DECENNIUM

Trudy Harberts en haar collega Yvonne waren al twee keer door de voornaamste winkelstraat van Arnhem gelopen en waren nu op zoek naar een cafetaria of een koffieshop. De twee dames vormden een opmerkelijk contrast. Yvonne, een mollige brunette, liep tegen de veertig, had een alledaags gezicht en begon al wat grijze haren te krijgen; de blonde Trudy echter was ruim vijftien jaar jonger en kon zonder meer een adembenemende schoonheid worden genoemd.
De enige, uiterlijke overeenkomst tussen hen was hun kleding: ze waren allebei nogal vormelijk gekleed. Onder hun winterjas droegen de dames een witte, wollen midi-jurk, een bruine panty en zwarte schoenen. De reden van die kledingdracht vloeide uit zakelijke omstandigheden voort. De dames behoorden tot een groepje bankemployees, dat in het plaatselijke kasteel Zijpendaal aan een managementcursus deelnam.
Een half uur daarvoor hadden ze de tweede en op één na laatste cursusdag afgesloten. Hun medecursisten, allen van de mannelijke kunne, waren met hun auto's de stad ingegaan voor een gezamenlijk diner en een daaropvolgend drinkgelag. De beide dames waren niet met hen meegegaan en hadden voor de niet zo lange rit naar het centrum van de diensten van een taxi gebruik gemaakt. Ze logeerden in het 'Rijnhotel', een luxueus hotel aan de oevers van de Rijn, in twee naast elkaar liggende eenpersoonskamers op de eerste verdieping. Ze konden het redelijk goed met elkaar vinden en trokken tussen de cursusuren voortdurend met elkaar op. Dit tot spijt van de andere cursisten, die vrijwel allemaal zeer onder de indruk van Trudy's verschijning waren gekomen. Helaas voor hen waren de heren met hun avances aan het verkeerde adres: Yvonne had net een wat onverkwikkelijke scheiding achter de rug, maar Trudy was met haar eerste en enige jeugdliefde getrouwd en was zielsgelukkig met hem.
Zij miste haar man ook in deze dagen. De vorige dag, bij het uitwuiven op het perron in het Amsterdamse Centraal Station, had het huilen haar al nader dan het lachen gestaan en tijdens de treinreis door de koude, maar zonovergoten Veluwe was de eenzaamheid in haar lege eerste-klassecompartiment haar zelfs teveel geworden. Zij wist, wat de oorzaak van die gevoeligheid was, maar naarmate de cursus vorderde, begon zij steeds meer te beseffen, dat zij daarmee niet echt goed overweg kon.
Inmiddels hadden de dames een geschikte cafetaria gevonden: 'Centrum Expresse' aan het Stationsplein. Het was een rustig, enigszins sfeerloos etablissement met een al wat oudere clientèle. De dames streken aan een tafeltje bij de uitgang neer, plaatsten hun bestelling, twee koffie met likeur, bij de ober en bleven daarna geruime tijd zwijgen. Het gekrioel op het stationsplein bleek een kalmerende invloed op Trudy te hebben. De werkelijk fantastische koffie en de wetenschap, dat zij over vierentwintig uur weer in Amsterdam terug zou zijn, versterkten haar gevoel van welbehagen nog.
Het vooruitzicht op de hereniging met haar man had vandaag ook een goede invloed op haar prestaties gehad. Zij had elke, op video opgenomen 'case' op onnavolgbare wijze naar haar hand weten te zetten. Als crisismanager was zij lief, maar ook koel en beheerst geweest, als crisisveroorzaakster had zij haar tegenspeler voor onoverkomelijke problemen weten te plaatsen. Uit de twee video-opnames kon ook maar één conclusie worden getrokken: in haar was een magistrale actrice verloren gegaan.
Misschien lag daarin ook het verschil tussen haar en de andere cursisten. Voor hen was de cursus een middel om hogerop te komen; voor haar was het niet meer dan een spelletje. Zoals haar hele carrière eigenlijk een spelletje was. Zij hoefde namelijk niet te werken, het bijzonder omvangrijke kapitaal van haar grootmoeder zou na de dood van die grootmoeder in haar bezit komen. Zij was na het behalen van haar HAVO-diploma alleen maar bij de Postbank gaan werken om te kunnen leren, hoe zij dat kapitaal in de toekomst het beste zou kunnen beheren.
Die zorgeloosheid over het verloop van haar carrière had haar overigens geen windeieren gelegd. Zowel haar chefs als haar ondergeschikten liepen met haar weg. De eerstgenoemden zagen haar als een koele, nuchtere zakenvrouw in wording, de laatstgenoemden als een volmaakte chef en roemden haar om haar zachtmoedige karakter en haar milde en rustige manier van leidinggeven. Zij kon ook zowel het een als het ander zijn. Voor haar superieuren speelde zij een rol, voor de andere groep kon zij zijn, zoals zij werkelijk was.
Om beide groepen nog beter te kunnen dienen, zat zij nu op cursus en de gedachte, dat die cursus haar twee avonden en nachten bij haar man vandaan hield, bracht haar zo langzamerhand weer danig van streek. Voor een avond terugreizen naar Amsterdam was echter uit den boze. Niet omdat op zo'n vlucht sancties zouden staan, maar wel omdat het tegen haar loyaliteitsgevoelens jegens haar werkgever zou indruisen. Dit dilemma tussen haar verlangens naar Dennis en haar verantwoordelijkheidsgevoel jegens haar werkgever had haar overigens al vaker parten gespeeld.
Inmiddels begon het zo langzamerhand etenstijd te worden en was het dus zaak om naar een leuk restaurant om te zien.
"Zullen we maar eens gaan eten?", vroeg zij aan Yvonne.
"Dat lijkt mij een goed plan, maar aan de toon van je stem is niet te horen, dat je erg veel honger hebt."
