RIJKDOM

Alida Schouws, de drieënnegentigjarige grootmoeder van Trudy Harberts-Schouws, stierf op maandag 12 mei 1997 in haar huis even buiten Castricum. Een uur nadat Conny, haar schoondochter en tevens Trudy's moeder, de oude mevrouw Schouws dood in haar bed had aangetroffen, kwam de in Amsterdam woonachtige Trudy samen met haar man Dennis in het huis van haar grootmoeder aan. Het echtpaar werd vanzelfsprekend door Conny opgevangen en vervolgens door haar naar de slaapkamer van de overledene gebracht.
Ondanks de hoge leeftijd van haar grootmoeder was Trudy, een knappe, mollige blondine van eenenveertig, toch zeer ontdaan door het onverwachte verlies. Staande naast het sterfbed kon zij haar tranen ook niet lang tegenhouden. Na een blik van verstandhouding met Conny te hebben uitgewisseld, leidde Dennis zijn vrouw naar de logeerkamer aan de andere kant van het huis, waar hij haar maar meteen in bed stopte. Hij ging naast haar liggen, nam haar in zijn armen en probeerde haar zo goed mogelijk te troosten. Uiteindelijk lukte hem dat ook wel een beetje, al zou zij pas laat in de nacht in zijn armen in slaap vallen.
Op de dagen erna was Trudy er niet veel beter aan toe. Dennis stond haar zoveel mogelijk bij en liet de organisatie van de begrafenis geheel aan haar moeder over. Voor de kracht van Trudy's verdriet was een voor de hand liggende reden aan te wijzen: de band met haar grootmoeder was altijd uitermate innig geweest. Na de veel te vroege dood van Trudy's vader hadden haar grootmoeder en Conny zich veel moeite getroost om Trudy voor dat verlies schadeloos te stellen. De twee vrouwen waren daar, in samenwerking met Dennis, ook wel in geslaagd. Trudy was, ondanks die grote klap in haar jeugd, tot een lieve, evenwichtige vrouw uitgegroeid.
Tijdens de begrafenis op vrijdag, waarbij ook een grote delegatie van het door Trudy's grootvader gestichte bouwconcern aanwezig was, wist Trudy zich enigszins te herpakken. Zij gedroeg zich heel waardig en bleek zelfs in staat om een korte toespraak te houden. Na de begrafenis volgde een emotioneel afscheid van haar moeder, die voorlopig in het huis in Castricum zou blijven wonen, en daarna keerde het echtpaar naar Amsterdam terug.
De volgende dag werd Dennis om tien uur wakker. Hij slaagde erin om het bed te verlaten, zonder Trudy wakker te maken, liep naar de keuken om het koffieapparaat aan te zetten en ontbeet, na een douche te hebben genomen, in zijn eentje in de eetkamer. Het raam stond tijdens dat ontbijt open. Op de veranda was het getjilp van een paar mussen te horen; een vrolijk en lieflijk geluid, dat werd doorspekt door de muziek van Sky Radio, die uit hun gettoblaster kwam.
Hij was nog steeds op zijn hoede, waar het de gemoedsstemming van zijn vrouw betrof. Na alle emoties van de laatste dagen vond hij het ook wel prettig om even alleen te zijn. Beetje bij beetje was het de voorbije dagen tot hem doorgedrongen, dat ze als de enige erfgenamen van Trudy's grootmoeder voor een ingrijpende verandering in hun leven stonden. De komende twee weken zouden ze vrij nemen, deels om wat uit te rusten en deels om over die komende ontwikkelingen na te kunnen denken.
Tijdens het ontbijt bladerde hij een aantal fotoplakboeken door. Op verreweg de meeste foto's was Trudy te zien. De eerste was haar allereerste babyfoto, de laatste een foto van een paar maanden geleden. Alle foto's waren chronologisch gerangschikt en door Dennis van een datum en een licht ironisch commentaar voorzien. Het laatste plakboek bestond voor een groot deel uit tekeningen. Het waren de 'Trudy-tekeningen' van de afgelopen twaalf jaar en ze waren stuk voor stuk van een mild erotische aard. De aard en de poses waren door de jaren heen weinig veranderd. Zij was er nooit helemaal naakt op te zien. Op elke tekening had zij haar slipje aan en op één tekening was zij helemaal gekleed en was slechts het aantrekken van een nylonkous te zien. Hij vond ze stuk voor stuk uitermate geslaagd. Op Trudy na had niemand ze ooit gezien en hij wist nog niet, wat er na hun dood mee moest gebeuren. Vernietigen was een mogelijke optie; aan de familie nalaten vermoedelijk een betere.
De foto's en de tekeningen deden hem weer zoetjes naar het verleden terugkeren. Het waren vooral de jaren met Trudy, waaraan hij met weemoed terugdacht. Ze hadden elkaar in 1971 ontmoet, waren in 1974 gaan samenwonen en waren in 1977 getrouwd. Ze hadden over het algemeen een huiselijk en weinig glamoureus leven geleid. Ze hadden wel veel gereisd en ze hadden in die twintig jaar regelmatig buiten de deur gegeten, maar voor de rest had hun leven zich voornamelijk binnen de muren van dit Noordamsterdamse arbeidershuisje afgespeeld.
Seks en literatuur waren in al die jaren de hoofdpijlers van hun bestaan geweest. Ze rookten niet, ze hadden geen auto, ze hadden hun vakantiereizen altijd al tot korte treinreisjes naar Engeland, Zwitserland, Italië, Tsjechië en Denemarken beperkt en ze hadden zich nooit met dure hobby's ingelaten. Kortom: ze hadden geleefd, zoals hij zich dat aan het begin van hun huwelijk had voorgesteld. Het enige, wat hij nu nog wilde, was hun rustige leventje tot hun dood toe voortzetten en er was eigenlijk niets, wat die wens in de weg stond.
