DERTIG

Het was een koude zaterdagavond, eind oktober. De trein uit Amsterdam stopte op spoor twaalf van het Haagse Centraal Station en stroomde daarna langzaam leeg. Onder de passagiers bevond zich een echtpaar uit Amsterdam, dat kalm naar de stationshal wandelde. Het echtpaar zou de komende nacht in Den Haag blijven overnachten; zowel de man als de vrouw droeg een wat versleten weekendtas.
Ze waren beiden blond, knap en lang. Ze zagen er beiden ook bijzonder jong uit voor hun leeftijd, want hoewel Trudy op deze dag dertig was geworden en Dennis die grens maandag zou gaan overschrijden, konden ze allebei voor goede twintigers doorgaan. In hun kleding was wel een opvallend contrast te constateren. Dennis droeg een rood ski-jack en blauwe jeans, Trudy daarentegen was geheel in het net gekleed: zij had een lange, zwart-leren overjas aan met daaronder een blauw truitje, een zwart-leren rokje en een zwarte panty.
Tijdens de wandeling door de stationshal discussieerden ze even over de te volgen route naar het hotel aan de Molenstraat; uiteindelijk kozen ze voor de route via de Herengracht, het Plein en de Lange Voorhout. Eenmaal op de Herengracht verzonk Trudy in diepe gedachten. Het passeren van de hierboven genoemde mijlpaal was haar niet gemakkelijk afgegaan. De afgelopen tien jaar waren, op het overlijden van haar schoonvader na, vrijwel rimpelloos verlopen en het nu aangebroken decennium kon voor haar gevoel eigenlijk alleen maar slechter worden. Nu was zij nog mooi, nu kon zij zich nog volledig zeker van Dennis voelen, maar wat zou er tussen hen gaan gebeuren als haar schoonheid zou gaan verdwijnen? Wat voor gevolgen zou dat voor de rolverdeling in hun huwelijk gaan hebben. Zou zij de regie kwijtraken en dus ook haar vaste greep op hem? Zij wist het niet en zij vermoedde, dat op al die opgeworpen vragen ook geen duidelijk antwoord was te geven.
Terwijl zij zo stilletjes naast hem voortliep, liet zij elke gedenkwaardige gebeurtenis uit hun gezamenlijke verleden aan zich voorbijtrekken. De meeste van die gebeurtenissen hadden zich rond hun verjaardag afgespeeld: ze hadden vlak na hun zestiende verjaardag verkering gekregen, ze waren rond hun negentiende verjaardag gaan samenwonen en ze waren een maand voor hun tweeëntwintigste verjaardag getrouwd. Zij keek met bijzonder veel voldoening op die afgelopen veertien jaar terug. Hun huwelijk was ook zeer hecht gebleken en vertoonde nog geen enkel slijtplekje. De voorbije jaren hadden slechts in het teken gestaan van een groot en bestendig privégeluk en twee voorspoedig verlopende carrières.
Ze hadden geen kinderen en genoten van het leven, zij het met het oog op hun gezondheid wel met een zekere terughoudendheid. Ze gingen regelmatig uit eten, zonder zich aan drankgelagen te bezondigen. Ze waren gek op reizen, maar ze hadden geen auto en zeker geen behoefte aan dure vliegvakanties. Ze waren gek op seks, maar combineerden het gebruik van dat genotsmiddel met hun verlangen naar een goede nachtrust door meestal al om zeven uur naar bed te gaan.
Veel vrienden hadden ze niet. Ze gingen veel met twee neven van Dennis en een oude schoolvriend om en ze hadden een goede relatie met haar moeder, haar oma en de drie oudere broers van Dennis. Voor de rest hadden ze genoeg aan elkaar.
Ze liepen inmiddels over het Plein, staken dat schuin over en wandelden via de Hofvijver en het Toernooiveld naar de, met herfstbladeren bezaaide Lange Voorhout. Het was kil en vrijwel donker en Trudy's verlangen naar die warme, knusse hotelkamer groeide met elke stap. Op dat moment viel het haar voor het eerst op, dat Dennis een wat gekwelde gelaatsuitdrukking had. Zij vond het een hoopvol teken; zij zag er een teken van een, met moeite in toom gehouden wellust in.
"Is er iets?", vroeg zij.
"Ik heb de hele dag al koppijn", klonk het reutelend.
"O, gossie! Meen je dat?"
"Ja, en ik ben ook weer eens kotsmisselijk."
Hij zette die woorden kracht bij door ter plaatse over te geven. Hij deed het op zijn hurken en met zijn rug naar haar toegekeerd, maar haar medelijden was er niet minder om. Dat medelijden werd door een vaag schuldgevoel nog danig versterkt. Zijn regelmatig terugkerende migraineaanvallen vloeiden voornamelijk uit stress voort en voor die stress was zij de laatste dagen verantwoordelijk geweest. Zij was in de dagen voorafgaand aan haar verjaardag bijzonder prikkelbaar en gedeprimeerd geweest en die sporadisch optredende gemoedsstemmingen hadden tot nu toe altijd een verwoestende uitwerking op zijn gemoedsrust gehad. Nu zij met het uiteindelijke gevolg daarvan werd geconfronteerd, schoten de tranen haar in de ogen. Zij wist niet, wat zij moest doen, of zeggen, maar toen het overgeven was gestopt en hij om een onduidelijke reden zijn maaginhoud met een aantal bladeren bedekte, deed zij toch het enige, wat zij kon doen. Zij drentelde langzaam naar hem toe, hurkte naast hem neer en sloeg haar arm om zijn schouders.
"Hoe is het nou?", vroeg zij zacht.
"Belazerd!"
"Hoe komt het nou, dat je weer zo'n hoofdpijn hebt?"
"Ach, ik maak mij gewoon teveel zorgen."
"Waarover dan?"
"Over alles. Maar het meest over jou en over het werk."
"Och, arm ventje van mij!"
Hij stond moeizaam, wankelde even op zijn benen en scheen zich daarna toch wel wat beter te voelen.
