MOEDERLIEFDE

Op de ochtend van zondag 14 september 1980 ontbeet ik om zeven uur in de ontbijtkamer van hotel 'Princess' aan de Korte Zilverstraat te Brugge. Ik was alleen en dronk in een wat landerige stemming van mijn koffie. Buiten daalde de regen op Brugge neer; binnen klonk op de achtergrond de muziek van 'BRT 2'. Ik herkende eerst de zanger, Billy Ocean, en daarna ook de naam van het nummer: 'L.O.D. (Love on delivery'). De muziek van de vrolijke soul-ballad kikkerde mij een beetje op. Ik beschouwde het maar als een plezierige afsluiting van een deerlijk mislukt weekendtripje.
Een half uur later verliet ik het hotel. Ik stapte in mijn zes jaar oude Saab en maakte nog een laatste rondrit door Brugge. Ik had daar veel plezier van. Nu ze zich de regen moesten laten welgevallen, kwamen de vele kerken en de vele monumentale gebouwen op hun voordeligst uit en toonde de stad dus haar mooiste gezicht. Tijdens mijn afscheidsrondje over de Grote Markt passeerde ik het Belfort, waarvan de beiaard mij de afgelopen nacht langdurig uit de slaap had gehouden. Ik mompelde iets van: "Teringklok!" en reed daarna grinnikend langs een terrasje, waar ik de vorige avond zowaar een beetje sjans had gehad. Tot iets meer dan een oogcontact was het overigens niet gekomen, hetgeen ik nu toch wel enigszins betreurde.
Ik passeerde het Provinciale Hof, stak de Burg over en zag, hoe twee bejaarde nonnen, gearmd en langzaam schuifelend, in het smalle poortje van de Blinde Ezelstraat verdwenen. De oudjes waren de enige Bruggelingen, die zich op straat vertoonden. De stad leek verder uitgestorven. Ik reed verder over de Groene Rei en wierp tenslotte nog een laatste blik op het Begijnhof aan de overkant van het Minnewater. Ook nu herinnerde het mij weer aan een meisje, dat ik enige maanden daarvoor uit mijn gedachten had moeten bannen.
Tegen achten liet ik Brugge achter mij. Ik draaide de E 5 op en reed daarna in de richting van Brussel. De combinatie van de regen, het stervende Vlaamse zomerlandschap en het geluid van de motor, dat door de muziek uit de autoradio heenklonk, deprimeerde mij een beetje. Naarmate ik dichter bij Brussel kwam, welden er ook steeds meer angsten in mij op. Die angsten waren niet bepaald origineel van aard: ik was bang om alleen te blijven, bang om kanker te krijgen, bang om oud te worden en bang om dood te gaan. Een cassettebandje, gevuld met muziek van Jim Croce, bracht toch wel enige verlichting voor mijn gekwelde ziel.
"Arme Jim", dacht ik, "Een born loser met de onweerstaanbare drang tot overleven. Maar hij stierf toch, toen hij eindelijk succes met mijn muziek kreeg."
Om kwart voor negen reed ik de voorsteden van Brussel binnen. Daar begon het harder te regenen. Ik reed door naar het centrum en parkeerde mijn auto voor het Centraal Station. De reden daarvan lag voor de hand: ondanks dat niet al te mooie centrum van de stad wilde ik toch nog iets van Brussel zien. Mijn wandeling door het centrum eindigde echter al op de Grote Markt. Hoewel ik een liefhebber van regenachtig weer was, was de stortbui, zoals die nu op mij neerstortte, toch iets teveel van het goede voor mij. Ik rende dus naar het overdekte terrasje van restaurant 'Couzonne', waar ik bij een vriendelijke kelner een kop koffie bestelde.
