DE VERLOSSER

Ook op deze zondagochtend werd Trudy door een vertrouwd geluid gewekt: door het geruis van autobanden over de nabijgelegen autoweg. In haar geboortehuis in Heemskerk waren de nachten en de ochtenden altijd doodstil geweest, maar hier, op deze bovenwoning aan de Noordamsterdamse Heggerankweg, was van stilte dus geen sprake. Zij stond op en liep via de openstaande deur de veranda op. Het uitzicht op de schooltuintjes en de weg daarachter gaf haar een aangenaam vakantiegevoel. Zij verlangde in niets meer naar haar geboortehuis, waar zij tot haar veertiende jaar toch een heerlijke jeugd had gehad.
De reden van het vertrek van Trudy en haar moeder uit Heemskerk was overigens Trudy's wankele gemoedstoestand geweest. De zelfmoord van haar vader, in februari 1970, had haar bijzonder aangegrepen en had een lange periode van depressies ingeleid. Die depressieswaren, voor zover het haar schoolprestaties betrof, niet zonder gevolgen gebleven. Normaal gesproken had zij in deze zomer aan het vierde schooljaar van de HAVO kunnen beginnen, maar omdat zij door haar psychische problemen vanaf het begin van het vorige schooljaar had moeten verzuimen, zou zij in het komende schooljaar opnieuw in de derde klas terechtkomen.
Haar moeder, de veertigjarige Conny, ging nogal luchtig met Trudy's schoolproblemen om. Het was voor Trudy namelijk helemaal niet noodzakelijk om de HAVO af te maken. De miljoenenerfenis van haar recent overleden grootvader, die Trudy na de dood van haar grootmoeder zou toevallen, zou er voor zorg dragen, dat het haar gedurende de rest van haar leven aan niets zou ontbreken. De maandelijkse toelage, afkomstig uit de renterevenuen van haar toekomstig kapitaal en hoog genoeg om ruim van rond te kunnen komen, hadden ze door Conny's verpleegsterssalaris niet eens nodig.
Conny en Trudy stonden verder vrijwel alleen op de wereld. Hun enige afleiding bestond ook uit de wekelijks terugkerende dinertjes bij die in Castricum woonachtige grootmoeder. De drie vrouwen, waarvan de oudste het afgelopen jaar eigenlijk nog het zwaarst was getroffen, zochten en vonden ook telkens weer troost bij elkaar. Ze trokken zich voortdurend aan elkaar op. Ieder van hen leefde met hart en ziel naar die vrijdagavond toe.
Toch zou dat ene wekelijkse uitje niet genoeg voor Trudy moeten zijn. Zij was nu bijna zestien en begon tot een heel mooi meisje uit te groeien. Tot voor een paar weken had zij nooit enige interesse in jongens getoond. In Heemskerk was zij al snel bijzonder populair bij de jongens op haar school geweest, maar geen van hen had ook maar de geringste kans bij haar gemaakt. Zij had nooit de behoefte aan een los vriendje gehad. Zo jong als zij was, wachtte zij nu al op die ene grote liefde. Die ene jongen, die in staat zou zijn het om door haar vader aangedane leed teniet te doen. Een kandidaat had zij inmiddels al: een lange, blonde jongen, die zij in de laatste weken een aantal keren op een naburig plantsoentje had zien voetballen. Zij wist niet, of zij hem vandaag zou zien, maar die onzekerheid ontmoedigde haar niet. Hij was van haar en zij zou hem krijgen ook.
Tegenover haar moeder had zij nog niets over de jongen gezegd. Die zwijgzaamheid kwam niet uit onwil, maar uit onmacht voort. Zij was nooit erg spraakzaam geweest en haar eenzelvigheid was na die tragische gebeurtenis van anderhalf jaar daarvoor nog danig versterkt. Bovendien was zij er niet helemaal zeker van, of de door de jongen veroorzaakte verbetering in haar geestesgesteldheid blijvend zou zijn. De afgelopen nacht had zij in ieder geval redelijk geslapen; zij ervoer die zes uurtjes nachtrust dan ook als een heuse overwinning.
Zij liep haar slaapkamer weer binnen en dacht aan, wat er deze week zou gaan gebeuren. Vandaag en morgen zou zij nog een rustig dagje hebben, overmorgen zou zij naar haar nieuwe school moeten gaan om haar boeken op te halen, de woensdag zou zij dan nog vrij hebben en op donderdag zouden de lessen dan daadwerkelijk beginnen. Zij had er zin in, want zij had zich heilig voorgenomen om de HAVO ook daadwerkelijk af te maken.
Zij hulde zich in haar lichtblauwe ochtendjas, nam een badhanddoek uit haar kast en verliet de slaapkamer. Haar moeder sliep nog, hetgeen haar niet verbaasde; haar moeder had de dag daarvoor een langdurige en vermoeiende avonddienst gedraaid en was ver na middernacht thuisgekomen. Trudy liep dus op haar tenen naar de douchecel, waar zij zich uitkleedde en glimlachend onder de warme waterstraal stapte.
Het vleugje narcisme in haar, dat de laatste maanden steeds sterker begon te worden, stak ook nu weer de kop op. Zij waste zichzelf met een gelaatsuitdrukking, die het midden hield tussen verbazing en genot. Dat mooie gezichtje, zoals dat in de spiegel boven de wastafel zichtbaar was, dat tengere, maar zeer welgevormde lichaam, die prachtige benen en die snoezige voetjes, zij was in één woord volmaakt.