"Gaat het?", vroeg zij.
"Ja, liefje. Het gaat wel weer."
"Zullen we maar niet liever naar huis gaan?"
"Ach, nee. We zijn er nu toch al bijna en mijn koppijn is nu wel weer draaglijk geworden. Ik ben nog niet helemaal de oude, maar ik zie nu wel weer wat licht aan het einde van de tunnel. Als ik straks even een uurtje plat op bed ga liggen, zal het wel weer zakken."
"Goed, schatje, wat je wilt."
Ze liepen verder, waarbij Trudy haar man zo goed mogelijk ondersteunde. Hun wandeling werd even onderbroken, toen ze achter hen een luide gil hoorden. Voor Trudy omkeek, besefte zij al, wat er was gebeurd: er was iemand over Dennis' braaksel uitgegleden. Het bleek gelukkig een jonge man te zijn, die aan zijn val hoogstens een paar vuile kleren zou overhouden.
"Er is iemand over je kots gevallen", zei zij lachend.
"Ach, nee!", zei hij, zonder zelf om te kijken.
"Ja, en je hebt precies de goeie te pakken genomen."
"Wat is het voor een type?", vroeg hij zwakjes.
"Het is zo te zien een hele hoge ambtenaar-in-wording. Zo eentje, die wel in Wassenaar maar niet in de Schilderswijk woont."
"Ah, gelukkig maar!"
"Dus je had niet liever gezien, dat het een FC Den Haag-supporter was geweest?"
"Nee, helemaal niet!"
"Oh, huichelaar!"
"Niks huichelaar! Ik meen het serieus. Ik ben een fanatieke Ajax-supporter, maar ik voel meer verwantschap met een arbeidersjongen uit de Schilderswijk dan met een veel te veel verdienende hoge ambtenaar uit Wassenaar."
"Dat valt in je te prijzen. Maar ik zou toch wel graag willen weten, waarom je dat braaksel van jou eigenlijk met bladeren hebt bedekt."
"Uit netheid. Wat anders?"
"En je hebt er niet aan gedacht, dat er daardoor wel eens iemand over uit zou kunnen glijden."
"Nee, daar heb ik tot mijn spijt niet over nagedacht. Ik was veels te blij, dat ik het allemaal kwijt was."
"Tja, dat kan ik mij ook wel weer voorstellen."
Ze staken de Kneuterdijk over en liepen de Heulstraat in. Aan het einde daarvan sloegen ze rechtsaf om even een blik op Paleis Noordeinde te kunnen werpen, maar daarna maakten ze rechtsomkeert en liepen ze verder via het Noordeinde en de Molenstraat.
"Gaan we vanavond nog iets leuks doen?", vroeg zij.
"Wat versta je daar onder?"
"Blijven we op onze kamer en gaan we gezellig de hele avond vrijen? Of gaan we nog stappen?"
"Zou je mij dat over een uurtje nog een keer willen vragen? Ik wil eerst effe gaan rusten."
"Alleen, of samen met mij?"
"Alleen. Want anders komt er van relaxen helemaal niets terecht."
"Ik heb daarnet anders best wel een leuk nachthemd ingepakt!", zei zij quasi-beledigd.
"Weer zo'n zwart, doorschijnend gevalletje?"
"Ja, precies."
"Nou, het staat je vrij om het zometeen al aan te trekken."
"Afgesproken!"
"Al is het natuurlijk niet zeker, of ik straks al de fut heb om het uit te trekken."
"Ach, laat dat maar aan mij over."
"Wat bedoel je daarmee?"
"Ik zal je zometeen vreselijk gaan vertroetelen. En wel zodanig, dat je hoofdpijn als sneeuw voor de zon zal verdwijnen."
"Da's mooi", zei hij, met een zweem van een glimlach.
Ze hadden inmiddels hun reisdoel bereikt: het sjieke hotel 'Parkzicht' aan de Molenstraat. Het was een hotel, waar ze gemiddeld drie keer per jaar overnachtten. Ze waren er beiden zeer op gesteld. Na hun eerste bezoek, twee jaar daarvoor, hadden ze het min of meer als 'Het hotel-voor-de speciale-gelegenheden' uitverkoren. Ze gingen het hotel binnen en Trudy meldde zich bij de receptioniste om het vervullen van de formaliteiten op zich te nemen. Dennis, die nog steeds heel bleek was, bleef onderwijl op de gang wachten.
Het wachten duurde niet lang; na enige minuten konden ze op zoek naar hun kamer gaan. Die bevond zich op de tweede verdieping aan de achterzijde van het hotel. Het was een ruime, klassiek gemeubileerde kamer met een veranda, die uitkeek over de Paleistuin. Het bed stond aan de rechterzijde van de kamer, de zithoek en de badkamer bevonden zich aan de linkerzijde, tussen de twee balkondeuren stond een antiek ogend, eikenhouten bureau en rechts naast dat bureau stond een tafeltje met een televisie.
Na hun binnenkomst was Dennis met een zucht van verlichting op het bed neergevallen; Trudy echter was de badkamer binnengegaan om zich wat op te frissen. Zij trok haar truitje en haar rok uit, verwisselde die kledingstukken voor het, tot net boven haar knieën reikende nachthemd en bekeek zichzelf in de spiegel boven de wastafel. Zij zag er bijzonder appetijtelijk uit, al kon zij zich niet helemaal aan de indruk onttrekken, dat zij hier en daar wat dikker begon te worden. Die indruk kwam in het geheel niet met de waarheid overeen: zij had nog steeds het figuurtje, het gewicht en de maten van een fotomodel.
Lang zou dat overigens niet meer duren. Over een paar jaar zou zij toch wat gaan uitdijen en langzaam, heel langzaam het figuurtje van een fotomodel voor dat van een flinke, mollige vrouw gaan inruilen. Nu had zij daar nog geen weet van en kon zij zichzelf ongeneerd bewonderen. Zij nam daar rustig de tijd voor. Het moment, waarop zij zich het bestaan van haar enigszins gammele echtgenoot herinnerde, duurde langer dan van een liefhebbende eega mocht worden verwacht, maar toen dat uiteindelijk dan toch gebeurde, stormde zij met het schaamrood op de kaken en met een charmant opwaaiend nachthempje de badkamer uit.
