CONTRAST

1. De huiskamer van het huis aan de Noordamsterdamse Kamperfoelieweg was nogal slordig ingericht: met een bruine bank, waarop een cyperse kat lag te slapen, bruine stoelen, een grenen salontafel, een eveneens grenen boekenkast, een nogal versleten, bruine vloerbedekking, bruine overgordijnen en een drietal, bijzonder ouderwets ogende schemerlampen. De bewoners van deze kamer, een jong echtpaar, waren allebei aan het lezen. Dennis, bijna achtentwintig jaar oud en journalist van professie, scheen geheel in een boek verdiept te zijn. Trudy, twee dagen ouder dan haar echtgenoot en plaatsvervangend filiaalhouder van een naburig postkantoor, zat in kleermakerszit voor de gashaard en was met zichtbaar genoegen een kort verhaal van Dennis aan het lezen.
Bij Trudy lukte het lezen beter dan bij Dennis, want diens ogen dwaalden namelijk steeds vaker naar Trudy af. Daar was een goede reden voor: zijn vrouw was op haar achtentwintigste op het toppunt van haar schoonheid. Zij had een bijzonder knap gezichtje, met blonde, half-lange en door een paardenstaartje bijeengehouden haren, een slank figuurtje, lange, slanke benen en kleine, smalle voeten. Zij droeg een kort, zwart nachthemd, een rood slipje en een zwarte panty; rond haar rechterdij zat een rode kouseband gedrapeerd. Haar houding was gemoedelijk en ondanks dat adembenemende uiterlijk had zij de uitstraling van een engeltje.
De strijd om zijn aandacht tussen zijn vrouw en deel twee uit de 'Verzamelde Werken' van Tsjechow werd uiteindelijk dan ook in het voordeel van de eerste beslist. Zij merkte het en was daar op een bescheiden manier verguld mee. Zij wist maar al te goed, hoe mooi zij was, maar liet zich daar vrijwel nooit op voorstaan. Integendeel zelfs: zij vroeg zich de laatste weken steeds vaker af, hoe lang deze bloeiperiode nog zou gaan duren. Zij gaf zichzelf nog een à twee jaar; als zij de dertig eenmaal zou zijn gepasseerd, zouden de eerste lijntjes op haar gezicht inmiddels wel zichtbaar zijn. Zij zou misschien ook wat dikker worden. Dat uitdijen vreesde zij misschien nog wel het meest, al had Dennis haar regelmatig verzekerd, dat het hem niets zou kunnen schelen en dat het zijn verlangens naar haar waarschijnlijk nog zou versterken.
Die ontboezemingen hadden haar telkens weer als muziek in de oren geklonken, want hun seksleven was nu al rijker en intenser dan in de beginjaren van hun relatie. Wat het neuken betreft, beperkten ze zich al sinds jaar en dag tot de woensdag en de zaterdag, maar de rest van de avonden en nachten werden aan alternatieve vormen van lustbeleving besteed. Hij kon urenlang naar haar kijken en hij kon urenlang met haar spelen, zonder zich daarbij om zijn eigen genot te bekommeren. Elke avond was een feest voor haar en zij besefte op dit moment maar al te goed, hoezeer zij aan die poëtische vrijpartijen was verslaafd geraakt.
Hun huwelijk zou vermoedelijk kinderloos blijven. Aan de juistheid van die gezamenlijk genomen beslissing om van kinderen af te zien had zij de laatste jaren wel eens getwijfeld. Haar nuchtere verstand zei haar, dat zij waarschijnlijk nooit een goede moeder zou kunnen zijn, maar zij wilde een mogelijke zwangerschap in de nabije toekomst nog steeds niet helemaal uitsluiten.
De rust in de huiskamer werd uiteindelijk door Dennis verstoord. Hij legde zijn boek op de salontafel, liet zich van zijn stoel glijden en kroop langzaam naar haar toe. Hoewel zij dat bijzonder op prijs stelde, liet zij daarvan niets blijken. Zij bleef stug doorlezen en wachtte in alle rust zijn eerste toenaderingspogingen af.
"Wat zit je haar leuk!", begon hij, op een wat onzekere toon.
"Dank je wel!", zei zij verstrooid.
"Je hebt een lekker, pittig koppie, zo!"
"Ah, dank je!", zei zij, zonder op te kijken, "Je hoeft mij vanavond overigens niet te versieren, hoor. Je ziet, dat ik de kouseband draag en je weet best, wat dat betekent."
"Wat betekent dat ook alweer?"
"Dat betekent, Dennis, dat je in seksuele zin onverwijld je echtelijke plichten dient na te komen. Je dient er ook snel mee te beginnen en er zo lang mogelijk mee door te gaan. Verzaken van deze plichten geeft de echtgenote het recht tot onmiddellijke aanranding van de echtgenoot over te gaan."
"Waarom heb je je panty eigenlijk nog aan?", vroeg hij, met een kort lachje.
"Ach, ik weet het niet. Ik had het koud en ik wist niet, of het lang zou duren, voordat je voor mijn charmes zou zwichten. En eigenlijk weet ik dat nog steeds niet."
Zijn reactie op die laatste woorden kwam snel. Hij zuchtte diep en vlijde zwijgend zijn hoofd op haar schouder. Trudy wist genoeg: dat gebaar was een teken van overgave. Zij legde het manuscript naast haar op de vloer, maakte haar haren los en liet na enig talmen de kouseband van haar dij glijden.
