DE RATTEN VAN WESSEL

00 Diep Ademhalen

Ik zit daar maar te staren naar dat harteloze scherm. Uur in, uur uit. Gek word ik ervan. Je wilt weg, natuurlijk wil je weg. Wie wil dit nou, eindeloos wachten op helemaal niks? Maar ik blijf hopen. Ik word gegijzeld door die hoop. Ik kan niet weg, want er kan iets gebeuren terwijl ik weg ben. Karin had gezegd dat ze iets had zien bewegen. Maar dat wist ze niet zeker. Het apparaat had in elk geval niets geregistreerd. Je wilt ook niet dat het apparaat stil valt. Dus blijf ik zitten, en ik dwing de curve met mijn ogen in het spoor dat hij al dagen volgt. En ik wacht.

Mensen zijn daar niet op gebouwd, wachten. Als de spanning oploopt moet je iets doen. Je lijf vraagt dat. Maar ik zit daar maar en wacht. Alleen mijn hersens malen. Ze malen maar door. Ik slaap af en toe van uitputting, kort en droomloos. Dan word ik wakker en de schrik slaat weer om mijn hart. Ik raap mezelf bij elkaar. En daarna gaat alles weer opnieuw.

Mijn vrouw belt wanneer ik naar huis kom. Ik kan niet naar huis, maar dat begrijpt ze niet. Natuurlijk heeft het geen zin dat ik blijf. Het haalt niets uit, maar ik kan niet weg. Thuis blijven heeft helemaal geen zin. Hier zie ik het tenminste met mijn eigen ogen: dat scherm, waarop alles steeds hetzelfde is. Het stelt gerust, op een troosteloze manier. Karin zei dat ik bij haar kon blijven slapen. Ze zoekt steun bij me. Maar er valt niets bij mij te halen. Waarom laten ze me niet gewoon met rust? Ze laten me met rust. Alleen is die rust ondraaglijk.

Af en toe moet ik eruit: even douchen, scheren en iets eten. Gisteren heb ik nieuwe kleren gekocht. Ik begon te stinken. Even voel ik me beter, even maar. Het hotel is ook geen plek om te blijven. Het is er onpersoonlijk en koud en je bent er alleen. Dat is goed, maar het helpt niet. Van het hotel af is het tien minuten lopen, een kwartier hooguit. En dan zit ik weer bij dat meedogenloze scherm, waar ik het niet uithoud.

Eigenlijk is het gek. Ik overdenk steeds dezelfde mogelijkheden en ik kom er geen stap verder mee. Het is een eindeloze, zenuwslopende herhaling, waar ik doodmoe van word. De minuten kruipen voorbij, ik ben maar met één ding bezig. Het is zinloos en toch zit ik er al drie dagen. Of zijn het er vier?

Ik leef op hamburgers, friet en kroketten. Ik proef niet wat ik eet. Ik ga er steeds weer heen. Er zijn wel zes snackbarren in de buurt, de eerste is om elf uur al open. Het is een reden om weg te komen bij dat scherm. Toch moet ik terug. Er zal maar iets gebeuren als ik weg ben. En als alles nog hetzelfde is ben ik weer teleurgesteld.

Ik kom terug en hij is er niet. Meegenomen voor verder onderzoek. Het kan een paar uur duren, zeggen ze. Wat moet ik nu? Ik wil kwaad worden, maar weet niet op wie of wat. Ze hebben geduld met mij, ze lopen over van begrip. Gadverdamme. Dan maar naar buiten. Lantaarnpalen deinen in de wind. Een oude krant waait tegen mijn benen. Ik loop een willekeurige kroeg binnen. In de spiegel achter de bar zie ik mijn eigen kop. Ik zie er niet eens zo slecht uit. Het is warm, ik doe mijn jack uit en hangt hem over een barkruk. Een handjevol mensen kijkt op als ik ga zitten. Waar bemoeien ze zich mee. Ik steek een sigaret op en bedenk dat ik me helemaal klem zou moeten zuipen. Bij de tweede whisky begint een vrouw van een jaar of dertig tegen me te praten.

"Ik zegt, ik zegt", zegt ze. Dat valt op. Verder interesseert ze me niet.

"Dus jij moet zo nodig bij de politie, zegt ik. Jij liever dan ik, zegt ik. Maar hij denkt: politieschool, dat is de hele dag sporten. Hij moet altijd sporten. Dus wij krijgen ruzie en nou is het uit. Maar wel een erg mooie man."Ik kijk naar de vrouw. Ze is dronken.

