FAMILIEGEHEIM

Het was een druilerige zaterdagavond in november. Buiten op het Pieterskerkhof waren de klinkers nat van de regen; binnen zat een meisje achter haar bureau te werken. Het was Debby Harberts, de achttienjarige dochter van een van de rijkste advocaten van Leiden. Zij had een knap gezichtje met halflange, donkerblonde haren, zij was slank en zij droeg een strak, grijs mini-jurkje.
Debby leidde een volstrekt zorgeloos leventje. Haar ouders waren dol op haar en verwenden haar op een bijna stuitende wijze, zij had de afgelopen zomer haar Atheneum-diploma gehaald en was daarna op haar gemak aan een rechtenstudie begonnen en zij had een uitgebreide vrienden- en vriendinnenkring, waarin voor een vast vriendje nog niet echt plaats was. Het was overigens geen 'Life in the Fast Lane', dat zij leidde. Zij gebruikte geen drugs, zij hield zich verre van housefeesten, zij was geen lid van een studentenvereniging en zij bewoog zich voornamelijk in het wat alternatieve deel van de plaatselijke studentengemeenschap, waar zij zich door haar voorkeur voor mooie, sexy kleren overigens danig wist te onderscheiden.
Aan de andere kant hield zij er ook geen ascetische levensstijl op na. Zij rookte een pakje 'Barclay's' per dag en zij was verzot op Belgisch bier. Ook in haar seksleven wist zij een charmant evenwicht te bewaren: zij had, net als de verrukkelijke Carrie uit 'Four Weddings and a Funeral', in de afgelopen twee jaar 'meer vriendjes dan prinses Diana gehad, maar minder dan Madonna.'
Zij had sinds kort een eigen appartementje in haar ouderlijk huis. Dat bestond uit een ruime zitkamer aan de voorzijde van het huis en een kleinere slaapkamer en een keukentje aan de achterzijde. Het meubilair in de zitkamer was strak van vormgeving en gerieflijk in het gebruik, in de slaapkamer stonden een tweepersoonsbed en een paar kasten, en het keukentje was van alle gemakken voorzien.
Voor de komende avond had zij geen wilde plannen. Zij had geen afspraken en zij was vast van plan om vanavond maar eens thuis te blijven. Soms had zij elke avond wel een afspraak of een feest, maar soms waren er avonden, waarop zij even op adem wilde komen. Dit zou dus een van die rustige avonden gaan worden. Zij sloeg haar studieboek dicht, schoof haar aantekeningen terzijde en stond van haar stoel op. Het was haar in de kamer wat te stil geworden; het was de hoogste tijd voor wat muziek. Zij liep op blote voeten naar haar cd-speler, pakte blindelings 'From the Craddle' van Eric Clapton uit het nevenstaande rekje en deed de cd in de cd-speler. Onder de klanken van het magistrale 'Blues before sunrise' liep zij naar haar divan, waar zij zich met een diepe zucht op neervlijde.
Zij stak een sigaret op en nam 'Het verstoorde leven' van Etty Hillesum weer ter hand. Zij was daar vorige week op aanraden van haar vader aan begonnen. Eerst met een zekere tegenzin, daarna met veel enthousiasme. Tot nu toe had zij elke avond voor het slapen gaan een fragment gelezen; de komende avond wilde zij er wat meer tijd aan gaan besteden. Op het eerste gezicht waren er alleen maar wat uiterlijke overeenkomsten tussen Etty en haarzelf. Zij bewonderde Hillesum om de bereidheid zichzelf op te offeren en 'het lot van haar volk te delen', maar vond de manier, waarop de intelligente Hillesum zich in de netten van een zweverige psycho-chiroloog had laten vangen, nou niet bepaald van gezond verstand getuigen.
Toch merkte zij nu ook weer een aantal overeenkomsten tussen haar karakter en dat van Hillesum op. Zij zag haar sterke sensualiteit in Hillesum terug, haar onwil om zich nu al aan ťťn man te binden, haar vage, maar nog niet in de praktijk gebrachte voorkeur voor oudere mannen en haar geloof in God.
Gezien de humanistische achtergrond van haar ouders kon dat geloof van haar wel opmerkelijk worden genoemd. In de afgelopen maanden had zij dan ook felle discussies met haar anti-religieuze moeder moeten voeren. Uit die discussies was uiteindelijk geen winnares tevoorschijn gekomen. Ze hadden elkaar niet van elkaars gelijk kunnen overtuigen, hetgeen Debby met een stiekeme trots had vervuld. Beetje bij beetje begon zij volwassen te worden en stapje voor stapje wist zij zich van haar nogal bazige moeder los te maken.