"Waarom mag ik niet even verder lezen?", vroeg zij plagend, "Het begon net zo leuk te worden. Ik was net bij dat fragment, waarbij die feministen zelfmoord plegen door met een vrachtwagen boordevol explosieven de pui van die seksshop aan de Reguliersbreestraat te rammen. Hoe was het ook alweer? O, ja, ik weet het weer: 'De ravage na de aanslag door het feministische zelfmoordcommando was enorm. Tot aan de Munt lag de straat bezaaid met vele deerlijk verschroeide nylonkousen, jarretellegordeltjes, doorschijnende babydolls en negligés en andere seksuele attributen van twijfelachtig allooi.` Ah toe, laat mij nou nog even verder lezen!"
Hij smoorde haar protest met een kus en nam haar zonder al te veel plichtplegingen in zijn armen. Die bezitterige, bijna ruwe houding bekoorde haar zeer. Al kon zij het niet nalaten om hem nog even te treiteren: door hem met nuffig knipperende oogleden een idioot vraagje te stellen:
"Wil je niet liever eerst wat gaan Monopoly'en?"
"Nee, dat is niet meer nodig", was het cryptische antwoord.
"Meen je dat nou?"
"Ja, mijn lief, dat meen ik!"
"Dan is het dus toch waar, wat er laatst in het Parool stond."
"Wat stond er dan laatst in het Parool?"
"Dat Schorpioenen in hoge mate seksueel actief zijn en ook tot op hoge leeftijd seksueel actief blijven!"
"Je meent het?"
"Ja, hoor, het stond er echt in! Er zijn twee soorten mannen, die garant staan voor een levenslang en bijzonder succesvol seksleven. En dat zijn Schorpioenen en mannen, die veel gevoel voor humor hebben. En aangezien jij tot beide categorieën behoort, zit ik dus voor de rest van mijn leven geramd!"
"Je meent het?"
"Ja, ik meen het! De theorie werd ook met cijfers en feiten gestaafd. Vrouwen, die op jeugdige leeftijd met vrolijke, aimabele Schorpioenen-dekhengsten zoals jij trouwen, kunnen erop rekenen, dat ze zo rond hun veertigste al vaker seks hebben gehad dan andere vrouwen in hun hele leven."
"O...", zei hij lachend, "Nou, ja! Als zo'n kwaliteitskrant dat schrijft, zal het wel waar zijn, hè?"
"Ja, tenzij je het artikel natuurlijk zelf hebt geschreven." "Hm, ik neem aan, dat je de theorie nu aan de praktijk wilt gaan toetsen?"
"Jij niet dan?", vroeg zij liefjes.
"Ach, vooruit dan maar."
2. De volgende dag besteedde Trudy vrijwel geheel aan haar voornaamste hobby: winkelen met haar moeder in de binnenstad van Amsterdam. Omdat zij door de jaren heen al heel veel geld uit de toekomstige erfenis van haar grootmoeder had gekregen, had zij er een gewoonte van gemaakt om op elke zaterdag haar weeksalaris in luxegoederen om te zetten. Ook op deze dag had zij zich met veel genoegen van die levenstaak gekweten. Zij kwam pas laat in de middag thuis en trof Dennis in gedachten verzonken op de bank aan.
"Wat is er, Dennis?", vroeg zij, toen zij naast hem was gaan zitten en hem glimlachend een arm had gegeven, "Je ziet er zo verhit uit!"
"Gerda is er met haar tandarts vandoor", antwoordde hij op norse toon, doelend op zijn jongste en in Hoofddorp woonachtige schoonzuster.
"Hè?"
"Althans... Zij wil er haar tandarts vandoor gaan."
"Ik snap het niet!"
"Gerda wil van Eric gaan scheiden, omdat zij op haar tandarts verliefd is geworden."
"Dat meen je niet!", vroeg zij lachend, "Je verzint het!"
"Lach niet! Ik weet best wel, dat het op een slechte intrige uit een boekje uit de Bouquet-reeks lijkt, maar het is dus echt waar!"
"Nee, echt?"
"Ja, en het is helemaal niet leuk! Eric zit diep in de put en dan druk ik mij nog gematigd uit. Hij is bijna de hele middag hier geweest."
"Hm, kun je even bij het begin beginnen?"
"Wil je echt alles horen?"
"Ja, van het begin tot het eind."
"Nou, het begon dus vanochtend, toen ik tijdens het stofzuigen door een telefoontje van Eric werd gestoord."
"Ga door!"
"Eerst kon ik helemaal niets aan hem merken, maar naarmate het gesprek vorderde, werd hij steeds stiller. Uiteindelijk zei hij helemaal niets meer, tot ik hem vroeg, of er misschien iets met hem aan de hand was."
"En toen?"
"Barstte hij in huilen uit"
"Nee! Meen je dat?"
"Ja, ik schrok mij natuurlijk het leplazarus, maar op de een of andere manier, wist ik hem toch een beetje tot bedaren te brengen en kreeg ik uiteindelijk ook de reden van zijn verdriet te horen."
"Dat Gerda wil gaan scheiden?"
"Ja, precies! En toen ik dat eenmaal wist, heb ik hem maar meteen gevraagd, of hij hiernaartoe wilde komen."
