STRØGET BLUES

1. In juni 1978 was Danny's romance met zijn collega Gabriëlle Sibeyn, snel ontloken, maar lang in een prenataal stadium gebleven, in een veelbelovende liefdesrelatie overgegaan, die bijna vier jaar zou gaan duren. Het happy-end had bijna een heel jaar op zich laten wachten, maar aan het begin van de dag, waarop dit verhaal zich afspeelt, lag zij dan toch zoetjes in zijn armen. Terwijl hij zich langzaam uit haar omhelzing losmaakte, nam hij haar glimlachend in ogenschouw.
Hoewel zij tweeëntwintig was, zag zij eruit als een meisje van zeventien. Zij had een lief gezichtje met donkerbruine haren en een lang, tenger lichaam. Die teerheid van haar lichaamsbouw fascineerde hem even sterk als haar karakter en dan vooral omdat zij veel van twee van zijn meest geliefde literaire heldinnen weg had. Qua karakter was zij namelijk een geslaagde symbiose tussen Dora Spenlow, het lieve, snoezige kindvrouwtje uit 'David Copperfield' van Charles Dickens, en Cornélie de Retz van Loo, de naar onafhankelijkheid strevende jongedame van gegoede afkomst uit 'Langs Lijnen der geleidelijkheid' van Louis Couperus.
Die tegenstrijdigheid in haar karakter had hen in het afgelopen jaar danig parten gespeeld. De Dora in haar was als een blok voor zijn charmes gevallen, de Cornélie in haar had zich daarentegen hevig tegen haar overgave verzet. De gevolgen van die houding hadden ook in zijn karakter iets tegenstrijdigs blootgelegd, waarvan Couperus zou hebben gesmuld. De zachtmoedige Duco van der Staal in hem had tevergeefs naar haar gunsten gedongen, de ruwe en hardvochtige Rudolf Brox in hem had uiteindelijk haar weerstand gebroken.
De overgave van de rede aan het bloed was op een koele, grijze zaterdag getekend. Hij kon zich de gebeurtenissen van die avond nog moeiteloos voor de geest halen. Haar onverwachte bezoek, de wandeling naar de pizzeria, het etentje in die pizzeria, de wandeling naar zijn huis, het binnengaan van zijn huis, het betreden van zijn slaapkamer, het neerploffen op dat bed, die hunkerende blik, waarmee zij naar hem had opgekeken, het bruuske gebaar, waarmee zij haar broek had uitgetrokken, de aanblik van haar mooie, slanke benen en haar poezelige voetjes, het waren beelden, waarvan hij misschien wel nooit meer los zou komen.
In de drie maanden daarna, waarin ze vrijwel nooit meer van elkaar gescheiden waren geweest, waren er andere, mooie beelden bijgekomen. Zij had iets over zich, waar hij niet meer buiten kon. Het was haar zachtheid, het waren haar lieve maniertjes, het was haar manier van lopen, het was de manier, waarop zij met hem vrijde. Hij genoot niet alleen van de avonden en de nachten; de ochtenden waren hem net zo dierbaar. Hij vond het heerlijk om haar wakker te zien worden, hij vond het heerlijk om toe te kijken als zij zich aankleedde. Vooral ook om de manier, waarop zij dat deed. Zij kleedde zich aan om uitgekleed te worden en zij was daar al snel heel bedreven in geraakt. Elke keer als zij in zijn aanwezigheid haar beha omdeed, of met die lome, suggestieve gebaartjes haar slipje, haar panty en haar jurkje of rokje aantrok, legde zij hem vaster aan de ketting.
Na het wassen en het aankleden maakte hij in de keuken een ontbijt voor haar klaar. Een simpel ontbijt, bestaande uit twee beschuitjes met hagelslag en een mok thee. Eenmaal terug in zijn slaapkamer kwam hij tot de ontdekking, dat zijn lieftallige bedgenote inmiddels al was wakker geworden. Zij wreef omstandig de slaap uit de ogen en keek hem daarna enigszins lodderig aan.
"Wat is dat?", vroeg zij.
"Je ontbijt."
"Oh, wat lief!", murmelde zij vergenoegd.
Zij richtte zich half op, met het laken vast onder haar oksels geklemd, nam enigszins blozend het dienblad aan en begon met een wat schuwe gelaatsuitdrukking te eten.
"Eet smakelijk", zei hij.
"Dank je!"
"Is het lekker?", vroeg hij.
"Ja, het is ook erg attent van je!"
