ECHO'S

Bij de eindhalte van de NZH-bussen aan de Amsterdamse Prins Hendrikkade liep een man met een wat zorgelijk gezicht heen en weer te drentelen. Het was een lange, blonde man van achtendertig, gekleed in een rood ski-jack, een blauwe spijkerbroek en donkerbruine mocassins. Zijn vrouw, een mollige blondine, die eveneens achtendertig was, stond tegen een, voor bejaarden bestemd steunbankje geleund. Zij was voor haar leeftijd uitzonderlijk mooi en zij zag er in haar korte, zwart-leren jackje, haar zwarte mini-jurk en haar zwarte nylonkousen bijzonder sexy uit. De blik, waarmee zij voor zich uitkeek, had iets dromerigs. Daar was een goede reden voor, want de plek, waar ze zich bevonden, had een speciale betekenis voor haar. Schuin tegenover de bushalte stond namelijk een hotel, waar zij en haar man op hun trouwdag een paar uurtjes hadden doorgebracht.
Die trouwdag, vrijdag 30 september 1977, was op een traditionele manier begonnen. Zij had de nacht ervoor in het huis van haar moeder geslapen en na het ontbijt had zij met een rustig gemoed de gasten en de bruidegom zien arriveren. De serene sfeer van die ochtend was na de korte huwelijksplechtigheid in 'Het Tolhuis', een eeuwenoud restaurant bij Het IJ en al sinds jaren een dependance van het Bureau van de Burgerlijke Stand, snel omgeslagen. Na de aan de gasten aangeboden broodmaaltijd was het bruidspaar via het Buiksloterwegveer en het Centraal Station naar het kleine, smoezelige hotel aan de Prins Hendrikkade gelopen, waar ze zich volledig aan elkaar hadden overgegeven.
Ze waren op het bed neergevallen, ze hadden elkaar op een nogal onorthodoxe manier uitgekleed en ze hadden elkaar in de daaropvolgende uren bepaald niet ontzien. Het voorspel, het neuken, het orgasme, het naspel, het aankleden op de rand van het bed, dat met wederzijdse tegenzin had moeten geschieden, omdat de trein naar Florence op hen wachtte, het half verbaasde, half beschaamde gezicht van haar man, toen zij hem de restanten van haar danig toegetakelde panty en slipje had laten zien, het stond haar allemaal nog heel levendig voor de geest.
In de daaropvolgende zestien jaar was zijn passie voor haar vrijwel nooit meer zo ongeremd geweest als toen op hun huwelijksdag. Slechts eenmaal, tijdens een verblijf in Roermond in augustus 1991, had hij zichzelf in dit opzicht geëvenaard. Zij koesterde de herinneringen aan die twee, uiterst wilde middagen en zij probeerde hem met een zekere regelmaat tot dezelfde dadendrang aan te sporen.
De kracht van hun huwelijk was niet slechts seksueel van aard; ze trokken zich in elk opzicht voortdurend aan elkaar op. Een neef van de man had hen eens omschreven als 'de verjongde uitgaves van Wim Kan en Corry Vonk' en dat was een benaming geweest, waarin zij zich helemaal had kunnen vinden. Zij wist het zelf ook maar al te goed: als de een ooit uit het leven van de ander zou wegvallen, zou het met die ander meteen afgelopen zijn. Zij ging naar vermogen met die wetenschap om. De altijd latent aanwezige angst om hem te verliezen verloor zij overigens pas echt als zij in zijn armen lag.
Maar vandaag was er van angst totaal geen sprake bij de vrouw. Zij had iets sprankelends in haar manier van doen en de manier, waarop zij haar jurkje omhoog trok om haar kousen wat beter te kunnen inspecteren, had eigenlijk ook wel iets ontroerends. Zij deed het namelijk met een bijzonder onschuldige gelaatsuitdrukking. Haar kousen bleken in perfecte staat te verkeren, al verschilden ze wel met de hold-up-kousen, die zij voorheen altijd placht te dragen. Deze waren donkerder van kleur, ze hadden een bredere kouseboord en zij gebruikte heuse jarretelles om ze vast te kunnen maken. Deze kousen stonden haar overigens net zo goed als de andere kousen; ook deze kousen gaven haar lange, stevige benen een werkelijk adembenemende dimensie mee. De rode kouseband, waarmee de boord van de linkerkous was versierd, maakte het plaatje helemaal compleet.
De man bekeek haar geredder met gepaste radeloosheid, maar toch speelde zij dit soort verleidingsspelletjes niet alleen maar uit wellust. Zij deed het vooral om hem af te leiden van de zorgen van alledag en zijn angsten voor de toekomst. Het was een probaat middeltje om hem met plezier door het leven te loodsen en gezien zijn ineens weer vrolijk wordende gezicht was hij haar daar ook vandaag zeer dankbaar voor.
"Trudy?", vroeg de man.
"Ja, liefje?"
"Wil je nou echt naar dat verdomde hotel terug?"
"Maar Dennis toch! Hoe kun je in godsnaam weten, dat ik dat zo graag wil?"
"Ik ben vandaag op de kop af zestien jaar, drie maanden en drieëntwintig dagen met je getrouwd, ik ken je inmiddels dus wel een beetje en bovendien..."
"Bovendien wat?"
"Is de manier, waarop je tegen dat malle bankje staat geleund, al veelzeggend genoeg."
"Wat bedoel je daar nu weer mee?"
"Je staat erbij als een volrijpe, Romeinse matrone, die zich op een wilde orgie staat te verheugen."
"O, gossie! Is het zo aan mij af te zien?"
"Ja, ik loop niet voor niets zo op hete kolen."
"Nou, wat let ons dan?"
"Ik durf het niet. Ten eerste heb ik een rotgevoel over dat hotel gekregen, omdat die stommeling van een Chet Baker uit een van die ramen van dat hotel te pletter is gevallen en ten tweede ben ik gewoon bang voor een herhaling van die middag."
"Oh, meen je dat?", vroeg zij, met een aandoenlijk aandoende gretigheid.
"Ja, want ik heb ook steeds die kapotgeknipte panty en dat kapotgeknipte slipje voor ogen. En dat doodgemoedereerde gezicht van jou, waarmee je daarna een nieuw slipje en een nieuwe panty aantrok. Alsof alles, wat er daarvoor met je was gebeurd, de gewoonste zaak van de wereld was geweest. Nee, het was echt een hele gruwelijke middag."
