AUGUSTINERPLATZ BLUES

Dennis en Trudy Harberts zaten in de lijnbus tussen Müllheim en Badenweiler, twee plaatsen aan de westrand van het zuidelijke deel van het Zwarte Woud. De bus had zijn eindbestemming bijna bereikt en reed een steile heuvel op. Op de top van die heuvel, midden in de dorpskern van de laatstgenoemde plaats, stond een breed, witgepleisterd gebouw van vier verdiepingen. Dennis merkte het als eerste op en tikte Trudy geagiteerd op haar linkerarm.
"Wat is er, lieverd?", vroeg zij.
"Daar is het!", riep hij.
"Wat, lieverd?"
"Daar is het gebouw, waar Tsjechow is gestorven!"
"Jezus! Je hebt gelijk!"
Ze zaten op de voorste banken, schuin achter de chauffeur, en zagen het mooie gebouw in volle glorie voor zich opdoemen. In Tsjechows tijd was het een hotel geweest en had het de naam 'Hotel Sommer' gedragen; nu was het een kuuroord en heette het 'Park Therme'. De bus stopte op ongeveer vijftig meter afstand van het gebouw en het echtpaar stapte snel uit.
"Hier heeft hij gelopen, lieverd!", riep Dennis, "Hier heeft hij echt gelopen!"
Zij schoot in de lach en gaf hem een arm. Zij achtte de kans, dat de aan terminale tbc lijdende Tsjechow over dit straatje zou hebben gelopen, niet zo groot, maar zij had in het geheel geen zin om zijn enthousiasme in te dammen. Het was veel te leuk om hem weer eens helemaal uit zijn dak te zien gaan.
Ze hadden de ingang van het kuuroord inmiddels bereikt en staande voor die ingang gluurden ze een tikje gegeneerd naar binnen. In de sjiek ogende hal was zo op het eerste gezicht niets van Tsjechow te zien en Dennis leek even te twijfelen over wat ze nu zouden gaan doen.
"Zullen we naar binnengaan?", vroeg zij.
"Neuh, laten we dat maar niet doen."
"Dus je wilt niet gaan vragen, of we de sterfkamer kunnen bezichtigen?"
"Nee, dat mysterie moet maar in tact blijven."
"Of durf je het niet te vragen?"
"Dat ook, ja", antwoordde hij grinnikend.
"Is het uit gêne?"
"Nee, meer uit piëteit. Als we die kamer zouden kunnen bezichtigen en we zouden dat ook doen, dan zouden we volgens mij niet in de geest van Tsjechow handelen. Hij was, zoals je weet, een bij uitstek discreet man en ik heb het gevoel, dat we hem in zijn privacy zouden aantasten als we in zijn sterfkamer zouden gaan rond koekeloeren."
"Meen je dat nou?"
"Ja, dat meen ik! Ik ga niet naar binnen en ik wil dus ook niet zijn sterfkamer zien."
"Goed, lieverd. Zeg mij dan maar, wat je wel wilt."
"Ik wil even bij de VVV langs gaan en daar kijken, of ze daar een folder over Tsjechow hebben."
"Goed, lieverd. Laten we dat dan maar meteen doen."
Ze liepen naar het VVV-kantoortje, dat pal naast 'Park Thermen' stond, maar hielden even stil, toen Dennis even uit zijn rationele rol viel en zijn linkerhand vol eerbied langs de buitenmuur van 'Park Thermen' liet glijden.
"Waar is dat goed voor?", vroeg zij pestend.
"Ik weet het niet", antwoordde hij, met een vage glimlach, "Ik moest het gebouw gewoon even aanraken."
"Was het Tsjechow zelf, die je dat influisterde?"
"Ik denk het niet. Hij zal daarboven wel wat beters te doen hebben."
"Wat dan?"
"Misschien zit ie wel met Gogol, Poesjkin en Toergenjew in de kroeg."
"Bij een genoeglijk pruttelende samowar?"
"Precies!"
"En waar hangt Dostojewski dan uit?"
"Die hufter zal wel weer in het casino zitten."
Trudy moest weer lachen. Zijn afkeer van Dostojewski was net zo sterk als zijn adoratie voor Toergenjew en Tsjechow en hij wist die afkeer altijd weer op bloemrijke wijze onder woorden te brengen.
"Waarom heb je toch zo'n hekel aan Dostojewski?", vroeg zij.
"Omdat hij een slechte schrijver is! En om zijn persoon. Het moet een overheersende, emotionele man zijn geweest en geen rationele, bescheiden man zoals Toergenjew of Tsjechow. En met het eerste soort mensen kan ik verdomd moeilijk omgaan. Ik had gegarandeerd de grootste problemen met hem gehad als ik in zijn tijd en in zijn omgeving had geleefd."
"Maar je vindt hem als schrijver dus ook niet goed?"