"En dat wilde hij dus wel?"
"Ja, dat was ook de reden, waarom hij belde. Toen ik hem zei, dat hij hiernaartoe moest komen, heb ik er ook meteen bij gezegd, dat hij toch vooral voorzichtig moest rijden, want ik had echt het idee, dat hij in de stemming was om zich kapot te rijden."
"Maar hij is dus wel veilig aangekomen?"
"Godzijdank wel! Ik heb ook een heus dankgebedje uitgesproken, toen ik hem veilig en wel uit die groene Volkswagenbus zag stappen."
"Hoe was hij er aan toe?"
"Slecht, natuurlijk! Ik heb nog nooit iemand gezien, die zo ongelukkig was. Ik heb hem dus hartelijk verwelkomd, ik heb hem in de gemakkelijke stoel gezet, ik heb hem een kop koffie gegeven en ik heb hem daarna maar flink laten praten."
"En wat zei hij allemaal?"
"Tja, het verhaal, dat hij afstak, was zowel triest als banaal. Zij is sinds een paar maanden verliefd op die tandarts, zij wil gaan scheiden, zij eist de voogdij over Ghislaine op, zij wil een alimentatie van driehonderd gulden per maand en Eric moet zo snel mogelijk naar andere woonruimte omzien en dus zo snel mogelijk ophoepelen."
"Kan dat dan zomaar?"
"Ja, hoor! Zij heeft het recht helemaal aan haar kant. Zij heeft ook al hulp van allerlei instanties toegezegd gekregen. Zij kan echt alles krijgen: een gratis advocaat, een bijstandsuitkering, huursubsidie, noem maar op."
"O, wat erg!"
"Ja, hè?"
"Wat gebeurde er toen?"
"Nou, toen hij zijn hart had gelucht, scheen hij langzaam een beetje op te knappen. De wanhoop ebde een beetje weg en de woede kwam ervoor in de plaats."
"Da's mooi!", zei zij zacht.
"Maar de crisis is natuurlijk nog lang niet voorbij, want hij houdt nog steeds van haar."
"Dat kan toch ook niet anders?"
"Dat is waar, maar die liefde moet maar snel in haat overslaan, vind ik. Hij vindt haar namelijk mooier dan ooit. Zo slank als zij nu is, is zij eigenlijk in jaren niet geweest. Zij maakt de laatste weken ook heel veel werk van haar uiterlijk en juist dat maakt hem gek van woede. Kun je je dat indenken? Kun je je indenken, wat het voor een verschrikkelijke kwelling is als je eigen vrouw zich voor een ander zit op te tutten? Als zij zich voor een ander in sexy lingerie hult?"
"Ja, ik begrijp het! Jij kunt er al niet tegen als ik dat voor jou doe."
"Nou, voor Eric heeft Gerda het dus nooit gedaan en het idee, dat die smeerlap daarna ook nog eens met zijn vieze, gore, smerige tengels aan haar lijf zit, maakt hem dus helemaal razend."
"Ik snap het. Maar er zal vast wel een tijd komen, dat het hem helemaal niets meer doet."
"Hm, dat is allemaal goed en wel, maar het ergste heb ik je eigenlijk nog niet eens verklapt."
"En dat is?"
"Gerda heeft het mij zelf al een keer verteld."
"Wat?"
"Dat zij aan haar tandarts is verslingerd geraakt."
"Ah, nee! Dat meen je niet! Wanneer dan?"
"Met Pasen."
"Wat heeft zij toen dan gezegd?"
"Zij heeft mij toen gezegd, dat zij zo'n medelijden met haar tandarts had - hij scheen toen net zelf gescheiden te zijn - en dat zij om die reden van die vreemde, moederlijke gevoelens voor hem koesterde."
"O, God! Meen je dat?"
"Ja, en ik heb dat toen helemaal niet serieus genomen. Ik heb maar een beetje met haar mee zitten lullen, in de trant van: "Het siert je, dat je zo met hem meevoelt!""
"Gooh! Dus volgens jou duurt het al meer dan een half jaar?"
"Ja, dat moet dan wel, hè? Hoewel Gerda zelf natuurlijk een andere mening is toegedaan. Zij heeft namelijk tegen Eric gezegd, dat die vent alleen maar een steun- en toeverlaat voor haar is en dat zij alleen maar haar vrijheid terug wil krijgen."
"Heb je Eric van dat telefoongesprek verteld?", vroeg zij, op onverstoorbare toon.
"Nee, ik durfde het niet en ik denk ook niet, dat ik het ooit zal durven. Hij vermoordt mij vermoedelijk."
"Je moet er maar gewoon je mond over houden, vind ik. Gerda heeft het je immers in vertrouwen verteld."
"Aan dat laatste hecht ik geen enkel belang meer", zei hij koeltjes, "En het is met het oog op de komende scheidingsperikelen misschien toch wel belangrijk, dat hij het wel weet."
"Nee, lieverd! Dat denk ik niet! Het is veel beter voor hem, dat hij het niet weet. Ik denk echt, dat je hem de eerste weken zoveel mogelijk moet ontzien. Je moet ervoor zorgen, dat hij zich zo snel mogelijk van haar losmaakt en dat hij zich zo snel mogelijk op de toekomst gaat richten. Wat Gerda in het laatste halfjaar heeft uitgevreten, mag niet meer belangrijk voor hem zijn. Alles wat hij nu nog over haar te horen krijgt, is ballast, die hij de rest van zijn leven met zich mee moet dragen."