"Tja, ik zou ook liever ergens anders willen zijn."
"Zou je echt zo graag naar huis willen?"
"Ja, nou!", murmelde Trudy voor zich heen, "Daarnet in Zijpendaal ging het nog wel, maar nu word ik bijna ziek van heimwee."
"Is het zo erg met je?"
"Ja, ik mis hem echt heel erg!", was het argeloze antwoord.
"Ah, nee! Dat meen je niet?"
"Ik meen het wel!"
"Besef je eigenlijk wel, dat je vanavond maar met je vingers hoeft te knippen om..."
Yvonnes suggestie viel niet in goede aarde bij haar collegaatje. Zij kreeg namelijk een dusdanig ijzige blik toegeworpen, dat zij haar zin ijlings afbrak.
"Oei!", zei zij lachend, "Dat onderwerp kan ik, geloof ik, maar beter niet aansnijden."
"Nee, ik zal het zeer op prijs stellen als je dat soort opmerkingen in het vervolg achterwege laat."
"Goed, liefje, ik zal niet meer van soort opmerkingen maken, maar dan moet je mij wel vertellen, wat er zo bijzonder aan jouw Dennis is."
"Hij is mijn wederhelft. In de meest ruime zin van het woord. Als we samen zijn, kunnen we alles en iedereen aan. Als we, zoals nu, van elkaar gescheiden zijn, kwijnen we weg."
Dat antwoord sloeg Yvonne met stomheid. Zij scheen tamelijk goed te beseffen, wat die vier zinnen precies inhielden.
"Dat is meteen ook het antwoord op je suggestie van daarnet", vervolgde Trudy, op een wat lome toon, "Een slippertje zou mij in geen enkel opzicht kunnen bevredigen. Het zou mijn verlangen naar Dennis alleen maar sterker maken, om van mijn schuldgevoelens nog maar te zwijgen."
"Is het zo erg met je gesteld?"
"Ja, zo erg is het met mij gesteld", antwoordde Trudy, met een zachte stem, "Maar je hoeft geen medelijden met mij te hebben, hoor! Ik ben, wie ik ben en ik ben heel gelukkig met wat ik ben en met wat ik heb."
"Ook als dat betekent, dat je twee avonden naar de gallemiezen helpt?"
"Gallemiezen? Gallemiezen? Een avondje stappen met een paar dronken bankemployees? Vind jij dat een leuke manier om je avond te besteden?"
"Een avondje stappen is altijd nog leuker dan een avondje kniezen."
Trudy slaakte een diepe zucht en besloot een zojuist aangeleerde techniek in de praktijk te brengen: die van het vriendelijk meepraten.
"Zo komen we niet verder, he?", zei zij lachend. "Jij wilt iets, wat ik niet wil en ik wil iets, wat jij niet wilt. Zullen we afspreken, dat jij vanavond gaat doen, wat jij wilt en dat ik ga doen, wat ik wil."
"Ik ga met de jongens op stap en jij gaat over Dennis zitten kniezen?"
"Ja, dat lijkt mij toch verreweg het beste."
"Goed, liefje", zei Yvonne lachend, "Zoals je wilt."
Ze rekenden af en liepen naar een Chinees restaurant aan het Willemsplein, waar ze aan een tafeltje bij het raam plaatsnamen en twee 'Mu Hung Kai's' bestelden. De sfeer tussen hen was intussen alweer aardig opgeklaard.
"Je gaat toch niet alleen maar zitten kniezen, hè?", vroeg Yvonne, terwijl zij een stukje kroepoek in haar mond stak.
"Nee, hoor! Ik ga lekker in mijn badjas op bed liggen en dan ga ik een boek lezen, dat Dennis mij heeft meegegeven."
"Welk boek is dat?"
"Deel 1 uit de 'Verzamelde Werken' van Tsjechow."
"Is dat niet een beetje zware kost?"
"Nee, hoor! Deel 1 bestaat voor het merendeel uit hele korte en hele komische verhaaltjes. Het heeft mij gisteren moeiteloos door de avond heengeholpen."
"I see."
"En ik ga hem natuurlijk eerst nog even bellen."
"Tsjechow?"
"Nee, mispunt! Dennis natuurlijk! Als hij er is, tenminste."
"Ben je daar niet helemaal zeker van?"
"Nee, journalisten houden er helaas geen kantooruren op na."
"Vind je dat erg vervelend?"
"Ach, ik ben er nu wel aan gewend. Een echtgenote van een journalist moet zich naar bepaalde dingen schikken. Daar valt nu eenmaal niet aan te ontkomen."
"Zou je het niet naar vinden als de krant hem morgen naar de oorlog in Afghanistan zou sturen?"
Er viel een stilte. Yvonne leek te beseffen, dat zij opnieuw een tere plek had geraakt en keek haar collegaatje wat onzeker aan.
"Dat zou ik verschrikkelijk vinden", antwoordde Trudy, met neergeslagen oogleden.
"Maar je zult hem wel laten gaan als het ooit zal gebeuren?"
"Nee, in geen geval."
"En dan zou hij niet gaan?"
"Nee, dan zou hij niet gaan."
"Ook als hem dat zijn baan zou kosten?"
"Ja, want ik heb iets, waarmee ik hem dan schadeloos kan stellen."
"O?"
"Maar zover zal het gelukkig nooit komen. Hij zal echt nooit naar Afghanistan gaan."
"Ben je daar echt helemaal zeker van?"
"Ja, want hij durft niet te vliegen."
"Meen je dat?"
"Ja, en dat is ook niet het enige. Hij heeft ook nog een autofobie en hij is ook nog eens tamelijk verlegen."
"Is dat allemaal niet erg bezwaarlijk voor een journalist?"
