OPONTHOUD

Het regende in Maastricht. Het was een druilerige regen, waaraan niet snel een einde zou komen. Bij sommige mensen kan een dergelijk weertype tot droefstemmende overpeinzingen leiden, maar van het echtpaar, dat vlak na het middaguur in het café aan het Vrijthof was neergestreken, scheen alleen de vijfendertigjarige Dennis last van een depressie te hebben. Zijn gekwelde gelaatsuitdrukking viel des te meer op, omdat zijn vrouw Trudy, een mollige, eveneens vijfendertigjarige blondine, in een stralend humeur leek te zijn. De reden daarvan was Dennis overigens wel duidelijk: zij was bijzonder in haar nopjes met een vijftal Polaroid-foto's, die hij de vorige avond in hun hotelkamer van haar had genomen. Zij had ze al een paar maal uit haar schoudertas gehaald en ze telkens weer met een bijna verliefde blik bekeken.
Ook nu liet ze de foto's langzaam door haar handen glijden. Alle foto's waren vanaf dezelfde positie genomen: op een meter afstand van het bed. Alle foto's toonden haar in een steeds verder gaande staat van ontkleding. Op de eerste trok zij zittend op de rand van het bed haar zwarte colbertjasje uit, op de tweede knoopte zij haar witte blouse los, op de derde ontdeed zij zich van haar zwarte rokje, op de vierde liet zij haar zwarte beha van haar schouders glijden en op de vijfde sloeg zij, nog slechts getooid in een wit slipje en zwarte nylonkousen, haar benen over elkaar. Haar uitstraling en gelaatsuitdrukking waren echter steeds hetzelfde gebleven; op elke foto toonde zij zowel haar erotisch raffinement als haar moederlijke toewijding tot de fotograaf.
Die fotograaf zelf had de foto's maar één keer bekeken; de aanblik daarvan had hem volkomen verpletterd. Juist omdat ze zo goed waren geslaagd, juist omdat ze Trudy's karakter zo haarscherp hadden weergegeven. En nu, een halve dag na de fotosessie, die beiden veel lol en afleiding had bezorgd, liep hij al een uur met zijn ziel onder zijn arm. Wat de reden daarvan was, wist hij zelf eigenlijk niet. Wel wist hij, dat de remedie daarvoor, een paar rustige uurtjes in de armen van Trudy, hem voorlopig zou worden onthouden. Ze zouden eerst nog een uurtje in Maastricht doorbrengen en pas in de loop van de middag naar hun woonplaats Amsterdam terugreizen. Over het algemeen was hij zeer op dat gelummel door de straten van een andere stad gesteld en zeker als het de straten van Maastricht betrof. Nu zag hij daar als een berg tegenop.
Bovendien bracht zijn aanwezigheid enige onderhuidse spanningen in het café teweeg. Hij werd al een poosje door twee serveersters begluurd. Het tweetal was een subtiel gevecht om zijn aandacht aangegaan, waarvan hij elke minuut een beetje nerveuzer werd. En alsof dat nog niet genoeg was, leek ook de forsgebouwde brunette, die aan het tafeltje naast hem zat, wel genegen om aan dit gezelschapsspelletje mee te doen. Dennis schatte de drie dames op om en nabij de twintig en vroeg zich daarom ook in alle gemoede af, wat er zo bijzonder aan hem was. Trudy leek zich niet van zijn verwarring bewust te zijn. Zij bleef zich voornamelijk met de foto's bezighouden en nipte van tijd tot tijd aan haar koffie.
Haar echtgenoot begon het echter steeds warmer te krijgen. Hij voelde het zweet over zijn rug lopen en keek met gebogen hoofd naar zijn lege kopje, niet wetend wat te doen, niet wetend wat te denken.
"Je hebt weer eens sjans, hè?", vroeg Trudy, met een kalme stem.
"Ja, ik vrees van wel. Vind je het erg vervelend?"
"Nee, hoor!", antwoordde zij, haar ogen naar hem op slaand, "Ik ben er eigenlijk wel trots op."
"Hè?"
"Het betekent namelijk, dat ik op die ene speciale dag, nu precies twintig jaar geleden, wel iets heel speciaals aan de haak heb geslagen."
"Ah, dat is lief van je!"
"Bovendien kan ik op deze foto's wel zien, waarom jij mij de laatste twintig jaar zo honds- en hondstrouw bent gebleven."
"Ah."
"Daar komt nog bij, dat zij helemaal jouw type niet is."
"Hoezo?", vroeg hij lachend.
"Zij is in alles een beetje te fors. En hoewel zij zeker vijftien jaar jonger is dan ik, heeft zij niets, wat ik wel heb."
"Wat heeft zij dan niet?"
"Zij heeft geen tengere schouders, geen kleine handen en ook geen kleine voeten."
"Ah, wat een opluchting!", zei hij, met gepaste ironie.
"En buiten dat voel ik mij echt helemaal zeker van je. Ik zou mij misschien alleen nog een beetje zorgen maken als we een jongere kloon van mijzelf zouden tegenkomen."
"Meen je dat? Ben je echt zeker van mij?"
"Ja, voor de volle honderd procent. En honderd procent betekent in dit geval dus: honderd procent. En niet negenennegentig, komma, negenennegentig."
"Ik ben blij dat te horen."
"Ah, dan is het goed."
Inmiddels had de vrouw aan het tafeltje naast hen gezelschap van een viertal, mannelijke collega's gekregen. Dennis bekeek het geanimeerd keuvelende groepje met de gemoedsstemming van een, ternauwernood aan de dood ontsnapte gladiator.