"Nee, toen ik 'Schuld en boete' eenmaal uit had gelezen, ben ik twee weken zwaar depressief geweest."
"Dat wil dus niet zeggen, dat het een slecht boek is."
"Nee, je hebt gelijk", zei hij, ineens zichtbaar onthutst, "Het heeft inderdaad een verpletterende indruk op mij gemaakt en ik realiseer mij nu ook, dat ik 'De Gebroeders Karamazow' en 'De idioot' ook al heel geboeid heb gelezen."
"Zo, jouw afkeer van de schrijver Dostojewski vloeit dus alleen maar uit jouw afkeer van de mens Dostojewski voort!"
"Ja, wijsneus! Je hebt gelijk! Maar is dat zo gek? Mag je dan geen hekel hebben aan een man, die een hekel aan Toergenjew had?"
"Ja, natuurlijk mag je dat! Als je maar niet zegt, dat hij een slechte schrijver is."
"Wil jij 'Schuld en boete' dan nog een keer herlezen?"
"Nee, dank je feestelijk!"
"Dan is Dostojewski dus geen goede schrijver!"
"O, nee?"
"Nee, goede boeken van goede schrijvers moet je je leven lang kunnen blijven herlezen."
"Gaat dat ook niet voor vrouwen op?", vroeg zij gniffelend.
"Precies! Een vrouw is ook pas een goede vrouw als je er tot je dood mee naar bed kunt gaan."
"Ach, wat ben je toch een snoezig ventje!"
"Ja, hè?"
Ze liepen door en gingen het VVV-kantoortje binnen. Het stonden drie mensen voor de balie, maar Dennis ontdekte vrijwel onmiddellijk een rek met folders, waaruit hij met feilloze precisie een bruin gekleurde folder haalde. De folder heette: 'Das literarische Museum "Tschechow Salon" in Badenweiler' en het had een voorblad, waarop een nogal slecht gelijkend borstbeeld van Tsjechow stond afgebeeld.
"Zo, dat bespaart mij een moeizame, Duitse conversatie!", zei hij monter.
"Staat er alles in, wat je wilt weten?"
"Bijna alles."
"Wat wil je dan allemaal weten?"
"Waar we 'Die Tschechow-Salon' kunnen vinden en waar we 'Das Neues Tschechow-Denkmal' kunnen vinden."
"Wat kunnen we wel vinden? En wat niet?"
"Hier staat, dat de 'Salon' zich ergens in het 'Kurhaus' bevindt. Maar er staat helaas niet in, waar ze dat 'Denkmal' hebben neergezet."
"Laten we gewoon maar een beetje gaan zoeken en een beetje de sfeer gaan opsnuiven. Als we dat beeld echt niet kunnen vinden, kunnen we hier altijd nog vragen, waar we het dan wel kunnen vinden."
"Okidokie!"
Ze verlieten het VVV-gebouwtje en liepen weer verder over de Ernst Eisenlohrstrasse en de Kaiserstrasse. Uiteindelijk kwamen ze op het Schlossplatz uit, een breed plein, waaraan onder andere het 'Kurhaus' lag. Ze liepen de oprijlaan van dat weinig aantrekkelijke 'Kurhaus' op en zagen daar twee bordjes hangen, die de richting naar het 'Tschechow-Denkmal' en de 'Tschechow- Salon' aanwezen.
"Jemig!", zei Dennis, "We hebben wel erg veel geluk, vandaag!"
"Ja, nou!"
"Zullen we eerst maar eens naar dat borstbeeld gaan kijken?"
"Dat is goed, liefje."
Ze liepen het 'Kurpark' in en begonnen aan de beklimming van de Schlossberg, Het smalle weggetje was steil, maar slingerde op een lieflijke manier om de berg heen. Halverwege de top bleef Dennis even stilstaan.
"Shit!", mompelde hij.
"Wat is er, lieverd?"
"Het is mij een beetje te steil hier."
"Meen je dat nou?"
"Ja, raar, hè? Het is echt een bergje van niets."
"Geef mama maar een handje!", zei zij, terwijl zij zijn klam aanvoelende rechterhand greep, "Ik trek je wel de berg op."
"Hoe symbolisch!", zei hij, met een bloedserieus gezicht.
Vlak onder het hoogste punt, op een verhoging in een klein plantsoen, vonden ze, wat ze zochten: 'Das Neues Tschechow-Denkmal'. Het borstbeeld, dat op een stuk graniet stond, leek dus niet erg op Tsjechow. Het gezicht had een ferme, bijna kille uitdrukking en het deed hen qua fysionomie meer aan een broer van Dennis dan aan Tsjechow denken.
"Hij lijkt op...", begon hij.
"Peter!", zei zij, doelend op haar bovengenoemde zwager.
"Ja, precies! Bij al die foto's, die we van hem kennen, zou je zweren, dat hij op Eric Clapton lijkt, maar dit beeld lijkt dus echt sprekend op Peter."
