DEJA VU

Vlak na het vertrek uit station Haarlem boog de trein naar Uitgeest met een sierlijk boogje naar rechts af. Trudy, een knappe en geheel in het zwart geklede blondine, keek een beetje dromerig uit het raam en zag de eerste straten van Bloemendaal al voor zich opdoemen. Zij en haar man Dennis waren op weg naar Heemskerk voor een bezoek aan haar vaders graf. Het was vandaag zijn dertigste sterfdag en ze hadden dus een bijzonder goede reden om weer eens naar Heemskerk af te reizen. Ze zouden daar in hotel 'Brinkhorst', een aan het Burgemeester Nielenplein gelegen hotel, gaan overnachten. Het hotel keek uit op het kerkhof, waar haar vader lag begraven. Dat was een wat lugubere bijkomstigheid van dit bezoek, waaraan zij zich overigens niets gelegen zou laten liggen. Ze hadden al vaak in het hotel geslapen en zij had zich daar altijd heel plezierig gevoeld.
Na de korte stop in station Bloemendaal liet zij het aantrekkelijke landschap van het Kennemerland aan zich voorbijtrekken. Het was bijna drie uur in de middag en de zon scheen nog steeds uitbundig. Eigenlijk hadden ze wat eerder weg moeten gaan, want dan hadden ze nog een poosje door het Noordhollands Duinreservaat kunnen fietsen. Het was er echter niet van gekomen. Dennis had zich die morgen van zijn aanhalige kant getoond en had haar, na hun dagelijkse joggingstochtje, wat langer in bed gehouden dan zij had verwacht. Zij was er verre van boos om. Het was een plezierige ochtend geweest, waarvan zij op gepaste wijze had genoten.
Tijdens de reis had Dennis een column op zijn laptop geschreven en hij leek nu in de redigeerfase te zijn aanbeland. Zij bewonderde hem om de vasthoudendheid, waarmee hij die column bleef schrijven. Gelet op hun rijkdom hadden ze de inkomsten van die wekelijkse column in geen enkel opzicht nodig. Toch bleef hij trouw elke maandag zijn column bij zijn voormalige werkgever inleveren en de column was ook bepaald niet aan kwaliteitsverlies onderhevig.
Zij kwam regelmatig in die columns voor en hij nam daarbij bepaald geen blad voor de mond. Zij figureerde in die columns regelmatig als de sexy en aanhalige stoeipoes, die zij ook in werkelijkheid was, en de losse, ongedwongen en vanzelfsprekende manier, waarmee hij hun bloeiende seksleven in die columns wist te verwerken, had zonder meer iets geniaals. Het lezen van die columns had ook altijd een wat ontregelende invloed op haar en het resultaat daarvan leverde hem ook altijd weer genoeg stof voor een volgende column op.
Ook nu keek zij met een wat begerige blik naar de achterzijde van het kleine beeldscherm. Hij merkte het onmiddellijk en wierp haar een wat spottende blik toe.
"Is er iets?", vroeg hij.
"Ik wil graag weten, wat je geschreven hebt."
"Waarom?"
"Omdat ik heel erg benieuwd ben, of ik er weer in voorkom."
"Natuurlijk kom je er weer in voor!"
"Mag ik het al lezen?"
"Ik peins er niet over."
"Waarom niet?"
"Omdat het nog een finishing touch nodig heeft. Je mag het pas lezen als het helemaal goed is."
"H, wat flauw van je!"
"Ja, h?", zei hij gniffelend.
"Kom ik er naakt of gekleed in voor?"
"Beide."
"Ha!", riep zij uitgelaten, "Het is dus weer zo'n onvervalste sekscolumn!"
"Nee, het is weer zo'n omfloerste sekscolumn."
"Iets wat omfloerst is, kan ook wel onvervalst zijn. En zeker als jij daar de hand in hebt."
"Omdat ik veel weglaat en daardoor des te meer zeg?"
"Precies!"
"Hm, uit jouw mond klinkt dat best wel intelligent."
"Dat neem je terug, mispunt!"
"Goed, hoor! Uit jouw mond klinkt dat verre van intelligent."
Daar reageerde zij maar niet op. Er waren van die dagen, waarop hij overal een antwoord op had en dit scheen n van die dagen te zijn. Zij overwoog nog wel om hem even flink tegen de schenen te schoppen, maar ook daar zag zij maar van af. De trein stopte onderwijl in station Santpoort-Zuid. Dennis keek even naar de mensen op het perron en Trudy probeerde meteen een blik op het beeldschermpje te werpen.
"Laat dat!", riep hij, terwijl hij haar een speels tikje op haar hoofd gaf.
"Au! Je mag je lieve vrouw niet slaan, gemene bruut die je bent."
"Dat mag ik wel. En zeker als zij zich als een nieuwsgierig loeder gedraagt."
"Ik ben helemaal niet nieuwsgierig."
"Dat ben je wel! En je houdt mij nu al twee minuten van mijn werk af."