"Ach, zo ben ik nu eenmaal."
"Hoe laat is het?", vroeg zij, tussen twee happen door.
"Zes uur."
"Hoe laat gaat de trein?"
"Om twee minuten over zeven. Je hebt dus nog een half uur."
"Voor wat?"
"Voor je ontbijt, het wassen en het aankleden."
"Ah."
"Dus eet maar gauw door, hè?"
"Okay", zei zij kleintjes.
Hij stond op en liep gniffelend naar de keuken terug, voor de afwas van de vorige avond. Een paar minuten later kwam ook Gabriëlle die keuken binnen, gekleed in een beha, een slipje en met een rood, wollen jurkje en een donkerbruine panty onder haar arm geklemd. Zij legde het jurkje op de keukentafel, schoof hem met zachte hand van de kraan weg en begon zich rustig te wassen. Hij vond het een aangenaam schouwspel, waar hij, inmiddels gezeten op een van de keukenstoelen, volop van genoot. Na het wassen en het afdrogen ging zij op de andere keukenstoel zitten om op haar gemak het jurkje en de panty aan te kunnen trekken. Danny zag ook dat lachend aan. Het jurkje was korter dan hij had verwacht: de zoom reikte tot ver boven haar knieën. Daar was hij toch wel heel erg tevreden mee. Hij stond op, liep naar haar toe, knielde voor haar neer, legde zijn handen rond haar kuiten en stal zijn eerste kus van die dag. Die viel in goede aarde bij haar. Zij sloeg haar armen rond zijn hals en keek hem nogal vorsend aan.
"Moeten we echt al weg?" vroeg zij.
"Eh, ja!", antwoordde hij, na een korte blik op de keukenklok te hebben geworpen, "We moeten echt heel snel weg gaan."
"Hm, jammer! Dit was weer een van die momenten, waarop al mijn remmingen weer eens volkomen waren weggevallen. Op momenten zoals deze wint de liefde het glansrijk van mijn verlegenheid. Dan ben ik werkelijk tot alles bereid."
"Ik weet het, maar nogmaals: de tijd dringt..."
"Hm, nou! Vooruit dan maar!"
Ze verlieten het huis en liepen door de regen naar de bushalte bij de Meeuwenlaan. De eerste bus was een bus van lijn 32, waarin ze zonder moeite twee zitplaatsen konden vinden. Na het vertrek van de bus, greep Gabriëlle met een peinzend gezicht naar haar voeten.
"Wat is er?", vroeg hij.
"Mijn voeten zijn een beetje nat."
"Ik schop misschien een open deur in...", begon hij aarzelend, "Maar had je niet beter dichte schoenen aan kunnen trekken? Die sandalen staan je natuurlijk heel leuk, maar..."
"Ja, je hebt gelijk", zei zij, met een kort lachje, "Als we straks in de trein zitten, mag jij ze droogwrijven. Wil je dat doen? Als je het niet doet, krijg ik misschien een longontsteking."
"Ja, natuurlijk wil ik dat. Het zal het plezier in de treinreis zeer vergroten."
"Ah, prima!"
"Heb jij er eigenlijk ook een beetje zin in?"
"Ja!" antwoordde zij, met een naïeve, verwachtingsvolle blik in haar ogen, "Het idee om dertien uur met jou in een eerste-klassecoupé te mogen zitten, staat mij heel erg aan."
"Da's mooi! Laten we dan maar hopen, dat we de coupé de hele dag voor onszelf mogen hebben."
Bij de halte aan de Prins Hendrikkade, schuin tegenover het Victoria Hotel, stapten ze uit. Tijdens de korte wandeling naar het station huppelde Gabriëlle vrolijk naast Danny voort, maar bij het passeren van een kiosk in de stationshal trok zij opeens aan zijn mouw.
"Stop eens!", riep zij.
"Waarom?"
"Omdat ik trek in koffie heb. Als jij nou even mijn tas overneemt, zal ik mij wel even opofferen en in de rij gaan staan. Wil je ook wat?"
"Ja, natuurlijk!"
"En wat wil je dan wel?"
"Een koffie, met suiker en koffieroom en twee broodjes met kaas en beide met mosterd, natuurlijk."
"Verder nog wat van uw dienst?"
"Ja, ik wil jou als toetje."
"Smerige seksmaniak!"