"Ik weet er wel een passender bijvoeglijk naamwoord voor."
"Welke dan?"
"Wat dacht je van 'heerlijk'? Of 'lekker'? Of 'bijzonder bevredigend'? Ik weet er nog een heleboel meer, hoor!"
"Ik geloof je graag. Maarre... Ik vind toch, dat we eerst maar even naar Marken moeten gaan. Ik wil echt even naar het graf van die pas gestorven collega toe."
"Jezus, Dennis! Meen je dat nou echt?"
"Ja, ik vrees van wel."
"Dus je vindt het bezoek aan het graf van een pas gestorven collega prettiger dan een reprise van onze trouwdagmiddag?"
"Niet prettiger, maar wel noodzakelijk."
"Het is natuurlijk helemaal niet noodzakelijk. Die collega zal het je heus niet meer kwalijk nemen als je mij aan mijn haren het hotel binnensleept en Marken voorlopig laat voor wat het is."
''Het spijt mij, liefje, maar ik moet echt naar dat graf toe!''
'''Hm, wat was het eigenlijk voor een man?''
''In de eerste plaats was hij heel erg gelovig!'' "O, ja? Maar dat zijn wij in zekere zin toch ook?"
"Dat is waar, al hebben wij gelukkig geen seksuele voorkeur, die niet met dat geloof te verenigen is."
"Je meent het?", vroeg zij grijnzend.
"Ja, ik meen het! Die man is echt een verschrikkelijke zielepoot geweest. Hij heeft echt een verschrikkelijk moeilijk leven gehad."
"En daarom wil je dus naar zijn graf toe?"
"Ja, maar ook een beetje, omdat hij mij tijdens zijn leven heel erg aan onze vaders deed denken."
"Hoe bedoel je?", vroeg zij, met een wat timide stemmetje.
"Qua uiterlijk leek hij sprekend op mijn vader en qua leeftijd was hij net zo oud als de jouwe. Althans: als ze allebei waren blijven leven, waren hij en jouw vader nu even oud geweest."
"Ah... O... Maar dat laatste geeft natuurlijk wel de doorslag, hè? Laten we dan toch maar meteen naar Marken gaan. Voor die drie daarboven ons met een bliksemschicht tot as verwerken."
"Met cynisme komen we natuurlijk niet verder!", zei hij zacht, "En dat van je vader had ik natuurlijk niet mogen zeggen."
"Natuurlijk had je dat wel mogen zeggen!", zei zij lachend. "Echt?"
"Ja, waarom zouden we wel over jouw dode vader mogen praten en niet over de mijne?"
"Ach, ik weet het niet: ik had weer het gevoel, dat ik vreselijk aan het doordraven was."
"Ach, dat geeft toch niet, jochie! Ik weet best, dat je je in situaties zoals deze alleen door je emoties laat leiden en dat is altijd weer enerverend."
"En vermoeiend?"
''En soms tamelijk vermoeiend, ja! Het is goed, dat je het zelf zegt. Daar ben ik je eigenlijk wel heel erg dankbaar voor.''
''Graag gedaan!'' zei hij grinnikend.
"Maar goed... Nou weet ik nog niet, wat we gaan doen? Gaan we naar Marken, of naar het hotel?"
"Ik weet het ineens niet meer. Laten we die beslissing maar aan de hogere machten overlaten."
"Hoe bedoel je?"
"Als de eerstvolgende NZH-bus de 111, oftewel de bus naar Marken, is, gaan we naar Marken. Als de eerstvolgende bus ergens anders heen gaat, dan gaan we naar het hotel."
"Voor een echte reprise van onze trouwdagmiddag?"
"Ja! Voor een complete reprise, met alle toeters en bellen."
"Ha! Daar zal ik je aan houden, hoor!"
Zij trok hem naar zich toe en gooide al haar verleidingskunsten in de strijd. Zij voelde, dat zij aan de winnende hand was, maar toen er een bus bij de halte stopte, kreeg zij een fikse teleurstelling te verwerken. Het was een 111...
"O, shit!", riep zij vertoornd.
"Godzijdank!", mompelde hij lachend.
"Wil je het echt? Wil je echt naar dat stomme Marken gaan?"
"Het is geen kwestie van willen: het is een kwestie van moeten."
"Waarom moeten we dan naar Marken gaan?"
"Omdat het spoort met een van onze levensmotto's."
"Welke dan?"
"Gedenk het verleden en geniet daarna met volle teugen van het heden."
"Hm, nou goed dan! Laten we dan maar naar Marken gaan. Misschien kunnen we daar dan wel..."
"Ja, hoor, dat kan! Er is daar een heel geschikt hotel en als je nu heel braaf met mij meegaat, trakteer ik je op een mooie hotelkamer voor een nacht."
"Compleet met de roomservice, zoals ik mij dat voorstel?"
"Ik zal mij tot aan het ontbijt van morgenochtend geheel naar al je wensen schikken."
"Afgesproken!"
Ze lieten elkaar los, stapten in en namen plaats op een bank achter de uitstapdeuren. De bus vertrok vrijwel onmiddellijk. De chauffeur keerde bij het Victoria Hotel, passeerde de oude brug over het Open Havenfront en reed vervolgens in de richting van de IJtunnel. Tijdens de korte rit door de IJtunnel groeide bij Trudy de weerzin tegen dit Marken-tripje en op de Meeuwenlaan, bij de eerste halte in Amsterdam-Noord hervatte zij de discussie:
"Zullen we toch maar niet liever uitstappen? Als we dat doen, kunnen we binnen een kwartiertje thuis zijn."
"Nee!", antwoordde hij grinnikend, "We gaan naar Marken en daarmee uit!"
"Hm, gaat mijn gehoorzame en volgzame ventje na tweeëntwintig jaar ineens de macho uithangen?"
"Ja! Het wordt de hoogste tijd, dat ik eens op mijn strepen ga staan."
""Als je per se naar Marken wilt gaan, ga ik heus wel met je mee, hoor! Maar weet je eigenlijk wel zeker, dat er een hotel is?"
"Ja, liefje, er is echt een hotel op Marken. Eentje met zes kamers op de eerste verdieping en een enorme ontbijtzaal op de begane grond, waar hele mooie kroonluchters aan het plafond hangen. Het is er echt heel erg sfeervol. Je zult het er echt prachtig vinden."
