DESPERADO

Over de levensstijl van Michael Harberts hoefde bepaald geen misverstand te bestaan. De grijzende, tweeënveertigjarige inbreker-in-ruste was een 'loner', in alle opzichten. Zijn liefdesleven van de afgelopen twintig jaar vertoonde bijvoorbeeld veel overeenkomsten met het alter ego van Colin Dexter: Inspector Morse. Hij had door de jaren heen een aantal relaties gehad, dat wel, maar dat aantal was niet groot geweest en die relaties hadden nooit lang geduurd.
Zijn voormalige beroep was de grootste boosdoener geweest. Aan geen van die vriendinnen had hij de aard van dat beroep willen onthullen en zijn verder nogal gesloten karakter was ook al geen garantie voor een bestendige relatie gebleken. Hij had zich daar inmiddels een beetje bij neergelegd. Zijn voornaamste levensdoel - rijk worden voor zijn veertigste verjaardag - had hij namelijk zonder moeite bereikt. Op zijn Zwitserse bankrekening stond een bedrag van acht cijfers, zijn beide huizen waren vrij van hypotheek en hij bezat twee saaie, maar oerdegelijke Volvo's.
Hoewel hij die bezittingen op een onwettige manier had bijeengegaard, had hij daar geen enkel schuldgevoel over. Hij had zijn beroep altijd als een soort kunstvorm gezien - "Een goede kraak kan men zonder meer als een prachtig kunstwerk beschouwen", placht hij regelmatig tot zichzelf te zeggen - en hij had door de jaren heen slechts het kapitaal bijeengeroofd, dat zijn vader door toedoen van een gewetenloze oplichter had verloren. Daarbij had hij ook nooit enige vorm van geweld gebruikt.
Toch was hij na zijn veertigste verjaardag aan een heuse midlifecrisis ten prooi gevallen; de leegheid van zijn luxueuze, maar eenzame bestaan begon hem hoe langer hoe meer tegen te staan. Zijn ouders waren inmiddels overleden, hij had geen broers en zusters en met de rest van zijn familie had hij al sinds jaren geen contact meer. Zijn eerste pogingen om aan die eenzaamheid te ontsnappen hadden iets onbeholpens gehad: hij had tot vijfmaal toe op een huwelijksadvertentie gereageerd. Hij had er geen succes mee gehad: op geen van zijn geestige, maar ook enigszins melancholisch getinte brieven had hij ooit antwoord gekregen.
Uiteindelijk waren de eenzaamheid en de verveling hem teveel geworden en was hij, voornamelijk om maar wat te doen te hebben, maar weer op rooftocht uitgegaan. Drie weken lang had hij kriskras door Nederland getoerd tot hij aan het Pieterskerkhof te Leiden een leuk doelwit had gevonden: het huis van een steenrijke advocaat, die eveneens Harberts bleek te heten en vermoedelijk ook een heel ver familielid van hem was. Hij had het huis een week lang geobserveerd en op de dag, waarop de bewoners met vakantie waren gegaan, had hij dan toch maar toegeslagen. Het bestaan van Debby, de lieftallige dochter des huizes, was hem tijdens zijn observaties echter ontgaan. Die onachtzaamheid was hem al snel duur komen te staan: zij had hem betrapt, voordat hij zelfs maar een vinger naar de brandkast had kunnen uitsteken.
Terugdenkend aan dat moment was het hem vreemd te moede. De schrik was minder sterk geweest dan zijn opluchting over het feit, dat hij eindelijk weer eens wat contact met een medemens zou hebben. De aard van dat contact was bovendien al snel in een geheel onvermoede richting gegaan. Debby was zowel uiterst coulant als uiterst doortastend geweest. Zij had volstrekt geen zin gehad om hem bij de politie aan te geven, omdat zij naar eigen zeggen geen vertrouwen in het Nederlandse strafrecht had en als tegenprestatie voor die vergevingsgezinde houding had zij alleen maar een kind van hem verlangd. Die twee doldwaze bekentenissen hadden hem al danig uit het veld geslagen, maar wat er zich vervolgens in haar slaapkamer had afgespeeld, had werkelijk al zijn verbeeldingskracht getart.
