter. Een dag daarvoor was mijn lievelingskat overleden en de rouwperiode om dat sterfgeval was nog maar net begonnen. Je leek het te merken, want even later kwam je toch maar even uit je schuilhoekje tevoorschijn om mij een als opbeurend ervaren kopje te geven.
Je keerde daarna meteen weer heel bedaard naar je schuilhoekje terug, maar ik was meteen verkocht en in de daaropvolgende weken was je troostgevende aanwezigheid genoeg om mij door mijn rouwperiode om Miepie heen te helpen. Je gooide in die weken ook al je charmes in de strijd. Je was een lieve, vrolijke en af en toe knettergekke kater, die ik al snel als 'Knuffelbuffel' aansprak en ook als zodanig behandelde.
Ik genoot van je ondeugende streken, ik genoot van al die keren, dat je als een idioot door het huis rende, ik genoot van al die keren dat je mijn afstandsbediening te grazen nam en ik genoot ervan als je je, voor het slapen gaan, op het voeteneind van mijn bed installeerde. Toch was je gelukkig geen engeltje. Je kon mij soms venijnig krabben als ik je uitdaagde, je vertikte het om de muizen op te eten, die je door de jaren heen ving en je zette een paar jaar later ook met veel plezier je nagels in mijn fonkelnieuwe bed. Ik kon daar best wel mee leven; het hebben van een niet-helemaal-volmaakte kat heeft zo zijn voordelen.
Telkens als ik mijn jaren met jou terugdenk, denk ik ook aan de steden en plaatsen, waar ik zonder jou ben geweest. Praag, Freiburg, Badenweiler, Basel, Bern, Luzern, Fribourg, Zurich, Bellinzona, Locarno en Lugano, ik was er nooit geweest als jij niet zo'n makkelijke, stoïcijnse kater was geweest en als At het niet zo fijn had gevonden om twee keer per jaar voor een paar dagen op je te passen. Mala Strana, het Staromestke Namesti, het stationnetje van Rez, de Bächle van Freiburg, het sterfhuis van Tsjechow in Badenweiler, de Barfüsserplatz in Basel, de aanblik van de door mist omgeven Pilatus in Luzern, de Gotthardbahn, de Alpen, het Meer van Lugano, elk mooi, onvergetelijk beeld, dat ik van die vakanties heb, associeer ik nu voor altijd met jou en met At.
Het leven was intussen veranderd. 9-11, een economische crisis, een telg van de familie Swaab, die mijn geliefde, sociaal betrokken bedrijfje aan het grootkapitaal uitleverde en daar ook nog heel trots op was, een ontslagdreiging, die daardoor met het jaar sterker leek te worden, het werd mij steeds meer duidelijk, dat die vrolijke, zorgeloze jaren '90 definitief voorbij waren.
Er waren twee dingen, waar ik telkens weer door opleefde. Het groeiende succes van mijn verhalen en mijn website en het vrolijke, vrijwel rimpelloze leventje met jou. Het enige, wat mij een beetje zorgen baarde, was je zwakke maag. Je gaf regelmatig over en in de zomer van 2003 leek je ineens heel ziek te zijn, omdat je toen ook last van diarree kreeg. De dierenarts raadde mij aan om je voortaan op een maagdieet te zetten. Ik volgde zijn advies op en in de jaren daarna konden we je maagproblemen redelijk onder controle houden.
Ik was inmiddels smoorverliefd op een veel te jonge collega geworden en dat bracht mij gedurende twee jaar tamelijk uit mijn evenwicht. Met de stress, die mijn lichtelijk ontsporende romance met zich meebracht, kon ik in die periode heel slecht omgaan. Het was ook een periode, waarin ik jou wat vaker zag, omdat ik door mijn stressproblemen twee dagen per week thuiswerkte. Dat hielp mij ook wel. Het was jouw rustgevende aanwezigheid, die mij in die periode op de been hield.
ln de lente van 2006 mondde de romance in het onvermijdelijke echec uit – hij heette Pieter, leek op At en was inderdaad kaal – en was het ditmaal jouw zingevende aanwezigheid, die mij op de been hield. Toch ging ik na dat liefdesechec met Elisabeth eigenlijk weer heel snel tot de orde van de dag over. Het was weer goed om een vrolijke, alleenstaande vent met een vrolijke kat zijn. Ik schreef in de daaropvolgende maanden maar liefst zeven nieuwe verhalen en ik flirtte nu met iemand, die eigenlijk veel geschikter voor mij was dan Elisabeth. Ik was dus weer helemaal de oude!
Des te groter was de schok, toen je op 1 december ernstig ziek bleek te zijn. Je nieren en schildklieren waren eigenlijk al te veel aangetast om nog op een genezing te kunnen hopen, maar ik liet mij toch overhalen om je gedurende vijf maanden te laten behandelen. In die vijf maanden probeerde ik nog zoveel mogelijk van je gezelschap te genieten. Ik had het geluk, dat het winter was en dat je af en toe nog wel eens op het bed sprong en voor een paar minuten onder het dekbed wilde kruipen, maar toen het eenmaal lente was, was dat voorbij.
Je voorlaatste bezoek aan de dierenarts vond vier dagen voor je dood plaats. Je kreeg voor de derde maal een enorme hoeveelheid vocht toegediend en en je moest ook nog wat meer onderzoeken ondergaan. Het was een uiterst onplezierige behandeling, maar je onderging het allemaal moedig en lijdzaam en je begon zelfs te spinnen, toen ik mijn hand op je kop legde. De herinnering aan wat er daarna gebeurde, toen je je, gerustgesteld door die hand op je kop, behaaglijk ineenrolde, zou mij in de eerste dagen na je dood danig parten gaan spelen.
In de daaropvolgende dagen verdomde je het om nog langer het dieetvoer te eten en stapte ik zeer tegen mijn zin weer over op Whiskas. Dat was teveel voor je nieren en op vrijdag 27 april 2007 moest ik je naar de dierenarts brengen om je in te laten slapen. Mijn laatste herinneringen aan jou bevatten een paar herinneringen aan een zichtbaar lijdende en daardoor blazende Tum Tum, maar de allerlaatste herinnering is een herinnering aan een Tum Tum, die onder narcose was gegaan en geen pijn meer had. Die herinnering zal ik dus ook tot het einde van mijn leven blijven koesteren.