"Rijke patsers als jij behoren ook helemaal niet te werken."
"Waarom niet?"
"Omdat het niet ethisch is. Omdat je daarmee een andere columnist het brood uit de mond stoot."
"Ha! Je zou raar opkijken als ik geen column meer over jou zou schrijven!"
"Dat is waar. Dat zou het leven toch een stuk minder leuk en opwindend maken."
"Ach, wat ben je toch een ijdel wichtje!"
"Ik ben helemaal niet ijdel."
"Je bent wel ijdel! Je vindt het maar wat leuk om onze seksbelevenissen in de krant te zien staan en je vindt het nog veel leuker, dat onze website met al die o zo ondeugende naakttekeningen van jou zo goed wordt bekeken."
"Nou, en wat is daar op tegen?"
"Niets! Als je dan maar niet tegenspreekt, dat je ijdel bent."
"Als je zo snugger blijft reageren, moet je vannacht maar weer eens op de divan gaan slapen", zei zij plagend.
"We slapen vannacht in een hotelkamer. Die heeft helemaal geen divan. En bovendien zou ik dat absoluut niet accepteren."
"Echt niet?"
"Nee, dat mooie, goddelijke lichaam van jou is van mij, helemaal van mij, en dat wens ik ten allen tijde onder handbereik te hebben. Ik wens dus alleen maar op de divan te slapen als ik verkouden ben."
"Je meent het ook nog, h?", vroeg zij, nogal gevleid.
"Natuurlijk meen ik dat! Ik bedoel maar..."
De trein verliet station Santpoort-Zuid en Trudy trok de zoom van haar jurk omhoog om haar jarretelles te controleren. Ze zaten alle vier nog stevig aan de brede, gitzwarte kouseboorden vast, maar een dergelijk ritueel voltrok zich altijd als ze zich in de trein bevonden en een vrolijk verblijf in een hotel in het vooruitzicht hadden. Ook nu miste het zijn uitwerking niet en leidde het Dennis weer voor even van zijn column af.
"Ga je lekker?", vroeg hij grinnikend.
"Ja, ik vind die ijzeren jarretelles ook zo mooi", antwoordde zij, enigszins betrapt, "En ze zijn ook best wel uniek. Ze zijn echt heel moeilijk te krijgen en eigenlijk heb ik er ook best wel een vermogen voor moeten neertellen."
"Ach, een unieke vrouw behoort nu eenmaal unieke jarretelles te dragen."
"Ah, dat is een heel lief complimentje, lieverd."
"En welgemeend! Ze staan je echt fantastisch!"
"Hm, vind je het eigenlijk niet vervelend, dat mama en Kitty zich straks bij ons zullen voegen?"
"Nee, hoor! Waarom zou ik?"
"Nou, we gaan straks een pizza met ze eten en we gaan, voor ze naar Amsterdam terugkeren, ook nog een uurtje met ze naar de kroeg. Die uurtjes hadden we ook op onze hotelkamer kunnen doorbrengen."
"Ach, dat heb ik best wel voor ze over."
"Ah, dat is lief van je."
"Vind je?"
"Ja, je zult een groot deel van de avond met drie treurende vrouwen moeten doorbrengen, die alle drie hun herinneringen aan een man gaan ophalen, die al dertig jaar dood is.
"Ach, het is een mooie mijlpaal. Daar mag best eens uitgebreid bij stil worden gestaan."
"Dat is waar."
"Het is anders wel iets frappants."
"Wat, liefje?"
"Dat de echtgenote, de matresse en de dochter vanavond aan een gezamenlijk rouwritueel gaan deelnemen."
"Ja, en het feit, dat de echtgenote en de matresse al veertig jaar een verhouding met elkaar hebben, is al helemaal uniek."
"Tja, dat geboortehuis van jou is anno 1960 een Sodom en Gomorra in het klein geweest."
"Dat kun je wel stellen, ja", beaamde zij, met glinsterende ogen, "En het heeft natuurlijk ook iets heel fascinerends, dat verhaal van mijn ouders en Kitty. Mama en Kitty zijn ook een heel vreemd stel. Eigenlijk denk ik, dat mama toch altijd meer van mannen heeft gehouden dan van vrouwen en dus meer van papa dan van Kitty, maar bij Kitty is het volgens mij omgekeerd." "Zou je niet kunnen stellen, dat Kitty voor zeventig procent lesbisch is en dat je moeder voor zeventig procent heteroseksueel is?"
"Ja, zo zit het volgens mij wel in elkaar. En Kitty zal dat inmiddels best wel doorhebben."
"Jezus, wat een gedoe!", riep hij grijnzend.
"Dat is een waar woord. Ons leven is een stuk simpeler en ook een stuk saaier geweest."
"Godzijdank wel, ja!"
De trein was inmiddels in station Santpoort-Noord gestopt en Dennis legde de laatste hand aan zijn column. Hij was ermee klaar, toen de trein de Velsertunnel binnenreed. Hij borg de file op, zette de laptop uit en klapte hem met een opgeruimd gezicht dicht.