Een weerwoord op die wijze woorden bleef achterwege. Hij scheen er ook geen behoefte aan te hebben. Zij was na het slot van haar betoog bij hem op schoot gekropen en zij streek nu met kalme, bezwerende gebaartjes over zijn haar. Zowel het een als het anderr leek hem heel veel goed te doen...
3. Op de middag van de daaropvolgende vrijdag werd Trudy door haar man van haar werk afgehaald. Zij was daar heel blij mee. Het regende hevig en omdat de ambtenarenbonden op deze dag het openbaar vervoer in en rondom Amsterdam hadden lamgelegd, vond zij het uitermate plezierig, dat ze nu in ieder geval samen naar huis konden lopen.
"Hee, imbeciel!", riep zij, toen zij de natgeregende Dennis voor het postkantoor zag staan, "Waarom ben je niet even binnen gaan staan? Straks ben je weer ziek en moet ik weer kilo's en kilo's sinaasappelen aanslepen, om je er weer bovenop te helpen?"
"Dat vond ik zo opdringerig. Bovendien heeft het iets heroïsch om in de regen op je vrouw te staan wachten."
"Heroïsch?", zei zij vinnig, "Stompzinnigs zul je bedoelen!"
"Zeg jij nou maar niets! Want als ik er niet had gestaan, zou je het vreselijk hebben gevonden."
Trudy glimlachte en ging er verder, om een voor de hand liggende reden, niet op in. Ze liepen gearmd en onder Trudy's paraplu de regen in en Trudy merkte al snel, dat haar man daarna in diepe gedachten wegzonk. Hij scheen ineens mijlenver weg te zijn, maar glimlachte wel bij vlagen.
"Hee, dromer", zei zij zacht, "Waar denk je aan?"
"He, wat? O, eh... Aan mijn ongelukkige jaren op de lagere school. Ik dacht ineens aan al die ochtenden van twintig jaar geleden, waarop ik langs deze weg naar school fietste en in bange afwachting was van datgene, wat onvermijdelijk komen ging."
"Doel je op het getreiter en de pesterijen van je medeleerlingen?"
"Ja, precies!"
"Maar waarom glimlachte je dan daarnet?"
"Om een bijzonder troostrijke gedachte."
"Welke dan?"
"De gedachte aan het plezierige verschil tussen het achtjarige jongetje, dat kansloos de degens moest kruisen met een aantal kwelgeesten en de achtentwintigjarige man, die zijn lieve, beeldschone vrouw van haar werk mag afhalen. Als ik op één van die ochtenden een visioen van deze avond zou hebben gehad, dan was de snelheid, waarmee ik toen naar school fietste, veel hoger geweest en dan had ik die hufters vervolgens allemaal mores geleerd."
Zij lachte luid, maar bleek daarna toch wel enigszins onder de indruk te zijn.
"Zijn de laatste twaalf jaar een beetje redelijke compensatie voor die rotjaren geweest?", vroeg zij, op een ernstige toon.
"Ja! Het leven met jou was en is volmaakt! Alleen... Ja, alleen die familieperikelen zijn zo nu en dan een tikje vervelend."
"Hm, heb je vandaag eigenlijk nog wat van Eric gehoord?"
"Nee, maar ik geloof wel, dat het ergste nu voorbij is. Hij begint toch al aardig terug te vechten. Maar Gerda blijft een loeder, hoor! Er zijn de afgelopen week momenten geweest, dat ik haar het liefst met de zweep te lijf was gegaan. Ha, in Iran of Pakistan zou zij voor dit geintje gestenigd zijn geworden. En terecht natuurlijk!"
Trudy glimlachte, maar sprak hem niet tegen. Zij deed iets verstandigers: zij veranderde van gespreksonderwerp:
"Hè, ik wou, dat we thuis waren!"
"Ja, ik ook. Wat zullen we zometeen gaan eten?"
"Niets!"
"Niets?"
"Nee, niets! Ik wil zometeen onmiddellijk naar bed."
"O, ja?"
"En ik wil, dat jij met mij meegaat!"
"Aha!"
"En dus niet om te slapen!"
"Echt niet?"
"Nee, want ik heb daarnet, voordat ik naar buiten kwam, mijn kouseband omgedaan."
"Aha!"
"Precies! En je komt er niet onderuit, ventje!"
"Ik zeg toch niks!", riep hij lachend.
"Dat is je geraden ook! Het is de hoogste tijd, dat ik jou weer wat van je vertrouwen in het verschijnsel vrouw teruggeef."
"Ja, maar... Jij bent helemaal geen vrouw!"
"O, nee! Wat dan wel?"
"Jij? Jij? Jij bent een op aarde neergedaald engeltje, dat gelukkig wel van vlees en bloed is. Jij bent, zoals Roald Dahl dat eens uitdrukte, het prototype van het..."
"Monogame nymfomaantje?"
"Precies! Deskundige letterkundigen zouden je als een volmaakte kruising tussen Agnes Wickfield en Lady Chatterley moeten omschrijven. Weet je, lieverd, ik denk wel eens na over wat ik zou zijn geweest als ik jou niet had gehad en ik kom dan telkens tot maar één conclusie: zonder jou zou ik een hevig gefrustreerde, uiterst excentrieke malloot zijn."