Er hing een spookachtige sfeer op het plein. De veelal goudkleurige gevels staken fel af tegen de donkergrijze hemel en het getik van de regen op het dak van het terras had iets lugubers. Mede daardoor verzonk ik opnieuw in sombere overpeinzingen. Die overpeinzingen betroffen ditmaal mijn verleden. Mijn vijfentwintigste verjaardag naderde snel en ik keek nogal verbitterd op die eerste vijfentwintig jaar van mijn leven terug. Ik had daar alle reden toe: ik had zeker geen gelukkige jeugd gehad. Zijn moeder was tijdens mijn geboorte in het kraambed gestorven, mijn pinnige en lichtzinnige stiefmoeder had niet van mij gehouden en was na enige jaren ook weer van mijn vader gescheiden. Een en ander had tot gevolg gehad, dat ik het grootste deel van mijn jeugdjaren met een sombere, in zichzelf gekeerde vader had moeten doorbrengen.
De trauma's van die eenzame jeugd waren vanzelfsprekend niet zonder gevolgen gebleven: mijn remmingen tegenover het andere geslacht waren talrijk en waarschijnlijk onuitroeibaar. Ik begon de vrouw steeds meer als een onbekend en hoger wezen te beschouwen, als een wezen met kleine, smalle voetjes, die in slaafse aanbidding gekust behoorden te worden. Dat waandenkbeeld, voortvloeiend uit wat ik zelf mijn 'voetstuksyndroom' noemde, had in de afgelopen tien jaar de basis gevormd voor twee langdurige verliefdheden. Die romances hadden een ietwat melodramatisch verloop gehad: de benen van de betreffende deernen, beiden blond, mollig en katholiek, hadden de weelde van mijn dwaze, hartstochtelijke liefde helaas niet kunnen dragen. Met andere woorden: de romances waren in het platonische stadium geŽindigd, de lusten waren voor de meisjes geweest en de lasten voor mij. Ik had tijdens die vrouwenjacht de meest liederlijke stommiteiten begaan en de herinneringen daaraan deden mij warempel weer in het heden terugkeren. De schaamte verdreef de misplaatste weemoed. Zelfmedelijden maakte plaats voor een stuitend cynisme en een vleugje vrouwenhaat.
"Kan ik het helpen, dat al die stomme wijven stront in hun ogen hebben!", dacht ik.
Mijn humeur sloeg om. Al snel voelde ik de behoefte in mij opkomen om de regen te trotseren. Ik betaalde mijn vertering en slenterde over de Groenmarkt naar mijn auto terug, af en toe baldadig in de plassen stampend.
Omstreeks half tien verliet ik Brussel. Aangezien ik geen zin had om rechtstreeks naar huis te rijden, stippelde ik de volgende, tamelijk idiote, omweg uit: Leuven, Aarschot, Diest, Hasselt, grens, Maastricht, Valkenburg, Sittard, Roermond, Venlo, Nijmegen, Arnhem, Doetinchem, Zutphen, Deventer, Zwolle, Harderwijk, Amersfoort, Amsterdam en tenslotte Haarlem. Tot Aarschot zou ik deze route volgen...
Ongeveer halverwege tussen Leuven en Aarschot passeerde ik een klein kerkhof, aangelegd op een heuvel, omringd door hoge populieren en voorzien van een geforceerd toegangshek. De aanblik van dat hek verbaasde mij.
"Zou het een in- of een uitbraak mijn geweest?", mompelde ik melig.
Ik zette mijn reis voort, in een nog steeds verbeterende gemoedsstemming, maar even voorbij Aarschot begon de motor van mijn Saab ineens te sputteren. Ik kwam tot stilstand in een duister bos en raakte even in paniek, tot een snelle blik op het dashboard mij leerde, dat ik zonder benzine zat. Dat was gelukkig geen probleem voor mij. Ik had altijd een jerrycan met benzine in mijn kofferbak staan; mijn verstrooidheid had mij tijdens mijn zwerftochten al vaker parten gespeeld. Ik vulde mijn tank met de inhoud van de jerrycan, verwisselde mijn Croce-cassettebandje voor een Eagles-cassettebandje en vervolgde onder de stevige klanken van 'Already Gone' mijn weg.
Een paar honderd meter verderop zag ik een andere, mogelijk gestrande auto staan. Het was een witte Jaguar met een Nederlands nummerbord en een loshangende voorbumper. De motorkap stond open en verborg de bovenste helft van een vrouwengestalte. Ik stopte, parkeerde mijn auto voor de Jaguar en stapte aarzelend uit.
