PENSIOEN

Het was een zonnige en warme donderdagochtend. In die o zo pittoreske dorpsstraat was de rust volledig, in een van de kleinste huizen aan die dorpsstraat werd die rust slechts door het geruis van fietspedalen verstoord. Dat geruis was afkomstig van de hometrainer van de bewoonster van het huisje, de blonde, zesendertigjarige Sandy Bos. Zij was al een poosje aan het fietsen, in een overigens niet al te sportieve outfit. Over de functie van die veelkleurige duster, die witte, wollen maillot en die roze pantoffels tastte haar eveneens zesenendertigjarige vriend, voormalig topvoetballer Maarten Harberts, volledig in het duister, maar hij kon wel zien, dat zij door al haar inspanningen hevig transpireerde.
Ze leefden al achttien jaar samen, eigenlijk al vanaf het begin van zijn voetbalcarrière. Sandy had in die achttien jaar altijd in zijn schaduw geleefd; aan een eigen carrière was zij bijvoorbeeld niet toegekomen. Zij had daar ook nooit behoefte aan gehad. Zij bezat een aanzienlijk vermogen, afkomstig uit de erfenis van haar vader, bij leven een rijke hereboer uit Durgerdam, en Maarten had haar in al die jaren zonder morren onderhouden. Gezamenlijk bezaten ze iets meer dan zeven miljoen gulden. Vijfzevende daarvan had Maarten tijdens zijn voetbalcarrière verdiend; tweezevende had Sandy ingebracht. Aan hun bezittingen was hun rijkdom nauwelijks af te lezen. Hun huis was zeer sober ingericht, ze bezaten maar één auto, een Volvo 999, en in het haventje van het dorp lag een kleine polyesterboot, waarmee ze in de zomer regelmatig door Waterland voeren.
In wezen had hij tijdens zijn carrière bijna alles gewonnen, wat er als voetballer maar te winnen was geweest. De wereldtitels met het Nederlands Elftal in 1974 en 1978 en de Europese titel met het nationale team in 1988 waren zijn voornaamste trofeeën geweest, maar met Ajax had hij ook zevenmaal de Europacup voor landskampioenen en tweemaal de Europacup voor bekerwinnaars gewonnen. Zijn erelijst werd, behalve door zeven wereldcups en zeven Europese supercups, ook nog door zes landskampioenschappen en vier KNVB-bekers gecompleteerd. Al die successen, in combinatie met het feit, dat hij gedurende zijn hele carrière in Nederland was gebleven, hadden hem een unieke positie binnen de Nederlandse sportwereld opgeleverd.
Na zijn afscheid als profvoetballer in de zomer van 1988 leefden hij en Sandy rustig en teruggetrokken. Hij had genoten van de rust na vijftien, hectische topsportjaren en vooral van de goede zorgen van Sandy. Hun relatie, waarop toch al weinig was aan te merken, had zich in de jaren na 1988 nogal verinnigd. Ze waren overigens zowel ouder- als kinderloos. Maartens ouders hadden in 1974 bij een auto-ongeval het leven verloren; Sandy's ouders waren in 1991 vlak na elkaar aan een hartkwaal overleden. Sandy zelf had nooit kinderen kunnen krijgen. Het ontbreken van die kinderen in hun leven was een gemis, waar ze langzaam overheen waren gegroeid.
Omdat ze allebei enig kind waren geweest, hadden ze verder niet veel familie. Hun vriendenkring was klein en met hun buren en andere dorpsgenoten gingen ze ook niet veel om. Ze werden door hun dorpsgenoten met respect bejegend, maar tot diepgaande contacten was het nooit gekomen. Het kon hen niet veel schelen. Ze waren nogal eenkennig en zwijgzaam van aard en ze hadden genoeg aan elkaar.
Door hun welstand was de noodzaak tot het hebben van een baan voor Maarten afwezig geweest. Hij had door de jaren heen een paar aanbiedingen gekregen, maar hij had ze allemaal vriendelijk, doch beslist afgewezen. Hij had in de herfst van 1988 rust en anonimiteit gezocht en die uiteindelijk ook gevonden.
