HUISBEWAARDERS

Trudy trok de voordeur van haar huis achter zich dicht en nam op een nogal bevallige manier op haar ouderwetse damesfiets plaats. Zij vormde een hoogst aantrekkelijke verschijning. Zij was blond, knap, en mollig, zij droeg een fleurig gekleurd, katoenen mini-jurkje, dat haar figuurtje op een aangename manier accentueerde en dat tamelijk veel van haar stevige benen liet zien, en haar kleine voeten waren in open plateauschoenen gehuld. Zij en haar man Dennis waren op weg naar Holysloot, naar het huis van een neef van Dennis. Die neef, voormalig topvoetballer Maarten Harberts, had zijn vrouw Wendy een vakantietripje naar een 'Center Parcs'-bungalow in Zuid-Limburg aangeboden en hij had de vorige avond aan Dennis gevraagd, of hij en Trudy een paar dagen op hun huis en hun katten konden passen. Trudy had daarmee onmiddellijk ingestemd. Ze hadden drie weken vakantie en voor een dergelijk uitje was zij altijd wel te porren.
Dennis had veel plannen voor de komende, vijf dagen. Er stonden fietstochtjes naar Marken en De Rijp en boottochtjes naar Twiske en Purmerend op het programma, maar als het aan haar lag, zouden ze tot zondagavond lekker in dat leuke huisje van Maarten blijven zitten. Ze hoefden ook helemaal niet weg. Er reed elke ochtend een SRV-wagen door het dorp, die hen van alle voedingsmiddelen zou kunnen voorzien en haar moeder had de verzorging van hun eigen kat op zich genomen. Ze konden het er dus lekker van nemen.
Ze verlieten de Kamperfoelieweg, een brede, aangenaam ogende straat in het hart van Amsterdam-Noord, en reden de smalle Pinksterbloemstraat in. Dennis reed voorop en Trudy kon haar gedachten even de vrije loop laten. Ze waren beiden eenenveertig en het leven lachte hen aan alle kanten toe. Ze waren gezond, ze hadden een leuk huis, ze hadden allebei een leuke baan baan en ze hadden dankzij Trudy's rijke en zeer vrijgevige grootmoeder al vier miljoen gulden op hun bankrekening staan. Ondanks dat ras stijgende vermogen wilde zij voorlopig nog wel even blijven werken. Zij werkte al twaalf jaar als chef op het postagentschap schuin tegenover hun huis en zij kon de gezellige sfeer aldaar nog maar moeilijk missen. De dag, waarop zij afscheid van haar aimabele collega's zou moeten gaan nemen, kwam overigens snel naderbij: het postagentschap stond op de nominatie om binnen een paar jaar te worden gesloten.
Ze reden nu langs de Buiksloterdijk en zij keek met een wat dromerige blik naar de in een rood T-shirt gestoken rug van haar echtgenoot. Ze waren al meer dan vijfentwintig jaar samen. Hij was de eerste en enige liefde in haar leven. Hij was ook precies de man gebleken, zoals zij zich die altijd had gewenst: hij was een lief en zachtmoedig ventje, dat haar met hart en ziel was toegedaan. Hetzelfde gold ook voor haar. Zij was van hem, helemaal van hem en zij gedroeg zich daar ook naar.
Ze passeerden de draaibrug over het Noordhollands Kanaal en reden verder over de Buiksloterdijk, in de richting van Nieuwendam. Zij keek uit naar het fietstochtje, dat ze voor de boeg hadden. Hoewel zij in Heemskerk was geboren, was zij allang helemaal in Amsterdam-Noord geworteld. Zij hield van de gemoedelijke, half landelijke, half stedelijke sfeer in het stadsdeel. Hun huis lag ook precies halverwege de stad en het platteland: twee kilometer naar het zuiden lag de aanlegsteiger van de veerpont naar de binnenstad van Amsterdam en twee kilometer naar het noorden lag de stadsgrens en begon het o zo pittoreske Waterland.
Ze verlieten de Buiksloterdijk, passeerden de fietstunnel onder de Nieuwe Leeuwarderweg en reden de Waddendijk op. Het begon warm te worden. Bij het aankleden had zij nog overwogen om nylonkousen aan te trekken; nu was zij blij, dat zij dat achterwege had gelaten. Als zij die kousen wel had aangetrokken, had zij haar man waarschijnlijk wat sneller tot ondeugende daden kunnen bewegen, maar nu was het toch wel prettig om die aangenaam prikkelende zonnestralen op haar benen te kunnen voelen.