"En wat ben je nu dan?"
"Nu? Nu ben ik alleen maar een uiterst excentrieke malloot en dolgelukkig, natuurlijk!"
"Je bent lief!", riep zij lachend, "Jou zou ik voor nog geen tien tandartsen willen inruilen."
"Ik jou ook niet."
Na een kwartier stevig doorstappen kwamen ze thuis. Daar werden ze vrijwel onmiddellijk door de rinkelende telefoon gestoord. Dennis nam hem op, zei 'Hoi!' tegen degene, die belde, en werd bij elk woord, dat hij daarna te horen kreeg, bleker en bleker. Hij hing op met de woorden "Hou je taai! En tot zo!" en keek Trudy daarna wat onzeker aan.
"Wie was dat?", vroeg zij.
"Eric."
"Wat is er met hem?"
"Ik eh... moet naar hem toe. Gerda zit vanavond bij haar vriend en hij weet zeker, dat hij gek wordt als hij de avond alleen moet doorbrengen."
"Maar kan hij dan niet met Ghislaine hier naar toe komen?"
"Nee, dat durft hij niet meer aan."
"Waarom niet?"
"Omdat hij al veel te veel heeft gedronken."
"O, verdomme!"
"Ik moet echt naar hem toe", zei hij zacht, "Ik kan en mag hem niet in de steek laten."
"Maar, Dennis, je kunt helemaal niet naar Hoofddorp gaan! Er rijdt helemaal niets, deze avond. De GVB niet, Centraal Nederland niet, de NS dus ook niet en er is tot in de wijde omtrek van Amsterdam ook geen enkele taxi te krijgen."
"Tja, ik weet het. Ik zal dus met de fiets moeten gaan."
"Maar, liefje, dat is gekkenwerk! Het regent nu al en er is voor vanavond noodweer voorspeld."
"Ik weet het, maar ik moet gaan. Er zit niets anders op. Als ik niet ga en hij doet zichzelf iets aan, dan zal ik daar mijn leven lang spijt van hebben."
Trudy ging overstag, zij het met heel veel tegenzin. Gedurende tien minuten probeerde zij tevergeefs om toch nog een taxi voor hem te pakken te krijgen, maar uiteindelijk kon zij niets anders voor hem doen dan hem uitzwaaien en hem tot voorzichtigheid manen.
"Bel je als je er bent?", vroeg zij, met een timide stemmetje.
"Ja, liefje. En maak je maar niet ongerust. Het klaart al een beetje op. En als het weer zo rustig blijft als het nu is, zal het echt een fluitje van een cent zijn."
"Weet je, hoe je rijden moet?"
"Ja, ik heb daarnet de kortste route uitgestippeld. Ik denk, dat ik over twee uur wel in Hoofddorp zal zijn."
"Goed, ga dan maar gauw", zei zij zacht, "Hoe korter ik op je telefoontje moet wachten des te liever het mij is."
Het wachten op dat telefoontje werd inderdaad een kwelling voor haar. Vanaf het moment van hun eerste ontmoeting, nu twaalf jaar geleden, hadden ze een heel beschermd leventje geleid, waarin ze bijna elk risico op een ernstig ongeluk of erger hadden uitgebannen. Geen van beiden had een rijbewijs en geen van beiden had ooit een vliegtuig van binnen gezien. Nu was het eigenlijk voor het eerst, dat een van hen een wat groter risico nam dan het simpelweg aan het verkeer deelnemen. Het was voor een goed doel, dat wel, maar de angst om zijn welzijn was er niet minder sterk om.
In het eerste uur na Dennis' vertrek was zij te ongedurig om wat te doen. Zij kon niet lezen, zij had geen zin om te eten en zelfs televisiekijken was haar teveel. Het enige, wat zij wel deed, was thee drinken en uit het raam kijken. Dat laatste had zij beter kunnen nalaten. Het begon ongenadig hard te regenen en er stak een stevige wind op.
Uiteindelijk kon zij geen moment meer stilzitten. Zij ijsbeerde voortdurend door de huiskamer heen, waarbij zij in gedachten telkens weer de ongemakken opsomde, waarmee Dennis tijdens zijn fietstocht zou kunnen worden geconfronteerd: een lekke band, een aanrijding, een neerstortend vliegtuig, een 'fatale ontmoeting met een feministisch zelfmoordcommando'. De lijst scheen eindeloos te zijn.
De visioenen van een verongelukte Dennis werden onderwijl steeds sterker. Opnieuw drong het tot haar door, hoe afhankelijk zij van hem was, hoezeer ze met elkaar vergroeid waren geraakt. De zelfmoord van haar vader, nu dertien jaar geleden, had zij met heel veel moeite overleefd, maar als Dennis op deze avond iets fataals zou overkomen, zou haar leven voorgoed zijn verwoest. Haar goede gezondheid, haar schoonheid, haar rijkdom, het zou er allemaal niets meer toe doen als zij Dennis kwijt zou raken. De gedachte daaraan veroorzaakte een heuse angstaanval bij haar. Zij ging op de stoel voor het raam zitten, liet het hoofd in haar handen zakken en moest zichzelf dwingen om niet in huilen uit te barsten.