"Ik ben trouwens nog een plezierig nieuwtje voor je", zei zij.
"Wat dan?"
"Ik ben niet meer ongesteld."
"O, ja?"
"Ja, dus je kunt weer lekker aan de gang als we thuis zijn."
Hij keek haar misnoegd aan, maar bleek niet over een fijnzinnige repliek te kunnen beschikken.
"Vind je dat nou niet fijn?", vroeg zij.
"Ja, dat wel, maar ik ben de laatste dagen al helemaal niets tekort gekomen."
"Tja, dat kan ik op deze foto's ook wel zien."
"Nee, echt! Ik meen het! Ik begin de seks steeds minder belangrijk te vinden."
"O, jee!", riep zij lachend, "Je wordt oud, Dennis!"
"Nee, dat is niet waar. Het heeft helemaal niets met leeftijd te maken. Het is eigenlijk altijd al zo geweest. Dat ik je bij mij had en heb, dat was en is belangrijk. De seks was en is slechts een toetje. Het toefje slagroom op een toch al overheerlijke cake."
"Je hebt wel gelijk, hoor! Maar die voortdurende, erotische spanning tussen ons is voor mij ook heel belangrijk geweest. Daarom vind ik die foto's ook zo mooi."
"Echt?"
"Ja, er mankeert echt niets aan. Ze zijn alle vijf heel erg geslaagd. En eigenlijk nog wel meer dan dat."
"Welke vind je het mooist?"
"De eerste. De foto, waarop ik mijn jasje uittrek."
"Waarom?"
"Omdat door de beweging die ik daarbij maak, mijn benen een beetje van elkaar gaan. Dat maakt die foto tot iets bijzonders. Als je goed kijkt, kun je namelijk de kouseboorden zien. En ook iets van de witte stukjes bovendij, die daarachter zitten."
"Nee, echt?"
"Ja, echt! Kijk zelf maar!"
"Ja, je hebt gelijk!", zei hij, op een wat mismoedige toon.
"Deze foto is dus werkelijk geniaal. En hij is zo geniaal door die inkijk. Was die er niet geweest, dan was het een saaie foto geweest van een mollige, blonde vrouw, die haar jasje uittrekt. Maar als die inkijk te ver was gegaan, als je bijvoorbeeld mijn slipje had kunnen zien, was de foto smakeloos geweest."
"Je hebt gelijk", zei hij, met een wat rauwe stem.
Er viel een korte stilte. Zij keek hem onderzoekend aan en begon te lachen. Zij scheen wel te beseffen, wat er in hem omging.
"Je bent nog steeds een beetje uit je doen, hè?", vroeg zij.
"Ja."
"Waardoor dan?"
"Door die foto's. En al die mokkeltjes, die steeds voor mij in katzwijm dreigen te vallen."
"Waarom dan? Dat van die mokkeltjes hebben we toch allang geleden uitgepraat?"
"Dat is zo. Maar ze blijven mij bezighouden. En dat komt ook door die foto's."
"Waarom dan?"
"Omdat die foto's mij ervan doordringen, hoe gezegend ik ben. Hoezeer ons huwelijk een veilig huis voor mij is, dat mij alles geeft, wat mijn hartje begeert. En ik voel het daarom ook als een loden last, dat die mokkeltjes mij met alle geweld uit dat huis lijken te willen sleuren. In dat opzicht ben ik wel met een beetje met een transseksueel te vergelijken."
"Hè?"
"Ik ben een kalm, monogaam, op zijn rust gesteld burgermannetje, dat nu pas echt beseft, dat hij lang geleden in het lijf van een sekssymbool is verzeild geraakt."
"Ja, dat is eigenlijk wel zo", zei zij lachend.
"Eigenlijk zouden we met z'n tweeën in een soort klooster moeten treden", zei hij, met grote stelligheid.
"Wat bedoel je daar nu weer mee?"
"Daar bedoel ik een kloosterorde mee, die voor twee personen van verschillende kunne is gesticht, een kloosterorde, waarin het celibaat is opgeheven en waarin het gezamenlijke bidden is vervangen door het gezamenlijke vrijen. Als we in zo'n mini-kloosterorde zouden zijn opgenomen, zouden we meteen van alle ellende verlost zijn."
"Ja, je hebt gelijk. Dat zou ideaal voor ons zijn. Al moet ik wel zeggen, dat ik die hotelkamers, die we nu al zo lang, zo frequent bezoeken, toch al iets van een kloostercel vindt hebben."
"Dat klinkt nogal blasfemisch, vind je niet?", zei hij, op luchtige toon, "Het gaat er in die hotelkamers over het algemeen weinig religieus aan toe."
"Juist wel. Dan geniet ik juist des te meer van je. Het is juist in die doorgaans weinig sfeervolle omgeving, dat je mij het liefst bent. Ik vond het best wel leuk om gisteravond een poosje op een terrasje aan dat o zo gezellige Vrijthof te zitten, maar ook alleen, omdat ik wist, dat we binnen een uur weer in de hotelkamer terug zouden zijn en dat ik na die o zo opwindende striptease weer lekker tegen je aan zou kunnen kruipen."
"Ja, je hebt gelijk! Ik voel het ook zo."
Zij stopte de foto's terug in het zakje, borg het zakje in haar schoudertas op en wierp daarna een peilende blik op haar echtgenoot.
