DE TERUGKEER

1. Trudy deed de schemerlamp in haar huiskamer uit en liep met een wat triest gezicht naar haar slaapkamer. Haar houding oogde lusteloos; haar tred was loom. Zij was de hele dag alleen geweest en zij wist niet zeker, of haar echtgenoot Dennis, journalist van professie, vannacht nog zou thuiskomen. Dat vooruitzicht van een lange, eenzame nacht stond haar tegen; het alleen zijn kon haar de laatste tijd soms danig deprimeren. Ook nu was zij neerslachtig en de redenen voor die neerslachtigheid, de afwezigheid van Dennis en het feit, dat de komende dag achttiende sterfdag van haar vader was, beangstigden haar een beetje.
Zij kleedde zich uit, trok een zwarte babydoll aan en bekeek zichzelf in de wandspiegel. Dat spiegelbeeld kon haar goedkeuring wel wegdragen en niet ten onrechte. Zij had een knap gezichtje, half-lang blond haar, een mollig figuurtje, lange, stevige benen en kleine, mooi gevormde voeten. De aanblik van haar schoonheid kikkerde haar weer wat op en het geluid van een naderende fiets met een deerlijk versleten trapas deed haar zelfs nog meer goed: het was namelijk de fiets van Dennis.
Zij stond op, streek met nerveuze gebaartjes de niet-bestaande plooien in haar babydoll glad en rende de slaapkamer uit om zich bovenaan de trap te kunnen posteren. Dennis had onderwijl de voordeur geopend en zette zijn fiets in het kleine en smalle trapportaal. Het gestommel, dat met enig binnensmonds gevloek ging gepaard, klonk haar als muziek in de oren. Het verlangen bleek ook wederzijds te zijn, want toen hij de voordeur had gesloten en langzaam de trap opliep, keek hij verwachtingsvol naar boven.
"Hoi!", zei Trudy, met een wat onzeker stemmetje.
"Dag, liefje! Is alles goed met je?"
"Ja, hoor!"
"Het is je aan te zien: je ziet er waanzinnig lekker uit!"
"Vind je mij echt mooi?"
"Ja, het water loopt mij werkelijk in de mond."
"Hm, ik ben anders wel weer wat dikker geworden."
"Maar dat vind ik nou juist zo mooi!"
"Wat? Meen je dat?"
"Ja, dat meen ik! Ik heb de laatste maanden best wel gezien, dat je wat dikker wordt, maar ik heb maar verzwegen, dat ik die her en der opduikende vetkussentjes eigenlijk wel heel erg lekker vind. Je bent namelijk al verwaand genoeg."
"Wat?!? En dat zeg je mij nu pas!"
"Ja, gemeen h? En dat moedervlekje, daar linksonder in je hals, dat vind ik nou ook zo mooi. Daar heb ik soms de wildste dromen over."
Hij had de trap inmiddels beklommen. Hij nam haar in zijn armen en drukte zijn lippen op haar hals. Het was niet het enige, wat hij deed...
"Hee! Stop daarmee, viezerik! Je weet best, dat ik vandaag ongesteld ben geworden."
"Ah! Quel bruto momento! "O, wat wreed van je om je dan toch zo sexy uit te dossen! Heb je wel eens van het begrip 'tantaluskwelling' gehoord?"
"Ja, natuurlijk!"
"Nou, je geeft er een geheel nieuwe dimensie aan, hoor!"
Hij maakte zich van haar los om zijn jas aan de kapstok te kunnen ophangen en liet zich vervolgens door haar naar hun slaapkamer meetronen, waar ze onmiddellijk op het bed neervielen.
"En nou moet je het mij eens eerlijk vertellen", vroeg zij, terwijl zij zijn witte overhemd begon los te knopen.
"Wat?"
"Waarom je tegenwoordig toch zo netjes bent gekleed!"
"Hoe bedoel je?"
"Nou, je draagt tegenwoordig geen joggingschoenen meer, maar van die akelig gedistingeerde mocassins. Je draagt ook geen jeans meer, maar nette, zwarte en vooral strakke broeken. Je draagt nu ook al voortdurend witte overhemden en ik heb je verdorie al twee keer op het dragen van een zwarte stropdas betrapt. Wat zit daar achter? Heeft de 'School voor de Journalistiek' soms een jonge, knappe journaliste bij de krant afgeleverd?"
"Nee, hoor! Ik vind het gewoon leuk om mij zo mooi uit te dossen. Het vloeit een beetje uit dat sprookje van 'The Beauty and the Beast voort.'"
"H?"
"Nou, eh... Ik heb jarenlang als 'The Beast' gefungeerd en nu..."
"En nu wat?", vroeg zij achterdochtig.
"Zijn de rollen godzijdank eindelijk omgedraaid."
Hij kon haar verwoestende uithaal nog net ontwijken en barstte toen samen met haar in lachen uit.
"O, Dennis, ik ben zo blij, dat je er bent", zei zij fluisterend.
"Ha, zo mag ik het horen!"
"Nee, eerlijk! Ik voelde mij zo zwaarmoedig, daarnet. Ik wist echt niet, waar ik het zoeken moest."
"Hoe kan dat nou?", vroeg hij bezorgd, "En je hebt nog wel vakantie, deze week?"
"Ja, gek, h? Misschien ben ik de afgelopen dagen wel te lang alleen geweest. Maar misschien ook niet."
"Wat bedoel je daarmee?"
"Ik eh... Nee, laat ik het je gewoon maar ronduit vragen: zou je het heel erg vinden als ik er twee dagen tussenuit zou knijpen?"
"H? Dat begrijp ik niet, hoor!"
"Ik moet iets doen, wat ik jaren geleden al had moeten doen."
"Wat dan?"
"Ik wil voor een paar dagen naar Heemskerk gaan", antwoordde zij, doelend op haar geboorteplaats, "Ik wil het graf van mijn vader bezoeken en een paar oude herinneringen ophalen."
"Wil je dat echt?"
"Nee, ik wil het helemaal niet! Maar ik denk, dat ik het wel moet. Ik denk, dat ik mijzelf maar in een Heemskerks pension ga opsluiten en een beetje ga nadenken. Ik zit echt een beetje met mijzelf in de knoop. Ik worstel al weken met iets uit het verleden, iets wat ik nooit goed heb verwerkt."
"Goed, liefje, ga dan maar", zei hij, na een korte aarzeling, "Zal ik je zondag komen ophalen?"
"Dat is goed. Maar ik denk, dat ik aan n dagje afzondering wel genoeg heb, dus ik heb liever, dat je zaterdag al komt. Dan neem ik gewoon een tweepersoonskamer voor twee nachten. En dan kunnen we de zaterdag en de zondag gezellig samen doorbrengen."