Haar wanhoop trok de aandacht van haar kat. Die kat, een zachtmoedige en zeer aanhankelijke poes, die drie jaar geleden in haar keuken was geboren en toen de naam Miepie had gekregen, had al een poosje om haar heen gelopen en sprong nu resoluut op Trudy's schoot. Het deed haar goed. Zij was stapelgek op het beest en die gevoelens waren ook geheel wederzijds. Miepie begon onmiddellijk te spinnen en zette daarbij met veel plezier haar scherpe nagels in Trudy's benen. Die nagels verruïneerden Trudy's panty in een ommezien, maar dat kon haar niet veel schelen. Zij had panty's in overvloed en door de genegenheid van het beest kwam zij weer een beetje tot rust en kon zij, een paar korte inzinkingen daargelaten, haar angstaanvallen redelijk onder controle houden.
In de daaropvolgende minuten keek zij wel een aantal malen naar het telefoontoestel, dat zij op de salontafel had neergezet; een paar maal stond zij zelfs op het punt om Eric te bellen. Dat deed zij uiteindelijk toch maar niet. Zij wilde hem niet met haar zorgen lastigvallen en hij zou haar toch niets nieuws kunnen vertellen.
Om negen uur mocht zij eindelijk het verlossende telefoongerinkel horen. Zij liet de telefoon maar eenmaal overgaan.
"Met Trudy!"
"Hoi, liefje!", zei Dennis opgewekt, "Met mij!"
"Ha, je bent veilig aangekomen!", zei zij opgelucht, "Hoe is het geweest?"
"Ach, het ging wel. Het was wel een beetje zwaar, maar ik heb het toch zonder al teveel moeite gehaald. Vind je dat nou niet vreselijk flink van mij?"
"Nou en of!", zei zij lachend, "Maar ik had het toch veel plezieriger gevonden als ik je aan een taxi had kunnen helpen."
"Ach, het geeft niet liefje! Ik vond het eigenlijk veel leuker om met de fiets te gaan. Dat was veel..."
"Heroïscher!
"Precies!"
"Hm, dat is allemaal goed en wel, natuurlijk, maarre..."
"Maarre wat?"
"Hoe is het eigenlijk geweest?"
"Eh... Ik neem aan, dat je weer het hele verhaal wilt horen?"
"Dat heb je goed geraden!"
"Nou ja, tijdens het eerste stuk van mijn fietstocht had ik het nog niet zo moeilijk. Het regende nog niet zo hard, zodat ik drie kwartier na mijn vertrek al door Osdorp heen reed."
"Da's mooi!"
"Maar ja! In Osdorp begon de ellende dus pas goed. Daar begon het namelijk harder te regenen en daar kwam ik al heel snel tot de ontdekking, dat mijn regenpak niet echt regenbestendig was."
"O, wat erg!"
"Ja, hè? In Badhoevedorp ging het nog wel, maar toen ik na het verlaten van Badhoevedorp over de Sloterweg de Haarlemmermeer inreed, striemde de regen mij echt heel venijnig in het gezicht. In eerste instantie bleef ik maar stug doorfietsen, maar toen ik even later rechtsaf sloeg en over een smal, onverlicht weggetje in de richting van de hoofdweg van de Haarlemmermeer reed, besefte ik ineens heel erg goed, wat voor een lijdensweg voor mij in het verschiet lag."
"Hoe bedoel je?"
"Nou, ten eerste was het landschap langs dat weggetje dus heel angstaanjagend. Het was vlak, het was gitzwart en het weggetje zelf was zeer smal, want ik werd door de zijwind meerdere malen bijna de berm ingedreven. En de veel te snel rijdende auto's en het lawaai van de landende vliegtuigen op de landingsbaan naast dat weggetje maakte mij daarbij nog banger dan ik al was. Dat weggetje was dus echt het gevaarlijkste stuk van mijn tocht, maar het zwaarste stuk kwam daarna. Want toen ik aan het eind van het weggetje was gekomen, had ik ook meteen de Hoofdweg bereikt, de lange, rechte weg, die naar Hoofddorp leidt. Toen ik eenmaal daar was, leek ik het ergste al achter de rug te hebben; vanaf dat punt kon ik namelijk over een geasfalteerd fietspad rijden. Er zat alleen wel één nadeel aan dat fietspad vast en dat was, dat ik de wind en regen ineens pal tegen had. Ik heb tot in Hoofddorp echt voortdurend op de pedalen moeten staan."
"O, zieltje!"
"Ja, hè? Maar gek genoeg was dat toch eigenlijk het mooiste deel van de tocht. Dat zwarte landschap om mij heen, die imposante, bewolkte hemel boven mij, die aanblik van Schiphol in de verte, dat in een fel, oranje gekleurd licht baadde. Het was zo'n fantastisch gezicht, dat het een mystieke ervaring zonder weerga bij mij teweegbracht. Ik was er op dat moment echt zeker van, dat God, en ook mijn opa, mijn papa en mijn mama, zeer nabij waren en ook voortdurend over mijn welzijn waakten."
"Dat is mooi!"