Zijn lieftallige bedgenootje van de afgelopen nacht had hem voor hun samenzijn namelijk een hartversterkertje van twijfelachtig allooi toegediend, waarmee zij zeker niet alleen zijn hart had versterkt. Hoe vaak hij die nacht was klaargekomen, wist hij niet precies. Hij hield het zelf op een keer of vijf, maar het kon ook wel tien keer zijn geweest. Na de vijfde keer was hij maar opgehouden met tellen.
Over de oorzaak van die kunstmatig opgewekte viriliteit was zij een beetje vaag geweest. Het scheen om een oud familierecept te gaan; een recept, dat al sinds meer dan honderd jaar van generatie tot generatie werd doorgegeven. Zij scheen precies te weten, welke ingrediënten in dat drankje zaten, maar was niet van zins geweest om hem die te verklappen. Hij was daar overigens in het geheel niet rouwig om.
Op de langdurige nacht was een gezellige ochtend gevolgd. Hij was volkomen uitgeteld geweest en had als een dweil aan de ontbijttafel gezeten. Tijdens dat ontbijt had zij hem de oren van het hoofd gekletst. Over zaken als haar vriendenkring, die redelijk omvangrijk was, over haar rechtenstudie, waar zij schoon genoeg van had, en over haar ouders, waarmee zij een hele sterke band had. Hij had haar ontboezemingen vertederd aangehoord, zonder veel van zijn eigen geheimen prijs te geven.
Bij het afscheid had zij hem een veelomvattende uitnodiging weten te ontfutselen. Zij zou deze avond omstreeks etenstijd naar hem toe komen, ze zouden samen uit eten gaan en daarna zou zij een paar weken bij hem blijven logeren.
Na zijn thuiskomst in zijn grote huis aan de Noordamsterdamse Buiksloterdijk was hij op zijn divan neergeploft, waarop hij vervolgens de gehele middag had doorgebracht. Nu haar komst aanstaande was, begon hij toch wel de nodige twijfels over het komende logeerpartijtje te krijgen. Terugkijkend op de voorbije nacht was hij er bepaald niet zeker van, of hij nog zo'n nacht wel zou kunnen overleven. Laat staan een serie van zulke nachten.
Hij liet zich van de divan afglijden, liep strompelend het trapje op naar de keuken en haalde een flesje 'Desperado' uit zijn koelkast. Terwijl hij grinnikend naar het label op het flesje staarde, besloot hij om maar om een passend muziekje op te zetten: hij liep naar zijn muziekinstallatie in de huiskamer, waar hij de cd 'Desperado' van de Eagles in zijn cd-speler deed. Het duurde niet lang voordat 'Doolin-Dalton' uit de nogal ouderwetse 'Wharfedale'-luidsprekers schalde. Hij zeeg weer op de divan neer, schonk zichzelf een glas in, nam een slokje en legde glimlachend zijn benen op zijn massief ogende salontafel. Het leven was zo kwaad nog niet. Hij was gezond en in de kracht van zijn leven, hij was rijk en hij had vannacht mogelijk een kind verwekt bij een jong, knap meisje, dat heel goed zijn dochter had kunnen zijn geweest. Helemaal zeker over die eventuele zwangerschap was hij overigens niet. Zij had vanmorgen niets meer over die zwangerschap losgelaten.
Hij vroeg zich af, hoe het komende logeerpartijtje zou gaan verlopen en voelde zijn onzekerheid over dat logeerpartijtje weer langzaam groeien. Terwijl hij weer fiks over het een en ander begon te tobben, ging de bel. Dat moest Debby moest zijn en hij moest toch even tot tien tellen, voordat hij zijn op hol geslagen ademhaling weer onder controle had. Het lukte hem uiteindelijk vrij aardig, want toen hij de deur opentrok, was hij in staat om haar met een kalm uitgesproken 'Hoi' te begroeten. Toch was die kalme welkomstgroet eigenlijk een beetje misplaatst, want haar verschijning was ronduit adembenemend.