Zij droogde zich met weinig haast af, trok een beha, een slipje en een zwart mini-jurkje aan en liep met een peinzend gezicht de keuken binnen, waar zij het ontbijt voor haar moeder begon klaar te maken. Zij zette water op voor de thee, deed twee eieren in een met water gevuld steelpannetje en staarde in afwachting van het moment, waarop het water zou gaan koken door het keukenraam naar buiten.
Wat zij toen zag, deed haar heel veel deugd. Op het paadje tussen de achtertuinen van de huizen langs de Heggerankweg en de schooltuinen daarachter liepen namelijk twee jongens voorbij en een daarvan bleek haar beoogde vriendje te zijn. Zijn metgezel, een roodharige jongen met een hoornen bril, oreerde luid voor zich heen, zoals vijftienjarige jongens dat altijd plegen te doen, maar hijzelf keek zwijgend en met een wat gespannen blik naar Trudy's openstaande slaapkamerdeur. De implicatie van die blik drong onmiddellijk tot haar door. Zij schoot in de lach en begon aan iets, wat bijzonder veel van een indianendans weg had. Hetgeen overigens niet onopgemerkt bleef.
"Trudy, wat is er?", vroeg Conny, vanuit haar slaapkamer.
Trudy hoorde de gealarmeerde toon in haar moeders stem en nam vervolgens een wijs besluit: zij zou haar moeder volledig over de huidige stand van zaken gaan inlichten. Daar had zij ook meer dan recht op. Het arme mens had zich al genoeg zorgen om haar gemaakt.
"Niets, mam!", antwoordde zij, op luide toon, "Ik ben alleen maar heel erg blij!"
"Blij? Blij? Waarom dan?"
"Dat vertel ik u wel als ik uw ontbijt op bed kom brengen."
"Ontbijt op bed brengen? Zeg, wat mankeert je? Ben je ziek?"
"Nee, ik ben alleen maar heel erg verliefd!"
Er klonk een gesmoorde kreet vanuit de slaapkamer en daarna bleef het verdacht stil. Het smeren van de beschuitjes, het inschenken van de thee, het afspoelen van de eieren en het volstouwen van het dienblad verliep in een ijltempo. De handelingen werden alleen even onderbroken, toen zij haar vriendje-in-spé weer in het oog kreeg. Hij was nu alleen, maar in de blik waarmee hij opnieuw naar haar slaapkamer keek, lag onmiskenbaar dezelfde hunkering van daarnet. Die blik zette haar in vuur en vlam. Zij wist nu zeker, dat hij daar al vaker moest hebben gelopen.
Zij stormde met het dienblad haar moeders slaapkamer binnen en schoot toen opnieuw in de lach. Conny's gelaatsuitdrukking kon slechts als glazig worden omschreven. Dat kon haar niet echt kwalijk worden genomen. De transformatie van haar dochter van een stil, gedeprimeerd muurbloempje in een uitgelaten, levenslustige tienermeid kwam waarschijnlijk te snel en te onverwacht voor haar. Trudy liet zich er niet door uit het veld slaan. Zij kroop giechelend het tweepersoonsbed op en plaatste het dienblad met een "Hier, mam!" op haar moeders schoot. Zij had niet veel eer van haar werk: Conny keurde het dienblad geen blik waardig.Toen zij met het dienblad haar moeders slaapkamer binnenstormde, schoot zij opnieuw in de lach. Conny's gelaatsuitdrukking kon slechts als glazig worden omschreven. Dat kon haar niet echt kwalijk worden genomen; de transformatie van haar dochter van een stil, gedeprimeerd muurbloempje in een uitgelaten, levenslustige tienermeid kwam waarschijnlijk te snel en te onverwacht voor haar.
Trudy liet er zich niet door uit het veld slaan, zij kroop giechelend het tweepersoonsbed op en plaatste het dienblad met een "Hier, mam!" op haar moeders schoot. Zij had niet veel eer van haar werk; Conny keurde het dienblad geen blik waardig.
"Zou je mij kunnen zeggen, wat er met je aan de hand is?" vroeg Conny voorzichtig.
"Ik heb een stille aanbidder."
"Zo, dat mag wel in de krant!"
"Hoe bedoelt u?"
"Ach, schatje, dat weet je toch zelf wel? De jongens lopen je al achterna vanaf het moment, dat je kunt lopen."
"Ja, dat is zo. Maar het verschil met die imbecielen in Heemskerk is, dat deze jongen dus wel iets heel speciaals is."
"Wat is er zo speciaal aan hem?"
"Deze is heel erg lief! En heel erg leuk! En gezien het feit, dat ik hem op deze ochtend al twee keer heb voorbij zien lopen, ook heel erg aanhankelijk!"
"Hoe ziet hij eruit?"
"Hij heeft een heel leuk koppie! Hij heeft hele lange, blonde haren en zijn kleding is een tikje aan de slordige kant."
"Is het die jongen, die wel eens met een roodharig jochie voorbijloopt?"
"Ja! Die was er daarnet ook bij!"
"O, dan ken ik hem wel", zei Conny op een zoetsappig toontje.
"Hè?"
"Dan ken ik hem wel", herhaalde Conny.
"Waarvan dan?"
"Om te beginnen ben ik hem laatst een keer bij de snackbar op de Kamperfoelieweg tegengekomen."
"Nee, dat meent u niet!"
"Ja, wel degelijk! En wat nog leuker is: ik heb hem een paar jaar geleden ook al een keer in Heemskerk gezien."
"In Heemskerk? Wanneer dan?"
"In juli 1968. Op de vrijdag van de week, waarin de scheiding tussen papa en mij werd uitgesproken. Ik denk, dat jij je die dag ook nog wel kunt herinneren. We waren die middag samen met papa gaan picknicken..."