"Kan ik u misschien ergens mee van dienst zijn?", vroeg ik, van een afstandje. "Met een lift, of zo?"
Het meisje richtte zich op en mijn adem stokte. Want ik zag een uiterst lieftallig, ongeveer drieŽntwintigjarig meisje, met een lief, kinderlijk gezicht, lange, blonde krulharen, een mollig figuurtje, mooie, stevige benen en hele kleine voeten. Haar schoonheid werd door haar sjofele kleding nog danig versterkt: zij droeg een geel regenjack, een zwarte, wollen mini-jurk met een diep uitgesneden decolletť, zwarte nylonkousen en zwarte, met klei besmeurde laarzen. Zij was zich waarschijnlijk wel van haar aantrekkingskracht bewust. Het antwoord op mijn vraag ging namelijk met een stralende glimlach gepaard:
"Ja, als het niet te lastig voor je is, zou ik graag met je mee willen rijden. Ik moet om twaalf uur iets bij mijn voormalige echtgenoot afleveren. En die woont in Bergen op Zoom. Dus als je mij een lift in die richting kunt geven, zal ik je echt vreselijk dankbaar zijn."
"O, dat is geen probleem!", zei ik, "Stap maar in."
"Ah, dat is echt heel lief van je!"
Het meisje pakte een plastic boodschappentas uit de Jaguar en liep naar mijn auto. Voordat zij instapte, keek zij even naar het struikgewas langs de weg, maar daarna nam zij op mijn achterbank plaats. Zij deed dat op een bevallige manier, die mij totaal uit het veld sloeg. Mijn verwarring vloeide niet alleen voort uit de manier, waarop zij ging zitten. Het zat hem ook in haar parfum, in de zoetige geur van Eau de Cologne, zoals die uit haar boodschappentas opsteeg en die volledig bezit van de auto zou nemen, in het geluid van haar langs elkaar heen glijdende kousen en vooral in de trefzekere, haast tedere gebaartjes, waarmee zij eerst haar laarzen uittrok en daarna de jarretelles van haar schijnbaar losgeraakte linkerkous weer aan de kous vastmaakte.
"Zit je goed?", vroeg ik, met een wat rauwe stem.
"Ja, hoor! Ik zit prima!"
"Goed, dan zullen we maar gauw gaan."
"Doe maar rustig aan, hoor! Mijn ex kan, als het echt moet, best wel even wachten."
"Goed."
Ik stapte in en reed op een nogal geagiteerde manier weg. Ik had het niet eens zo onplezierige gevoel, dat ik daarnet in een val was gelopen, waaruit ik nooit meer zou kunnen ontsnappen.
Het duurde niet lang, voordat we het bos hadden verlaten en in een vallei afdaalden, die door een enorm viaduct werd overspannen. Bij het passeren van dat, uit roze zandsteen opgebouwde viaduct zag ik opeens een hand voor mijn gezicht zweven.
"Stephanie", zei mijn liftster, "Stephanie Mendelaar."
"Johan", zei ik, "Johan Harberts."
"Je vond het toch niet erg, hŤ?"
"Wat?"
"Dat ik daarnet zo open en bloot mijn kous weer vastmaakte."
"Nee, hoor", antwoordde ik, op een timide toon.
"Ah, gelukkig! Het overkomt mij overigens wel vaker, dat mijn jarretelles losschieten."
"O, ja?"
"Ja, ik ben een beetje te dik geworden, de laatste tijd. Ik zal echt een beetje moeten gaan afvallen, in de komende maanden."
"Ach, welnee!"
Ik zag via het achteruitkijkspiegeltje, dat mijn reactie wel in goede aarde bij haar viel: zij glimlachte, op een half verstrooide, half spottende manier.
"Kun je mij na het bezoek aan mijn ex misschien ook naar mijn huis brengen?", vroeg zij.
"Dat zal wel gaan!", antwoordde ik, "Woon je in Bergen op Zoom?"
"Nee, in Nijmegen. Aan de Stijn Buijsstraat, om precies te zijn. Is dat een probleem?"
"Nee, hoor! Dat ligt precies op mijn weg."