"Zullen we maar gaan?", vroeg zij.
"Dat lijkt mij prima!", antwoordde hij, zonder zijn opluchting te verbergen, "Wil jij dan even betalen?"
"Ja, hoor!"
Terwijl ze samen naar de bar liepen, dacht hij aan de hotels, waar ze met een zekere regelmaat logeerden. Het waren er vier: hotel 'Brinkhorst' in Heemskerk, Trudy's geboorteplaats, hotel 'Europa' in Nijmegen, hotel 'Parkzicht' aan de Molenstraat in Den Haag en tenslotte hotel 'Beaumont' in Maastricht, het hotel, waar ze ook de vorige nacht hadden verbleven. De vier hotels bevonden zich alle vier in het centrum van de genoemde steden. De eerste twee waren modern van sfeer en vormgeving, de laatste twee waren oude, maar sjieke hotels, die ze uit zuinigheidsoverwegingen niet al te vaak bezochten. Voor geen van de hotels hadden ze een speciale voorkeur. Dat gold ook voor de steden, waarin ze waren gevestigd. Ze genoten met dezelfde kalmte van het natuurschoon rond Heemskerk en Nijmegen als van het stedenschoon van Maastricht.
Trudy had inmiddels afgerekend. Ze verlieten het café en begonnen hand in hand aan de wandeling naar het station.
"O, jee!", zei zij, toen ze over het Sint Amorsplein liepen, "Ik kan mij dit malle pleintje nog heel goed herinneren."
"Ik ook! Het was op die eerste avond van onze tweede, gezamenlijke vakantietripje naar het buitenland, toen we hier voor het eerst liepen."
"Ja, en dat is al meer dan achttien jaar geleden."
"Jezus! En dan te bedenken, dat we toen nog niet eens achttien waren!"
"Ja, dat is zo! O, lieverd! Kun je het je nog herinneren, hoe we die avond zo wanhopig hebben lopen zoeken naar een plekje, waar we ongestoord konden vrijen?"
"O, ja! En dat alleen maar omdat we in de jeugdherberg apart moesten slapen."
"Precies!"
"Ach, jee! Je hebt gelijk. Ach, wat een heerlijke tijd was het toen toch! Het was de tijd, waarin jij nog van die snoezige, wijde, witte mini-jurkjes droeg."
"Ja. Dat maakte het vrijen in dat park ook een stuk makkelijker. Jammer dat het nu zo regent, anders hadden we het nog een keertje kunnen overdoen."
"Ach, je kunt niet alles hebben", zei hij monter.
"Het was trouwens ook de tijd, waarin jij ineens zo weg van The Eagles was."
"En terecht! En dat ben ik natuurlijk nog steeds! Vooral 'Take it easy' heeft eeuwigheidswaarde voor mij." Trudy schoot in de lach en bleek de beginzinnen van 'Take it easy' moeiteloos uit haar geheugen op te kunnen diepen:
"I'm runnin' down the road, tryin' to losin' my load. Got seven women on my mind. Four, that wanna own me, two, that wanna stone me, one say's, she's a friend of mine."
"Ja, ho maar!", zei hij lachend, "Ik weet precies hoe het verder gaat!"
"Voor zover het de titel betreft, heb je hun voorbeeld dus wel nagevolgd."
"Nou, prima toch! Ik had de afgelopen twintig jaar echt niet op een andere manier willen doorbrengen."
"Ik ook niet."
"Het leven is het leukst als het rustig voortkabbelt. Dat is leven volgens het ideaal van Tsjechow. Het leven als permanente lediggang."
"Hij had groot gelijk."
Ze meenden het; ze waren inderdaad volmaakt tevreden met het leven van nu en zouden zelfs die vakantie van achttien jaar geleden niet over willen doen. Toen waren ze scholieren geweest, die tijdens hun vakanties de nachten mweestal in een jeugdherberg moesten doorbrengen. Nu hadden ze beiden een ruim inkomen en konden ze zich een zekere luxe en de mooiste hotelkamers veroorloven.
De dagen na hun toenmalige verblijf in Maastricht waren overigens bijzonder genoeglijk geweest. Ze waren na hun vertrek uit Maastricht doorgereisd naar Höfen, een rustiek boerendorpje ten zuiden van Monschau, waar ze in het jaar daarvoor ook al hadden verbleven. De herinneringen aan die twee vakanties in dat landelijke Höfen waren voor hem nooit vervaagd. Het ontbijt in hun pension, met de sterke koffie en de harde broodjes als speciale attracties, de uitstapjes per bus naar Altenahr, Cochum en Trier, de etentjes in het restaurant aan de rand van het dorp en de soms tamelijk wilde nachten in hun kamer, dat alles stond hem nog haarscherp voor de geest.
Het heden mocht er overigens ook wel zijn. Trudy had gezien, dat het pleintje voor even helemaal was uitgestorven en maakte daar onmiddellijk misbruik van: door de zoom van haar rokje omhoog te trekken en haar hold-upkousen één voor één weer strak te trekken. Dennis zag het aan, maar zei niets. Vroeger had ze hem met dergelijke gebaartjes helemaal wild gemaakt, nu ging er van de aanblik van haar stevige dijen iets rustgevends uit. De tijd had ook nog geen grip op die dijen had gehad. De huid was nog altijd heel gaaf en regelmatig en had nog altijd een mooie, lelieblanke kleur.
"Waarom heb ik op dit soort momenten altijd het gevoel, dat we ons in een openluchttheater bevinden?", vroeg hij.