Hij liep grinnikend door naar het vierde perron, waar de trein zou aankomen. Een paar minuten later kwam ook Gabriëlle het perron oplopen. Zij deed dat heel voorzichtig, met twee bekers koffie in haar handen en met twee broodjes in haar jaszakken gepropt, maar werd toch nog bijna door een kruier van de voeten gelopen. Het kwam de onverlaat op een vinnige uitbrander te staan.
"Ha!", riep Danny uitgelaten, "Mijn eigen lieve, kleine Sint-Bernhardshondje."
Zij keek hem vuil aan, wilde hem van repliek dienen, maar hield door de aankomst van de trein haar mond. Ze stapten in en namen in een eerste-klassecoupé van het enige DSB-rijtuig plaats.
"Hm, comfortabel!", riep zij, terwijl zij zonder koffie te morsen op een van de banken neerplofte, "Hee, lummel, waar kan ik die bekers opzetten?"
"Hierop!", antwoordde hij, wijzend op de twee uitgeklapte mini-tafeltjes.
"Hm, die zijn wel een beetje klein, hè?", zei zij pruilend.
"Ach, mens, zeur niet zo!"
"Hee, hee! Wil jij je toon wel eens een beetje matigen?"
"Goed, schatje! Maar mag ik dan nu mijn broodjes? Ik heb namelijk heel erge honger."
"Nee, je moet eerst mijn voeten droogwrijven. Voor wat hoort wat."
Er viel niet aan te ontkomen: zij ontdeed zich van haar sandalen en legde lachend haar voeten op zijn schoot.
"Zo, doe je plicht", zei zij.
"Huu, wat zijn ze nat!", zei hij verschrikt.
"Ach, man, zeur niet zo!"
Hij streelde haar wreven, tot ze redelijk droog waren. Gabriëlle zag het lachend aan, met een mengeling van spot en vertedering, maar liet haar voeten daarna toch behaaglijk tegen zijn buik rusten. Hij bleef daarna nog een poosje met die mooie voetjes spelen. Hij bekeek ze van alle kanten, bewonderde de snoezige, kleine tenen onder de smalle teenstukjes en kuste die tenen tenslotte een voor een.
"Ik begrijp niet, wat jou in mijn voeten zo aantrekt", zei zij, na hun aankomst in Amersfoort, "Zo bijzonder mooi zijn ze nou ook weer niet."
"Ik vind ze wel mooi! Het zijn kleine kunstwerkjes. Mooie hoge wreven, ranke enkels, kleine, snoeperige...
Zijn lyrische lofzang werd wreed onderbroken: door de steward van 'Wagon-Lits', die met een raadselachtige glimlach de deur van hun coupé had opengeschoven.
"Wilt u iets gebruiken?", vroeg de man.
"Wil jij wat, lieverd?", vroeg Danny aan Gabriëlle.
"Nee, dank je!" antwoordde zij, met een wat verkrampte glimlach.
"Ik een koffie graag", zei Danny tot de steward.
Na het vertrek van de steward, reed de trein in de richting van Deventer en Hengelo. Buiten gleed het wondermooie landschap van de Veluwe langs hun raam; binnen was de magie tussen Danny en Gabriëlle geheel verbroken. Zij nam haar voeten van zijn schoot, strekte zich uit op de stoelen naast haar en klapte opeens weer helemaal dicht. Hij zocht en vond vele lieve woordjes, maar hij kon haar met geen mogelijkheid tot een reactie of een weerwoord verleiden. Haar wisselende stemmingen waren nog steeds een mysterie voor hem. Soms was zij heel vrolijk en spontaan, soms heel verlegen en gesloten. De laatste dagen brak zij steeds vaker door die verlegenheid heen en ook nu draaide zij toch wel weer vrij snel bij.
"Heb je nou nog steeds niet genoeg van mij?", vroeg zij.
"Nee, integendeel!"
"Ook niet van die autistische buien van mij?"
"Nee, die horen er nu eenmaal bij. Gezien de krankzinnige verwikkelingen tussen ons in het afgelopen jaar kan ik het mij best wel voorstellen, dat je je af en toe in jezelf wilt terugtrekken."
"Ieder ander zou daar de grootste problemen mee hebben."
"Ik niet."
"Waarom niet?"
"Omdat ik net zo verlegen ben als jij en omdat ik je stemmingen dus haarfijn kan aanvoelen."
"Da's waar."
"En ik heb er ook geen problemen mee, omdat ik mij nog steeds een beetje schuldig voel."
"Waarom dan?"
"Om het feit, dat ik in het afgelopen jaar zo'n volstrekt ontregelende invloed op je leven heb gehad."