"Oh, je bent een engel!"
"Dank je!", zei ik lachend.
De sfeer binnen de auto werd gaandeweg steeds gezelliger. Stephanie bleek een thermosfles met thee bij zich te hebben en was niet ongenegen om de inhoud daarvan met mij te delen. Van het feit, dat zij maar ťťn mok bij zich had, wenste ik vanzelfsprekend geen probleem te maken.
"Wil je straks bij mij blijven eten?", vroeg zij, na een poosje.
"Is dat niet te lastig voor je?"
"Nee, hoor. Maar ik ga er ook niet veel werk van maken. Ik ga in mijn duster achter het fornuis staan en zal ook in mijn duster aan tafel gaan zitten."
"Daar heb ik geen enkel bezwaar tegen."
"Ik weet ook niet, of ik in andere opzichten wel een vlotte gastvrouw zal zijn. Dit zal mijn eerste etentje na mijn scheiding gaan worden en ik weet niet, of ik alweer in staat ben om geanimeerde tafelgesprekken te voeren. Je mag blijven eten en ik wil ook heel graag met je naar bed, daarna, maar verwacht niet, dat ik je tijdens en na de maaltijd de oren van het hoofd klets."
"Och, dat maakt mij niet uit!", zei ik, naar adem happend, "Ik ben zelf ook niet zo'n prater."
"Ha, mooi zo! Ik ben die vlotte praatjesmakers meer dan zat!"
Het gesprek stokte daarna, maar gedurende het vervolg van de reis liet zij zich rustig door mij bewonderen. Ik vond haar eigenlijk wel volmaakt. Zij was brutaal, mooi en mysterieus, een meesterlijk kunstwerkje van Moeder Natuur.
Naarmate de tijd verstreek, verloor het landschap haar bekoring. We verruilden het mooie Hageland voor het vlakke Kempenland rond Lier. Ook de stemming van Stephanie veranderde. Het vlotte ding, dat ik bij Aarschot had opgepikt, zat nu triest ineengedoken, met de armen om de boodschappentas geklemd. Zij straalde ineens een intens, wanhopig verdriet uit.
"Is er iets?", vroeg ik.
"Nee, er is niets", antwoordde zij, met een toonloos stemmetje, "Ik voel mij alleen maar een beetje triest."
"Kan ik iets voor je doen?"
"Nee, liefje. Ik wil alleen maar zo snel mogelijk naar Bergen op Zoom en daarna zo snel mogelijk naar Nijmegen. Ik zal mij pas echt goed voelen als ik veilig in je armen lig. En tot die tijd moet je maar niet op mij letten."
"Goed."
Tot aan Antwerpen beperkte ik mijn aandacht tot de weg en het langzaam wat drukker wordende verkeer, maar toen we Antwerpen waren gepasseerd en met grote snelheid richting grens reden, keek ik opnieuw in mijn achteruitkijkspiegeltje. Wat ik toen zag, luchtte mij nogal op. De gelaatsuitdrukking van Stephanie was kalm en ik zag ook, dat zij haar armen langzaam naar mij uitstrekte.
"Wat ga je doen?", vroeg ik lachend.
"Het spijt mij, liefje! Maar ik kan niet anders. Ik moet dit echt doen!"
Ik voelde, hoe zij haar rechterarm rond mijn hals legde en mijn hoofd in een onwrikbare wurggreep nam. De gevolgen waren rampzalig. Ik verloor de macht over het stuur en kon dus niet verhinderen, dat we slippend van de weg vlogen, een enorme treurwilg tegemoet.
Stephanie liet los. Er volgde een zware klap, waarbij alleen ik uit de auto werd geslingerd. De auto vatte vlam: het gegil van de in de auto achtergebleven Stephanie ging door merg en been. Ik lette er niet op, want ik had meer oog voor haar boodschappentas. Daar stak een al geruime tijd in staat van ontbinding verkerend babybeentje uit. Het was het laatste, wat ik zag. Daarna werd alles zwart...

BERT HARBERTS


De inspiratiebron!

L.O.D. van Billy Ocean!!!


Amsterdam, 3 februari 1985. © Bert Harberts