STICHTSE LUSTWARANDE

Tijdens de eerste week van mei werd het langzaam warmer en op vrijdag de twaalfde leek het Danny wel aardig om samen met zijn vrouw Carry een fietstochtje door de Stichtse Lustwarande te gaan maken. Carry ging daarmee akkoord, met als voorwaarde, dat ze de middag, avond en nacht in een Houtense hotelkamer zouden gaan doorbrengen, en ze reisden die ochtend al heel vroeg vanuit hun woonplaats Zandvoort naar Houten af.
Ze kwamen daar om vier minuten over negen aan. Ze haalden hun fietsen uit de stalling van 'Anne Arendsen', kochten in de slijterij in het winkelcentrum vier blikjes Cola Light en reden via 't Rond, Onderlangs, De Weerwolf en de Oud Wulfseweg Houten uit. Het was al aardig warm. Er was voor die middag een maximumtemperatuur van zesentwintig graden voorspeld, maar hij hoopte voor die tijd allang met Carry tussen de lakens van hun hotelbed te liggen.
Ondanks dat prettige vooruitzicht verkeerde hij in een wat weemoedige stemming. Die weemoed betrof zijn werk. Over een paar maanden zou Media Resultant, het Houtense multimediabedrijfje, waarvoor hij werkte, in een nieuw, in Amsterdam gevestigd bedrijf opgaan. Hij had daar gemengde gevoelens over. Aan de ene kant was hij wel blij om weer wat dichter bij zijn huis te gaan werken, aan de andere kant had hij het in Houten bijzonder naar zijn zin gehad. Het werk was leuk, zijn collega's waren heel aardig, hij vond de dagelijkse treinreisjes van Zandvoort naar Houten en vice versa heel plezierig en hij was daardoor zeer aan Houten verknocht geraakt.
Ze staken de spoorbaan over, volgden die even en reden toen over de Marsdijk, een smal weggetje, in de richting van Bunnik. Links van hen lag Fort Vechten, daarachter liep, voor een groot deel verborgen achter bosschages, de A12 en rechts van hen lag een aantrekkelijk ogend weideland, waar de zon nu fel overheen scheen.
"Kijk-es!", riep zij opeens, wijzend op een steen met inscriptie, "Wat zou dat zijn?"
Ze stopten bij de steen en lazen de inscriptie, die een verrassende boodschap voor hen had: de steen gaf de grens van het voormalige Romeinse rijk aan.
"Jemig!", murmelde hij, "Wat gaaf! Ik blijk al twee jaar op Romeins grondgebied te werken."
"Geen wonder, dat die Amsterdamse collega's van jou zo de pest aan Media Resultant hebben", was de gevatte repliek.
"Zou dat het echt zijn?", vroeg hij grijnzend.
"Tuurlijk, jochie! Het kan toch eigenlijk niet anders. 'What have those fuckin' Romans ever done for us!', denken die barbaren daar in Amsterdam. En daar hebben ze natuurlijk groot gelijk in!"
"Eigenlijk is het natuurlijk bullshit, wat je nu zegt, want die barbaren in Rotterdam hebben nog veel meer de pest aan ons. En dat ligt dus ook in het voormalige Romeinse keizerrijk."
"Ja, Jezus! Nou... dan weet ik het niet meer, hoor!"
"Zou je voor de verandering nou niet een keer willen toegeven, dat ik je weer eens helemaal heb platgeluld?"
"Nee, dat is helemaal niet goed voor je. Daar ga je maar van naast je schoenen lopen."
"En als ik dat nou graag wil."
"Je hebt niks te willen!"
"Ah, toe! Laat mij nou eens voor een poosje naast mijn schoenen lopen!"
"Nee, ik wil het niet hebben. Ik wil een vent, die met zijn beide poten op de grond staat en..."
"Benen!", verbeterde hij pesterig.
"Nou, zeg! Hebben we hier over een vent van bijna vijfenveertig of over een mooi, rank en aanhankelijk raspaardje?"
"Beide!"
"Zie je wel, daar begint het gedonder al!"
"Ach, mens, stel je niet zo aan!"
"Dat maak ik zelf wel uit."