"Hee, ik dacht, dat ik hem nog even mocht lezen", riep zij verontwaardigd.
"Dat kan niet meer, lieverd."
"Waarom niet?"
"Omdat de batterij bijna op is. Ik heb het maar net gehaald."
"Ja, Jezus!"
"Kom, kom! We zijn zo in Heemskerk en als we eenmaal op onze hotelkamer zitten en de beschikking over een fatsoenlijk stopcontact hebben..."
"Ja, doei! Als we eenmaal op onze hotelkamer zitten, hebben we wel wat beters te doen."
"Het is anders een hele goeie column geworden!"
"Ik geloof het graag, maar ik zal er dan echt geen belangstelling meer voor hebben."
"O, dan wordt je bedankt!"
De trein kwam de tunnel uit en stopte in station Beverwijk. Een groep tienermeiden liep door het compartiment heen, waarvan er n met een wat hunkerende blik naar Dennis keek. Iets, waarvan hij zich in het geheel niet bewust leek te zijn. Trudy zag het glimlachend aan. Hij had altijd wel de aandacht van het andere geslacht getrokken, maar de laatste weken leek zijn sexappeal nog danig te zijn versterkt.
Na het vertrek uit station Beverwijk kwam de trein niet echt meer op gang. Het station van Heemskerk lag dichtbij de gemeentegrens met Beverwijk en het zou dus niet lang duren, voordat de trein dat station zou bereiken.
"Zullen we een taxi nemen?", vroeg zij, bij het betreden van het balkon.
"Waarom?", was de huichelachtige wedervraag.
"Omdat ik graag zo snel mogelijk naar het hotel wil."
"Waarom?"
"Omdat je daarnet weer sjans met een heel jong grietje had."
"Meen je dat? Daar heb ik helemaal niets van gemerkt."
"Ja, maar ik wel. En ik voel mij daar heel ongerust over."
"En nu wil je weer uitgebreid gerustgesteld worden."
"Ja, natuurlijk! En eigenlijk wil ik nu wel een voorproefje."
"Dat is goed, liefje. Ik zal mij terstond en met vreugde van die taak gaan kwijten."
Hij zette hun tassen op de vloer, duwde haar met een ondeugende grijns tegen de wand en voegde de daad bij het woord. Hij nam daarbij geen halve maatregelen. De manier, waarop hij haar jurkje omhoogtrok en zijn handen over haar kousen, jarretelles en bovendijen liet glijden, had iets heerszuchtigs en de wetenschap, dat ze elk moment in hun pikante bezigheden konden worden gestoord, gaf aan dit samenzijn ook een heel aparte dimensie mee. Uiteindelijk kwam aan hun kortstondige vrijpartij pas een einde, toen de trein op het station stopte.
"Is het zo goed?", vroeg hij.
"Ja, hoor!", antwoordde zij, terwijl zij met een zoet glimlachje de zoom van haar jurkje weer naar beneden duwde, "Het was heel fijn, heel opwindend en ook heel spannend en ik ben je daar heel erg dankbaar voor."
"Graag gedaan, hoor."
"Maar nu heb je nog steeds geen antwoord op mijn vraag gegeven."
"Welke vraag?", vroeg hij, onderwijl de deur openend.
"Of we een taxi naar het hotel zullen nemen."
"Ik vind het best, hoor! Als jij maar betaalt!"
"Goed, lieverd", zei zij goedmoedig, "Als er een taxi staat, nemen we hem en zal ik hem betalen."
Ze stapten uit, liepen naar de spoorwegovergang en staken de spoorbaan over. Helaas voor hen stond er geen taxi bij de standplaats en omdat er om de een of andere reden geen bus bij het station stopte, zouden ze dus toch naar het centrum moeten lopen. Trudy zag die lege taxistandplaats met lede ogen aan.
"Ach, jee!", zei Dennis, een beetje spottend, "Nu moet mijn lieve meisje toch nog een heel eind gaan lopen."
"Nou, zeg!", zei zij grinnikend, "Ik jog elke dag vier kilometer, dus dan kunnen die twee kilometer naar het Burgemeester Nielenplein er ook wel af."
"Zullen we anders een treintaxi bellen?"
"Nee, doe dat maar niet, liefje. Ik heb geen zin om via Wijk aan Zee en Velsen naar het hotel te rijden."
"Echt niet?"
"Nee, jh, het is zalig weer! Het zal echt geen straf zijn om die paar kilometer te lopen."
"Dat is waar."
Ze verlieten het station en liepen op hun gemak de nieuwbouwwijk Zuidbroek in. Trudy had hun reiskoffertje aan haar man gegeven, waardoor zij prinsheerlijk en met de handen in haar jaszakken 'die zo typische Heemskerk-op zaterdag-sfeer' kon opsnuiven.
"Wat zie jij er gelukkig uit!", zei hij.