"Ik valt altijd op mooie mannen. Zwarte mannen. Deze was zo zwart, deze man. En je weet wat ze zeggen van zwarte mannen."

De vrouw begint te giechelen. Ze draagt een groene trui. 'South Africa Surfbeach'staat erop. Ze knipoogt naar me en lacht, om niets in het bijzonder. Ik kijk haar niet aan. Niemand lacht mee, het deert haar niet. Ze helt gevaarlijk achterover. Haar lach verdwijnt in het glas dat ze aan haar mond schroeft. Nu zit er een veeg lippenstift op. Dan leunt ze voorover op haar ellebogen.

"Ach ja", zucht ze.

'Southern Coast - J. Bay'lees ik op haar rug.

Is er dan nergens een kroeg waar je je gewoon in stilte kunt laten vollopen? Ik reken af. De straat is verlaten. Een auto rijdt langs met dreunende muziek. Ik wil niet terug naar het hotel, maar ik ga toch. Er staat een oudere man achter de balie. Een keurige man. Ik vraag de sleutel van de kamer.

Dan merk ik het: ik ben mijn jas kwijt! Ik raak in paniek, alsof de hele wereld van dat jack afhangt. Alsof alles toch nog goed komt, als ik maar mijn jack terug heb. In godsnaam, laat die kroeg nog open zijn, denk ik. En dat die jas daar nog hangt. Ik loop terug. Ik ren. Mijn hart bonkt in mijn keel. Gelukkig, er brandt nog licht. Mijn jack hangt nog waar hij hing. De vrouw is weg, godzijdank. Ik ga weer zitten. De tranen schieten in mijn ogen. Ik voel me dankbaar als een kind. Ik zou kunnen huilen van geluk, van verwarring. De barman schenkt er geen aandacht aan. Hij laat me rustig drinken tot sluitingstijd. Het werkt: geen gedachten, geen gevoel. Alleen warmte.

Met tegenzin klim ik van de barkruk. Buiten waait het nu hard. Een vlaag van opzij duwt me bijna van de stoep af. Ik wankel, maar hervind mijn evenwicht. Als ik gewend ben aan de tegendruk begin ik te lopen, tegen de wind in. Hoe laat het is weet ik niet. Ik kom bij een grote weg, met redelijk veel verkeer. Ik zoek een donkere hoek om te pissen. Twee jongens op een scooter zien mij toch. 'Vieze homo' roepen ze me na. Uit een zijstraat komen flarden van nog meer geschreeuw.

Ik zwoeg tegen de wind in, richting rivier. De vlaggenmasten voor de winkels fluiten. Het begint te regenen. Ik loop langs het stadhuis, langs het congresgebouw, langs het museum. Midden op de grote brug blijf ik staan. Het wegdek veert mee met de wind. De lenteregen slaat met vlagen in mijn gezicht. Mijn sigaret is nat, ik spuug hem uit. Het is al laat, maar beneden varen nog altijd schepen. Het verkeerslawaai, de gierende wind, de schreeuwende graffiti doen me goed. Ik wil geen stilte. Ik wil de storm in mijn hoofd niet horen.

In de luwte van een portiek. Het water jaagt in golven voorbij. Aan de overkant de contouren van de stad. Hoge kantoren en neonreclame. Doet dan niemand ooit het licht uit? Ik zie het faculteitsgebouw. Daar ergens moet het scherm staan, het scherm met de eeuwig durende curve. Als de regen stopt is mijn hoofd ook tot rust gekomen.

Ik rook. De rook prikkelt mijn verhemelte en schuurt langs mijn keel. Een hoestbui brengt de tranen in mijn ogen. Een kroket komt samen met de zure whisky omhoog, gadverdamme. Rustig blijven. Ik bedwing de hoestkriebel en haal diep adem. Ik rek me uit, mijn slokdarm bedaart. Oké, denk ik. En nu? Even weet ik niet meer waar ik heen moet. Ik blijf staan in de wind. Ik voel me klein en weerloos. Mijn God, denk ik, was vader maar hier. Waar het vandaan komt weet ik niet, maar ik mis hem ontzettend, opeens. Was het maar een droom.

Het malen begint weer. Hoe lang zou het nog duren? Haalt hij het? En hoe dan? Misschien heeft hij zichzelf wel overleefd. Misschien is er geen plek meer voor mensen zoals hij. Ik loop de andere kant op, met de wind in mijn rug.