Juist op dat moment meldde haar moeder haar via de intercom, dat de koffie klaar stond. Zij doofde haar sigaret - haar moeder had haar ronduit verboden om buiten haar eigen kamer te roken - en liep neuriŽnd de slaapkamer uit.
De salon bevond zich op de begane grond. Zij moest dus twee trappen afdalen, voor zij zich bij haar ouders kon voegen. Vader Wouter was een kleine, gedrongen man van vierenvijftig, met dik zwart haar en een bijzonder olijke oogopslag, moeder Jeanneke, lerares Engels van beroep, was een struise, blonde vrouw van tweeŽnveertig. Het echtpaar zat op twee, haaks op elkaar staande sofa's aan de tuinkant van de salon. Jeanneke zat op de sofa langs het venster en Wouter zat op de sofa langs de linkerwand. Ze waren allebei, zoals op praktisch elke zaterdag, in vrijetijdskleding gehuld; op deze avond droegen ze allebei een donkerbruine trui en een blauwe spijkerbroek.
Na Debby's binnenkomst in de salon verstomde de conversatie tussen haar ouders. Dat bevreemdde haar een beetje; over het algemeen had het gezin weinig geheimen voor elkaar. Jeanneke keek haar ook wat gehinderd aan. Het was net, alsof zij zich ergens over geneerde. Wouter daarentegen leek zich zeer over de binnenkomst van zijn dochter te verheugen. Hij keek eerst met vaderlijke tederheid toe, hoe zij op een gerieflijke, leren stoel aan de andere kant van de salontafel plaatsnam, en liep vervolgens met een wat waggelende tred naar haar toe.
"Dag, kindje!", zei hij, een kus op haar wang drukkend.
"Dag, paps!", zei zij, een tikje verbaasd.
"Alles goed met je?"
"Ja, hoor!"
"Prima! Prima!"
Hij gaf haar een tikje op haar hand en schonk haar opnieuw een vaderlijke blik, waarin ditmaal echter ook iets ondeugends was te lezen.
"Zou ik misschien mogen weten, waaraan ik deze plechtige begroeting te danken heb?", vroeg zij, met stijgende verbazing.
"Dat mag je. Vragen staat natuurlijk altijd vrij."
Hij maakte echter geen aanstalten om antwoord te geven. In plaats daarvan wendde hij zich af naar het dienblad met koffie en taart, dat tezamen met twee vreemde pakjes op de tussen de sofa's ingeklemde salontafel stond. Hij schonk een kop koffie voor haar in, sneed een stuk van de appeltaart af, spoot daar wat slagroom overheen en reikte haar de beide traktaties aan.
"Dank u!", mompelde Debby.
"Alsjeblieft, kindje."
"En mag ik nu ook een antwoord van mijn vraag?"
"Wel, kindje!", antwoordde hij, met een kort lachje, "Een van de redenen van mijn plechtige begroeting is gelegen in het feit, dat je moeder en ik deze avond hebben uitgekozen om jou in een soort familiegeheim in te wijden."
"Familiegeheim?", vroeg zij, wat onzeker.
"Ja, ja!", antwoordde haar vader, onderwijl weer op de bank plaatsnemend, "Het is een heus familiegeheim."
"O, werkelijk?"
"Ja, ja, buiten de leden van de Leidse tak van de familie Harberts is er niemand, die er iets van afweet."
"Ik eh... ik weet niet, wat ik zeggen moet..."
Wouter leek haar verwarring wel te begrijpen en ging snel verder met zijn betoog:
"Maar voor ik je dat leuke, ondeugende geheim onthul, wil ik eerst even het woord aan je moeder geven."
De stuurse gelaatsuitdrukking van Jeanneke verzachtte zich. Zij stond van de bank op, greep een van de gereed liggende pakjes en liep naar Debby toe.
"Lieve Debby!", sprak zij, met een zweem van een glimlach, "We hebben in juni op dezelfde dag het behalen van je Atheneum-diploma gevierd en het bereiken van je achttiende verjaardag gevierd en hoewel dat een groot feest is geweest, hebben je vader en ik de laatste maanden het gevoel gehad, dat we je daarmee een beetje tekort hebben gedaan."
"Dat is niet zo!", wierp Debby tegen, "Althans, dat voel ik niet zo."
"Dat siert je, lieverd. Maar wij voelen het dus wel zo. We hebben je van een wolk van een baby tot een leuke, knappe en vooral weerbare meid zien opgroeien en omdat je nu dus achttien en voor de wet volwassen bent, willen we daar nog heel even bij stilstaan."
