MOEDERLIEFDE

Op de ochtend van zondag 14 september 1980 ontbeet Johan Harberts om zeven uur in de ontbijtkamer van hotel 'Princess' aan de Korte Zilverstraat te Brugge. Hij was alleen en dronk in een vredige stemming van zijn koffie. Buiten daalde de regen op Brugge neer; binnen klonk op de achtergrond de kalme muziek van 'BRT 2'.
Na een halfuur verliet hij het hotel. Hij stapte in zijn zes jaar oude Saab en maakte nog een laatste rondrit door Brugge. Hij had daar veel plezier van, want de stad toonde haar mooiste gezicht; nu ze zich de regen moesten laten welgevallen, kwamen de kerken en de vele monumentale gebouwen op hun voordeligst uit.
Bij zijn afscheidsrondje over de Grote Markt passeerde hij het Belfort, waarvan de beiaard hem de afgelopen nacht langdurig uit de slaap had gehouden. Hij mompelde iets van: "Teringklok!" en reed daarna grinnikend langs een terrasje, waar hij de vorige avond zowaar een beetje sjans had gehad. Tot iets meer dan een oogcontact was het overigens niet gekomen, hetgeen hij nu toch wel enigszins betreurde.
Toen hij aan de andere kant van het Provinciale Hof de Burg overstak, zag hij, hoe twee bejaarde nonnen langzaam schuifelend in het smalle poortje van de Blinde Ezelstraat verdwenen. De oudjes waren de enige Bruggelingen, die zich op straat vertoonden. De stad leek verder uitgestorven.Hij reed verder over de Groene Rei en wierp tenslotte nog een laatste blik op het Begijnhof aan de overkant van het Minnewater. Ook nu herinnerde het hem weer aan een meisje, dat hij enige maanden daarvoor uit zijn gedachten had moeten bannen.
Tegen achten liet hij Brugge achter zich. Hij draaide de E 5 op en reed daarna in de richting van Brussel. Hoewel de combinatie van de regen, het stervende Vlaamse zomerlandschap en het geluid van de motor, dat door de muziek uit de autoradio heenklonk, hem zeer bekoorde, voelde hij zich toch een beetje depressief. Naarmate hij dichter bij Brussel kwam, welden er ook steeds meer angsten in hem op. Die angsten waren niet bepaald origineel van aard: hij was bang om alleen te blijven, bang om kanker te krijgen, bang om oud te worden en bang om dood te gaan. Een cassettebandje, gevuld met muziek van Jim Croce, bracht toch wel enige verlichting voor zijn gekwelde ziel.
"Arme Jim", dacht hij, "Een born loser met de onweerstaanbare drang tot overleven. Maar hij stierf toch, toen hij eindelijk succes met zijn muziek kreeg. Zoiets zal mij ook wel gebeuren als ik de ware vrouw vind."
Toen hij om kwart voor negen de voorsteden van Brussel binnenreed, begon het harder te regenen. Hij reed door naar het centrum en parkeerde zijn auto voor het Centraal Station: hij wilde toch nog iets van Brussel zien.
Zijn wandeling door het centrum, waar hij ook al de enige bezoeker leek te zijn, eindigde op de Grote Markt. Hoewel hij een liefhebber van regenachtig weer was, was de stortbui, zoals die nu op hem neerstortte, toch iets teveel van het goede. Hij rende dus naar het overdekte terrasje van restaurant 'Couzonne', waar hij bij een vriendelijke kelner een kop koffie bestelde.