"Toen bij 'Camping Geversduin'?", riep Trudy.
"Ja, precies!"
"Maar ik kan mij helemaal niet herinneren, dat ik mijn jongen toen ook heb gezien."
"Dat klopt ook wel, liefje. Je was op het moment, dat hij ten tonele verscheen, namelijk heel erg in dat boek van Top Naeff verdiept."
"Maar... Maar... Toen had ik hem dus ook al kunnen ontmoeten?"
"Ja, ik heb toen even op het punt gestaan om hem voor onze picknick uit te nodigen, maar dat is er uiteindelijk niet van gekomen."
"Waarom niet?"
"Omdat papa ineens een beetje aanhalig werd."
"Nou, en wat dan nog?"
"Nou, hij werd zo aanhalig, dat ik die arme jongen pardoes vergat."
Die ontboezeming viel niet in goede aarde bij Trudy. Haar glimlach verdween meteen van haar gezicht en wat ervoor in de plaats kwam, was een gelaatsuitdrukking, waarin woede en teleurstelling om de voorrang streden.
"Wat is er, liefje?", vroeg Conny schuldbewust.
"Niets!"
Conny bleek koelbloedig genoeg om de gevolgen van haar onthulling snel te neutraliseren.
"Het is echt een hele lieve jongen!" zei zij, "Hij woont op de Kamperfoelieweg."
"Hoe bedoelt u?"
"Precies, zoals ik het zeg", antwoordde Conny, met een wat spottend glimlachje, "Hij woont op de Kamperfoelieweg. En dat is bepaald niet het enige, wat ik van hem weet. Toen we vorige week samen in de snackbar stonden, heb ik hem namelijk aangesproken."
"Meent u dat?"
"Ja, we hebben toen een lang en heel gezellig gesprek met elkaar gevoerd."
Haar dochter hapte naar adem, maar kon haar nieuwsgierigheid met geen mogelijkheid bedwingen:
"Wat weet u dan van hem?"
"Hij is vijftien, hij is precies twee dagen jonger dan jij, hij zit op de HAVO, op dezelfde school als jij en hij komt dit jaar ook in dezelfde klas te zitten."
Die opeenvolging van uitzinnige onthullingen werd Trudy een beetje teveel.
"Ho!", zei zij zwakjes.
"Wat 'ho'?"
"Heeft hij dat echt allemaal aan u staan te vertellen?"
"Ja, ik had hem meteen al herkend van die keer in Heemskerk en mijn eerste vraag was dus, of hij een keer in Heemskerk op vakantie was geweest. Toen hij die vraag met 'ja' beantwoordde, heb ik voor de lol maar een beetje doorgevraagd."
"En toen?"
"Zei hij, dat hij Dennis heette, dat hij op de 'Scholengemeenschap Noord' zat, dat hij het komende jaar, net als jij, in klas C6 zou komen te zitten en dat hij je al een paar keer had gezien."
"Dat kan wel kloppen, ja."
"Ja, hè? En je hebt daarbij bijzonder veel indruk op hem gemaakt, want hij beschreef je op een zeer vleiende manier."
"Is dat echt zo?", vroeg Trudy lachend.
"Ja, nou! Hij was echt helemaal lyrisch over je."
"Wat zei hij dan allemaal?"
"Hij omschreef je als 'een blond, slank en waanzinnig mooi meisje' en als een 'wolk van een meid' en zijn gelaatsuitdrukking was zo mogelijk nog veelzeggender dan wat hij zei."
"Echt?"
"Ja, echt! Hij bleek het ook heel erg fijn te vinden, dat jullie in dezelfde klas terecht zullen komen."
"Nee, echt?"
"Ja, echt! Je had zijn gezicht eens moeten zien, toen ik hem dat zei. Ik heb zelden iemand zo gelukkig gezien."
"Aha!"
"Is dat alles, wat je kunt zeggen?"
"Nee, het is fantastisch!", riep Trudy schaterend, "Ik ben er vreselijk gelukkig mee! Het maakt de zaak er een stuk eenvoudiger op."
"Dat dacht ik ook wel, ja. Want ik heb hem na dat gesprek regelmatig rond dit huis zien rondscharrelen."
"En daar heeft u mij niets van gezegd?"
"Nee, sufferd! Ik wist toch helemaal niet, dat jij ook in hem was geïnteresseerd? Ik had, om je de waarheid te zeggen, ook niet zo veel zin om nu al als koppelaarster te fungeren. Je hebt in Heemskerk al teveel harten gebroken. Als je dat ook met het zijne zou doen, zou ik het mijzelf nooit kunnen vergeven. Daar is dat ventje toch echt een beetje te lief voor."
Trudy keek haar ontzet aan, maar Conny merkte al snel, dat zij zich daarover geen zorgen hoefde te maken.
"Maar ik heb u daarnet toch gezegd, dat ik hartstikke verliefd op hem ben!", riep Trudy verontwaardigd.
"Is dit hem echt?", vroeg Conny, na een korte aarzeling, "Is dit de jongen, waarvan je vreselijk veel zult gaan houden? Is dit de jongen, waarmee je vreselijk gelukkig zult gaan worden? Is dit de jongen, waarmee je in de komende zestig jaar heel veel verre reizen zult gaan maken?"
"Ja, ik droom mijn hele leven al van hem. Van iemand, die helemaal van mij is, iemand, die altijd alles voor mij zal willen doen, iemand, die altijd bij mij blijft."