Zij was een wolk van een meid van net eenentwintig. Zij had een knap gezichtje, donkerblond haar, een slank figuurtje en lange, stevige en licht gebruinde benen. Zij droeg een grijs, nauwsluitend jurkje, die tamelijk veel van dat figuurtje en die benen onthulde, en sierlijke, zwarte sandalen. In haar rechterhand droeg zij een zwart, elegant ogend reiskoffertje. In haar houding was een charmante mengeling van brutaliteit en verlegenheid te bespeuren, hetgeen hem bijzonder bekoorde.
"Wat een onverwachte en kostelijke verrassing!", sprak hij op wervende toon.
"Hoe bedoel je?"
"Ik had eigenlijk niet verwacht, dat je echt zou komen."
"Nou, zeg! Dat hadden we toch zeker afgesproken?"
"Ja, dat is zo, maar dat wil nog niet zeggen, dat jij je daaraan had hoeven houden."
"Als ik iets afspreek, dan hou ik mij daaraan", zei zij, met een zweem van irritatie.
"Dat is mooi, kindje", mompelde hij verzoenend, "Dat is mooi."
"En ik zou het zeer op prijs stellen als je mij nu zou willen binnenlaten."
"Maar natuurlijk!", antwoordde hij, achteruitstappend, "Kom er maar in."
Zij stapte giechelend de drempel open, daalde het trapje naar de huiskamer af en zette het koffertje demonstratief in het midden van de kamer neer.
"Wat een prachthuis!", riep zij uit.
"Dank je", antwoordde hij, onderwijl met de nodige omzichtigheid op het trapje plaatsnemend.
"Ik weet zeker, dat ik het hier reuze naar mijn zin zal hebben."
"Dat is mooi. Hoe lang blijf je?"
"Ha, nu ik absoluut zeker weet, dat je alleen woont, blijf ik hier, zolang als je mij hier hebben wilt."
"Ook als dat een hele lange tijd blijkt te zijn?"
"Denk je daarbij aan dagen of aan weken?"
"Nou, om je de waarheid te zeggen, denk ik meer aan decennia", antwoordde hij, een beetje sullig.
"Dat klinkt mij als muziek in de oren."
"Dat is mooi."
Zij ging op op de divan zitten, sloeg haar benen over elkaar en keek daarbij met een ietwat meewarige gelaatsuitdrukking naar zijn geluidsinstallatie.
"Wat heb jij nou voor oudbakken muziek op je draaitafel gelegd?", vroeg zij grinnikend.
"Dat is geen oudbakken muziek! Dat zijn de Eagles!"
"En die zijn niet oudbakken?"
"Als zij oudbakken zijn, dan ben ik dat ook!", was zijn ietwat narrige antwoord.
"Ach, jee! Heb ik mijn lieve, ouwe ventje op zijn lieve, ouwe teentjes getrapt?"
"Ach, nee!", gniffelde hij, "Dat valt wel mee!"
"Ah, dan is het goed."
Hij keek naar haar prachtige benen en kon de aanvechting om op te staan en in aanbidding aan haar voeten neer te zinken maar ternauwernood onderdrukken. Zijn blik bleef daarna wel op haar bungelende rechtervoetje rusten en om zijn wat al te zondige gedachten een beetje af te leiden, telde hij de riempjes van de sandaal: het bleken er maar liefst vijf te zijn.
"Waar kijk je naar?", vroeg zij liefjes.
"Naar je voet", antwoordde hij betrapt.
"Waarom?"
"Omdat hij mij aan 'Those Shoes', een ander Eagles-nummer, doet denken."
"Waar gaat dat nummer over?"
"Over een jong, onschuldig meisje, dat een sexy soort schoenen draagt en dat mede daardoor in de netten van vieze, ouwe mannetjes verstrikt dreigt te raken."
"Och, jee! Maar ik ben toch allang geen jong, onschuldig meisje meer?"
"Dat is mij bekend, ja! En om dat heuglijke feit te vieren, ga ik je nu op een overheerlijke pizza trakteren."