Trudy werd om elf uur wakker. Hij hoorde het gestommel in de slaapkamer en liep met een kloppend hart die slaapkamer binnen. Daar viel hem een plezierige verrassing ten deel. Zij zat in haar korte, vleeskleurige nachthempje op de rand van het bed en zij leek zo op het oog in een vrolijke gemoedsstemming te verkeren. Bij het uitwisselen van hun vaste ochtendbegroeting, een langgerekt "Môgge!" en een ochtendkus, verscheen er zelfs een wat ondeugende glimlach op haar gezicht. Even had hij het gevoel, dat zij hem het bed in wilde trekken, maar helaas bleek zij eerst iets anders te moeten doen. Zij stond van het bed op, gaf hem in het voorbijgaan een kus op de wang en verdween vervolgens met een dartele tred naar het toilet.
Na het oponthoud aldaar liep zij naar de douchecel, die zich in de eetkamer bevond. Het douchen nam ditmaal niet zoveel tijd in beslag. Na een vijftal minuten kwam zij de douchecel alweer uit en trok zij onder de ogen van haar man een witte beha, een wit slipje, een zwart truitje en een rood minirokje aan.
Zij ontbeet op de veranda, met een rond, ijzeren brilletje op de neus en geheel verdiept in 'Plankton' van J.J. Voskuil, met Dennis tegenover haar en hun oude kat Miepie tussen hen in. Hun stemming was kalm. Hij voorzag haar met een zekere regelmaat van een glas bosvruchtenthee, dat telkens weer met een dankbaar glimlachje werd aanvaard, en tussen de bedrijven door luisterde hij met een vaag geluksgevoel naar het gebabbel en gemopper van hun bejaarde benedenburen en het gekwebbel van de baby van hun overburen.
Af en toe keek hij naar Trudy en hij deed dat dan met groeiend welbehagen. Hij bewonderde het nog zo knappe, bijna rimpelloze gezicht, het stevige figuurtje, de al even stevige benen, de kleine, welgevormde voeten, de kleine tenen met de roodgelakte nagels en vroeg zich met enige weemoed af, hoe zij er over tien of vijftien jaar zou uitzien. Zij kankerde de laatste maanden voortdurend op het uitgekiende dieet, waaraan zij zich al vele jaren hield en zij riep de laatste tijd steeds vaker, dat zij nu eindelijk wel eens 'een lekker, dik schommeltje' wilde gaan worden. Tot nu toe had het narcistische behaagdiertje in haar het nog steeds van die drang naar een wat gemakkelijker levensstijl gewonnen, maar hij wist natuurlijk niet, hoe die strijd in de toekomst zou gaan verlopen.
Gelukkig voor hem was zij op dit moment nog even begerenswaardig als in haar meisjesjaren. Het brilletje gaf haar iets nuffigs; de rest van haar verschijning, met dat strakke truitje en dat sexy rokje, deed precies het tegenovergestelde. Zij scheen zich wel van zijn aandacht bewust te zijn. Er gleed opnieuw een glimlach over haar gezicht en zij keek hem soms wat spottend aan. Hij was daar nogal opgelucht over, maar voelde zich niet geroepen om naar de reden van die spottende blik te vragen.
Omstreeks het middaguur had hij genoeg van het lanterfanten op de veranda. Hij stelde haar voor om een fietstochtje door de stad te maken, hetgeen na enige aarzeling toch wel in goede aarde bij haar viel. Ze verlieten het huis, stapten op hun oude fietsen en vertrokken in de richting van de Tolhuispont.
Ze maakten met die Tolhuispont de oversteek over het IJ en fietsten daarna op hun gemak het centrum van Amsterdam binnen. Via de Brouwersgracht reden ze naar de Herengracht, die ze tot aan de Leidsegracht zouden volgen. Ze fietsten hier vaak, maar ditmaal had Dennis weinig belangstelling voor het stedenschoon langs de gracht. Hij had veel meer oog voor Trudy, die dromerig achter hem aan fietste. Zo evenwichtig als zij nu was, was zij niet altijd geweest. Tot voor drie jaar had zij soms aan een lichte vorm van zwaarmoedigheid geleden. Haar definitieve genezing van die zwaarmoedige buien had hem zeer opgelucht. Daar was ook alle reden toe. Hij was daar zelf verantwoordelijk voor geweest. Drie jaar geleden had hij haar, tijdens een kort bezoek aan Marken, van een hardnekkig jeugdtrauma over haar vaders dood verlost.
Zo evenwichtig als zij nu was, was zij niet altijd geweest. Tot voor drie jaar had zij soms aan wel eens aan een lichte vorm van zwaarmoedigheid geleden. Haar definitieve genezing van die zwaarmoedige buien had hem zeer opgelucht. Daar was ook alle reden toe. Hij was daar zelf voor verantwoordelijk geweest. Drie jaar geleden had hij haar, tijdens een kort bezoek aan Marken, van een hardnekkig jeugdtrauma over haar vaders dood verlost.
De gevolgen van die interventie waren eigenlijk onmiddellijk zichtbaar geweest. Haar rusteloosheid was op slag verdwenen, de zwaarmoedige buien waren, zoals gezegd, nooit meer teruggekomen en ook hun seksleven was sinds die dag in een wat kalmer vaarwater gekomen. Zij was een wilde geweest, wat dat betreft, maar de tijgerin in haar had nu toch echt voor een zoet spinnend katje plaatsgemaakt. Hij had daar wel vrede mee. Sterker nog: hij was er eigenlijk heel erg blij mee. Nu zij hem tijdens het overgrote deel van hun slapeloze bed-uren voornamelijk als haar favoriete teddybeertje behandelde, kende zijn geluk eigenlijk geen grenzen meer.
Na een poosje fietsten ze de Leidsegracht op. Ze waren op weg naar het 'Grootmelkhuis', het sjieke theehuis in het Vondelpark, en reden daar via de Prinsengracht, de Spiegelgracht, de Stadhouderskade en de P.C. Hooftstraat naartoe. Deze route had de voorkeur van Dennis boven de snellere route via het Leidseplein, omdat op de hoek van de Prinsengracht en de Spiegelgracht een huis stond, dat eens in het bezit van zijn rijke voorouders was geweest. Hoewel bij het passeren van het huis even de gedachte in hem opkwam, dat ze nu vermoedelijk het geld hadden om het huis te kopen, duwde hij die gedachte ook snel weer weg. De erfenis van haar grootmoeder was van Trudy en alleen zou zij die erfenis naar believen mogen besteden.