"Nee, want hij zit een groot gedeelte van zijn tijd op de redactie. Hij is eigenlijk meer een redacteur dan een journalist, maar vergis je niet: hij is dus wel een hele goeie redacteur."
"Is dat echt zo?"
"Ja, echt! En ik kan het weten, want ik ben van die stilistische gaven van hem de eerste profiteur geweest. Toen we samen op school zaten, was hij degene, die onze scripties schreef."
"Hoe zit het met zijn gaven in bed?", vroeg Yvonne lachend.
"Die zijn ook fantastisch. We zijn op een novemberavond in '71 voor het eerst met elkaar naar bed gegaan en eigenlijk zijn we sindsdien nooit meer gestopt."
"Hoe bedoel je?"
"We houden vreselijk veel van elkaar, we houden vreselijk veel van seks en we zijn allebei heel erg dromerig van aard..."
"En dat betekent..."
"Dat ik tijdens het werk of tijdens rookpauzes in vergaderingen soms de leukste fantasieën over Dennis kan hebben."
"O, ja?"
"Ja, en het meest idiote van die dromen is, dat ze in een hele verre toekomst spelen. In de periode, waarin we al in de veertig zijn."
Verdere mededelingen bleven voorlopig achterwege. De maaltijd werd opgediend en de voortgang van de conversatie werd er voor een poosje door gestoord.
"Wat spreekt je zo aan in die dromen van jou?", hernam Yvonne.
"De verwachting, die eruit spreekt."
"Welke verwachting?"
"De verwachting, dat ons huwelijk wel in tact zal blijven als we eenmaal de veertig zijn gepasseerd."
"Doel je met die opmerking op mijn situatie?", vroeg Yvonne koeltjes.
"Nee, liefje, natuurlijk niet!", antwoordde Trudy snel, "Ik doel op het huwelijk van mijn ouders."
"Zijn die ook rond hun veertigste gescheiden?"
"Eerder nog zelfs. Mijn vader was achtendertig en mijn moeder zevenendertig."
"En hoe oud was jij toen?"
"Twaalf."
"Da's wel erg jong, he?"
"Ja, dat is zo, al moet ik wel zeggen, dat die scheiding mij niet zoveel heeft gedaan. Mijn vader was nogal een nijver baasje, waar het zijn werk aangaat en was dus toch al heel vaak weg."
"Je zegt 'was'..."
"Ja, hij leeft niet meer."
"Oh, dat spijt mij voor je!"
"Ach, het is al heel lang geleden."
"Hoe lang?"
"Het is vandaag precies tien jaar geleden."
"Oh, meen je dat?"
"Ja, toevallig, he? Ik heb er ook wel de hele dag aan moeten denken."
"Dat kan ik mij voorstellen! Hoe oud is je vader geworden?"
"Veertig."
"Ah, nee! Dat meen je niet?"
"Ja, helaas wel!"
"Waar is hij aan gestorven?"
"Hij heeft zelfmoord gepleegd", antwoordde Trudy, na een korte aarzeling.
"O, nee! Meen je dat?"
"Ja, hij heeft zich verdronken."
"Wil je er verder over praten?"
"Ja, het lucht mij misschien wel een beetje op. Het is namelijk nu precies tien jaar geleden, dat ik mijn laatste gesprek met hem had. En daar heb ik het best wel een beetje moeilijk mee."
"Ik snap het, liefje. Lucht je hart maar. Ik kan mij voorstellen, dat je daar behoefte aan hebt."
"Tja, wat kan ik er over zeggen?", mompelde Trudy, "Het is eigenlijk al zo lang geleden."
"Hm, vertel mij dan eerst maar eens, waar je vandaan komt."
"Ik kom uit Heemskerk, daar heb ik tot mijn vijftiende gewoond."
"Ligt dat niet in de buurt van Beverwijk?"
"Ja, het ligt daar iets ten noorden van. Het is nu een flinke provinciestad, maar tijdens mijn geboorte was het een lief, idyllisch dorpje."
"Kom je er nog vaak?"
"Nee, ik ben er na mijn vertrek naar Amsterdam nooit meer teruggeweest."
"Ook niet om het graf van je vader te bezoeken?"
"Nee, ik durf het niet meer aan. Ik heb Dennis wijsgemaakt, dat ik later wel een weekendhuisje in de omgeving van Heemskerk wil kopen, maar dat is dus een flagrante leugen. Ik wil er eigenlijk nooit meer heen. De pijn over mijn vaders dood zit te diep bij mij. Ik zou een bezoek aan Heemskerk zelfs als een verraad jegens Dennis ervaren."
"Meen je dat?"
"Ja, en dat ik terwijl in de eerste veertien jaar van mijn leven eigenlijk alleen maar geluk en liefde gekend. Ik kan mij echt totaal geen wanklank herinneren. Iedereen was even gek op mij. Mijn ouders, mijn grootouders, mijn buren, de winkeliers in de buurt, iedereen behandelde mij altijd alsof ik een lief, snoezig elfje was. En mijn vader spande dus echt de kroon, wat die 'Trudy-verering' betreft."
"Vertel eens verder."
"Ach, hij was er door zijn drukke werkzaamheden van zijn aannemersbedrijf meestal alleen maar op zondag. Maar op die zondagen was hij er dan ook altijd alleen voor mij. De zaterdagavonden en de zondagavonden waren voor mijn moeder, maar de zondag was voor mij."
"Ga door."
"We stonden meestal tegelijk op, we ontbeten meestal dan samen en luierden dan een poosje tot mijn moeder opstond. Als we klaar waren met het ontbijt, bleef ik meestal aan tafel zitten om te lezen en hij luisterde dan meestal in zijn gemakkelijke stoel naar zijn jazzplaten. Het meest opvallende aan dat samenzijn was, dat we allebei heel rustig bij elkaar zaten en allebei ook heel gezellig zaten te zwijgen. We hadden meestal genoeg gespreksstof, maar vonden het schijnbaar nooit belangrijk genoeg om die genoeglijke stilte te verbreken."