"Een zelfgemaakte?"
"Nee, natuurlijk niet, dom wicht! Op een pizza in 'San Remo'."
"Wat is dat?"
"'San Remo' is een hele knusse, oergezellige en steengoeie pizzeria!"
"En waar is die pizzeria dan wel?"
"O, hier in de buurt. Met de auto is het een paar minuten rijden."
"O, laten we dan maar gauw gaan", riep zij, terwijl zij opstond, "Ik rammel echt van de honger."
"Okay, dan!"
Michael griste zijn jack van de kapstok, stelde zijn inbraakalarm in, duwde Debby met een liefdevol duwtje de drempel over en sloot zijn huis af. Het was tamelijk warm, maar de bladeren van de eeuwenoude beukenboom voor zijn huis boden gelukkig enige verkoeling.
Ze stapten in Michaels Volvo en hij reed met een kalm gangetje in de richting van het Florapark. Met zijn linkerarm leunend uit het raam en met zijn rechterhand losjes op het stuur koesterde hij een ongekend geluksgevoel. Het liefst was hij helemaal niet naar de pizzeria gegaan. Hij had veel liever een ritje met de auto gemaakt.
Bij de Sneeuwbalstraat aangekomen draaide hij linksaf de Wingerdweg op, een mooi straatje aan de rand van het al even mooie Florapark. Hij wierp Debby daarbij een korte blik toe. Hij kon maar moeilijk geloven, dat zij voor altijd bij hem zou blijven. Zij had haar handen in haar schoot gelegd en zij had daardoor iets engelachtigs over zich, waardoor zijn twijfels over de bestendigheid van hun prille relatie nog toenamen. Wat had hij haar in godsnaam te bieden? Hij was een gefrustreerde en geremde man van bijna middelbare leeftijd met een verleden, waarop hij nou niet bepaald trots kon zijn. Zij was lief en mooi en zij had haar hele leven nog helemaal voor zich. De verschillen tussen hen waren groot en onoverbrugbaar voor zijn gevoel en zijn geluksgevoel ebde langzaam weg.
Bij het Mosveld sloeg hij rechtsaf. Hij passeerde een paar smalle straten en parkeerde zijn auto op een grote en vrijwel lege parkeerplaats voor het restaurant. 'San Remo' was een typisch buurtrestaurant, maar wel een die op alle mogelijke manieren floreerde. De tafeltjes waren vrijwel elke avond goed bezet en de bromfiets- en autokoeriers brachten door heel Noord hun bestellingen rond. Het kleine terras zat ook op deze avond helemaal vol; bij de kassa stond een lange rij van afhalers.
Ze stapten uit en liepen het restaurantje binnen. Het verkleinwoordje is hier niet misplaatst: het restaurant had de oppervlakte van een bescheiden snoepwinkeltje. De wanden waren met witte structuurverf beschilderd, het houtwerk had een paarsachtige kleur, de tafels en stoelen waren klein en petieterig en op de vloer liep, Gompie, een suffige, oude kat rond. Achter de bar stond Gigi, een knappe, ongeveer veertigjarige man, die al sinds jaren de trotse eigenaar van 'San Remo' was. Het stelletje koos voor een tafeltje bij het raam en ze werden al snel door Gigi van een karaf witte wijn en wat stokbrood voorzien.
Tijdens die eerste minuten bleven ze welgemoed zwijgen. Debby keek met een wat dromerige blik voor zich uit en Michael vroeg zich af, hoe de avond verder zou gaan verlopen. Hij achtte de kans vrij groot, dat ze na het eten snel in bed zouden belanden, maar hij hoopte dat moment toch nog wel even uit te kunnen stellen. Uiteindelijk wist Debby toch een redelijk geschikt gespreksonderwerp aan te roeren.
Na het eten van het stokbrood wist zij een redelijk geschikt gespreksonderwerp aan te roeren.
"Was het nou echt nodig, dat je daarnet je inbraakalarm instelde?", vroeg zij, op een zoetsappig toontje.
"Ja, jôh!", antwoordde hij, met een stalen gezicht, "We hebben daar echt heel veel last van inbrekers."