"En dus niet op Tsjechow."
"Nee, hij kijkt ook veel te streng om op die aimabele Tsjechow te kunnen lijken."
"Je hebt gelijk. Maar het beeld staat wel op een mooie plek. Tsjechow zelf zal hier wel niet zijn geweest."
"Nee, dat denk ik ook niet."
Ze keken om zich heen en zagen door het bladerdek van de omringende bomen over het vlakke Markgrëflerland uit. Trudy vermoedde, dat daar in de verte Frankrijk moest liggen, maar zij voelde zich daar bepaald niet opgewonden over. Frankrijk interesseerde haar niet zoveel. Zij was er in haar jeugd een aantal malen geweest en zij had het er nooit zo naar haar zin gehad. Duitsland beviel haar veel beter. Zij was er zich ook heel goed van bewust, wat haar zo in Duitsland aantrok. Zij wist, dat Dennis in zijn vroege tienerjaren een paar keer met zijn vader op vakantie in Baden-Württemberg was geweest en zij vond het een heel prettig idee, dat hij er nu met haar was.
"Het is hier echt prachtig", murmelde zij voor zich heen.
"Ja, nou!"
"Geen last van hoogtevrees meer?"
"Jawel, maar zolang jij mijn hand niet loslaat, red ik het wel."
"Fijn, lieverd."
Even nog bleven ze naar het 'Denkmal' staren; daarna daalden ze via hetzelfde weggetje de berg weer af. Eenmaal beneden bij het 'Kurhaus' begon de zoektocht naar het Tsjechow-museum. Ze liepen een paar keer verkeerd, maar uiteindelijk vonden ze het toch en konden ze het gratis toegankelijke museum binnengaan.
Het bleek nog niet zo lang te bestaan. Het was pas in 1998 geopend en het kon zich daardoor als het eerste en vooralsnog enige Tsjechow-museum in het Westen afficheren. Het museum was niet echt groot. Achter vitrines lagen foto's, brieven, ansichtkaarten, krantenartikelen en boeken van de schrijver. Veel van wat er te zien was, kende het echtpaar al uit een Duits fotoboek over Tsjechow, dat thuis in hun boekenkast prijkte, maar toen hun oog viel op een smal brilletje, dat volgens een begeleidend kaartje van Tsjechow zelf was geweest, waren ze daar zeer ontroerd door.
"Oh, zie je dat brilletje?", mompelde Dennis.
"Ja, lieverd. Ik zie het."
"Alleen om dat brilletje te kunnen zien, had ik al naar Badenweiler willen komen."
"Ik ook, lieverd."
Ze slenterden verder, bekeken een expositie, die aan andere schrijvers, waaronder Hermann Hesse, was gewijd, en verlieten tenslotte het museum.
"Wat gaan we nou doen?", vroeg zij, bij het passeren van het 'Kurhaus'-terras.
"We gaan eerst even kijken, wanneer de bus naar Müllheim vertrekt."
"Wil je dan nu al weg?"
"Jij niet dan? Volgens mij hebben we alles wel gezien en valt er verder niet veel meer te beleven."
"Hm, ik denk, dat je gelijk hebt."
"Tenzij je natuurlijk iets wilt gaan doen, waar Tsjechow helaas niet meer aan toe is gekomen.
"Wat dan?"
"Een wandeling in de omgeving maken."
"Hm, eigenlijk heb ik niet zo'n zin om te wandelen."
"Waar heb je dan wel zin in?"
"Wat dacht je van een uurtje vrijen in ons Freiburgse hotel?"
"Ter viering van het slagen van onze eerste, buitenlandse vakantie sinds 1992?"
"Ja."
"Dat klinkt wel aanlokkelijk, maar eigenlijk wil ik straks eerst even gaan dineren."
"Dan wordt het daarna dus een avondje vrijen in ons Freiburgse hotel".
"Ja."
Ze liepen weer de Kaiserstrasse in en naderden de bushalte voor de 'Evangelische Kirche'. Ze hoefden niet lang te wachten, voordat de bus bij de halte stopte. Het was dezelfde bus als daarnet en ze namen ook op dezelfde banken plaats. De bus vertrok vrijwel meteen. Tijdens de afdaling van de heuvel keken ze nog eenmaal naar 'Park Therme' om.
"Toch raar, dat niets aan dat gebouw naar Tsjechow verwijst", merkte Dennis op.
"Hoe bedoel je?"
"Nou, ze hadden toch minstens een gedenksteen in de gevel kunnen aanbrengen."
"Ja, Jezus!", zei Trudy grinnikend, "Wie weet, wat ze binnen voor memorabilia hebben aangebracht!"
"Dat zou kunnen."
"Misschien hebben ze daarbinnen wel een stiltekapel voor hem gebouwd."
