KERSTAVOND

De trein reed door het stikdonkere landschap van de duinen bij Overveen. Danny, een knappe, blonde man van veertig, had een eerste-klassecoupé voor zich alleen en keek gedachtenloos uit het raam. Hij was in een vredige stemming. Het was kerstavond en in Zandvoort wachtte zijn vrouw Carry op hem. Ze waren sinds tweeënhalf jaar getrouwd. Het was een keurig, monogaam huwelijk. Tot voor drie jaar geleden had hij er nog een andere vriendin op na gehouden, bij wie hij doorgaans de weekdagen had doorgebracht, maar die tijd lag voor zijn gevoel al eeuwen achter hem.
Aan de horizon werden de lichtjes van de eerste flats van Zandvoort al zichtbaar. Hij was daar heel blij mee. Zandvoort was op dit moment de enige plek, waar hij zich helemaal thuisvoelde. Hij keek ook reikhalzend naar de komende kerstdagen en het daaropvolgende vakantieweekje uit. Zijn vermoeidheid was een tweede reden om naar de kerstdagen en zijn vakantie uit te kijken. Die vermoeidheid dateerde overigens niet van de laatste weken en er waren ook meerdere redenen voor aan te wijzen. Hij stond al heel lang aan een veel te sterke werkstress bloot, zijn moeder was sinds twee jaar ernstig ziek en de sensatie van het gelukkig getrouwd zijn had door de jaren heen ook wel een stevige wissel op zijn gemoedsrust getrokken.
Na de aankomst van de trein liep hij gehaast het station uit. Het was nogal koud en bij het oversteken van het Stationsplein hield hij de kraag van zijn jack stevig tegen zijn hals gedrukt. Hij woonde op driehonderd meter van het station, in een flat aan de Jacob van Heemskercklaan. Het duurde dus niet lang, voordat hij thuis was.
Carry was in de keuken koffie aan het zetten en leunde in gedachten verzonken op de gootsteen. Zij vormde een bijzonder aantrekkelijke verschijning. Zij was een knappe, mollige blondine van dertig en zij droeg een zwart truitje, een eenvoudig, wit rokje en donkerbruine nylonkousen. Hij liep naar haar toe, legde zijn armen rond haar middel en kuste haar vol overgave in haar mooie, donzige hals. Dat deed haar zichtbaar goed.
"Alles goed met je?", vroeg zij.
"Ja, hoor!"
"Wil je een 'Duveltje'?"
"Jaaah!"
"Het komt er onmiddellijk aan! Ga maar vast in de huiskamer zitten."
Ze lieten elkaar los en Danny liep naar de huiskamer, waar de kerstsfeer hem van alle kanten tegemoet kwam. Ze lieten elkaar los en Danny liep naar de huiskamer, waar de kerstsfeer hem van alle kanten tegemoet kwam.
Een minuutje later zaten ze samen in de huiskamer naar hun immense kerstboom te staren. Carry zat op de bank, met een mok koffie in de hand; Danny zat aan haar voeten op de vloer en nipte grijnzend aan zijn bier. Deze momenten met Carry en zijn 'Duveltje' onder handbereik behoorden tot de gelukkigste in zijn leven. Ditmaal kwam daar dus ook nog een vakantiegevoel bij. Ze hadden nog geen concrete plannen om in de komende week weg te gaan. Morgen zouden hun ouders komen eten; de dagen erna zouden vermoedelijk in het teken van uitrusten, uitslapen, en vrijen staan. De aanblik van Carry in dat korte rokje en die mooie kousen had dan ook iets feestelijks. Het verlangen naar de komende, luie dagen bleek wederzijds te zijn; haar kleine voeten wreven voortdurend over de vloerbedekking heen en hij wist maar al te goed, wat dat betekende.
"Wat eten we vanavond?", vroeg hij.
"Ik heb daarnet twee pizza's Tropicana besteld. Ze kunnen elk moment komen."
"En wat gaan we na het eten doen?"
"Daarna doen we, wat we altijd na het eten doen: dan gaan we lekker naar bed en lekker heel lang vrijen."
Dat voorstel viel niet echt in slechte aarde bij hem, al deed hij tot zijn eigen verbazing nog wel een tegenvoorstel:
"Zou je het heel erg vervelend vinden als ik na het eten eerst even naar de kerk ga?"
"Hè?"
"Nou, zeg! Daar hoef je toch niet zo verbaasd over te zijn?"
"O, nee?"
"Nee, want ik heb er echt weer een beetje behoefte aan."
"Waarom dan?", vroeg zij zacht.
"Om jou natuurlijk."
"Om mij?"
"Ja."
"Waarom om mij?"
"Omdat we vandaag precies drie jaar bij elkaar zijn en jij voor hetzelfde geld precies drie jaar dood had kunnen zijn."
Hij doelde op de kerstavond van 1992, de dag, waarop ze waren gaan samenwonen, en waarop zij inderdaad bijna was verongelukt. Hij doelde op de kerstavond van '92, de dag, waarop ze waren gaan samenwonen, en waarop zij inderdaad inderdaad bijna verongelukt. Zij wilde daarop reageren, maar de bel kondigde de komst van de pizzakoerier aan. Zij liep naar het portaal en rende, na haar jackje en haar schoenen te hebben aangetrokken, de deur uit. Danny keek haar lachend na; het was hem niet ontgaan, dat zijn laatste opmerkingen haar zeer hadden geraakt.