Gedurende de hele fietstocht werd er niet gesproken. Pas toen ze met twee espresso's onder handbereik op de rieten stoelen van het terrasje van het 'Grootmelkhuis' hadden plaatsgenomen, verbrak Trudy het stilzwijgen:
"Heb je het in de afgelopen dagen erg moeilijk met mij gehad?"
"Nee, ik heb het helemaal niet moeilijk met je gehad."
"Ik heb anders wel weer heel erg op je lopen steunen, hè?"
"Ach, dat valt wel mee. Je bent mij in ieder geval in geen enkel opzicht tot last geweest."
"Ah, dat is lief van je!", murmelde zij tevreden.
"Hoe voel je je nu?"
"Goed, liefje. Ik heb het - dankzij je goede zorgen en je vele wijze woorden - inmiddels wel een beetje verwerkt."
"Echt?"
"Ach ja! Zij is drieënnegentig geworden, zij is tot haar dood redelijk gezond gebleven en zij is zomaar ineens in haar slaap overleden. Wat kan ik dan eigenlijk nog meer verlangen?"
"Tja, als je het zo bekijkt."
"Er is geen andere manier, hè?"
"Nee, eigenlijk niet."
"Ik zal haar natuurlijk wel heel erg gaan missen, maar voor de rest mag ik toch niet klagen. Het enige, wat mij nu nog een beetje bedrukt, is het idee, dat mijn lieve, flinke moeder ook al zo oud begint worden."
"Zij is pas zesenzestig!"
"Ja, precies! Ik vind het idee, dat zij over vier jaar zeventig zal worden, best wel naar."
"Ach, mens, je bent gek!", riep hij lachend, "Zij is nog heel actief en nog heel gezond en er is dus alle kans op, dat zij ook met gemak de negentig zal gaan halen."
"Tja, dat is ook wel weer waar", zei zij, met een ineens weer wat bleek gezicht, "Maar als het ook met haar misgaat, zul je wel weer pal naast mij staan, hè?"
"Natuurlijk, liefje", antwoordde hij, kalm haar hand grijpend.
Tot zijn grote opluchting zag hij haar gelaatsuitdrukking meteen weer wat vrolijker worden. Zij bleek ook nog een kleine verrassing voor hem in petto te hebben.
"Wanneer ga je stoppen met werken?", vroeg zij, op een toon, die geen tegenspraak leek te dulden.
"Wil je echt, dat ik dat doe?", was zijn wedervraag
"Ja, ik sta er zelfs op. Zelf kap ik er meteen mee. En ik heb het liefst, dat jij dat ook doet. Ik wil je vanaf nu voor altijd bij mij hebben."
"Zullen we dan echt van de erfenis kunnen rondkomen?"
"O, ja! We zullen echt het leven van een vorst kunnen gaan leiden."
"Dat klinkt heel aanlokkelijk. Maar zou je het heel erg vinden als ik in ieder geval tot 1 juli op de krant blijf werken?"
"Omdat je dan de twintig jaar zult hebben volgemaakt?"
"Ja, dat vind ik eigenlijk toch wel een prettig idee."
Zij keek hem weer wat spottend aan, maar scheen hem, wat dit betreft, toch wel ter wille te willen zijn.
"Goed dan!", zei zij ferm, "Tot 1 juli mag je blijven werken, maar daarna is het toch echt definitief afgelopen. Dan zal en moet je voor de rest van je leven van mijn geld gaan leven."
"Ik kijk er nu al reikhalzend naar uit", zei hij grinnikend.
Ze dronken hun koffie op, verlieten het terrasje en stapten weer op hun fietsen. Ze fietsten niet rechtstreeks naar huis terug. Elk bezoek aan het 'Grootmelkhuis' leidde tot een toeristisch fietstochtje door Amsterdam en ook vandaag werd daarop geen uitzondering gemaakt. Tot aan de Spiegelgracht namen ze dezelfde route als op de heenweg, daarna reden ze via de Spiegelstraat naar de Keizersgracht, waar ze rechtsaf sloegen. Ze passeerden het 'Het Bureau' van Voskuil, de Vijzelstraat en de Reguliersgracht en reden via de Utrechtsestraat naar de Herengracht, waar ze linksaf sloegen en weer in de richting van het Centraal Station reden.
Vanaf dat punt toonde Amsterdam haar mooiste gezicht. De aanblik van de vele stadspaleizen langs de zonovergoten 'Gouden Bocht' was magistraal, maar Dennis had er opnieuw weinig oog voor. Tijdens het fietsen waren er toch nog wat beelden van de afgelopen dagen bij hem naar boven gekomen. Hij zag weer de ontzetting in Trudy's ogen, toen hij haar het nieuws van haar grootmoeders dood had verteld, hij zag hen weer het huis in Castricum binnengaan, hij zag hen weer hand in hand bij het sterfbed staan, hij zag hen weer voor het allerlaatste afscheid in de rouwkamer staan, waar haar grootmoeder lag opgebaard en hij hoorde Trudy weer dat emotionele toespraakje bij het graf houden.
Nu was alles definitief voorbij en hij prees zich daar gelukkig om. De voorbije dagen hadden hem niet alleen mentaal, maar ook fysiek gesloopt. Bovendien leek hij nu zelf aan een rouwperiode toe te zijn. Ook hij was gek op haar grootmoeder geweest en hij was er zich terdege van bewust, dat er met haar dood ook een einde aan een tijdperk was gekomen. Zij was hun laatste grootouder geweest. Als ook haar moeder zou komen te overlijden, zouden ze definitief tot de oudste generatie van hun families gaan behoren.
Bij Trudy scheen de weemoed definitief te zijn geweken. De gesprekjes op het terras van het 'Grootmelkhuis' leken haar goed te hebben gedaan. In haar glimlach was nu iets ondeugends te bespeuren en haar pedaaltred had zonder meer iets uitdagends gekregen.