"Ik voel mij ook heel gelukkig. Ik had twintig jaar geleden nooit durven denken, dat ik op papa's dertigste sterfdag zo gelukkig zou zijn."
"En je vindt het niet erg om zometeen weer over dezelfde weg te lopen, waarover je vader op de avond van zijn dood heeft gelopen?"
"Nee, hoor! Dat is nu eenmaal de kortste weg naar het centrum."
"En je ziet niet tegen de komende avond op?"
"Welnee, jh! Het is maar een getal, dat dertig. Enne... het is eigenlijk ook een heel duf getal. En jaar, dat is heavy. Vijf jaar ook. En tien is zelfs heel erg heavy. Maar de getallen, die daarna komen, beginnen iets onwerkelijks te krijgen."
"En vijfentwintig dan?"
"Dat is mij heel erg meegevallen. Maar dat heb ik dus aan jou te danken. Omdat jij mij in het jaar daarvoor van mijn schuldcomplex over papa's dood hebt afgeholpen."
"En veertig dan? Als hij veertig jaar dood is, zal hij net zo lang dood zijn als hij zal hebben geleefd."
"Hm, ik vind het veel vervelender, dat we zelf dan al vierenvijftig zullen zijn."
"Ik ben ervan overtuigd, dat je dan nog steeds oogverblindend mooi zult zijn", zei hij galant.
"Ah, dank je wel!", zei zij lachend, "Maar ik geloof, dat de wens nu toch wel een beetje de vader van de gedachte is."
"Nee, hoor! Kijk maar naar Catherine Deneuve! Die loopt al tegen de zestig en die is nog steeds beeldschoon."
"Dat is waar!", murmelde zij, ineens heel vrolijk wordend, "O, jee! Wat zijn we eigenlijk nog jong! We zijn pas vierenveertig!"
"Ja, het is een leuk getal, h? Leuker in ieder geval dan vijfenveertig."
"Waarom?"
"Omdat je na het bereiken van die mijlpaal ineens als middelbaar door het leven moet gaan."
"Dat is toch lekker, jh! Dan hoef je ook meteen helemaal niets meer."
"Dat hoef ik, dankzij jou en je onvolprezen, rijke oma, al drie jaar niet meer."
"Precies! En als je eenmaal vijfenveertig bent, hoef je daar ook geen schuldgevoelens meer over te hebben. En dan kun je meteen met die achterlijke column stoppen."
"Nee, dat lijkt mij geen goed plan!" zei hij, na enig nadenken, "Ik zal pas met die achterlijke column gaan stoppen als ze mij eruit schoppen."
"Zou je dat vervelend vinden?"
"Ja, dat denk ik wel. Het is goed om die wekelijkse routine er in te houden. Het heeft iets van een keurslijf, natuurlijk, maar ik vaar er wel bij. En het is natuurlijk goed om mijn schrijfstijl een beetje op peil te houden."
Ze sloegen rechtsaf en liepen in gedachten verzonken verder. Bij het verlaten van Zuidbroek zagen ze in de verte kasteel Assumburg liggen. Het markeerde zo ongeveer de plek, waar Trudy's vader zich had verdronken. Zij kon er, zoals zij al verwachtte, zonder enige sombere bijgedachte naar kijken.
"De aanblik van dat kasteel blijft toch iets lugubers houden", zei hij.
"Ach, dat valt wel mee!"
"Meen je dat nou?"
"Ja, natuurlijk, liefje! Ik heb het nu al zo vaak gezien, dat het mij echt niets meer doet."
"Ik geloof je eigenlijk niet helemaal. Telkens als we naar Heemskerk gaan, zit ik toch altijd wel een beetje in mijn rats over jou."
"Ah, dat is lief van je!", zei zij, onderwijl zijn hand grijpend, "Maar het is echt niet meer nodig, hoor."
"Zou je daar een eed op durven doen?"
"Ja, hoor! Op het laatste anderhalf jaar na heb ik een hele gelukkige jeugd in Heemskerk gehad en ik beschouw elk Heemskerk-bezoekje met jou als een korte, maar heerlijke toegift van die jeugd."
"Meen je dat nou?"
"Ja, dat meen ik echt! Ik heb als klein meisje altijd hele romantische dromen over mijn toekomstige man gehad en jij hebt ze allemaal, maar dan ook allemaal laten uitkomen. En die wetenschap maakt elk Heemskerk-bezoekje tot een waar feest voor mij."
"Dat is mooi!", zei hij, met zichtbare trots.
Ze passeerden 'Sportpark Assumburg' en kwamen bij de Tolweg aan. Daar konden ze de brede sloot zien, waarin haar vader zich had verdronken.
"Doet het je echt niks meer?", vroeg hij aarzelend.
"Ach, het ontroert mij natuurlijk wel een beetje", was het weifelachtige antwoord, "Maar van verdriet is dus echt geen sprake meer. Eigenlijk heeft hij er ook gewoon goed aan gedaan. Als hij geen zelfmoord had gepleegd en alles bij het oude was gebleven, waren we in Heemskerk blijven wonen en als dat was gebeurd..."