01 Kleine oorlog, kleine helden

Sint-Gerhardsrade, een klein plaatsje in het zuiden van het land. De familie Castermans, een groot gezin in het midden van het dorp. We waren katholiek, zoals iedereen die we kenden. We speelden ook graag altaartje. Wessel was dan pastoor. Later wilde hij missionaris worden, maar eigenlijk werd hij het liefst meteen heilige. Sint Wessel, zo noem ik hem nog wel eens.

Pastoor Raaijmakers kwam iedere week langs. Vader had een drukkerij en maakte het parochieblaadje. Maar hij deed meer. Bij een huwelijksmis zorgde vader voor de trouwkaarten; werd er een baby gedoopt, dan drukte hij de geboortekaartjes en in geval van overlijden waren het bidprentjes en de rouwkaarten. Verder maakte vader het drukwerk voor de hoogtijdagen van de harmonie en de schutterij, waar de pastoor natuurlijk ook weer bij aanwezig was. Zo werd de hele parochie geschraagd door het verbond van miswijn en drukinkt. En dat verbond bezegelden ze wekelijks op donderdagavond. Dan rookten de beide mannen dikke sigaren en dronken ze een goede cognac.

We waren thuis met acht kinderen. Moeder kreeg ieder jaar een nieuwe baby. Alleen na de geboorte van Jo heeft ze een miskraam gehad. Dat had te maken met een mysterieuze ziekte, waar ik nooit het fijne van gehoord heb. Na een onderbreking van twee jaar keerden de kraamzusters terug voor de geboorte van nog eens vier meisjes. Die meisjes interesseerden ons niet, zolang ze maar niet in de buurt kwamen van ons landje achter de drukkerij. Het landje, dat was ons terrein. Daar stond onze trots: de hut. Op het landje voetbalden we, we klommen in de boom en we stookten er vuren. Daar hadden we onze zusjes niet bij nodig. Ze hoorden niet bij ons, ze waren te jong en het waren immers meisjes. Dat laatste gold ook voor Maria, maar die was slechts één jaar jonger dan ik en kon bovendien goed vechten. Maria hoorde wèl bij de jongens. Maar ze was geen jongen. Dat hield ons ergens toch wel bezig, Wessel helemaal.

Wessel was de oudste en we deden gewoonlijk alles wat hij zei. Alles. Toen hij Maria opdracht gaf om de hut binnen te gaan en haar kleren uit te trekken, en dat deed ze. Ik ben de kinderen uit de buurt gaan halen, kijken kostte een stuiver. Ze kwamen, nieuwsgierig giechelend. Maar na één blik van Wessel waren ze doodstil. Ze gingen één voor één naar binnen en ze kwamen zwijgend naar buiten, alsof ze van de communie kwamen. Ze waren opgelucht, dat ze weer weg mochten. Ik hoefde niet te betalen. De heilige maagd stond op tafel, met haar handen ten hemel geheven, net als op het schilderij op de koektrommel. Ik vroeg haar of ze het niet raar gevonden had, om zo in haar blootje te staan. Dat vond ze niet. Het kwam door de manier waarop Wessel het haar had opgedragen, die was heel 'plechtig' geweest. En ik begreep helemaal wat ze bedoelde: er waren hogere machten in het spel. Maria was net zeven, en onze hogepriester zal een jaar of tien zijn geweest.

Als we ons verveelden, vertelde Wessel wat we gingen doen en dat deden we dan. Niemand dacht er over na of hij daar wel zin in had. We deden "links is munt". Dan gingen we met een hele troep kinderen op pad en op iedere straathoek gooiden we kop of munt. Wessel leerde iedereen ook schaken, zodat we een schaakcompetitie konden houden. Die won hij zelf altijd. Maar we deden het heel serieus, iedereen moest tegen elkaar spelen en er kwam een heuse finale aan te pas. De inmiddels traditionele familiequiz was ook een idee van Wessel. Hij had ook altijd vragen waar niemand het antwoord op wist."Waar wordt drop van gemaakt?"Of : "Waar ligt Ouagadougou?"

En als Jo zei dat hij zich verveelde, dan sprak Wessel:

"Goed. We gaan Rondjes doen."