Hun gekibbel werd wreed onderbroken: door het getoeter van een hen tegemoetkomende en met bouwvakkers volgestouwde bestelauto. Carry trok haar fiets snel de berm in en kreeg vervolgens van de bestuurder een vleiende opmerking over haar korte, witte jurkje te horen.
"Ga je mond spoelen!", riep zij quasi-verontwaardigd terug.
"Ah, jôh, wat maakt dat nou uit", riep Danny lachend, "Hij zegt alleen maar, dat je een mooi jurkje aan hebt!"
"Daar heeft dat ongewassen stuk schorem anders niks mee te maken."
Hij schoot in de lach, wilde haar nog een pesterige opmerking toevoegen, maar besloot om verder maar zijn mond te houden. Ze vervolgden hun weg en genoten daarbij van het aangename landschap.
"Hoe wist je eigenlijk, dat dit weggetje zo mooi is?", vroeg zij, bij het naderen van de weg naar Odijk.
"Dat heeft Astrid, die ex-collega, mij verteld. Zij fietste altijd via dit weggetje als zij uit Houten kwam en naar haar huis fietste. En 's morgens deed zij dat vanzelfsprekend in tegengestelde richting."
"Waar woonde zij dan?"
"In Zeist."
"Gaan we daar straks ook nog heen?"
"Ja, dat lijkt mij wel leuk, ja!"
"Wat is daar leuk aan? Zij woont er toch niet meer?"
"Ja, maar dan kan Zeist toch nog wel leuk zijn?"
"Heeft het dan een beschermd dorpsgezicht?"
"Loop heen met je beschermde dorpsgezicht!", riep hij grinnikend.
"Nou, zeg!", zei zij, met een pruilmondje, "Dat is toch een hele normale vraag?"
"Het is een hele domme vraag! Zeist is een stad van circa zestigduizend inwoners, dat kan dus helemaal geen beschermd dorpsgezicht hebben. Hoogstens een beschermd stadsgezicht."
"Je lult! Houten is minstens zo groot als Zeist en dat heeft dus wel een beschermd dorpsgezicht. En wel omdat het vroeger een lief, schattig dorpje was, dat tot op de dag van vandaag in tact is gebleven. Enne... wie zegt mij, dat zoiets ook niet met Zeist is gebeurd?"
"Shit, je hebt gelijk!"
"Ha! Nou heb ik jou helemaal platgeluld!"
"Dat is waar, lieverd. Daar kan ik echt niets tegen in brengen. Je hebt mij volkomen, compleet, totaal en onvoorwaardelijk platgeluld. Daar is echt absoluut geen speld tussen te krijgen."
"Ja, nou weet ik het wel."
Ze sloegen rechtsaf en reden via een provinciale weg naar Odijk. Omdat de weg geen fietspad had en de achteropkomende automobilisten zonder uitzondering vreselijke haast leken te hebben, liet hij haar voorop rijden. Na een minuut of tien sloegen ze linksaf en reden ze verder over een fietspad. Hij bleef nog even achter haar rijden, maar werd daarover al snel op zijn vingers getikt.
"Zou je niet eens naast mij komen fietsen?", vroeg zij.
"Waarom zou ik? Een beter uitzicht op dat verrukkelijke kontje van jou zal ik nooit meer krijgen."
"Ha! Ik dacht al, dat je naar mijn achterste aan het gluren was."
"Nou, zeg! Kan ik er wat aan doen, dat die Houtense hufters hier zo hard rijden? En bovendien is jouw achterste het meer dan waard om begluurd te worden."
"Ah, dank je wel! Maar ik vind het toch gezelliger als je naast mij komt rijden."
"Goed, lieverd."
Na een kwartier reden ze Odijk binnen. Ze staken de provinciale weg naar Werkhoven over, sloegen bij de eerste zijstraat rechtsaf en reden verder door een villawijk in de richting van Driebergen. Aanvankelijk deden ze dat in een gemoedelijk stilzwijgen, maar toen ze Driebergen begonnen te naderen, stelde zij hem een heuse en enigszins pikante gewetensvraag:
"Wat vind jij nou eigenlijk zo mooi aan die domme Britney Spears?"
"Ik vind haar helemaal niet mooi!"
"Waarom heb je tijdens je jubileumetentje dan een Britney Spears-poster van je collega's gekregen?"