4.4 DAG, MALLE ILSE! (2017)

Je bent alweer bijna vier jaar dood, maar de herinneringen aan je vrolijke gezelschap in die veel te warme zomer van 2013 zijn nog heel levendig. Het gemak, waarmee je in die eerste uren het eerste contact met mij legde, terwijl je toch je hele leven bij Daniëlle had gewoond, frappeerde mij zeer. Het was mij na een paar uren al heel duidelijk, dat dit een 'perfect match' was.
Eigenlijk vond ik alles leuk aan jou. Je oogverblindende schoonheid, in je hoedanigheid van oogverblindend mooie, Noorse Boskat, je voortdurende aandacht vragen als je Pim, je maatje uit Zoetermeer, weer eens miste, de vanzelfsprekendheid, waarmee je 's nachts naar mij toe liep als ik je riep, je malle gekef als ik je tijdens een van je schoonheidsslaapjes even aaide, dat malle plasongelukje, toen je een plas deed op de oude, gammele leren stoel, die nog ouder was dan jij en tot slot dat malle geknuffel na je terugkeer van de zolder, waar je eind juli tot mijn grote frustratie meer dan een etmaal had doorgebracht en waar ik je uiteindelijk toch maar had weggejaagd.
Na dat langdurige verblijf op zolder veranderde je in een luie, permanent slapende kat, die permanent op dezelfde plek verbleef. Het hoekje achter de televisie groeide in één maand uit, tot wat het altijd zal blijven: het hoekje van Ilse. Je begon ook te sukkelen en wat Daniëlle en ik voor de symptomen van astma aanzagen, bleken uiteindelijk de symptomen van iets ernstigers te zijn.
Je stierf juist in een periode, waarin je weer wat levendiger werd en wat vaker uit je eigen hoekje kwam en ook weer regelmatig naast mij sliep. Op zondag 1 september, toen het eindelijk wat koeler was, maakte ik mijn laatste foto van jou. Het was een mooie foto, die ik vol trots 'Ilse onder de salontafel' noemde. Je zag er monter en tevreden uit en ik vermoedde op dat moment, dat ik nog wel een jaar of vier voor je zou mogen zorgen. Dat was dus een vergissing. Tien dagen later ging je, na een paar hele moeilijke dagen, in mijn armen onder narcose en even later stierf je, precies drie maanden, nadat ik je voorganger had laten inslapen. Dat was vanzelfsprekend een hard gelag voor mij, maar nu, bijna vier jaar later, besef ik maar al te goed, dat ik de zesenzeventig dagen met jou en de tien maanden met je al even ongelukkige opvolgster voor geen goud had willen missen.

4.5 WATKA! (2017)

En hoe gaat nu met mij? Welke kat begeleidt mij nu door het leven? Die laatste vraag heb ik dus al een paar keer beantwoord: het is Watka, een cyperse poes met witte schoentjes om haar voorpoten en witte laarsjes om haar achterpoten.
Over haar verleden weet ik iets, maar ook niet alles. Ik vermoed, dat zij in juli 2014 bij haar vorige baasje in Nieuwendam-Noord is weggelopen en ik weet, dat zij daarna drie dagen in een portiek in de buurt van het Waterlandplein heeft gezeten en dat de Dierenambulance haar daar heeft opgepikt en haar vervolgens bij het asiel in Oostzaan heeft ondergebracht. Twee maanden later heb ik haar daar weggehaald, op maandag 15 september om precies te zijn.
Ik koester de herinneringen aan die eerste Watka-dag. Het moord en brand schreeuwen tijdens de busrit naar huis, het rustig worden, toen ik haar in de bus voor het eerst met Watka aansprak en haar over haar koppie aaide, dat aarzelende verkennen van het huis na onze thuiskomst, het daaropvolgende in het bezit nemen van het huis en tot slot dan dat kalme slapen naast mijn hoofdkussen, met dat kinnetje op mijn rechterhand, het zijn voor mij, gelet op wat ik in de voorgaande, achttien maanden met Boris, Ilse en Granaatje had meegemaakt, gedenkwaardige en ontroerende Watka-herinneringen!
Haar naam betekent overigens 'bolletje watten' in het Pools, haar uiterlijk is een mix van het uiterlijk van de cyperse Miepie en de oranje-witte lapjeskat Tum Tum en zij heeft het karakter van de hele jonge Simba. Zij zal nu vier of vijf jaar oud zijn, maar ze heeft nog steeds het temperament en de manier van doen van een kitten. Een lieve, maffe kitten, die nooit boos wordt en nooit naar mij blaast, zelfs niet als ik per ongeluk op een van haar pootjes sta. Toch is ook zij gelukkig niet volmaakt, want ook zij krabt mij regelmatig, maar dat is, net als bij Tum Tum, een uiting van haar speelsheid. Het is dus zeker geen teken van een sluimerende valsheid.
Ik moet dan ook voortdurend lachen om die speelsheid. Dat rennen door het huis, soms met die idiote, zijwaartse bewegingen, dat spelen met lakens en zakdoeken en alle andere dingen, die bij mij soms op de vloer liggen, dat malle bijten in mijn blote voeten, dat krabben aan mijn stokoude stoelen, dat fanatieke jagen op insecten, dat niet-zo-fanatieke jagen op muizen, dat malle drafje, met die opgestoken staart, waarmee zij altijd naar haar eetschoteltje loopt als ik haar te eten geef, de kopjes, die zij geeft als ik haar daadwerkelijk te eten geef, eigenlijk is alles grappig en vertederend aan haar.
We leiden met zijn tweetjes ook een heel plezierig sleurleventje. Zij wekt mij 's ochtends meestal met een bescheiden gemiauw of een tikje van een van haar voorpootjes op mijn haar, zij wacht mij, als ik thuiskom van mijn werk, altijd op achter de deur van het portaal, zij laat zich graag aaien en knuffelen, soms ongevraagd en soms als zij daar op een nogal opzichtige manier om vraagt, zij brengt in de zomermaanden vele uren op mijn veranda of mijn balkonnetje door, zij zit in de wintermaanden soms vele uren op mijn schoot, zij bedelt mij elke avond voor het slapen gaan nog vele harde brokjes af en als ik het licht uitdoe en mij, met opgetrokken benen op mijn linkerzij draai, nestelt zij zich elke avond weer in de holte van mijn knieën, waar zij dan de hele nacht blijft liggen.
In de drie jaar, dat zij nu bij mij woont, ben ik pas goed gaan beseffen, hoe belangrijk mijn dieren voor mij zijn geweest. In slechte tijden vormden ze de noodzaak om door te gaan, in goede tijden maakten ze die tijden nog beter dan ze al waren. Sinds Watka bij mij is, verloopt mijn leven opnieuw in een stijgende lijn. Ik doe nu vrijwilligerswerk, dat veel zinvoller is dan mijn werk bij de krant, ik ben weer fanatiek aan het schrijven en ik geniet van iets, wat verdacht veel op gemoedsrust lijkt. Ik beleef dus opnieuw een hoogtijperiode in mijn leven, waar ik mijn huidige kat in sterke mate verantwoordelijk voor acht.
Ik doe er ditmaal ook wel wat voor terug. Ik zal tijdens haar leven nooit meer een jong, kittig poesje of katertje in huis nemen, ik zal tijdens haar leven nooit meer op vakantie gaan – ik zou waarschijnlijk ook gek van heimwee worden - en ik zal nooit, maar dan ook nooit afstand van haar doen. Niemand zal mij er ooit toe kunnen brengen om haar naar het asiel terug te brengen. Met deze kat wil ik namelijk oud gaan worden; aan de aanwezigheid van deze knettergekke, maar ook zeer aanhankelijke kat ga ik de energie ontlenen om de ongemakken van die naderende ouderdom het hoofd te gaan bieden. Of Watka, net als Miepie, ook de negentien jaar gaat halen, is vanzelfsprekend nog niet zeker, maar ik ga er echt alles aan doen om haar stokoud te laten worden!