"Een Duitse stiltekapel voor een agnostische, Russische schrijver", zei hij, met een gewichtig gezicht, "Ja, ik zie het helemaal voor mij."
Ze reden Niederweiler binnen, een gehucht, dat nog binnen de gemeente Badenweiler lag, en vervolgden hun weg naar het station van Müllheim. Het was maar een kort ritje. Het station lag op vijf kilometer van Badenweiler en de bus hoefde maar een paar keer te stoppen.
"Ben je blij, dat we hiernaartoe zijn gegaan?", vroeg zij.
"Ja, heel blij! Maar het is eigenlijk wel een beetje jammer, dat we niet eerder op het idee zijn gekomen om hiernaartoe te gaan. Als we vorig jaar waren gegaan, waren we nog in 'De laatste eeuw van Tsjechow' hier geweest."
"Tja, dat is zo!", zei zij grinnikend.
"Maar aan de andere kant is dit misschien toch wel het goede moment geweest."
"Omdat we nu ouder zijn dan hij ooit geweest is?"
"Ja, en om die reden besef ik nu pas goed, dat hij toch wel heel erg jong is doodgegaan. Hij heeft een groot en fantastisch oeuvre achtergelaten, maar hoe groot en hoe fantastisch had dat oeuvre niet kunnen zijn als hij tweeënzeventig was geworden in plaats van vierenveertig?"
"Tja, daar kunnen we maar beter niet aan denken."
"Hij had dan waarschijnlijk ook een ander soort oeuvre achtergelaten."
"Hoe bedoel je?"
"Als hij geen tuberculose had gehad en dus niet veel te vroeg was doodgegaan, was zijn oeuvre niet alleen groter, maar ook veel minder somber geweest. Verhalen als 'De zwarte monnik', 'Zaal no.6' en vooral dat afschuwelijke 'In het ravijn' waren dan nooit geschreven."
"Hm, ik denk, dat de literaire wereld het niet leuk zou hebben gevonden als hij alleen maar van die vrolijke Tsjechonte-verhalen had geschreven."
"Ik dus wel! Als hij tien Tsjechonte-bundels had kunnen schrijven in plaats van één, had dat ook betekend, dat hij een langer, vrolijker, gezonder en waarschijnlijk ook gelukkig leven had kunnen leiden."
"Dat is waar! Dat had ik hem natuurlijk ook wel gegund."
Bij een van de haltes in Müllheim liep de bus ineens vol: met een tiental luidruchtig kwetterende jongeren van een jaar of vijftien. Trudy zag, dat Dennis daar een beetje nerveus van werd en greep hem weer bij de hand. Dat deed hem zichtbaar goed.
"Gaat het weer een beetje, meneer Harberts?", vroeg zij.
"Ja, licht van mijn leven, het gaat wel weer."
"Je moet mij toch eens vertellen, waarom je deze dagen zo melancholiek en zo onzeker bent."
"Goed, mijn lief, maar niet nu, want ik kan nu toch niet boven die herrie uitkomen."
"Goed, liefje."
Gelukkig voor hem kwamen ze al snel op het stationsplein van Müllheim aan. Ze stapten uit en liepen het stationsgebouw binnen. Het vertrekstaatje van de stoptrein tussen Basel en Freiburg leerde hen, dat de trein naar Freiburg over vijf minuten zou vertrekken. Trudy nam op een bankje in de stationshal plaats en Dennis ging voor het loket staan. Het meisje, dat voor hem stond, werd al geholpen, maar tot Trudy's verbijstering liet hij ook maar even een oudere vrouw voorgaan.
"Hee, imbeciel, wat doe je nou?", vroeg zij, een tikje geïrriteerd.
"Dat ouwe mens zei, dat zij hier al zat te wachten, voordat wij aankwamen", antwoordde hij, met licht kleurende wangen.
"Ja, ik geloof er niets van! Dat ouwe wijf wil gewoon voordringen!"
"Tja, dat geloof ik ook."
"Jezus! Waar haalt dat arrogante, ouwe lijk de gore moed vandaan om mijn arme mannetje zomaar opzij te schuiven!"
"Ja, gemeen, hè? En ik heb het al zo moeilijk, vandaag."
"Hm, in jouw plaats had ik haar op haar lelijke, ouwe rotsmoel geramd."
Hij schoot in de lach, maar ging daar verder niet op in. De oude vrouw had vermoedelijk wel door, dat ze over haar aan het mokken waren, want toen zij met haar kaartje wegliep, wierp zij hen een wat schichtige blik toe. Het deed Trudy's irritatie volkomen teniet. Bovendien werkte de lokettiste snel en efficiënt door en kon het echtpaar nog ruim op tijd de trein halen.