"Had je mij nooit ontmoet."
"En was ik misschien wel met een bruut van een vent getrouwd voor wie ik een rits van kinderen had moeten baren."
"He, jasses!", riep hij, met een stem vol afgrijzen, "Hou op!"
"Jezus, Dennis!", zei zij pestend, "Wat zie je bleek ineens!"
"Ja, vind je het gek?", monkelde hij voor zich heen.
Ze staken op een drafje de straat over. Eenmaal aan de overkant gaf zij hem een arm en keek zij hem zeer vertederd aan.
"Is dat beeld van mij als een lief, zorgzaam huismoedertje echt zo schokkend voor je?", vroeg zij.
"Ja, natuurlijk is dat hartstikke schokkend voor mij. Ik vind de gedachte, dat je met een andere man naar bed zou zijn gegaan, al volstrekt onverdraaglijk. Laat staan, dat je voor die hufter een 'rits van kinderen' had moeten baren."
"Hm, het heeft anders heel weinig gescheeld, of ik had er n voor jou gebaard."
"Hoe bedoel je?"
"Ik heb begin '94 toch echt een week lang op het punt gestaan om met de pil te stoppen."
"Dat meen je niet!"
"Ja, hoor! Dat meen ik wel! Het heeft maar een haar gescheeld. Ik heb in de jaren daarvoor wel vaker met het idee gespeeld, maar toen had ik echt een nu-of-nooit-gevoel."
"Jezus!"
"Ha, daar kijk je van op, h?", riep zij giechelend.
"Dat kun je wel stellen, ja."
"Tja, ik heb mij al die jaren van ons huwelijk voornamelijk als een onverzadigbare stoeipoes gedragen en ik heb mij daarbij altijd wel heel gelukkig gevoeld, maar ik heb toch ook wel met een zekere regelmaat naar een kind verlangd.
"Zou je mij.... Zou je mij..."
"Zeg het maar, liefje."
"Zou je mij kunnen vertellen, waarom je het uiteindelijk niet hebt gedaan?"
"Ik denk, dat het toch voornamelijk mijn angst voor de bevalling is geweest."
"Dat kan ik mij levendig voorstellen."
"En de onzekerheid over jouw mening over het een en ander speelde natuurlijk ook wel een beetje mee."
"Ik snap het."
"Hoe had jij er eigenlijk tegenover gestaan?"
"Ik was mij wild geschrokken, maar als je mij voor het blok had gezet en gewoon met de pil was gestopt, zou ik het wel fijn hebben gevonden. Ik was dan wel negen maanden lang duizend doden gestorven, maar dat zou ik er dan wel voor over hebben gehad."
"Hm, dat had je mij, geloof ik, beter niet kunnen zeggen."
"Waarom?"
"Omdat mij dan misschien toch nog wel een keer het gevoel zal bekruipen, dat ik je met het afzien van die zwangerschap tekort zal hebben gedaan."
"Dat gevoel hoef je niet te hebben."
"Echt niet?"
"Welnee, jh! Je had mij met een kind echt niet gelukkiger gemaakt dan ik nu ben."
"Ben je daar zeker van?"
"Ja, het geluk, dat ik dan had gekend, was alleen maar een ander soort geluk geweest. Niet beter, of slechter, maar gewoon anders."
"Denk je?"
"Ik weet het wel zeker. Toen jij die ene keer over tijd leek te zijn, was ik daar heel gelukkig mee, maar toen het loos alarm bleek te zijn, ging ik eigenlijk zonder veel moeite tot de orde van de dag over."
"Je bent eigenlijk best wel een flexibel ventje!"
"Ja, h? Ik denk, dat ik mij daardoor ook wel aardig door het leven heb kunnen slaan."
"Hm, maar besef je eigenlijk wel, dat als het toen in '74 geen loos alarm was geweest, we nu een zoon of dochter van bijna vijfentwintig hadden gehad?"
"Tja, dan was zij waarschijnlijk net afgestudeerd."
"Zij? Het had volgens mij ook wel een 'hij' kunnen zijn geweest!"
"Nee, hoor! Volgens de aloude 'Wet van Wiel Coerver' hadden we voor honderd procent zeker een dochter gehad."
"Who the fuck is Wiel Coerver?"
"Dat was een strenge, Zuid-Limburgse voetbaltrainer, die in de jaren zeventig veel furore heeft gemaakt. Het was een trainer, die aan de stijl van voetballen van zijn voetballers kon zien, of ze een dochter of een zoon zouden gaan verwekken. Voetballers met een stevige, mannelijke stijl van voetballen verwekten volgens hem altijd een zoon en de slapjanussen in zijn selectie verwekten altijd een dochter."
"Dus je was een slapjanus als voetballer?"
"Dat dacht ik wel, ja!"
"Hoe lang heb je eigenlijk gevoetbald?"
"Anderhalf jaar."