5. CARRY, of DE TOEGIFT IN FICTIEVORM

Donderdag 28 augustus 1997, 5.45 uur: Ik zit in mijn eentje te ontbijten in de keuken en voel mij eigenlijk wel gelukkig. Dit is namelijk mijn voorlaatste werkdag voor mijn vakantie. Na dat hectische jaar op mijn werk is die naderende vakantie eigenlijk best wel een goede reden om mij gelukkig te voelen. De binnenkomst van een vrijwel naakte Carry – er zitten alleen twee afgezakte, zwarte nylonkousen om haar voeten – doet aan dat geluksgevoel bepaald geen afbreuk. Zij maakt een hele slaperige indruk en zij lijkt het helemaal niet zo prettig te vinden om mij al zo vroeg in de keuken te zien zitten.
''Wat doe jij hier?'', vraagt zij, onderwijl op mijn schoot plaatsnemend.
''Ontbijten!''
''Waarom doe je dat zo vroeg?''
''Omdat ik zometeen naar mijn werk moet.''
''Waarom moet je zo vroeg naar je werk?''
''Vanwege dat stomme kutfeest in Houten.''
''O, shit! Is dat vandaag?''
''Ja, Paardekoper heeft mij gisteren gevraagd, of ik een half uurtje eerder wil beginnen, omdat hij om drie uur met de bus naar Houten wil vertrekken.''
''Besef je eigenlijk wel, dat we nog een half uurtje in bed hadden kunnen blijven stoeien als je Paardekoper niet had beloofd, dat je vanmiddag wel naar dat stomme kutfeest zou gaan?''
''Ja, dat besef ik. Al vind ik het niet zo lief van je, dat je mij uitgerekend nu daaraan herinnert.''
''Sorry, lieverd!'', zegt zij zacht, ''Dat is inderdaad niet zo aardig van mij.''
''Het zij je hierbij vergeven.''
Ik vlijde mijn gezicht tegen haar schouder en slaak een diepe zucht.
''Denk je echt, dat je vanavond om tien uur thuis zult zijn?'', vraagt zij.
''Ja, dat denk ik wel.''
''Je hebt er niet veel zin in, hè?''
''Nee, niet echt. Ik zou het heel erg plezierig vinden als ik niet naar dat stomme feest zou hoeven gaan.''
''Ach, het zal wel meevallen, jôh.''
We zwijgen even. Ik nip van mijn koffie en Carry trekt met een peinzend gezicht de kousen van haar voeten. Dat geeft mij een wat triest gevoel.
''Zul je vandaag een beetje aan mij denken?'', vraag ik.
''Ja, hoor! En zul je vandaag ook aan mij denken?”
''Natuurlijk!”
''Ook met die mooie Houtense vrouwen in de buurt?”
“Ha, de enige mooie vrouw, die ik tot nu toe in Houten heb gezien, was die bloedmooie, Marokkaanse receptioniste.”
''Precies! En wil je daar vanaf vandaag met een grote boog omheen gaan lopen?”
''Dat zal niet zo moeilijk zijn.”
''Waarom niet?”
''Omdat zij niet meer voor PCM Ellips werkt.”
''Ha! En jij denkt zeker, dat zij geen mooie opvolgster zal krijgen?”
''Dat is geen wet van Meten of Persen, volgens mij.”
''Dat denk ik dus wel. Je begeeft je nu in de wondere en vooral snelle wereld van het ICT-wezen en daar horen bloedmooie receptionistes bij.”
''Als die er komt, zal ik haar koeltjes negeren, hoor!”
''En daar moet ik dan maar op vertrouwen?”
Ik slaak een diepe zucht. Zij maakt het mij op deze ochtend niet echt gemakkelijk en ik voel mij daar toch wel een tikkeltje mismoedig over.
''Als je nog een keer zoiets gemeens zegt, meld ik mij ziek”, zeg ik, met een briljant geacteerde norsheid.
''Mooi zo!”
''En dan meld ik jou dus ook ziek!”
''Waarom?”
''Omdat ik je na het ziek melden dan over mijn schouder zal gooien en naar het bed zal dragen.”
''Waar ik dan voor de rest van de dag niet meer uitkom?”
''Precies.”
''Je snapt toch zeker wel, dat ik dat in het geheel niet als een bedreiging ervaar.”
''Daar was ik al bang voor”, verzucht ik.
''O, stil maar! Ik zal je niet meer plagen. Sterker nog: ik zal nu gaan douchen en je in alle rust je koffiemok leeg laten drinken.''
Zij voegt de daad bij het woord door zich van mijn schoot te laten glijden en ik geef haar uit balorigheid een tik op haar vorstelijke billen. Die tik komt echter veel harder dan ik heb voorzien en komt mij dan ook op een fikse oorvijg te staan. Ik incasseer de afstraffing met een vermoedelijk zeer ontuchtige grijns en een luidkeels ''Sorry!''.
Als zij eenmaal luid galmend onder de douche stond – zij slaagt erin om een hele valse versie van 'Zij gelooft in mij' van André Hazes voor het voetlicht te brengen – drink ik mijn laatste restje koffie op en werp ik een snelle blik op de klok boven de deur. Het is tijd om te gaan. De trein zal over zeven minuten vertrekken.
Ik sta op en loop naar het portaal, waar ik mijn zwarte colbertje en mijn schoenen aantrek. Voor ik wegga, controleer ik nog even, of ik mijn treinabonnement bij mij heb. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn en ik zie dan, hoe de nu in haar badjas gehulde Carry op mij af stormt en mij om de hals vliegt.
''Moet je echt weg?'', vraagt zij fluisterend.
''Ja, ik moet echt weg!'', antwoord ik, tamelijk ontroerd.
''Zul je niet te hard werken?''
''Ik zal niet te hard werken.''
''En zul je aan die eikel van een Paardekoper mijn hartelijke groeten overbrengen?''
''Ik zal aan die eikel van een Paardekoper je hartelijke groeten overbrengen.''
''Doen, hoor!''
''Ik zal het echt doen.''
Ik laat haar slechts node los en ik zou het moment van afscheid best nog wel even uit willen stellen. Toch moet ik er nu echt vandoor. Ik haal de deur van het nachtslot, trek de deur open en loop, na haar een laatste kus op het voorhoofd te hebben gegeven, de galerij op. Zij blijft mij nazwaaien, tot ik de straat ben uitgelopen.