"En dat stoort je?"
"Ja, heel erg!"
"Ik heb over de laatste maanden met jou anders echt niets te klagen, hoor!"
"Hm, dat mag dan wel waar zijn, maar ik ben er toch niet helemaal tevreden over."
"Waarom?"
"Omdat je nog steeds niet het meisje bent, zoals je was, toen ik je ontmoette. Je bent nog steeds niet helemaal jezelf. Dat sprankelende, dat jou toen zo kenmerkte, is nog steeds niet helemaal terug."
"Maar daar blijven we wel met z'n tweeën aan werken, hè?"
"Jazeker."
"Ook als je het nog vele hoofdbrekens zal kosten?"
"Ja, natuurlijk!", antwoordde hij grinnikend, "Het is een ontzettend leuk project, waar ik niets dan plezier aan beleef."
Daar reageerde zij niet op, maar om haar mond verscheen wel een geamuseerd glimlachje. Het was ineens weer heel erg prettig om samen met haar in deze kleine, nauwbegrensde ruimte te vertoeven, een weelde, die ze een half jaar daarvoor nog niet hadden kunnen dragen.
Even over negen uur kwamen ze in Hengelo aan. Na het korte bezoekje van de Duitse douane gleed Gabriëlle van haar bank af. Zij klapte de armsteunen van de banken naast hem omhoog en vlijde zich met het hoofd op zijn schoot op die banken neer.
"Is het zo helemaal naar je zin?"
"Nee, want ik heb weer vreselijk veel zin in jou en ik zou ook het liefst geheel ontkleed bij je op schoot willen kruipen."
"Even geduld, mijn lief", zei hij gevleid. "Over elf uurtjes zijn we in Kopenhagen."
"Hm... Nou, vooruit dan maar..."
"Kun je met dat uitstel leven?"
"Het moet maar, hè? Als jij je nog nodig wilt beheersen, zal ik mij maar tot het op een na leukste ding beperken."
"En dat is?"
"Een uurtje maffen."
"Aha!"
"Dat vind je toch niet erg, hè?", vroeg zij, met een ernstig gezichtje.
"Nee, natuurlijk niet! Het is toch zeker ook mijn schuld, dat je nu zo'n slaap hebt?"
"Zo is het maar net! Welterusten, hè?"
"Welterusten."
Na het vertrek uit Hengelo viel zij onmiddellijk in slaap.
2. De reis door Duitsland verliep rustig. Gabriëlle sliep gedurende de hele reis en werd pas wakker, toen de veerboot tussen Puttgarden en Rodby Havn in Rodby Havn was aangekomen en de trein met een slakkengang Denemarken binnenreed. Zij stond op en ging zonder iets te zeggen tegenover hem zitten, met haar voeten steunend op zijn bank. Na de paspoortcontrole en het daaropvolgende vertrek uit Rodby Havn was het echter Danny's beurt om in slaap te vallen. Zijn slaap was niet diep, maar hij bleef doorslapen tot de trein door de voorsteden van Kopenhagen reed. Het was Gabriëlle, die hem met een schandalig gebrek aan tact uit zijn plezierige sluimering haalde.
"Hee, lummel!", riep zij, terwijl zij hem een plagerige blik toewierp, "Word eens wakker! We zijn er al bijna."
"Jemig!", zei hij mompelend.
"Ben je een beetje uitgeslapen?"
"Een beetje", was het aarzelende antwoord, "Het had ook wel een uurtje langer mogen duren."
"Ik voel mij anders aardig fit! Dat slaapje van vanmiddag heeft mij veel goed gedaan."
"Dat is mooi, liefje."
"Heb je het eigenlijk niet vervelend gevonden, dat ik in Duitsland zolang heb liggen slapen?"
"Nee, hoor! Want ik heb, toen je sliep, stilletjes zitten nagenieten."
"Waarvan?"
"Van de herinneringen aan de afgelopen nacht. Je was zo lief, vannacht. Ik had vannacht voor het eerst het gevoel, dat je echt van mij genoot en dat je je nergens meer zorgen over maakte. Er ging ineens ook zo'n rust van je uit; je hebt mij vannacht echt op een vreselijk lieve manier in slaap geknuffeld. En daar ben ik je heel erg dankbaar voor!"
"Graag gedaan, hoor! Als het vannacht weer nodig is, zal ik het met alle liefde weer doen."
"Daar zal ik je aan houden, hoor!"