Er hing een spookachtige sfeer op het plein: de veelal goudkleurige gevels staken fel af tegen de donkergrijze hemel en het getik van de regen op het dak van het terras had iets lugubers. Mede daardoor verzonk hij opnieuw in sombere overpeinzingen. Die overpeinzingen gingen ditmaal over zijn verleden. Zijn vijfentwintigste verjaardag naderde snel en hij keek nogal verbitterd op die eerste vijfentwintig jaar van zijn leven terug. Hij had daar alle reden toe; hij had zeker geen gelukkige jeugd gehad. Zijn moeder was in het kraambed gestorven, zijn pinnige en lichtzinnige stiefmoeder had niet van hem gehouden en was na enige jaren ook weer van zijn vader gescheiden. Een en ander had tot gevolg gehad, dat Johan het grootste deel van zijn jeugdjaren met een sombere, in zichzelf gekeerde vader had moeten doorbrengen.
De trauma's van die eenzame jeugd waren vanzelfsprekend niet zonder gevolgen gebleven; zijn remmingen tegenover het andere geslacht waren talrijk en waarschijnlijk onuitroeibaar. Hij begon de vrouw steeds meer als een onbekend en hoger wezen te beschouwen, als een wezen met kleine, smalle voetjes, die in slaafse aanbidding gekust behoorden te worden. Dat waandenkbeeld, voortvloeiend uit wat hij zelf zijn 'voetstuksyndroom' noemde, had in de afgelopen tien jaar de basis gevormd voor twee langdurige verliefdheden. Die romances hadden een ietwat melodramatisch verloop gehad: de benen van de betreffende deernen, beiden blond, mollig en katholiek, hadden de weelde van zijn dwaze, hartstochtelijke liefde helaas niet kunnen dragen, met andere woorden: de romances waren in het platonische stadium geëindigd, de lusten waren voor de meisjes geweest en de lasten voor hem.
Hij had tijdens die vrouwenjacht de meest liederlijke stommiteiten begaan en de herinneringen daaraan deden hem warempel weer in het heden terugkeren. De schaamte verdreef de misplaatste weemoed. Zelfmedelijden maakte plaats voor een stuitend cynisme en een vleugje vrouwenhaat.
"Kan ik het helpen, dat al die stomme wijven stront in hun ogen hebben!", dacht hij.
Zijn humeur sloeg om. Al snel voelde hij de behoefte in hem opkomen om de regen te trotseren. Hij betaalde zijn vertering en slenterde over de Groenmarkt naar zijn auto terug, af en toe baldadig in de plassen stampend.
Omstreeks half tien verliet hij Brussel. Aangezien hij geen zin had om rechtstreeks naar huis te rijden, stippelde hij de volgende, tamelijk idiote, omweg uit: Leuven, Aarschot, Diest, Hasselt, grens, Maastricht, Valkenburg, Sittard, Roermond, Venlo, Nijmegen, Arnhem, Doetinchem, Zutphen, Deventer, Zwolle, Harderwijk, Amersfoort, Amsterdam en tenslotte Haarlem. Tot Aarschot zou hij deze route volgen...
Ongeveer halverwege tussen Leuven en Aarschot passeerde hij een klein kerkhof, aangelegd op een heuvel, omringd door hoge populieren en voorzien van een geforceerd toegangshek. De aanblik van dat hek verbaasde hem.
"Zou het een in- of een uitbraak zijn geweest?", mompelde hij melig.
Hij zette zijn reis voort, in een nog steeds verbeterende gemoedsstemming, maar even voorbij Aarschot begon de motor van zijn Saab ineens te sputteren. Hij kwam tot stilstand in een duister bos en raakte even in paniek, tot een snelle blik op het dashboard hem leerde, dat hij zonder benzine zat. Dat was gelukkig geen probleem voor hem. Hij had altijd een jerrycan met benzine in zijn kofferbak staan: zijn verstrooidheid had hem tijdens zijn zwerftochten al vaker parten gespeeld.
Toen hij met de inhoud van de jerrycan zijn tank had gevuld en weer was weggereden, zag hij een andere, mogelijk gestrande, auto staan. Het was een witte Jaguar met een Nederlands nummerbord en een loshangende voorbumper; de motorkap stond open en verborg de bovenste helft van een vrouwengestalte.
Hij stopte, parkeerde zijn auto voor de Jaguar en stapte aarzelend uit.