Het welbekende 'zwarte gat' was voor hem achterwege gebleven. Hij had het klungelend-de-dag-doorkomen tot een regelrechte kunst verheven. Het enige, wat hij deed, was gitaarspelen, lezen en een beetje in de tuin werken. Elke dag genoot hij van de sleur, de regelmaat en de nabije aanwezigheid van zijn vriendin met wie hij in de voorbije achttien jaar al zijn lief en leed had gedeeld. Sandy had zijn soepel verlopen herintreding in het normale leven met voldoening aangezien en had zich daarbij moeiteloos aangepast. Ze leefden in het landerige Holysloot als twee kruisings tussen Oblomow en Alexander J. Weatherwood; ze waren daar allebei ook zeer tevreden mee.
Wat bleef, waren de kleine, oppervlakkige zorgen van alledag. Voor hem waren dat de aanhoudende problemen met hun veel te oude auto, of de noodzaak om het huis weer eens te schilderen, voor Sandy was dat haar snel stijgende lichaamsgewicht. Dat overgewicht was ook de reden, waarom zij nu al een tiental minuten op haar hometrainer zat.
"Heb je nou nog niet genoeg gefietst?", vroeg hij gemelijk.
"Ik ga nog eventjes door."
"Waarom heb je je eigenlijk zo gek uitgedost?"
"Ach, dat is toch wel duidelijk? Hoe meer kleren ik aan heb, hoe meer vocht ik verlies."
"Denk je, dat het helpt?"
"Misschien. Je kunt nooit weten."
Na een poosje was zij toch uitgefietst. Zij stapte af, trok de duster, de maillot en de pantoffels uit en liep naar de douchecel op de gang. Tijdens haar afwezigheid begon ook Maarten enige activiteiten te ontplooien. Hij stond op, waste zich, kleedde zich aan en dekte de tafel. Van dat laatste werkje kreeg hij niet veel eer, want toen zij in haar slipje de kamer kwam binnenstormen, negeerde zij de welvoorziene dis en ging zij meteen op de weegschaal staan.
"En?", vroeg hij vriendelijk.
"Maar een halve kilo eraf!", antwoordde zij, met een sip gezicht.
"O, gossie! Dat spijt mij voor je!"
Hij greep haar bij de onderarm en trok haar op schoot. Iets, wat hij in jaren al niet meer had gedaan. Het viel in goede aarde bij haar.
"Spijt het je echt?", vroeg zij.
"Ja, en ik hoop ook vurig, dat je door dit teleurstellende resultaat niet gedesillusioneerd raakt."
"Nee, hoor! Ik ga er maar gewoon mee door, hè?"
"Dat zou ik ook zeggen. Het is namelijk ook in mijn belang, dat je aan je gewicht en dus aan je gezondheid denkt.
"Hoe bedoel je?"
"Ik wil niet, dat jij op je zestigste ook tegen een fataal hartinfarct oploopt. Ik heb absoluut geen zin om de laatste jaren van mijn leven in mijn eentje door te brengen."
"Ah, dat is lief van je!", zei zij, zichtbaar ontroerd.
Hij trok haar nog wat steviger tegen zich aan en drukte op een wat ironische manier een kus op haar mooie, donzige hals.
"Wat wil je vandaag gaan doen?", vroeg hij.
"Zullen we gaan varen?"
"Naar ons eilandje in Twiske?"
"Ja, dat lijkt mij prima. Het lijkt mij wel weer eens leuk om achter het riet te vrijen."
"Okay, dan doen we dat!"
Zij gleed van zijn schoot af en ging tegenover hem zitten. De bedoeling daarvan werd hem al snel duidelijk.
"Zou je mij straks een groot plezier willen doen?", vroeg zij aarzelend.
"Ja, hoor! Ik ben in een heel goed humeur, dus ik ben voor alles te porren."
"Ik weet eigenlijk niet goed, hoe ik het moet vragen."
"Probeer het toch maar!"
"Goed, maar alleen als je mij belooft, dat je niet boos zult worden."
"Ik zal niet boos worden."
"Nou, ik wil dus eigenlijk niet, dat je mij straks op het eiland weer het gevoel geeft, dat ik de mooiste en liefste vrouw ter wereld ben."
"Wat wil je dan wel?"
"Ik heb vandaag meer behoefte aan iets anders. Aan iets ruigers, aan iets wilds en misschien ook wel iets, wat een beetje pervers is."