"Ik snap het, liefje. En ik weet nu al zeker, dat je een goede keuze gaat maken. Ik denk, dat jullie echt geknipt voor elkaar zijn."
"Ja, hè?"
"Ik heb trouwens toch al wat bekokstoofd tussen jullie."
"Wat dan?", klonk het hoopvol.
"Hij heeft mij beloofd om zich een beetje over je te ontfermen als jullie eenmaal met elkaar in dezelfde klas zitten. Ik heb hem gezegd, dat je een beetje moeilijke tijd achter de rug hebt gehad en dat je best wel wat steun van hem kunt gebruiken."
"Heeft hij dat echt beloofd?"
"Ja, en hij bloosde er allerliefst bij."
"Oh, wat schattig!"
"Ja, dat was het zeker", zei Conny droogjes, "Hij sprak daarbij ook de vurige hoop uit, dat jij je ook over hem zou ontfermen, dus ik zou er, als ik jou was, zeker geen gras over laten groeien. Grijp hem overmorgen bij zijn lurven en palm hem in, voordat iemand anders met hem op de loop gaat."
"O, dat zal ik ook zeker doen."
"Ik geloof het graag. Ik neem aan, dat je al een plan de campagne hebt?"
"Ja, ik zal hem een poosje de tijd geven om zelf met initiatieven te komen en als die te lang uitblijven, onderneem ik zelf wel iets."
"Prima, dat is de ware spirit."
Er viel een stilte in de conversatie. Conny begon aan haar ontbijt en Trudy verviel in gemijmer. Al etend bleef Conny haar dochter observeren. Dat gaf haar waarschijnlijk geen reden tot zorg. Trudy was dan wel weer stilgevallen, maar haar zwijgen vloeide ditmaal niet meer uit wanhoop en verdriet, maar uit haar dromerige natuur voort. Voor een groot deel was zij weer het lieve, gelijkmatig gehumeurde meisje van voor haar vaders dood. De verandering, een iets brutalere uitstraling, was een verandering ten goede.
Conny voltooide haar ontbijt en en begaf zich luid zingend naar de douche. Het duurde even, voordat Trudy tot zichzelf kwam. De reden daarvan was van prozaïsche aard. Zij kreeg honger en een hevige trek in koffie. Zij gleed dus van het bed af en liep terug naar de keuken. Een paar minuten later zat zij prinsheerlijk op de veranda te ontbijten, met een transistorradio onder handbereik. Haar rust was van korte duur, want na een poosje kwam Conny, inmiddels gekleed in een mooi, wit zomerjurkje, tegenover haar zitten.
"Ga je zometeen nog fietsen?", vroeg Conny.
"Ik denk het wel."
"Waar ga je naartoe?"
"Ach, ik ga weer een beetje door Noord toeren. Eerst naar de Buiksloterdijk, dan naar de Nieuwendammerdijk en dan via oma's oude huis en het winkelcentrum naar huis terug."
"Rij je altijd langs oma's oude huis?", vroeg Conny, doelend op haar voormalig, ouderlijk huis.
"Ja, natuurlijk!", antwoordde Trudy lachend, "Dat is altijd weer de leukste attractie van het fietstochtje. Het had natuurlijk veel fijner geweest, als zij nog had geleefd en ik bij haar op bezoek had kunnen gaan. Maar als ik er voorbij rijd, denk ik natuurlijk wel aan haar."
"En niet aan Dennis?", vroeg Conny liefjes.
"Daarvoor en daarna natuurlijk wel! En vandaag zal ik ook met veel plezier aan de dag gaan denken, waarop ik hetzelfde ritje met hem mag rijden."
Conny keek haar even peinzend aan en stelde toen haar volgende vraag:
"Je gaat zometeen dus niet mee naar papa's graf?"
"Nee, mam", antwoordde Trudy, met een half trieste, half geïrriteerde gelaatsuitdrukking.
"Echt niet?"
"Echt niet!"
"Wil je er helemaal niet meer heen?"
"Voorlopig niet meer."
"Denk je niet, dat het troostgevend kan zijn?"
"Nee, ik denk juist van niet."
"Weet je dat zeker?"
"Ja, papa behoort tot het verleden. De enige man, die nu belangrijk voor mij is, woont ook niet in Heemskerk, maar hier in Amsterdam-Noord."
"Ben je niet een beetje te hard voor papa?"
"Nee, want papa heeft daar zelf voor gekozen. Hij heeft ervoor gekozen om mij te verlaten, terwijl die andere man nu al niet meer van mijn huis is weg te slaan. En tja, dan is de keus niet moeilijk, hè?"
"Ben je nog steeds kwaad op papa?"
"Ja, al is het wel iets minder geworden, sinds we hier in Amsterdam wonen."
"Maar je houdt nog wel van hem?"
"Ja, en misschien nog wel meer dan toen hij nog leefde."
"Ik snap het, liefje. Zo voel ik het namelijk ook."
"Toch krijg ik steeds meer het gevoel, dat het zo moet zijn. Het leven zou werkelijk volmaakt zijn als hij nog leefde, als ik én Dennis én papa had en later ook nog eens al dat geld zou mogen hebben. Maar het leven behoort volgens mij niet volmaakt te zijn. Er moet altijd iets te wensen over blijven."
"Heb je erg veel verdriet van zijn dood gehad?", vroeg Conny voorzichtig.
"Ja, heel erg!"
"Wat heb je het ergste gevonden?"