"En je dus twee extra cadeautjes geven!", vulde Wouter lachend aan.
"Precies", zei Jeanneke, "Dit pakje hier is dus mijn cadeautje. Het is iets volkomen anders dan het cadeautje van papa. Het is namelijk een boek. Een heel, dik boek, waarvan ik zeker weet, dat je het nog niet hebt gelezen en je krijgt het van mij, omdat ik de laatste weken heb gemerkt, dat je daar misschien toch wel behoefte aan hebt. Ik hoop echt, dat je het zult lezen en dat je het als een nuttige aanvulling op je opvoeding zult beschouwen. Al kan ik niet verhelen, dat ik diep in mijn hart nog steeds hoop, dat je na lezing de inhoud als de grootst mogelijke onzin zult beschouwen."
Zij overhandigde het cadeautje aan haar verbouwereerde dochter, die het vervolgens met trillende vingers begon uit te pakken. Het bleek een bijbel te zijn. Een exemplaar zonder opsmuk, een ingebonden boekwerk met een rode kaft en een simpele, goudkleurige opdruk.
"O, wat lief van u!", riep Debby enthousiast.
Zij sprong op, omhelsde haar moeder en gaf haar drie stevige kussen op de wangen.
"Ben je er blij mee?", vroeg Jeanneke, met iets, wat verdacht veel op ontroering leek.
"Ja, en dan vooral omdat ik hem van u krijg."
"Je had hem ook van niemand anders mogen krijgen. Dit is het enig mogelijke teken, waarmee ik je kan laten blijken, dat ik, behalve je verfoeilijke rook-en drinkgewoonten, ook je levensbeschouwing accepteer en respecteer."
"Ik snap het. En daar ben ik u ook heel dankbaar voor."
"Bravo!", sprak Wouter plechtig, "En dan is het nu mijn beurt."
Hij nam het tweede cadeautje ter hand, keek er even peinzend naar en leek opnieuw even naar woorden te moeten zoeken. Debby maakte onderwijl van de gelegenheid gebruik om aan haar taartstukje te beginnen. Haar moeder was inmiddels weer gaan zitten en keek haar man een beetje spottend aan.
"Zeg het nou maar!", zei zij.
"Okay!", begon hij aarzelend, "Laat ik jullie om te beginnen een leuk nieuwtje verklappen: ik heb vorige week van heel aardige vent uit Den Haag een stamboom van onze familie opgestuurd gekregen."
"O, wat leuk!", riep Debby.
"Dat is het zeker! Ik heb een avondje aan het lezen en bestuderen van de stamboom besteed en daaruit heb ik de volgende feiten kunnen ventileren. Wij, de familie Harberts, stammen uit een geslacht van boeren, bakkers, generaals en gifmengers. De eerste Harberts, wiens naam is achterhaald, stamt uit 's Heerenberg, dat plaatsje in de Achterhoek bij de Duitse grens. Een van diens nazaten is naar Amsterdam verhuisd en die nazaat heeft weer nazaten verwekt, die in de loop van de jaren en eeuwen naar Weesp, Den Haag en Leiden zijn verhuisd."
"Heb ik u daarnet het woord 'gifmengers' horen noemen?", vroeg Debby, een tikje bedeesd.
"Jawel! Maar dat was min of meer gekscherend bedoeld, hoor. De gifmenger, waar ik op doel, was mijn overgrootvader, Pieter Franciscus Harberts, een bakker, die op 28 oktober 1855 in Weesp is geboren en die zich vijfentwintig jaar later als broodbakker in Leiden zou gaan vestigen."
"Waarom heeft u hem daarnet dan een gifmenger genoemd?", vroeg Debby gniffelend.
"Omdat hij zelf zijn wijn bottelde. Wijn, die hij alleen voor zichzelf hield."
"Maar dat doet u toch ook?"
"Precies, maar de wijn, die ik voor eigen gebruik bottel, is precies dezelfde wijn, die hij ook altijd bottelde. Het familierecept is namelijk in die honderdvijftig jaar bewaard gebleven."
"Is hij dan zo lekker?"
"Hij is helemaal niet lekker!"
"Nee?"
"Het is bocht! Hij is niet te zuipen! Hij smaakt als slootwater. Hij is eigenlijk alleen maar te drinken als je hem met flink veel Ranja aanlengt."
Debby schoot in de lach, waardoor het stuk taart op haar schoot viel. Zij zette het schoteltje met het stuk taart op de tafel terug, wreef haar jurkje zo goed mogelijk schoon en wierp vervolgens een korte blik op haar moeder, die in gedachten verzonken met de pluizen van de vloerbedekking zat te spelen.