"Wees liever blij, dat er niemand naar ons kijkt!", antwoordde zij lachend, "En dat ik deze voorstelling alleen maar voor jou opvoer!"
"Oh, daar voel ik mij ook heel gevleid door."
"Ah, prima! Je moet dit ook maar als een beloning zien voor je lieve gedrag in dat café."
"Ah."
"Kun je het goed zien, zo?"
"Ja, hoor! Ik geniet er met volle teugen van en het smaakt ook naar meer."
"Betekent dat, dat je zo snel mogelijk naar huis wilt gaan?"
"Ja, je hebt het pleit beslecht. Ik wil nu onmiddellijk naar huis. Of nee... Dat is eigenlijk niet helemaal waar. Ik wil eigenlijk iets heel anders! Iets wat misschien nog leuker is."
"Wat dan?", vroeg zij, terwijl zij glimlachend naar hem opkeek, "Wil je naar het hotel terug?"
"Nee, dat niet!", antwoordde hij, wat paniekerig.
"Hè, wat jammer! Ik heb anders heel veel zin in een potje seks."
"Je bent een onverzadigbare stoeipoes!"
"Ah, dank je! En dat ben ik natuurlijk ook!"
"Ja, dat merk ik, maar ik wil dus niet naar het hotel terug."
"Maar wat wil je dan wel?"
"Ik zou dolgraag naar Höfen willen doorreizen."
"Meen je dat?"
"Ja, lijkt je dat niet leuk?"
"Hm, het heeft wel iets aanlokkelijks, maar eigenlijk..."
"Eigenlijk wat?"
"Wil ik toch liever naar huis terug", zei zij, met een verstrooid gebaar haar rokje terugduwend.
"Waarom?"
"Eigenlijk alleen maar om die oude kat van ons. Zij is weer zo lief, de laatste tijd, en ik wil haar eigenlijk niet meer zo lang alleen laten. Dit is misschien het laatste jaar, dat zij nog leeft."
"Hm, dus je wilt voor vanavond geen kamer bij Frau Radern huren?", vroeg hij, doelend op hun voormalige hospita.
"Nee, vandaag liever niet."
"En geen overheerlijk Russisch Ei in het restaurant eten?"
"Nee, dat zeker niet!", riep zij lachend.
"En geen wilde avond in het bos bij de Belgische grens beleven?"
"Nee, liefje. Binnenkort, als dat stomme beest dood is, gaan we al je snode plannetjes één voor één uitvoeren, maar nu..."
"Wil je als de wiedeweerga naar het station."
"Ja, precies!"
"Goed, kindje! Laten we dan maar snel verder lopen."
Na hun aankomst in het station liep Trudy nog even de Bruna-winkel binnen en sloot Dennis zich aan in de rij voor een broodjeskiosk. Tijdens het wachten had hij opnieuw sjans, nu met een voorbijgangster. Zijn vierde slachtoffer van die middag was een kittig, zwartharig meisje van een jaar of twintig, die hem met de combinatie van haar stralende blik, haar guitige glimlach en haar al even guitige knipoog voor even danig in verwarring wist te brengen.
Een paar minuten later voegde Trudy zich weer bij haar man en daarna namen ze, met de door Dennis aangeschafte koffie en broodjes, in een eerste-klassecompartiment plaats. Het consumeren van die broodjes en die koffie was een onderdeel van de treinreis, dat in hun ogen volstrekt onmisbaar was. Voor het vertrek werden de vier broodjes kaas en de twee bekers koffie altijd op een wat plechtige manier op het tafeltje voor het raam gedeponeerd en na het vertrek gaf het nuttigen van de lekkernijen hen telkens weer een intens gevoel van tevredenheid. Zowel de een als de ander beschouwde de treinreis als een soort kerkdienst, een plechtigheid, waarvan in stilte moest worden genoten. Dat genot was het sterkst in de winter, als ze vanuit hun warme coupé op een wit, bevroren landschap konden uitzien. De aanblik van zo'n winterlandschap deed hun gevoelens van welbehagen dan tot euforische hoogten stijgen.
Ze reisden ook altijd eerste klasse, liefst in een coupé voor henzelf alleen en ze hadden door de jaren heen een zekere behendigheid verkregen in het meedogenloos wegkijken van mogelijke medepassagiers. Meestal lukte dat, een enkele keer niet. In het laatste geval werden ze soms met verschillende vormen van normvervagend gedrag geconfronteerd. Soms waren het oudere dames, die luid smakkend op zuurtjes zaten te sabbelen, soms waren het jongetjes, die hun moeders voortdurend volstrekt irrelevante informatie zaten toe te blèren, een enkele keer was het een viertal, Amerikaanse meisjes geweest, dat uit een misplaatst gevoel van saamhorigheid in community-singing meende te moeten uitbarsten. Over de gemoedsstemming van Dennis en Trudy bij het laatste voorval hoefde men zich geen illusies te maken: na de derde, niet-herziene versie van 'My body is over the ocean', compleet met ritmisch handgeklap, hadden ze de coupé met braakneigingen moeten verlaten.
Ook vandaag zou er van een rustige treinreis geen sprake zijn, al was de reden ditmaal lieftallig van aard. Nu was het een blond, ongeveer zestienjarig meisje, dat Dennis vanuit een aangrenzend compartiment zat te observeren. Na het vertrek van de trein kruisten hun ogen elkaar een paar keer en bij elk oogcontact begon Dennis meer in paniek te raken. De oorzaak daarvan was het uiterlijk van het meisje. Zij leek sprekend op de Trudy van twintig jaar geleden, sterker nog: het kind had zonder meer haar dochter kunnen zijn. Uiteindelijk hield hij het niet meer uit. Hij wachtte tot het meisje even niet naar hem keek en boog zich toen naar Trudy over.