Bij de Wijde Heisteeg sloegen ze rechtsaf. Ze reden het Spui op, stapten even af om over het Begijnhof te slenteren en daarna reden ze via het Spui en de Grimburgwal naar de Oudezijds Achterburgwal, de gracht, waar Dennis een paar jaar van zijn jeugd had doorgebracht. Hoewel de boekenstalletjes in de Oudemanhuispoort een grote aantrekkingskracht op hen uitoefenden, reden ze toch maar door. Ze stapten pas van hun fiets, toen ze via de Sint Agnietenstraat, de Oudezijds Voorburgwal en de Damstraat de Dam hadden bereikt.
Ze deden hun fiets op slot en liepen de Bijenkorf binnen om in een van de coffeeshops een kop koffie te drinken. Na een korte discussie op de roltrap viel de keus op 'Het literaire café' op de vierde verdieping. Dennis ging in gedachten verzonken in de rij voor de kassa staan; Trudy nam plaats aan een van de tafeltjes, die buiten het eigenlijke café stonden. Zij keek aanvankelijk een beetje verstrooid voor zich uit, maar toen Dennis haar en zichzelf van een espresso had voorzien, scheen zij ineens in een opperbest humeur te zijn. Een gemoedstoestand, die meestal de verleidster in haar wakker maakte.
Dat was ook nu weer het geval. Zij streek een paar maal over haar linkerkuit, pakte na een korte aarzeling een rode, deerlijk versleten kouseband uit haar tas en bevestigde die met veel gevoel voor theater rond haar o zo bekoorlijke linkerdij. Zij deed het op een hele geraffineerde manier, waardoor die handeling alleen voor hem zichtbaar was. Hij wist heel goed, wat zij hem met het omgorden van die kouseband wilde zeggen, maar hij had nog niet de moed om daarop in te gaan. Die terughoudendheid scheen haar in het geheel niet te deren. Zij bleef heel vrolijk voor zich uit staren en zij bleef ook iets ongedurigs en iets flirterigs over zich houden.
"Vanwaar die brede grijns?", vroeg hij, na een poosje.
"Is die misplaatst?", was haar vriendelijke wedervraag.
"Nee, dat niet. Ik ben er - om je eerlijk de waarheid te zeggen - heel erg blij mee, maar ik ben dus wel naar de reden van die grijns aan het gissen."
"Ik heb er meerdere redenen voor."
"Welke dan?"
"De eerste wordt gevormd door alle goede herinneringen, die ik aan jou heb."
"Welke goede herinneringen?", vroeg hij huichelend.
"Alle goede herinneringen! Die van onze eerste ontmoeting, die van de eerste nacht, dat ik bij je bleef slapen, die van de eerste nacht, dat we samen seks hadden, die van de middag waarop we in dat hotelletje aan de Prins Hendrikkade een voorproefje op onze huwelijksnacht namen, die van dat uiterst wilde middagje in Roermond, en die van dat o zo tedere middagje na ons eerste gezamenlijke bezoek aan Marken."
"Dat zijn allemaal seksherinneringen!"
"Daar is toch niets op tegen?"
"Nee, maar de aard van die herinneringen spoort niet zo met je huidige manier van doen op dat gebied."
"Ja, dat is zo, maar mijn huidige manier van doen op dat gebied vloeit ook uit die seksherinneringen voort. Ik hoef niet meer zo nodig, want elke nacht met jou zijn duizend nachten ineen geweest. Al die nachten met jou, en ook die middagen, waar ik het daarnet over had, hebben mij een heerlijk gevoel van vervulling gegeven. En dat gevoel is zo sterk, dat ik er voor de rest van mijn leven genoeg aan zal hebben. Ik vind het nog steeds leuk om voor jou de seksbom uit te hangen en ik vind het nog steeds leuk om elke nacht op de een of andere manier seks met je hebben, maar seks is geen levensnoodzaak meer: het is nu gewoon lekker."
"Dat is mooi", zei hij ironisch.
"Ben je ook nog nieuwsgierig naar de tweede reden van mijn glimlach?"
"Ja, natuurlijk!"
"Wel, dat is natuurlijk de erfenis, die nu onze kant opkomt."
"Ah."
"Oftewel de zesentwintig miljoen gulden, die ik binnenkort op mijn bankrekening krijg bijgeschreven."
"Zes..."
"En twintig miljoen."
"Is het zoveel?", sprak hij hijgend.
"Ja, en het was nog veel meer geweest als de fiscus zijn begerige handjes had thuis kunnen houden."
"Zijn de successierechten er dan al af?"
"Ja!"
"O, dat is mooi!"
"Dat kun je wel stellen, ja!"
"En je weet zeker dat je oma het niet aan Greenpeace heeft nagelaten?"
"Ha!", riep zij schaterend, "Leer mij mijn nuchtere oma kennen."
"Hoe bedoel je?"
"Nee, schatje! Wees maar niet bang. Ik weet wat er in haar testament staat en daaruit zal blijken, dat mama de bungalow in Castricum krijgt, dat wij het geld krijgen en dat er geen stuiver, maar dan ook geen stuiver naar Greenpeace, Amnesty of Milieudefensie gaat."
"Ah, dat is een hele opluchting!"
"Ja, hè?"
"Wat bedoel je eigenlijk met 'wij'?"
"O, jij krijgt ook een leuk zakcentje, hoor."
"Wat bedoel je?"
"Precies wat ik zeg: je krijgt, dankzij mijn lieve oma, ook een heel leuk sommetje op je bankrekening bijgeschreven."
"Waarom heeft zij dat gedaan?"
"Om je te belonen."
"Waarvoor dan?"
"Voor alles, wat je in de afgelopen vijfentwintig jaar voor mij hebt gedaan."
"Verklaar je eens nader."
"Je krijgt het, omdat je al vijfentwintig jaar verschrikkelijk verliefd op mij bent. Je krijgt het, omdat je vanaf mijn vijftiende al mijn depressies in de kiem hebt kunnen smoren. Je krijgt het, omdat je vanaf mijn vijftiende voor elk geluksmoment in mijn leven verantwoordelijk bent geweest."
"En voor al die geluksmomenten word ik nu met terugwerkende kracht terugbetaald?", vroeg hij grinnikend.
"Ik blijf 'beloond' een veel beter woord vinden!", antwoordde zij, met een wat nuffige gelaatsuitdrukking.
"Hoeveel krijg ik eigenlijk?"