"Oh, meen je dat?"
"Ja, en die hufters stelen echt als de raven."
"Wat een gore teringlijers!"
"Ja, hè?"
"Ze zouden ze allemaal met een blok beton aan hun been in het IJsselmeer moeten werpen."
"Vind ik ook. Het is ook maar goed, dat ik er zelf mee ben gestopt."
"Is dat zo? Ben je nu dan eindelijk met de vut gegaan?"
"Erewoord! Gisteren heb ik mijn allerlaatste kraak gezet."
"Je hebt gisteren helemaal geen kraak gezet!", zei zij gniffelend, "Daar heb je helemaal de kans niet toe gekregen."
"Je hebt volkomen gelijk, kindje! Ik zal het dus op een andere manier formuleren: ik heb gisteren voor de allerlaatste keer ingebroken."
"Meen je dat nou?"
"Waarom zou ik dat niet menen?"
"Ik had eigenlijk dolgraag een keer met je meegewild."
"Wel, dat zal er dus niet meer van komen. Ik ben nu definitief met pensioen."
"Hm, jammer, hoor!"
"Heb je er eigenlijk geen spijt van, dat je mij gisteren niet bij de politie hebt aangegeven?"
"Nee, natuurlijk niet, idioot!", was het prompte antwoord, "En je weet maar al te goed waarom!"
"Wat staat jou, in je hoedanigheid van een door de wol geverfde studente in de rechten, eigenlijk zo in ons strafrecht tegen?"
"Alles! Ik zie bijvoorbeeld niet in, waarom fraudeurs en inbrekers naar de gevangenis zouden moeten en ik zie ook niet in, waarom onverbeterlijke zedendelinquenten en moordenaars van kinderen er ooit uit zouden moeten komen. Voor de eerste categorie is een alternatieve dienstverlening de perfecte straf en voor de laatste categorie is de doodstraf eigenlijk nog niet streng genoeg."
"Dat klinkt heel genuanceerd."
"Tja, maar het lijkt mij geen pretje om met dat soort opvattingen de advocatuur in te moeten gaan."
"Kun je niet beter zeggen, dat het volstrekt onmogelijk is?"
"Tot die conclusie ben ik inmiddels ook wel gekomen. Ik heb gisteren het besluit genomen om er onmiddellijk mee te kappen."
"Hm, ben je daar toch niet wat haastig mee?"
"Nee, ik loop er al heel lang over te tobben. Het is ook geen impulsieve daad. Het was meer een kwestie van eindelijk de knoop doorhakken."
"Vind je het niet zonde van de tijd, die je aan die studie hebt besteed?"
"Nee, niet echt. Het is best wel een lollige tijd geweest. Maar ik vind het wel zonde van het geld, dat mijn arme papa aan die nare rotstudie heeft besteed. Ik ben ook van plan om snel te gaan werken en hem het geld cent voor cent terug te betalen."
"Weet hij dat?"
"Ja, ik heb mijn ouders vanmorgen in hun Ierse vakantiehuisje gebeld."
"Wat vinden ze ervan?"
"Mijn moeder vindt het maar zozo, maar mijn vader vindt het prima. Hij had allang door, dat ik schoon genoeg van die studie had en hij vindt het zo lief van mij, dat ik het studiegeld ga terugbetalen, dat hij mij meteen maar een baantje als secretaresse in zijn firma heeft aangeboden."
"Ga je dat doen?"
"Ja, ik denk het wel. Ik zie reikhalzend uit naar de tijd, waarop ik voor mijzelf kan gaan zorgen en als ik nu al kan gaan werken voor het geld, dat ik van die lieve, ouwe lobbes krijg, dan zal dat mijn ego bepaald geen kwaad doen."
"Dat is mooi."
De twee pizza's, een 'Pizza Luigi' voor Michael en een 'Quattro Formaggi' voor Debby, werden geserveerd en tijdens het eten bleven ze weer hardnekkig zwijgen. Daar was een goede reden voor. De pizza's waren zonder meer van topkwaliteit - volgens Michael waren ze veruit de beste pizza's van Amsterdam - en ze deden de pizza's alle eer aan door ze in recordtijd te verorberen.