"Praatten jullie nooit met elkaar?"
"'s Morgens vrijwel niet. Wel later op de dag, als mijn moeder erbij was en als we bijvoorbeeld een wandeling door de duinen maakten of met de auto op stap waren."
"En waarover spraken jullie dan?"
"Ach, de gewone dingetjes over school. Ik kan mij nog goed herinneren, dat hij op een gegeven moment stond te stikken van het lachen, toen ik hem vertelde, dat ik min of meer de vaste assistent van mijn kleuterjuf was en dat ik dus regelmatig de veters van mijn schoolvriendinnetjes zat te strikken."
"Deed je dat echt?", vroeg Yvonne lachend.
"Ja, en ik deed het ook altijd, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Ik was aan de ene kant heel erg dromerig van aard, maar ik had mij toch al heel snel de praktische zaken van het leven eigen gemaakt. Mijn moeder had meestal geen omkijken naar mij en vond dat natuurlijk uitermate prettig. Het enige, wat ik in mijn prille jeugdjaren niet zelf mocht doen, was mijn brood snijden."
"Hoe is de band met je moeder?"
"Fantastisch! Het is een moordmens! Zij heeft alles voor mij gedaan, wat een moeder voor haar dochter kan doen."
"Zoals wat?"
"Nou, zij heeft in mijn jeugd bijvoorbeeld heel wat met mij afgesjouwd."
"Hoe bedoel je?"
"Ach, zij hield en houdt heel van reizen en zij nam mij dus overal mee naartoe. Ik ben met haar echt in elke uithoek van Nederland en België geweest."
"En dan ging je vader niet mee?"
"Nee, meestal niet. Maar soms gingen we in het weekend ook wel naar hem toe. Dan zochten we hem op in de plaats, waar hij aan het bouwen was. Wat ik ook altijd heel leuk vond, was, dat ik bij die bouwprojecten van mijn vader altijd de eerste steen mocht leggen. Volgens mijn moeder moeten er overal in het land een aantal van die eerste-steengedenkplaatjes zijn, waarin mijn naam staat gegraveerd."
"Wat leuk!"
"Ja, he?"
"Heeft je vader eigenlijk laten blijken, waarom hij zelfmoord heeft gepleegd?"
"Ach, het was een combinatie van schulden en schuldgevoelens. Zijn bedrijfje was een paar jaar daarvoor failliet gegaan en daarbovenop voelde hij zich nog steeds schuldig over de scheiding."
"O, wat erg!"
"Ja, he? Want hij is echt een hele lieve man voor mijn moeder en een hele lieve vader voor mij geweest. Mijn moeder en ik waren echt alles voor hem. Ondanks zijn drukke werkzaamheden scheen hij er toch altijd te zijn als we hem nodig hadden. Als ik ziek was en hij was thuis, dan was hij nooit van mijn zijde weg te slaan. En dat is nog niet alles, want toen ik drie was, heeft hij mij en mijn moeder een keer het leven gered."
"Nee, echt?"
"Ja, en het vervelende is, dat die herinnering de pijn over zijn dood alleen maar schrijnender maakt."
"Ik snap het, liefje."
Ze hadden hun maaltijd inmiddels voltooid. Hun tafel was afgeruimd en ze dronken in stilte hun koffiekopjes leeg. Hun rust werd verstoord, toen ze drie van hun medecursisten voorbij zagen lopen. Trudy herkende hen onmiddellijk: het was het groepje, dat in de voorbije uren de meeste avances naar haar had gemaakt. Zij zag met afschuw, hoe het groepje recht op hun raam afliep en vervolgens in gebarentaal de komst van de beide vrouwen probeerde af te dwingen. Yvonne leek medelijden met haar te hebben en sprak vrijwel onmiddellijk de verlossende woorden uit:
"Vind je het echt niet erg als ik met ze meega?"
"Nee, lieverd, echt niet!", antwoordde Trudy, met een dankbare blik in haar ogen, "Ga maar gauw!"
"Nou, goed dan. Als jij nou even naar het toilet gaat, dan zal ik er wel voor zorgen, dat we bij je terugkomst mijlenver weg zijn."
"Afgesproken."
Yvonne vertrok, met achterlating van haar aandeel in de kosten van de maaltijd, en Trudy drentelde eerst maar eens naar de kelner, bij wie zij nog een espresso bestelde.
Na haar terugkeer uit het toilet zag zij, dat Yvonne haar belofte was nagekomen: zij had het rijk voor zich alleen Zij voelde zich daar zowel blij als ongelukkig om. Sinds de dood van haar vader had zij de avond van zijn sterfdag nooit alleen hoeven doorbrengen. In het eerste jaar was zij op die vijfde februari in het gezelschap van haar moeder en grootmoeder geweest en in de acht jaren daarna had Dennis haar liefdevol onder zijn hoede genomen. Die vijf februari-avonden met Dennis, die overigens niet over de ware toedracht rond de dood van Trudy's vader was ingelicht, waren altijd hele plezierige avonden voor haar. Ze begonnen meestal met een etentje in een Chinees restaurant in het Noordamsterdamse winkelcentrum 'Boven 't IJ' en eindigde na de wandeling naar hun huis steevast met een uurtje van weemoedig vrijen. Elk jaar was zij op die vijfde februari in een staat van verdoving gebracht. Elk jaar was hij in staat geweest om de herinneringen aan de gebeurtenissen op haar vaders sterfdag uit haar geheugen weg te wissen.