"Eh...", begon zij, "Het is misschien een domme vraag. Maar zou u mij dan kunnen zeggen, waarom u die hoofdpijnwijn dan blijft bottelen?"
"Omdat hij een uiterst plezierige bijwerking heeft."
"Welke dan?"
"De wijn werkt potentieverhogend."
Debby gierde het uit. Het was ditmaal een zeer aanstekelijke lach, waarmee zij ook haar moeder weer een beetje ontdooide.
"Dat meent u niet!", riep zij.
"Ik meen het wel, liefje!", zei Wouter kalm, "Twintig druppels van die wijn in een bierglas met Ranja doen echt wonderen."
"In welke zin?"
"Hoe bedoel je?", was de schijnheilige wedervraag.
"Hm, laat ik het even discreet omschrijven: gaat de man, die met dit middeltje is gedrogeerd, als een dolleman tekeer? Of kan hij uren doorgaan?"
"Ah, ik begrijp, wat je bedoelt. Nee, wees maar niet bang: het is echt voor de genieters bestemd! Als jij je eerstvolgende vriendje een glaasje Ranja-met-nog-iets voorzet, zal hij uren kunnen doorgaan, maar hij zal zich daarbij zeker niet als een beest gaan gedragen."
"Is dat waar?", vroeg Debby aan haar moeder.
"Het is echt waar, lieverd!", was het wat besmuikte antwoord.
"Het werkt echt!", sprak Wouter, met een stalen gezicht, "Ik wil niet voor mijzelf spreken, maar je grootvader schijnt eens twintig orgasmes op een avond te hebben gehad."
"Oh, dat verzint u!", riep Debby, rood aanlopend.
"Nee, hoor! Die ouwe heeft het mij zelf vaak genoeg verteld."
"Heeft hij die dan allemaal bij oma gehad?", vroeg zij, met een verstikte stem.
"Ja, natuurlijk!", antwoordde hij, enigszins gepikeerd, "Je weet net zo goed als ik, dat je grootvader er hoogstaande principes op nahoudt. Hij is je oma zijn hele leven trouw gebleven."
"O, arme oma!"
Dat was voorlopig het laatste, wat zij kon uitbrengen: zij was door die litanie van idiote onthullingen in een hevige lachstuip verstrikt geraakt. Het duurde een poosje, voordat zij zichzelf weer onder controle had, maar het lukte haar uiteindelijk wel.
"Gaat het weer een beetje?", vroeg Wouter lachend.
"Ja", antwoordde zij kleintjes.
"Mooi zo!"
"Maar ik geloof pas echt, dat het werkt, als ik dat spul een keer op iemand heb uitgeprobeerd."
"Hm, ik snap best, dat het allemaal een beetje ongeloofwaardig op je overkomt. Maar geloof mij maar: je zult er echt versteld van staan."
"Zit het daar in?", vroeg zij, wijzend op het pakje in zijn hand.
"Ja."
"Wat is het? En wat belangrijker is: hoeveel zit er in?"
"Het is een flesje, waarin vroeger een hoestdrankje heeft gezeten. Met daaromheen een papiertje met de receptuur, de bereidingswijze en de gebruiksaanwijzing. Er zit genoeg in om bij dagelijks gebruik een heel jaar mee toe te kunnen."
"Krijg ik nog wel een cursusje voor die bereiding?", vroeg zij, met een wat nuffige gelaatsuitdrukking.
"Vanzelfsprekend!"
"Ah, dat is een hele opluchting!"
"Dus je wilt het echt hebben?", vroeg Jeanneke.
"Natuurlijk wil ik het hebben!"
"En je bent niet bang voor de eventuele gevolgen?"
"Nee, hoor!", was het montere antwoord, "Als het echt werkt, zal ik er ook op gepaste wijze gebruik van gaan maken. Maar dan natuurlijk wel op de manier, die mij het meeste genot geeft."
"There you go!" riep Wouter schaterend.
"Dus kom nou maar op met die handel!"
"Goed, liefje."
Hij stond op, liep naar haar toe, overhandigde haar het pakje en sprak daarbij de volgende woorden uit:
"Lieve, lieve Debby! Mag ik je dan hierbij je eerste flesje van de enige, echte, onvolprezen 'Harberts Special' aanbieden..."
Verder kwam hij niet. Debby gierde het weer uit en ditmaal lachte ook haar moeder hartelijk met haar mee.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 21 juni 2000. © Bert Harberts