"Hoe is het nou met je?", vroeg zij, toen zij met een voldaan gezicht haar mond had afgeveegd.
"Ik ben een beetje moe."
"Van vannacht?
"Ja."
"Heb je er wel een beetje van genoten?"
"Ja, het was... eh..."
"Zeg het maar!"
"Het was wonderbaarlijk. Ik ben niet zo heel erg ervaren, waar het seks betreft, maar ik besef maar al te goed, dat ik over de afgelopen nacht alleen maar in superlatieven mag spreken."
"Dat is mooi. En ik had ook niet anders verwacht."
"Desondanks kan ik er niet omheen, dat ik op dit moment toch wel danig ben uitgeput."
"Goed zo!"
Zij sloeg haar benen over elkaar, waarbij haar sandaal even zijn linkerkuit schampte, en wierp hem een wat jolige blik toe.
"Kom je hier eigenlijk vaak?", vroeg zij.
"Eén keer per week."
"En altijd alleen?"
"De laatste jaren wel."
"Vind je het niet vervelend om in je eentje te moeten eten?"
"Nee, niet echt. Ik ben een rare einzelgänger, wat dat betreft. Ik kan mij hier kostelijk amuseren in mijn eentje. Met het eten, met het drinken en met het zomaar wat voor mij uit staren en met het zomaar een beetje nadenken. Ik heb vorig jaar een prachtig verhaal van Anton Tsjechow gelezen over een man, die zich na wat pech in de liefde helemaal op de culinaire geneugten des levens had gestort en daar uiteindelijk volmaakt gelukkig mee was. Iets van die 'Ionitsj' herken ik toch wel in mijzelf. Dit tentje fungeert ook echt als een tweede huiskamer voor mij."
"En die genegenheid is wederzijds?"
"Ja, ze zijn hier altijd vreselijk aardig voor mij."
"Vind je het eigenlijk wel prettig, dat ik er nu ook bij zit?"
"Ja, natuurlijk!"
"En je bent er ook wel blij mee, dat ik mijzelf voor die levenslang durende logeerpartij heb uitgenodigd?"
"Ja, natuurlijk! Als je van verlegen mensen zoals ik iets gedaan wilt krijgen, moet je ze genadeloos voor het blok zetten. Als je dat vannacht en vanmorgen niet had gedaan, had je mij nooit meer teruggezien."
"Hoe kom jij zo verlegen?"
"Ach, het zit zo in de aard van het beestje. Daarbij komt, dat ik toch wel een heel roerig leven achter de rug heb."
"Verklaar je eens nader."
"Ach, de eerste tien jaren zijn heel normaal en harmonisch verlopen, maar in de tien jaar daarna zijn er heel veel dingen misgegaan. Eerst de ziekte en dood van mijn moeder, daarna het faillissement van mijn vader en tenslotte dan de dood van mijn vader. Ik heb die tien jaar meer meegemaakt dan een ander in een heel leven."
"En hoe waren de daaropvolgende twintig jaar?"
"In vergelijking met de tien jaar daarvoor eigenlijk heel plezierig. Ik ben in die twintig jaar heel erg rijk geworden en ik heb nu echt alles, wat mijn hartje begeert, maar er is, om wat er in die eerste twintig jaar van mijn leven is gebeurd, toch wel een zweem van melancholie over mijn leven blijven hangen."
"O, maar daar heb ik geen enkel probleem mee, hoor!"
"Mag ik daaruit afleiden, dat de sterke liefde, die ik voor jou voel, wederzijds is?"
"Dat mag je niet alleen: dat moet je!"
"Zullen we dan maar snel gaan trouwen?"
"Trouwen?", was haar niet-eens-zo-verbaasde wedervraag.
"Ja, waarom niet? Per slot van rekening kennen we elkaar al zestien uur."
"Dat is verdomd lang, hè?"