Ze reden, zonder zich te haasten, het oude Nieuwendam binnen. Het was een wijk met lage, maar fraaie arbeiderswoninkjes. Haar moeder was in deze wijk geboren en zij had hier ook haar gehele jeugd doorgebracht. Bij het passeren van het voormalige huis van haar moeder, op de hoek van de Purmer- en de Waddenweg, voelde Trudy weer een vleugje weemoed door haar heengaan. Haar oudste herinnering lag in dat huis. Het was een herinnering, waarin, behalve haar ouders, ook haar grootvader van moederszijde een rol speelden. De herinneringen aan die regenachtige novemberdag waren fragmentarisch van aard. Er was een beeld van haar grootvader, die met een dienblad de kleine woonkamer kwam binnenlopen en er waren wat beelden van de op dat bezoek volgende autorit langs de IJsselmeerdijk, zoals een oud vrouwtje in Schellingwoude en het weidse panorama over het IJsselmeer, dat zij had gezien, toen zij samen met haar vader op de dijk had gestaan.
Ze reden over een grote, witte boogbrug, sloegen linksaf en fietsten verder over een fietspad langs de oude Zuiderzeeweg. Dennis kwam weer naast haar fietsen. Hij maakte een wat onrustige indruk op haar. Zij wist niet, wat hem precies scheelde, maar als hij in deze gemoedstoestand verkeerde, was er maar één plek, waar hij zich op zijn gemak voelde: in haar armen. In hun huwelijk waren er vele van dit soort momenten geweest, waarop hij, zoals hij het zelf uitdrukte 'onder haar rokken was weggevlucht', en zij had daar telkens weer met volle teugen van genoten.
Na ongeveer een kilometer verlieten ze de Zuiderzeeweg alweer. Ze sloegen rechtsaf, passeerden een tunneltje en reden vervolgens langs het volkstuincomplex 'De Molen' in de richting van Ransdorp. Trudy merkte, dat zij in haar korte jurkje veel bekijks van de bewoners van dat volkstuincomplex trok, maar dat kon haar niet zo veel schelen. Zij had het vermogen om zich op dat soort momenten geheel in zichzelf terug te trekken.
Ze gingen een steil bruggetje over en verlieten daarna de bebouwde kom. Voor hen lag het Weerslootpad, hun favoriete toegangspoort tot het wonderschone Waterland. Ze waren nu halverwege hun reisdoel. Hierna hadden ze nog een kleine vijf kilometer voor de boeg en gedurende de rest van de route zouden ze, op de Dorpsstraat van Ransdorp na, over fietspaden kunnen rijden.
Na een poosje reden ze Ransdorp binnen. Ze fietsten langs de kerk met de stompe toren en het fraaie, oude raadhuis en sloegen bij de Dorpsstraat linksaf. Ransdorp was niet echt groot. Honderd meter verder kwamen ze opnieuw bij een kruising aan. Daar sloegen ze rechtsaf en fietsten ze verder via de Nieuwe Gouw. Op dat punt waren ze precies drie kilometer van Holysloot verwijderd. De weg naar het meest noordelijke dorpje van Amsterdam was lang, maar verre van saai: het platte veenlandschap had iets ongerepts. Als men de boerderijen en de auto's wegdacht, zag het er vermoedelijk nog steeds uit, zoals het er omstreeks 1500 moest hebben uitgezien.
Bij de enige bocht in de weg, op de plek, waar de Nieuwe Gouw in de Bloemendalergouw overging, viel haar oog weer op de IJsselmeerdijk en de smalle weg, die daarnaast lag. Bijna veertig jaar daarvoor had zij daar met haar ouders gereden, in die gloednieuwe, donkergrijze Ford Consul, waarmee ze die middag nog bijna waren verongelukt. Hoewel zij geen herinneringen aan dat bijna-ongeluk had, was de gedachte, dat zij al bijna veertig jaar dood had kunnen zijn, er niet minder luguber om. Wat was zij allemaal niet misgelopen als haar vader niet zo'n ervaren chauffeur was geweest? De liefde van haar ouders en grootouders, de liefde van Dennis, de wilde en tedere nachten met hem, de vele etentjes in 'San Remo' en 'Mei Wah', hun favoriete restaurantjes, en de vele vakanties. Dan had zij nooit dat wonderschone Praag gezien, dan was zij nooit in het al even mooie Venetië en Florence geweest, dan had zij nooit de schoonheid van het landschap langs de spoorlijn tussen Oslo en Bergen kunnen ervaren.
Terwijl zij Dennis even aankeek, kwam er ook een andere gedachte in haar op: hoe zou het dan met hem zijn vergaan? Was hij dan met een ander getrouwd? Zou hij daarmee gelukkig zijn geworden. Was hij dan wel vader van een of meerdere kinderen geworden? Nadenkend over die laatste vraag kon zij niet anders dan die vraag met 'ja' beantwoorden: hij was naar alle waarschijnlijkheid een hele goede vader geweest.