Haar haast bleek echter tevergeefs te zijn. Dennis had zijn jack en zijn schoenen uitgetrokken en was met de beddensprei over zich heen in slaap gesukkeld. Zij bekeek hem met een zorgzame gelaatsuitdrukking. Haar moeder was vele jaren als verpleegster werkzaam geweest en op dagen zoals deze kwamen ook bij haar de verpleegstersinstincten naar boven. Hoewel zij weinig kon doen, deed zij datgene, wat zij wel kon doen, met de air van een rasechte verpleegster. Zij streek met haar vingers langs zijn enigszins verhitte, voorhoofd, haalde uit haar tas een doosje Dampo en twee aspirines tevoorschijn en smeerde een klein deel van de inhoud van het doosje Dampo op zijn voorhoofd. Daarna maakte zij het bovenste knoopje van zijn overhemd los, waarbij zij hem heel even over de hals streelde en tenslotte legde zij op het nachtkastje de twee aspirines voor hem klaar.
Alle handelingen, hoe nuttig of nutteloos ze ook waren, werden met een blijmoedig gezicht verricht. Zij had iets onweerstaanbaars over zich als zij zo zorgzaam met hem bezig was en die aantrekkingskracht werd door haar sexy outfit nog danig versterkt. Het moge duidelijk zijn, dat zij zich zeer van die aantrekkingskracht bewust was. Zij pakte de bureaustoel en ging in een nogal bevallige pose naast zijn bed zitten, in afwachting van het moment, waarop hij wakker zou worden. Dat moment liet lang op zich wachten en haar gedachten dwaalden weer langzaam af. Zij dacht terug aan haar jeugd in Heemskerk en aan haar sinds lang gestorven vader en zij peinsde weer over de mijlpaal, die zij vandaag had bereikt. Het dertig-zijn kon haar nog steeds niet echt bekoren, want hoewel zij zich vanzelfsprekend wel bij het onvermijdelijke had neergelegd, bleef zij zich zeer onrustig voelen. Zij kon geen moment stilzitten en zij bleef hopen, dat Dennis snel wakker zou worden.
Uiteindelijk gebeurde dat ook. Hij liet het blijken door haar zachtjes over haar wondermooie rechterkuit te strelen en wel op een moment, dat zij zelf ook langzaam in slaap was gesukkeld. Zij schrok zich wezenloos en nam vervolgens geen blad voor de mond:
"Achterlijke imbeciel!!!"
"Sorry, lieverd", zei hij, enigszins besmuikt, "Ik wilde je echt niet laten schrikken."
"Hm, daar ben ik eigenlijk helemaal niet zo zeker van!", zei zij giechelend.
"Nee, echt niet!"
"Hm, nou... Ach, het geeft niet. Vertel mij maar liever, hoe het met je is."
"Beter."
"Dat is mooi. Heb je daarnet echt geslapen?"
"Ja, en ik heb ook heel raar gedroomd."
"Waarover dan?"
"Over je vader!"
"Wat leuk!", riep zij vrolijk, "Was het een fijne droom?" "Ja, ik droomde, dat hij hier in hetzelfde hotel logeerde en dat wij, terwijl jij in het bad zat, duchtig over jou aan het roddelen waren."
"Je meent het?"
"Ja, wel degelijk! Hij was overigens heel tevreden over ons. Hij vond, dat we ons leven tot nu toe heel zinvol hadden ingevuld en hij vond ook, dat ik heel goed met je omging. Hij was er bijvoorbeeld zeer over te spreken, dat jij en ik alleen maar op woensdag en zaterdag met elkaar naar bed gingen."
"Ach, wat een fatsoensrakker is het toch! Weet je eigenlijk wel zeker, dat het een droom was?"
"Hoe bedoel je?", vroeg hij, wat paniekerig.
"Ach, ik weet het niet, Dennis", antwoordde zij, met een wat raadselachtige glimlach, "Misschien was het wel helemaal geen droom. Misschien was hij wel echt hier."
"Denk je?"
"Het zou echt iets voor hem zijn."
"Het kan ook zijn, dat ik het wel heb gedroomd", zei hij, zorgvuldig zijn woorden wegend, "Ik denk overigens, dat dit ook maar een droom is."
"Hm, daar zou ik maar niet zo zeker van zijn als ik jou was. En of je nu droomt of niet. Het is toch echt zaterdag, vandaag. Je zult straks, hoe dan ook, aan de bak moeten."
"Maar ik ben nog steeds een beetje ziek!", riep hij, met iets van wanhoop in zijn stem.
"Ach, het hoeft ook niet meteen!", zei zij goeïg, "We hebben de hele avond en nacht nog voor ons. Je hoeft je ook nergens mee te haasten, je kunt lekker overal de tijd voor nemen."
"Je wilt het echt, hè?"
"Ja, ik ben daarnet tot de hoopgevende conclusie gekomen, dat ik dankzij onze zuinige levensstijl nog niets van mijn schoonheid heb verloren en daarvoor wil ik straks uitgebreid worden beloond."
"Wel, als de zaken er zo voor staan, zal ik die taak graag voor mijn rekening nemen."
"Dus je hebt echt geen hoofdpijn meer?", vroeg zij hoopvol.
"Nee, het is vrijwel over. Het is ook echt alleen maar stress, geloof ik."
"Is het echt om de toestanden met de krant?"
"Dat is nu wel weer de hoofdmoot, ja."
"Denk je echt, dat de krant het niet zal redden?"
"Ik ben er soms heel bang voor."
"Wat gek, dat jij je daarover zo'n zorgen maakt. Ik ben bijvoorbeeld helemaal niet bang om ontslagen te worden. Dat baantje van mij betekent echt helemaal niets voor mij."
"Je gaat toch niet stoppen met werken, hè?", vroeg hij geschrokken.