Maar nu was alles anders. Nu zij moederziel alleen in een restaurant in een vreemde stad zat en niet met Dennis op haar favoriete plekje in 'Mei Wah', begonnen de herinneringen aan haar vaders dood ondraaglijk te worden. Nu was het tien jaar geleden, dat hij afscheid van haar nam. Nu hoorde zij hem weer zijn laatste woorden zeggen, dat ene zinnetje, dat "Hou je taai, Snoepie!", waar zij pas een dag later de betekenis van snapte. Nu voelde zij weer zijn afscheidskus op haar wang. Nu zag zij hem weer weglopen, met een verende tred, die slechts opluchting scheen uit te drukken. Nu zag zij weer die allerlaatste glimlach...
Al die herinneringen brachten een fikse angstaanval bij haar teweeg. Zij durfde hier niet te blijven, maar zij durfde ook niet naar haar hotel te gaan. In deze gemoedstoestand was zij er niet helemaal zeker van, of zij het voorbeeld van haar vader niet zou navolgen. Uiteindelijk kwam zij toch een beetje tot zichzelf. Zij wenkte naar de ober, betaalde haar en Yvonnes verteringen en verzocht hem op vriendelijke toon, of hij een taxi voor haar wilde bellen. Dat verzoek werd met veel égards ingewilligd.
Het wachten op die taxi duurde door de onmiddellijke nabijheid van de taxistandplaats niet veel meer dan een minuut. Zij stapte in, gaf haar plaats van bestemming op en voelde, hoe het gevoel van beklemming van daarnet weer terugkwam. Weer schoten de beelden van tien jaar daarvoor door haar heen, weer kwamen die oude vragen weer met volle kracht naar boven. Wat zou hij hebben gevoeld, toen hij die sloot inliep? Hoe sterk was de kracht geweest, waarmee hij zichzelf onder water duwde? Waarom had dat, bij ieder mens aanwezige overlevingsinstinct, bij hem zo verschrikkelijk gefaald?
Na haar aankomst in het hotel leek er iets van haar af te vallen. Tijdens het bestijgen van de trap naar de eerste verdieping besloot zij om zometeen eerst maar eens langdurig met haar moeder te gaan bellen. Die zou haar wel definitief op het droge kunnen trekken. Eenmaal in haar kamer balanceerde zij een poosje op het randje van een hernieuwde angstaanval. Het tijdstip van half zeven, waar zij nog een kwartier van was verwijderd, zou cruciaal voor haar zijn. Zou zij daar doorheen komen, dan zou zij het deze avond wel redden. Na een poosje doelloos heen en weer te hebben gelopen nam zij het besluit om dat tijdstip niet lijdzaam af te wachten en in ieder geval iets plezierigs te gaan doen. Voor lezen of tv-kijken was zij te onrustig, maar een bad nemen was toch wel het minste, wat zij zichzelf kon toestaan.
Zij begon zich rustig uit te kleden, met een vreemde en schijnbaar misplaatste glimlach. Zij trok haar jurkje en haar beha uit, hing ze over de rug van haar bureaustoel hingen en trok haar witte badjas aan. Waarom zij dat deed, wist zij zelf ook niet precies. Zij vond het in ieder geval bijzonder prettig om een poosje met de split in haar badjas te spelen. Al was het alleen maar omdat de manier, waarop haar goddelijk-mooie benen zich via die split voor haar tentoonspreidden, iets rustgevends voor haar had. Die mooie, nee volmaakt gevormde knieën, die tere, gladgekousde kuiten, die snoezige kousevoetjes met die kleine tenen onder die smalle teenstukjes, het geheel kon zonder meer een hartveroverend schouwspel worden genoemd. Dennis was niet aanwezig om ze te bewonderen en te liefkozen, maar dat scheen haar op dit moment niet eens zoveel te kunnen schelen. Zij knoopte de ceintuur van haar badjas los en ging in een wel heel bevallige pose op de stoel voor het raam zitten. Zij had daar om de een of andere reden heel veel plezier in, maar dat plezier werd haar al heel snel ontzegd. De telefoon ging, op een toon, die toch echt iets verwijtends leek te hebben.
"Shit!", riep zij, uit de grond van haar hart.
Zij liep naar haar bed toe, plofte daarop neer en nam met een korzelig gebaar de hoorn van de haak:
"Met Trudy!"
"Dag, lief meisje van mij."
"Mam! Wat lief, dat u belt!"
"Ben je alleen?"
"Ja, mam! Wat dacht u dan? Dat ik de een of andere geile Arnhemmer aan de haak had geslagen?"
"Nee, schatje, natuurlijk niet!", antwoordde haar moeder geschokt, "Ik hoopte alleen maar, dat je medecursiste bij je zou zijn. Ik heb de hele dag heel erg over je ingezeten."
"Dat is niet... zo heel erg nodig geweest."
"Echt niet?"
"Nee, ik had mij gelukkiger gevoeld als ik samen met Dennis had kunnen zijn, maar het is nu eenmaal niet anders."
"Waar is die medecursiste gebleven?"
"Die heeft mij in de steek gelaten. Zij scheen het toch prettiger te vinden om met de rest op stap te gaan."
"En daar had jij dus geen zin in?"
"Nee, alleen om het feit, dat ik hier in Arnhem ben, voel ik mij al heel erg schuldig ten opzichte van Dennis. Als ik mij dan ook nog met een aantal grijpgrage medecursisten aan de rol was gegaan, zou er helemaal niets meer van mijn zelfrespect zijn overgebleven."
"Dat van die grijpgrage medecursisten begrijp ik volkomen, maar ik heb niet het idee, dat je je om Dennis schuldig hoeft te voelen."
"Tja, het is heel vervelend, maar dat idee heb ik dus wel!"
"Waarom dan?"
"Omdat, om te beginnen, dat hele baantje van mij al een fake van de eerste orde is. We zouden met z'n tweeën met gemak van oma's toelage kunnen rondkomen. Ik zit hier dus alleen maar, omdat ik mijn, nee, onze toekomstige rijkdom tegenover hem loop te verzwijgen."