"Wat gaan we zometeen eigenlijk doen?"
"Inchecken, natuurlijk!"
"Ja, maar daarna?"
"Eh, nou... Als je het niet erg vindt, zou ik nog wel even een wandelingetje door de stad willen maken. Ik wil Stroget zien en een beetje in Tivoli rondneuzen. If you don't mind?"
"Neuh...", bromde zij op sinistere toon, "De avond is voor jou en de nacht is voor mij."
"Hee! Hee! Hou jij er even rekening mee, dat ik vannacht ook pas om vier uur sliep."
"Nou, dan ga je zometeen in het hotel toch nog even slapen", zei zij liefjes, "Dan zal ik wel over je waken."
"Waken? Waken? Regeren zul je bedoelen! Je bent een vreselijke despote, een voortdurend op seks beluste helleveeg!"
"Nou, zeg! Mag ik alsjeblieft? Ik heb tweeëntwintig jaar op mijn knappe sprookjesprins moeten wachten. En nu ik je eindelijk heb, zul je het weten ook. En zeg jij nou maar niks, je vindt het heerlijk als ik zo... zo..."
"Aanminnig doe. Ja, dat klopt, je hebt volkomen gelijk; ik zal mijn mond maar houden."
"Ik had niet anders verwacht."
Om kwart voor acht stopte de trein in het Centraal Station van Kopenhagen. Toen ze waren uitgestapt, verlieten ze het station door de hoofdingang. Op het stationsplein keek Danny verbaasd om zich heen. Hij herkende slechts een gebouw van een eerder bezoek in '72, het torenhoge SAS-kantoor van Arne Jacobsen aan de Vesterbrogade, van de andere gebouwen rondom het plein kon hij zich niets meer herinneren. Ze wandelden naar de Radhuspladsen en het straatbeeld aldaar kwam hem al wat bekender voor.
"Oh, kijk eens, Gabriëlle!", riep hij, "Daar heb je het raadhuis en die straat daar, dat is Stroget, de winkelstraat van Kopenhagen, de eerste, autovrije winkelstraat van Europa. Daar wil ik in deze dagen toch zeker een paar keer doorheen slenteren."
"Dat mag best, hoor!", zei zij grinnikend, "Maar ik wil nu eerst naar het hotel!"
"Wil je niet eerst wat eten?"
"Nee, nu niet. We moeten ons echt in het hotel gaan melden. Anders wordt onze kamer misschien aan iemand anders vergeven. En dat idee staat mij niet zo aan. Ik heb geen zin om de nacht in de bosjes van het Orstedpark te moeten doorbrengen."
"Ach, het zou mij niets uitmaken, hoor. Met jou zou ik overal kunnen..."
"Ik geloof het graag. Maar ik wil toch liever naar het hotel. Dat lijkt mij toch een beetje comfortabeler."
"Goed, liefje! Je hebt gelijk."
Even na achten betraden ze hun hotel aan de Helgolandsgade en konden ze, na de vereiste plichtplegingen te hebben verricht, een mooie tweepersoonskamer in gebruik nemen. Eenmaal in die kamer aangekomen nam Gabriëlle op de rand van het bed plaats, waar zij zich onmiddellijk en met de nodige haast begon uit te kleden.
"Vind je het eigenlijk niet raar om nu alweer in Denemarken te zijn?", vroeg zij, tijdens het uittrekken van haar jurkje, "Je bent hier per slot van rekening een half jaar geleden ook al geweest."
"Nee", antwoordde hij, terwijl hij hun tassen in de kast zette, "Ik ben toen in een andere streek geweest en ik wilde nu per se weer naar Denemarken. En nu samen met jou."
"Waarom dan?"
"Omdat ik een half jaar geleden aan een stuk door als een gek naar je heb lopen verlangen."
Zij greep naar de sluiting van haar beha greep en keek hem daarbij peinzend aan.
"Wat zie je eigenlijk in mij?", vroeg zij.
"Hoe bedoel je?"
"Dat is toch duidelijk? Ik wil heel erg graag van je weten, waarom jij zo verliefd op mij bent."
"Weet je dat dan echt niet?
"Nee... Nee, eigenlijk niet. Ach, ik weet eigenlijk ook niet wat ik bedoel. Ik lig gewoon een beetje overhoop met de herinneringen aan die toestanden van het afgelopen jaar."
"Waarom?"