"Prima!"
"Vind je het echt niet erg, dat ik je voor een dagje alleen laat?"
"Ja en nee. Ik zal je vreselijk missen, maar ik denk, dat je gewoon moet gaan. Dat lijkt mij toch echt het beste voor je."
"Ik zal je morgenavond voor het slapen gaan nog wel even bellen."
"Daar zal ik je aan houden, hoor! Maarre..." "Maarre wat?" "Ga je in Heemskerk, behalve herinneringen ophalen, ook nog op zoek naar een leuk weekendhuisje?"
"Hm, ik weet niet, of ik dat eigenlijk nog wel wil. Een huisje in Heemskerk, bedoel ik. Misschien kunnen we beter ergens anders..."
"Ach, ik weet het ook niet. Je moet maar kijken. Ik vind echt alles best. Het zou mij persoonlijk wel leuk lijken om wat in de buurt van Heemskerk te kopen, maar dat moet jij natuurlijk ook willen."
"En aankunnen", vulde zij aan.
"Ja, natuurlijk! Heb ik je trouwens wel eens verteld, dat ik in mijn jeugdjaren twee weken in Heemskerk heb gelogeerd?"
"Nee, dat heb je mij, schandelijk genoeg, nog nooit verteld, maar dat heb ik dus wel een keer van mijn moeder gehoord. Heb je toen niet in een caravan op 'Camping Geversduin' gelogeerd?"
"Ja, ik verbleef daar samen met een buurjongetje en zijn ouders. Heeft zij je ook verteld, dat we elkaar toen al een keer bijna hebben ontmoet?"
"Ja, en ik betreur het tot op de dag van vandaag, dat het toen al niet is gebeurd."
"Ik ook, liefje. Ik ook."
"Heb je het in die weekjes eigenlijk een beetje leuk gehad?"
"Over het algemeen wel, al was er wel een vervelend incidentje."
"Wat voor incidentje?"
"Die vrouw heeft een keer midden in de nacht een hartaanval gehad."
"Noem je dat een vervelend incidentje?"
"Ja, nou! Het gaf namelijk een hele consternatie. De hele caravan stond de hele nacht op zijn grondvesten te schudden, dokters liepen af en aan, mijn buurman was in alle staten, het buurjongetje lag voortdurend te gillen..."
"Wat gilde hij dan?"
"H? O, iets van: 'Mama, je mag niet doodgaan! Mama, je mag niet doodgaan!'. Iets in die trant dus."
"Hm, weet je dat niet eens meer?"
"Nee, want ik ben finaal door alles heen geslapen."
"Oh, wat een gevoelloos krengetje was je toen!"
"Ja, h? Terwijl het toch een schat van een vrouw was. Zij had mij een dag daarvoor nog verteld, hoe goed zij mijn moeder had gekend en hoe geschokt zij door mijn moeders dood was geweest."
"Ach, zij zal het je nu wel vergeven hebben, h?"
"Ik denk het ook wel. Maar ondanks dat incidentje is dat verblijf in Heemskerk natuurlijk wel een hele tedere jeugdherinnering."
"Echt waar?", vroeg zij huichelend.
"Ja, natuurlijk!"
"Waarom?"
"Omdat ik in die weken al heel dicht bij je was! En omdat ik toen al een middag in je nabijheid heb mogen vertoeven!"
"Ja, ik begrijp het!", zei zij lachend, "En die wetenschap maakt Heemskerk er toch wel iets aantrekkelijker op."
"Ja, h? Ik wil er ook eigenlijk best wel graag gaan wonen. Al is het alleen maar om dat hemelse visioen, dat ik daar toen in '68 heb gehad."
"Wat voor een visioen?"
"Tja, wat was het voor een visioen? Het gebeurde op de dag, voordat ik jou op die weide zag. Het was 's avonds laat, ik zat bij een kampvuurtje, samen met dat buurjongetje en zijn ouders en ik voelde mij nogal ongelukkig. Ik had heimwee, ik had een beetje ruzie met dat buurjongetje, kortom: ik voelde mij heel erg rot. Totdat... ik zomaar uit het niets het visioen van ons toekomstig huwelijk kreeg."
"Dat meen je niet!"
"Dat meen ik wel! Ik wist ineens heel zeker, dat ik later met een lieve en beeldschone vrouw zou gaan trouwen en ik wist meteen ook heel zeker, dat ik daarmee dol- en dolgelukkig zou gaan worden."
"Oh, dat is niet waar!", riep zij schaterend, "Dat verzin je!"
"Nee, dat verzin ik niet!", riep hij verontwaardigd, "Ik ben bloedserieus, ik had dat visioen echt en het heeft ervoor gezorgd, dat ik mij in de dagen daarna verschrikkelijk gelukkig heb gevoeld. En dat is ook niet zo gek als je er goed over nadenkt. Ik was verschrikkelijk verlegen, toen ik twaalf was en tot die avond in Heemskerk had ik ook altijd het gevoel gehad, dat ik mijn hele leven wel alleen zou blijven. Maar die angst ben ik op die avond in Heemskerk dus kwijtgeraakt. Ik heb in de afgelopen zestien jaar heel vaak over dat visioen nagedacht en ik raak er hoe langer hoe meer van overtuigd, dat het toen door jouw nabije aanwezigheid is veroorzaakt. Dat kan eigenlijk ook niet anders, h?"
"En om dat hemelse visioen zou je dus best wel naar Heemskerk willen verhuizen?", vroeg zij, een beetje besmuikt.
"Ja, dat spreekt toch vanzelf?"
"Goed, lieveling! Ik zie wel. Als ik de volgende dag en nacht goed doorkom, kan ik misschien wel..."
"Okay, zie maar."
Zij ontdeed hem van zijn overhemd en trok hem met zachte hand over zich heen.
"Kom, jochie", verzuchtte zij. "Laat mij nog eens merken, dat je nog steeds van mij houdt."
"Twijfel je daaraan?"
"Nee, het is alleen... Weet je, je bent altijd zo lief voor mij als ik ongesteld ben en dat terwijl ik je juist dan je ultieme beloning moet ontzeggen. Dat is een van die dingen in jou, die nog steeds een mysterie voor mij zijn."
Hij vlijde glimlachend zijn hoofd op haar borst, maar zei verder niets meer.