Dat bleek, in tegenstelling tot de oude, aftandse trein op de heenreis, een nieuwe, rode dubbeldekker te zijn, waarin tot hun grote teleurstelling geen eerste-klassecompartiment was te vinden. Dat had tot gevolg, dat ze opnieuw midden tussen de scholieren terecht kwamen. Ditmaal leek Dennis het wat kalmer op te nemen. Misschien kwam dat wel, omdat hij na het vertrek van de trein de vrijheid nam om haar kalm over haar mollige dijbeen te strelen. Zij liet het toe en was hem zelfs wat behulpzaam door de zoom van haar zwarte jurkje wat omhoog te trekken.
"Ga je lekker?", vroeg zij.
"Ja."
"Had je het niet leuker gevonden als ik vanochtend mijn nylons had aangetrokken?"
"Neuh, je benen zijn nu zo mooi, dat ze die nylons niet eens meer nodig hebben."
"Ah, dat is lief van je om dat te zeggen, maar ik ga de twintig paar nylons, die ik thuis heb liggen, de twee paar, die ik in mijn reistas heb zitten en het paar, dat in mijn handtasje zit, echt niet weggooien, hoor."
"Dat hoeft ook niet, mijn lief. Als je maar weet, dat je met of zonder nylonkousen de mooiste benen van de hele wereld hebt."
"Hm, besef je eigenlijk wel, dat je mij met dat soort opmerkingen nog steeds hartstikke geil maakt?"
"Natuurlijk weet ik dat, mijn lief!"
"Waarom maak je die opmerkingen dan juist op die momenten, dat je mij niet op de een of andere manier uit mijn lijden kunt verlossen?"
"Omdat ik het leuk vind om je op hete kolen te laten zitten. Omdat ik geniet van de macht, die ik over je seksleven heb. En omdat ik er heel trots op ben, dat die heerschappij over jouw seksleven al bijna dertig jaar duurt."
"En gaat die lange heerschappij over mijn seksleven je dan echt niet vervelen?"
"Nee, natuurlijk niet! Mijn verslaving aan jou is minstens even sterk als jouw verslaving aan mij."
Die opmerking trof ook doel en zij was hem daarvoor graag om de hals gevlogen, maar de scholieren waren verre van honkvast en liepen regelmatig over het gangpad. De liefkozingen van Dennis bleven echter onopgemerkt. Het echtpaar werd tot hun eigen tevredenheid volkomen genegeerd.
Trudy keek onderwijl uit het raam en liet het landschap met een vrolijk gemoed aan zich voorbijtrekken. Af en toe reed de trein over een heuvel met uitgeschoten korenvelden; voor de rest was het traject vlak tot licht heuvelachtig en waren de bergen van het Zwarte Woud alleen aan de horizon te zien. Zij vond het heerlijk om weer op reis te zijn. Negen jaar achtereen waren ze in Nederland gebleven, omdat hun kat zo oud was geworden; nu die kat dood was en ze ter vervanging een tamelijk stoïcijnse kater in huis hadden genomen, stond niets hen in de weg om vaker naar het buitenland te gaan.
Dennis had zijn liefkozingen inmiddels gestaakt. Zijn hand lag nu stil op haar bovendij. Zijn gelaatsuitdrukking had ook iets droevigs gekregen. Dat schokte haar niet. Zij was allang aan die melancholische gemoedsstemmingen gewend geraakt en zij vermoedde, dat ook deze wel weer uit zichzelf zou overgaan. Zij had gelijk, want toen zij hem even over zijn haren en zijn wang streelde, verscheen er onmiddellijk een flauwe glimlach op zijn gezicht.
"Wat is er, jochie?", vroeg zij.
"Niets."
"Je keek anders heel droevig, daarnet."
"Dat was maar schijn."
"Echt?"
"Zeker weten! Ik voel mij een beetje weemoedig, meer niet."
"Waarom dan?"
"Het is iets heel vaags, maar ik vertel het je in Freiburg wel."
"Goed, liefje."
Het duurde niet lang, voordat de trein Freiburg binnenreed en in 'Freiburg Hauptbahnhof' stopte. Ze stapten uit en betraden de even ruime als sfeerloze stationshal. Daar trok Dennis even aan Trudy's mouw.
"Wat is er, liefje?", vroeg zij.
"Ik heb honger! Zullen we wat te bikken kopen in die kiosk daar?"
"Kunnen we niet beter een leuk restaurantje gaan zoeken?"
"Nee, ik wil liever eerst nog even een wandeling maken over die berg aan de rand van de 'Altstadt'."
"Zou je dat wel doen, met die hoogtevrees van jou?"
"Ik moet wel! Het wordt nu toch echt eens de hoogste tijd, dat ik dat soort maffe fobieën te lijf ga. En als het mij lukt om die berg zonder problemen te bedwingen, zal ik je daarna op een copieus diner trakteren."
"Het is goed, liefje. Haal dan maar wat te bikken."