"Vier miljoen gulden en nog iets!"
"Vier..."
"Miljoen gulden!", herhaalde zij liefjes.
"Maar... Maar..."
"Is het niet genoeg?"
"Het is... Het is..."
De rest van zijn antwoord bleef achterwege. Hij was, zoals te verwachten was, met stomheid geslagen. Trudy zag het voldaan aan en loodste hem uiteindelijk terug naar hun fietsen. Tijdens het korte tochtje naar de pont, waarmee ze hun wekelijkse sightseeingtour door het centrum van Amsterdam voltooiden, bleef hij glazig voor zich uit staren.
Na hun terugkeer in Amsterdam-Noord reden ze naar het winkelcentrum 'Boven 't IJ', waar ze bij 'Mei Wah', het aldaar gevestigde Chinese restaurant, de maaltijd zouden gaan gebruiken. Ze aten al sinds vijftien jaar elke zaterdag bij 'Mei Wah' en waren er dus kind aan huis. De bestelling bij Lotusbloempje, hun koosnaampje voor de serveerster, tevens tweede dochter van de eigenaar, was snel geplaatst. Het gevraagde eten en drinken, tweemaal een Mu Hung Kai en twee biertjes uit de tap, werd ook in een recordtempo op hun tafeltje gezet. Het eten verliep daarna in een genoeglijk stilzwijgen. Dennis dronk tijdens het eten wel iets meer dan Trudy; hij was nog steeds niet helemaal gewend aan zijn nieuwe miljonairsstatus.
Trudy was ditmaal vrij snel klaar met eten. Zij legde het bestek neer, veegde haar mond af, deed haar schoenen uit en plantte haar voeten op de schoenen van haar man. Die laatste handeling was een uit een sterke bezitsdrang voortvloeiende gewoonte van haar, die altijd een wat erotiserende uitwerking op Dennis had. Hij wist nu zeker, dat zij hem zo snel mogelijk het bed in wilde hebben en hij wist nu ook, dat hij een voorstel in die richting met geen mogelijkheid zou kunnen afwimpelen. Met die wetenschap in het achterhoofd keek hij haar grijnzend aan; hij voelde zich zo langzamerhand toch wel erg gelukkig worden.
Hij had nu ook vrij scherp voor ogen staan, hoe hun leven in de komende jaren zou gaan verlopen. Het zou een bestaan in ledigheid gaan worden. Ze zouden hun dagen gaan vullen met lezen, het maken van uitstapjes per trein of fiets en etentjes buitenshuis en ze zouden die dagen elke dag weer met een langdurig potje vrijen gaan besluiten. Met het kapitaal zelf zouden ze helemaal niets gaan doen; het zou alleen maar groter gaan worden. Hij wilde het ook niet anders. Het kapitaal was door haar geliefde grootouders opgebouwd en als zodanig ook een aandenken, waarmee ze gewetensvol moesten blijven omgaan. Helemaal van het geld leven, wilde hij toch ook weer niet. Hij had al een aanbod gekregen om een vaste, wekelijkse column te gaan schrijven voor het dagblad, waarvoor hij nog steeds werkzaam was en hij zou dat aanbod nu met beide handen gaan aangrijpen.
In de daaropvolgende minuten voltooide ook Dennis zijn maaltijd en de borden en de schalen werden voor twee espresso's verwisseld. Het was daarna opnieuw Trudy, die het langdurige stilzwijgen verbrak:
"Ben je de schok al een beetje te boven?"
"Ja, dat geloof ik wel. Al vind ik toch wel, dat ik wat al te ruim ben bedeeld."
"Dat ben je niet!"
"Echt niet?", vroeg hij glimlachend.
"Nee, je verdient het echt ten volle!"
"Wel, als je er echt zo over denkt, zal ik het geld heel graag accepteren."
"Dat klinkt anders niet erg enthousiast!"
"Dat is maar schijn! Ik ben er echt vreselijk blij mee. Om het geld zelf, maar ook om de gedachte, die er achter blijkt te zitten."
"Dat is mooi! Ga je er nog leuke dingen mee doen?"
"Ja en nee! Ik ga de neven en de nichten een fiks en rond bedrag geven, maar voor de rest ga ik lekker alles oppotten!"
"Ha, goed zo!"
"En wat ga jij met jouw geld doen?"
"Ik heb geen vastomlijnde plannen, dus ik zal er vermoedelijk ook alleen maar van gaan leven."
"Dat is mooi."
"Al zit ik toch nog wel een beetje over de aankoop van een huisje in Durgerdam of Holysloot te dubben. Dat zou mij toch wel heel erg leuk lijken."
"Ik zie dat niet meer zo zitten."
"Waarom niet?"
"Omdat we dan zo overduidelijk laten blijken, dat we heel veel geld hebben."
"En dat wil je niet?"
"Het lijkt mij niet verstandig om het van de daken te gaan schreeuwen. Het idee van een leven in een dijkhuisje of een monumentaal boerderijtje lijkt heel aanlokkelijk, maar het brengt natuurlijk ook fikse risico's met zich mee."
"Mogelijke inbrekers, bedoel je."
"Ja, precies! Vanaf het moment, dat ik wist, dat jij die erfenis zou krijgen, heb ik ook heel vaak van die hele enge angstvisioenen gehad."
"Wat voor angstvisioenen?"
"Visioenen van een Trudy, die om haar geld werd ontvoerd, of om dezelfde reden op een afschuwelijke wijze door een inbreker werd vermoord."
"Oh, meen je dat?", vroeg zij, zichtbaar geroerd.
"Ja, en aangezien ik een hele levendige fantasie heb, wil ik toch wel heel graag, dat we die risico's uit de weg blijven gaan."
"Hm, zullen we dan nu maar definitief gaan besluiten, dat we nooit, maar dan ook nooit een duur en groot huis zullen gaan kopen?"
"Dat lijkt mij een heel goed idee!"
"Ja, hè? Ik ben dat gedub en dat getwijfel van ons ook echt wel een beetje zat! We moeten nu maar eens de knoop gaan doorhakken."
"Dus je vindt het niet erg om de rest van ons leven in dat benepen arbeiderswoninkje te blijven wonen?"