"Ja, precies! Nou zou je desondanks natuurlijk kunnen zeggen, dat ik wat hard van stapel loop, maar dat is ook maar betrekkelijk. Als we honderd jaar eerder waren geboren, was zo'n vroeg aanzoek heel normaal geweest en dan had je nu heel voldaan voor je uitgekeken en mij zachtjes prevelend en met charmant knipperende oogleden je jawoord gegeven."
Zij keek hem peilend aan en begon weer te lachen. Het was ditmaal een heel plezierig lachje, dat hem als muziek in de oren klonk.
"Hou je echt van mij?", vroeg zij, met een teemstemmetje.
"Ik aanbid de grond, waarop je loopt", antwoordde hij prompt.
"Echt waar?"
"Ja, kindje. Ik heb nooit durven denken, dat ik dat ooit nog een keer zou mogen zeggen, maar..."
"Zeg het dan nog maar een keer!", kraaide zij uit.
Hij nam grinnikend haar linkerhand in de zijne, drukte daar op een onnavolgbaar elegante wijze een kus op en herhaalde toen zijn liefdesverklaring:
"Ik aanbid de grond, waarop je loopt, mijn lief. Ik wil echt dolgraag met je trouwen en ik wil ook echt dolgraag een kind van je."
"Wil je ook echt een kind?", vroeg zij liefjes.
"Ja, natuurlijk wil ik dat echt!", antwoordde hij lachend, "Als jij het tenminste niet erg vindt om binnenkort een handig inbrekertje of zakkenrolstertje ter wereld te brengen."
"O, dat zit wel goed, jochie!" zei zij, met een gelukkige en een door en door moederlijke blik in haar ogen.
"Is dat een jawoord?"
"Nou en of dat een jawoord is! Ik wil ook echt heel graag met jou trouwen. En liever vandaag nog dan morgen!"
"Waarom?"
"Omdat mijn moeder het dan misschien niet zo erg zal vinden als zij over een paar maanden ontdekt, dat ik vanochtend met de pil ben gestopt."
Michael voelde het bloed uit zijn wangen wegtrekken en wist zich even geen raad met zichzelf.
"Vind je het gek, dat ik het haar niet heb verteld?", vroeg zij, met een half gemene, half vertederde gelaatsuitdrukking.
"Neuh..."
"Het is eigenlijk een heel normale zaak, hoor. Toen ik haar vanochtend vertelde, dat ik met mijn studie ging stoppen, kon ik het niet over mijn hart verkrijgen om haar ook nog eens te zeggen, dat ik met de pil was gestopt, omdat ik zo'n leuke, sexy inbreker had ontmoet van wie ik, koste wat het kost, een kind wilde hebben. Dat was waarschijnlijk toch een beetje teveel van het goede voor haar geweest."
"En dus..."
"Heb ik maar even mijn mond gehouden."
"Ik snap het. Alleen..."
"Alleen wat?"
"Alleen snap ik niet, waarom je niet een poosje hebt gewacht met het stoppen met de pil."
"Waarom zou ik een poosje moeten wachten?"
"Omdat je mij daarnet hebt verteld, dat je eerst je studiegeld aan je vader wilt gaan terugbetalen."
"Hè, jôh! Doe niet zo ouderwets! Het een hoeft het ander toch niet uit te sluiten?"
"Dat is waar! Er zijn per slot van rekening crèches in overvloed."
"Ha! Je denkt toch niet, dat ik mijn kind op een crèche zal gaan stoppen, als ik thuis een vent heb zitten, die ik gratis en voor niks voor de verzorging kan laten opdraaien?"
"Doel je daarmee op mij?"
"Natuurlijk doel ik op jou!"
"O, wat lief van je!", zei hij grijnzend.
"Ja, dat is inderdaad heel lief van mij", zei zij, op een kordate toon, die geen tegenspraak duldde, "Want ik denk namelijk, dat het heel goed voor je zal zijn. Volgens mij zit je toch maar de hele dag uit je neus te vreten."
"Dat laatste is niet geheel bezijden de waarheid."