"Nee, hoezo?"
"Door het feit, dat jij dat zo vaak beschimpte baantje hebt, kan ik nog wel redelijk omgaan met het feit, dat de mijne zo wankel is. Want dat is mijn grootste angst! Werkloos worden, in de WW terecht komen, in de bijstand raken, in de schulden raken, huurachterstand oplopen, het huis uitgezet worden en dan uiteindelijk als zwerver in de goot eindigen."
"Dat zal nooit gebeuren, lieverd."
"Ja, dat zeg je nu."
"Als wij bij elkaar blijven, zul je nooit in de goot belanden. Dat is geen belofte, dat is een zekerheid. Bovendien geloof ik niet eens, dat je wordt ontslagen."
"Denk je?"
"Ik weet het zeker. Je bent gewoon veel te goed in je werk. En zelfs als je onverhoopt toch zou worden ontslagen, dan zou je, gezien de aanbiedingen die je regelmatig krijgt, binnen de kortste keren weer een andere baan hebben. En dan zeker ook een betere dan die je nu hebt."
"Ja, dat is waar. En is het ook wel zo, dat ik tijdens het piekeren daarover meestal wel tot dezelfde conclusies kom. Alleen..."
"Alleen wat?"
"Alleen kost mij dat dus wel steeds de nodige moeite."
"En de nodige hoofdpijn?"
"Ja, precies! En sinds mijn ex-schoonzusje mijn dierbare broer voor iemand anders heeft gedumpt, omdat hij wat al te vaak last van migraine had, is die hoofdpijn op zich al ook een reden tot piekeren geworden."
Haar reactie op die onthulling kwam snel: zij stond op, vlijde zich naast hem neer en nam hem als een kind in haar armen. Het deed hem zichtbaar goed.
"Is dit, wat je wilt?", fluisterde zij in zijn oor.
"Ja, ik ben volmaakt tevreden, zo."
"Dat is mooi. Want dat is precies de bedoeling."
Ze bleven een poosje zwijgen. Langzaam, heel langzaam begon hun omhelzing wat sensueler van aard worden. Langzaam, heel langzaam leek zij het pleit in haar voordeel te beslechten, maar uiteindelijk wist hij zich toch uit die o zo tedere omhelzing los te maken.
"Wat is er?", vroeg zij lachend.
"Ik heb ineens een knallende honger!"
"Zullen we dan wat in de 'Lobby Bar' gaan eten?"
"Nee, ik heb trek in iets anders."
"Waarin dan?"
"Hamburgers!"
"Ah, nee! Dat meen je niet?"
"Ik meen het wel. En niet zomaar in hamburgers. Nééééh... ik heb zin in de hamburgers van McDonald's!"
"Maar dan moeten we er weer uit!"
"Ah, toe nou! Ik heb er zo'n zin in. En ik heb echt honger. Ik heb vandaag gewoon niet genoeg gegeten."
"Ja, maar..."
"Ah, toe! Als je nu meekomt, kunnen we binnen een uurtje terug zijn."
"Staat er dan ook wat leuks tegenover?
"Ja, als je mij dit pleziertje gunt, dan zal ik de rest van de avond en ook de hele nacht alles doen, wat je van mij verlangt."
"Alles?"
"Alles! Als we straks terug zijn, zal ik al die groteske, erotische fantasieën van jou één voor één uit laten komen."
"Ha! Daar zal ik je aan houden!"
"Dat mag, dat is ook precies de bedoeling."
"Goed, afgesproken!"
Tien minuten later liepen ze over de Molenstraat terug naar het Noordeinde. Eenmaal daar begon Trudy een beetje lol in dit ongewilde uitstapje te krijgen. Bij elke modewinkel bleef zij lang voor de etalage staan kijken en in elke etalage vond zij wel iets, wat haar aanstond. Aan het einde van het Noordeinde lag café 'Het Gouden Hooft'. Ze keken even naar het overdekte, verwarmde en zeer aanlokkelijk ogende terrasje en overwogen serieus om het beroemde etablissement met een bezoek te vereren. Uiteindelijk deden ze dat toch maar niet. In plaats daarvan sloegen ze linksaf de Gravenstraat in.
Even verderop lag de Passage, een van hun meest dierbare plekken in Den Haag. Ze kuierden er kalm doorheen en keerden aan het einde van de Passage weer op hun schreden terug, onderwijl goedmoedig kibbelend over de plek, waar ze hun hamburgers zouden gaan nuttigen. Trudy wilde naar de McDonald's aan het Buitenhof omdat die 'lekker dichtbij' was, Dennis naar het wat nieuwere filiaal aan het Plein, omdat zij dan ook hun zelfontworpen Haagse stadswandeling zouden hebben voltooid. Na de wandeling over de Passage gaf Trudy toch maar toe aan de wens van haar echtgenoot: de keus viel dus op de McDonald's aan het Plein.
Ze liepen verder over het Buitenhof, staken de Hofweg over en verdwenen daarna onder de toegangspoort van het Binnenhof. Het mooiste en nu vrijwel uitgestorven stukje van Den Haag stelde hen niet teleur. Het gebouw van de Eerste Kamer had door het ontbreken van een gevelverlichting iets lugubers; de Ridderzaal en het gebouw, waarin toen nog de Tweede Kamer zetelde, waren daarentegen wel op een discrete manier verlicht en maakten daardoor een zeer voorname indruk.
Ze zegen op een bankje neer en bleven een poosje zwijgend voor zich uit staren. Trudy's gedachten keerden langzaam naar het gesprek in hun hotelkamer terug en zij vroeg zich af, of het niet verstandig zou zijn om haar man een nogal pikant geheim te onthullen. Dat geheim betrof een miljoenenerfenis, die ze binnen afzienbare tijd tegemoet mochten zien. Zij was de enige erfgename van haar eenentachtigjarige en puissant rijke grootmoeder en had door de jaren heen al een flink deel van die erfenis toebedeeld gekregen. Zij was nu al meervoudig miljonaire, maar aangezien zij altijd hun geldzaken regelde, had zij dat tot nu toe steeds verborgen voor hem kunnen houden.