Donderdag 28 augustus 1997, 19.00 uur: De feestelijke bijeenkomst in mijn toekomstige standplaats, Houten dus, verloopt redelijk soepeltjes, maar na het eten heb ik er al snel genoeg van. De reden daarvan ligt voor de hand: in normale omstandigheden zou ik al lang en breed met Carry samen zijn geweest. Ik haal een kop koffie, negeer Rik, die zijn afkeer van dit nogal sjieke feest met veel bravoure aan het wegdrinken is, en trek mij terug op mijn toekomstige werkplek.
Drinkend van mijn koffie kijk ik gedachtenloos voor mij uit, tot mijn ogen op de telefoon blijven rusten. De aanvechting om Carry even te bellen is sterk en uiteindelijk ook niet te weerstaan. De telefoon is gelukkig al aangesloten. Het duurt niet lang, voordat de telefoon in ons huis wordt opgenomen.
"Met Carry van der Steeg!", klinkt het vrolijk.
"Met mij!", zeg ik, op een montere toon.
"Dag, liefje! Hoe is het met je?"
"Goed!"
"Heb je het een beetje gezellig?"
"Nou! Ik ben inderdaad in de wondere wereld van het ICT-wezen verzeild geraakt en ik ben daar helemaal ondersteboven van."
"Zo!"
"Ha, dat had je niet gedacht, hè?"
"Nee, dus het is wel leuk daar?"
"Ja, het ziet er allemaal heel nieuw en heel luxe uit. Brede en ergonomisch verantwoorde bureaus, grote beeldschermen. Ik kan echt zo aan de gang."
"Hoe was het eten?"
"Indisch en heet!"
"En lekker?"
"Ja, heel lekker! Maar ik heb niet teveel genomen. Ik heb per slot van rekening nog een hele busrit voor de boeg."
"Hebbie dan nog last van je darmen gehad?", vraagt zij, met een onvervalst Rotterdams accent.
"Nee, maar je mag de goden natuurlijk nooit verzoeken."
"Ach, wat een lief, bang poppetje ben je toch!"
"Vind je?", vraagt hij lachend.
"Ja, dat vind ik! En ik vind ook, dat het de hoogste tijd is, dat je weer naar huis komt."
"Tja, dat wil ik ook heel graag. Maar ik ben, wat dat betreft, geheel afhankelijk van Paardekoper. Pas als hij het vertreksein geeft, kunnen we hier weg."
"Kun je er dan niet stiekem tussenuit knijpen?"
"Ik ben bang van niet."
"Hm, flauw, hoor!"
"Waarom?"
"Omdat ik een vreselijke zin in seks heb!"
"Ach, jee! Is het weer zover?"
"Ja, het is weer zover! En ik vind het maar niks, dat jij maar liefst tachtig kilometer van mij verwijderd bent en dus niet in staat bent om je echtelijke verplichtingen te vervullen."
"Tja, als je dat echt een probleem vindt, zouden we ons weer een poosje met een vorm van telefoonseks kunnen gaan bezighouden."
"Ja, leuk!"
Helaas voor haar word ik in mijn snode plannen gedwarsboomd: door de binnenkomst van Dorien en Maria, die mij komen waarschuwen, dat de bus op punt van vertrekken staat. Ik ben heel blij met die mededeling, maar ik begin een beetje te blozen als ik het gevoel krijg, dat de dames een deel van mijn ietwat pikante conversatie met Carry hebben opgevangen.
"Hoera!", roep ik tegen Carry, "We mogen weg!"
"Hè, wat jammer nou! Ik stond net op het punt om mijn kousen los te maken."
"Laat dat maar aan mij over!", gniffel ik, "Dat kan ik veel beter."
"Goed, schatje! Dan zal ik nog even op je wachten."
"Graag, ja!"
"Hoe laat kun je hier zijn?"
"Wel, ik denk, dat de bus er een uur over doet, dus als ik in Amsterdam de trein van 21.04 uur haal, kan ik om 21.34 uur in Zandvoort zijn."
"Hm, als jij echt de trein van 21.04 uur haalt, kun je ook om 21.14 uur in het station van Haarlem zijn."
"Waarom zou ik om 21.14 uur in het station van Haarlem willen zijn?"
"Omdat ik van plan ben om je daar op te halen."
"O, wat leuk!"
"Hetgeen dus weer betekent, dat jij om 21.15 uur bij mij in de auto kunt stappen."
"Zul je dat prettig vinden?", vraag ik grijnzend.
"Ja, want dat betekent weer, dat we om 21.21 uur op ons favoriete plekje in de Overveense duinen zullen staan en dat we om 21.22 uur op onze uitgeklapte banken zullen liggen rollebollen."
"Hm, dat is inderdaad wel een hele goede reden om de trein van 21.04 uur te halen!"
''Precies! Dus ga nu maar gauw, voordat de bus voor je neus wegrijdt."
"Okay! Tot zo!"
"Doei!"
We hangen op en ik neem afscheid van de breeduit voor zich uit grijnzende Dorien en Maria. Het vertrek van de bus loopt nog enige vertraging op, omdat de benevelde Rik geheel ten onrechte het idee heeft, dat hij iets belangrijks is vergeten, maar tien minuten later rijdt de bus dan toch eindelijk de weg naar Utrecht op.