"Waarom niet? Ik heb een jaar lang overal heb lopen rondbazuinen, dat ik verliefd op je was en ik heb dat tegenover jou een jaar lang lopen ontkennen. En dan heb ik het nog niet eens over die ene gemene rotstreek, die ik in het begin van dit jaar heb uitgehaald."
"Ik eh..."
"Nee, nu wil ik het echt weten! Waarom heb je zoveel geduld met mij gehad en waarom heb je dat nog?"
Hij knielde voor haar neer, ging op de vloer zitten en begon op een wat verstrooide manier haar linkerkuit te strelen.
"Ik heb zoveel geduld met je gehad en ik heb nog zoveel geduld met je, omdat ik simpelweg van je hou", antwoordde hij uiteindelijk.
"Maar waarom dan?"
"Ja, Jezus, ik kan wel hele hoogdravende verhalen gaan ophangen over... Nou goed, ik hou van je, omdat je zowel een lief, aandoenlijk trutje als een vreselijk, lekker mokkel bent. En die woorden moeten je al genoeg zeggen. Ik neem je, zoals je bent en ik ben dus niet blind voor je tekortkomingen. Ik weet, dat je soms uitermate stug kunt zijn, maar ik accepteer dat. Ik word er juist door vertederd. Die stugheid is echt een van je..."
"Grootste charmes?"
"Ja, precies. Ik ben anderhalf jaar geleden verliefd op je geworden, omdat je in mijn ogen volmaakt leek, maar ik ben pas van je gaan houden, toen ik merkte, dat je dat niet was."
Na een paar mislukte pogingen slaagde zij erin om de beha los te maken. Hij gleed van haar schouders en viel op haar schoot.
"Hou je echt van mij?", vroeg zij, op een samenzweerderige fluistertoon.
"Ja, voor nu, voor morgen en voor altijd. Voor mij zul je echt geen tussendoortje zijn, hoor!"
"Dat weet ik."
"Waarom vraag je het dan, gekkie?"
"Zomaar. Omdat ik het misschien toch nog niet echt geloven kan."
"Wat moet ik doen waardoor je dat wel kunt?"
"Ik denk dat jij helemaal niets kunt doen, behalve wachten. Want het gaat al de goede kant op. Soms heb ik ook helemaal geen twijfels meer. Toen ik gisteravond in je armen lag en langzaam, heel langzaam mijn lichaam aan je liefkozingen bloot gaf; toen jij mij het zalige gevoel gaf, dat elk plekje op mijn lichaam een klein, kostbaar kleinood is. Ja, toen wist ik zeker, dat je echt mijn vriend bent, dat je echt mijn minnaar bent en dat je dat altijd zult blijven. Toen voelde ik, dat ik je echt helemaal voor mijzelf heb, dat je vreselijk veel van mij houdt. Maar toen ik vanmorgen wakker werd en jou niet naast mij aantrof, twijfelde ik toch weer even. En later op de dag, tijdens die afschuwelijke rit over de Veluwe, had ik dat nog een keer. Ik weet nu, dat het niet zo is, maar telkens als ik tegenover jou dichtklap, ben ik bang, dat je daar toch echt wel een keer genoeg van zult krijgen."
"Dat is niet zo, geloof mij!"
"Dat weet ik, lieveling! Dat weet ik! Maar toch ben ik heel blij, dat het, wat dat betreft, al beter met mij gaat. Elke dag worden de periodes van twijfel minder in aantal en korter van duur. Je moet nog een klein beetje geduld met mij hebben, dat is het enige, wat je hoeft te doen."
"Ach, dat zal wel lukken, hè?"
"Ha, prima!"
Zij trok in een ruk haar slipje en haar panty uit en liet de beide kledingstukken op de rest van haar kleren vallen. Met de uitwerking, die dat op Danny leek te hebben, leek zij zeer in haar nopjes te zijn, want de houding, waarin zij zich daarna op het bed neervlijde, liet maar weinig aan de verbeelding over.
"O, la, la!", zei hij, "Je bent echt een hele geraffineerde verleidster geworden. Vroeger was je zo lief en onschuldig..."