Nu twijfelde zij opnieuw aan het nut van die geheimhouding. Zij keek naar zijn gezicht, zag tot haar grote opluchting, dat er bij hem van stress of hoofdpijn geen sprake meer leek te zijn en besloot toen om het heuglijke nieuws toch nog maar even voor zich te houden. Zij gebruikte bij dat besluit dezelfde motivatie als bij vorige gelegenheden: er zou zich in de nabije toekomst waarschijnlijk wel een passender gelegenheid voordoen.
Om hem voor die voortdurende onwetendheid omtrent de komende erfenis schadeloos te stellen, besloot zij om hem zometeen maar eens flink te trakteren. Zij stond op, greep hem bij de hand en trok hem mee in de richting van het Plein. Ze liepen met een nog steeds kalme tred langs het overvloedig verlichte Mauritshuis, waar ze vier jaar daarvoor de fantastische overzichtstentoonstelling over Ruisdael hadden bezocht, en staken daarna het Plein over, op weg naar hun voorlaatste reisdoel van die avond.
Het was niet druk bij de door Dennis uitverkoren McDonald's en de clientèle had tot haar verrassing ook iets beschaafds. Er zaten heel weinig jongeren en helemaal geen vereenzaamde bejaarden in het restaurant. Het merendeel leek uit ambtenaren en diplomaten te bestaan.
"Waar wil je zitten?", vroeg zij.
"Hier maar" antwoordde hij, wijzend op een kleine, ronde tafel aan de voorzijde van het restaurant, waar verder niemand zat.
"Wat mag het zijn?"
"Drie Big Mac's, een portie frites en een koffie."
"Geen bier?"
"Volgens mij hebben ze dat hier niet. Maar ik wil ook liever koffie. Ik zal deze avond en nacht nog lang wakker moeten blijven en ik heb dus alle energie nodig, die ik maar te pakken kan krijgen."
"Goed, liefje. Ik heb zelf niet zo'n honger, dus ik zal mij maar tot patat en koffie beperken."
"Okay! En ga nu maar gauw je bestelling plaatsenzo, voor het alsnog storm begint te lopen."
"Ja, meneer Harberts! Natuurlijk, meneer Harberts! Anders nog iets van uw dienst, meneer Harberts?"
"Ja, ik wil twee koekjes bij mijn koffie. Liefst twee 'Café Noirs', maar als ze dat echt niet hebben, mag het ook wel iets anders zijn."
"Ach, lazer op, jij!", riep zij lachend.
Zij liep naar de toonbank, waar zij door een vlotte, Surinaamse jongen vrijwel onmiddellijk van koffie werd voorzien. De rest van het gevraagde zou hij wel komen brengen. Na te hebben betaald, liep zij naar haar man terug.
"Hier is alvast de koffie, imbeciel!", riep zij amicaal, "De rest wordt zometeen gebracht."
"Ach, wat een prachtige service verlenen ze hier toch! Het Ritz in Parijs is er niets bij!"
Zij ging tegenover hem zitten, sloeg haar benen over elkaar en begon met een zekere aarzeling de knopen van haar jas los te maken. Eigenlijk was zij liever ergens anders gaan zitten. De plek, waar ze nu zaten, gaf haar een beetje het gevoel, dat zij zich met haar iets te korte rokje in een etalage bevond. Zij had gelijk, wat dat betreft: haar lieflijke verschijning bleef bepaald niet onopgemerkt. Onder de vele bewonderende voorbijgangers bevond zich een man, die tot driemaal toe voorbij kwam lopen en steeds weer haar aandacht probeerde te trekken. Hij liep vermoedelijk steeds een rondje over het Plein, want telkens als hij passeerde, kwam hij van links aanlopen. Hoewel het gedrag van de man haar lichtelijk irriteerde, schonk zij er verder geen aandacht aan. Dennis had niets in de gaten en kon zich dus, nadat de de vlotte, Surinaamse jongen hun bestelling bij hen had afgeleverd, met een ongestoord gemoed met zijn hamburgers bezighouden. Hij nam er zijn gemak van, alsof hij deze maaltijd als een galgenmaal beschouwde, en genoot zichtbaar van het smakelijke junkfood.
Na de maaltijd namen ze de gezelligheid nog een tweede kop koffie. Tijdens dat koffiedrinken sneed hij een wat heikel gespreksonderwerp aan:
"Vind je het echt zo vervelend, dat je dertig bent geworden?"
"Ja, maar het is niet het zozeer het getal, dat mij dwars zit. Het is meer het overschrijden van een grens, waar ik tegenaan heb zitten hikken."
"Maar waar ben je dan zo bang voor?"
"Dat is in één zinnetje samen te vatten: ik ben heel erg bang om jou te verliezen."
"Mij verliezen? Mens, denk je nou echt, dat ik ooit naar een andere vrouw zal omzien?"
"Ik weet het niet. Ik denk, dat er in het leven van iedere getrouwde man wel eens een moment komt, dat hij naar een andere en jongere vrouw zal gaan omzien. En zeker als die man eenmaal een zekere leeftijd heeft bereikt."
"Nou, ik weet dus absoluut zeker, dat ik dat niet zal doen."
"Dat zei mijn vader tegen mijn moeder, toen hij net zo oud was als jij. En die heeft in de laatste tien jaar van zijn leven toch echt een heleboel vriendinnen gehad."
"Ja, maar ik ben je vader niet!", riep hij, een tikje wanhopig, "En ik kan de gedachte, dat ik ooit iets een andere vrouw zal hebben, dus absoluut niet verdragen."
"Ik weet het, liefje, ik weet het. Maar waar ligt dat dan aan?"
"Aan iets in mijn genen", antwoordde hij grinnikend, "Ik heb iets, wat mijn vader, grootvader en broers ook hadden of hebben en wat ons van elke, andere man onderscheidt."
"Wat dan?"
"We zijn in staat om ons hele leven op één vrouw verliefd te blijven."