"De dagen tussen zijn dood en de begrafenis. De pijn, de verbijstering, de spijt over al die jaren, die hij nog had kunnen leven, de spijt over al die leuke dingen, die hij had kunnen doen en waar hij vrijwillig afstand van heeft gedaan. Ik kan nog steeds niet begrijpen, hoe hij alles wat hij had, in één zwak moment heeft kunnen weggooien."
"Het is ook niet te begrijpen, liefje. Nu nog niet, tenminste. Het zal nog wel even duren, voordat we er echt vrede mee kunnen hebben."
"En de begrafenis was natuurlijk ook een verschrikkelijke ervaring. Al die aandacht van al die mensen, die het verdriet natuurlijk alleen maar erger maakte."
"Vond je dat echt zo erg?"
"Ja, ik had het veel prettiger gevonden als alleen wij en opa en oma erbij waren geweest."
"Meen je dat?"
"Ja, dat meen ik. Ik vind het vreselijk als iedereen naar mij kijkt en op de begrafenis keek dus ook echt iedereen naar mij. En sommige mannen deden dat op een manier, die wel heel erg vervelend was."
"Hoe voelde je je in de dagen na zijn begrafenis?", vroeg Conny, met iets van wanhoop in haar stem.
"Toen ging het toch langzaam wel wat beter. Misschien kwam dat, omdat hij zo dichtbij ons huis lag begraven. Omdat ik telkens even naar zijn graf kon lopen als ik mij rot voelde, of als ik bijvoorbeeld 's nachts niet kon slapen."
"Heb je dat laatste vaak gedaan?"
"Ja, toch wel minstens één keer per week. Het werkte meestal ook wel goed. Als ik na het bezoek aan het kerkhof weer naar huis was gehold, was ik meestal zo moe, dat ik als een blok in slaap viel."
"Maar je kon toch nooit het kerkhof op?"
"Nee, maar dat hoefde ook niet. Even bij het toegangshek staan en even met mijn hoofd tussen de spijlen naar zijn graf kijken, dat was meestal al voldoende voor mij."
"Ben je nooit bang geweest als je 's nachts in je eentje de deur uitging?"
"Nee, ik heb altijd het gevoel gehad, dat papa mij beschermde en dat hij er wel voor zorgde, dat mij niet iets engs zou overkomen."
"Je bent er elke dag geweest, hè?"
"Overdag, bedoelt u?"
"Ja."
"Ja, ik ben er elke dag geweest. Toen ik nog op school zat, ging ik er altijd even heen als ik uit school kwam. En toen ik overspannen was, ging ik er altijd even heen als ik boodschappen voor u ging doen. Ik had het ook elke dag nodig, maar ik bleef er nooit lang. Even het kerkhof op, even gedag zeggen en daarna weer weggaan. Meer was het eigenlijk niet."
"Toch is het erg lief van je geweest."
"Ja, maar misschien hoef ik daarom ook niet meer zo nodig naar zijn graf te gaan."
"Maar je vindt het niet erg als ik straks wel weer naar zijn graf ga?"
"Nee, natuurlijk niet", antwoordde Trudy, met een zachte stem, "Ik zou het ook niet kunnen verdragen als u ook niet meer naar hem toe zou gaan. Dat heeft hij nou ook weer niet verdiend."
"Goed, kindje. Dan zal ik er ook voor jou heen gaan."
"Ah, dat is lief van u."
Ze vielen even stil. Trudy luisterde met een half oor naar de radio; Conny nipte peinzend van haar koffie.
"Zou je het heel erg vinden als ik vanmiddag ook even bij Kitty langs ga?", vroeg Conny, doelend op een in Heemskerk woonachtige vriendin.
"Nee, natuurlijk niet!"
"Ook niet als het wat later wordt en je zelf je eten moet klaar maken?"
"Nee, echt niet. Ik zal het alleen maar leuk voor u vinden. Het wordt echt tijd, dat u er wat meer uitgaat en wat meer aan u zelf gaat denken. U heeft nu lang genoeg alleen maar voor mij gezorgd."
"Ah, dat is lief van je!"
"Hoe gaat het anders met haar? Is zij nog steeds met die Ronny getrouwd?"
"Nee, liefje. Hun huwelijk is begin dit jaar stukgelopen. Zij woont nu alleen, in een flatje vlakbij het station."
"Ze hadden geen kinderen, hè?"
"Nee, gelukkig niet."
"Is zij nog steeds kleuterleidster?"
"Ja, maar ook wel iets meer dan dat. Zij is nu ook de directrice van de school geworden."
"Da's mooi."
"Ja, hè?"
"Wilt u haar de hartelijke groeten van mij doen?"
"Dat zal ik doen. Heb je anders geen zin om mee te gaan? Dan lever ik je eerst bij haar af en ga ik daarna zelf even naar papa toe."
"Nee, mam! Ik geloof echt, dat het beter voor mij is om maar even uit Heemskerk weg te blijven."
"Is het om Dennis?", vroeg Conny lachend.
"Ja, maar ook om Amsterdam zelf. Ik ben mij, sinds we hier wonen, steeds prettiger gaan voelen. En dat heeft natuurlijk ook met de omgeving te maken. Het huis is lief, de buurt is leuk, er is een mooi winkelcentrum in de buurt. Ik heb hier echt alles wat mijn hartje begeert en heb dus ook niets meer in Heemskerk te zoeken. Zoals ik mij nu voel, zie ik een uitstapje naar Heemskerk als een soort verraad. Als iets, waarvan ik later heel veel spijt zal krijgen."
"Goed, liefje. Ik zal niet langer aandringen. Heb je eigenlijk nog wat nodig?"
"Nee, ik heb niets meer nodig. Ik ben echt volmaakt tevreden!"