"Waarom ben je er eigenlijk mee opgehouden?"
"Om jou, natuurlijk."
"Zat je dan nog op voetbal, toen we elkaar leerden kennen?"
"Ja, maar toen het tussen ons aanraakte, ben ik er onmiddellijk mee gekapt."
"Waarom?"
"Tja, ik kan natuurlijk zeggen, dat ik er echt helemaal niks van kon en dat is natuurlijk ook wel de waarheid, maar ik vond het gewoon prettiger om elke zondagmiddag met jou op ons zolderkamertje te vrijen."
"Hm, dat was natuurlijk wel een goede reden om met voetballen te stoppen!"
"Precies! En het vrijen op dat zolderkamertje was natuurlijk ook een stuk gerieflijker dan in zo'n dun shirtje op een knollentuin achter een bal aanhollen."
"Ha, we hadden dus zeker een dochter gehad!", riep zij schaterend.
"Ik ben er absoluut zeker van!"
"Hm, ik vind het toch wel een beetje dom, dat je met voetballen bent gestopt. Ik heb je wel eens zien voetballen en ik vond, dat je er best wel wat van kon."
"Ik bakte er tijdens de wedstrijden anders nooit wat van."
"Dus je hebt ook nooit een doelpunt gescoord?"
"Nee, ik heb een paar keer rakelings overgeschoten en ik heb paar keer een doelpunt ingeleid door iemand vrij te spelen, die de beslissende voorzet gaf, maar daar is het helaas bij gebleven."
"Hm, ik had het toch wel graag een keer willen zien."
"Hm, jouw aanwezigheid langs de zijlijn had vast en zeker een verlammende uitwerking op mij gehad en zeker als je daarbij de aandacht van mijn mede- en tegenspelers had getrokken."
"O, je was dus gewoon bang, dat je jaloers zou worden als ik met je mee zou gaan."
"Ja, natuurlijk! Bovendien hadden zij mij waarschijnlijk met zijn eenentwintigen onder de grond geschopt als ze door hadden gekregen, dat dat lekkere stuk langs de zijlijn bij mij hoorde."
"O, nee! Dat had ik ook niet kunnen aanzien."
"En bovendien hoorde ik er gewoon niet meer bij. In de weken voordat we verkering kregen, werd ik helemaal ziek van al die scabreuze praatjes in de kleedkamer. Elke zondag waren er een stel jongens bij, die luidkeels over hun veroveringen aan het opscheppen waren en dat was bepaald geen pretje voor een verlegen jongen, die tot over zijn oren op een heel mooi meisje verliefd was. En toen we echt verkering hadden, had ik al helemaal geen zin meer om die onzin aan te horen."
"En je had ook geen zin om over mij op te scheppen?"
"Nee, daar was je gewoon het meisje niet voor. Ik wilde op geen enkele manier met je pronken. Ik wilde alleen maar zoveel en zo lang mogelijk van je genieten."
Ze waren inmiddels bij het oude dorp aangekomen en liepen de Gerrit van Assendelftstraat in. Eerst passeerden ze het voormalige, ouderlijk huis van Kitty en daarna Trudy's geboortehuis. Zij bekeek het wat somber ogende huis met een flauwe glimlach.
"Eigenlijk moeten we het gewoon maar kopen", zei hij.
"Waarom?"
"Omdat het anders misschien wel ten prooi aan een projectontwikkelaar valt.
"En dat zou je niet prettig vinden?"
"Nee, en helemaal niet als die hufter het tegen de vlakte zou laten gooien en op deze plek een foeilelijk gebouw zou laten neerzetten."
"Nou, en wat dan nog?"
"Nou, zeg! Je bent verwekt, geboren en getogen in dit huis. Het is toch echt een heilige plek voor mij."
Zij schoot in de lach. Hij had haar geboortehuis al vaker als zodanig omschreven, maar zij bleef het een hele leuke uitdrukking vinden.
"Nou, goed!", zei zij, "Laten we er even van uitgaan, dat de huidige eigenaar het pandje wil verkopen en binnen afzienbare tijd zal willen opkrassen."
"Ja, laten we daar eens van uit gaan."
"Wat wil je er dan mee gaan doen?"
"Dan gaan we er een museum van maken!"
"Een museum?"
"Ja, een echt 'Trudy Harberts-museum'! We gaan het verbouwen en helemaal terugbrengen in de staat, zoals het was tijdens de periode, dat jij er nog woonde."
"Shit, dat is eigenlijk best een leuk idee!", zei zij, terwijl zij met moeite haar lachen kon inhouden.
"Ja, h? En we gaan natuurlijk ook entreegeld heffen."
"Waarom?"
"Omdat ik dan ook een leuk plekje heb, waar ik mijn naakttekeningen van jou kan gaan tentoonstellen."
"O, Dennis!", riep zij schaterend, "Wat een fantastisch idee!"
"Ja, he!"
"Maar denk je dat het 'Trudy Harberts-museum' dan veel bezoekers zullen krijgen?"