"Waarom zou ik? We zijn er toch al twintig jaar heel erg gelukkig geweest?"
"Dat is waar. En als je er echt zo over denkt, dan blijven we toch gewoon lekker zitten, waar we zitten."
"Ben je daar zelf ook echt helemaal zeker van?"
"Ja, natuurlijk. Ik wil echt nooit meer weg uit dat rothuis, ik ben er geboren en ik wil er over een jaar of veertig ook gaan sterven. Bovendien zag ik als een berg tegen dat eventuele klussen op."
"O, zielepoot!"
"Niks, zielepoot, ik heb nu eenmaal twee linkerhanden, daar kan ik echt helemaal niets mee."
"Daar merk ik 's nachts anders nooit iets van."
Hij schoot in de lach, maar ging daar verder niet op in. Hij riep Lotusbloempje, bestelde nog twee espresso's en vroeg haar om de rekening.
Tijdens het drinken van die laatste espresso's bleven ze even zwijgen. Trudy keek met een peinzend gezicht naar de binnenkomst van een echtpaar en hun twee luidruchtige kinderen en Dennis keek naar haar handen, die zich rond haar koffiekopje hadden gesloten. Aan die puntgave handjes was heel goed af te lezen, wie in hun huishouden de vieze klusjes opknapte. Hij was daar in het geheel niet rancuneus over. In haar jeugd was zij door haar ouders en grootouders als een lief, snoezig poppetje behandeld en hij was daar in haar verdere leven met veel plezier mee doorgegaan. Overigens liet zij nu heel duidelijk blijken, dat zij wel iets meer dan een lief, snoezig poppetje was. Zij hield zijn rechterbeen nu tussen haar benen geklemd en leek niet van zins om dat been ooit nog los te laten.
"Heb je nog plannen voor vanavond?", vroeg zij, na een poosje.
"Nee, niet echt. We hebben geen afspraken, er draait geen leuke film en er worden op het ogenblik ook geen pakkende toneelstukken van Tsjechow opgevoerd."
"Zullen we straks dan maar meteen naar bed gaan?"
"Wil je dat echt?"
"Ja, wat het vrijen betreft, moeten we de rouwperiode nu maar als afgesloten beschouwen."
"Wel, als je daar geen problemen mee hebt..."
"Nee, daarvan zal echt geen sprake zijn. Ik heb er na de ontberingen van de afgelopen week vreselijk veel zin in en ik zal er dus ook vreselijk van genieten."
"Dat klinkt mij als muziek in de oren."
"Heb je nog speciale wensen voor vanavond?"
"Ja, ik zou je zometeen dolgraag weer eens willen tekenen!"
"Wil je dat echt?"
"Ja."
"Dus je wilt niet meteen aan de gang?"
"Nee", antwoordde hij lachend, "En waarom zou ik ook? Waarom zou een geslaagde jachtpartij altijd meteen tot de consumptie van de prooi moeten leiden?"
"Dat is waar!"
"Bovendien heb ik ook niet zo'n behoefte aan een vluggertje."
"Je hebt meer behoefte aan iets duurzamers?"
"Ja, precies!"
"Goed, liefje! Het is misschien wel aardig om een aandenken van deze memorabele week te hebben. Dus als je mij echt wilt tekenen, dan zal ik je zometeen op je wenken bedienen."
"Ah, dat is lief van je!"
"In wat voor outfit mag ik zometeen poseren?"
"In dat geile, vleeskleurige nachthempje, dat je vannacht aanhad."
"En voor de rest niks?"
"Precies."
"Moet ik nog kousen aantrekken?"
"Nee, doe maar niet."
"En in welke pose wil je mij hebben?"
"Die van die dom ogende, Zweedse pin-up uit de zestiger jaren, die we vorige week op internet hebben gezien."
"Maar die had wel nylons aan!"
"Ja, dat klopt, maar ik wil dus een gekuiste, getekende versie van die foto maken."
"Was je mij om die tekening aan het uitkleden?"
"Wat bedoel je?"
"Kom, kom! Ik kon heel goed aan je zien, dat je daarnet over mij aan het dromen was. Dus biecht maar eens op, ventje! In hoeverre had je mij daarnet in gedachten al uitgekleed?"
"Eh, in het begin had ik alleen je truitje en je rokje uitgetrokken."
"Wat bescheiden! En waar deed je het?"
"Eerst in de keuken", antwoordde hij, enigszins besmuikt,
"Je was voor de verandering een keer aan het afwassen, maar toen ik de keuken binnenkwam en liefdevol mijn armen rond je middeltje legde, liet je je daarvan zonder veel moeite afbrengen."
"En wat gebeurde er toen ook mijn slipje en mijn beha op de door jou zo zorgvuldig gedweilde keukenvloer waren gevallen."
"Toen gooide ik je, om met F.B. Hotz te spreken, 'als een baal hooi' over mijn schouder en droeg ik je zonder verdere plichtplegingen naar de slaapkamer."
"Waar je na een korte tekensessie met veel plezier met mij aan de gang ging."
"Precies! Want je was gelukkig weer erg lief en ook weer heel erg gewillig!"
"Dat is mooi."
"En wat we toen deden, beviel ons zo goed, dat we daarna maar liefst twee weken in bed bleven liggen."
"Wat leuk!"
"Leuk?"
"Ja, leuk! Want ik neem aan, dat we ons in die weken niet tot slapen beperkten."
"Nee, zeker niet! We stonden elke dag om zes uur op om even naar de wc te gaan en een douche te nemen. Van half zeven tot zeven uur ontbeten we in de eetkamer en maakten we de broodjes voor de lunch klaar. En daarna was het tot tien uur 's avonds alleen maar vrijen en knuffelen geblazen."
"En wat deden we dan met het avondeten?"
"Niks, we aten alleen wat rauwkost en wat sinaasappelen."
"Voor de broodnodige vitaminen?"
"Precies!"
"En dat festijn duurde twee weken?"
"Ja, het begon op deze avond en eindigde pas op zondag 31 mei."
"Zullen we die droom dan maar gauw werkelijkheid laten worden", vroeg zij gretig.
"Meen je dat?"