"Waarom zeg je hem dan niet, dat jullie later heel rijk zullen zijn?"
"Ik weet het echt niet, mam! Misschien wel uit bijgeloof. Ik ben gewoon bang, dat oma snel dood zal gaan als ik mijn leven nu al naar haar geld zal gaan inrichten en ik ben ook bang dat er dan tussen en mij en Dennis iets zal veranderen. En dan doel ik natuurlijk op een verandering ten slechte."
"Maar eens zul je het hem toch moeten zeggen. Als oma doodgaat, zal daar echt niet aan te ontkomen zijn."
"Ja, dat is zo. Maar zij is godzijdank nog zo gezond als een vis. Zij zal het waarschijnlijk nog heel wat jaartjes kunnen volhouden."
"En tot die tijd wil je het dus niet met Dennis over het geld hebben?"
"Nee, als het even kan niet."
"Hm, maar vind je het dan niet vervelend om een geheim voor hem te hebben?"
"Ja, dat vind ik echt heel vervelend, maar het lijkt mij van twee kwaden het minst slechte."
"Ik heb hem gisteren overigens wel een ander geheim onthuld."
"Welke dan?"
"De ware toedracht rond papa's dood."
"O, mam! Hoe heeft u dat nu kunnen doen?"
"O, rustig maar, liefje! Ik heb met hem alleen maar over de toedracht gesproken. Ik heb het niet over de reden van die daad gehad."
Het hielp niet. Trudy klapte dicht en ook haar moeder wist even niets te zeggen. De stilte op de lijn deed Trudy naar haar reiswekkertje kijken. Het was nu vijf voor half zeven. Over vijf minuten zou het precies tien jaar geleden zijn, dat haar vader stierf en nu dat tijdstip zo nabij was, kreeg zij opnieuw een hevige angstaanval te verwerken.
"Ben je er nog, lieverd?", hernam haar moeder voorzichtig.
"Ja", sprak Trudy moeizaam, "Ik voel mij verschrikkelijk treurig, maar zolang u aan de telefoon blijft hangen, zal ik het allemaal wel overleven."
"Dat zal ik doen, schatje! Ik blijf net zo lang aan de lijn hangen, totdat jij ophangt. En het kan mij echt niet schelen, of dat nou na vijf minuten, of na vijf uur is."
"Ah, dat is lief van u."
"Wil je over papa praten?"
"Ach, wat valt er over hem te zeggen? Ik mis hem nog elke dag, maar ik weet ook, dat hij er nog steeds is. Dat hij over mij waakt, dat hij er wel voor zal zorgen, dat ik niet dezelfde stommiteiten zal begaan, waaraan hijzelf ten gronde is gegaan. En dat gevoel geeft mij toch wel veel troost."
"Ben je boos om wat ik tegen Dennis heb gezegd?"
"Nee, mam. Het is misschien wel beter zo. Het is iets, waar ik uiteindelijk ook met hem over moet kunnen praten."
"Ja, he?"
"Hoe reageerde hij er eigenlijk op?"
"Op een typische Dennis-manier. Op een manier, die je dus helemaal niet verwacht."
"Hoe dan?", vroeg Trudy met een vage glimlach.
"Opgelucht!"
"He?"
"Ja, opgelucht. Nee, eigenlijk is dat nog te zwak uitgedrukt. Hij was er verschrikkelijk blij mee."
"Maar waarom dan?"
"O, dat is heel snel uitgelegd. Jij schijnt hem eens te hebben gezegd, dat papa op zijn veertigste aan een hartaanval is overleden en daardoor heeft hij door de jaren heen nogal wat zorgen over jouw gezondheid gehad."
"O, god!"
"Ja, zeg dat wel! Die arme jongen heeft heel lang gedacht, dat jij ook niet veel ouder dan veertig zou worden."
"Dacht hij dat echt?"
"Ja, liefje, geloof mij maar. Het was een simpel optelsommetje voor hem. Een grootmoeder van moeders kant, die op haar zestigste aan een hartkwaal overlijdt en een vader, die op zijn veertigste door een hartstilstand overlijdt. Voor hem was het echt zo klaar als een klontje, dat het jou dus ook zou kunnen overkomen."
"O, nee!"
"O, ja! En toen ik gisteren heel voorzichtig uit de doeken had gedaan, hoe de vork werkelijk in de steel zat, sprong hij dus echt in de gat in de lucht."
"Nee, werkelijk?"
"Ja, schatje, geloof mij maar. Ik heb hem echt nog nooit zo blij gezien. Hij begon gisteren ook al meteen de wildste plannen voor jullie oude dag te maken."
"Oh, wat lief van hem", murmelde Trudy.
"Ja, zeg dat wel. De manier, waarop hij erover sprak, gaf mij bijna het gevoel, dat hij er naar uitkeek."
"Nee, echt?"
"Ja, liefje, geloof mij maar. Zijn woorden klonken mij echt als muziek in de oren. Ik weet, dat je ontzettend veel verdriet over papa's dood hebt gehad, maar voor degene, die je daarvoor in de plaats hebt gekregen, mag je je echt heel erg gelukkig prijzen."
"Ik... ik..."
Verder kwam Trudy niet. Zij wist niet, wat zij moest zeggen en werd daarna ook afgeleid door een klop op de deur.
"Wie is daar?", vroeg zij.
"De piccolo, mevrouw", antwoordde een helder kinderstemmetje, "Ik heb een telegram voor u."
"Wacht even, mam", zei zij, met een vaag glimlachje, "Ik geloof, dat Dennis mij een berichtje heeft gestuurd."
"Het zal weer iets pornografisch zijn", klonk het droog.
"Of iets pervers? Of een combinatie van beiden."
"Ga maar gauw!"