"Waarom?"
"Ik weet het niet. Ik eh... heb er gewoon behoefte aan."
Er viel een stilte. Hij staarde naar zijn bord, maar zei niets, wat op instemming of afkeuring kon duiden.
"Mag ik uit je zwijgen opmaken, dat je daar geen bezwaar tegen hebt?", vroeg zij lachend.
"Dat mag je. Ik heb er inderdaad geen bezwaar tegen."
"Weet je ook al, wat je straks met mij gaat doen?"
"Ja.
"Ah, prima."
Weer werd het stil. Hij besmeerde een boterham met Becel, pulkte met zijn mes een plakje kipfilet los, legde het op de boterham en begon kalm te eten. Zijn vriendin bleef alle lekkernijen negeren. Zij stond op en begon zich met een zekere aarzeling aan te kleden.
Na een paar minuten zat zij weer bij hem aan tafel, gekleed in een rood mini-jurkje en korte, zwarte laarsjes.
"Hoe laat wil je weggaan?", vroeg zij.
"Zo snel mogelijk."
"Waarom?"
"Als we nu gaan, is het nog niet zo druk en is de kans ook kleiner, dat ik in mijn bezigheden word gestoord."
"Wat ga je met mij doen?", vroeg zij, met een ineens wat bibberend stemmetje.
Hij gaf geen direct antwoord, maar wat hij wel zei, deed haar nogal verbleken:
"Het allerleukste van Twin Peaks was de mogelijkheid om je met de hoofdpersonen te identificeren. Neem nou Dale Cooper, die in het echt dus Kyle Maclachlan heet en in dat echte leven maar op twee dingen verzot is: vrouwen en koffie. Met een vent als hij is het goed kersen eten. Maar neem zijn tegenspeler nou: 'Bob', de verpersoonlijking van het Kwaad..."
Die woorden waren op zich al dreigend genoeg. Het vervolg op die woorden, een op treiterige toon gestelde vraag, leek de uitwerking van een genadeslag te hebben, want haar antwoord op de vraag "Hoe vaak ben jij eigenlijk met een andere man naar bed geweest?" kwam heel snel en was door zijn precisie ook wel een beetje lachwekkend te noemen:
"Ik ben in 1977 zeven keer met een man van eenendertig naar bed gegaan en ik heb tien jaar later een weekje met de zoon van die man liggen stoeien."
"Ah, veertien keer dus!", zei hij, met een koket, maar luguber klinkend lachje.
"Ja."
"Vertel eens wat meer over die twee!", vroeg hij, met een lijzige stem.
"Wil je dat echt weten?"
"Ja."
"Het gebeurde telkens als jij in een trainingskamp zat. De man heb ik tijdens een wandeling over de dijk ontmoet. De jongen is hier gewoon een keer binnen komen lopen. De vader was de wildste van de twee, de zoon de liefste. De een wilde alleen maar op de meest ruige manier met mij neuken, de ander wilde het liefst alleen maar naar mij kijken. Voor de een was ik iets meer dan een hoer, voor de ander was ik bijna een engel. De een bleef nooit langer dan een half uur, de ander was niet bij mij weg te slaan."
"Hoe zagen ze er uit?"
"De man was kort en gedrongen. Hij had een heel knap gezicht met zwarte haren en een baard."
"En de jongen."
"De jongen leek waarschijnlijk meer op zijn moeder. Hij was lang en blond en had een wat weker gezicht. Hij deed mij veel meer aan jou denken dan aan zijn vader."
"Wie had je voorkeur?"
"De jongen."
"Waarom?"
"Omdat hij zo lief was! Het was een genot om elke morgen op de drempel van de tuindeur te zitten en hem door de weilanden te zien naderen. Het was een genot om mij onder zijn ogen uit te kunnen kleden. Het was een genot om zijn liefkozingen te ondergaan en het was een genot om met hem te neuken. Je mag ervan denken, wat je wilt, maar telkens als hij hier was, voelde ik mij de koning te rijk."
Er viel opnieuw een stilte. Sandy keek angstig voor zich uit; Maarten daarentegen dronk met rustige teugen van zijn koffie.