"Ja, natuurlijk! Als onze website met al die geile naakttekeningen van jou in n maand al duizenden bezoekers trekt, dan moet het 'Trudy Harberts-museum' met de echte tekeningen toch zeker ook een doorslaand succes gaan worden."
"O, vast en zeker! Laten we dus maar gauw een bod op het huis gaan doen."
"Dat lijkt mij een goed plan!", zei hij grinnikend.
Ze waren aan het einde van de Gerrit van Assendelftstraat gekomen en liepen nu via het Burgemeester Nielenplein naar het kerkhof. Pas toen drong het tot Trudy door, dat ze geen plantje of bloemen hadden meegenomen. Meestal deden ze dat bij een bloemist in de hal van het Centraal Station in Amsterdam, maar ditmaal hadden ze dat dus nagelaten.
"O, shit!", zei zij, "We hebben helemaal geen plantje bij ons."
"Is dat een probleem voor je?"
"Ach, ik weet het eigenlijk niet. Het is misschien wel een beetje raar om straks met lege handen dat kerkhof op te lopen."
"We kunnen natuurlijk ook een mooi plantje van Heemskerkse makelij gaan scoren."
"Nee, dat kan niet. Een plantje voor papa moet uit Amsterdam komen."
"Waarom?"
"Ik weet het niet. Dat hoort gewoon zo. Al kan ik met geen mogelijkheid beredeneren, waarom dat zo hoort."
"Nou, dan gaan we toch gewoon terug naar Amsterdam!", zei hij, met een stalen gezicht.
"Ben je nou helemaal betoeterd?", sputterde zij, met enige verontwaardiging.
"Helemaal niet! Als jij een plantje uit Amsterdam wilt hebben, dan gaan we er n halen. Jouw vader verdient het beste van het beste en die plantjes uit Amsterdam zijn natuurlijk veel mooier dan die domme plantjes uit Heemskerk."
"Hm, als ik moet kiezen tussen een Amsterdams plantje voor mijn vader en een gezellig seksuurtje met jou, dan kies ik toch echt voor het laatste."
"Are you sure?"
"Natuurlijk, liefje!"
Ze liepen het kerkhof op, drentelden naar het graf en hielden daar stil. Trudy was blij, dat Dennis haar hand greep, want zij was nu toch wel enigszins gemotioneerd geraakt. Het was fijn om hier weer even te staan, om weer even aan haar vader terug te kunnen denken. Zij had zielsveel van hem gehouden en zij voelde zijn nabije aanwezigheid weer alsof hij tegenover haar stond. Een paar maanden geleden hadden zij en haar moeder een discussie over de verlenging van de grafrechten gehad. Die discussie was heel kort geweest: het voorstel van haar moeder om die grafrechten te laten verlopen en het graf te laten ruimen had zij onmiddellijk afgekapt. Haar vader zou hier mogen blijven liggen, zolang als zij leefde. Dat was zij aan hem verplicht.
"Zou je het een prettig idee vinden als we hier ook een graf voor onszelf zouden kopen?", vroeg Dennis zacht.
"Ja, dat zou ik een heel prettig idee vinden!", antwoordde zij, met een wat trieste glimlach, "Ik geloof, dat dit wel de plek is, waar we thuishoren als we eenmaal dood zijn."
"Hebben je opa en oma van moederszijde hier ook niet gelegen?"
"Ja, en als mama niet zo dom was geweest om de grafrechten te laten verlopen, hadden ze hier nog steeds gelegen."
"Ben je daar nog steeds kwaad om?"
"Een beetje wel. En ik ben ook nog steeds een beetje kwaad op die broers van jou, omdat ze het graf van je vader zo snel hebben laten ruimen."
"Dat weet ik. Maar dat was toch wel een keer gebeurd. En uiteindelijk, als we een jaar of vijftig verder zijn, zal ons dat ook overkomen."
"Brr... laten we daar nog maar niet aan denken."
"Nee, h?"
Zij boog zich naar de grafsteen over, liet even haar vingers over de grafsteen glijden en keerde zich toen bruusk om.
"Kom mee naar het hotel!", zei zij, "We hebben nog een uur voordat mama en Kitty komen."
"Wat gaan we dan doen?", vroeg hij schijnheilig.
"We gaan niks doen. Jij gaat wat doen!"
"Wat dan?"
"Jij gaat in dat uur heel erg je best doen om alle gedachten aan de dood uit mijn hoofd weg te jagen."
"En mag ik daarbij geen middel schuwen?"
"Van mogen is geen sprake: je moet daarbij geen enkel middel schuwen. Ik zal pas tevreden zijn als mijn kousen in flarden aan mijn mooie, ijzeren jarretelles hangen."
"Hm, ik neem aan, dat je wel een paar reservekousen bij je hebt", zei hij grinnikend.
"Ik heb zelfs twee paar reservekousen bij mij, dus je mag je zometeen weer lekker gaan uitleven.
"Goed, liefje."