Vrijdag 29 augustus 1997: 9.30 uur: Dit is dus de laatste werkdag voor mijn vakantie. Ik zit in mijn eentje in het werkhok, Rik, die waarschijnlijk een enorme kater heeft, heeft vandaag vrij gekregen van Paardekoper. Het regent buiten pijpestelen, maar ik koester toch een vakantiegevoel. Vanochtend hebben Carry en ik een besluit genomen over ons reisdoel in de komende vakantie: het zal Stockholm gaan worden en we zullen er met de auto naartoe gaan reizen. Ik heb er zin in! Het zal leuk zijn om weer eens een dagje in Kopenhagen te verblijven en het zal nog leuker zijn om weer een paar dagen bij Suzanne en Britta te logeren.
Als ik al acht Trouw-pagina's heb verwerkt, komt Jan-Dirk het werkhok binnenlopen. Hij eigent zich zwijgend een aantal Trouw-pagina's toe, spreidt ze naast Riks pc uit en zet met een nors gezicht de pc aan.
"Ik kom hier zitten", zegt hij, onderwijl ook daadwerkelijk achter de pc plaatsnemend.
"Wat gezellig!", roep ik, "Is daar een speciale reden voor?"
"Ik word helemaal gek van die Paardekoper!"
"Waarom?"
"Omdat die gek zich overal mee bemoeit."
"Is dat zo erg?"
"Ja, dat is echt heel erg."
"Maar het is toch een hele aardige vent?"
"Dat is hij inderdaad, maar dat maakt zijn gedrag er niet minder irritant op."
"Wel, in dat geval heet ik je hartelijk welkom!"
Gedurende een poosje werken we zwijgend door. Als ik klaar ben met mijn werk, berg ik de laatste pagina-file op en begin ik mij met de controlelijst van Het Parool van gisteren bezig te houden.
"Hoe is het met Carry?", vraagt Jan-Dirk opeens.
"Prima! We hebben het nog steeds heel gezellig met elkaar."
"Hoelang zijn jullie nu bij elkaar?"
"Zeven jaar, vijf maanden en achtentwintig dagen."
"Jôh!"
"Lang, hè?"
"Och, er zullen op deze aarde echt wel vele mensen rondlopen, die al wat langer bij elkaar zijn."
"Tja, dat is natuurlijk zo, maar voor mij is het een record."
"Is het waar, dat je in je eerste jaren met Carry nog een andere vriendin hebt gehad?"
"Ja", antwoord ik zuinigjes.
"Hoe was dat?"
"Saai."
"Saai?"
"Ja, dat was uitermate saai", zeg ik, op een vaderlijke toon, "Elke avond neuken is ook niet alles, hoor."
Jan-Dirk schiet in de lach. Het is een bulderende lach, die hoogst aanstekelijk is.
"Dat meen je niet!", roept hij uit.
"Dat meen ik wel. Ik was altijd zeer in mijn nopjes als een van de dames ongesteld was geworden. Ik zal niet zeggen, dat ik dat als een feest ervoer, maar..."
"Hou op, man! Je maakt mij stikjaloers!"
"Dat mag je zijn... Maar alleen waar het Carry betreft."
"Je bent echt stapelgek op haar, hè?"
"Ja, ik denk wel eens over, wat ik zou doen als zij er op een kwade dag niet meer zou zijn en ik kom altijd dan weer op dezelfde conclusie uit."
"Welke dan?"
"Dat ik - als zij dood gaat - op de dag na de begrafenis de zee zal inlopen en dat ik dan niet meer zal terugkeren."
"Zou je dat echt doen?"
"O, ja! Zonder haar zou ik echt niet verder kunnen leven."
Jan-Dirk kijkt mij geschokt aan, maar hij beseft al snel, dat ik heel oprecht en voltrekt eerlijk ben.
"Jezus, man!", roept hij ineens uit, "Dat zou toch helemaal niet nodig zijn. Je bent het type man, waar elke vrouw van droomt. Je zou binnen de kortste keren een ander hebben."
"Ach, dat valt wel mee."
"Nee, dat valt helemaal niet mee. Die twee piepjonge grietjes, die hier laatst rondliepen, die Eva en dat andere meisje, waren bijvoorbeeld echt helemaal weg van je. En je weet net zo goed als ik, dat ik de lijst moeiteloos met een heleboel anderen zou kunnen aanvullen. Als jij nu dood zou gaan, zouden we om al jouw aanbidsters naar je begrafenis te kunnen vervoeren een dubbelgelede bus van de GVB moeten huren."
"Tja, dat mag misschien wel zo zijn, maar toch zou het verlies van Carry noodlottige gevolgen voor mij hebben. Zij is nu eenmaal mijn enige, echte wederhelft en als ik haar ooit zal verliezen, zal het dus echt met mij gedaan zijn."
"Ik blijf het volstrekt idioot vinden."
"Tja, het is trouwens een familietrekje. Ik zie bij mijn neven dezelfde noodlottige reflexen. Een Harberts, die de grote Ene, oftewel zijn grote liefde, vindt, is verliefd voor het leven. Ook als de vrouw in kwestie bij hem weggaat, sterft, of hem alleen maar een blauwtje laat lopen."
"Tja, dan wordt het lastig."
"Ach, welnee! Wacht maar tot het jou overkomt, dan zul je wel anders piepen."
Jan-Dirk schiet opnieuw in de lach, hetgeen ditmaal de aandacht van Paardekoper trekt. Hij drentelt het werkhok binnen, kijkt met een verbaasde blik in de ogen in de richting van Jan-Dirk en richt dan zonder omhaal het woord tot mij:
"Jacqueline Krijnen van Het Parool! Ken je die?"
"Jawel! Jacqueline is een lieve, knappe meid, die op de 'PR en Promotie'-afdeling werkt."
"Wel, dat is tenminste iets!"
"Wat?"
"Dat zij lief en knap is."
"Waarom?"
"Omdat ik iets moeilijks voor haar moet opzoeken."
"Jemig! En wat dan wel?"
"Zij wil alles zien, wat we van de 'Witte Bedjesacties' van Het Parool hebben."
"Jemig! Dat had ik toch niet achter haar gezocht!"
"Ik ook niet, maar ik wil toch graag het codenummer van je weten."
"852.03!", antwoord ik prompt, "En dan op de 'W' van 'Witte Bedjes'"
"Het is ziekelijk!", zegt Paardekoper, terwijl hij hoofdschuddend het hok verlaat.
"Doe je voorzichtig?", roep ik hem na, daarmee weer een van mijn vele idiote stopwoorden gebruikend.
"Jaah!", brult Paardekoper terug.