"Ach, ik heb mij tegenover de collega's een paar keer laten ontvallen, dat ik haar wel een lekker mokkeltje vind. En zelfs dat is niet helemaal waar, want ik vind haar eigenlijk alleen maar in één videoclip mooi."
"Welke videoclip is dat?"
"Eh, die clip van die tweede hit van haar: 'Sometimes'."
"Waarom is zij daar zo mooi in?"
"Omdat zij daar in een paar scènes 'de volmaakte onschuld' personificeert. Niet in die stompzinnige dansscènes, maar wel in die scènes, waarin zij alleen maar zingt. Die scènes, waarin zij in een groen, op het paradijs lijkend weiland zit, of met een roze bal in haar handen op een oude strandpier rondloopt. In die scènes heeft zij iets, waarop ik - als ik twintig jaar jonger en alleen was geweest - verliefd had kunnen worden. In die scènes lijkt zij ook het meest op Kirsten, die bloedmooie receptioniste bij ons op de zaak."
"O, dus dat is het! Je vindt haar zo leuk omdat zij zo op Kirsten lijkt!"
"Misschien wel!", zei hij grinnikend.
"Zou je, als je mij niet gehad, verliefd op Kirsten zijn geworden?"
"Neuh."
"Waarom niet?"
"Omdat ik veel te oud voor haar ben en omdat zij een hele knappe en breedgeschouderde vriend heeft."
"Dat eerste hoeft toch geen beletsel te zijn om verliefd op haar te worden?"
"O, jawel! Er is niets zo pathetisch als een vent van middelbare leeftijd, die voor een meid van in de twintig valt. Zo diep had zelfs ik niet willen zakken als ik jou niet had gehad."
"Dat gebeurt anders regelmatig met andere mannen."
"Ha, maar dat zal mij dus niet gebeuren."
"Dat klinkt mij als muziek in de oren."
Ze reden Driebergen binnen, passeerden het station Driebergen-Zeist en fietsten verder naar het centrum van Driebergen. Dat plaatsje bleek een aangename verrassing te zijn. Veel kapitale villa's, veel groen en een leuk centrum met vele gezellige terrasjes. Ze namen het een en ander zwijgend in zich op. Pas toen ze Driebergen verlieten en over de weg naar Doorn reden, hervatte Carry de conversatie:
"Dit is een mooie streek om je levensavond door te brengen!"
"Nee, hoor! Dan kun je volgens mij toch beter in Zandvoort wonen."
"Wat heb jij toch met Zandvoort?", mopperde zij voor zich heen.
"Alles! Ik ben er eindelijk definitief gelukkig geworden! Ik associeer Zandvoort met jou, met ons leuke huis en met een overvloed aan fantastische herinneringen. Daar kan geen Stichtse Lustveranda tegen op, hoor."
"Het is lief van je om dat te zeggen, maar ik was desondanks toch wel graag naar deze streek verhuisd."
"Tja, maar gezien de laatste ontwikkelingen op het werk zit dat er dus echt niet meer in."
"En dat blijf ik toch echt jammer vinden."
"Ik eigenlijk ook wel. Het is inderdaad een hele mooie streek. Ik heb hier heel lang geleden trouwens een weekje gelogeerd."
"Wanneer was dat?"
"In eh... juli 1964!"
"Jeetje! Toen was ik nog niet eens geboren."
"Je was vermoedelijk net verwekt!", zei hij lachend.
"Ja, precies! Waar heb je toen gelogeerd?"
"In Leersum, een kilometer of tien verderop, in een hele oude schuur, die door een slimme boer tot een soort van vakantiehuis was omgebouwd."
"Heb je daar met je ouders gezeten?"
"Nee, met Dennis", antwoordde hij, doelend op een van zijn neven, "En met zijn vader, zijn broers, de vriendin van zijn vader en de zoons van die vriendin."
"Jezus! Dat was een volle bak!"
"Ja, nou!"
"Waarom ben je toen met die hele santenkraam meegegaan?"
"Omdat mijn vader in die tijd een leverontsteking had en dus niet op vakantie kon gaan. En omdat mijn moeder dat zo sneu voor mij vond, heeft zij aan Dennis' vader gevraagd, of ik mee naar Leersum mocht."