2. De volgende morgen werd Trudy om half elf wakker. Dennis was inmiddels alweer aan het werk. Op de vloer, naast de babydoll, lag een briefje met de volgende tekst:
"Dag, lieverd! Ik heb je daarnet heel zacht op je voorhoofd gekust en ik heb daarna in je oor gefluisterd, dat je vreselijk lief, vreselijk mooi en vreselijk sexy bent en dat ik vannacht ontzettend van je heerlijke lichaam heb genoten. Pas je goed op jezelf, daar in Heemskerk? En bel je vanavond? Ik zal vandaag waarschijnlijk wel om 5 uur thuis zijn."
Zij voelde zich ineens heel vrolijk worden. Door de jaren heen had Dennis meer van dit soort briefjes achtergelaten, maar geen een was veelzeggender geweest dan dit episteltje. Dit ene briefje met die haast onleesbare hanenpoten en zijn verstandige reactie op de aankondiging van haar vertrek naar Heemskerk gaven haar veel vertrouwen in de toekomst en de duurzaamheid van hun huwelijk. Haar komende verblijf in Heemskerk kwam haar nu heel ridicuul voor. Waarom vertrekken uit dit huis, waar zij zestien jaar geleden een liefhebbende echtgenoot had gevonden? Voor een bezoek aan een graf? Voor het ophalen van een aantal pijnlijke jeugdherinneringen?
"Beuh!", zei zij hardop, "Ik heb er geen zin meer in!"
Zij kwam overeind, stapte uit het bed, trok haar beige ochtendjas en haar blauwe muiltjes aan en slofte naar de douchecel. Zij hield ervan om lang te douchen, maar ditmaal beheerste zij zich en kon zij al na vijf minuten de salontafel voor het ontbijt dekken. Haar eerste boterham besmeerde zij met een overvloed aan roomboter en pindakaas.
"Eh... wat zei hij ook alweer over die vetkussentjes?", zei zij, met een wat malicieuze glimlach, "Dat hij het eigenlijk wel lekker vond, h? Goed, dan zal ik hem op zijn wenken bedienen! Ik ga mijzelf in de komende maanden dusdanig vet mesten, dat hij voor eeuwig mijn willoze slaafje zal blijven."
Na een half uur maakte zij aanstalten om te vertrekken. Zij sjokte naar haar klerenkast en koos na ampele overwegingen voor een witte trui, een zwarte, leren rok, een zwarte panty en een lange, zwarte winterjas. Voor zij vertrok, schreef zij het volgende briefje, dat zij op de salontafel zou achterlaten:
"Dag, lieveling! Nog bedankt voor dat vreselijk lieve briefje van vanmorgen. Je hebt mij daarmee een zalige morgen bezorgd. Ik ga nu naar Heemskerk en heb daar heeelemaaal geen zin in. Maar je hebt gelijk: het moet. Zul je niet ongerust zijn? Ik zal heel erg goed op mijzelf passen en ik zal niet met vreemde mannen meegaan. Ik bel je vanavond om exact half zeven."
Zij legde de pen neer, las het briefje nog even door en verliet het huis, in het besef, dat zij nu voor vierentwintig uur aan zichzelf was overgeleverd.
Tijdens de wandeling naar de bushalte en de korte busrit naar het Centraal Station voelde zij zich zeer onrustig. Na haar verhuizing naar Amsterdam-Noord, anderhalf jaar na het overlijden van haar vader, was zij nooit meer naar Heemskerk teruggekeerd en of zij die komende confrontatie met haar verleden zou aankunnen, was voor haar nog maar de vraag. Bij het verlaten van de bus, op de uitstaphalte schuin tegenover het Victoria Hotel, verkeerde zij zelfs in een heuse tweestrijd. Zij overwoog serieus om naar huis terug te gaan en in haar duster naar de televisie of een video te gaan kijken, maar toch zette zij door. Zij liep naar het station, kocht een enkele reis Heemskerk en nam plaats in een eerste-klassecompartiment van de op punt van vertrekken staande stoptrein naar Uitgeest. Gelukkig voor haar had zij het compartiment voor zich alleen. Er was dus niemand, die haar in haar overpeinzingen zou kunnen storen.
Een kwartier na het vertrek uit Amsterdam reed de trein al het station van Haarlem binnen. Zij kon dat niet erg waarderen. De reis verliep eigenlijk veel te snel voor haar. Zometeen zou de spoorbaan naar het noorden afbuigen en dan zou Heemskerk niet ver weg meer zijn. Bij het volgende station, dat van Bloemendaal, wist zij de aanvechting om uit te stappen met veel moeite te onderdrukken en die ene halve minuut op dat kleine station vormde het keerpunt voor haar, want bij elk volgend station tijdens deze rit door het zonovergoten Kennemerland groeide haar vastberadenheid. Zij wist nu zeker, dat zij naar Heemskerk moest terugkeren. Zij moest die confrontatie met haar verleden aangaan, zij moest de plek zien, waar haar vader zich had verdronken, zij moest haar geboortehuis en het graf van haar vader terugzien. Zij moest het en zij had ook geen andere keus meer. Als zij nu naar Amsterdam zou terugkeren, zou zij binnen enkele maanden een psychiater moeten raadplegen.
De trein naderde Heemskerk en Trudy verliet het compartiment. Staande op het balkon merkte zij met een mengeling van angst en verlangen, hoe de trein vaart minderde en stilhield en eenmaal op het perron keek zij wat verwezen om zich heen. Links van haar bevond zich een weiland, waar zich een sloot doorheen kronkelde, daarachter lag de A 9, de rijksweg tussen Alkmaar en Haarlem, rechts van haar, aan de andere kant van de spoorlijn, stond het stationsgebouw met de daarin gevestigde supermarkt en schuin achter haar torende het flatgebouw De Spaer Weijt boven het station uit.
Zij zette zich met knikkende knien in beweging en begon aan haar wandeling naar het centrum van Heemskerk. Tijdens die wandeling besefte zij maar al te goed, dat zij haar vader nog steeds miste. Zij miste zijn charme en de tederheid, waarmee hij altijd met haar om was gegaan. Zij was de laatste geweest, die hem in leven had gezien en de beelden van het uur voor zijn dood werden onderwijl steeds sterker. Zij zag weer zijn laatste wuifgebaar, toen zij hem had uitgezwaaid, zij zag hem weer weglopen, naar de sloot rondom slot Assumburg, de plek, waar hij zich zou verdrinken. Zij vroeg zich weer af, wat zijn laatste gedachten moesten zijn geweest, zij herinnerde zich weer de flarden uit zijn afscheidsbrief aan haar moeder, die zij anderhalf jaar later had mogen lezen.