Ondanks hun gezamenlijk besluit om geen kinderen te nemen, waren er in haar leven best wel momenten geweest, waarop zij hevig naar een kind had verlangd. Het idee om een kind te baren, waarin zij zowel haar vader als Dennis zou hebben zien voortleven, had iets heel aantrekkelijks voor haar gehad. Drie jaar daarvoor had zij zelfs een 'nu-of-nooit-gevoel' gehad en had zij ook daadwerkelijk op het punt gestaan om met de pil te stoppen, maar het was er toch niet van gekomen. Haar angst voor de bevalling was daar mede debet aan geweest en haar weerzin jegens de achterlijke mentaliteit hier te lande, waarbij het van een vrouw wordt verlangd, dat zij bij een bevalling pijn, pijn en nog eens pijn lijdt was en dus niet om een verdoving of narcose mag vragen, had haar uiteindelijk voor die stap doen terugdeinzen.
Om precies twaalf uur reden ze Holysloot binnen. Het dorpje had maar één straat. Het was een kronkelend straatje met veel groen en een veelvoud van pittoreske huizen en boerderijen. Ze sloegen linksaf, reden langs het eindpunt van de GVB-bus en kwamen uiteindelijk bij hun plaats van bestemming aan: een witgeschilderd, houten huisje. Ze zetten hun fietsen in het schuurtje en gingen met hun twee reiskoffertjes het huisje binnen.
Het verkleinwoordje voor het huis van Neerlands meest succesvolle voetballer aller tijden was zeker niet misplaatst. Het bevatte eigenlijk maar drie kamers. Op de begane grond bevond zich een langgerekte woonkamer, een keukenblok en een niet al te grote badkamer en de bovenetage telde slechts twee kamers. De kamer aan de straatzijde was het domein van Jelle en Yaran, de zoontjes van Maarten en Wendy; de andere kamer, die uitkeek op de weilanden tussen Holysloot en Ransdorp, was de echtelijke slaapkamer.
De twee huisbewaarders beklommen de trap naar de eerste verdieping en liepen via de kinderkamer naar de slaapkamer. Die kinderkamer maakte een rommelige indruk. Her en der lag wat speelgoed verspreid en de aanblik daarvan maakte Trudy opnieuw wat weemoedig. Zij liep maar gauw door naar de slaapkamer, waar zij nieuwsgierig in het rond keek. De kamer had door de Laura Ashley-achtige inrichting iets van een poppenhuiskamer weg. Tegen de wanden aan de weerszijden van de deur stonden twee klerenkasten. Maartens bureau met diens pc stond rechts van de deur en Wendy's make-up tafel stond daarnaast. Op de stoel voor die make-up tafel lag een van Wendy's katten te slapen; de andere kat had zich op de vensterbank genesteld. Het lage, houten bed stond haaks tegen het raam en baadde op dit moment in het zonlicht.
Ze zetten hun tassen op de vloer neer en daalden toen de trap weer af. Dennis liep naar het keukengedeelte van de huiskamer om koffie te zetten; Trudy drentelde naar de bank bij het raam. De woonkamer was wat strakker van inrichting dan de slaapkamer en was overduidelijk een afspiegeling van de smaak van de heer de huizes. De wanden waren witgeschilderd en met een viertal landschapsschilderijen versierd, op de vloer lag namaakparket, langs het raam en de linkerwand stonden twee zwart-leren banken, in de hoek van die twee banken bevond zich een ronde, grenenhouten salontafel, langs de rechterwand stond een laag, grenenhouten wandmeubel, met de tv en Maartens stereo-installatie daarop, en voor de rest was de kamer, op een paar planten na, vrijwel leeg.
Trudy ging op haar knieën op de bank zitten en keek in de richting van de IJsselmeerdijk. In de verte zag zij een picknicktafel staan. De tafel markeerde de plek, waar zij eens samen met haar vader op de dijk had gestaan. Zij bekeek die plek met enige weemoed en had het gevoel, dat haar vader weer eens heel nabij was. Hij was nu zevenentwintig jaar dood, maar zij kon zijn knappe gelaatstrekken nog steeds moeiteloos voor de geest halen. Jarenlang had zij om zijn zelfmoord getreurd; nu ontleende zij een zekere voldoening aan die vroege dood. Door zijn vroege dood zou hij eeuwig jong voor haar blijven. Als hij was blijven leven, had zij hem in de komende jaren misschien wel zien aftakelen en hulpbehoevend zien worden.