"Ja, hè? Maar ondanks dat fantastische gevoel was het natuurlijk niet allemaal rozengeur en maneschijn. Ik was door en door nat geworden, mijn ademhaling ging moeizamer en moeizamer en mijn verlangen naar jou werd sterker en sterker. Bij elke trap dacht ik ook aan die twaalf heerlijke jaren, die wij samen hebben doorgebracht en ik besefte daarbij maar al te goed, dat ik deze avond dus ook met jou had kunnen doorbrengen. Gewoon stomweg met tv-kijken, of met een van die stomme spelletjes van je, zoals Risk of Monopoly. Oftewel die gekke, maffe spelletjes, die jij elke avond weer op geraffineerde wijze in een idioot soort voorspel weet te veranderen. Dat plezier moest ik mij vanavond dus ontzeggen en ik voelde mij daar best wel een beetje ongelukkig door. Maar uitgerekend op dat moment begon Hoofddorp dus in zicht te komen."
"Wat dacht je toen?"
"Ik was heel erg opgelucht, natuurlijk! Het eerste, wat ik van Hoofddorp zag, was het feeëriek verlichte topje van de kunststofskibaan, dat boven die verhoogde rondweg uitstak. Ik zag het net op tijd, want ik was inmiddels wel de uitputting nabij."
"Maar toen was het dus niet ver meer?"
"Nee, toen ik Hoofddorp had bereikt en het oude dorp doorreed, was ik dan ook zielsgelukkig. Het was echt net, alsof ik een ereronde reed!"
"Dat is mooi, liefje! En het is ook een heel mooi verhaal, dat je daarnet hebt afgestoken!"
"Dank je wel!"
"Maarre..."
"Maarre wat?"
"Maar ik zou nu toch wel graag willen weten, hoe laat je thuiskomt."
"Omstreeks middernacht, denk ik. Eric zal het wel zo uitkienen, dat ik Gerda net misloop en hij zal mij dan met fiets en al thuisbrengen."
"Zorg je er dan wel voor, dat hij niet meer drinkt?"
"Ja, dat heeft hij mij daarnet trouwens al beloofd."
"Da's mooi! Zal ik op je wachten?"
"Ja, graag! Ik ben door en door verkleumd en ik zou mij vannacht graag aan je zachte lichaam willen warmen. Alleen dat verrukkelijke vooruitzicht heeft mij het afgelopen uur op de pedalen gehouden."
"Goed, lieveling. Ik zal op je wachten. Dat heb je eigenlijk ook wel meer dan verdiend, vind ik."
"Ah, prima!"
"Neem je nu wel een lekker warm bad?"
"Dat zal ik doen. Neem jij er ook een?"
"Ja, natuurlijk! Ik moet er voor mijn moedige mannetje natuurlijk wel op mijn voordeligst uitzien als hij straks thuiskomt."
"Ah, prima!"
"Doe je de groeten aan Eric en Ghislaine?"
"Ik zal het doen, hoor!"
"Goed, schatje, dan zal ik je straks wel zien arriveren, hè?"
"Ja, hoor! Tot straks!"
"Doeg!"
"Doei!"
Zij hing glimlachend op en besloot om haar belofte aan Dennis gestand te doen en dus meteen te gaan douchen. Zij nam er de tijd voor, deels uit narcisme, deels omdat het buiten de douchecel zo koud was. Na het afdrogen kleedde zij zich niet meer aan. Zij bond een rood lint om haar taille, gordde de kouseband om haar rechterdij en rende naar haar slaapkamer, waar zij onmiddellijk in bed kroop en het al eerder genoemde verhaal van Dennis ter hand. Het lezen na die warme douche maakte haar echter nog doezeliger dan zij al was en het duurde dan ook niet lang, voordat zij in slaap viel.
4. Even na middernacht hoorde zij de deur van Erics Volkswagenbus dichtslaan. Zij was natuurlijk meteen klaarwakker. Zij stond op,liep, met een deken om zich heengeslagen, naar het raam en zag, hoe Dennis afscheid van Eric nam en de wegrijdende bus lang bleef nakijken. Dat beeld van haar echtgenoot, zoals hij daar met de fiets aan de hand op straat stond, ontroerde haar in hevige mate. Zij sloop terug naar het bed en kroop weer onder de dekens. Bij zijn binnenkomst overwoog zij even om zich slapende te houden, maar uiteindelijk gaf zij toch blijk van het tegendeel.
"Hallooo!", zei zij fluisterend.
"Ah, je bent wakker!"
"Ja, ik lig al uren op je te wachten."
"Dat is lief van je!", zei hij, terwijl hij naast haar kwam liggen en lachend een kus op haar mond drukte.
"Hoe is het je deze avond verder vergaan?"
"Goed! Toen ik de hoorn op de haak had gelegd, ben ik onmiddellijk in bad gestapt."
"Ah, komt het daardoor, dat je zo lekker ruikt?"
"Ja, maar dat komt eigenlijk door het nieuwe badschuim van Gerda."
"O, ja?"
"Ja, ik heb er ook lekker veel van genomen", zei hij, met een malicieus lachje, "Toen ik eenmaal in bad zat, heb ik het flesje tot de helft uitgeknepen!"
"Ha, net goed! Dat zal haar leren! Dat zij Eric bedriegt, is al erg genoeg, maar dat zij er de oorzaak van is, dat mijn man dertig kilometer door beestachtig weer moet heen fietsen, is toch echt wel het summum. Hoe heette dat badschuim eigenlijk?"
"'Head and shoulders'", antwoordde hij grinnikend.
"Dat is helemaal geen badschuim, idioot! Dat is een shampoo! En het is misschien wel Erics shampoo geweest."