"En gelukkig om Dennis?"
"Dat spreekt vanzelf."
"Wil je hem straks de hartelijke groeten van mij doen?"
"Dat is goed! Maar alleen als ik hem op straat tegenkom. Ik ga uw groeten niet van de veranda schreeuwen."
"Goed, liefje. Doe het maar, zoals je wilt. Je krijgt echt helemaal de vrije hand van mij. Je mag alles met hem doen, wat je goed dunkt."
"Alles?", klonk het droog.
"Alles, behalve vrijen zonder voorbehoedmiddelen. Dus neem wel de nodige veiligheidsmaatregelen als je hem vandaag of morgen je bed intrekt."
"Goed, mam. Ik zal heel goed oppassen."
"Ah, brave meid. We moeten morgenmiddag maar weer eens gezellig gaan winkelen."
"O, ja! Dat moeten we zeker weer gaan doen."
"Ja, hè? Ik ben van plan om je toelage van deze maand in zijn geheel aan allerlei, leuke dingetjes te besteden. Dat heb je ook meer dan verdiend."
"Wat voor dingetjes bedoelt u?"
"Ondeugende niemendalletjes, ter aanvulling voor je nachtgarderobe. Ik heb laatst in het winkelcentrum een heleboel dingen gezien, die je volgens mij heel erg leuk zullen staan."
"O, meent u dat?"
"Ja, natuurlijk! Ik stel maar één voorwaarde..."
"En die is?"
"Dat je mij heel minutieus vertelt, hoe Dennis op al dat moois reageert."
"Afgesproken!", zei Trudy lachend.
Conny stond op, maar scheen het toch moeilijk te vinden om weg te gaan. Trudy zag het en besloot om haar een handje te helpen:
"Gaat u nou maar. Ik red mij echt wel."
"Echt?"
"Ja, echt!"
"Goed, liefje, als je mij toch nog nodig mocht hebben, dan kun je bij mij Kitty bereiken. Ik heb haar nieuwe telefoonnummer daarnet in de klapper geschreven."
"Dat is lief van u! Maar ik weet zeker, dat ik het niet nodig zal hebben."
"Nou, goed dan. Hou je haaks, liefje!"
"Ik zal het doen."
Conny gaf Trudy een kus op de wang en verliet de veranda met een wat zorgelijk gezicht. Die bezorgdheid om het welzijn van haar dochter was onterecht. Trudy kon het alleen zijn zonder moeite aan. Dat was ook niet zo verwonderlijk, want zij kon zich nu helemaal aan haar dromen overgeven. Ze waren ditmaal onverbloemd erotisch van aard. De dood van haar vader had haar ontwikkeling ook in seksuele zin gestagneerd, maar zij was vast van plan om de schade in de komende maanden meer dan in te halen. Er was overigens geen enkele haast bij geboden. Zij en Dennis zouden er langzaam naartoe werken en eerst nog wat van de voorpret genieten. Met die voorpret dreigde het inmiddels al wat uit de hand te lopen. Zij kon geen moment meer stilzitten en het vooruitzicht van het komende winkelmiddagje maakte de zaak er ook niet veel beter op.
Om haar gedachten in een iets nettere richting te duwen, besloot zij om 'Sense and Sensibility' van Jane Austen weer ter hand te nemen. Zij voegde de daad bij het woord en haalde het boek, tezamen met het onontbeerlijke woordenboek, uit haar slaapkamer. Zij las het namelijk in het Engels, zoals zij de laatste maanden twee andere boeken in de originele taal had gelezen. Het eerste boek was ´David Copperfield´ van Charles Dickens geweest en de tweede 'De Buddenbrooks' van Thomas Mann. Over elk boek had zij een maand gedaan en met zowel het ene als het andere boek had zij haar kennis van de taal, waarin het was geschreven, weer aardig bijgespijkerd. Met 'Sense and Sensibility' was zij inmiddels tot hoofdstuk veertien gevorderd. Wat haar in het boek vooral aansprak, was het rustige karakter van de oudste dochter Elinor, waarin zij veel van haar eigen karakter herkende.
Zij was zeer benieuwd naar de verdere belevenissen van de Elinor in haar jacht op haar beoogde echtgenoot, maar ondanks verwoede pogingen wilde het lezen op deze ochtend niet echt lukken. Het was geheel aan haarzelf en haar eigen, op ontluiken staande romance te wijten en niet aan het boek. Na het terzijde leggen van het boek keerde haar onrust onmiddellijk weer terug. Het stilzitten werd nu een regelrechte kwelling voor haar. Zij begon het ook koud te krijgen en zij besloot om maar een panty of een paar nylonkousen aan te trekken.
Eenmaal in haar moeders slaapkamer knielde zij bij de ladenkast neer, waar Conny hun gezamenlijke kousenvoorraad bewaarde. Zij schoof de bovenste la open en liet met een zekere gretigheid de nog ingepakte nylons en panty's door haar handen gaan, tot zij opeens een geopende envelop zag liggen. Zij herkende het handschrift onmiddellijk: het was van haar vader. Het was zijn, aan Conny gerichte afscheidsbrief. De brief, die Trudy zelf in ontvangst had genomen en die zij een uur later aan Conny had overhandigd. Even was er een aarzeling bij haar, maar toen nam zij de envelop resoluut ter hand. Zij peuterde de brief uit de envelop, vouwde hem open en begon hem met kloppend hart te lezen:

"Lieveling,

"Uit het feit dat je deze brief in handen hebt gekregen, mag je opmaken, dat Trudy en ik die domme, door mij veroorzaakte, ruzie hebben bijgelegd. Ik hoop, dat je dat tot troost zal zijn, want als je dit leest, zal ik er niet meer zijn. Wees niet boos op mij! Ik heb heel lang gevochten tegen die aanvechting om mijzelf van kant te maken, maar nu heb ik de strijd toch moeten opgeven. De ruzie van afgelopen zondag tussen mij en die lieve, schattige meid van ons heeft eigenlijk wel de doorslag gegeven. De mogelijkheid, dat ik haar in de komende jaren weer zal kwetsen, zoals ik dat zondag heb gedaan, is absoluut onverdraaglijk voor mij.