"En dat mocht dus."
"Dat mocht. En het was een heel gezellig weekje! We sliepen met zijn allen in een omgebouwde schuur en Dennis en ik konden de hele dag ravotten en door de bossen banjeren en 's avonds lekker lang opblijven."
"Leuk!"
"Er staan mij trouwens nog twee rare dingen van die week bij."
"Welke dan?"
"De eerste was een bezoek aan een bioscoop in Amerongen, waarbij Dennis en ik heel erg de aandacht trokken, omdat we allebei vreselijk om de film moesten lachen."
"Welke film was dat dan?"
"Ik weet het niet meer zeker, maar ik geloof, dat het 'It's a mad, mad, mad, mad world' was."
"O, dat was inderdaad een hele leuke lachfilm!"
"Ja, hè? En het andere ding, dat ik mij nog herinner, was iets gênants."
"Wat was dat dan?"
"Dennis en ik hebben op een van die dagen een hele poos staan toekijken, toen de boer een aantal van zijn kippen aan het slachten was."
"Oh, meen je dat?", vroeg zij, met een van afschuw overslaande stem.
"Ja, ik kan mij nog heel goed herinneren, hoe we in de deuropening van de schuur stonden en toekeken, hoe de boer één voor één de kippen op het hakblok zette en één voor één hun halsslagader doorsneed."
"O, wat in- en ingemeen van jullie!", riep zij verontwaardigd, "O, ik zie jullie echt zo in die deuropening staan. Twee van die bleke, eigenwijze stadsjochies van een jaar of acht, die heel parmantig en heel nieuwsgierig toekijken, hoe die beul van een boer zijn kippen naar de andere wereld helpt."
"Nou, zeg!", zei hij, met een wat gemene grijns, "We hebben die beesten toch niet zelf geslacht?"
"Volgens mij hadden jullie dat best wel gewild."
"Ach, welnee, malle meid! We hebben er later wel eens over gesproken en daaruit bleek, dat we toen allebei bijna over onze nek zijn gegaan, maar dat we dat toen voor elkaar niet hebben willen toegeven."
"Hm, ik geloof het eigenlijk maar half."
"Ah, jôh, je kent mij nou toch nog wel een beetje? Als ik op de televisie bloed zie, dan begin ik van de weeromstuit meteen te zappen. En of het nou beelden uit een abattoir, een operatiekamer of een kraamkamer zijn, doet daarbij echt niet ter zake."
"Dat is waar."
Na een kwartier stevig doortrappen reden ze door de bossen rondom Doorn. Ze passeerden een groot schoolgebouw en kwamen uiteindelijk in het centrum van Doorn aan. Dat centrum viel hen een beetje tegen; het had niet veel mooie huizen, maar wel tamelijk veel nieuwbouw. Ze keken op de richtingaanwijzer bij het kruispunt van de wegen naar Maarn, Werkhoven en Amerongen en zagen, dat ze voor Maarn linksaf moesten slaan.
Die weg naar Maarn, die door een dicht bos leidde, bleek nogal steil te zijn. Danny had er weinig last van en ging redelijk soepel omhoog, maar Carry kwam nauwelijks vooruit. Hij was zo aardig om er niets van te zeggen. Het was een prachtige weg en hij had ook geen enkele haast
"Dit is een plek, waar 'The Mask' een keer zou moeten optreden", zei zij, doelend op een seksspelletje, dat ze regelmatig speelden.
"Vind je?"
"Ja, op een warme dag als deze zouden we het spelletje best een keer in de buitenlucht kunnen spelen. En zeker in zo'n mooi, luguber bos als dit."
"Ach, wat ben je toch een ondeugend meisje!"
"Zeg jij nou maar niks! Als je mij in dit enge oerwoud geblinddoekt - en slechts gekleed in mijn zwarte jarretelles en mijn zwarte nylonkousen - op zo'n oude boomstronk ziet zitten, zul je echt wel anders piepen. Aan zo'n toonbeeld van overgave zul je heus geen weerstand kunnen bieden. En 'The Mask' dus ook niet."
"Fiets nou maar door! We zijn nu bijna op de top."
"Ja, praat er maar weer overheen."