"Ik ga nu even naar het toilet", zei hij, "Wil jij tijdens mijn afwezigheid op mijn plaats gaan zitten?"
"Waarom?", vroeg zij verbaasd.
"Doe het nu maar."
"Maar ik vind het helemaal niet erg om achteruit te rijden?"
"Doe het nu maar. Je zult mij er echt een heel groot plezier mee doen."
"Hm, dat is goed. Maar er moet wel iets tegenover staan?"
"Wat dan?"
"Ik wil er in Roermond uitgaan en daar voor de middag een hotelkamer huren."
Dennis zag, dat het meisje naar hem glimlachte en gaf om die reden onmiddellijk aan haar voorwaarden toe:
"Dat is goed. Ik heb er eigenlijk ook wel veel zin in."
"Prima! Ga dan maar gauw."
Hij stond op en vluchtte het compartiment uit. Bij nader inzien ging hij toch maar niet naar het toilet. Hij had serieuze ademhalingsproblemen en om die reden leek het het hem beter om maar even op het balkon te blijven ronddrentelen. Hij ging daarmee door, tot de trein het station Beek-Elsloo had bereikt. Daarna was hij wel een beetje gekalmeerd en kon hij zich weer bij Trudy voegen.
Na zijn terugkeer in de coupé zag hij, dat Trudy op zijn stoel was gaan zitten. Zij leek de reden van die plaatsverwisseling wel te hebben begrepen; haar gezicht was nogal verhit en zij keek met half geloken oogleden uit het raam. Hij ging op zijn nieuwe plek zitten, zonder te weten, of hij iets moest zeggen, of moest zwijgen. Hij zag, dat haar handen in haar schoot rustten, dat zij de twee bovenste knoopjes van haar blouse had losgeknoopt en dat zij haar schoenen had uitgetrokken. Hij kon niet uit haar houding opmaken, wat er door haar heenging. Was zij nu blij? Of was zij dat niet? Pas toen zij hem aankeek en vervolgens met een zachte stem het woord tot hem richtte, kreeg hij de antwoorden op die vragen:
"Kun jij je indenken, wat het voor een vrouw betekent om volkomen zeker te zijn van een man, die door praktisch elke vrouw lijkt te worden begeerd?"
"Een beetje", antwoordde hij, met gepaste bescheidenheid.
"Nou, ik voel mij er dus vreselijk gelukkig door. En wel zo gelukkig, dat ik niet eens meer jaloers kan zijn."
"Ah, dan is het goed."
De trein vertrok, stopte al snel in station Geleen-Oost en reed daarna verder naar Sittard. Tussen het echtpaar was een stilte gevallen. Ze nipten met kleine teugen van hun koffie en lieten het weinig opwindende landschap tussen Geleen en Sittard kalm aan zich voorbijtrekken. Het duurde gelukkig niet lang, voordat de trein Sittard binnenreed en na hun aankomst in het station van Sittard keek Trudy met meer dan normale belangstelling naar de bewegingen in het aangrenzende compartiment.
"Zij gaat eruit", zei zij, met een kalme stem.
"Godzijdank!"
"Zullen we ook uitstappen?"
"Waarom?"
"Dan kunnen we de Intercity naar Roermond nemen. Als ik het mij goed herinner, staat die trouwens altijd aan hetzelfde perron."
"Hm, kijk eerst maar eens, of zij hem ook neemt."
"Goed, liefje."
De trein kwam tot stilstand. Trudy stond meteen op en liep op haar kousevoeten naar de andere kant van het compartiment.
"O, jee!", zei zij giechelend, "Zij neemt hem ook! En zij kijkt ook naar mij! O, wat eng!"
Zij zat binnen een paar seconden weer op haar plaats, waar zij meteen tot de ontdekking kwam, dat haar echtgenoot nog steeds danig uit zijn doen was.
"Wat is er, liefje?", vroeg zij.
"Ik voel mij beroerd."
"In geestelijk of in lichamelijk opzicht?"
"In geestelijk opzicht. Ik ben doodsbang en zou het liefst onder je rokken willen wegkruipen."
"Rokken? Ik heb er maar één, hoor! En die is nog tamelijk kort ook."
"Tja, die voldoet dan ook niet."
Zij plaatste haar linkervoet op de voetensteun onder het raam en krabde bedachtzaam aan haar knie.
"Zullen we uitstappen en maar meteen een hotelletje in Sittard gaan uitzoeken?", vroeg zij.
"Nee, ik wil nog even blijven zitten. Als ik nu opsta, sla ik gegarandeerd tegen de grond."
"Meen je dat?"
"Ja, ik weet mij echt geen raad met mijzelf."
"Zullen we dan in een van de volgende dorpjes uitstappen?"
"Waarom?"
"Nou, het is misschien leuk voor je om even in zo'n oergezellig dorpshotelletje te verblijven. Het zou best wel eens kunnen, dat je daarmee weer dat rustgevende Höfen-gevoel terugkrijgt."
"Nee, daarvoor wil ik juist wel graag naar Roermond."
"Waarom?"
"Omdat dat het aan de monding van de Roer ligt."