Vrijdag 29 augustus 1997, 16.30 uur: Hoera! Ik heb eindelijk vakantie! Ik zit in de trein naar Zandvoort en weet het werk en ook mijn komende overplaatsing toch wel makkelijk uit mijn hoofd te zetten. Tijdens het laatste stukje van de reis denk ik alleen nog maar aan Carry en aan alles, wat we de komende weken zullen gaan doen. Ik geniet overigens ook weer van de treinreis door de duinen. Die brengt altijd weer een sterk geluksgevoel in mij teweeg. Door de vele wandelingen en fietstochtjes, die we samen hebben hebben gemaakt, kennen Carry en ik de omgeving inmiddels op ons duimpje en aan elk weggetje, elke boom, elke struik, elk bankje en elke wegwijzer lijkt voor mij een gekke, tedere of mooie herinnering aan Carry vast te zitten.
Zandvoort komt al snel in zicht. De trein mindert vaart, passeert de laatste spoorwegovergang, waarvoor een paar natgeregende fietsers staan te wachten, en stopt in het station. Als ik ben uitgestapt, wandel ik in vijf minuten naar huis. Ik tref Carry in de keuken aan. Zij is net in bad geweest. Haar haren zijn nog nat en onder haar openvallende badjas zijn twee prachtige borsten, een paar zwarte jarretelles en twee zwarte nylonkousen zichtbaar. Ik geef haar een kus, pak een 'Duveltje' uit de koelkast en ga op een eettafelstoel zitten.
"Heb je een leuke dag gehad?", vraagt zij, als zij met een wat meewarige glimlach op mijn schoot gaat zitten.
"Ja, hoor!"
"Hoe is het nou op het werk?"
"Rustig! Het woord 'Houten' is vandaag niet één keer ter sprake gekomen."
"Hoe is het mogelijk!"
"Ja, ik sta er zelf ook versteld van!"
"Kijk je nou echt uit naar het moment, waarop je eindelijk in Houten kunt gaan werken?''
"Ja, ik ben allang helemaal om. Het lijkt mij echt heerlijk om tot aan mijn vut alleen maar met data-input bezig te zijn."
"Het lijkt mij zo afstompend."
"Ach, welnee, malle meid! Het zal alleen maar rustgevend voor mij zijn.''
"Maar besef je eigenlijk wel, dat je - als je eenmaal in Houten werkt - zeker vier uur per dag in de trein moet gaan zitten?"
"Ja."
"En dat je in totaal vier keer - en als het tegenzit - zelfs zes keer zult moeten overstappen?"
"Ja, maar daar staat tegenover, dat ik dicht bij een station woon en dicht bij een station werk. Het valt eigenlijk allemaal wel mee. Ik ga om zes uur van huis weg en ik ben om zes uur thuis. Dat is wel te overzien."
"Hm, misschien heb je wel gelijk, maar ik blijf toch hopen, dat er uiteindelijk toch nog een leuke loonsverhoging voor je in zal zitten!"
"Ha, dat zal echt niet gaan gebeuren", roep ik grinnikend, "PCM Uitgevers en loonsverhogingen! Dat zijn twee volstrekt onverenigbare grootheden."
"Hm, dat is toch wel jammer."
"Waarom? Ik verdien toch genoeg."
"Nou, zeg! Als ik mijn salaris met dat van jou vergelijk, dan..."
"Is dat verschil best wel redelijk", vul ik gniffelend aan.
"Stoort het je dan helemaal niet, dat ik veel meer verdien dan jij?"
"Nee, natuurlijk niet, malle meid! Je hebt een betere opleiding dan ik, je doet verantwoordelijker werk dan ik en je maakt langere dagen dan ik."
"Dat is toch wel een erg politiek-correct standpunt, lieverd!", zegt zij treiterend.
"Dat neem je terug!"
"Dat neem ik niet terug."
"Dat neem je wel terug!"
"Nee, dat neem ik niet terug!"
"Wel, in dat geval zie ik mij genoodzaakt om je weer eens flink te tuchtigen."
"Ha, zie maar, dat je mij te pakken krijgt!", roept zij, terwijl zij van mijn schoot glijdt en behoedzaam in de richting van de slaapkamer loopt.
"Dat laat ik mij geen twee keer zeggen."
Ik zet mijn flesje bier neer, sta op en zet de achtervolging op haar in. Ik achterhaal haar pas in de slaapkamer. Vijf minuten later wijden we het weekend en onze vakantie op een gepaste wijze in en zijn we heerlijk aan het neuken.