"Ja, ik wil het echt heel graag! En ik wil het ook zeker niet bij één keer houden!"
"Hoe bedoel je?"
"Ach, ik dacht, dat het misschien wel leuk zou zijn om vanaf nu de maanden juli en augustus in bed te gaan doorbrengen."
Hij schoot in de lach. Hij wist, dat zij, net als hij, die warme zomermaanden hartgrondig haatte en het voorstel sprak hem dan ook zeer aan. Toch kwam hij voor de vorm nog wel met een niet al te overtuigend klinkend bezwaar:
"Zul je het niet vreselijk saai vinden om twee maanden in ons eigen bed te blijven liggen? We kunnen natuurlijk ook een keer naar Zweden gaan en dan voor twee maanden een eilandje huren. Dan zouden we het ook weer een keer in de buitenlucht kunnen doen. Op ons eigen strandje bijvoorbeeld, of in ons eigen struikgewas..."
"Nee, dat lijkt mij niets. We hebben het in de door de jaren heen overal gedaan, maar de tijd, dat ik het leuk vond om in hotelkamers, in het bos, in de duinen, op picknicktafels of op steigers te vrijen, is allang voorbij. Ik ben bij het vrijen nu vooral op mijn rust en mijn privacy gesteld en het liefst wil ik vanaf nu alleen nog maar in ons eigen, lekkere bed gaan vrijen. En als je zometeen aan mij vraagt om dat een paar maanden achter elkaar te gaan doen, zul je mij daarmee heel erg gelukkig maken."
"Meen je dat?"
"Ja, nu zien we er nog heel goed uit en nu kunnen we er nog heel veel lol aan beleven. Over een jaar of tien, als ik in de overgang of de menopauze zit, lukt dat misschien niet meer. Als we het nu doen, kunnen al die juli- en augustusmaanden de absolute hoogtepunten van ons huwelijk gaan worden en als we het niet doen, zullen we dat later misschien hevig gaan betreuren."
"Okay! Laten we dat dan maar doen."
"Prima! En zullen we nu maar een twee weken durend voorproefje gaan nemen?"
"Dat lijkt mij een perfect plan."
Ze stonden op, verlieten het restaurant en liepen naar hun fietsen, die in de fietsenstandaard voor het restaurant stonden. Het twee kilometer lange ritje naar hun huis duurde maar kort. Trudy hield vanaf het begin van het fietstochtje een dusdanig hoog tempo aan, dat Dennis haar slechts ternauwernood kon bijhouden.
Na hun aankomst in hun huis duurde het niet lang, voordat ze hun slaapkamer betraden. Trudy strekte zich behaaglijk op het bed uit en Dennis legde zich met een zucht van verlichting naast haar neer. Hoewel hij haar het liefst meteen had uitgekleed, dwong hij zichzelf tot terughoudendheid.
"Waar denk je aan?", vroeg zij.
"Aan hetgene, wat mij het meeste aan jou verbijstert!"
"En dat is?"
"Aan het feit, dat jij zo'n verschrikkelijk lief, monogaam vrouwtje bent."
"Dank je!", riep zij lachend, "Daar ben ik zelf ook heel erg trots op. Maar het zit natuurlijk een beetje in de aard van het beestje en verder ben jij daar ook in grote mate verantwoordelijk voor geweest."
"O, ja?"
"O, zeker! Je bent al meer dan twintig jaar zowel een hele lieve echtgenoot als een hele ondeugende minnaar voor mij en het is die combinatie, die jou zo waanzinnig aantrekkelijk maakt. Je bent het soort man, dat zijn vrouw regelmatig op de keukentafel legt, maar je bent ook het soort man, dat die keukentafel daarna zelf weer schoon schrobt. En geloof mij nou maar, liefje: de vrouw, die zo'n soort man heeft, heeft werkelijk niets meer te wensen."
"Daar kan ik mij wel iets bij voorstellen."
"Denk je eigenlijk, dat die seksuele spanning tussen ons ooit zal wegebben?"
"Nee!", antwoordde hij, met grote stelligheid, "De spanning in onze seksuele relatie zal, hoe dan ook, nooit wegebben.
"Waarom ben je daar zo zeker van?"
"Omdat ons zo rijkelijk met seks gevulde huwelijk het tegendeel bewijst. We hebben in ons huwelijk ontelbare uren in bed doorgebracht en toch is er bij mij van een verzadigingspunt totaal geen sprake. Wat wij in de komende twee weken gaan doen, zou ik het liefst altijd doen. Als het aan mij lag, zouden we elke dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat liggen vrijen."
"O, ja?"
"Je gaat mij toch niet vertellen, dat je dat niet in de gaten hebt?", merkte hij grijnzend op.
"Ach, ik heb best wel in de gaten, dat je soms danig op hete kolen zit en ik ben daar ook uitermate gelukkig mee."
"Ik kan het mij levendig voorstellen."
"Om die reden vraag ik mij dus ook af, wat ons er eigenlijk van weerhoudt om voortaan elke dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat te gaan vrijen. Ik zie, behalve voor familie- en restaurantbezoek, eigenlijk geen enkele reden meer om ons huis en ons bed te verlaten."
"Nee, dat kan niet!", zei hij resoluut, "We moeten, ook nu we rijk zijn, er echt wel voor zorgen, dat we nog een beetje voeling met de wereld en onze medemens blijven houden."
"Hoe stel je je dat dan voor?"
"We blijven voortaan door de week thuis en in bed en gaan de weekenden voor alle visites, de restaurantbezoekjes en de uitstapjes bestemmen."
"We gaan de tijd, die we tot nu toe aan werken hebben besteed, voortaan aan vrijen besteden?"
"Ja, precies! Als we op die manier de structuur in ons leven handhaven, gunnen we onszelf heel veel gezellige bed-uurtjes en vermijden we tegelijkertijd het gevaar, dat we nog excentrieker worden dan we al zijn."
"Hm, dat klinkt toch wel heel erg aanlokkelijk!", zei zij lachend, "Maarre..."
"Maarre wat?"
"We blijven ook in het weekend onafscheidelijk, hè?"
"Ja, natuurlijk! Alles wat we in het vervolg in het weekend gaan doen, blijven we samen doen."