Trudy stond op, strikte haar badjas weer vast, liep met een wat lome tred naar de deur, trok hem open en stond vervolgens te tollen op haar benen, Van een jeugdige piccolo was namelijk geen sprake, wel van een lange, blonde en een wat verlegen grijnzende echtgenoot.
"Dennis!", riep zij.
Het woord klonk als een klaroenstoot en het vervolg daarvan liet zich raden.
"Rustig, rustig!", mompelde Dennis, tijdens een korte adempauze.
Het duurde daarna niet lang, voordat ze op het bed waren neergevallen en Trudy's badjas op een toch wel zeer lieflijke wijze openviel. Het kostte Dennis de grootste moeite om het erotisch geweld van Trudy in enigszins fatsoenlijke banen te leiden, maar het lukte hem uiteindelijk toch: door op de bungelende telefoonhoorn te wijzen.
"O, hemel!", zei zij blozend, "Dat is mama!"
"Dat was mama. Dat arme mens heeft opgehangen. Zij is zich waarschijnlijk doodgeschrokken."
"O, hemel! Zal ik haar terugbellen?"
"Nee, dat hoeft niet. Zij zal heus wel weten, wat er aan de hand is."
Zij richtte haar blik weer op haar reiswekkertje en zag, dat het precies half zeven was. Dennis volgde haar blik, verstevigde zijn greep op haar lichaam, maar deed er verder het zwijgen toe. Zowel het een als ander hielp Trudy definitief over haar verdriet heen. Hoewel haar handen onophoudelijk door zijn nu zeer warrige haardos woelden, was it de twee zinnetjes, waarmee zij na een poosje de conversatie hervatte, heel goed op te maken, dat zij weer langzaam de oude begon te worden:
"Hee, imbeciel! Word-es wakker!"
"Ik sliep helemaal niet."
"Wat deed je dan?"
"Ik was aan het nagenieten."
"Waarvan dan? We hebben nog niet eens iets gedaan?"
"Van het welslagen van het plannetje, dat ik samen met je moeder heb beraamd."
"Heeft zij je dan gestuurd?"
"Ach, gestuurd? Het was meer een gezamenlijke beslissing. We waren het er gisteren al vrij snel over eens, dat we je op deze avond niet alleen met Tsjechow moesten laten."
"Ah, dat is lief van jullie!"
"Ja, he?"
"Hoe lang ben je hier al?"
"Sinds vanochtend negen uur."
"Heb je dan vrij kunnen nemen?"
"Ja, ik had nog wat compensatiedagen staan. Ze schenen er op de krant best wel blij mee te zijn, want ik was gisteren niet in een al te beste stemming. "Ga maar gauw, jochie!", zeiden ze allemaal."
"Heb je je na je aankomst meteen in dit hotel ingecheckt?"
"Ja, natuurlijk. En ik moet zeggen, dat mijn humeur toen meteen een stuk beter werd. Toen ik het hotel binnenliep, vielen alle zorgen ineens helemaal van mij af."
"Waar is je kamer?"
"Op deze etage. Drie kamers van deze vandaan."
"En wat heb je vandaag allemaal gedaan?"
"Ik ben begonnen met het drinken van een paar espresso's in een cafetaria bij het station en daarna heb ik een paar boswandelingen gemaakt."
"Waarnaartoe?"
"Naar Zijpendaal, natuurlijk."
"Wat? Ben je..."
"Ja, natuurlijk! Twee keer zelfs, één keer om elf uur en één keer om drie uur. Het waren pelgrimstochten, in de meest pure zin van het woord."
Trudy keek voldaan voor zich uit en vond het niet nodig om zijn onthulling op ironische wijze te becommentariëren.
"Vertel nog eens wat meer over jullie plannetje", vroeg zij, met een teemstemmetje.
"Nou, we wisten dus niet, of je alleen in het hotel zou blijven, of dat je misschien toch met dat collegaatje naar de bioscoop zou gaan. Dus hadden we afgesproken, dat je moeder je om kwart over zes zou bellen en dat zij mij zou inlichten als je er niet zou zijn. Als ik daarentegen niets van haar zou horen, zou ik na een poosje naar je toegaan. We wilden in geen geval, dat je om half zeven alleen zou zijn, maar wilden je wel de vrijheid geven om je avond op een andere manier in te vullen. Als je er niet was geweest, dan was ik gewoon op mijn kamer gebleven."
"Maar dat is dus niet gebeurd!", zei zij, met onmiskenbare opluchting.
"Nee, want ik ben dus hier."
"En van wie was dat kinderstemmetje?"
"Van een grappig jongetje, dat ik daarnet op de gang tegenkwam. Het heeft mij maar twee minuten gekost om de zinnetjes in zijn hoofd te stampen en maar vijf gulden om ze door hem te laten uitspreken."
"Da's een koopje!"
"Ja, maar ik moest er nog wel flink voor sjacheren. Dat rotjoch wilde er eerst het dubbele voor hebben."
"Ach, dat is niet belangrijk. Het belangrijkste is, dat je hier bent."
"Da's waar."
"Je weet zeker wel, wat ik nu het liefste wil."
"Ja, maar ik hoop wel, dat je mij wat respijt wilt geven."
"Heb je daar een speciale reden voor?"
"Daar heb ik zelfs twee speciale redenen voor."
"Welke dan?"
"De eerste is het feit, dat ik rammel van de honger."
"Heb je nog niets gegeten?"
"Nee, na mijn laatste pelgrimstocht ben ik rechtstreeks naar mijn kamer gegaan."
"En wat is de tweede reden?"
"De tweede is van sentimentele aard. Ik heb heel veel zin in seks, maar niet op de avond van de tiende sterfdag van je vader. Dat lijkt mij toch niet zo kies."
"En dat betekent..."
"Dat ik die seks tot na het middernachtelijk uur wil uitstellen."