Ik heb de laatste jaren, en vooral de laatste dagen, heel veel over haar en mijzelf nagedacht en ik kan maar tot één conclusie komen: ik ben een blok aan haar been en ik zal dat, als ik blijf leven, ook altijd blijven. En dat is iets, wat absoluut onaanvaardbaar voor mij is. Zij zal nooit echt gelukkig kunnen worden als zij telkens weer met mij en mijn idiote grillen moet rekening blijven houden.
Alleen om die reden moet ik haar nu dus in de steek gaan laten, maar dat kan ik alleen maar doen, omdat ik zeker weet, dat jij wel altijd aan haar zijde zult blijven staan. Jij zult haar wel blijven bijstaan, tot zij helemaal op eigen benen zal staan en uiteindelijk al onze dromen over haar zal hebben waargemaakt.
Dat ik dat zelf niet meer zal meemaken, hoef je niet erg te vinden. De wetenschap, dat het beste in mij in haar blijft voortleven, geeft mij op dit moment namelijk heel veel troost. Ook daarom weet ik, dat ik hier goed aan doe.
Je hoeft je dus ook niet schuldig te voelen om mijn dood. Jij en Trudy zijn in geen enkel opzicht tegenover mij tekort geschoten. Ik weet, dat jullie zielsveel van mij houden en geloof mij: ik zal tot op het laatste moment ook zielsveel van jullie blijven houden!

Frans"

Op een tweede briefje waren twee zakelijke mededelingen gekrabbeld. De eerste betrof de plek, waar haar vader zich die avond had verdronken, de laatste de plek, waar zijn testament te vinden zou zijn. Ondanks de schokkende inhoud had Trudy de tegenwoordigheid van geest om de briefjes heel zorgvuldig in de envelop terug te stoppen, de envelop zelf weer op zijn oude plek terug te leggen en de la voorzichtig dicht te schuiven.
Daarna liep zij met een bedrukt gezicht naar de veranda terug, waar zij, eenmaal in haar stoel gezeten, gedurende een paar minuten stil voor zich uit bleef kijken, vurig hopend op die ene allesverlossende huilbui. Die kwam uiteindelijk ook en die huilbui, waar zij zich toch met een zekere zelfbeheersing aan over gaf, werd tot haar grote verbazing door een gevoel van bevrijding vergezeld. Twee maanden geleden zou de ontdekking van de ware reden van haar vaders dood nog onverdraaglijk voor haar zijn geweest; nu versterkte die wetenschap de voldoening over het feit, dat zij het verdriet over zijn dood toch had kunnen verwerken. De inhoud van de brief sterkte haar ook in haar voornemen om te breken met alles, wat met Heemskerk en haar vader te maken had. Dat was ook precies, wat haar vader had gewild. Zij moest zich helemaal van hem los gaan maken, al was het alleen maar om zijn dood eindelijk enige zin te geven.
Op dat moment was zij zich nog niet van de keerzijde van de medaille bewust. Het verdriet om zijn dood was nu wel draaglijk geworden, maar het zou waarschijnlijk nooit meer helemaal verdwijnen. De voldoening over het doorstane leed zou regelmatig een gevecht met de naweeën van dat verdriet moeten blijven aangaan. Ondanks die toekomstige miljoenenerfenis zou zij er nooit zomaar op los kunnen leven. Door dat ene, moeilijk te helen litteken zou zij zich elke dag heel sterk bewust moeten zijn van datgene, wat zij moest denken, doen of nalaten.
Wat zij ook nog niet wist, was dat het laatste in nog veel sterkere mate voor Dennis gold. Het zou haar niets hebben uitgemaakt. Het zou hem in haar ogen alleen maar aantrekkelijker hebben gemaakt en nu hij weer met een wat slepende tred langs haar huis liep, was zijn aantrekkingskracht op haar al sterk genoeg. Zij werd op zijn nabije aanwezigheid attent gemaakt door de stuiterende bal, waarmee hij de trottoirtegels teisterde. Hij had haar nu wel gezien, maar hij wist natuurlijk nog steeds niet, wat haar gevoelens voor hem waren. Daar kon zij geen vrede meer mee hebben. Zij rende haar slaapkamer binnen, stapte in haar schoenen en stormde met de huissleutel in haar hand de trap af.
Eenmaal op straat, waar zij haar voortijdig teruggekeerde moeder finaal over het hoofd zag, moest zij hard rennen om bij hem in de buurt te komen. Zij achterhaalde hem pas, toen hij de Haagwindeweg opliep. Daar op die Haagwindeweg, een nogal pretentieuze naam voor een klein plantsoen tussen de Heggerankweg en de Kamperfoelieweg, trof Dennis zijn roodharige vriendje aan. De jongens raakten in gesprek en dat gesprek resulteerde na enige minuten in een voetbalwedstrijdje. Trudy toonde zich daarover in het geheel niet teleurgesteld. Het enige, wat zij wilde, was bij hem in de buurt zijn. Zij ging dus op de rand van het trottoir zitten en begon de voetbalverrichtingen van haar toekomstige vriendje met oprechte interesse gade te slaan.