"Vind je dat eigenlijk geen verstikkende gedachte?"
"Nee, want ik kan eigenlijk geen minuut meer zonder je."
"Echt?"
"Ja, het klinkt heel bizar, maar ik ben in de afgelopen zesentwintig jaar echt hopeloos aan je verslaafd geraakt. Je knappe gezichtje, je mooie lichaam, je lieve stemmetje, je bedaarde maniertjes, je lekkere parfum, je mooie kleren, je mooie kousen. Ik neem alles tot mij, met een steeds groter wordende gulzigheid en ik wil eigenlijk steeds meer van je hebben."
"Meen je dat nou echt?"
"Ja, echt! Ik vind het echt heerlijk, dat we gedurende de rest van onze levens vrijwel nooit meer van elkaar gescheiden zullen zijn. Ik ben dus heel erg gelukkig met de toekomstige aard van ons huwelijk en ik zal er tot aan mijn dood heel erg gelukkig mee blijven."
"Dat is mooi", zei zij, met gepaste trots, "Al blijf ik mij over die hondstrouwe liefde van jou toch nog steeds verbazen."
"Waarom?"
"Je hebt al lang en breed de leeftijd, waarop de meeste mannen in een midlifecrisis verzeild raken en zichzelf uit angst voor hun onzekere toekomst in de netten van jonge, goedgebouwde deernen laten vangen."
"Omdat zij bang zijn om oud te worden, bedoel je."
"Ja, precies!"
"O, maar die angst heb ik ook wel een beetje, maar ik vertaal die angst voor het ouder worden dus niet door een vlucht naar buiten maar door een vlucht naar binnen. En daar heb ik natuurlijk ook wel een hele goede reden voor."
"Welke dan?", vroeg zij lachend.
"Ik heb de afgelopen week weer heel vaak nagedacht over hoe ik er voor zou hebben gestaan, als jij in 1971 niet in mijn leven was gekomen en ik besef dan telkens weer, dat ik dan naar alle waarschijnlijkheid een charmante, maar door en door eenzame vent van eenenveertig zou zijn geweest."
"Denk je dat nou echt?"
"Ja, ik ben er zelfs volkomen zeker van. Ik had misschien wel een leuk leven geleid en ik was misschien net zo'n vrolijke bourgondiër geweest als ik nu ben, maar als jij er niet was geweest, zou ik nooit over mijn remmingen zijn heengegroeid en zou ik waarschijnlijk altijd alleen zijn gebleven."
"Dat klinkt allemaal leuk en aardig, maar ik geloof er dus helemaal niets van! Als ik er niet zou zijn geweest, zouden de vrouwen voor je in de rij hebben gestaan."
"Denk je?"
"Ja, je bent een knap, dromerig, kwetsbaar ogend en artistiek begaafd ventje en je hebt echt heel veel stroop aan je kont. Je had ze echt van je af moeten slaan."
"Misschien wel. Maar ik weet zeker, dat ik mij daarmee totaal geen raad zou hebben geweten."
"Hoe kun je daar zo zeker van zijn?"
"Door het vrijwel complete gebrek aan vrouwen in mijn jeugd. Ik ben voor het grootste deel opgevoed door vijf rechtlijnige mannen, een grootvader, een vader en drie broers, en slechts sporadisch door een vrouw. Dat zou niet zonder gevolgen zijn gebleven. Een kind leert namelijk van de ouder van het andere geslacht, hoe het met een andere geslacht moet omgaan en die ouder van het andere geslacht was er gedurende een heel groot deel van mijn jeugd nu eenmaal niet. Ik zou misschien wel mijn huidige sexappeal hebben gehad, maar zeker niet het gereedschap om daarmee om te gaan. Mijn leven zou in dat geval een aaneenschakeling van amoureuze tantalaluskwellingen zijn geweest. Ik weet absoluut zeker, dat ik ondanks die vrouwelijke belangstelling nooit, maar dan ook nooit een vriendin of vrouw zou hebben gehad. En dat is ook de belangrijkste reden, waarom ik je de komende jaren zo graag zo lang in bed wil houden. Omdat ik heel blij ben, dat ik je nog heb en dat je nog steeds vreselijk veel van mij houdt."
"Zullen die ellenlange vrijmarathons ook niet een beetje een inhaalslag gaan vormen?", vroeg zij kleintjes.
"Ja, natuurlijk! We hebben in de eerste twintig jaar van ons huwelijk aan twee, volstrekt nutteloze carrières gebouwd en de tijd die we daaraan hebben besteed, hadden we ook gezellig bij elkaar en dus ook in bed kunnen doorbrengen."
"Verwijt je mij dat ook? Ik heb het bestaan van die erfenis heel lang voor je lopen verzwijgen. Als ik daarover wat opener was geweest, hadden we die tijd ook daadwerkelijk samen en in bed hebben kunnen doorbrengen. Toen we trouwden, hadden we al zoveel geld van oma gekregen, dat we daar moeiteloos van hadden kunnen leven."
"Nee, niet echt! Ik heb toch wel een leuke tijd bij de krant gehad. Die had ik toch ook niet willen missen."
"Dat is mooi! Maar desalniettemin wil ik je voor al die gemiste vrij-uurtjes nu een beetje schadeloos gaan stellen."
"Waarmee?"
"Met vrijen natuurlijk! In de komende twee weken wil ik, behalve mijn nylons en mijn jarretellegordeltje, geen enkel kledingstuk aanhebben en ik wil, behalve voor wc- en douchecelbezoek, de slaapkamer ook niet meer verlaten. Na dat gloedvolle verhaal van daarnet wil ik toch echt, dat je mij twee weken lang in bed houdt."
"Ha, dat klinkt goed!"
"Ik had ook niet anders verwacht."
Zij sloeg liefdevol haar armen om hem heen en Dennis besefte ineens maar al te goed, dat hun huwelijk nu een fase was ingegaan, waaraan alleen de dood een einde zou kunnen gaan maken. De gedachte aan dat onontkoombare einde, ergens in de komende eeuw, boezemde hem in het geheel geen angst in. Er lagen immers nog vele leuke jaren voor hen in het verschiet.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 9 augustus 1998. © Bert Harberts