Hij drentelde naar de kiosk, deed zijn bestelling bij een knap, maar arrogant uitziend meisje en kwam even later bij zijn vrouw terug met vier broodjes Wiener Schnitzel en twee flesjes Cola Light. Daarna verlieten ze het hotel en liepen ze via de Eisenbahnstrasse de stationsbuurt in.
Die buurt had een modern karakter, met veel grote en hoge kantoorgebouwen. Het enige straatje met mooie huizen was de Poststrasse, het intieme straatje, waar hun hotel stond. Bij het oversteken van die Poststrasse keek zij verlangend in de richting van het hotel. Zij had het toch wel prettig gevonden als zij Dennis voor een uurtje naar hun hotelkamer had kunnen lokken, maar zij zei niets. Hij had haar al een plezierig seksavondje in het vooruitzicht gesteld en zij vond, dat zij het daarmee maar moest doen. Voor haar gevoel had zij zich de laatste maanden wat al te vaak als een onverzadigbare femme fatale gedragen en het leek haar niet onverstandig om zichzelf op dat gebied wat in te tomen.
Zij kruisten de Rotteckring via de voetgangerstunnel daaronder en daarna liepen ze de pittoreske Rathausgasse in. Het was een nauw winkelstraatje met pastelkleurige huizen, die hen het gevoel gaven, dat ze door een dorpje in Ticino wandelden. Het straatje had bovendien een typisch Freiburgse attractie: een diepe, smalle goot, waardoorheen helder en zuiver water uit het Zwarte Woud stroomde. Deze goten, oftewel de 'Bächle', die door de hele 'Altstadt' stroomden, vormden vroeger een open riool; nu zorgden ze, zoals hun ANWB-gids zo treffend omschreef, voor een 'welkome verfrissing' op deze warme zomerdag.
Ze staken het Rathausplatz over, wierpen een blik op het oude en het nieuwe raadhuis, beiden dateerden uit de zestiende eeuw, keken even verlangend naar de fontein in het midden van het plein, waaromheen zich een ware mensenmassa had verzameld en liepen verder tot ze de Franz Joseph Strasse hadden bereikt, waar ze rechtsaf sloegen. Die brede, maar autovrije Franz Joseph Strasse was de voornaamste winkelstraat van Freiburg, maar qua architectuur stelde de straat niet veel voor.
Een uitzondering daarop vormde de directe omgeving van de dertiende-eeuwse Martinstor. De hoge vakwerkhuizen rond die poort gaven vermoedelijk een goed beeld van het Freiburg uit de middeleeuwen. Ze bleven even naar die huizenrij en de al even monumentale poort staan kijken; daarna liepen ze onder de poort door en sloegen ze de Gerberau in. Dat was een mooie, stille straat, die uitkwam op het tweede stadsplein van de stad: het Augustinerplatz. Daar leek het Trudy wel prettig om even een rustpauze in te lassen.
"Ik ben moe!", zei zij, op een wat plagerige toon.
"Wel, kindje, dan gaan we toch even op dit muurtje zitten."
"Hm, ik was eigenlijk liever op een leuk terrasje gaan zitten."
Toch nam zij naast hem op het muurtje plaats en begon ook zij het straatrumoer te observeren. Zij had daar plezier in. Freiburg was een zeer charmante en levendige stad. Het was bovendien een typische studentenstad en ook dat was aan het straatbeeld goed te merken.
"Heb jij nou ook het gevoel, dat we oud worden?", vroeg zij.
"Ja, en dan vooral als ik dat vrolijke, jonge spul voorbij zie komen."
"Ja, dat is een deprimerende aanblik, hè?", zei zij, een tikje zwartgallig.
"Ja, meid! Het is gewoon niet anders! We zijn gezond, gelukkig en rijk, en we kunnen gaan en staan waar wij willen, maar daar staat dus wel tegenover, dat we nu toch echt een echtpaar van middelbare leeftijd zijn."
"Hm, dat vind ik toch niet zo leuk om te horen. Ik heb je over deze netelige kwestie wel eens wat vrolijker opmerkingen horen maken."
"Tja, maar het is natuurlijk wel zo."
"Nou, goed dan. Als je mij dan echt niet wilt opbeuren, moeten we maar weer doorlopen."
"Goed, liefje."
Ze lieten zich van de muur glijden en bestegen de brede en verre van steile trap naar de Salzstrasse. Aan het einde van die straat doemde de Schwabentor op, de andere, beroemde poort van Freiburg, en de huizen rond die Schwabentor waren zo mogelijk nog mooier dan die rond de Martinstor. Links van de Schwabentor was de trap naar de houten voetgangersbrug over de Schlossbergring. Ze bestegen de trap, liepen de brug over en wandelden het park rond de Schlossberg binnen. Het eerste paadje, evenwijdig aan de Schlossbergring, ging steil omhoog, maar ditmaal had Dennis Trudy's hulp niet nodig en stapte hij ferm voort.