"Hoe weet je dat allemaal?"
"Omdat ik daar vorige week een kamer heb gereserveerd en omdat ik samen met de bevestiging van die reservering een foldertje heb toegestuurd gekregen."
"Heb je dat bij je?"
"Nee, sorry! Ik heb het in mijn bureau laten liggen."
"Maar wat is het dan voor een kamer?"
"O, de inrichting van de kamers is heel eenvoudig. Een bed, een kast, twee eikenhouten stoelen, een salontafel en een kleine wastafel, meer staat er niet in. We hebben ook geen eigen toilet en douche."
"O, wat vreselijk onhygiënisch!"
"Ah, Trudy, doe nou niet zo flauw! Ik zit mij er echt vreselijk op te verheugen."
"Echt?"
"Ja, want het weer werkt ook al mee."
"Nou, aan die wolken te zien staat ons een flinke regenbui te wachten. Om van storm nog maar te zwijgen."
"Precies! Wat is er nou leuker om in een hotelkamer op een eiland in het IJsselmeer vergetelheid in elkaars armen te zoeken? Als buiten de wind de regen met volle kracht tegen de ramen zwiept en binnen de stemming steeds joliger wordt."
"Ja, dat is waar", beaamde zij lachend, "Dat moet eigenlijk wel het summum van genot zijn."
"Dat dacht ik ook wel, ja!"
"Dus je wilt er helemaal niet naartoe gaan om het graf van je ex-collega te bezoeken?"
"Nee, dat is niet waar! Ik wil er wel naartoe gaan om het graf van mijn ex-collega te bezoeken, maar..."
"Je wilt daarna het aangename met het nuttige verenigen."
"Precies!"
"Waarom ben je eigenlijk niet eerder op dit idee gekomen?", vroeg zij, met een vleugje sluwheid, "Dan hadden we die collega kunnen opzoeken, toen hij nog leefde."
Hij aarzelde met antwoorden. Om een reden, die zij wel kon raden. Toch werd zij nog wel door zijn eerlijkheid verrast.
"Omdat ik als de dood voor hem was", antwoordde hij.
"Waarom dan, jochie?"
"Om zijn seksuele neigingen, om zijn openlijk geuite sympathie voor mij en ook om zijn drankzucht en de gevolgen daarvan. Kortom: omdat hij beetje bij beetje aan de zelfkant van de samenleving was terecht gekomen. De kant van de samenleving, waar jij en alleen jij mij vandaan hebt gehouden."
Zij zei niets, maar voelde zich wel gevleid om die laatste zin. Dennis bleef ook even zwijgen en vervolgde zijn betoog daarna met een toonloze en soms haperende stem:
"O, je hoeft het mij niet te zeggen, hoor! Ik weet best, dat het laf van mij is om hem nu pas op te zoeken en niet een paar maanden eerder, maar ik kon echt niet anders."
"Durfde je het niet aan, omdat je in je jeugd een paar keer bent aangerand en misbruikt?"
"Ja, ik denk het! Wat mij als baby in dat tehuis is overkomen, zal heus wel zijn sporen hebben nagelaten."
"Je bent als tiener toch ook een keer aangerand?"
"Hoe weet jij dat?", vroeg hij geschokt.
"Dat heb ik op de dag voor onze trouwdag gehoord."
"Van wie dan? Ik heb het volgens mij nog nooit aan iemand verteld."
"Dat is niet waar, liefje. Lang geleden heb je een meisje in vertrouwen genomen en dat meisje heeft het dus een paar jaar later aan mij verteld."
"O, shit! Dat meen je niet?"
"Ja, liefje!", antwoordde zij, met een kalme stem, "Ik heb het van Carla Diepgrond gehoord."
"Was zij niet de verkoopster in de zaak, waar jij op de dag voor onze trouwdag die ellendige kouseband hebt gekocht?"
"Ja, en daarvoor was zij, zoals je nog wel zult weten, jouw klasgenootje in de eerste twee klassen van de HAVO en bovendien een meisje, dat heel erg verliefd op je was."
"Het spijt mij verschrikkelijk, dat je het van die aanranding juist van haar hebt moeten horen."
"Waarom heb je het wel aan haar durven vertellen en nooit aan mij? Dat is tot op de dag van vandaag een echt mysterie voor mij, want je broers wisten er dus ook niets van af."
Er gleed een grimas over zijn gezicht, die haar nogal deed schrikken. Toch was zijn antwoord opnieuw van elke onduidelijkheid gespeend:
"Ik heb het wel aan haar verteld om haar af te schrikken en nooit aan jou om de tegengestelde reden."
"Af te schrikken?", vroeg zij glimlachend.
"Ja, ik heb in die jaren, dat ik met haar in de klas zat, echt wel gemerkt, dat zij gek op mij was, maar ik was tegelijkertijd zo gruwelijk verlegen met meisjes, dat ik al bij voorbaat de moed op een happy-end had opgegeven. Om je de waarheid te zeggen, wist ik mij met die belangstelling van haar totaal geen raad."
"En daarom..."
"Heb ik tijdens een vrij uurtje mijn hele doopceel gelicht en haar het verhaal van mijn gruwelijke en deerlijk mislukte jeugd verteld. Het was, zoals ik al zei, een middel om haar af te schrikken, een soort zelfgeregisseerd blauwtje. En het werkte gelukkig ook nog."
"Ik snap het, liefje", zei zij zacht.
Zij zag, dat hij haar wat peinzend aankeek en zij vroeg zich af, waar hij aan dacht. Het antwoord op die vraag kwam snel.
"Weet je eigenlijk al, dat het jou ook een keer bijna is overkomen?"
"Wat?"
"Een aanranding door een pedofiel."
"Ah, nee! Dat meen je niet? Wanneer dan?"
"In 1968, vlak voor onze allereerste ontmoeting op die weide bij die camping in Heemskerk."
"Wat is er toen dan gebeurd?"
"Nou, het gebeurde, toen jullie op die middag op een weide aan het picknicken waren en je ouders zich op een gegeven moment in een naburig bosje afzonderden om iets te bespreken. Toen ze een poosje weg waren, verscheen ik op die weide. En het eerste, wat ik zag, was een bebrilde man, die met gestrekte armen naar je toe sloop. Je ouders zagen het niet, jij zag het niet, omdat je, met je rug naar hem toe, op je buik lag, maar ik zag het dus wel en schreeuwde iets van "Hee!" naar hem. Daar schrok hij gelukkig zo van, dat hij meteen op de vlucht sloeg."