"Wat zit er in de tas?", vroeg zij, wijzend op een tas, die al sinds gisteravond op het aanrecht stond.
"De spullen voor de picknick. De broodjes, de thermosfles met koffie, en nog een paar andere grappige dingetjes, die met jou te maken hebben."
"Wat voor grappige dingetjes?"
"Dat zul je straks wel merken."
"Draaf je nou niet een beetje te ver door?", protesteerde zij zwakjes.
"Nee, dat denk ik niet. Je zult pas merken, wat ik met je wil doen als je daar in Twiske op het open plekje naakt achter het riet ligt."
"Waarom mag ik het dan pas merken?"
Hij gaf haar geen antwoord. Integendeel: hij reageerde met een onzinnige tegenvraag:
"Was je zometeen nog af?"
"Ja."
"Ah, prima! Het is altijd prettig om na gedane arbeid in een opgeruimd huis terug te keren."
"O, hou op!"
De stilte rondom het huis werd even door een voorbijrijdende SRV-wagen verstoord. Maarten stond op, liep naar het venster boven het aanrecht en zwaaide naar de bestuurder, die ze al bijna vijftien jaar kenden.
"Als hij terugkomt, gaan wij weg", zei hij.
"Goed."
"Maar voor het zover is, wil ik je eerst even grondig inspecteren."
Hij knielde voor haar neer, schoof met een snelle handbeweging haar jurkje omhoog, trok haar slipje van haar billen en liet het op haar voeten vallen. Zij verzette zich niet. Zij liet zich onderzoeken, alsof zij een koe op een jaarmarkt was en zij leek dat zelfs wel plezierig te vinden.
"Ze mogen er nog steeds wel zijn, die dijen en die billen van jou!", zei hij voldaan.
"Dank je."
"Ik denk, dat ik er straks veel genoegen aan zal beleven."
"Denk je?"
"Ik weet het eigenlijk wel zeker! Ik wil ook zo snel mogelijk weg."
"Waarom?"
"Omdat ik een heleboel dingen met je wil gaan doen."
"Maar wat voor dingen dan?"
"Dat hangt er vanaf."
"Van wat?"
"Van wie er straks op het eiland in mij de overhand krijgt. Als de Maarten in mij het misschien toch nog wint, zul je nergens bang voor hoeven zijn, maar als 'Bob' het wint, zul je het wel wat moeilijker krijgen."
"Hoe bedoel je?"
"Dat zul je in dat geval echt heel snel merken. Hee, waar ga je nou heen?"
Zij was opgestaan en volkomen overstuur de achtertuin ingerend. Hij liet haar maar begaan en begon fluitend aan de afwas. Hij ging daarmee door tot de SRV-wagen hun huis weer was gepasseerd. Daarna liep hij kalm naar haar toe.
"Kees is weg", zei hij, vanzelfsprekend doelend op de SRV-man, "Het is tijd om te gaan."
"Je wilt dit echt doorzetten?", vroeg zij, terwijl zij met de armen over elkaar naar de staalblauwe hemel tuurde.
"Ja."
"Waarom?"
"Ten eerste, omdat jij het zelf zo wilt en ten tweede, omdat ik dan ook zeker weet, dat je nog steeds van mij houdt. En wat net zo belangrijk is: dat je mij ook nog steeds volledig vertrouwt."
"Is dat echt belangrijk voor je?"
"Ja, want je moet ook echt weten, dat Maarten het altijd en in alle omstandigheden van 'Bob' zal winnen."
"Waarom?"
"Omdat je dat verdient. Omdat je mij in het verleden altijd op de been hebt gehouden en omdat je zo moedig bent geweest om je slippertjes aan mij op te biechten. Ook daarom wil ik, dat je nu aan den lijve ondervindt, dat ik daar helemaal niet kwaad om ben."
"Meen je dat?"
"Ja, ik heb nooit gedacht, dat je mij altijd trouw zou kunnen blijven. En ik heb dat ook nooit van je verlangd. Ik wist, dat je je soms stierlijk verveelde als ik in een trainingskamp zat en ik wist ook, dat je maar heel moeilijk zonder seks kon leven."
"Kunt leven."