Zij gleed van de bank af, schopte haar schoenen uit en ging op de andere bank zitten. Daarbij viel haar oog op een ingelijste foto aan de muur van Wendy en de twee jongens. Dat beeld van dat lieve, overgelukkige moedertje, dat met een stralende, uitgelaten glimlach in de lens keek, had een ontnuchterende, maar niet onplezierige uitwerking op haar. Haar eigen vage, min of meer uit egoïsme voortvloeiende kinderwens kwam haar ineens heel belachelijk voor. Wendy was een geboren moeder. Daaraan had Trudy nooit en te nimmer hebben kunnen tippen. Die ontdekking had een zeer positieve invloed op haar humeur, want toen zij nogmaals naar de foto keek, deed zij dat met niets dan vertedering.
De koffie was inmiddels klaar. Dennis liep met een volgestouwd dienblad de huiskamer in, zette het dienblad op de salontafel neer, overhandigde haar een mok koffie en een roze mousseline en ging aan haar voeten zitten. Hij verkeerde nog steeds in een wat zwijgzame stemming. Hij nam haar rechtervoetje in zijn hand, streelde dat op een kalme manier en keek daarbij peinzend naar haar benen. Zij zag het lachend aan, maar vond het niet nodig om zijn houding en zijn handelingen op een ironische manier te becommentariëren.
Na het koffiedrinken begon hij haar kalm uit te kleden. Hoewel zij dat niet had verwacht, liet zij hem, zonder tegen te stribbelen, zijn gang gaan. Met een lief glimlachje om de lippen keek zij toe, hoe hij haar van haar jurk, beha en slipje ontdeed en hoe hij die kledingstukken met veel gevoel voor decorum opvouwde en op een net stapeltje naast haar op de bank lag. Een en ander speelde zich in een volmaakt stilzwijgen af en daarna gebeurde er helemaal niets meer en liet hij haar voor een poosje naakt op de bank zitten.
Zij vond dat uitermate plezierig. Zij koesterde zich in de zon, met de handen in de schoot, en de manier, waarop haar man naar haar keek, kon zonder meer hartverwarmend worden genoemd. Hij bewonderde haar op een manier, zoals een kunstschilder zijn pas voltooide schilderij zou bewonderen. Zijn blikken leken van enige erotische bijbedoelingen te zijn gespeend. Soms streelde hij haar even langs haar kuit of voetje, soms verschoof hij haar been een beetje, maar voor de rest raakte hij haar met geen vinger aan.
Uiteindelijk stond hij op. Hij trok haar overeind, tilde haar op, nam haar in zijn armen en droeg haar naar de slaapkamer. Bij het passeren van de kinderkamer was er bij haar van weemoed over haar nooit geboren kind al helemaal geen sprake meer. Dit was oneindig veel beter dan het moederschap. Hij legde haar voorzichtig op het bed in de slaapkamer neer, draaide haaUiteindelijk stond hij op. Hij trok haar overeind, tilde haar op, nam haar in zijn armen en droeg haar naar de slaapkamer. Bij het passeren van de kinderkamer was er bij haar van weemoed over haar nooit geboren kind al helemaal geen sprake meer. Dit was oneindig veel beter dan het moederschap. Hij legde haar voorzichtig op het bed in de slaapkamer neer, draaide haar op haar zij en ging nog steeds geheel gekleed naast haar liggen.
Met zijn hoofd steunend op zijn linkerhand en met zijn rechterhand op haar aanbiddelijke linkerheup hervatte hij zijn bewondersessie. Terwijl zijn hand langzaam naar haar dij afzakte, voelde zij ineens een verlangen opkomen naar de periode, waarin dit soort seances een dagelijks ritueel zou kunnen gaan worden. Eigenlijk wilde zij het liefst nu al stoppen met werken. De gezelligheid in het postkantoortje woog natuurlijk niet op tegen het genot, dat zij nu ervoer.
Dennis was intussen weer in gepeins verzonken geraakt. Zij zag het lachend aan en verbrak, na een korte aarzeling, het stilzwijgen.
"Wat trekt je na al die jaren eigenlijk nog zo aan in dit lichaam van mij?", vroeg zij.
"Alles, denk ik. Je schouders, je borsten, je buik, je rug, je heupen, je billen, je benen, je voeten, je tenen."
"Ja, hou maar op!", riep zij lachend.
"En je gave, lelieblanke huid, natuurlijk."
"Ha, dan is die afkeer van het zonnebaden tenminste nog ergens goed voor geweest."
"Precies! Volgens mij was je huid lang zo mooi niet geweest, als je afgelopen vijfentwintig jaar regelmatig op het strand van Zandvoort had gelegen."
"Hm, ik denk, dat je daarin wel eens gelijk kunt hebben."