"En wat deden mijn ouders toen?"
"Die voegden zich even later weer bij je!"
"En toen was alles dus voorbij?"
"Ja, dat is zo!", antwoordde hij peinzend, "Uiteindelijk is er dus helemaal niks gebeurd, maar dat neemt niet weg, dat ik nog wel eens nachtmerries over die middag heb. Dan zie ik het opnieuw gebeuren en dan droom ik, dat ik geen woord kan uitbrengen en dus moet toezien, hoe je dus wel door die vent wordt gemolesteerd."
"Meen je dat?", vroeg zij, met een wat geknepen stemmetje.
"Ja, maar als ik dan wakker word, dan realiseer ik mij, dat het gelukkig niet is gebeurd en dat ik jou toen een hele nare ervaring en je vader een hele lange gevangenisstraf heb bespaard."
"Wat bedoel je met dat laatste?", vroeg zij lachend.
"Ik heb het wel een paar keer met je moeder over dat incident gehad en volgens haar had je vader die vent vermoord als hij jou wel had gemolesteerd."
"Hm, dat weet ik eigenlijk wel zeker. Het is ook maar goed, dat zowel het een als het ander niet heeft plaatsgevonden."
"Ja, dat vind ik ook!"
De bus stopte bij de halte van winkelcentrum 'Boven 't IJ', maar geen van beiden maakte aanstalten om uit te stappen. Dennis was lijkbleek geworden en had flinke problemen met zijn ademhaling. Pas toen de bus weer wegreed en Trudy haar linkerhandje in zijn rechterhand liet glijden, scheen hij wat rustiger te worden.
De bus verliet Amsterdam via de Nieuwe Leeuwarderweg en reed via Het Schouw en Broek in Waterland in de richting van Monnickendam. Na de korte stop in Broek in Waterland verbrak Trudy het stilzwijgen.
"Is nu alles weer goed met je?", vroeg zij, met een stem, die niet al te vast klonk.
"Ja, nu weer wel. En met jou?"
"Met mij gaat het ook wel goed!", fluisterde zij, met een pruilmondje, "Ik ben door het verslag van je allereerste heldendaad alleen een beetje geil geworden."
"Hoe geil?", vroeg hij droogjes.
"Zodanig geil, dat ik je hand het liefst tussen mijn benen zou willen leggen."
"Als je dat maar laat!", sprak hij streng.
"Echt?"
"Ja, echt!"
"Maar ik wil het zo graag!"
"Ja, maar ik niet!"
"Waarom dan niet? Het zou leuk voor mij zijn en natuurlijk ook voor jou."
"Ik wil niet zo stiekem aan je zitten friemelen! Daar ben je toch echt te lief en te mooi voor. Ik wil de reprise van onze trouwdagmiddag ook liever tot vanavond uitstellen."
"Wat wil je zometeen dan doen?"
"Zometeen wil ik alleen maar naar je kijken."
"Smerige voyeur!"
"Ja, precies! En daar hoef je dan niet eens naakt voor te zijn! Je hoeft eigenlijk alleen maar op een stoel voor het raam te gaan zitten."
"En dan?"
"Dan wil ik mij compleet in je verliezen."
"Waarin?"
"In de aanblik van je knappe smoeltje, in de aanblik van je lekkere figuurtje, in de aanblik van je prachtige, prachtige benen..."
"Moet ik ook nog wat doen?"
"Ja, je moet net doen, alsof het iets vanzelfsprekends voor je is."
"Dat is het ook, liefje, dat is het ook. Ik zal er ook zo bij zitten, dat je een heleboel van mijn benen ziet, maar niets van mijn slipje. Want zo wil je het toch, hè?"
"Ja, en je moet ook met mij blijven babbelen alsof er verder niets aan de hand is."
"Babbelen?"
"Ja, babbelen. Over koetjes en kalfjes praten."
"Over wat dan?"
"Over alles, wat je te binnen schiet. Over je werk, over de relaties van je collega's, over hun onhebbelijkheden. Over dingen die niet al te diep graven, maar wel leuk zijn om aan te horen."
"Waarom wil je dat eigenlijk?"
"Omdat mij dat aan vroeger zal doen denken. Aan mijn lieve stiefmoeder, die vroeger altijd met dezelfde vrijmoedigheid haar benen aan mij toonde, zoals jij dat nu altijd doet."
"Oh, wat leuk!", zei zij lachend, "Vertel eens wat meer over haar."
"Ach, wat is er verder over haar te vertellen? Het was een lief mens, dat gewoon heel open was in haar manier van doen. Het omkleden, het verwisselen van haar kousen, het gebeurde regelmatig in mijn aanwezigheid en zij vond het nooit erg als zij bij die gelegenheden mijn aandacht trok. Zij kickte er niet op, zij lokte het niet uit en het wond haar ook niet op. Het was alleen maar de gewoonste zaak van de wereld voor haar. Mijn meest dierbare herinnering aan haar is een herinnering aan een zonnige zondagmiddag in de lente van 1966, toen we bij haar vader in Leeuwarden logeerde en ik samen met haar in de tuin zat."
"Wat gebeurde er toen?"
"Eigenlijk helemaal niets! We waren alleen, mijn vader was met haar vader gaan vissen, we dronken thee, we keken naar de mooie tuin met zijn heuveltjes en zijn trappetjes, we roken de vele bloemen, we luisterden naar het gekwinkeleer van de vogels en het rommelende geluid van de auto's, die over een nabijgelegen brug reden, en we praatten wat met elkaar. Zij zat met gespreide benen in een tuinstoel, zij had de zoom van haar rokje omgeslagen, maar was te lui geweest om haar kousen uit te trekken. Ik zat aan haar voeten en ik mocht onderwijl naar hartelust naar haar mooie kousebenen kijken."
"Oh, wat lief van haar!"
"Ja, hè? Zij stimuleerde het zelfs door mij de plek op haar bovendij aan te wijzen, waar een paar maanden eerder een goedaardig gezwel was weggehaald. Ik herinner mij ook, dat ik toen helemaal niet opgewonden, of geil was. Ik vond de aanblik van die benen natuurlijk heel mooi, maar dan alleen omdat die aanblik mij een intens gevoel van geborgenheid gaf. Het was echt een idylle. Dat dagje in Leeuwarden behoort tot de meest gelukkige dagen van mijn jeugd en omdat er daarvan niet al te veel zijn geweest, wil dat dus best wel wat zeggen."