Onderwijl bleef zij als een robot verder lopen, tot zij op de plek, waar de Beneluxbaan overging in de Hoflaan, zicht op het Slot Assumburg kreeg. De hoektorens van het kasteel waren door de omringende, nog kale bomen enigszins aan het gezicht onttrokken, maar de aanblik was er voor haar niet minder luguber om. Er ging een rilling door haar heen en zij kreeg last van hartkloppingen. Zij ging even op haar hurken zitten, midden op het trottoir. Met haar rechterhand rustend op een straatsteen trachtte zij zichzelf moed in te spreken:
"Ik moet doorgaan! Voor Dennis en alleen maar voor Dennis. Ik ben het aan hem verplicht. Want als ik het niet doe en nu al naar Amsterdam terugkeer, zal het steeds slechter met mij gaan. En dat kan en mag ik hem niet aandoen."
Zij vervolgde moeizaam haar weg. Stapje voor stapje naderde zij het kruispunt van de Hoflaan met de Tolweg, waar zij de sloot zelf zou kunnen zien. Eenmaal bij dat kruispunt aangekomen stond zij stil. Met een brok in de keel en met tranen in de ogen keek zij naar de plek, waar haar vader was gestorven. Zij zuchtte diep, maar ontdekte vrijwel onmiddellijk, dat de beklemming begon te wijken en dat de crisis was bedwongen en in een groot, maar beheersbaar verdriet was overgegaan. Zij stak de Tolweg over en liep verder over de Gerrit van Assendelftlaan. Het idee, dat haar vader op de avond van zijn dood in tegengestelde richting over dezelfde laan had gelopen, joeg haar geen angst meer aan.
Tien minuten later stond zij voor het huis, waar zij op een mistige woensdagochtend in oktober 1955 was geboren en waar zij de eerste vijftien jaar van haar leven had doorgebracht. Het was een groot, somber pand, met een nu deerlijk verwaarloosde tuin. Bij haar geboorte had het aan de rand van een dorp gestaan, nu stond het in het centrum van een stad met meer dan dertigduizend inwoners. De aanblik van haar geboortehuis deed haar overigens niets meer, hetgeen zij als een hoopvol teken ervoer.
Zij liep verder en herkende tussen de nieuwbouw van de laatste jaren nog wel een paar dingen van vroeger. Kleine en stokoude huisjes, een kaaswinkeltje, een snackbar, een filiaal van de HEMA, hotel 'Brinkhorst' aan het Burgemeester Nielenplein en haar volgende reisdoel: het op een terpje aangelegde kerkhof rond de Nederlands Hervormde Kerk. Gespannen maar voelend, dat zij ook de volgende confrontatie zou aankunnen, stak zij het Burgemeester Nielenplein over. Zij liep om de kerk heen, passeerde het toegangshekje en knielde luttele seconden later bij het graf van haar vader neer. Daar keek zij met omfloerste ogen naar de naam en de data op de grauw-witte grafsteen: "Franciscus Johannes Schouws, geboren 3 november 1929 - overleden 5 februari 1970."
"Dag, pap", zei zij zacht.
Pas toen kon zij haar tranen de vrije loop laten.
Na een paar minuten stond zij op. Zij droogde haar tranen en besefte, dat zij haar depressie van de laatste weken nu definitief had bedwongen. Hier, staande bij het graf van haar vader, voelde zij haar levenslust weer terugkeren. Weg was de doem uit het verleden, weg was de angst om oud te worden. De beelden uit haar jeugdjaren vervaagden; slechts de toekomst telde nog. Een toekomst, waarop zij zich zeer mocht verheugen.
Even nog bleef zij roerloos stilstaan, maar daarna verliet zij het kerkhof zonder om te kijken en richtte zij haar schreden naar het hotel, dat recht tegenover het kerkhof lag.
Het vervullen van de formaliteiten nam weinig tijd in beslag. Haar kamer, een ruim, sober gemeubileerd vertrek, bleek aan de straatzijde te liggen. Zij sloot de deur en voelde opeens, hoe moe zij was. Nu zij haar reisdoel had bereikt, wilde zij nog maar n ding: heel lang slapen. Zij zette haar koffertje in de kast, kroop het bed op en viel na enige minuten in slaap.
3. Om vier uur werd zij wakker. Zij realiseerde zich onmiddellijk, waar zij was, maar voelde niets wat op angst of beklemming leek. Zij stond op, fatsoeneerde haar uiterlijk en liep in gedachten verzonken haar kamer en het hotel uit. Na het verlaten van het hotel verkeerde zij even in dubio. Zij kon wat door het dorp gaan slenteren en een beetje gaan winkelen, maar zij kon ook een wandeling in de richting van de duinen gaan maken. Uiteindelijk koos zij voor het laatste.
Tijdens die wandeling gaf zij zich niet aan haar jeugdherinneringen over. Het enige, waar zij aan dacht, was het visioenverhaal, dat Dennis haar de vorige avond had verteld. Het verhaal, waardoor zij Heemskerk nu met andere ogen kon bezien.
"Ik wil hier niet meer weg!", schoot het door haar heen, "Ik wil hier weer gaan wonen. Voorgoed! Samen met Dennis! En we zullen hier gelukkiger worden, dan we ooit zijn geweest."
Zij stak de Mozartlaan over en liep via het landgoed Marquette in de richting van Noorddorp, een buurtschap aan de oostrand van het Noordhollands Duinreservaat. Zij genoot van haar wandeling, maar zij keek bij het verlaten van het landgoed wel even naar de lucht. Het begon al te schemeren; over een half uur zou het donker zijn. Toch bleef zij doorlopen. Voor het vallen van de avond wilde zij in ieder geval 'Geversduin' nog halen. Zij moest en zij zou de plek zien, waar haar levenslijn voor het eerst die van Dennis had gekruist. Het zou er deze middag echter niet meer van komen, want toen zij na een flinke wandeling in Noorddorp was aangekomen, hoorde zij bij het passeren van een wit, pittoresk landhuisje volkomen onverwacht haar naam:
"Trudy! Trudy Schouws! Ben jij dat?"
Zij bleef stilstaan en keek naar de persoon door wie zij was aangesproken. Zij herkende hem onmiddellijk. Het was een oude, lange, bijna kaarsrechte man, ongeveer zeventig jaar oud, met kortgeknipt haar en gekleed in de sjofele outfit van een tuinman. Hij had het gezicht van een barse kolonel, maar hij was in werkelijkheid een vriendelijke, zorgzame man, die zowel haar voormalige buurman als de voormalige hoofdonderwijzer van haar lagere school was geweest. De man liep naar haar toe en greep haar zichtbaar ontroerd bij de handen.
"Dag, meneer Stol!", zei zij, met een wat onzekere stem.
"Dag, meisje", zei hij, "Hoe gaat het met je?"