"Waar het jouw lichaam aangaat, heb ik altijd gelijk", zei hij fier, "Er is niets, waar ik meer van af weet. Over dat lichaam van jou zou ik vele boeken kunnen schrijven."
"Hm, ga je eigenlijk nog wat leuks met dat lichaam doen?"
"Wil je dat?"
"Niet speciaal. We hebben het vannacht tenslotte ook al gedaan, maar als jij nog iets wilt doen..."
"Voorlopig wil ik je alleen als mijn lieve, schattige privégodinnetje behandelen", zei hij grinnikend, "Maar als ik over een uurtje of zo iets anders wil, dan zal ik je dat onmiddellijk laten weten."
"Ah, prima! We kunnen ons, wat dat betreft, lekker gaan uitleven. We hebben nu geen buren om ons over te bekommeren."
"Om van de kinderen nog maar te zwijgen."
"Inderdaad! Het is leuk om hier regelmatig te komen babysitten, maar het zijn en blijven natuurlijk wel handenbindertjes. Even lekker vrijen is er niet bij als Yaran weer eens een van zijn aanhankelijke buien heeft."
"Precies."
"Alhoewel ik mij daarnet toch wel afvroeg, of..."
"Of wat?"
"Of jij het niet fantastisch zou hebben gevonden als Jelle en Yaran onze kinderen waren geweest."
"Nee, dat zou ik helemaal niet fantastisch hebben gevonden."
"Echt niet?"
"Zeker weten!"
"Toch heb ik mij daarnet afgevraagd, of er aan jou geen fantastische vader is verloren gegaan. En die vraag heb ik toen in gedachten met 'Ja, wel degelijk!'beantwoord."
"Dat is misschien wel zo. Maar ik heb er desondanks geen spijt van, dat ons huwelijk kinderloos is gebleven en dat Jelle en Yaran dus niet onze kinderen zijn."
"Echt niet?"
"Nee, echt niet! Alhoewel..."
"Alhoewel wat?"
"Ik zou Jelle en Yaran wel willen adopteren als Maarten en Wendy ooit een fataal ongeluk zouden krijgen."
"Meen je dat?"
"Ja, en om je de waarheid te zeggen, heb ik Maarten ook beloofd, dat we dat zullen gaan doen, als dat onverhoopt zou gaan gebeuren."
"Dat meen je niet!"
"Ja, dat meen ik wel", zei hij, wat benepen, "Ben je daar boos om?"
"Nee", antwoordde zij, na een korte aarzeling, "We zijn eigenlijk de enigen, die daarvoor in aanmerking komen. En gezien het feit, dat zijn ouders een fataal ongeluk hebben gehad en haar ouders al tamelijk oud zijn, kan ik mij voorstellen, dat hij dat aan jou heeft gevraagd."
"Ja, hè?"
"Denk je, dat we het aan zouden kunnen?"
"Moeiteloos."
"Meen je dat?"
"Ja, het is misschien wat naïef gedacht van mij, maar ik denk, dat het opvoeden van andermans kind veel makkelijker en veel plezieriger voor ons zal zijn dan het opvoeden van ons eigen kind."
"Waarom?"
"Omdat ik denk, dat ons eigen kind een zorgenkind van jewelste zou zijn geweest. Als ik kijk naar het aantal mensen in onze families, dat aan depressies lijdt, dan maak ik mij niet zoveel illusies over de weerbaarheid van dat kind."
"Hm, ik denk, dat je wel gelijk hebt."
"Ja, hè?"
Hij schoof een beetje in haar richting, maar hij liet verder in geen enkel opzicht blijken, dat hij ondeugende plannen had.
"Ik neem aan, dat we vandaag niet meer aan fietsen toekomen?", vroeg zij.
"Nee, ik wil je vandaag de hele dag in bed houden."
"Is het zo erg met je gesteld?"
"Nee, het is niet, wat jij denkt. Eigenlijk wil ik je deze dag alleen maar in bed houden om eens lekker uit te kunnen rusten. En dus niet om seks met je te hebben."
"En bij dat uitrusten is mijn aanwezigheid echt vereist?", vroeg zij lachend.
"Ja, ik wil je vandaag echt de hele dag bij mij hebben." "Goed, liefje! Dan blijf ik lekker bij je liggen."
"Ah, dat is lief van je."
Ze zwegen voor een paar minuten. De stilte tussen hen werd pas verbroken, toen in de tuin van de buren een haan kraaide. Het was een vertrouwd geluid, dat een oude droom in haar wakker riep.
"Wat zou je er eigenlijk van vinden als we over een paar jaar net zo'n huisje zouden kopen als dit?", vroeg zij.
"Kunnen we ons dat dan veroorloven?"