Een halve minuut later bereikten ze inderdaad de top van de heuvel en ging de weg ineens steil naar beneden. Dat was niet zonder risico voor Danny. De handremmen van zijn fiets functioneerden niet helemaal naar behoren en hij had bij het naderen van Maarn de sterke aanvechting om met zijn schoenen een beetje bij te remmen. Uiteindelijk reden ze echter zonder kleerscheuren Maarn-Zuid binnen.
Ze maakten een ommetje door dat nogal voorname Maarn-Zuid, kruisten de spoorlijn en de A2 en reden via Maarn-Noord de bossen rondom Austerlitz binnen. Ze deden dat via een smal, bochtig fietspad. Hij liet haar opnieuw voorop rijden en bewonderde haar heen en weer deinende figuurtje met een monter gemoed. Het was leuk om met haar door een zonovergoten, verlaten bos te rijden en het zou bij nader inzien toch wel leuk zijn om in dit bos met haar te kunnen vrijen.
"Ik ben moe!", riep zij, terwijl zij even achterom keek, "Ik wil even rusten!"
"Laten we nog maar even doorrijden."
"Waarom?"
"Omdat ik, als we hier stoppen, niet voor mijzelf kan instaan."
"Seksmaniak!", riep zij schaterend.
"Sorry!"
"En ik heb verdorie mijn nylons nog niet eens aan!"
"Tja, er zijn van die dagen..."
"Wil je echt niet, dat ik stop?"
"Nee, ik wil, dat je doorrijdt, tot we de bewoonde wereld bereiken."
"Waarom?"
"Omdat het goed is voor een man als hij zich af en toe een beetje beheerst."
"Hè, wat flauw van je!"
"Ik ben helemaal niet flauw! Ik ben alleen maar lief voor je! Het lijkt mij namelijk helemaal geen pretje om met je rug op die harde, met twijgjes bezaaide bosgrond te moeten liggen."
"Wie zegt, dat ik zometeen op mijn rug moet liggen?"
"Ga je mond spoelen!"
"Shit, dat had ik dus niet moeten zeggen!", zei zij, met een diepe zucht.
"Nee, want nou stap ik helemaal niet meer af!", zei hij grinnikend.
Een paar minuten later kwamen ze op een smalle asfaltweg uit, waarlangs een fietspad lag. Hij stapte af en liep naar de ANWB-paddenstoel naast het fietspad.
"Als we die kant opgaan, gaan we naar de piramide van Austerlitz", zei hij, in noordelijke richting wijzend.
"En de andere kant?"
"Dan gaan we weer terug naar Driebergen."
"Laten we dat dan maar doen."
"Waarom?"
"Omdat ik zo snel mogelijk naar Houten wil."
"Waarom?"
"Omdat die geile praatjes van ons hun uitwerking niet hebben gemist op mij."
"Goed, maar dan wil ik eerst even wat drinken."
"Hm... Nou, vooruit dan maar."
Zij stapte af, zette haar fiets op de standaard en haalde twee blikjes Cola Light uit haar fietstas, waarvan zij er een aan hem gaf.
"Dank je wel, lieve Carry!", zei hij lachend.
Zij zei niets, maar kroop, toen hij op de ANWB-paddenstoel was gaan zitten, zonder omhaal bij hem op schoot. Hij kreeg het er niet echt makkelijker door, maar hij wist zich met veel moeite te beheersen.
"Ik heb zo'n idee, dat het beeld van dit weggetje een typisch 2000-beeld zal gaan worden", zei hij, bij wijze van afleiding.
"Je bedoelt, dat je, als je later aan het jaar 2000 terugdenkt, het beeld van deze fraaie bosweg voor ogen zult hebben?"
"Precies!"
"Hoe komt het toch, dat jij zo'n kalenderfreak bent?"
"Nou, zeg! Dit is toch een heel speciaal jaar?"
"Tja, daar heb je wel gelijk in! Dit jaar is inderdaad het eerste jaar van de nieuwe eeuw en het nieuwe millennium."
"Nee, hoor! Dit jaar is het laatste jaar van de oude eeuw en het oude millennium."
"O, jee! Ben je er zo een geworden?"