"Goed! En met u?"
"O, met mij gaat het ook goed'', antwoordde hij, terwijl hij haar handen losliet, "Ik... Ik... O, mijn hemel! Het moet zeker vijftien, zestien jaar geleden zijn, dat we elkaar voor het laatst hebben gezien?""
"Meer dan zestien jaar, ja."
"Hoe oud ben je nu?"
"Ik ben nu tweendertig."
"Ben je getrouwd?"
"Jawel, ik ben al tien jaar heel gelukkig getrouwd."
"Ah, prima! Het doet mij veel genoegen dat te horen. Heb je kinderen?"
"Nee, we hebben geen kinderen."
"Bewust, of..."
"Bewust! We hebben ze nooit gewild en we zullen ze ook nooit krijgen. We genieten van onze vrijheid en we genieten van elkaar. Dat is meer dan genoeg voor ons."
"Werk je?"
"Ja, ik heb een heel rustig en heel gezellig baantje. Ik ben filiaalhouder van een klein postagentschap bij mij in de straat."
"Je meent het? En wat doet je man?"
"Hij is journalist. Dennis is bijna net zo oud als ik. Ik ben twee dagjes ouder dan hij. Hij is mijn eerste en enige liefde. Ik heb hem in de derde klas van de HAVO ontmoet en het was liefde op het eerste gezicht, toen in 1971."
"Het gaat dus goed tussen jullie?"
"Ja, dat kan echt niet beter! We zijn nog steeds stapelgek op elkaar en dat zullen we ook altijd blijven."
"Dat is mooi, kindje!"
"Hij is vandaag trouwens niet met mij meegekomen naar Heemskerk."
"Ben je hier alleen?"
"Ja, ik ben alleen. Ik wilde het graf van mijn vader bezoeken en dat wilde ik liever eerst alleen doen."
"Ah..."
Het gesprek stokte en Trudy zocht even naar de juiste woorden om het voort te kunnen zetten. Haar gesprekspartner vond die woorden net iets sneller dan zij.
"Hoe gaat het met je moeder?", hernam meneer Stol.
"Goed! Zij is nu bijna zevenenvijftig en zij is tamelijk gelukkig, volgens mij."
"Dat is mooi!"
"Ja, zij leidt een heel actief leven. Zij heeft heel veel vriendinnen, waarmee zij heel vaak uitgaat. Laatst is zij ook nog met een vriendin naar Amerika geweest."
"Zij is nooit meer hertrouwd, h?"
"Nee, papa was mama's enige liefde. Zij is altijd van hem blijven houden, ondanks hun scheiding en alles wat daaraan vooraf is gegaan. Zij is ook degene, die zijn graf al die jaren heeft onderhouden. Het zag er ook heel verzorgd uit, toen ik het vanmiddag zag."
"Ja, dat geloof ik graag. Ik heb haar daar een keer ontmoet, zo'n eh... zo'n dertien jaar geleden. Ik kan mij nog heel goed herinneren, dat we het toen alleen maar over jou hebben gehad. Zij vertelde mij, dat je met klinkende cijfers je HAVO-diploma had gehaald en inderdaad bij de Postbank was gaan werken. En ook dat je met je vriend was gaan samenwonen en dat het zo'n schat van een jongen was."
"Ik geloof het graag!", zei Trudy lachend, "Mama heeft nooit onder stoelen of banken gestoken, dat zij zeer gecharmeerd van hem is."
"Hm, dus dat zit wel goed! Maar ben je alleen maar hier gekomen voor het bezoek aan je vaders graf?"
"Aanvankelijk wel. Maar ik ben daarna op zoek gegaan naar een weekendhuisje. Lukraak en dus met weinig succes. Ik had natuurlijk beter naar een makelaarskantoor op zoek kunnen gaan."
"Wat?!? Wil je echt naar Heemskerk terugkeren? Wil je echt weer in Heemskerk komen wonen?"
"Ja, weet u niet iets voor ons? Een leuk, vrijstaand huisje, dat niet al te duur is?"
"Eh... zou je een half jaar geduld kunnen hebben?"
"Hoe bedoelt u?"
"Dan komt dit huis namelijk vrij."
"Gaat u... Gaat u het verkopen?"
"Ja, mijn vrouw is vorig jaar overleden en..."
"O, nee! Dat meent u niet!"
"Ja, helaas wel, lieverd."
"Waaraan is zij gestorven?"
"Aan een hartaanval."
"O, wat erg!"
"Ja, liefje! Het is echt een verschrikkelijke slag voor mij geweest, maar nu ik haar dood eindelijk een beetje heb verwerkt, wil ik toch nog iets gaan doen, wat ik heel lang samen met haar had willen doen.
"Wat dan?"
"Een camper kopen en door Europa gaan zwerven. Ik ben nu nog gezond en nu kan het dus nog. Ik was eigenlijk van plan om een dezer dagen naar een makelaar te gaan, maar als jij en je man interesse hebben, dan hoeft dat natuurlijk niet."
"O, mijn god! Meent u dat? Hoeveel wilt u ervoor hebben?"
"Ach, wat dacht je van anderhalve ton?", antwoordde hij, op luchtige toon.
"Oh, meent u dat? O, dat zal echt helemaal geen probleem voor ons zijn."
"Prima, als je nu dan als de sodemieter je man opbelt en hem hiernaartoe laat komen, kunnen we vanavond nog de koop beklinken."
"Is morgen ook goed? Hij kan namelijk pas morgenochtend naar mij toe komen."
"Ga je vanavond niet naar Amsterdam terug?"
"Nee, ik blijf deze nacht in Heemskerk. Ik logeer in hotel 'Brinkhorst'."
"Maar dat ligt recht tegenover...", begon hij, op bezorgde toon.
"Ja, dat weet ik! Maar ik denk, dat ik het wel aankan, hoor! Het is ook een soort boetedoening, omdat ik er zolang niet ben geweest."
"Boetedoening? Vind je niet, dat je jezelf daarmee... Nou, ja, laat ik mij daar maar niet mee bemoeien. In ieder geval zie ik jullie morgen dan wel verschijnen. Kunnen jullie om elf uur bij mij zijn?"
"Ja, hoor! Ik spreek Dennis straks nog en dan zal ik hem zeggen, dat hij morgen ruim op tijd in Heemskerk moet arriveren."
"Goed, dat is afgesproken! Maar dan wil ik nu, dat je meteen naar Heemskerk terugkeert. Over drie minuten komt lijn 76 van de NZH hier langs. En die moet je dus echt nemen, want ik wil niet, dat je in het donker door het landgoed gaat lopen zwalken!"