"Ja, en wiens schuld is dat?", riep zij verontwaardigd, "Voor ik jou ontmoette, had ik nog nooit een complimentje over mijn uiterlijk gehad. Niet over mijn paardenstaartje, niet over mijn lekkere, pittige koppie. Niet over mijn mooie, donzige hals. Niet over mijn prachtige, rechte schouders. Niet over mijn smalle, aanlokkelijke middeltje. Niet over mijn o zo fraai gevormde billen. Niet over mijn mooie, slanke benen. Niet over mijn schattige, kleine voetjes. Helemaal nergens over. Totdat jij mijn levenspad kruiste. Totdat jij mij op de meest idiote manier en met behulp van de meest krankzinnige complimentjes het hof begon te maken. Vind je het dan gek, dat ik ineens naar de andere kant doorsla? Je hebt mij vanaf het begin voortdurend het gevoel gegeven, dat ik de mooiste en meest begeerlijke vrouw ter aarde ben. En geloof mij: dat is een gevoel, dat iedere vrouw stapelgek kan maken!"
"Goed, liefje, ik neem alle schuld op mij."
"Prima!", antwoordde zij, met een ineens doodernstig gezichtje, "En dan zou ik het nu heel erg op prijs stellen als je nu bij mij komt liggen!"
"Wil je niet liever wat tv gaan kijken?", vroeg hij treiterend.
"Kom!"
Hij gehoorzaamde, al ging dat door zijn vermoeidheid niet van een leien dakje. Hij viel als een blok over haar heen en rilde daarbij van vermoeidheid. Het ontging haar, want zij bleef rustig doorbabbelen.
"O, wat ben je lekker fel!", zei zij murmelend, "Je hebt mij helemaal in je macht."
"Dat heb ik niet!"
"Dat heb je wel! En dat is helemaal niet erg! En het is ook helemaal niet erg, dat je gedurende het hele traject in Nederland zo naar mijn benen hebt zitten gluren."
"Ik heb helemaal niet zitten gluren!"
"Wel waar!"
"O, wat een grove belediging!", riep hij grinnikend, "Die neem je terug!"
"Wat gebeurt er met mij als ik dat niet doe?"
"Dan ga je over de knie", antwoordde hij liefjes.
"O, laat mij niet watertanden! Het idee alleen al maakt mij gek!"
"Ik geloof het graag!", sprak hij, met de nodige ironie, "Maar daar ben ik nu toch echt een beetje te moe voor."
"Ben je echt nog zo moe?"
"Ja, ik ben bang van wel!"
"Ben je ook te moe om te vrijen?"
"Ik denk het wel, ja. Straks, over een paar uurtjes of zo, zal ik natuurlijk wel op alle mogelijke manieren aan je mooie lichaam willen vergrijpen. Maar nu zit dat er echt nog niet in."
"Goed, lieveling. Dan zal ik nog wel wat geduld hebben. Je mag best nog wel wat rusten, als ik dan maar wel zeker weet, dat je mij zometeen de gelegenheid zult geven om je even lekker te verwennen."
"Die zekerheid heb je."
Hij trok haar nog wat dichter tegen zich aan en leek daarna al vrij snel in slaap te vallen. Die zo welverdiende nachtrust werd hem echter niet vergund: de aantrekkingskracht, die zijn bekoorlijke vriendinnetje op hem uitoefende, bleek uiteindelijk toch te sterk te zijn. Hij richtte zich half op, nam haar polsen in een niet al te ferme houdgreep en bewonderde haar lichaam met een onmiskenbare gretigheid.
"Ga je lekker?", vroeg zij plagend.
"Ja, hoor!"
"Dat is mooi."
"Vind je het niet vervelend, dat ik zo naar je lig te gluren?"
"Nee, ik vind het juist heel lekker."
"Echt?"
"Ja, echt! Ik vind het lekker, omdat ik heel goed kan zien hoeveel plezier het jou geeft. Ik geniet met volle teugen van dat gestaar naar mijn borsten en mijn dijen, ik geniet met volle teugen van je guitige koppie en je blozende wangen. Kortom: ik geniet met volle teugen van de onbeperkte macht, die ik over jou schijn te hebben."
"Je bent een gemene despote."
"Dank je!"
"Maar ook een hele mooie despote."
"Meen je dat? Ben je echt zo gek van mij?"
"Ja, alles aan jou is lekker. Je gezicht, je hals, je schouders, je borsten, je buik, je dijen, je billen. En al dat lekkers is van mij. Alleen maar van mij."
"Je hebt gelijk, liefje! Al dat lekkers behoort alleen jou toe. En daar mag je zometeen naar hartelust mee gaan spelen."
"Ha, dat laat ik mij geen twee keer zeggen."
Hij verstevigde zijn greep op haar polsen. Zij onderging die behandeling zonder tegen te sputteren, maar zij bleek toch nog wel iets op haar hart te hebben:
"Had jij een half jaar geleden kunnen bedenken, dat we het nu zo gezellig zouden hebben?", vroeg zij.