"En straks wil je dat dagje dus opnieuw beleven?"
"Ja, als het van je mag."
"Ja, liefje, het mag. Ik denk, dat het voor mij ook wel een leuke afleiding zal zijn."
"Prima! En over wat er na het diner zal gaan gebeuren, hoef ik zeker niet meer uit te weiden, hè?"
"Ah, van uitstel komt ditmaal dus geen afstel?"
"Nee, ik zou niet durven."
"Is dat uitstel eigenlijk aan die pedofiel te wijten?"
"Ja, ik ben bang van wel."
"O, verdorie! Waarom heb ik dat nou in godsnaam weer opgerakeld?"
"Ach, dat geeft niet, kindje. Het heeft mij trouwens heel erg opgelucht. Het was een van mijn weinige geheimen, die ik nooit met je heb durven delen en nu ik weet, dat jij dat geheim al heel lang met mij deelt, zal ik het misschien eindelijk een keer goed kunnen verwerken."
"Heb je er dan nog steeds last van?"
"Ach, last! Last is zo'n groot woord. Het is een oude wond, die af en toe nog een beetje pijn doet."
"Zoals in je omgang met die collega?"
"Ja, precies! Wat het daarbij ook nog een keer zo hopeloos gecompliceerd maakte, was het feit, dat ik van die hele tegenstrijdige gevoelens over die collega had. Aan de ene kant was ik heel bang voor hem, maar aan de andere kant mocht ik hem heel graag en vooral omdat hij zo op pa leek. En daardoor vond ik het juist weer zo verschrikkelijk, dat ik hem langzaam naar de verdommenis zag gaan. Dat hij daarnaast ook nog dezelfde leeftijd had als die pedofiel, was eigenlijk niet meer dan een toevalligheid."
"Was hij echt zo oud als..."
"Ja."
"Maar dat betekent..."
"Wat, lieverd?"
"Dat die pedofiel dus ook net zou oud was als mijn vader."
"Eh... ja", begon hij aarzelend.
"Wat een rotidee!"
"Ach, je bent gek! Je weet heel goed, dat ik een heel positief beeld van je vader heb."
"Ja, dat weet ik ook wel. Maar..."
"Maar wat?"
"Ach, ik zal het je maar zeggen!' zei zij, na een korte aarzeling, "Die opmerking over die overeenkomst in leeftijd tussen die pedofiel en mijn vader heeft mij weer aan iets doen denken."
"Aan wat dan?"
"Aan het feit, dat mijn vader een nogal obsessieve liefde voor mij koesterde en aan het feit, dat die liefde hem waarschijnlijk ook de dood heeft ingejaagd."
"O, nee! Meen je dat?"
"Ja, hij heeft zelf meermalen tegen mama gezegd, dat hij de wetenschap, dat ik eens zou gaan trouwen, maar heel moeilijk kon verdragen."
Dennis staarde ontzet voor zich uit, zonder iets te zeggen. Trudy keek hem onderzoekend aan om te zien of haar onthullingen hem niet al te erg aangrepen, maar uiteindelijk ging zij toch maar door met haar verhaal:
"Het is overigens absoluut niet zo, dat hij zich ooit aan mij heeft willen vergrijpen. Integendeel, zelfs: hij heeft juist alleen maar gewild, dat ik altijd 'zijn lieve, kleine meisje' zou blijven."
"Is dat niet iets, wat elke vader het liefste wil?"
"Misschien... Maar alleen het feit, dat hij vrij snel na mijn eerste menstruatie zelfmoord pleegde, wijst er al op, dat het met hem wel erg ver ging."
"Is dat echt zo?"
"Ja, mama heeft mij vlak na zijn dood verteld, dat hij al tien jaar met zelfmoordplannen rondliep en zij denkt tot op de dag van vandaag, dat die eerste ongesteldheid van mij hem definitief over de rand heeft geduwd."
"Was de liefde van jouw vader echt zo obsessief van aard?"
"Ja, ik kon het ook wel aan een heleboel dingen merken. Hij vond het bijvoorbeeld verschrikkelijk als ik een kort rokje en een panty of nykonsdroeg."
"En deed je dat ook vaak?"
"Nee, eerst niet! Als mama en ik na de scheiding bij hem logeerden, trok ik meestal maar een broek aan. Maar ja, op een gegeven moment kon ik dat niet meer opbrengen."
"Echt niet?", vroeg hij lachend.
"Nee! Je weet toch, hoe ik ben? Je weet toch, hoe leuk ik het vind om er leuk en sexy uit te zien? Hoe ik minutenlang met mijn kousen en mijn jarretelles kan spelen?"
"Ik weet het, ja!"
"Ik weet, dat ik jou met dat gepriegel en gepruts een groot plezier doe. Maar mijn vader was dus een ander verhaal. Toen ik in zijn aanwezigheid dus wel van die leuke, korte rokjes en die mooie panty's en nylons ging dragen, deed ik dat niet eens uit verzet tegen hem, of om hem te kwellen of te kwetsen. Ik kon het gewoon niet meer opbrengen om in mijn kleding zo af te steken tegen de sexy kleding van mama."
"Hebben jullie daar ruzie over gehad?"
"Nee... Nee, niet echt! Hij wist volgens mij wel, dat het een onvermijdelijke ontwikkeling was, maar het was dus wel een ontwikkeling, waarmee hij uiteindelijk niet kon leven."
"Ik snap het."
"Snap je het echt?"
"Ja, ik besef nu pas goed, waarom zijn dood zo'n traumatische ervaring voor je is geweest."
"Tja, dat was het zeker. Ik heb heel lang het gevoel gehad, dat ik mijn vader de dood heb ingejaagd en enkel en alleen maar door volwassen te worden. En daar heb ik soms nog wel een beetje last van."
"Maar dat is toch geheel en al zijn probleem geweest? Daar kun je jezelf toch geen verwijten over maken."
"Nee, dat is ook zo. Maar emoties laten zich niet altijd sturen. En dat geldt zeker voor schuldgevoelens, die al of niet reeël zijn."
"Hm, je hebt mij anders zelf altijd verteld, dat hij aan de grond zat en sterke schuldgevoelens over de scheiding had."