"Tja, dat is nogal wiedes, hè?", zei zij lachend.
"En tevens omdat de Roer in de buurt van Höfen ontspringt."
"Is dat echt zo?"
"Ja, dat is echt zo."
"Ah, en om die reden lijkt het je het dus wel leuk om in Roermond uit te stappen?"
"Ja."
"En in Roermond wil je 'onder mijn rokken wegkruipen'?"
"Ja, als het van je mag!"
"Het mag van mij. Ik geef je hierbij mijn toestemming om zometeen 'onder mijn rok weg te kruipen' en wens hierbij ook de hoop uit te spreken, dat je het daar zeer naar je zin zult hebben."
"O, daar twijfel ik niet aan!", zei hij lachend, "Ik zal mij daar zeer amuseren."
"Ik geloof het graag!"
De Intercity naar Roermond was inmiddels vertrokken. Het wachten was nu op het vertrek van hun eigen trein. Ze waren nog steeds alleen, maar het andere compartiment was weer met scholieren volgestroomd. Hun geblèr stoorde Dennis overigens niet; er ging zelfs iets kalmerends van uit.
"Hij was trouwens wel degelijk verliefd op je", zei Trudy opeens.
"Hè?"
"Hij was wel degelijk verliefd op je?", herhaalde zij monter.
"Over wie heb je het in godsnaam?"
"Over die knappe jongen in dat restaurant in Höfen."
"Welke knappe jongen?", vroeg hij verbijsterd.
"Die zoon van de eigenaar."
"Welke zoo... O, die! Nee, meen je dat?"
"Ja."
"Maar waar maakte je dat uit op?"
"Uit de weemoedige manier, waarop hij naar je keek als hij je Russisch Ei opdiende. En ik had al gauw door, dat ik maar weinig goeds bij hem kon doen. En tja... als je daar even goed over nadenkt, zul je dus wel begrijpen, waarom ik niet zo sta te springen om naar Höfen terug te keren."
"Ik eh... ik wil ook niet meer!", brabbelde hij, onderwijl weer wat glazig voor zich uit starend.
"Je wilt toch liever met mammie naar Roermond?"
"Ja, maar ik begrijp nog steeds niet, waarom..."
"Die jongen verliefd op je was?"
"Ja."
"Tja, zulke dingen gebeuren, hè? Heb je in de jaren daarvoor eigenlijk nooit wat gemerkt?"
"Nee. Of eigenlijk wel. Ik merkte wel, dat hij af en toe naar mij keek als ik aan het eten was."
"Aha, en dat vond je zeker wel leuk?"
"Ja", antwoordde hij aarzelend, "Verdomd, daar was ik inderdaad heel erg door gevleid. En vind je dat gek? Op school was ik de outcast, het schlemieltje, de jongen, die door iedereen werd getreiterd en daar in Höfen, in dat verrukkelijke, rustieke Höfen was alles heel anders. Heel..."
"Ik snap het, liefje."
"Ik wil er nooit meer heen!", zei hij resoluut. "Laat Höfen maar blijven, zoals het in mijn herinnering is. Een lief plaatsje..."
"Met hele lieve bewoners!"
"Ah, toe, pest mij nou niet zo!", riep hij, met gepaste wanhoop.
"Goed, liefje, ik zal het niet meer doen", zei zij sussend, "En we hoeven ook helemaal niet naar Höfen. We hebben al genoeg plekjes op deze aardbol, waar het voor ons goed toeven is."
"Ja, gelukkig wel!"
"Gaat het nu weer een beetje?"
"Ja."
"Ben je ook blij, dat het meisje is uitgestapt?"
"Ja, natuurlijk!"
"Zij leek mij anders best wel leuk."
"Ja, maar alleen om te adopteren."
"Ah, dat is lief van je! Je moet al die belangstelling maar als iets vleiends zien. Als een blijk van het feit, dat je een hele bijzondere man bent."
"Dat heb je daarnet ook al gezegd."
"Nee, echt! Ik ben nu heel serieus. Je doet mij heel erg denken aan die man uit het dagboek van Etty Hillesum."
"Julius Spier?"
"Ja, je lijkt echt op hem, maar met dit verschil dat jij jonger, knapper en tegenover vrouwen oneindig veel liever bent."
"Meen je dat?"
"Ja, jij kunt je namelijk wel beheersen. Jij bent wel in staat om gewetensvol met je sexappeal om te gaan. En dat is, behalve heel erg knap, ook heel erg lief van je."
"Ah, dank je."
"Ben je eigenlijk niet bang, dat je later spijt van al die gemiste kansen zult hebben?"
"Nee", antwoordde hij kalm.
"Weet je dat heel zeker?"
"Ja."
"Zou je niet net als Danny twee vaste vriendinnen willen hebben?", vroeg zij, doelend op een neef van Dennis.
"Nee, ik heb met jou al genoeg te stellen. Bovendien is er natuurlijk ook een heel groot verschil tussen Danny en mij. Danny is een echte vrouwengek. Een rasechte, zij het wat lodderige Don Juan. Maar ik ben heel anders. Ik neem alleen genoegen met het beste. En in mijn geval ben jij dat."
"Ben ik echt de beste?"
"Ja."
"En de liefste?"
"Ja."
"En de knapste?"
"Ja."
"En de geilste?"
"Ja."
"Ah, je bent braaf!"