Hij liep naar de keuken, nam twee borden, twee messen, twee vorken en twee wijnglazen uit de kast en een al aangebroken fles van die mierzoete, rode 'Lambruscro' uit de koelkast en liep daarmee terug naar de woonkamer. Gedachtenloos dekte hij daarna de tafel. Tijdens het vullen van de wijnglazen zag hij, hoe zij met twee pizzadozen de kamer kwam binnenlopen. Zij zette de pizzadozen op de tafel, ging tegenover hem zitten en keek met een blozend gezicht toe, hoe hij de pizza's uit de dozen haalde en op de borden legde.
"Ben je nog steeds met mijn bijna-ongeluk bezig?", vroeg zij.
"Ja, ik kom er niet echt los van."
"Waarom dan?"
"Omdat ik maar al te goed besef, dat degene die daarboven aan de touwtjes trekt, mij die avond heel erg goed gezind is geweest."
Haar reactie daarop bleef even achterwege. Zij keek hem peinzend aan en liet haar vork doelloos door de garnering van haar pizza glijden.
"Je hebt het geloof niet van huis meegekregen, hè?", vroeg zij uiteindelijk.
"Eigenlijk wel! Mijn ouders zijn namelijk precies zoals ik: wel gelovig, maar niet kerkelijk. Het geloof is mij door de jaren heen met een theelepeltje toegediend, maar het is toch wel zo sterk, dat ik het humanisme als een zeer verfoeilijk verschijnsel beschouw."
"Waarom?"
"Omdat het een domme, door infantiele romantici bedachte fopspeen is!", hoonde hij, "Het humanisme gaat uit van het goede in de mens en daar geloof ik dus helemaal niet in. Een mens zonder God kan tot een eng, allesverwoestend roofdier uitgroeien en de geschiedenis leert ons, dat iets dergelijks al ontelbare keren is gebeurd."
"Zijn in de naam van God ook niet vele misdrijven bedreven?", opperde zij voorzichtig.
"Je hebt volkomen gelijk! Maar als je naar de geschiedenis van nazi-Duitsland, de Sovjet-Unie onder Stalin en China onder Mao kijkt, kun je niet anders dan tot de conclusie komen, dat de grootste misdaden tegen de mensheid telkens uit naam van een atheïstische ideologie zijn begaan."
"Daar heb je wel gelijk in, natuurlijk!"
"Aan de andere kant wil ik niemand mijn geloof en mijn normen en waarden opdringen en ik misgun ook niemand zijn eigen en andere mening over God, maar dat neemt niet weg, dat mijn geloof een grote steun voor mij is en dat ik een ieder, die daar op een ongenuanceerde manier tegen aan schopt, als een regelrechte bedreiging ervaar."
"Is het geloof echt zo'n steun voor je?"
"Ja, het houdt mij op de been en op het rechte pad. Het is de voedingsbron voor mijn geweten en het is een leidraad voor mijn denken en daden. Ik heb over weinig dingen een duidelijke mening, maar mijn enige mening, die er mijns inziens echt toe doet - een mens behoort altijd het goede na te streven - vloeit uit mijn geloof voort."
"Bid je eigenlijk wel eens?"
"Weinig. Maar die paar keren, dat ik dusdanig in de put zat, dat ik dacht, dat ik gek werd en zelfmoord begon te overwegen, heeft dat gebed dus echt wel geholpen."
"Wanneer heb je voor het laatst om die reden gebeden?"
"Dat gebeurde op de dag, dat ik jou ontmoette."
"Echt?"
"Ja, echt! Ik beschouw die ontmoeting met jou ook als mijn eerste Godsbewijs."
"En mijn ontsnapping aan dat ongeluk..."
"Als mijn tweede."
Zij toonde zich zichtbaar geroerd en bleef een poosje in gedachten verzonken naar haar pizza kijken.
"Mag ik zometeen met je mee naar de kerk?", vroeg zij uiteindelijk.
"Ja, hoor! Maar alleen als je het echt graag wilt."
"Ik wil het echt heel graag! Ik heb er zelf nou ook wel een beetje behoefte aan."
"Okay, dan gaan we samen!"
"En daarna meteen naar bed om nog een paar uurtjes te vrijen?"
"Dat spreekt toch van zelf!", antwoordde hij grinnikend.
"Dus het een sluit het ander niet uit?"
"Nee, natuurlijk niet! Telkens als we naar bed gaan en ik jou in een vrolijk niemendalletje en in je mooie nylons in de slaapkamer zie rondscharrelen, dan brengt dat een gevoel in mij teweeg, dat heel dicht in de buurt van een mystieke ervaring komt. En ik ben niet de enige, die daar zo over denkt. Volgens Fons Jansen zijn seks en erotiek de mooiste uitvindingen van God. Hij heeft eens een gedicht over seks geschreven, dat 'Godsbewijs' heette en ik heb echt nog nooit een gedicht met een passender titel gelezen."
Zij knikte, stond van haar stoel op en nam met een wat verstrooide gelaatsuitdrukking op zijn schoot plaats. Zij bleek daarbij niets ondeugends in de zin te hebben; zij bleef heel lief en heel rustig op zijn schoot zitten, tot het tijd was om naar de kerk te gaan. Hij liet het glimlachend toe. Hun pizza's zouden verder onaangeroerd blijven.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 27 mei 1999. © Bert Harberts