"Dat is allemaal maar betrekkelijk, liefje. Dat heb ik je steeds maar weer gezegd om je gerust te stellen."
"Hoezo?"
"Hij was zijn faillissement alweer aardig te boven gekomen en er lag een flinke erfenis op hem te wachten, omdat zijn vader, mijn opa dus, in die dagen op sterven lag. En over die scheiding kan ik je eigenlijk maar één ding zeggen: de relatie tussen papa en mama was na de scheiding veel beter dan daarvoor. Hij hield zielsveel van haar, zij hield zielsveel van hem en als ze bij elkaar waren, waren ze vreselijk gelukkig."
"En dat betekent...", zei hij, opnieuw naar adem happend.
"Dat mijn vader op zijn veertigste een liefhebbende ex-vrouw als vriendin had. Dat hij tevens een liefhebbende dochter had. Dat hij daarnaast elke vrouw kon krijgen, die hij wilde hebben, iets waar mijn moeder en ik totaal geen probleem van maakten. Dat het hem ook niet meer aan geld ontbrak en dat hij het desondanks toch nodig vond om er een eind aan te maken. En alleen maar, omdat zijn dochter..."
"O, wat verschrikkelijk!"
"Ach, het valt eigenlijk wel mee, jochie. Ik heb er inmiddels wel mee leren leven. Ik heb jou immers nog. Jij bent mijn beloning geweest voor het feit, dat ik die toestanden met mijn vader heb overleefd. En nu we het toch over een beloning hebben: de miljoenenerfenis, die mijn vader liet liggen door zichzelf te verdrinken, zal na oma's overlijden voor ons zijn."
"Miljoenenerfenis?"
"Daar heb je nog nooit bij stil gestaan, hè?"
"Nee! Ik wist wel, dat je oma veel geld had, maar dat het zoveel was? Nee, dat wist ik niet."
"Het is een lekker sommetje!", zei zij grinnikend, "Oma is nu bijna negentig en ik hoop echt, dat zij de honderd haalt, maar het is wel prettig om te weten, dat we na haar overlijden onmiddellijk met werken kunnen stoppen."
"Is het echt zoveel?"
"Ja, jochie. Zelfs als we de onvermijdelijke successierechten ervan aftrekken, is het een kapitaaltje, waarvan we in alle rust kunnen gaan rentenieren."
"Nee, dat meen je niet!"
"Ja, jochie, dat meen ik wel."
"Maar..."
"Ja, liefje, geloof mij nou maar! Je hebt tweeëntwintig jaar geleden niet alleen het knapste meisje van de klas versierd, maar je bent toen ook, zonder het te weten, op een onvervalste goudader gestoten."
"Is alles, wat zij heeft, voor jou?"
"Nee, alles wat zij heeft, is voor ons. En het zijn geen aandelen, of obligaties. Het is een heel groot geldbedrag, dat op de bank staat, waarvoor ik al bijna twintig jaar werk."
"De Postbank?"
"Ja, en in overleg met mama beheer ik het kapitaal dus al. Ik ben degene, die haar belastingen en andere kosten betaalt, ik ben degene, die er voor zorgt, dat het haar aan niets ontbreekt. Maar alle kosten, die ik voor haar maak, kan ik met gemak van de renterevenuen betalen. Dus eh... bereid je maar vast voor op een leven als fatterige nietsnut. Die tijd komt er dus echt aan."
"Waarom zeg je mij dat nu pas?"
"Je hebt er nooit naar gevraagd. En alleen dat al heb ik in al die jaren mateloos in je bewonderd. Je hebt volgens mij in je achterhoofd altijd wel geweten, dat dit erfenisje zo groot is, maar je hebt er nooit, maar dan ook nooit een toespeling op gemaakt."
"Ja, vind je het gek? Ik ben stapelgek op die malle oma van jou! Ik wil ook helemaal niet, dat zij dood gaat en ik wil mij dus ook niet bezighouden met de gevolgen van haar dood."
"Ook nu niet?", vroeg zij lachend.
"Nee, natuurlijk niet! Zij moet zo lang mogelijk blijven leven en zo lang mogelijk van dat leven blijven genieten. Dat heeft zij meer dan verdiend. Als je, zoals zij, binnen een jaar je man en je enig kind verliest en je ziet dan toch kans om met opgeheven hoofd en met een vriendelijke glimlach door het leven te stappen, dan verdien je een hele lange en een heel plezierige levensavond."
"Dat vind ik ook, liefje! En laten we tot aan oma's dood ook maar niet over het geld praten. We hebben het niet nodig en als we het eenmaal hebben, kunnen we wel gaan nadenken over wat we ermee gaan doen."
"Afgesproken!"
Ze waren Monnickendam inmiddels al gepasseerd en reden nu langs de kronkelende dijk rond de Gouwzee. Trudy keek belangstellend uit het raam. Zij herkende het landschap, ook al was zij hier maar één keer eerder geweest. En wel als driejarig meisje, tijdens een auto-uitstapje met haar ouders. Dat uitstapje, haar oudste herinnering, had haar en haar ouders door dromerige IJsselmeerdorpjes als Schellingwoude, Durgerdam en Uitdam geleid. Het reisdoel van dat uitstapje was toen ook al Marken geweest, maar dat hadden ze nooit bereikt, omdat ze in de buurt van Uitdam bijna een ongeluk hadden gehad. Hoewel er uiteindelijk niets ernstigs was gebeurd, waren haar ouders door dat incident dusdanig geschokt geweest, dat ze het raadzaam hadden gevonden om maar direct naar huis terug te keren. Nu, ruim vijfendertig jaar later, zou zij dat uitstapje van '58 uiteindelijk toch gaan voltooien. De bus reed de dijk op. Het was een ontroerend moment voor Trudy en zij moest opnieuw sterk aan haar vader denken. Er kwamen ineens ook vele, andere jeugdherinneringen bij haar bovendrijven. De meest duidelijke jeugdherinnering dateerde uit het laatste weekend voor haar vaders dood. Tijdens dat weekend was één moment haar vader eigenlijk fataal geworden. Het moment, waarop hij haar met ontbloot bovenlichaam in de badkamer had aangetroffen. Zij zag weer die half verwilderde blik in zijn ogen, zij hoorde weer zijn bittere verwijt over het niet-afsluiten van de badkamerdeur en tenslotte de klap, waarmee hij die dichtgooide. Over dat ene incidentje waren ze niet meer heen gekomen; de rest van de dag had hij geen woord meer tegen haar gezegd.