"Goed! Goed!", riep zij lachend, "Ik ga al!"
Hij begeleidde haar naar de dichtsbijzijnde halte, waar de bus al na een halve minuut arriveerde. Voor zij instapte, nam zij afscheid van hem. Dat leek hem wel de nodige moeite te kosten.
"Dag, kindje", zei meneer Stol, opnieuw haar handen drukkend, "Pas goed op jezelf, vanavond! En tot morgen, h"
"Dag, meneer Stol! Ik zal het doen! Tot morgen."
De bus bracht Trudy snel weer in Heemskerk. Zij stapte bij de Mozartlaan uit en zij liep daarna via de Marquettelaan naar het centrum terug. Gedurende die wandeling bleef het gesprek met meneer Stol nog even in haar hoofd nagalmen. Hoe meer zij erover nadacht, hoe meer zij heen en weer werd geslingerd tussen de vreugde over het weerzien met hem en het vervelende vooruitzicht, dat hij over een half jaar waarschijnlijk voorgoed uit haar leven zou verdwijnen. Hij had alles in zich om tot de voor haar zo innig gewenste vaderfiguur uit te groeien.
Zij bereikte het Kerkplein, waar zij het kerkhof glimlachend in ogenschouw nam en waar haar blik vervolgens op iets heel anders bleef rusten. In de etalage van 'Peter's Trendshop', een kleine boetiek, hing namelijk iets heel begeerlijks: een wollen, rood-zwart gestreept mini-jurkje. Zij kon het niet weerstaan. Binnen twee minuten stond zij in de paskamer, waar zij zich gelukkig kon prijzen om haar keus en om haar toch wel zeer aanlokkelijke figuurtje. Het kostte haar nogal wat moeite om zich van dat o zo lieflijke spiegelbeeld los te rukken, maar dat lukte haar uiteindelijk wel. Zij kleedde zich weer om, betaalde haar nieuwste aanwinst en verliet de boetiek. Zij was bijzonder in haar nopjes, zoals altijd na een geslaagde aankoop, en had inmiddels het plan opgevat om die aankoop op een gepaste manier te vieren: met een pizza in een pizzeria naast het hotel.
Die pizzeria bleek een gezellig restaurant te zijn. Met een wat kneuterig aandoende inrichting en een langbenige, van een zeer kort rokje voorziene serveerster, die Trudy op vriendelijke wijze naar een tafeltje bij het venster begeleidde. Trudy bestelde een pizza Quattro Formaggi en voelde, hoe er daarna een weldadige rust over haar neerdaalde. Straks, om half zeven, zou het precies achttien jaar geleden zijn, dat haar vader afscheid van haar nam, maar ondanks dat tot melancholie stemmende vooruitzicht overheerste de voldoening bij haar. Om die met glans doorstane confrontatie met haar verleden en om die eerste bouwsteen voor een plezierige toekomst met Dennis. Haar echtgenoot, in wiens karakter zij zowel de fijngevoeligheid van haar vader als de zorgzaamheid van de zijne herkende.
Zij bewonderde haar man om zijn levenslust, zijn energie en zijn onverwoestbare optimisme. Het leven had hem bepaald niet gespaard, maar toch was hij uit alle over hem uitgestorte ellende gaaf tevoorschijn gekomen. En meer dan dat, want in haar ogen was hij eigenlijk wel volmaakt. Hij had de karakteristieke kop van een stoere Viking, het mooie lijf van een Griekse Adonis en het opgeruimde karakter van een vrolijke Bourgondir. En hij was helemaal voor haar, helemaal voor haar alleen. Iedere andere vrouw zou hij met zijn oersterke en onvoorwaardelijke liefde tot waanzin hebben gedreven en ten gronde gericht, maar zij slaagde er al zestien jaar in om hem in dat opzicht met gelijke munt terug te betalen.
Zij verorberde de pizza met veel plezier, dronk er drie glazen rode Lambrusco bij en sloot de maaltijd met twee espresso's af. Na de laatste espresso te hebben opgedronken, keek zij op haar horloge: het was al bijna half zeven en het was dus de hoogste tijd om naar het hotel terug te keren. Zij rekende af, verliet het restaurant, wandelde naar het hotel en besteeg na de ontvangst van haar sleutel de trap naar de eerste verdieping. Even verwijlden haar gedachten nog bij haar vader, maar daarna nam het heden weer volledig bezit van haar. Vijf minuten later zat zij, gekleed in haar nieuwe mini-jurkje, in kleermakerszit op het bed. Met de hoorn van de telefoon in de hand en met een glimlach om de lippen.
"Met Dennis", klonk het na luttele seconden.
"Hoi!", riep zij, "Met mij! Dat is snel! Zat je naast de telefoon?"
"Ja, natuurlijk! Dat zit ik toch altijd als jij er niet bent?"
"Ah, dan is het goed!", zei zij lachend, "Zeg, ik heb drie leuke nieuwtjes voor je. Ik heb aan mijn vaders graf gestaan, wat mij heel erg veel goed heeft gedaan en daarna heb ik binnen een half uur een mooi, oud huisje en een mooi, nieuw jurkje gekocht."
"Ah, prima... H, wat?"
"Je zult er weg van zijn, jh! Het is een heel kort jurkje, met rode en zwarte strepen. Je zult er heel tevreden over zijn, hoor! Hee, gekkie, waarom kreun je nu zo raar?"
"Eh, Trudy, schatje van mij", begon hij, zorgvuldig zijn woorden kiezend, "Je had het ook over een nieuw huis, geloof ik."
"Ja, het staat aan de Rijksstraatweg in Noorddorp."
"Hm, dat zegt mij niet zoveel."
"O, dat staat je mooi! Want Noorddorp is een piepklein gehucht, dat maar een paar honderd meter van de ingang van 'Geversduin' ligt verwijderd. Je weet wel: die camping, waar jij dat eerste visioen van ons gelukkige huwelijk hebt gehad."
"O, dat is een mooie plek!", kraaide hij uit.
"Ja, nou! En het huisje is ook perfect."
""Vertel er eens wat meer over!"
"Nou, het is dus echt een prachthuisje. Het is een lief, knus liefdesnestje voor ons. Een plekje, waar we de rest van onze levens in vrede zullen kunnen slijten. Enne... de ligging is perfect, jh! We zitten vlak naast een ingang van het Noordhollands Duinreservaat. En het huisje is helemaal vrijstaand, maar aan de overkant van de weg staan drie huizen, dus we zitten niet gesoleerd of zo."
"Ah, je bent er weg van, h?"
"Ja, heel erg!"
"Dan is het ook goed voor mij."
"Ah, prima."