"En geen minuut eerder?"
"Precies."
"Hm, dat is allemaal goed en wel. Maar wat doen we in de tussentijd?"
"Ik wil dus eerst ergens een fikse uitsmijter gaan eten en daarna wil ik graag een bioscoopje pikken. Ik heb vanmorgen gezien, dat 'Life of Brian' hier draait en die wil ik nu toch wel erg graag zien."
"Is dat niet die Monty Python-parodie op het leven van Jezus Christus?"
"Ja, lijkt je dat geen leuke film?" "Ja, heel leuk", antwoordde zij, met een minzaam glimlachje, "En ook bijzonder toepasselijk voor deze avond."
Die laatste opmerking scheen niet tot hem door te dringen. Haar kleine, maar o zo welgevormde linkerborst scheen ineens al zijn aandacht op te eisen. Trudy zag de hunkering in zijn ogen en putte daar toch weer wat hoop uit.
"Blijven we vannacht in deze kamer, of gaan we naar de mijne?", vroeg hij.
"Laten we maar in deze kamer blijven. Het kan zijn, dat mijn medecursiste zich vannacht nog even bij mij meldt en als zij dan een lege kamer aantreft, zou zij zich misschien wel ongerust kunnen maken. Het zal natuurlijk een beetje vervelend zijn, als zij zich meldt op een moment, waarop we aan vrijen zijn, maar dat ongemak moeten we dan maar voor lief nemen."
"En wat doen we morgenochtend?"
"Wat bedoel je?"
"Zullen we apart gaan ontbijten of gezamenlijk?"
"Gezamenlijk, natuurlijk! Wat dacht je anders?"
"Zul je... zul je daar geen moeilijkheden mee krijgen?"
"Nee, ik denk het niet", antwoordde zij lachend, "En als ze er wel problemen mee hebben, dan ontslaan ze mij maar. Daar heb ik totaal geen problemen mee. Kan ik lekker nog een paar jaartjes de WW in."
"Goed, kindje, wat je wilt."
Hij gleed van haar af, maar hield haar nog steeds in zijn armen geklemd. Trudy keek naar zijn kalme gelaatsuitdrukking en dacht vol wroeging aan haar leugen over haar vaders dood. Gezien het feit, dat zijn moeder de veertig niet eens had gehaald, realiseerde zij zich heel goed, hoezeer die leugen hem moest hebben gekweld.
"Heb je echt altijd gedacht, dat ik niet veel ouder dan veertig zou worden?", vroeg zij.
"Ja, ik begon zelfs al af te tellen."
"Ach, nee! Dat meen je niet?"
"Dat meen ik wel! Ik had er vooral bij de afgelopen jaarwisseling last van."
"Hoezo?"
"Ach, het was een beetje een gevoelskwestie. Als je, zoals wij, in de twintig bent, lijkt je veertigste verjaardag heel ver weg, maar toen het eenmaal 1980 was geworden, scheen jouw veertigste verjaardag in 1995 ineens veel sneller naderbij te komen. Het betekende namelijk, dat ik je in het volgende decennium misschien al zou gaan verliezen. En de angst daarvoor maakte mij echt helemaal gek."
"Maar die angst is nu dus weg?"
"Ja, je moeder heeft mij gisteren echt waanzinnig gelukkig gemaakt."
"Hm, dat is allemaal goed en wel, maar er is natuurlijk wel een 'maar' aan verbonden."
"Welke dan?"
"Als ik eenmaal de veertig ben gepasseerd, zal er van mijn schoonheid wel niet veel meer over zijn. Weet je wel, wat dat betekent?"
"Ja, maar dat doet er..."
"Dat betekent dus, dat je nog zestien jaar huwelijk met een schoonheid voor de boeg hebt en veertig jaar huwelijk met een oud lijk."
Hij schoot in de lach en kwam met een welluidende repliek:
"Uit het feit, dat ik met je verlengde levensverwachting zo waanzinnig gelukkig ben, kun je opmaken, dat ik daar geen enkel probleem van maak. Over de dag, dat je bij jezelf de eerste lachrimpeltjes ontdekt, hoef je je dus ook geen zorgen meer te maken."
Die laatste opmerkingen hadden een hernieuwde aanval op zijn vesting tot gevolg. Ook nu was hij echter onverbiddelijk. Hij maakte zich van haar los, trok met een rustig gebaar haar badjas dicht en ging in een fauteuil zitten. Hij leek zichzelf volledig onder controle te hebben, maar toen zij ook overeind kwam en met veel vertoon van been haar kousen op ladders controleerde, zag zij aan zijn blik, dat hij toch niet helemaal zeker van zijn zaak was. Het aankleden geschiedde dan ook met een tergende traagheid. Het bijna poëtische gebaar, waarmee de badjas van haar schouders gleed, het talmen met het aantrekken van de beha, het herhaalde aan- en uittrekken van de rok en de ook in haar kledingkast aanwezige jurk, het aan- en uittrekken van de schoenen, die ineens 'zo verschrikkelijk bleken te knellen', uit al die handelingen was de onwil om uit deze hotelkamer weg te gaan heel goed af te lezen. Meermalen leek zij het pleit in haar voordeel te beslechten, maar hij hield toch manmoedig stand: om zeven uur liepen zij gearmd en in een opperbeste stemming het hotel uit.
Eenmaal buiten kibbelden ze een poosje over de te volgen looproute. Tijdens dat kibbelen viel Trudy's oog op een gedenkplaatje, dat rechts van de ingang in de buitenmuur van het hotel was aangebracht. Er stonden slechts twee regels in gegraveerd, maar ze schokten haar tot in het diepst van haar ziel: "Eerste steen gelegd op 28 oktober 1958, door de driejarige Trudy Schouws."

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 2 februari 1996. © Bert Harberts