"Nee, hoor! Het was haar shampoo, want haar naam stond met koeienletters op het flesje geschreven."
"Hm, dat kan wel zo zijn, maar toch vind ik het helemaal geen prettig idee!"
"Wat niet?"
"Dat jij je goddelijk-mooie lichaam met de shampoo hebt gewassen, waarmee Gerda doorgaans de roos van haar hoofd verwijdert."
"Jezus! Meen je dat nou? Ik heb er anders een hele zachte huid van gekregen."
"Hm, even voelen", zei zij, terwijl zij lachend over zijn buik streek, "Hm, ja! Je hebt gelijk! Ik ga morgen meteen 'Head and Shoulders' hamsteren. Vanaf nu zal ik je daarmee elke avond eigenhandig inzepen."
"Ah, daar hou ik je aan!"
"Dat mag, mits je mij vertelt, wat er na dat bad is gebeurd."
"O, niet veel meer. Na het bad heb ik de avond op de bank voor de televisie doorgebracht. Met Eric aan mijn rechter- en Ghislaine aan mijn linkerhand. Ze waren allebei heel rustig en allebei heel lief voor mij. Ik voelde mij heel erg voldaan, maar heb niet veel meer gezegd. Het hoefde ook niet: mijn aanwezigheid bleek gelukkig al genoeg te zijn. Pas toen Ghislaine naar bed was gegaan, werden de stiltes tussen Eric en mij wat ongemakkelijker."
"Hoe kwam dat?"
"Ik weet het niet. Misschien omdat we allebei ineens heel goed beseften, hoezeer onze situaties van elkaar verschilden. De avond eindigde ook heel triest: het laatste uur was een soort dodenwake."
"Een dodenwake?", vroeg zij lachend.
"Ja, zo kun het best wel noemen. Het was echt wel een dodenwake. Niet voor een persoon, maar wel voor een tragisch gestrand huwelijk."
"En daarna heeft hij je dus thuisgebracht?"
"Ja, en we hebben toen nog best wel een goed gesprek gehad. Ik had hem, toen we hier waren aangekomen, ook nog graag even mee naar boven willen nemen."
"Waarom heb je dat dan niet gedaan?"
"Dat wilde hij zelf niet. Hij wist niet, of Gerda al thuis was en hij wilde, als dat niet zo was, Ghislaine niet te lang alleen laten."
"Waar dacht je aan, toen je hem daarnet nakeek?"
"Aan het feit, dat ik mijn taak had volbracht en dat de voorbije week mijn bestaan zin heeft gegeven."
"Is dat echt zo?"
"Ja, dat is echt zo! De laatste week is echt een keerpunt in mijn leven geweest. Vanaf nu zal alles anders zijn."
"Hoezo?"
"Tot voor een week was ik veel te afhankelijk van jou, tot voor een week was jij de enige bron van geluk voor mij, maar nu kan ik dat geluk ook uit mijzelf gaan putten. En wel uit de voldoening over het feit, dat ik mijn broer in de grootste crisis van zijn leven goed heb kunnen bijstaan. Die voldoening over met name die helse fietstocht van vanavond zal er in de toekomst ook voor gaan zorgen, dat ik des te meer van jou zal kunnen gaan genieten."
"Hoe bedoel je?"
"Door deze fietstocht heb ik mij jou waardig willen tonen, door deze fietstocht heb ik jou en ook mijzelf willen laten zien, dat ik jouw liefde en dat grote en bestendige geluk met jou ook echt verdien. En nu ik daarin ben geslaagd, kent mijn geluk eigenlijk geen grenzen meer. Je ziet het niet aan mij, omdat ik zo moe ben, maar ik ben er echt helemaal lyrisch over."
"Ik kan het mij levendig voorstellen", zei zij zacht, "Maar ik ben toch ook wel heel erg blij, dat je nu weer veilig naast mij ligt."
"Ja, ik ook. Het is alleen zo jammer, dat ik zo moe en slaperig ben. De hele avond heb ik als een gek naar dit moment zitten verlangen en nu het eenmaal zover is, kan ik mijn ogen haast niet meer openhouden."
"O, zieltje!", riep zij lachend, "Dat geeft toch helemaal niks?"
"Echt niet?", vroeg hij kleintjes.
"Welnee! Ga maar lekker slapen, hoor! Als er één zijn nachtrust heeft verdiend, dan ben jij dat wel."
"Vind je het echt niet vervelend?"
"Nee, want als je morgenochtend wakker wordt, zal ik je alsnog voor je heldhaftige odyssee gaan belonen."
"En dat betekent?"
"Dat betekent, dat we morgen de hele dag in bed blijven liggen."
"Ah, prima!"
"Daar heb je geen bezwaar tegen?"
"Neuh, daar heb ik echt geen enkel bezwaar tegen."
"En je hoeft morgen ook niet meer in Hoofddorp op te draven?"
"Nee, Gerda schijnt Eric beloofd te hebben, dat zij morgenavond gezellig thuisblijft."
"Da's mooi! Dan zal ik je morgen weer lekker helemaal voor mijzelf kunnen hebben."
Daar had hij niets meer aan toe te voegen. Hij kroop dicht tegen haar aan en vlijde met een zucht van verlichting zijn hoofd op haar borst. Voor het moment kon zij daarmee wel genoegen nemen...

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 26 januari 1988. © Bert Harberts