"Gaat het?", vroeg zij, een tikje ten overvloede.
"Ja, ik ben er doorheen, geloof ik. Als ik niet te dicht langs het randje loop, zal ik het, denk ik, wel rooien."
"Dus ik krijg zometeen een copieus diner?"
"Ja, natuurlijk!"
"En gaan we daarna weer lekker vrijen?"
"Ja, ik ga je vanavond weer eens helemaal sufneuken!"
"Dat is mooi, want ik heb nog steeds een beetje de 'Augustinerplatz Blues'."
"Dat is helemaal niet nodig, hoor!"
"O, nee?"
"Nee, want de strakgerokte huppelkutjes, die daar rondlopen, zullen nooit een goede man vinden en ook nooit gelukkig worden."
"Denk je?", zei zij grinnikend.
"Ik weet het wel zeker. Over vijf à tien jaar zullen ze allemaal getrouwd en gesetteld zijn en zullen ze allemaal tot over hun nek in de zorgen zitten."
"En waarover zullen ze dan zoveel zorgen hebben?"
"Over alles! Over hun ontrouwe echtgenoot, over hun etterbakken van kinderen, over hun stressrijke baan en over hun torenhoge hypotheek."
"Terwijl ik over vijf jaar..."
"Nog steeds gezond, knap en rijk zult zijn en nog steeds een knappe, gedistingeerde man van vijftig zult hebben, die je dan nog steeds met hart en ziel zal zijn toegewijd."
"Dank je wel, lieverd!", zei zij dankbaar, "Dat is wat ik wilde horen."
Ze wandelden verder de berg op en kwamen uiteindelijk bij het 'Greiffenegg-Schlössle Restaurant' aan. Het stond bekend als het 'restaurant op het dak van Freiburg' en het had dan ook een uitgestrekt terras. Aan het begin van dat terras stond een ronde kiosk, waar allerlei versnaperingen waren te verkrijgen.
"Zullen we hier even gaan zitten?", vroeg hij.
"Dat lijkt mij een goed plan! Maar wat doen we dan met die broodjes, dat we bij ons hebben?"
"Ach, we bestellen gewoon een biertje en dan eten we bij die biertjes onderwijl onze broodjes op. Daar kraait vast geen haan naar."
"Ik help het je hopen."
"Ga nou maar alvast zitten, dan haal ik het bier wel."
"Ik wil geen halve of hele liter, hoor!"
"Laat dat nou maar aan mij over."
Zij zag hem weer wegslenteren en daarna ging zij op zoek naar een geschikt plekje voor de komende lunch. Zij vond dat plekje aan de rand van het terras. De houten bank was hard en de tafel niet helemaal schoon, maar het uitzicht over Freiburg en de heuvels rondom de oostelijke wijken van de stad was ronduit schitterend. Zij was toch wel onder de indruk van het stedenschoon van Freiburg. Freiburg leek een van de weinige steden in Duitsland te zijn, die redelijk ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog was gekomen. Haar oordeel over de bewoners was wat minder positief. Die kwamen wat chagrijnig op haar over, hetgeen haar door het zuidelijke karakter van de stad nogal bevreemdde.
Dennis had inmiddels twee grote, plastic bekers met bier bemachtigd en liep voorzichtig naar haar toe.
"O, wat een prachtig uitzicht!", riep hij.
"Ja, hè? Wat heb je eigenlijk meegenomen?"
"Bier, natuurlijk!"
"Hm, het is dus toch een halve liter, hè?"
"Drink nou maar op!"
"Maar ik word er echt hartstikke dik door!"
"Nou, en wat dan nog? Je weet best, dat ik dan helemaal niet meer van je af kan blijven, dus ik vraag mij echt af, waarom je daar zo'n probleem van maakt."
"Je hebt gelijk, schatje!", zei zij grijnzend, "Ik zal er niet meer over zeuren."
Hij overhandigde haar een beker, plus twee broodjes met koude, maar zeer smakelijke Wiener Schnitzels en daarna konden ze aan hun lunch beginnen.
"Ga je mij zometeen echt helemaal sufneuken?", vroeg zij, met een volle mond.
"Ja, ik wil mij weer eens helemaal uitleven."
"Heb je nog speciale wensen?"
"Nee, ik wil je helemaal naakt hebben en ik wil even naar je goddelijke heupen en dijen kunnen gluren, maar daarna wil ik meteen aan de gang."
"Hm, dat klinkt goed!"
"Ja, hè?"
"En ik zal mij natuurlijk geheel naar je wensen schikken."
"Mooi zo!"
"Maar dan wel onder één voorwaarde."
"Welke dan?"
"Je moet mij eerst nog even vertellen, waarom je de laatste dagen zo weemoedig bent."
"Wil je dat echt weten?"