"Kan ik u misschien ergens mee van dienst zijn?", vroeg hij van een afstandje. "Met een lift, of zo?"
Het meisje richtte zich op en zijn adem stokte. Want hij zag een uiterst lieftallig, ongeveer drieëntwintigjarig meisje, met een lief, kinderlijk gezicht, lange, blonde krulharen, een mollig figuurtje, mooie, stevige benen en opmerkelijk kleine voeten. Haar schoonheid werd door haar sjofele kleding nog versterkt; zij droeg een geel regenjack, een zwarte, wollen mini-jurk, zwarte nylonkousen en zwarte, met klei besmeurde laarzen. Zij was zich waarschijnlijk zeer van haar aantrekkingskracht bewust; het antwoord op zijn vraag ging namelijk met een stralende glimlach gepaard:
"Ja, als het niet te lastig voor je is, zou ik graag met je mee willen rijden. Ik moet om twaalf uur iets bij mijn voormalige echtgenoot afleveren. En die woont in Bergen op Zoom. Dus als je mij een lift in die richting kunt geven, zal ik je echt vreselijk dankbaar zijn."
"O, dat is geen probleem!", zei hij, "Stap maar in."
"Ah, dat is echt heel lief van je!"
Het meisje pakte een plastic boodschappentas uit de Jaguar en liep naar Johans auto. Voordat zij instapte, keek zij even naar het struikgewas langs de weg, maar daarna nam zij op zijn achterbank plaats. Op een bevallige manier, die hem totaal uit het veld sloeg. Zijn verwarring vloeide niet alleen voort uit de manier, waarop zij ging zitten; het zat hem ook in haar parfum, in de zoetige geur van Eau de Cologne, zoals die uit haar boodschappentas opsteeg en die volledig bezit van de auto zou nemen, in het geluid van haar langs elkaar heen glijdende kousen en vooral in de trefzekere, haast tedere gebaartjes, waarmee zij daarna haar jarretelles aan de schijnbaar losgeraakte linkerkous vastmaakte.
"Zit je goed?", vroeg hij, met een wat rauwe stem.
"Ja, hoor! Ik zit prima!"
"Goed, dan zullen we maar gauw gaan."
"Doe maar rustig aan, hoor! Mijn ex kan, als het echt moet, best wel even wachten."
"Goed."
Hij stapte in en reed weg. Toen ze het bos hadden verlaten, daalden ze af in een vallei, die door een enorm viaduct werd overspannen. Bij het passeren van dat uit zandsteen opgebouwde viaduct zag hij opeens een hand voor zijn gezicht zweven.
"Stephanie", zei zijn liftster, "Stephanie Mendelaar."
"Johan", zei hij.
"Je vond het toch niet erg, hè?"
"Wat?"
"Dat ik daarnet zo open en bloot mijn kous weer vastmaakte."
"Nee, hoor", antwoordde hij, op een timide toon.
"Ah, gelukkig! Het overkomt mij overigens wel vaker, dat mijn kousen los schieten."
"O, ja?"
"Ja, ik ben een beetje te dik geworden, de laatste tijd. Ik zal echt een beetje moeten gaan afvallen, in de komende maanden."
"Ach, welnee!"
Hij zag via het achteruitkijkspiegeltje, dat zijn reactie wel in goede aarde bij haar viel: zij glimlachte, op een half verstrooide, half spottende manier.
"Kun je mij na het bezoek aan mijn ex misschien ook naar mijn huis brengen?", vroeg zij.
"Dat zal wel gaan!", antwoordde hij, "Woon je in Bergen op Zoom?"
"Nee, in Nijmegen. Aan de Stijn Buijsstraat, om precies te zijn. Is dat een probleem?"
"Nee, hoor! Dat ligt precies op mijn weg."
"Oh, je bent een engel!"
"Dank je!", zei hij lachend.