Hun trein vertrok daarna ook en Trudy nam hun spoorboekje ter hand. Ze waren nu op weg naar Susteren en daarmee nog een kwartier van Roermond verwijderd. Buiten was het gestopt met regenen. Ook de gelaatsuitdrukking van Dennis was ineens weer helemaal opgeklaard. Het gezicht van de, regelmatig aan angstaanvallen onderhevige piekeraar had weer voor dat van de vrolijke levensgenieter plaatsgemaakt. Hij zat nu ook weer vol bewondering naar haar benen te staren; een voorrecht, dat zij hem genadiglijk en met een voldane glimlach toestond.
"Zeg, Dennis?", vroeg zij, met een teemstemmetje.
"Ja, schat?"
"Wil je nog steeds 'onder mijn rokken wegkruipen'?"
"Ja. Heel graag. En het liefst nu al!"
"Hm, als je er zo over denkt, wil ik vandaag niet meer naar Amsterdam doorreizen."
"Ik ook niet."
"Maar als we in Roermond blijven overnachten, betekent dat wel, dat de kat vandaag zonder eten blijft zitten."
"Misschien moeten we maar proberen, of we je moeder kunnen bereiken."
"Ach ja, natuurlijk!"
"En als dat niet lukt, keren we vanavond toch maar naar Amsterdam terug."
"Met wat voor smoes voor de receptioniste?"
"Met de smoes, dat mijn zuster een hersenbloeding heeft gehad."
"Dat is geen smoes: dat is een infame leugen! Je hebt helemaal geen zuster. En als je er wel een had, zou zij zeker geen hersens hebben."
Hij schoot in de lach en deed een greep naar haar linkerbeen, dat hij met een mengeling van eerbied en verlangen begon te strelen.
"Ga je lekker?", vroeg zij plagend.
"Ja, nou! Wat is er nou mooier dan twee, mooie vrouwenbenen, die in het ragfijne weefsel van een nylonkous zijn gehuld? Ik kan mij echt niets poëtischers voorstellen."
"Vind je?"
"Ja, ik hou van de ribbelige structuur, ik hou van de plekjes, waar ze strak om je benen zitten, maar ook van de plekjes, waar ze losser om je benen hangen, zoals bij je knieën, of je enkels. Ik ben weg van je mooie voetjes, ik ben weg van je lief gevormde kuiten, ik ben weg van je bloedmooie dijen, ik ben weg van dat mooie moedervlekje aan de binnenkant van je linkerbovendij, dat net onder je kouseboord vandaan komt... "
"Ja, hou maar op, kletsmajoor! Nou weet ik het wel."
Hij genoot met volle teugen van dat gepruts aan haar been en hij wist tot driemaal toe de kous tot halverwege haar dij los te trekken; een wapenfeit, dat hij telkens weer met een juichkreet begroette.
"Dit is allemaal wel leuk en aardig", zei zij lachend, "Maar als je zo doorgaat, zal het elastiek van mijn kouseboord zometeen dusdanig zijn uitgerekt, dat ik in Roermond na elke tien stappen de kous zal moeten ophalen."
"Dat kan mij lekker niet schelen. En als het echt moet, dan wacht je daar maar mee tot we in het hotel zijn."
"Ik begin die afzakkende kousen toch wel een beetje zat te worden!", zei zij, terwijl zij met een peinzend gezicht een rode kouseband uit haar tasje haalde, "Ik denk, dat ik binnenkort toch maar weer eens jarretelles zal gaan dragen."
"O, wat leuk!", zei hij, met een wat iel stemmetje, "Mag ik dan de kleur uitkiezen?"
"Nee, dat mag je niet, viezerik! Maar je mag er wel naar kijken als ik ze eenmaal aan heb."
"Kun je daar eigenlijk wel mee omgaan?", vroeg hij lachend.
"Ja, hoor!", antwoordde zij, onderwijl de kouseband rond haar linkerdijbeen draperend, "Ik droeg die dingen al, toen ik negen was."
"Jezus!", riep hij, oprecht geschokt, "Meen je dat?"
"Ja, en ze stonden mij echt heel schattig!", zei zij liefjes.
"Ik geloof het graag."
"Ja, ik meen het echt. Enne... Je hoeft niet zo vies te kijken, want het was trouwens een wens van mama, dat ik ze ging dragen."
"Ach, dat meen je niet!"
"Dat meen ik wel. Zij heeft het altijd heel leuk gevonden om mij een beetje sexy uit te dossen. Zij heeft mij eigenlijk altijd als een levend en wat ondeugend ogend Barbiepopje behandeld. Dit tot woede van mijn vader, die daar dus helemaal niet tegen kon."
"Je vader was een verstandig man!"
"Daar, mijn lief, zijn de meningen enigszins over verdeeld."
"Is dat echt zo?", vroeg hij, met een wat ironische glimlach.
"Dat dacht ik wel, ja! Als hij tijdens zijn leven een vooruitziende blik had gehad en ons had kunnen zien, zoals we nu tegenover elkaar zitten, dan had hij je opgezocht en je vervolgens op een afgrijslijke manier vermoord."
Daar had hij geen antwoord meer op en hij moest lijdzaam toezien, hoe haar rechterbeen daarna langzaam opzij viel. Hij was er zich terdege van bewust, dat zij hem daarmee meer van haar benen onthulde dan in deze omstandigheden welvoeglijk was, maar dat wond hem alleen maar meer op. Na de komst van de conducteur ging zij wel even rechtop zitten. Maar na diens vertrek werd de linkervoet opnieuw op de voetensteun geplaatst en viel het rechterbeen opnieuw langzaam opzij. De nonchalance, waarmee zij ook nog eens met een wat verveeld gezicht in een zojuist aangeschaft boek van Connie Palmen begon te lezen, verhoogde het effect op Dennis in hevige mate. Onder al dat erotisch geweld kon hij zich maar net staande houden. Hij staakte zijn liefkozingen en toonde ineens erg veel interesse in het mooie, licht glooiende landschap van Midden-Limburg.