"Kunt leven. Om die redenen heb ik die mogelijke slippertjes van jou dus altijd als een soort wisselgeld beschouwd. Jij stelde mij op alle mogelijke manieren in staat om alles voor het voetbal opzij te zetten en ik zette daar van mijn kant iets tegenover door je je seksuele vrijheid te gunnen."
"Ah."
"Bovendien ben ik, als ik die achttien jaar overzie, nooit iets bij je tekort gekomen ben. Integendeel: jij bent degene geweest, die mij na het ongeluk van mijn ouders op de been hebt gehouden en dat is iets, waar ik je nog steeds vreselijk dankbaar voor ben. Bovendien heb je in de jaren daarna altijd voor mij klaargestaan als ik je heel erg nodig had. Ik sta dus nog steeds flink bij je in het krijt."
Het duurde lang, voordat zij iets kon zeggen, maar het lukte haar uiteindelijk wel:
"Je bent lief!"
"Heb ik je een beetje gerustgesteld?"
"Nog niet helemaal. Want ik wil toch wel graag even weten, wat er nou precies in die tas zit."
"Daar zitten alleen broodjes en twee thermoskannen met koffie in."
"Echt?"
"Erewoord!"
Dat bleek het verlossende woord te zijn. Zij liep, zonder verder iets te zeggen, het huis binnen en na een paar minuten liep zij met de tas om haar schouder de tuin weer in.
"Ik ben er helemaal klaar voor!", zei zij lachend.
"Prima!"
Een minuut later liepen ze over de Dorpsstraat naar hun bootje toe, dat in het haventje was afgemeerd. Maarten droeg de tas en Sandy drentelde vrolijk naast hem voort.
"Heb ik je toen in 1974 echt op de been gehouden?", vroeg zij.
"Ja, zonder jou had ik het echt niet gered. Zonder jou had ik al zeker achttien jaar in een psychiatrische inrichting gezeten."
"Hè?"
"Ik meen het! Zonder jou was ik er in 1974 aan onderdoor gegaan. Ik heb ook echt op het randje gelegen."
"Maar waarom dan? Je had echt alles al, op dat moment. Je had mij, we hadden net een leuk flatje gekocht, je was doorgebroken bij Ajax, je had je in het Nederlands Elftal gespeeld, waar je na die eerste wedstrijden al niet meer uit weg te denken was..."
"Ik weet het. Maar dat kon allemaal niet voorkomen, dat ik in die maanden na het ongeluk van papa en mama verschrikkelijk depressief was."
"Kwam het echt alleen maar daardoor?"
"Ja, en door de onverkwikkelijke publiciteit daarover. En natuurlijk ook door het nieuws van je onvruchtbaarheid. Ik was in één maand mijn voorgeslacht en het uitzicht op mijn nageslacht kwijtgeraakt. Ik had, behalve jou en die paar halvegare neven van mij, helemaal niemand meer."
"Kun je ongeveer aangeven, hoe het er in die dagen met je voorstond?"
"Ik was dusdanig depressief, dat ik wel dood wilde, maar ik miste tegelijkertijd de moed om er zelf een eind aan te maken. En dat is, naar mijn bescheiden mening, een gemoedsstemming, die ieder mens stapelgek kan maken."
"En is het echt zo, dat je er door mij bovenop bent gekomen?"
"Ja, want als ik 's nachts eenmaal jouw armen weer om mij heen voelde, voelde ik het verlangen naar de dood telkens weer heel snel wegvloeien. Het waren jouw armen, die mij telkens weer op de been hielpen, het waren ook jouw armen, die mij uiteindelijk van al mijn geestelijke kwalen hebben verlost."
"Maar hoe voel je je nu dan? Na dat nieuws van mijn slippertjes?"
"Goed, natuurlijk!"
"Echt?"
"Ja, want je hebt mij daardoor een vrijbrief gegeven om de hele middag naar hartelust met je mooie lichaam te mogen stoeien. Ik kan op dit moment echt niets verzinnen, wat mij leuker lijkt. Dit soort momenten, dit rustige voorbereiden op een wild middagje, zijn de leukste momenten in het leven. Daar zal ik nooit genoeg van kunnen krijgen."
"Maar zal het leven dan nog wel leuk zijn als we oud en lelijk zijn?"