Op de donderdag daarna was hij bij haar thuis op bezoek gekomen. Hij had alleen Trudy aangetroffen en had haar op timide wijze zijn excuses voor zijn gedrag aangeboden. Toen ze na zijn vertrek weer als de beste maatjes uit elkaar waren gegaan, was zij heel opgelucht geweest, maar toen zij later die avond hoorde, dat haar vader zich tien minuten na dat afscheid had verdronken, was de klap daardoor des te harder bij haar aangekomen.
De begrafenis had een periode ingeleid van een peilloos, maar stil doorleefd verdriet. Een periode, waaraan de ontmoeting met Dennis uiteindelijk een eind had gemaakt. Want hoe lief haar moeder ook voor haar was geweest in de dagen, weken en maanden na haar vaders dood, echte troost had zij pas gevonden in de armen van de man naast haar. De man, wiens jeugd nog veel traumatischer was verlopen dan die van haar. Zij keek weer naar hem, naar dat knappe, en o zo dierbare gezicht, waarop nog zo weinig van veroudering zichtbaar was.
Een van de dingen, die zij hooglijk in hem apprecieerde, was de humor, waarmee hij zijn verlangen naar haar altijd weer wist te temperen. Zijn scenario voor het verblijf in het hotel op Marken was daar een goed voorbeeld van. En nu, na alle opgekomen herinneringen en na alles wat er tussen hen was gezegd, kwam dat scenario haar heel aanlokkelijk voor. Zij zou hem zometeen ook zonder morren zijn zin geven. Hij zou haar mogen neerzetten op de manier en in de houding, zoals hij zich dat wenste en hij zou daarvan mogen genieten, zolang hij zich dat wenste.
Ze reden inmiddels al een poosje over de dijk naar Marken. Rechts zagen ze aan de horizon de kustlijn van Flevoland, links konden ze aan de overkant van de Gouwzee de contouren van Monnickendam en Volendam onderscheiden.
"Zeg, Dennis?", begon zij lachend.
"Ja, liefje?"
"Is dit de dijk naar Marken?"
"Ja!", antwoordde hij, met een vaag lachje, "Het doet mij toch echt wel een beetje aan de Afsluitdijk denken."
"En dat eiland daar?", vroeg zij onverstoorbaar, "Is dat nou Marken?"
"Ik dacht het wel, ja!"
"O, wat leuk!"
"Je wilt mij toch niet vertellen, dat je nog nooit in Marken bent geweest?"
"Dat wil ik wel! Ik moet het zelfs! Want ik ben er echt nog nooit geweest. Praag, Venetië, Sint Petersburg, Kopenhagen, Stockholm, Florence, ik ken het allemaal op mijn duimpje. Maar Marken? Nee, daar ben ik nog nooit geweest. Een keer is het er bijna van gekomen. Lang geleden, toen ik nog een snoezig, driejarig meisje was."
"Je bent nog steeds snoezig. Zo niet snoeziger!"
"Houd je mond, smerige vleier! Wat ik dus wilde zeggen, dat ik er in 1958 bijna ben geweest, maar dat het toen op het allerlaatste moment is afgeketst."
"Waarom?"
"O, het was om een hele goede reden, hoor! Mama wilde op dat moment heel graag met mijn vader naar bed en dat was iets, wat zij toch maar het liefste thuis wilde doen."
"Heeft zij dat toen zo tegen je gezegd?"
"Nee, maar ik werd direct na thuiskomst bij de buren ondergebracht. En ik heb later vernomen, dat mijn moeder dat altijd deed als zij zin in seks had."
"Oh, wat gemeen van je moeder!", riep hij, oprecht verbaasd.
"Ja, hè? Maar toen had zij er toch wel een goede reden voor."
"Welke dan?"
"We hadden een minuut daarvoor bijna een ongeluk gehad en volgens mama was het alleen aan papa's stuurmanskunst te danken geweest, dat er niets ernstigs was gebeurd."
"En daarom wilde zij dus met je vader naar bed."
"Ja, bij wijze van beloning."
"Ha! En terecht, natuurlijk!"
"Vind je?", vroeg zij koeltjes.
"Eh, ja", begon hij aarzelend, "Want één ding moeten we voor onze eigen gemoedsrust natuurlijk wel onder ogen blijven zien."
"Wat dan?"
"Je vader heeft je toen in 1958 dus wel het leven gered."
"Ja, dat is zo", zei zij, met neergeslagen oogleden, "Daar zal ik hem ook altijd dankbaar voor blijven."
"Ah, dat is precies, wat ik wilde horen. Ik ben namelijk heel blij, dat hij je vrijwel altijd zo goed heeft beschermd en ik ben ook heel blij, dat ik die mooie taak van hem heb mogen overnemen."
"Ja, ik ook. En je hebt je altijd ook heel goed van die taak gekweten. Als ik alleen al aan dat akkefietje in Heemskerk en aan dat geval in Den Haag denk..."
"Toen met die aanranding, bedoel je."
"Ja, precies!"
"Ja, dat was inderdaad mijn 'finest moment'."
"Nog meer dan dat akkefietje in Heemskerk?"
"Ja, natuurlijk! En vooral omdat ik die vent in Den Haag helemaal lens heb mogen slaan."
"Ik snap het volkomen!", riep zij lachend.
De bus was inmiddels het eiland opgereden. De weg daalde af naar de Havenbuurt, het buurtschap, waar zich, behalve de haven, ook een bushalte bevond. De bus stopte bij de halte en het echtpaar stapte snel uit, net op het moment, dat het hevig begon te regenen.
Het duurde gelukkig maar een paar minuten, voordat ze de juiste weg naar het kerkhof hadden gevonden. De begraafplaats, een smalle reep grond met een klein huisje in het midden, bleek op een terp te liggen. Het toegangshek was open; op een graf aan de rechterzijde van het kerkhof lagen bloemen. Ze betraden het kerkhof, slenterden naar het graf met de bloemen en hielden stil, toen ze bij het graf waren aangekomen. Trudy zag, dat Dennis met een wat peinzende gelaatsuitdrukking naar het graf keek en liep daarna glimlachend van hem weg. Hij bleef overigens ook niet lang bij het graf staan; na een halve minuut liep hij alweer naar haar toe.
"Is nou alles goed?", vroeg zij lachend.