"Ja."
"Wel, dat komt door Freiburg, dat komt door pa, dat komt door jou, dat komt door mij en dat komt door onze status van 'echtpaar van middelbare leeftijd'."
"Zou je iets duidelijker kunnen zijn?"
"Ja, hoor! Een maand, voordat ik jou ontmoette en zo hopeloos voor je uitbundige charmes viel, was ik voor de laatste keer met pa op vakantie en een van de steden, waar we toen doorheen zijn gereden, was dus Freiburg."
"Aha, dus dat is het!"
"Ja, dat is het. Nu is het dertig jaar later en ben ik hier met jou. En zijn we voor mijn gevoel al bijna net zo oud als pa toen was."
"En dat geeft dus aanleiding tot enig weemoedig gepeins."
"Ja, precies! Over pa, over je moeder en over mijn broers, die over tien jaar misschien wel dood zijn, over jou, over mij, over de vergankelijkheid des levens...."
"Wanneer waren jullie hier precies?"
"Begin juli 1971. Precies dertig jaar geleden, dus."
"Dat was dus inderdaad een maand voor onze eerste ontmoeting."
"Ja, ik heb die vakantie ook altijd met jou geassocieerd. Een week na mijn terugkeer uit Duitsland zag ik je namelijk voor het eerst op straat voorbijlopen."
"En was je meteen voor de rest van je leven verkocht."
"Ja, precies! En nu zijn we al dertig jaar verder. Tel daar nog eens dertig jaar bij op en we zijn stokoud, of misschien al dood."
"Dat is inderdaad een goede reden om weemoedig te zijn."
"Ja, hè?"
Hij deed weer een greep naar haar dijen en zij kreeg opnieuw het gevoel, dat hij ze als een soort reddingsboei beschouwde.
"Zullen we dan nu maar naar het hotel gaan?", vroeg zij.
"Nee, lieverd! Ik wil eerst nog dineren! En het liefst zo duur mogelijk."
"Dat is goed, liefje!", zei zij, na een korte aarzeling, "Je hebt ook wel gelijk. We moeten maar zo lang en zo uitgebreid mogelijk van het leven blijven genieten."
"Tja, dat is de enige remedie, hè?"
"Ja, precies! En we moeten maar heel vaak van dit soort reisjes gaan maken. Vanaf nu moeten we er gewoon elke maand een paar dagen tussen uit gaan. Dat is net lang genoeg om er van te genieten en net kort genoeg om geen heimwee te krijgen."
"Dat lijkt mij prima! En voor de volgende maand heb ik ook al een leuk, literair getint uitstapje in gedachten."
"Waar wil je dan naartoe?"
"Naar Baden-Baden! Daar ben ik in 1971 ook met pa geweest."
"Is dat niet de stad, waar die slome duikelaar van een Toergenjew een paar jaar heeft gewoond?"
"Hij heeft er inderdaad een paar jaar gewoond", antwoordde hij stijfjes, "Maar hij was dus geen slome duikelaar."
"Een man, die veertig jaar achter een getrouwde vrouw aanloopt, is in mijn ogen dus wel een slome duikelaar."
"O... Vind je dat echt?"
"Ja, dat vind ik echt! Jij niet dan?"
"Nee, want als ik jou pas in 1976 had ontmoet en als jij op dat moment al met een andere man getrouwd was geweest, dan had ik ook veertig jaar achter jou aangelopen."
"Meen je dat?"
"Ja, natuurlijk meen ik dat, dom gansje dat je bent! En ik had mij dan net zo hoffelijk en terughoudend gedragen, zoals Toergenjew dat tegenover Pauline Viardot heeft gedaan. Ook als ik daarmee precies dezelfde resultaten als Toergenjew had geboekt. Ook als ik dus maar een paar keer met je naar bed was gegaan. En dus ook als ik helemaal nooit met je naar bed was gegaan."
Zij keek hem verbijsterd aan. Zij had in de afgelopen dertig jaar vele, uitbundige liefdesverklaringen van hem gehoord, maar deze sloeg echt alles.
"Dat is... Dat is...", begon zij.
"Het liefste, wat je ooit van mij gehoord hebt?", vulde hij grinnikend aan.
"Het is... Het is..."
"Stil maar! Ik begrijp wel, wat je mij wilt zeggen."
Zij boog zich naar hem over en gaf hem een kus. Het was op dit moment het enige, wat zij hem kon geven en voor haar gevoel was het veel te weinig. Toch kon zij aan hem zien, dat hij er genoeg aan had. Dat stelde haar gerust en zij had er meteen alle vertrouwen in, dat zij hem vanavond wel op gepaste wijze voor die bizarre liefdesverklaring zou kunnen bedanken.

BERT HARBERTS


Terug

The WFH Pages


Amsterdam, 12 augustus 2003. © Bert Harberts