"Denk je dat echt?"
"Ik weet het zeker! Wij Harbertsen zijn niet trouw en monogaam, omdat het moet, maar omdat we niet anders kunnen."
"Hm, je hebt nu natuurlijk makkelijk praten, nu ik nog steeds zo mooi ben, maar denk je nou echt, dat die verliefdheid van jou stand zal blijven houden als ik oud en lelijk ben?"
"Ik weet het zeker. Ik garandeer je, dat ik, als we de zeventig zullen zijn gepasseerd, mij tegenover jou nog steeds als een tortelduifje zal gedragen. Dat gelul over verliefdheid en liefde, die uiteindelijk in vriendschap overgaan is echt de grootste bullshit. Het zijn stompzinnige clichéformuleringen, die bedacht zijn door mensen, die hun onmacht over het in stand houden van hun eigen relaties op iedere, andere relatie denken te kunnen projecteren."
"Zie je dan echt niet op tegen het moment, waarop ik mijn schoonheid zal verliezen?", vroeg zij stralend.
"Nee, helemaal niet! Dat heb ik je trouwens al een paar keer eerder gezegd."
"Dat is waar, maar ik kan het maar moeilijk geloven."
"Wacht maar af! Het is echt zo en ik zal het je trouwens gaan bewijzen, want ik wil dat verouderingsproces van jou uitgebreid gaan vastleggen."
"Wat bedoel je?"
"Ik wil je in de komende vijftig jaar uitgebreid gaan tekenen. In alle mogelijke poses en dus ook naakt, natuurlijk."
"Kun je dat dan?"
"Ja, dat denk ik wel. In mijn jeugdjaren heb ik veel getekend en volgens mijn toenmalige tekenleraar had ik er tamelijk veel talent voor."
"En dat talent en die kunde ben je niet kwijtgeraakt?"
"Ik weet het niet. Ik ga in ieder geval wel een tekencursusje nemen om het een en ander weer op te halen."
"Schriftelijk, naar ik mag hopen?", vroeg zij koeltjes.
"Natuurlijk, liefje, natuurlijk!", antwoordde hij schaterend, "Je denkt toch niet, dat ik mijn kostelijke tekengaven aan een wildvreemd naaktmodel ga vergooien?"
"Ah, dan is het goed. Misschien kun je wel iets bij de LOI gaan doen."
"Betaal jij dan het cursusgeld?", vroeg hij liefjes.
"Ja, natuurlijk! Is het trouwens niet wat 'overdone' van jou? Die drang van jou om mij te tekenen? Zijn die duizenden foto's, die je van mij hebt, dan echt niet genoeg voor je?"
"Nee, want daar zit dus geen enkele naaktfoto tussen."
"En die wil je wel graag hebben?"
"Ja, natuurlijk! Ik wil je gaan vastleggen in elke verleidelijke pose, die je maar kunt bedenken. In elke vorm van lingerie, die je hebt, of nog zult gaan kopen."
"Moet ik dan ook nylonkousen gaan dragen?"
"Misschien wel", antwoordde hij aarzelend, "Het moeten in ieder geval wel echte pin-uptekeningen gaan worden. En dus tekeningen, die een wat dromerige sfeer en lading hebben."
"Je bent echt heel wat van plan, hè?", vroeg zij, met slecht verborgen opwinding.
"Ja, leuk, hè?"
"Hm, ik zie alleen wel een beetje op tegen dat poseren."
"Ach, ik zal wel een polaroidcamera kopen, dan kan ik aan de hand van foto's gaan werken."
"Ja, maar dan nog..."
"Ach, lazer op! Als er een vrouw is, die het prettig vindt om zichzelf te showen, dan ben jij het wel. Als het begrip exhibitionisme niet had bestaan, dan had jij het wel uitgevonden."
"Dat is waar!", riep zij schaterend, "Maar die bal kan ik mooi terugkaatsen. Als er een man is, die het prettig vindt om naar zijn vrouw te gluren..."
"Dan ben ik het wel."
"Ja, en als het begrip voyeurisme niet had bestaan..."
"Dan had ik het wel uitgevonden. Ja, je hebt volkomen gelijk. Alleen ik kom tenminste wel met zinnige ideeën aandragen, waardoor we met die afwijkingen van ons leuke dingen kunnen gaan doen."
"Dat is waar. En dat valt ook zeer in je te prijzen. Wanneer ben je op dat idee van dat tekenen gekomen?"
"Daarnet in de hotelkamer. Toen ik door mijn oogharen ongestoord naar je mooie benen mocht kijken. Toen drong het ineens tot mij door, dat ik jouw schoonheid een keer op een goede en kunstzinnige manier moet gaan vastleggen. Die dodelijke combinatie van dat moederlijke en dat sensuele in jou, die moet en die zal toch echt een keer vereeuwigd moeten worden. En het is, dat ik geen potlood en papier bij mij heb, anders had ik het nu al gedaan."
"O, ja!", riep zij lachend, "Dat had ik echt fantastisch gevonden."
"Ja, hè?"
"Heb je al een idee, waar je mij wilt gaan tekenen?"
"Hoe bedoel je?"
"Ga je een atelier huren of zo?"
"Misschien wel", zei hij, met een wat ironisch glimlachje, "Maar in eerste instantie zal het poseren gewoon in de slaapkamer gaan gebeuren. En dan het liefst op een zonnige zondagochtend als de zon in de kamer en op het bed schijnt." "Ik snap het. Het kan in de winter alleen wel bar koud zijn in die kamer..."
"Ach, dan kopen we er toch een paar straalkacheltjes bij?"
"Tja, dan kan natuurlijk."
"We moeten nu trouwens maar eens even een programma gaan opstellen", zei hij, een pen en een notitieboekje uit zijn binnenzak halend, "De eerste tekening wordt dus..."
"De moederlijke verpleegsterspose!", kraaide zij uit.
"Precies!", beaamde hij, "De tweede wordt?"
"De striptease!"