De sfeer binnen de auto werd gaandeweg steeds gezelliger. Stephanie bleek een thermosfles met thee bij zich te hebben en was niet ongenegen om de inhoud daarvan met hem te delen. Van het feit, dat zij maar een mok bij zich had, wenste hij vanzelfsprekend geen probleem te maken.
"Wil je straks bij mij blijven eten?", vroeg zij, na een poosje.
"Is dat niet te lastig voor je?"
"Nee, hoor. Maar ik ga er ook niet veel werk van maken. Ik ga in mijn duster achter het fornuis staan en zal ook in mijn duster aan tafel gaan zitten."
"Daar heb ik geen enkel bezwaar tegen."
"Ik weet ook niet, of ik in andere opzichten wel een vlotte gastvrouw zal zijn. Dit zal mijn eerste etentje na mijn scheiding worden en ik weet niet of ik alweer in staat ben om geanimeerde tafelgesprekken te voeren. Je mag blijven eten en ik wil ook heel graag met je naar bed daarna, maar verwacht niet, dat ik je tijdens en na de maaltijd de oren van het hoofd klets."
"Och, dat maakt mij niet uit!", zei hij, naar adem happend, "Ik ben zelf ook niet zo'n prater."
"Ha, mooi zo! Ik ben die vlotte praatjesmakers meer dan zat!"
Zoals te verwachten viel, stokte het gesprek daarna, maar gedurende het vervolg van de reis liet zij zich rustig door hem bewonderen. Zij was een aanbiddelijk meisje: brutaal, mooi, mysterieus, een meesterlijk kunstwerk van Moeder Natuur.
De tijd verstreek en het landschap verloor zijn bekoring: ze verruilden het Hageland voor het vlakke Kempenland rond Lier. Ook de stemming van Stephanie veranderde. Het vlotte ding, dat hij bij Aarschot had opgepikt, zat nu triest ineengedoken, met de armen om de boodschappentas geklemd. Zij straalde ineens een intens, wanhopig verdriet uit.
"Is er iets?", vroeg hij.
"Nee, het is niets", antwoordde zij, met een toonloos stemmetje, "Ik voel mij alleen maar een beetje triest."
"Kan ik iets voor je doen?"
"Nee, liefje. Ik wil alleen maar zo snel mogelijk naar Bergen op Zoom en daarna zo snel mogelijk naar Nijmegen. Ik zal mij pas echt goed voelen als ik veilig in je armen lig. En tot die tijd moet je maar niet op mij letten."
"Goed."
Tot aan Antwerpen beperkte hij zijn aandacht tot de weg en het langzaam wat drukker wordende verkeer, maar toen ze Antwerpen waren gepasseerd en met grote snelheid richting grens reden, keek hij opnieuw in zijn achteruitkijkspiegeltje. Wat hij toen zag, luchtte hem nogal op. De gelaatsuitdrukking van Stephanie was kalm en hij zag ook, dat zij haar armen langzaam naar zich uitstrekte.
"Wat ga je doen?", vroeg hij lachend.
"Het spijt mij, liefje! Maar ik kan niet anders: ik moet dit doen!"
Hij voelde, hoe zij haar rechterarm rond zijn hals legde en zijn hoofd in een onwrikbare wurggreep nam. De gevolgen waren rampzalig. Hij verloor de macht over het stuur en moest toezien, hoe ze slippend van de weg vlogen, een enorme treurwilg tegemoet.
Stephanie liet los. Er volgde een zware klap, waarbij alleen Johan uit de auto werd geslingerd. De auto vatte vlam: het gegil van de in de auto achtergebleven Stephanie ging door merg en been. Johan lette er niet op. Hij had meer oog voor haar boodschappentas. Daar stak een al geruime tijd in staat van ontbinding verkerend babybeentje uit. Het was het laatste, wat hij zag. Daarna werd alles zwart...

BERT HARBERTS


Terug

Amsterdam, 3 februari 1985. © Bert Harberts