"Nee, niet echt", antwoordde hij lachend.
"Hoe kijk jij nu op die rellerige periode van het begin van het jaar terug?"
"Ach, ik weet het niet."
"Nee, wees nou eens eerlijk!"
"Ach, toen ik op een gegeven moment de balans opmaakte over datgene, wat er tussen ons was voorgevallen, was die balans niet echt positief.
"En terecht!"
"Laat mij nou effe uitspreken, suffie! Ik weet heus wel, dat je in je onmacht een heleboel stommiteiten hebt begaan. Je hebt mij gekweld, gekwetst, beledigd en bedreigd. Je hebt echt van alles geprobeerd om mij van je af te stoten, maar omdat je uiteindelijk toch naar mij toe bent gekomen en omdat je uiteindelijk toch voor je gevoelens bent uitgekomen, heeft geen van die gebeurtenissen mijn gevoelens voor jou aangetast.
"Is dat echt zo?"
"Ja, dat is echt zo! Want uiteindelijk ben ik er alleen maar beter van geworden."
"Hoe bedoel je?"
"Ik heb in het afgelopen jaar door jouw toedoen al mijn krachten moeten aanspreken om overeind te blijven, maar al die doorstane ontberingen hebben mij alleen maar rijper en verstandiger hebben gemaakt. Al die doorstane ontberingen hebben mij van mijn verlegenheid, mijn jaloezie en mijn minderwaardigheidscomplex verlost. Al die doorstane ontberingen hebben mij de zekerheid gegeven, dat ik voortaan altijd op mijn eigen geest- en lichaamskracht kan vertrouwen. En voor al die verworvenheden moet ik je echt heel erg dankbaar zijn."
"Ah, dat is lief van je!", murmelde zij tevreden. "En ik denk ook, dat ik gewoon van je ben blijven houden, omdat je je juist door al die stommiteiten in gunstige zin van mijn vorige vriendinnen hebt onderscheiden. Jij bent anders dan zij, omdat jij, door al die stommiteiten te begaan, hebt bewezen, dat je mij niet kwijt wilt, dat je nooit bij mij weg wilt gaan. Jij bent anders, omdat jij..."
Hij wist niet meer, wat hij verder nog wilde zeggen, maar de rest van zijn betoog kon gevoeglijk achterwege blijven. Uit alles bleek, dat hij de juiste snaar had geraakt. Haar gezicht straalde als nooit tevoren.
"Ik eh...", begon zij.
"Is het zo goed?", vroeg hij liefjes.
"Ja, je hebt mij in een klap van al mijn schuldgevoelens over die toestanden verlost en dus ook van mijn angst om je te verliezen."
"Da's mooi!"
"Ik voel mij nu ook net zo gelukkig als toen in het begin van onze romance. Toen ik tot mijn verbijstering tot de ontdekking kwam, dat je verliefd op mij was."
"Ah, dat was in de tijd, dat je voor mij nog dat lieve, onschuldige schoolmeisje uit Heiloo was."
"Dat ben ik nog steeds, lieverd!"
"Echt waar?"
"Echt waar!", antwoordde zij, met een teemstemmetje, "En ik hoop ook echt, dat je zometeen een beetje lief voor mij zult willen zijn."
"Waarom?", vroeg hij grinnikend.
"Nou, ik ben toch wel een beetje uit mijn doen door al die zware gesprekken van vandaag en om die reden wil ik toch wel graag een beetje vertroeteld worden."
"O, wees maar niet bang, hoor! Je krijgt zometeen de complete vertroetelbehandeling. Met alle toeters en bellen. Als ik vannacht met je klaar ben, zullen alle ellendige herinneringen voorgoed uit je geheugen zijn weggewist."
"Hm, wanneer denk je met die behandeling te beginnen?"
"Nu meteen!"
"En als ik dat niet wil?"
"Je hebt niks te willen! Ik ben jouw heer en meester en vanaf nu wens ik mij ook als zodanig te gaan gedragen."
"O, ja?"
"Ja!"
"Wat zou je doen, als ik naar de badkamer zou rennen om eerst nog even een douche te kunnen nemen?"
"Dan zou ik mijn arm om je middel slaan en je meteen weer op bed trekken."
"Goed, liefje, dat is precies wat ik wilde horen."
Zij nam hem in haar armen en liet hem vervolgens rustig zijn gang gaan.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 12 juni 1990. © Bert Harberts