"Ja! Die verrukkelijke, bedaagde striptease van jou! Oh, ja! Die moet ik zeker ook gaan tekenen! Maar dat zullen dus meerdere tekeningen gaan worden. En de volgende?"
"Dat worden er ook meerdere. En wel elk moment, vanaf het einde van de striptease tot het heerlijke, geile moment, vlak voor het neuken."
"Dat zal dan wel een beetje lastig worden", zei hij peinzend.
"Hoezo?"
"Als ik tijdens elk stadium van het vrijen een foto van je moet maken, dan zal het vrijen ook niet echt meer van een leien dakje gaan."
"O, dat denk je maar! Je hoeft mij namelijk helemaal niet tijdens het vrijen te fotograferen. Ik ben namelijk een hele goede actrice en ik garandeer je, dat ik tijdens zo'n tekensessie elke gelaatsuitdrukking op mijn gezicht tevoorschijn zal kunnen toveren, die je je maar wenst. Dus schrijf op: alle stadia tijdens het voorspel, alle stadia tijdens het neuken zelf en alle stadia tijdens het naspel!"
Hij schreef het plichtsgetrouw op, met een gelaatsuitdrukking, die slechts onschuld leek uit te drukken.
"Nog meer?", vroeg hij.
"Ja, ik heb nog veel meer ideeën, maar die poses zal ik je wel laten zien als we zometeen in de hotelkamer zijn."
"O, leuk!"
"Misschien kunnen we er uiteindelijk wel een erotisch stripverhaal van maken!", sprak zij, met een dromerig gezichtje.
"Tja, wie weet?", zei hij grinnikend.
Ze vervielen even in stilzwijgen. Hij had haar door het onthullen van zijn nieuwe hobby bekwaam van haar fatalistische toekomstverwachtingen verlost, maar zij voelde zich toch nog niet helemaal zeker van haar zaak.
"Hoe denk je, dat we er over tien jaar aan toe zullen zijn?", hernam zij.
"Niet veel anders dan nu. We zullen nog steeds razend verliefd op elkaar zijn, we zullen, hopelijk, nog steeds gezond zijn en misschien wel gezonder, we zullen eruit zien alsof we dertig in plaats van veertig zijn. We zullen nog steeds een rustig en gematigd, bourgondisch leven leiden, zonder kinderen, maar met twee goede banen en dus lekker veel geld. We zullen het uiterst plezierig vinden, dat we nog maar vijftien jaar van onze VUT zullen zijn verwijderd en we zullen regelmatig al die reisjes blijven maken naar al die steden in Nederland en Europa, die ons nu al zo dierbaar zijn."
"Maar we zullen dan wel tien jaar ouder zijn. En dan zullen we dus ook de helft van ons leven al achter ons hebben."
"Dat is waar. Maar we zullen dan ook tien jaar wijzer en naar alle waarschijnlijkheid ook wel wat rustiger zijn."
"Denk je dat echt?"
"Ja, veertig is toch bij uitstek de leeftijd, waarop een mens van het leven kan gaan genieten?"
"Mijn vader dacht daar anders over. Die maakte er een eind aan, toen hij eenmaal veertig was."
"Ja, dat is zo", zei hij aarzelend, "Maar we zijn, geloof ik, toch wel een tikje levenslustiger dan je vader."
"O, ja! Dat is wel zeker!"
"Weet je, Trudy!", zei hij, met een ineens heel vrolijk gezicht, "Er is nog iets, waarvan we kunnen gaan genieten als we eenmaal veertig zijn."
"Wat dan?"
"Van onze mooie herinneringen."
"Hoe bedoel je?"
"Als we veertig zijn, zullen we in totaal vierentwintig jaar aan mooie herinneringen met ons mogen meedragen. Ik bedoel maar: waarom zou het erg zijn om aan de tweede helft van je leven te beginnen, als je, zoals wij, met zoveel plezier en voldoening op de eerste helft kunt terugkijken?"
"Maar ben je dan helemaal niet bang voor de lichamelijke aftakeling, die ons ooit te wachten zal staan?"
"Nee, helemaal niet!"
"Zal dat mooie verleden dan echt zo'n grote bron van troost voor jou zijn?"
"Ja, want dat is het nu al. Ik kan nu al heel lang zoet zijn met het alleen maar terugdenken aan die veertien, gelukkige jaren met jou. Die gelukkige, veertien jaren met jou hebben die ongelukkige, zestien jaren daarvoor nu al helemaal in de schaduw gesteld en dat terugdenken aan die jaren met jou zal mij over tien jaar nog veel meer geluk en voldoening gaan schenken. Want dan zal ik vierentwintig jaar met de mooiste vrouw ter wereld hebben samengeleefd. Dan zal ik mij omringd weten door vele tastbare en niet-tastbare herinneringen aan die vierentwintig jaren, die mij telkens weer in staat zullen stellen om die vierentwintig jaren opnieuw te beleven."
"Hm, daar zit wel iets in."
"Ja, hè? En al die herinneringen zullen dan ook een hele sterke buffer gaan vormen tegen het leed en de ziekten, die ons in de jaren daarna misschien ten deel zullen vallen. Want die staan ons natuurlijk ook te wachten: we kunnen nu eenmaal niet verwachten, dat we eeuwig jong en eeuwig gezond zullen blijven."
"Nee, dat is zo. En je hebt ook groot gelijk. We moeten in de komende tien jaar zoveel mogelijk van het leven gaan genieten en zo veel mogelijk mooie herinneringen gaan opsparen. Dat is inderdaad de enige manier om het probleem van het ouder worden te lijf te gaan."
"Ja, hè?"
"Zullen we daar maar meteen mee beginnen?"
"Wat bedoel je?", vroeg hij schijnheilig.
"Ik wil naar het hotel en daar al mijn erotische fantasieën laten uitkomen."
"Hm, zullen we anders eerst even langs het Centraal Station lopen en daar in de Bruna een paar potloden en een paar vellen tekenpapier kopen?"
"Nee", antwoordde zij aarzelend, "Ik wil naar het hotel! Ik zit nu echt op hete kolen."