"Ja, ik moest ernaartoe. Hij heeft misschien de wildste dromen over mij gehad, maar hij heeft mij nooit één haar gekrenkt, of ook maar een poging in die richting gewaagd."
"Ik snap het, liefje. En het is ook goed, dat je het hebt gedaan."
"Ja, hè? Er was echt van alles op hem aan te merken, maar hij stond dus wel aan de goede kant. De kant, waar ook mijn grootvader, mijn vader, mijn moeder en mijn stiefmoeder stonden. En dat..."
"Geldt ook voor mijn vader?"
"Ja."
"Ondanks zijn zelfmoord om mij?"
"Ja", antwoordde hij, met een zachte stem, "Want daar geloof ik bij nader inzien niet zo in."
"Wat bedoel je daarmee?", vroeg zij koeltjes.
"Volgens mij heeft je vader geen zelfmoord gepleegd, omdat hij jou niet wilde zien opgroeien. Volgens mij heeft hij zelfmoord gepleegd, omdat hij al zeker vijftien jaar aan zware depressies leed."
Die opmerking sloeg in als een bom bij haar. Zij werd ineens lijkbleek en zij wankelde op haar benen.
"Denk je dat echt?", vroeg zij hijgend.
"Eigenlijk weet ik het wel zeker. Je moeder heeft mij heel veel over hem verteld en al die feiten wijzen maar op één ding: hij was depressief! Hij had echt alle klassieke symptomen."
"Maar... Maar..."
"Hij was dus niet pervers, omdat hij in zijn wanhoop jouw opgroeien als de aanleiding of reden voor zijn zelfmoord zag: hij was gewoon al jaren heel erg ziek. Als de medische wetenschap in 1970 net zover was geweest als nu, dan waren die depressies ook toen al als zodanig herkend en dan had hij met behulp van een goede medicatie tachtig kunnen worden. Je mag ook niet meer kwaad op hem zijn, hij is, net als die ex-collega van mij, een verschrikkelijke zielepoot geweest."
Trudy keek hem verbijsterd aan. Hij had haar in een paar zinnen van dat ene grote jeugdtrauma verlost en zij voelde vrijwel meteen een enorme huilbui opkomen. Hij merkte het. Hij greep haar bij de hand en leidde haar naar de uitgang van het kerkhof. Bij het passeren van de poort kwam die huilbui alsnog. Hij nam haar zwijgend in zijn armen en liet haar rustig uithuilen.
Een paar minuten later liepen ze, zwijgend en hand in hand, in de richting van het hotel. Tijdens die korte wandeling kwam Dennis tot een opmerkelijke ontdekking:
"Hee! Het regent niet meer!"
"Ja!", zei zij lachend, "Daar zullen die drie van daarboven echt wel de hand in hebben gehad!"
"Yeah, en dat geeft best wel een lekker gevoel."
"Ja, nou! En als we eenmaal in het hotel zijn, zullen we ons nog veel lekkerder gaan voelen."
"Dat is waar. Het zal nu een uur of vier zijn. We hebben dus twee uur de tijd om een beetje bij te komen."
"Dat is mooi! Je moet er overigens wel rekening mee houden, dat het diner zal worden uitgesteld en dat het bijkomen heel snel op een potje seks zal gaan uitdraaien."
"Echt waar?"
"Ja, echt! Ik zal niet rusten, voordat ik je voor die wijze woorden van daarnet op een gepaste wijze heb beloond."
"Waarom?"
"Omdat je mij daarnet mijn vader hebt teruggegeven. Niets meer en niets minder. Dankzij jou zal ik vanaf nu in staat zijn om met niets dan liefde aan mijn vader terug te denken. En ik geloof niet, dat ik je ooit zal kunnen uitleggen, hoe waanzinnig gelukkig ik daarmee ben."
"Wel, in dat geval zal ik de beloning zometeen met de meeste hoogachting accepteren."
"O, daar twijfel ik niet aan."
"Dat is mooi."
"Hm, wil je eigenlijk echt, dat ik zometeen eerst nog even mijn kleren aanhoud?"
"Ja, ik heb het liefst van wel."
"Maar je zult het niet erg vinden als na een kwartiertje de ritssluiting van mijn jurk plotseling losraakt en de jurk zelf dan langzaam van mijn schouders glijdt?"
"Nee, niet echt."
"En ook niet als de jurk na een poosje op mijn mooie kousevoetjes valt?"
"Nee, hoor!"
"En je vindt het ook niet erg als mijn beha daarna zomaar ineens losraakt en op de grond valt?"
"Ach, welnee, malle meid!"
"Maar dan vind je dus ook niet erg als mijn slipje uiteindelijk ook op mijn mooie kousevoetjes terecht komt!"
"Neuh, want het eenmaal zover is, zal ik dat slipje met het nodige ceremonieel van je mooie kousevoetjes verwijderen."
"En dan?"
"Dan zal ik al je rondzwervende kledingstukken netjes opvouwen en in de kledingkast leggen."
"Mooi zo! Want wat er daarna ook gaat gebeuren: de kamer moet natuurlijk wel netjes blijven."
"Precies."
"En zul je - als je al mijn kleren hebt opgeruimd en ik, op mijn kousen na, dus helemaal naakt ben - mijn mooie kousevoetjes weer met vele kussen gaan overdekken?"
"Dat zit er dik in!"
"Ah, dan is het goed!"
Ze stonden inmiddels voor hotel 'De Jong'. Een hoog, uit bakstenen opgetrokken gebouw aan een smal straatje in Havenbuurt II. Trudy keek met voldoening naar de ramen op de eerste verdieping. Van daaruit zouden ze een riant uitzicht over Marken en de Gouwzee hebben en tegelijkertijd zou van inkijk geen sprake zijn.
Het bleek echter te mooi om waar te zijn, want toen ze een poosje naar de ingang hadden gezocht, kregen ze van een voorbijgangster te horen, dat het gebouw nog wel als woonhuis, maar al sinds jaren niet meer als hotel dienst deed. Dennis nam dat feit filosofisch op, maar Trudy deed er wat minder luchtig over en diende hem een vinnige oorvijg en een toch wel tamelijk harde schop tegen zijn linkerscheenbeen toe...

BERT HARBERTS

Motto:

"God bestaat! En hij heeft veel gevoel voor humor!"

Bert Harberts


Terug


Amsterdam, 2 juni 1994. © Bert Harberts