"Ja, dan kunnen we! In principe kunnen we - als we dat willen - elk huis in Landelijk Noord kopen."
"Wel, dan is het dus de vraag, of we dat ook willen."
"Tja, en dat weet ik dus ook niet. Soms denk ik van wel en soms van niet. Ik ben heel gelukkig in dat arbeidershuisje van ons, maar aan de andere kant heb ik soms een beetje heimwee naar de dorpssfeer uit het Heemskerk van mijn jeugd. En dat heb ik dus vooral als ik hier ben."
"We hoeven natuurlijk helemaal niet weg uit dat huis als we een huis in Landelijk-Noord gaan kopen."
"Dat moeten we wel, lief imbecieltje van mij. We zullen echt geen woonvergunning voor een huis in Landelijk-Noord krijgen als we die relatief goedkope huurwoning van ons niet prijs zullen geven."
"Ach, ja, natuurlijk!"
"Dus zullen we er nog wel even over blijven dubben, vrees ik."
"Nee, hoor! Jij mag er nog wel even over blijven dubben. Jij zult de pegels op tafel moeten leggen en jij zult dus op een gegeven moment de beslissing moeten nemen."
"Wil je de beslissing echt helemaal aan mij overlaten?"
"Ja, en welke beslissing je ook neemt: ik zal er helemaal achter staan. Als jij in ons huis wilt blijven wonen, blijven we daar lekker wonen en als jij in Holysloot of Durgerdam wilt gaan wonen, zal ik zonder morren met je meegaan."
"Ah, dat is lief van je."
Die aanhankelijkheidsverklaring, waarin hij zijn onvoorwaardelijke trouw aan haar nog maar eens tot uiting had gebracht, had een nogal erotiserende uitwerking op haar. Zij kreeg ineens heel veel zin in seks en zij liet dat ook blijken door haar hand onder zijn T-shirt te steken en hem even over de buik te strelen. De liefkozing spoorde hem echter niet tot ondeugende daden aan. Integendeel: hij leek weer helemaal weg te dromen.
"Waar denk je aan?", vroeg zij.
"Aan jou, mijn lief, alleen maar aan jou!"
"Waarom?"
"Omdat ik aan iets plezierigs wil denken."
"Waar dacht je dan precies aan?", vroeg zij lachend.
"Aan al die leuke dingen, die we in de komende dagen in dit huisje kunnen gaan doen?"
"In dit huisje? Dus je wilt helemaal niet meer gaan varen of fietsen?"
"Nee, eigenlijk niet."
"Wat wil je dan?"
"Ik wil alleen maar van jou genieten."
"Hoe stel je je dat dan voor?", vroeg zij huichelend.
"Ik wil elke dag naar je kunnen kijken, zoals ik nu naar je kijk, ik wil je elke dag in alle mogelijke poses gaan fotograferen, ik wil je elke dag in alle mogelijke poses gaan tekenen, ik wil elke avond en nacht op alle mogelijke manieren met je gaan vrijen. Kortom: ik wil je elke dag zowel als mijn lieve, schattige privé-godinnetje als mijn lieve, ondeugende privé-hoertje gaan gebruiken."
"Kortom: je wilt mij tot zondag in bed houden."
"Ja, natuurlijk! Als je dat ook wilt, tenminste."
"Natuurlijk wil ik dat ook, imbeciel! Ik wil er alleen nog maar uit om mijn behoefte te doen en om te douchen."
"Dat is mooi!"
"Ik mag er op rekenen, dat je met vrijen ook neuken bedoelt."
"Tuurlijk! Als ik elke dag overdag in je lieve armen mag uitrusten, zal elke nacht, die we in dit malle huisje zullen gaan doorbrengen, een wilde nacht zijn."
"Ha, daar hou ik je aan."
Even leek het erop, dat hij een voorproefje op die wilde nachten zou gaan nemen. Hij rolde haar op haar rug en drukte na enig aarzelen een kus op haar beide bovendijen. Toch had zij al vrij snel door, dat het voorlopig bij die twee kussen zou blijven. Zij voelde daar geen spijt over. De ochtenden en de middagen zouden voor hem zijn, de avonden en de nachten voor haar. Onderwijl begon zijn vermoeide gelaatsuitdrukking haar wel wat zorgen te baren.
"Ben je nou echt zo moe?", begon zij voorzichtig, "Of stel je je alleen maar een beetje aan?"
"Nee, ik ben echt helemaal uitgeput. Mijn vakantie is echt net op tijd gekomen."
"Hoe komt dat dan?"
"Ach, de pijp is gewoon leeg."
"Heb je de laatste maanden te hard gewerkt?"
"Ja, dat geloof ik wel. En de toestanden met de krant vreten natuurlijk ook heel erg aan mij."