"Dat zit je toch altijd?"
"Ja, maar het is nu wel heel erg met mij gesteld."
"Ach, jee! Zou je mij eigenlijk kunnen zeggen, wat mij zometeen te wachten staat?"
"Nee, want het moet een verrassing blijven. Als we eenmaal op onze kamer zijn, zal het je langzamerhand wel duidelijk worden."
Hij zei daar niets op, maar aan de trillende handen, waarmee hij haar benen begon te strelen, kon zij wel merken, dat zij doel had getroffen. Zij vond het bijzonder lekker, wat hij deed, maar zij vroeg zich wel af, of hij niet te ver zou gaan. Het antwoord op die vraag was ontkennend van aard. Het bleef slechts bij strelen en ondanks dat veelbelovende begin beperkte hij zich voornamelijk tot haar knieën. Zij ervoer die ingetogenheid niet als een teleurstelling en begon zich door zijn betoog van daarnet ineens heel erg gelukkig te voelen. Hij had ook in alle opzichten gelijk gehad. Ze hadden nog vele mooie jaren voor de boeg en er was dus geen enkele reden om angstig naar die nabije toekomst uit te kijken. Die toekomst zou vanavond ook luisterrijk worden ingeleid en zij stelde in gedachten alvast een draaiboek voor de rest van de avond vast. Het zou een memorabele gaan avond worden, een avond, die later vast wel een prominente plaats in hun 'Galerij der Gouden Herinneringen' zou krijgen.
Na een paar minuten begonnen de spannende details van dat draaiboek hun tol te eisen. Zij wilde nu naar het hotel en zij zou geen enkele tegenspraak of vertragingsactie meer dulden. Zij gaf hem een fikse tik op zijn vingers, duwde zijn handen resoluut van haar benen weg en begon daarna kalm de knopen van haar jas vast te maken.
"Gaan we?", vroeg hij, een beetje ten overvloede.
"Ja."
Zij stond op en liep zonder verder nog iets te zeggen het restaurant uit. Zij was al halverwege het Plein, toen zij zich omkeerde en zag, dat Dennis enigszins was achtergebleven om een losgeschoten schoenveter te strikken. Dat irriteerde haar mateloos. Zij wilde hem roepen en tot haast aansporen, maar kreeg op hetzelfde moment de schrik van haar leven, omdat zij ineens twee mannenarmen rond haar middel en een nogal naar alcohol stinkende adem tegen haar wang voelde. Haar eerste aanvechting was om zich los te rukken; haar tweede aanvechting bleek een betere optie te zijn.
"Dennis!", gilde zij.
Tot haar grote opluchting rende hij onmiddellijk naar haar toe. Zij zag daarbij een bijna duivels lichtje in zijn ogen schitteren, dat haar angst al helemaal teniet deed. Zij wist, dat hij dit varkentje wel zou gaan wassen en zij wist ook, hoe hij dat zou gaan doen. Haar belager had dat lichtje vermoedelijk ook gezien. Hij liet haar los, slaakte een korte angstkreet en werd vervolgens door Dennis met een minimum aan agressie en een maximum aan doeltreffendheid buiten gevecht gesteld.
De afstraffing, uitgevoerd met de koele discipline van een laconieke, in zijn vak vergrijsde beul, kreeg binnen een tiental seconden zijn beslag. Met een voor Trudy zeer bevredigend resultaat: de man, een jonge, redelijk gesoigneerd uitziende man in wie zij zonder moeite haar hardnekkige bewonderaar van daarnet herkende, zeeg na drie doeltreffende klappen op de grond ineen. Trudy zag, hoe Dennis zich over de man heenboog en hem op een sarcastische toon vroeg 'of hij nog meer wilde'. Het antwoord was non-vocaal, maar liet aan duidelijkheid niets te wensen over: de jonge, redelijk gesoigneerde man schudde op een versufte manier zijn hoofd. Daarna liep Dennis met grote stappen naar Trudy toe.
"Hoe is het met je?", vroeg hij, terwijl hij haar behoedzaam bij de handen greep.
"Goed!", antwoordde zij, met een stralend gezichtje.
"Echt?"
"Ja, hij heeft niet echt iets naars gedaan en ik zal er dus ook echt niets ernstigs aan overhouden."
"Ben je daar echt helemaal zeker van?"
"Ja, daar ben ik echt helemaal zeker van. Maar hoe is het met jou? Heb jij er niks aan overgehouden?"
"Nee, niet echt. Alleen mijn knokkels zijn een beetje geschaafd. Meer niet."
"Laat zien!"
Trudy bekeek zijn handen van alle kanten en zag, dat het inderdaad wel meeviel. Op drie plekken was wat bloed zichtbaar, maar het had erger kunnen zijn.
"Hm, laten we toch maar zo snel mogelijk naar het hotel gaan", zei zij opgelucht, "Dan kan ik er wat jodium en pleisters op doen."
"Goed, liefje."
De man was inmiddels opgestaan en strompelde moeizaam van hen weg. Het echtpaar keek hem peinzend na, tot hij het Plein had verlaten en in de Korte Poten was verdwenen.
"Er is dan wel niks ernstigs gebeurd", murmelde Trudy, "Maar ik zal mij toch pas echt lekker voelen als ik zometeen in jouw sterke armen lig."
"Is dat het enige, wat je wilt?"
"Ja, de vervulling van mijn groteske, erotische dromen en dat prachtige, erotische stripverhaal, dat daaruit zal voortvloeien, moeten nog maar een poosje achterwege blijven. Nu wil ik alleen maar heel lang en heel rustig met je gaan vrijen."
"Dat is goed, liefje", zei hij lachend, "En laten we nu maar de kortste weg naar het hotel nemen. Voor we nog zo'n vies, grijpgraag ventje tegenkomen.
"Prima, ga dan maar gauw mee."
Zij gaf hem een arm en leidde hem daarna feilloos via de kortste weg naar het hotel.

BERT HARBERTS


Terug



Amsterdam, 6 november 1997. © Bert Harberts