Dat bestuderen van dat mooie landschap duurde overigens niet zo heel lang, want toen ze uit station Echt waren vertrokken en Roermond begonnen te naderen, werd hij toch weer op een voor de hand liggende manier afgeleid. Trudy borg het boek weg, legde haar voetjes op zijn schoot en hervatte het beleg op zijn wankelende vesting.
"Hoe is het nou met je?", vroeg zij, met een wat meewarig glimlachje.
"Goed!"
"Volgens mij niet."
"O, nee?"
"Nee, als ik zo je naar je gezicht kijk, heb ik het idee, dat je op ontploffen staat."
"Dat is helaas maar al te waar. Wat ik nu heb, heb ik nog maar één keer eerder gehad."
"Wat heb je dan?"
"De nauwelijks te onderdrukken neiging om je de wc in te sleuren en je daar dan helemaal suf te neuken."
"Wanneer heb je die neiging dan eerder gehad?"
"Op die ene dag, dat ik je echt een geweldige beurt heb gegeven."
"Oh, je bedoelt onze trouwdag!", kraaide zij uit.
"Ja, precies!", zei hij humeurig.
"Dat klinkt mij nou echt als muziek in de oren!"
"Meen je dat?"
"Ja, nou en of ik dat meen. En om je dat te bewijzen, wil ik je nu graag in de gelegenheid stellen om ter voorbereiding van de komende schermutselingen de eerste stap te zetten."
"Wat moet ik dan doen?"
"Mij helpen bij het aantrekken van mijn schoenen."
"Oh, mag ik dat echt?", vroeg hij grinnikend.
"Het mag niet: het moet!"
Hij deed het ook nog, met komisch gemimeerde bewondering voor de schoonheid van haar voeten. De trein minderde onderwijl vaart, passeerde de brug over de Roer en stopte tenslotte in station Roermond.
Ze verlieten de trein en liepen met een kalme tred het station uit. Het vinden van een geschikt hotel verliep zonder problemen. Ze hoefden er zelfs geen enkele moeite voor te doen: aan de overkant van het Stationsplein stond hotel 'Roermond', een witgepleisterd gebouw met een statige, classicistische voorgevel. Ze staken het Stationsplein over, betraden het hotel en namen een kamer voor een nacht. Dennis liet het inschrijven aan Trudy over. Hij zag, hoe haar hand trilde tijdens het neerschrijven van hun namen en moest daar toch even om lachen.
Hun kamer, een ruim, smaakvol gemeubileerd vertrek, bevond zich op de tweede verdieping. Na het betreden van die kamer deed Dennis de deur achter zich dicht en ging Trudy op een bijzonder suggestieve manier op de rand van het bed zitten. Hij zag het met lede ogen aan. Zij had in het afgelopen uur al haar verleidingstrucjes op hem uitgeprobeerd en hij wist, dat hij de strijd nu toch echt zou gaan verliezen. In een laatste poging zichzelf onder controle te houden, liep hij met een wat sluipende tred naar het venster toe.
Trudy verspilde onderwijl geen tijd. Zij trok haar colbert uit, knoopte haar bloesje los en deed een greep naar de telefoon. Dat laatste merkte hij pas, toen zij haar moeder daadwerkelijk aan de lijn kreeg.
"Dag, mam!", riep zij uitgelaten, "Wat heerlijk, dat u thuis bent!"
Dennis keek even lachend naar haar om en dacht daarna met genoegen aan de gebeurtenissen van het afgelopen uur terug. Het gesprek in het café, de wandeling door Maastricht, de verleidingsscène op het pleintje, het mooie gezichtje van het meisje in de trein en tenslotte die exquise martelingen tijdens het vervolg van de reis, het was echt een werkelijk onvergetelijke middag geworden.
Terwijl hij tolde op zijn benen, hoorde hij, hoe de ritssluiting van haar rok werd losgetrokken en hoe haar kousen een paar maal langs elkaar heen gleden. Dat laatste, o zo bekende geluid gaf hem de genadeklap. Hij keerde zich om en zag, hoe zij zich grijnzend op het bed neervlijde, hoe zij zich met enige acrobatische toeren van haar beha ontdeed en hoe zij met opgetrokken benen op het midden van het bed ging liggen. Het grootste gedeelte van het telefoongesprek ontging hem; hij ving alleen een paar flarden op, zoals:
"Ja, hij gaat mij zometeen weer even flink verwennen. En u begrijpt, dat ik daar natuurlijk de stoutste verwachtingen van heb."
Na die woorden hoorde hij helemaal niets meer. Tot de hoorn op de haak werd gelegd en hij als verdoofd naar haar toe kon wankelen.
"Zij doet het!", zei zij, met een lief stemmetje, "En je moet ook nog de hartelijke groeten van haar hebben."
Het was het laatste, wat zij nog uit kon brengen. Hij had zich als een wolf op haar neergestort en haar op een wel zeer ruwe manier in zijn armen genomen. Wat daarna volgde, zou haar verwachtingen nog ruimschoots gaan overtreffen.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 23 januari 1994. © Bert Harberts