"Heb je eigenlijk geen zin om er gewoon maar mee te kappen?"
"Ik weet het niet", antwoordde hij aarzelend, "Het klinkt heel aanlokkelijk, maar..."
"We hebben dankzij oma's vrijgevigheid nu al heel veel geld op de bank staan", zei zij, met lichte overreding, "We zullen dus zeker niet van honger omkomen als jij met werken gaat stoppen."
"Ik weet het, maar ik vind het heel moeilijk om al van je oma's erfenis te gaan leven, terwijl dat lieve mens nog leeft."
"Je weet net zo goed als ik, dat zij daar helemaal geen problemen mee heeft."
"Dat is zo, maar ik ben ook niet alleen maar moe van het werk. Stoppen met werken is volgens mij ook niet de enige oplossing voor mij."
"Waarom niet?"
"Omdat ik de laatste dagen ook nogal gedeprimeerd ben over mijn verleden. En dan met name over de dood van mijn moeder."
"Kun je wat concreter zijn?", vroeg zij voorzichtig.
"Ik moet al heel lang leven met de wetenschap, dat mijn moeder is gestorven, toen ik negen maanden oud was. Zij moet stapelgek op mij zijn geweest, zij zal mij regelmatig hebben geknuffeld en geliefkoosd, maar daar heb ik geen enkele herinnering aan. Ik aanvaard dat feit, omdat het nu eenmaal zo is, maar ik ervaar het soms toch wel degelijk als een groot gemis."
"Is het alleen de dood van je moeder, die je nu parten speelt?"
"Nee, dat is niet zo. Het is ook, omdat ik na de dood van mijn moeder twee maanden in dat tehuis heb vertoefd, waar ik ben verwaarloosd en mishandeld en waar ik misschien ook wel seksueel ben misbruikt. Over het algemeen kan ik wel met die wetenschap leven, maar er zijn ook momenten, waarop ik bij de gedachte daaraan helemaal gek dreig te worden. Ik heb het je nooit verteld, maar sinds ik van dat gedoe in dat tehuis weet heb, moet ik elke avond door een hele dikke barrière heen."
"Hoe bedoel je?"
"Het klinkt een beetje melodramatisch, maar elke keer als ik met je vrij, heb ik het gevoel, dat ik je met mijn besmeurde lichaam bezoedel. Je weet dat gevoel altijd wel weer weg te nemen door mij simpelweg in je armen te nemen en mij eindeloos te liefkozen, maar het gevoel is er elke avond weer en elke avond heb ik in het begin het gevoel alsof ik een doodzonde bega."
Zij schrok van zijn wanhopige gelaatsuitdrukking. Hij had haar niet echt iets nieuws verteld, maar die recapitulatie van de dramatische gebeurtenissen uit zijn jeugd deden haar toch weer pijn. Zij richtte zich half op en trok hem zonder aarzeling over zich heen. Dat deed hem zichtbaar goed.
"Ik kan er toch wel mee leven, hoor!", vervolgde hij, met een matte stem, "Maar ik kan er natuurlijk niet omheen, dat de jaren na mijn moeders dood mij voor het leven hebben getekend en dat ik nog steeds een beetje bang ben, dat ik daar nog eens een fikse, geestelijke terugslag van zal krijgen."
"Ik snap het, liefje. Het is ook niet meer dan normaal, dat je daar bang voor bent."
"Ja, hè? De angst wordt minder sterk, naarmate ik ouder en wijzer word, maar hij is er dus nog wel. Het is om jou, dat ik niet aan die angst toegeef, het is om jou, dat ik, koste wat het kost, overeind wil blijven en zolang ik jou elke dag bij mij kan hebben, zal het allemaal heus wel loslopen. Maar ik kan voor mijzelf niet verhelen, dat de basis, waarop ieders leven is gegrondvest - de jeugdjaren dus - in mijn geval uit niets anders dan drijfzand bestaat en er zijn wel eens momenten, waarop die wetenschap mij danig naar de keel grijpt. Door mijn verleden zal mijn bestaan zich altijd bij de rand van de afgrond blijven afspelen. Ik zal altijd moeten blijven knokken om er niet in te vallen en ik zal nooit de zekerheid hebben, dat het niet alsnog gebeurt. Het enige, wat mij troost biedt, dat ik door mijn permanente verblijf bij die afgrond anderen daarvandaan heb kunnen duwen. Ik ben altijd heel goed in staat geweest om mijn eigen leed opzij te zetten als ik met andermans leed word geconfronteerd en dat blijf ik toch wel hoopgevend vinden."