Die waren bepaald niet om over naar huis te schrijven. Zijn traptechniek was redelijk; zijn looptechniek bleek abominabel. Hij werd er door de roodharige jongen keer op keer uitgelopen en moest dus lijdzaam toezien, hoe hij door hem in de pan werd gehakt. Zijn gebreken, waar het zijn loopvermogen betrof, werden aanvankelijk nog versterkt, toen hij Trudy op dat trottoir had ontdekt. Haar aanblik leek hem zelfs volkomen te verlammen. Het ontging haar niet. Zij was met haar rug tegen een lantaarnpaal gaan zitten en bekeek het tafereel met een dromerige glimlach, waarmee hij zich vermoedelijk totaal geen raad wist.
De reden voor die glimlach lag eigenlijk wel voor de hand: zijn gepruts had een bijzonder rustgevende invloed op haar. Misschien kwam dat wel, omdat hij in alles de tegenpool van haar vader leek te zijn. De kleur van zijn haar, zijn smalle gezicht, zijn tengere gestalte, zijn onzekere en o zo kwetsbare uitstraling, zijn knullige en houterige manier van voortbewegen, alles was anders aan hem, maar alles was haar even dierbaar.
Het voetbalpartijtje was intussen op initiatief van Dennis in een partijtje doelschieten ontaard. Dennis had zijn vriend tot doelman gebombardeerd en beschoot hem nu vanuit alle standen. Hij deed dat met veel plezier. Trudy zag, hoe met elk geslaagd schot zijn zelfvertrouwen groeide en genoot stilletjes met hem mee. Het partijtje doelschieten zou echter niet lang duren, want toen de roodharige jongen voor de vijfde keer een door Dennis getrapte bal van de Kamperfoelieweg had moeten plukken, had hij er ineens schoon genoeg van. Hij schopte de bal van verre naar Dennis terug, schreeuwde hem bij wijze van toegift een nogal obscene belediging toe en verdween tenslotte met een gebelgd gezicht van het strijdtoneel.
Na zijn vertrek was Dennis geheel aan Trudy's genade overgeleverd. Hij scheen daar niet veel genoegen aan te beleven. Hij bleef wel op het pleintje rondhangen en trachtte zich een houding te geven door de bal zo lang mogelijk hoog te houden. Een onderneming, waarin hij natuurlijk hopeloos faalde. Beetje bij beetje was het tot Trudy doorgedrongen, hoe verlegen hij was en zij besloot de eerste gelegenheid om het ijs tussen hen te breken met beide handen aan te grijpen. Die gelegenheid moest helaas nog even op zich laten wachten. Dennis had de bal in zijn armen genomen en liep met een bedroefd gezicht van haar weg. Trudy liet haar prooi echter niet meer los. Zij stond op, klopte het stof van haar jurkje en zette weer welgemoed de achtervolging op hem in.
Dennis keek om en zag, dat zij hem volgde, maar hij bleef vervolgens stug doorlopen. De wandeling duurde overigens niet lang. Hij stak de Kamperfoelieweg over en stevende recht op de snackbar af, waar hij een week daarvoor met Conny had gesproken. Die snackbar was op dit tijdstip van de ochtend nog gesloten, hetgeen Dennis niet leek te verbazen. Hij keerde zich kalm op zijn schreden terug en liep haar met een ietwat wankelende tred tegemoet. Trudy begreep meteen, wat hij in de zin had. Er verscheen een brede glimlach op haar gezicht en zij greep hem vervolgens zonder pardon bij de arm.
"Hoi!", zei zij.
"Dag, Trudy!"
"Hoe weet je dat ik Trudy heet?", klonk het huichelend.
"Dat eh... heb ik van je moeder gehoord. Ik heb haar een keer ontmoet, in eh... die snackbar hier."
"Ah, het is goed, dat je je dat nog herinnert, want je moet namelijk de hartelijke groeten van haar hebben!"
"Oh, dank je wel!", zei hij, met een aandoenlijk aandoend enthousiasme, "Doe haar de hartelijke groeten terug."
"Ik zal het doen, hoor!"
"Zie ik je dinsdag op school?"
"Ja, en ik kijk er nu al heel erg naar uit."
"Ah, dat is mooi", mompelde hij, "Ik vind het namelijk heel erg leuk, dat jij in mijn klas komt te zitten."
"Dank je!"
"Geen dank! Het is een welgemeend complimentje."
"Laten we hopen, dat er nog vele zullen volgen."
"O, daar twijfel ik niet aan. Ik vind het namelijk erg leuk om complimentjes te geven. Ik ben er ook vreselijk goed in."
"Ik merk het!"
"Maar ik moet nu helaas naar huis."
"Waarom?"
"Omdat ik mijn papa heb beloofd om zometeen samen met hem naar mijn aangetrouwde oma te gaan."
"Nou, vooruit dan maar! Dan zie ik je dinsdag wel weer."
"Zou je dan wel even mijn arm willen loslaten?"
Zij willigde dat verzoek met de nodige tegenzin in, maar hij schonk haar in ruil daarvoor een blijmoedige glimlach, waarvan zij toch wel zeer onder de indruk was. Hij mompelde nog iets van "Tot dinsdag!" en liep toen aarzelend van haar weg. Het kon haar niet meer deren. Zij wist genoeg en zij bleef hem dan ook volgen, tot hij veilig en wel zijn huis had bereikt...

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 22 juli 1996. © Bert Harberts