Ze liepen naar het hotel aan de overkant van het plein, meldden zich bij de receptie en kregen van de bekoorlijke receptioniste hun favoriete kamer toegewezen: kamer 16 op de tweede etage aan de straatzijde. Het was een niet al te grote, vierkanten kamer, met een piepkleine badkamer, maar met een fraai uitzicht op het kerkje en het kerkhof. Tot voor een paar jaar geleden hadden ze vanaf deze kamer ook nog het raadhuis kunnen zien, maar nu stond er een foeilelijk filiaal van de Rabobank tussen het hotel en het raadhuis. Het kon hen eigenlijk niet zoveel schelen. Als ze in deze kamer verbleven, bekommerden ze zich vrijwel nooit om het uitzicht.
Ook nu ploften ze zonder veel omhaal op het bed neer. Ze schopten hun schoenen uit, ontdeden zich van hun jassen, die ze beiden op een stoel naast het bed neerlegden, en zochten en vonden uiteindelijk vergetelheid in elkaars armen.
"Ik heb ineens zo'n heimwee", zei zij fluisterend.
"Waarnaar?"
"Naar de herfst van '71."
"Hoe komt dat zo opeens?"
"Door dat voetbalverhaal van jou. Ik heb ineens een beeld voor ogen van een beeldschoon, zestienjarig meisje, dat op een grauwe winterzondag in haar wintermanteltje aan een rand van een voetbalveld staat en haar voetballende vriendje aan n stuk door hartstochtelijk aanmoedigt."
"Het was inderdaad een hele mooie tijd!", zei hij lachend.
"En dat is het nog. Die zalige herfst van 1971 is eigenlijk alleen maar de prelude van iets veel mooiers geweest."
"Dat is waar! Die laatste dertig jaar van de vorige eeuw zijn inderdaad fantastische jaren geweest.
"Ja, h? Maar het begon dus allemaal in 1971, hoor! Dat nare 1970, en dan met name papa's sterfdag, kan mij toch echt gestolen worden."
"Ik snap het, liefje."
Trudy's mobieltje zoemde en Dennis liet zich van het bed glijden om het ding uit haar jaszak te pakken.
"Neem jij hem maar!", zei zij, "Dan kleed ik mij alvast uit."
Hij nam het mobieltje ter hand en liet vrijwel meteen blijken, wie hij aan de lijn had.
"Dag, lief, oud paardje van mij", zei hij monter.
Trudy wierp hem een wat spottende blik toe - zij vond die typering van haar moeder altijd heel vertederend - maar zij begon zich meteen heel ongerust te voelen, toen de glimlach op zijn gezicht bestierf en hij op een wat gejaagde manier de woorden "Wat is er in godsnaam gebeurd?" uitsprak. Zij kwam overeind, kroop naar hem toe en ging op de rand van het bed zitten.
"Goed, mam", zei hij, "We gaan meteen een taxi zoeken en komen er meteen aan."
Hij stopte het mobieltje in haar jaszak terug en wankelde even op zijn benen.
"Wat is er aan de hand?", vroeg zij.
Hij antwoordde niet meteen. Hij knielde met een nu lijkbleek gezicht voor haar neer, nam haar handen in de zijne en keek haar zeer bezorgd aan.
"We moeten naar je moeder toe", zei hij uiteindelijk.
"Is er iets met haar gebeurd?"
"Nee, niet met haar. Er is iets met Kitty gebeurd."
"Wat dan?"
"Zij heeft haar polsen doorgesneden."
"Dat meen je niet!"
"Helaas wel, lieverd. Je moeder heeft haar net gevonden."
"Is zij dood?"
"Ja, volgens je moeder is zij al een uur dood. Je moeder is vanmiddag nog even gaan winkelen en volgens haar heeft Kitty het vlak na haar vertrek al gedaan."
"O, mijn god! Wat een drama!"
"Ja, en uitgerekend op deze dag."
"O, arme mama! We moeten meteen naar haar toe."
"Ja, laten we maar gauw gaan, h?"
"Ja."
Ze zwegen even. Hij hield haar handen nog steeds stevig vast en zij besefte maar al te goed, hoezeer zij in dit soort situaties op hem kon leunen.
"Gaat het een beetje?", vroeg hij.
"Ja", antwoordde zij aarzelend, "Ik heb, zoals je weet, niet echt een speciale band met Kitty. Maar ik ben natuurlijk heel erg bezorgd om mama."
"Ik ook, lieverd. Dus trek maar gauw je jas aan, dan kunnen we meteen naar haar toe gaan."
"Goed."
Ze stonden op en trokken hun jassen aan. Voor het vertrek uit de kamer nam zij met een wat weemoedige blik afscheid van de kamer. Zij had zich deze middag en avond heel anders voorgesteld, maar haar moeder verdiende nu alle aandacht, steun en liefde die zij kon geven en zij was er van overtuigd, dat ze hier over een paar maanden wel weer terug zouden zijn.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 23 februari 2002. © Bert Harberts