Hij had meer willen zeggen, maar iets weerhield hem daarvan. Toch waren zijn ontboezemingen zeker niet in slechte aarde gevallen. Integendeel zelfs: zij keek hem weer zeer vertederd aan. Zij kon nog niet de woorden vinden, waarmee zij hem weer in veilige haven kon loodsen, maar de tedere gebaartjes, waarmee zij hem over zijn blonde haardos streelde, bleken al over genoeg zeggingskracht te beschikken. Zij voelde hoe hij zich langzaam begon te ontspannen en zij begon hem daarna kalm uit te kleden. Hoewel zij hem heel veel te zeggen had, leek het haar beter om hem eerst een paar uurtjes van vergetelheid te gunnen en de enige plek, waar hij die zou kunnen vinden, was in haar armen.
Helaas werden ze al vrij snel gestoord, want toen zij hem op zijn slipje na helemaal had uitgekleed, ging beneden in de huiskamer de telefoon. In de hoop de beller te ontmoedigen lieten ze de bel tien keer overgaan. Bij de elfde keer hakte Trudy de knoop door.
"Ga jij, of ga ik?", vroeg zij glimlachend.
"Ik ga wel!"
Hij maakte zich met de nodige tegenzin van haar los, deed een greep naar zijn T-shirt en verhief zich van het bed.
"Kom je snel terug?", vroeg zij, met een half ernstige en half gespeelde treurigheid.
"Ja, het zal die luilebol van een Maarten wel zijn en ik zal hem dus heel snel afpoeieren."
Hij trok zijn T-shirt en zijn jeans aan en rende na een weemoedige blik op haar lichaam te hebben toegeworpen de kamer uit. Ze hoorde hem de trap afdenderen en luttele seconden later hoorde zij, hoe het gerinkel ophield.
Terwijl zij op hem wachtte, draaide zij zich half op haar linkerzij. Het was een bestudeerde pose, waarbij haar prachtige, stevige billen zeer voordelig uitkwamen. Kijkend naar haar billen en haar benen kon zij zich niet aan de indruk onttrekken, dat zij de laatste weken weer wat dikker was geworden. Dat deprimeerde haar niet. Zij liep al een poosje met het idee rond om haar dieet vaarwel te zeggen en de natuur de vrije loop te laten. Het vooruitzicht om net zo'n gezellig dikkerdje als haar moeder te worden joeg haar steeds minder angst aan.
Dennis bleef langer weg dan zij had gehoopt. Op het moment, dat zij daarover ongerust begon te worden, kwam hij met een bedrukt gezicht en met haar kleren in zijn armen de kamer binnenlopen. Hij legde de kleren over Maartens bureaustoel en ging heel voorzichtig op de rand van het bed zitten.
"Wat ben je lang weggebleven?", vroeg zij.
"Ik ben daarnet even snel naar de buren gelopen", antwoordde hij, met een zachte stem.
"Waarom?"
"Om ze te vragen, of zij de verzorging van de katten op zich willen nemen.
"Waarom?"
"Omdat wij... omdat wij hier niet kunnen blijven."
Zij kwam overeind en deed een greep naar zijn handen. Instinctief voelde zij, wat er aan de hand was, maar zij wilde het moment, waarop zij dat slechte nieuws te horen zou krijgen, nog heel even uitstellen.
"Wie belde er daarnet?", vroeg zij.
"Je moeder."
"Wat had zij te melden?"
"Zij belde vanuit het huis van oma."
"Is er iets met oma?"
Hij knikte, maar scheen het vertellen van het slechte nieuws nu ook even te willen uitstellen.
"Is er iets ergs met haar gebeurd?", vroeg zij, met een nu heel schor stemmetje.
"Ja."
"Is zij dood?"
"Ja, je moeder heeft haar een kwartier geleden gevonden."
"Hoe is het gebeurd?"
"Volgens je moeder is zij daarnet tijdens haar middagdutje overleden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft zij er niets, of heel weinig van gemerkt. Zij lag er ook heel vredig bij, met een vage, verwachtingsvolle glimlach om de lippen. Volgens je moeder was het net, alsof zij op het laatste moment iets heel prettigs had gezien. Je vader misschien, of je opa, of misschien wel allebei."
Trudy deed er voor even het zwijgen toe. De klap was hard bij haar aangekomen. Het duurde een minuut voor de volle reikwijdte van het nieuws tot haar doordrong. Toen het zover was en de tranen eindelijk loskwamen, nam hij haar zwijgend in zijn armen. De zorg was ineens weer helemaal omgedraaid. Nu zou zij weer een poosje op hem mogen steunen in plaats van hij op haar. Hij zou haar in dat opzicht zeker niet gaan teleurstellen: de komende week zou hij opnieuw een rots in de branding voor haar zijn.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 27 maart 2000. © Bert Harberts