"Het leven zal altijd leuk zijn! En wat nog veel belangrijker is: het leven zal ook altijd zin en inhoud hebben."
"Echt?"
"Ja, natuurlijk! Zelfs voor geile lapswanzen zoals wij. In 1974 ervoer ik het leven als een kwelling, maar nu ervaar ik het als een geschenk, als een goddelijke gift, waarmee ik heel zorgvuldig moet omgaan. Ik weet nu ook, dat ik gedurende de rest van mijn leven elke morgen blijmoedig uit mijn bed zal stappen."
"Waarom dan?"
"Omdat elke nieuwe dag mij een kans geeft om in geestelijk opzicht te groeien. Om een beter mens te worden, voor mijzelf en natuurlijk ook voor anderen."
"We hebben anders helemaal niet zo veel redenen om zo blijmoedig door het leven te stappen."
"Mens, je bent gek! We zijn gezond, we houden van elkaar en we zijn hartstikke rijk!"
"Maar we zijn al wel onze ouders kwijt, we zullen nooit kinderen hebben..."
"Tja, dat is waar. Maar dat geeft ons nou juist het recht om ook daadwerkelijk van al het goede te genieten, dat ons ook ten deel is gevallen. Juist omdat we de schaduwzijden van het leven maar al te goed kennen."
"Ben je de laatste tijd ook weer 'groter gegroeid'?", vroeg zij lachend.
"Ja, ik heb gisteravond toegekeken, hoe Ajax voor het eerst zonder mij een Europacup veroverde en ik heb mij daar niet treurig, maar wel heel erg trots over gevoeld. En vandaag heb ik eindelijk de moed gehad om naar je slippertjes te informeren. En omdat mij dat ook echt helemaal niets deed, weet ik, dat ik eindelijk een beetje volwassen begin te worden."
Inmiddels waren ze bij het bootje aangekomen. Hij sprong er met tas en al in en begon zich vervolgens met de motor bezig te houden.
"En je wilt echt niet van mij af?", vroeg zij.
"Nee, waarom zou ik?"
"Ach, je zou natuurlijk op zoek kunnen gaan naar een meisje, dat je alsnog van een nageslacht kan voorzien."
"Nee, dat wil ik niet. Ik wil geen ander en ik wil ook geen kinderen meer. Ik wil alleen maar, dat jij in goede gezondheid tot het einde van mijn leven bij mij blijft."
"Je meent het, hè?"
"Ja."
"Nou, in dat geval..."
"In dat geval wat?"
"In dat geval zal ik het heel fijn vinden om straks voor jou of voor 'Bob' achter het riet te liggen."
"Echt?"
"Ja, echt! Ik ben ook heel erg nieuwsgierig naar het verschil tussen jou en 'Bob'."
"Dat is, wat ik daarnet al zei", zei hij lachend, "Ik zal heel erg lief zijn en 'Bob' heel erg stout."
"Hm, ik ben eigenlijk helemaal niet meer bang voor 'Bob'."
"Echt niet?"
"Nee, want ik heb gemerkt, dat ik 'hem' toch wel makkelijk aankan."
"Ja, dat is natuurlijk ook wel zo."
"Daarom mag je, als ik zometeen bij je in het bootje kom zitten, best wel weer 'Bob' zijn, hoor!"
"Echt?"
"Ja, echt! Ik heb daarnet ook allerlei leuke dingetjes in de tas gestopt, waarmee 'Bob' zometeen zijn voordeel kan gaan doen."
"O, wat leuk!", riep hij lachend.
"En als we eenmaal op het eilandje zitten, mag 'hij' ook echt alles met mij gaan doen, wat 'hij' leuk en lekker vindt."
"Mag 'hij' ook echt heel gemeen zijn?"
"Ja, 'hij' mag echt heel gemeen zijn! Laat hem maar lekker zijn hart ophalen!"
"Goed, kindje! Als je dat echt wilt, dan zal 'Bob' je zometeen op je wenken gaan bedienen."
De motor begon eindelijk te draaien en Sandy stapte met enige moeite het bootje in. Even leek zij nog te aarzelen, maar uiteindelijk zette zij zich glimlachend op het voorste bankje neer. Daarna voeren ze in een rustig tempo het haventje uit.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 10 december 1993. © Bert Harberts