"Maar, lieverd, wat bedoelde je eigenlijk met 'gekocht'? Heb je al iets getekend? Zijn er geen andere kapers op de kust?"
"Nee! Nee! Dat is juist het mooie! De eigenaar is meneer Stol, mijn oude buurman en mijn oude hoofdonderwijzer, die ik op mijn zwerftocht toevallig ben tegengekomen. Hij heeft het huisje ook nog niet te koop aangeboden: we hebben echt de eerste keus. Als we het nemen, komt er helemaal geen makelaar meer aan te pas en hoeven we alleen nog maar een notaris in te schakelen."
"Hoeveel vraagt..."
"Anderhalve ton!"
"O, prima! Dat zal ons niet de kop kosten."
"Nee, dat heb ik hem ook al gezegd. Dus als je morgen nou zorgt, dat je om tien uur op het station van Heemskerk staat, dan kunnen we meteen de kogel door de kerk jagen."
"Dat lijkt mij prima. Maar weet je echt zeker, dat je in de weekenden in Heemskerk wilt gaan wonen?"
"Ja! Ik heb vrede met mijn verleden. Het heeft zo moeten zijn. Alles, de scheiding, de dood van mijn vader..."
"Ah, prima! Dat is een pak van mijn hart! Vind je het trouwens goed, dat ik morgen eerst even het graf van je vader bezoek?"
"Ja, natuurlijk, gekkie!", was haar verbaasde antwoord. "Ah, dat is lief van je!"
"Mag ik ook vragen waarom je zo graag het graf van mijn vader wilt bezoeken?"
"Ja, hoor! Dat mag je! Ik wil graag zijn graf bezoeken om iets, wat je moeder daarnet tegen mij heeft gezegd. Ik heb haar daarnet even gebeld, want ik was namelijk een beetje ongerust over je."
"O, ja? En wat zei zij?"
"Eh, nou eh... Om je de waarheid te zeggen: zij heeft mij de huid volgescholden."
"Nee, meen je dat?"
"Ja, ik meen het! Ik heb nooit geweten, dat het lieve mens zo vreselijk kwaad kon worden."
"Maar waarom was zij dan zo kwaad?"
"Zij vond, dat ik je nooit alleen naar Heemskerk had moeten laten gaan."
"Ach!", riep zij gepikeerd, "Zij moet zich niet zo aanstellen! Ik wilde het toch zeker zelf!"
"Dat heb ik haar ook gezegd en daarna was zij ook wel een beetje gekalmeerd, maar in het gesprek, dat daarop volgde, heeft zij mij iets verteld, wat mij echt heel erg heeft geschokt."
"Wat dan?"
"Zij zei, dat jullie nooit uit Heemskerk waren weggegaan als jouw vader zichzelf niet eh... van het leven had beroofd."
"Hee! Meen je dat? Dat heeft zij mij nooit zo expliciet gezegd."
"O, nee? Maar je begrijpt nu zeker wel, waarom ik zo graag een bezoek aan je vaders graf wil brengen?"
"Ja, lieveling", antwoordde zij glimlachend, "Ik begrijp het."
Er viel een korte stilte, waarin Dennis moeite met zijn ademhaling leek te hebben en waarin Trudy gedachteloos met het teenstukje van haar rechterkous speelde.
"Ik heb trouwens ook een nieuwtje voor jou!", hernam hij, met een wat rauwe stem.
"Wat voor nieuwtje?"
"Ik heb eh... Ik weet eigenlijk niet, of ik je dat op dit moment wel kan zeggen."
"Dan kun je wel. En je moet het zelfs. Anders zwaait er wat voor je."
"Nou eh... Na dat telefoontje met je moeder heb ik ook nog een poosje met een van mijn broertjes getelefoneerd."
"Welk broertje?"
"Arie en die heeft mij iets verteld, wat mij ook heel erg heeft geschokt."
"Wat dan?"
"Eh... Weet je het zeker, dat je het weten wilt? Ik ben namelijk bang, dat je het toch niet zult kunnen verwerken."
"Vertel het mij maar. Ik zal het echt wel aankunnen, heus!"
"Goed, dan... Arie heeft mij daarnet verteld, dat de dood van mijn moeder misschien ook een geval van zelfdoding is geweest."
Zij schrok hevig, maar zij bleek zichzelf al na vijf seconden weer onder controle te hebben.
"Weet je het zeker?", vroeg zij.
"Nou eh... Hij vertelde mij, dat zij gedurende haar hele leven psychische problemen heeft gehad, hetgeen dus nieuw voor mij is. Dat het huwelijk met mijn vader niet altijd even goed was geweest, hetgeen ook al nieuw voor mij was. Dat zij voor haar gezondheid eigenlijk naar 't Gooi had moeten verhuizen, waar zij van haar astma totaal geen last zou hebben gehad, maar dat zij om haar zusters niet uit Amsterdam wilde weggaan. Dat zij de dag voor haar dood mijn vader op het hart heeft gedrukt om toch maar vooral het gezin bij elkaar te houden als zij er niet meer zou zijn. En dat er, toen zij dood op het bed in de slaapkamer werd aangetroffen, ook een leeg medicijnenbuisje naast haar op het bed lag. Medicijnen, waarvan zij wist, dat zij slecht voor haar hart waren."
"O, God! Het lijkt dus mogelijk, of misschien wel waarschijnlijk, maar het is niet helemaal zeker."
"Nee, en dat is eigenlijk het ergste, h? Arie zei overigens, dat het nooit precies is uitgezocht, maar dat mijn arme papa er tot zijn dood van overtuigd is geweest, dat mijn moeder ook daadwerkelijk zelfmoord heeft gepleegd."
"O, wat verschrikkelijk!"
"Ja, h?"
"Ik weet niet, wat ik moet zeggen."
"Ik ook niet. En dat is misschien maar goed ook, want ik kan hier natuurlijk heel lang over praten, maar er staat mij natuurlijk maar n ding te doen: ik moet mijzelf inprenten, dat het al bijna tweendertig jaar geleden is en dat het dus helemaal geen zin meer heeft om er nog lang bij stil te blijven staan."
"Ja, dat is wel zo, maar het blijft natuurlijk een rotnieuwtje."
"Tja, hoe moet je na zoveel jaar op zoiets reageren? Ik weet het echt niet, hoor!"
"Hm, je kunt het ook van de positieve kant bekijken. Je leven is onder een heel slecht gesternte gestart, maarre... Je hebt je er vervolgens wel hartstikke goed doorheen geslagen."