Zaterdag 30 augustus 1997, 14.05 uur: Het is opnieuw een sombere, grijze dag. De zon schijnt af en toe, maar gaat verder voornamelijk achter een fors wolkendek schuil. Carry en ik hebben bij het Amsterdamse Centraal Station twee fietsen gehuurd en fietsen nu op ons gemak langs de weilanden van Landelijk Noord. Ransdorp ligt al een kilometer achter ons en in de verte zien we ons reisdoel liggen: Holysloot, de plek, waar ons bandje een kort concert gaat geven.
Na een poosje flink doortrappen naderen we Holysloot. Ik ga even op de pedalen staan en laat daarbij een welgevallig oog op Carry rusten. En niet onrechte: zij ziet er vandaag weer uitzonderlijk lief uit. Zij draagt een rood jackje, een wit bloesje, een zwart-leren rokje, zwarte nylonkousen en korte, zwarte laarzen en zij bloost een beetje, zoals wel vaker gebeurt als ik mijn begerige 'laserstraalogen' op haar laat rusten.
We rijden Holysloot binnen en slaan daarna rechtsaf. Het huis van Maarten en Wendy ligt aan de andere kant van het dorp. Onze plek van bestemming is echter de schuur, die Maarten al sinds jaren van een oude, gepensioneerde boer huurt. We zetten onze fietsen tegen de muur van de schuur en lopen de schuur binnen. Daar blijkt, dat we de eersten zijn. Op het nogal gammel ogende podium probeert Maarten wat gitaarimprovisaties uit. Wendy zit aan de tafel in het midden van het schuurtje en houdt zich met Jelle en Yaran bezig.
"Ha, die gekke Danny!", roept Maarten amicaal.
Wendy kijkt op en schenkt ons een charmante glimlach. Jelle en Yaran zijn wat directer in hun reactie en waggelen joelend in de richting van Carry, die hen liefdevol in de armen sluit. Ik zie dat even glimlachend aan, maar voeg mij dan bij Maarten.
"Hoe is het met je?", vraagt hij grijnzend.
"Ik ben gezond, gelukkig en verliefd", antwoord ik, tijdens het omhangen van mijn gitaar.
"Jezus! Ben jij nou nog steeds verliefd?"
"Ja, natuurlijk!"
"Mooi zo! En hoe is het op je werk?"
"Rustig. Het is weer komkommertijd. Dus we zitten de grootste deel van de tijd uit ons neus te vreten."
"Prima!''
We kijken allebei naar Yaran, die op Carry's schoot is gaan zitten en wisselen een blik van verstandhouding met elkaar uit.
"Het is een echte vrouwenverslinder, die jongste zoon van mij", zegt Maarten monter.
"Ik zie het", zeg ik gemoedelijk.
"Beginnen jullie er ook nog
aan?"
"Aan wat?"
"Kinderen?"
"Neuh."
"Dat is jammer, jôh!"
"Waarom?"
"Volgens mij zou Carry echt een fantastische moeder zijn."
"Ik weet het wel zeker."
"Maar?"
"Ik wil haar met niemand delen."
"Zij heeft aan jou haar handen meer dan vol, bedoel je?"
"Precies."
''Doen jullie het nog steeds elke avond?''
''Ja, de passie wil van beide kanten maar niet wijken.''
''Houwen zo, zou ik zeggen!''
''Hm, er zal echt wel een dag komen, dat we een punt achter dat moordende seksritme gaan zetten, maar die dag zal wel ergens in de volgende eeuw liggen, denk ik.''
''Heb je enig idee, wanneer die dag zal gaan aanbreken.''
''Daar hebben Carry en ik het wel eens over gehad. We denken allebei, dat het over een jaar of zes zal gaan gebeuren. Als we vaker zullen hebben geneukt dan een normaal echtpaar in hun hele leven.''
''En dan?''
''Dan gaan we ons op seksgebied waarschijnlijk als een normaal echtpaar gedragen. Met één bezadigde vrijpartij op de woensdag- en één bezadigde vrijpartij op de zaterdagavond.''
''Hm, ik ben benieuwd.''
''Je scepsis is natuurlijk terecht!'', zeg ik grijnzend, ''Het is een heel wijs voornemen, maar als Carry er als achtendertigjarige matrone net zo lekker blijft uitzien als nu, moet ik het nog maar zien.''
''Ik ook!'', roept Maarten schaterend.
''En als zij van die lekkere, korte rokjes en die heerlijke, geile nylons blijft dragen, zal het wel bij een wijs voornemen blijven, vrees ik.''
In de daaropvolgende minuten komen de andere bandleden en ons publiek het zaaltje binnendruppelen en beginnen we vol goede moed aan ons concert.
Na het concert beginnen Carry en ik meteen aan de thuisreis. We fietsen in een uur terug naar het Centraal Station. Tijdens de rit door Nieuwendam overwegen we even om in 'San Remo' een pizza te eten, maar we fietsen toch maar door. Die pizza kunnen we ook wel in Zandvoort eten. Als we in de trein zitten, mijmeren we wat over het concert. Volgens Carry wordt mijn zang in 'Cowgirl in the Sand' steeds beter en nadert mijn gitaarspel in dat nummer de perfectie. Ik accepteer de complimentjes met een glimlach.
Na onze aankomst in Zandvoort wandelen we vanaf ons huis naar het dorp, eten twee hele smakelijke Quattro Formaggi's in de pizzeria aan de Haltestraat, drinken nog een biertje of twee op het terrasje aan het Kerkplein en lopen daarna op ons gemak via het strand naar ons huis. Carry hangt daarbij aan mijn rechterarm en ploegt tijdens die strandwandeling op een hele speelse manier met haar zwarte kousevoetjes door het zand. Na onze thuiskomst volgt een tamelijk wilde avond, die tot een uur in de nacht voortduurt.