"Ja, ik ben helemaal omgeturnd! Voor mij is de twintigste eeuw en het tweede millennium nog steeds niet afgelopen."
"En waar baseer je die wijsheid op?"
"Op een hele simpele redenering."
"Welke dan?"
"Een tiental eindigt met een tien, een honderdtal met een honderd en een duizendtal met een duizend."
"Tja, daar kan ik eigenlijk geen speld tussen krijgen."
"Ik ben blij, dat je dat voor de verandering zo ruiterlijk toegeeft."
"Krijg ik daar dan een beloning voor?"
"Niet hier", antwoordde hij koeltjes.
"Waarom niet? Als je mij hier, in je hoedanigheid van 'The Mask', een geweldige beurt geeft, heb je dat fraaie 2000-beeld nog wat mooier ingekleurd."
"Dit beeld is toch veel poëtischer?"
"Ach, vent!", riep zij lachend, "Loop heen met je poëzie! Passie wil ik zien."
Hij ging daar niet op in en in de minuten daarna begon haar gezicht een wat peinzende uitdrukking te krijgen.
"Waar denk je aan?", vroeg hij.
"Aan de keuze, die we vorig jaar hebben gemaakt."
"Welke keuze?"
"De keuze om geen kinderen te nemen."
"Twijfel je aan de juistheid van die keuze?"
"Een beetje."
"O, wat ben je toch een rare, domme doos! Als er nou iets is, waaraan je niet hoeft te twijfelen, is het dat wel."
"Ben je daar echt helemaal zeker van?"
"Ja, jôh! We zijn er gewoon te laat mee. En daar hebben we ons maar bij neer te leggen. Een mens moet niet, koste wat het kost, alles willen hebben, wat er op deze wereld te krijgen is. We zijn gezond, we hebben elkaar, we hebben een mooi huis, we hebben leuk werk en we hebben tezamen een vorstelijk inkomen. Dat is meer dan genoeg voor mij. Als we meer willen hebben dan dat, zullen we misschien wel het noodlot over ons afroepen."
"Denk je dat echt?"
"Ja, ik ben daar echt wel een beetje bang voor."
"Hm, misschien heb je wel gelijk. Maar ik zou je toch één ding willen vragen."
"Wat dan?"
"Zou je toch eens over de mogelijkheid van een adoptiekind willen gaan nadenken?"
"Wil je dat echt?", vroeg hij, na een korte aarzeling.
"Ja."
"Is dat iets, waar je al langer over denkt?"
"Nee, het idee is vanmorgen in de trein bij mij opgekomen."
"Ach, nadenken kan altijd, natuurlijk."
"Ah, dat is lief van je."
Hij trok haar wat dichter tegen zich aan en gaf haar een kus op de wang.
"Het idee op zich staat mij zeker niet tegen", zei hij.
"Meen je dat?"
"Ja, maar ik zal de beslissing over het een en ander natuurlijk wel geheel aan jou gaan overlaten."
"Maar ik weet ook nog niet zeker, of ik het zelf wel wil."
"Dat geeft niet, liefje. Je hoeft nu nog niet te beslissen. Denk er maar lang en goed over na en hak dan de knoop door. En als je je beslissing eenmaal hebt genomen, zal ik die beslissing met hart en ziel steunen."
"Wat die beslissing ook moge zijn?"
"Ja, als je het een en ander in gang wilt gaan zetten, gaan we er dus helemaal voor, maar als je alles bij het oude wilt laten, is het ook goed."
"Dat klinkt mij allemaal als muziek in de oren."
"Maar als we echt zo'n wurm gaan adopteren, wil ik wel een dochter, hoor!"
"Goed, liefje!", zei zij, met een raadselachtig glimlachje, "Maar laten we nu maar gauw naar Houten gaan."
"Waarom?"
"Omdat je volgens mij nog steeds vreselijk veel zin in mij hebt."
"Dat is zeker waar."
"Weet je echt zeker, dat je het niet hier wilt doen?"
"Nee, dat zou toch echt een beetje te gek worden."
"Goed, liefje!", zei zij lachend, "Laten we dan maar gauw gaan."
Ze stonden op, liepen naar hun fietsen en daalden even later via een zacht glooiende weg naar Driebergen af.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 1 mei 2002. © Bert Harberts