"Ja, dat is waar. Heb ik je eigenlijk al eens verteld, dat in de laatste honderd jaar geen enkele mannelijke Harberts een huwelijk heeft gehad, dat een leven lang op normale wijze stand heeft gehouden?"
"Nee, dat heb je mij nooit verteld. Is dat echt zo?"
"Ja, mijn overgrootmoeder stierf, toen zij vijftig was, mijn grootmoeder werd op die leeftijd invalide, mijn moeder haalde de veertig niet eens, mijn broers zijn allemaal gescheiden. En de enige Harberts, die wel een gelukkig huwelijk had, mijn oom Ben, viel op zijn eenenvijftigste te pletter in een scheepsruim."
"Jeetje! Maar wat wil je daar eigenlijk mee zeggen?"
"Dat het bericht over die mogelijke zelfmoord van mijn moeder mij eigenlijk wel een beetje heeft opgelucht. Ik heb altijd het gevoel gehad, dat er een vloek over mijn familie hing en ik ben daardoor ook vaak bang geweest, dat het tussen ons misschien ook wel eens fout zou kunnen gaan. Maar dat gevoel ben ik door het nieuws over mijn moeder ineens helemaal kwijtgeraakt. Wat er met mijn overgrootmoeder en grootmoeder is gebeurd, was overmacht. Maar mijn moeder had, zeker als we naar 't Gooi waren verhuisd, nu nog kunnen leven. Aan mijn ongelukkige jeugd ligt dus niet iets ongrijpbaars als een doem of het noodlot ten grondslag. En dat vind ik eigenlijk wel geruststellend."
"Ja, je hebt volkomen gelijk. En ik weet nu ook zeker, dat wij het beter zullen doen dan al onze voorouders bij elkaar. Wij zullen wel bij elkaar blijven. En meer dan dat: want vanaf augustus zullen we net zo gaan leven als dat eeuwig verliefde boerenechtpaar in dat verrukkelijke verhaal van Gogol. En dat zullen we blijven doen tot de dood ons in pakweg... 2038 scheidt."
"Yeah, reken maar!", riep hij lachend.
"Zul je je met dat in het vooruitzicht een beetje kunnen redden, vanavond? Of zal ik toch maar terug naar Amsterdam komen?"
"Nee, lieverd, blijf daar maar. Je hebt een hele vermoeiende en emotionele dag achter de rug en je hebt je rustige avondje dus meer dan verdiend. En het is waarschijnlijk toch wel beter, dat ik dit even in mijn eentje verwerk."
"Weet je het zeker?"
"Ja, hoor! Ik zal het vannacht best wel een beetje moeilijk krijgen, maar daar kom ik wel doorheen."
"Hm, dat is goed, maar prent jezelf dan wel in, dat er wel iets leuks voor je in het verschiet ligt. Want als we morgenochtend naar papa's graf zijn geweest en meneer Stol zijn huisje hebben afgetroggeld, zullen we ons in alle rust voor de rest van de dag op onze hotelkamer terugtrekken."
"Waarvoor?", vroeg hij schijnheilig.
"Voor jou natuurlijk! Ik heb weer een paar nieuwe vetkussentjes, die je mag bewonderen en liefkozen. En bovendien zal ik morgenochtend voor je komst ook even vijf paar, hele mooie nylonkousen bij de HEMA gaan kopen."
"Dat is goed, liefje."
"Heb je er nu echt geen bezwaar meer tegen?"
"Nee, natuurlijk niet!", antwoordde hij lachend, "Voor zover het je lingerie aangaat hoef je je, wat mij betreft, echt niets meer te ontzeggen."
"Da's mooi! Maar wil je ook echt, dat ik hier blijf?"
"Nee, lieverd, dat wil ik helemaal niet! Maar ik denk, dat de terugreis te vermoeiend voor je zal zijn."
"Maar ik verlang zo naar je! 'Mijn vlees trilt je tegemoet!', zou Couperus schrijven."
"Ik eh... verlang ook naar jou", zei hij, na een korte aarzeling, "Maar het is voor jou beter, dat je daar in Heemskerk blijft. Dat je lekker op je bedje in je mooie jurkje naar de televisie gaat liggen kijken."
"Hm, misschien heb je wel gelijk. Maar in dat geval trek ik toch liever mijn baby-doll aan."
"Waarom?"
"Ach, dan heb jij tenminste iets leuks om aan te denken."
"Ah, dat is lief van je. Daarmee zal ik de avond dan wel doorkomen."
"Prima! Maar als blijkt, dat het toch niet gaat, moet je wel hiernaartoe komen, hoor!"
"Al het echt niet gaat, kom ik naar je toe. Maar ik denk, dat ik het wel zal redden in mijn eentje. Ik ga mij, met een fiks aantal blikjes Heineken onder handbereik, voor de televisie installeren en daarmee zal ik het, denk ik, wel kunnen bolwerken."
"Goed, als dat onverhoopt toch niet lukt, dan merk ik het wel. Komt er vanavond eigenlijk nog wat leuks op tv?"
"Eh, ja! Er komt zometeen inderdaad wat leuks!"
"Wat dan?"
"'Alias Smith and Jones'."
"Je meent het!", riep zij lachend.
"Ja! Toevallig, h?"
"Ja, nou! 'Alias Smith and Jones'. Is dat niet die westernserie, met die knappe Pete Duel, die..."
"Op 31 december 1971..."
""Die laatste dag van dat grootse, glorieuze jaar, waarin wij elkaar voor het eerst hebben ontmoet..."
"Zo stom was om een kogel door zijn kop te jagen! Ja, die ja!"
"O, dan hang ik je nu meteen op!", zei zij giechelend.
"O, dank je wel", zei hij melig.
"Nou, ja! Je weet wel, wat ik bedoel, h?"
"Ja, hoor, lieverd! Hou je haaks, h?"
"Ja, en jij ook, h?"
"Ik zal het doen!"
"Doeg!"
"Doei!"
Ze hingen gelijktijdig op. Trudy liet zich van het bed glijden en liep naar het raam. Het was nu helemaal donker buiten. Met de armen over elkaar en de schouders wat scheefgetrokken keek zij naar het kerkje, het kerkhof en het uitgestorven Burgemeester Nielenplein. Haar houding leek wat verkrampt, maar zij glimlachte wel.
"Als ze wel naar 't Gooi waren verhuisd, had ik hem ook nooit ontmoet", dacht zij, "Dus... we horen bij elkaar, Dennis en ik. Onze levens zijn volkomen met elkaar verweven en daar zal gelukkig nooit meer verandering in komen. Dat zullen die twee daarboven inmiddels ook wel doorhebben."
En ook dat laatste was een troostrijke gedachte.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 5 februari 1990. © Bert Harberts