Zondag 31 augustus 1997, 8.30 uur: De volgende ochtend word ik alweer vrij vroeg wakker. Ik maak mij langzaam uit Carry's armen los, sta op en loop met een wat onzekere tred naar de badkamer, eerst om te plassen en daarna om een douche te nemen. Na die korte douche begin ik mij met weinig animo aan te kleden. Ik beperk mij daarbij tot een rood T-shirt, een hagelwit slipje en een niet-meer-zo-hagelwit voetbalbroekje.
Na het aankleden loop ik terug naar de slaapkamer en kijk ik met een met geilheid aangelengde tederheid op Carry neer. Zij ligt half op haar buik, met haar rechterbeen half opgetrokken. Haar hoofd steunt op haar rechterhand, haar volle en o zo fraai gevormde rechterborst raakt het laken licht aan en om haar kleine voeten zitten de twee afgezakte, zwarte nylonkousen, die zij gisteren heeft gedragen. Even overweeg ik om haar te wekken, maar mijn beter ik wint het van mijn seksuele driften. Per slot van rekening hebben we het gisteravond ook al tamelijk bont gemaakt.
Ik rep mij dus maar naar de keuken om koffie te zetten. Ik ben van plan om in mijn eentje op de veranda te ontbijten, een tijdverdrijf, waar ik mij als altijd zeer op verheug. Op vrijen en gitaarspelen na is dat eigenlijk mijn favoriete vrijetijdsbesteding. Nooit is mijn vakantiegevoel sterker als ik in alle rust op mijn eigen veranda met uitzicht op de zee kon ontbijten.
Ik dek het ontbijttafeltje op de veranda dan ook met zorg. Het bevat een bord, een mes, een kuipje Becel, hagelslag, een flink stuk kaas, een kaasschaaf, een leeg koffiekopje en een inmiddels gevulde koffiekan. Ik schenk een kop koffie in en loop daarna nog even de huiskamer binnen. Voor ik ga ontbijten, wil ik eerst nog wel even zien, of er in de wereld nog schokkende dingen zijn gebeurd. Ik zet de televisie aan, werp een blik op de berichten van Tekst-tv en laat dan een langgerekt en luid 'Jeeeemig!' horen.
"Wat is er?", vraagt Carry, vanuit de slaapkamer.
"Prinses Diana is dood!", antwoord ik, onderwijl doorzappend naar de BBC.
"Wie is dood?"
"Prinses Diana!", blèr ik, "Het is net op het nieuws. Haar vriendje is ook de pijp uit."
Er valt een korte stilte, gevolgd door een licht gestommel, waarbij ik haar "Dat meen je niet!", hoor roepen. Een paar seconden later komt zij de kamer binnenlopen, met een tred, die ook al niet zo zeker oogt.
"Wat is er gebeurd?", vraagt zij, met een strakke blik op de televisie, die beelden uit Parijs toont.
"Zij en haar vriend hebben in Parijs een auto-ongeluk gehad."
"Wanneer is het gebeurd?"
"Vannacht om een uur, toen wij eindelijk gingen slapen!"
We kijken een poosje naar het nieuwsbulletin, dat om de zoveel minuten wordt herhaald, en krijgen daardoor een redelijk inzicht in, wat er in Parijs is voorgevallen. De foto van Diana op de achtergrond is goed gekozen: zij is geheel in het zwart gekleed en zij kijkt zeer treurig voor zich uit.
"Ach, wat een nare tragedie!", zegt Carry mompelend.
"Is dat alles, wat je kunt zeggen?", vraag ik, op een plagerige toon.
"Tja, wat moet ik er anders van zeggen? Het was een lief mens en een mooie meid en het is dus hartstikke zonde, dat zij dood is, maar het is natuurlijk niet iets om wakker van te liggen."
"Hm, daar zit wat in."
"Ja, hè? Dus laten we ons maar gelukkig prijzen, dat wij nog leven en maar weer gezellig naar bed gaan."
Ik reageer daar niet meteen op. Ik laat mijn ogen over haar poezelige lichaam glijden, tel tot tien en besluit om mij toch maar even schrap te zetten.
"Zullen we eerst maar eens gaan ontbijten?", vraag ik, "Ik heb net koffie gezet en het tafeltje op de veranda is al gedekt."
"O, dat is ook goed."
Zij loopt naar de veranda, maar als zij over de drempel wil stappen, trek ik haar op het allerlaatste moment aan haar arm terug.
"Wat is er?", vraagt zij, zich onderwijl op slinkse wijze in mijn armen nestelend.
"Wil je wel eerst iets aantrekken?"
"Waarom?"
"Omdat ik dat zeg!", antwoord ik lachend.
"Ja, maar..."
"Niks 'ja, maar...'! Je doet wat aan, of je blijft maar van de veranda weg."
"Nou, goed dan! Maar dan onder één voorwaarde!"
"Welke dan?"
"Dat je zometeen niet naar de Wibautstraat afreist!"
"Waarom zou ik dat moeten doen?", vraag ik, een tikje schijnheilig.
"Ach, kom! Je gaat mij toch niet vertellen, dat je niet beseft, dat het nu een gekkenhuis op de krant zal zijn?"
"Tja, dat denk ik ook wel, maar dat moet die gekke Paardekoper maar gaan oplossen!''
"En als hij nu zometeen belt, met de vraag, of je effe een uurtje kunt komen bijspringen?"
"Dan zal ik hem zeggen, dat hij zelf maar moet gaan. Hij woont dichter bij het werk dan ik."
"Ha, en jij denkt echt, dat je hem dat ronduit in zijn gezicht zult durven zeggen?"
"Ja, dat denk ik echt", antwoordt hij lachend, "Maar als je mij niet gelooft, wil ik de hoorn wel van de haak leggen, hoor!"
"Dat is een prima idee! En aangezien de telefoon in de slaapkamer staat, zal ik dat karweitje wel even op mij nemen."
Zij maakt zich van mij los en rent naar de slaapkamer terug.
Twee minuten later loopt zij dan toch de veranda op. Gekleed in niets meer dan een kort, wit nachthemd, met een wat nuffige gelaatsuitdrukking en met twee opgerolde, bruine nylonkousen in de rechterhand. Zij heeft overduidelijk niet veel zin om lang op de veranda te blijven, want de volgende aanval op mijn stelling komt snel. Eerst ploft zij op de andere tuinstoel neer, schuin links van mij. Daarna begint zij op haar gemak haar kousen aan te trekken.
Ik zie, hoe zij haar voetjes in de kousen steekt, hoe zij, heel voorzichtig, de kousen afrolt, hoe zij de jarretelles onder de zoom van het nachthemd vandaan trekt en hoe zij de kousen aan de jarretelles vastmaakt. Zij draagt al bijna vijf jaar elke dag nylons, maar al haar handelingen hebben nog steeds iets onwennigs. Ik geniet er meer van dan mij lief is. Dat blijft niet onopgemerkt. Zij slaat glimlachend haar rechterbeen over haar linkerbeen, verstelt nog iets aan een jarretelle van haar rechterkous, verwijdert een vermoedelijk denkbeeldig pluisje van die kous en stelt tenslotte een nogal pikant vraagje:
"Zullen we vandaag maar de hele dag in bed blijven liggen?''
"Dat is goed! Ik heb ook geen zin om op stap te gaan. En ik ben ook wel heel benieuwd naar wat er vandaag allemaal in Parijs en in Londen gaat gebeuren.''
"Ik eigenlijk ook wel! Maar eet eerst maar braaf je ontbijtje op! Het is altijd handig om op dit soort dagen een bodempje in je maag te hebben.''
Daar reageer ik maar niet op. Het heeft iets bizars en misschien wel iets pervers om de hele dag op ons bed naar het tv-verslag over het dodelijke ongeluk van een beroemde prinses te kijken, terwijl mijn eigen spinglevende en levenslustige vrouwtje de hele dag naast mij zal blijven liggen, maar ik weet echt niet, hoe ik aan die televisiemarathon zal kunnen ontkomen en leg mij dus blijmoedig bij het onvermijdelijke neer.

NOG TWEE HELDEN!

1. Boris, voorheen Amstel (1999-2013)

2. Granaatje (2003-2014)

NOG MEER HARBERTS-STUFF!

De Aart Harberts-tak van de familie Harberts

2. De videoclip met de muziek en de schilderijen van Willem!

Teksten en een groot aantal foto's: Bert Harberts