"Ja, hè? En geloof mij: zodra ik aan jou de dagelijkse zorgen van dat kleine hummeltje heb toevertrouwd, zal de 'zweem van melancholie, die boven jouw leven is blijven hangen', echt heel snel verdwenen zijn."
"Dat denk ik ook wel, ja!"
"Prima, dat is dan mooi geregeld. Jij wordt vanaf nu de huisman in ons gezin en ik breng vanaf nu het geld binnen. Vanaf nu hoef je je dus nergens meer zorgen over te maken."
"O, kind, wat heerlijk!", riep hij, met opzet de schoonmoeder van Maarten Koning citerend.
"Ik dacht wel, dat je daar blij mee zou zijn."
Ze bleven even zwijgen. Hij kon zijn ogen niet van haar afhouden, maar was niet echt in staat om nog iets zinnigs te zeggen. Gelukkig voor hem bleek zij daar op dit moment ook niet echt behoefte aan te hebben.
"Weet je, waar ik nou ontzettend veel zin in heb?", vroeg zij.
"Nou?"
"Ik heb ontzettend veel zin om jou een toegift voor de afgelopen nacht te geven."
"Mag ik bedanken?", antwoordde hij koeltjes, "Ik wil er vanavond liever een rustig avondje van maken."
"Met tv-kijken?", vroeg zij, met een vies gezicht.
"Nee, met een gezellig autoritje."
"O, dat lijkt mij ook wel leuk! Waar wil je heen?"
"Waarheen de wind ons waait. Ik wil zomaar wat gaan rijden."
"Dat lijkt mij een goed plan."
"Ja, hè? We'll be ridin' with Lady Luck. Net als in 'Ol'55' van Tom Waits en de Eagles."
"Ha, dat nummer ken ik!"
"Dat doet mij deugd. Dan ben ik toch niet zo'n ouwe lul als ik dacht."
"Dat staat nog maar te bezien, want het is natuurlijk wel zo, dat de 'Ol'55' nu niet op de auto, maar wel op de bestuurder slaat."
"Je hebt gelijk!", riep hij schaterend, "Goh, ik heb nooit durven denken, dat de auto in dat nummer ooit nog eens op mijzelf zou worden betrokken, maar nu ik erover nadenk, heb ik daar eigenlijk geen enkel bezwaar tegen."
"Dat is een hele opluchting."
"Zullen we dan maar meteen weggaan?"
"Prima!"
"Wil je eerst nog langs mijn huis gaan?"
"Nee, hoor! We kunnen meteen de grote weg op. We hoeven vannacht ook niet naar huis te gaan en wat mij betreft, kunnen we de nacht ook wel in de bossen of de duinen doorbrengen."
"Dat lijkt mij een hemels vooruitzicht", zei hij droogjes, "Maar ik zat zelf meer aan een van alle gemakken voorziene kamer in een Limburgs kasteelhotel te denken. Met zo'n lekker, zacht bed, waarin het ook goed slapen is."
"O, dat is ook goed."
Michael stond op om af te rekenen. Het etentje had hem goed gedaan. Zijn vermoeidheid was verdwenen, het bommetje, dat zij daarnet zo achteloos had laten ontploffen, had hem heel vrolijk gemaakt en het vooruitzicht op een lange en o zo plezierige autorit maakte zijn geluk eigenlijk wel compleet. Hij gaf Gigi dan ook een enorme fooi, waarvoor hij omstandig werd bedankt, en daarna verlieten Michael en Debby het restaurant en liepen ze hand in hand naar de auto terug.
Voor ze wegreden, stopte hij een bandje met onbekende Eagles-nummers in zijn cassettedeck. Het eerste nummer, 'Outlaw man', had een paar heel toepasselijke beginzinnen, "I am an Outlaw, I was born an Outlaw's son. The highway is my legacy, on the highway I will run." Hij hoorde ze met een effen gezicht aan en schoot vervolgens keihard in de lach. Het zou er vermoedelijk nooit van komen, maar het idee om samen met dit verrukkelijke meisje een enorme kraak te gaan zetten, kwam hem ineens heel aanlokkelijk voor.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 7 augustus 2000. © Bert Harberts