Rondjes kon de halve middag duren. Het ging er niet om wie het snelste was, want dat was altijd Wiel van de buren, die had de langste benen. Nee, het ging erom hoevéél rondjes je kon lopen. We begonnen bij de keuken, over het plaatsje, langs de drukkerij; dan over het landje tot voorbij de hut. Dan moest je over de sloot; springen of met de plank, dat mocht allebei. Dan de heuvel op, langs de boerderij van Hoeben, dan terug over de hoofdweg tot aan het parochiegebouw 'Sursum Corda'. Dat betekent: Omhoog de harten! en dat zei Wessel er ook altijd bij. Bij het Sursum Corda rechtsaf, omlaag tot de voordeur, en dan terug naar de keuken. Ik zou het zò nog kunnen lopen. In de keuken zat moeder, zwanger en wel, de rondjes te turven. De einduitslag was eigenlijk nooit van belang. Als de meeste kinderen het hadden opgegeven, vond je er zelf ook niks meer aan.

****

Bij Wessel hadden de dagen kleur.

"Hebben jullie dat dan niet?", zei hij, "Ik wel, zo duidelijk als wat. Zondag is een witte dag. Woensdag is lichtbruin, ongeveer zoals de schutting. Donderdag ook bruin, maar dan donkerbruin. Vrijdag is geel."

"Dat heb ik ook", zei Maria, "Vrijdag is geel en zondag is wit. Maar woensdag is groen. Wat heb jij bij zaterdag?"

"Zaterdag is vuurrood."

"Waar hèbben jullie het over?", vroegen Jo en ik ons af.

Toen we erop doorgingen bleken ze ook kleuren te koppelen aan maanden en cijfers. En dus was dinsdag 9 juni drie keer grijs, volgens Wessel. Ik kon me er niks bij voorstellen.

Ik heb het wèl met plaatsen. Hoor ik Penny Lane op de radio, dan zie ik de spoorwegovergang in Geleen voor me. De dood, dat is een bepaalde straat in Leuven, en zo heb ik er nog een paar. Het heeft niets met elkaar te maken, maar dat gebeurt vanzelf. Meestal zijn het pleinen of bruggen. Bij Amsterdam denkt iedereen aan draaiorgels en aan Ajax. Maar ik denk aan de hoek van de Kalverstraat en het Spui. Als je met je rug naar het Rokin staat rechts, voor het Begijnenhof. Vraag mij niet waarom, maar dat is Amsterdam, samengevat. En zo belichaamt de hut mijn hele kindertijd. Begin over mijn jeugd en ik zie direct de hut voor me. En dan schijnt ook de zon: de zonovergoten jaren zestig. Dat klopt niet volgens het KNMI, maar dat is hoe ik ze me herinner.

Onze Francien is op 26 april geboren. En toen was het al bloedheet, benauwd zelfs. Mijn tante Helen kwam langs om het kindje te zien. Ze was onze lievelingstante, vanwege de pannenkoeken.

"Krijgen we pannenkoek?", vroegen we meteen.

Vader maakte een afdak van een zeil met twee palen, zodat we in de schaduw konden zitten. Daar zaten we te wachten op de grond, met een stuk of tien kinderen. De gesmolten boter rook veelbelovend en het begon gezellig te regenen. De druppels tikten op het zeil en we wachtten braaf. Toen onze tante drie schalen met pannenkoeken binnenbracht vielen we aan en we hoorden of zagen niets meer. We zagen niet dat het harder ging regenen en ook niet dat het zeil gevaarlijk bolde boven onze hoofden. Onze tante zag het wel.

"Jongens, naar de schuur, snel. Dit gaat fout!!"

We vluchtten hals over kop naar binnen. Meteen bezweek het zeil. In minder dan geen tijd stond alles vol water: de borden, de suikerpot: alles. We zagen met verbazing hoe de overgebleven pannenkoeken wegdreven naar het putje. Ik verbeet mijn teleurstelling.

"Hij had dat doek moeten vastzetten", constateerde Jo vol verwijt. "En meer balken, dat is steviger."

"Of een schuin dak", leek Wessel, "En dan moet je dat doek strak trekken, dat er geen water op blijft liggen. Of hout, dat is eigenlijk beter. Hebben we nog planken?"

Het leed om de verdronken traktatie hield niet lang aan. Al snel scheen de zon weer en stond de stoep te stomen. We zochten hout bij elkaar en probeerden Wessels idee uit. Dat werd niks natuurlijk, alles zat schots en scheef en we mochten van vader niet eens in het tentdoek spijkeren. Hij vond dat we eerst een plan moesten maken. We maakten een ontwerp waar veel hout voor nodig was. We sleepten met groentekisten, oude deuren en gazeusekratten.

Bij de parkeerplaats van de fabriek aan de andere kant van het dorp stond een grote stapel pallets. Wessel stapte er op af: 7,50 per stuk, kreeg hij te horen.

"Die hebben we niet", antwoordde hij maar gelijk.

"Ze zijn het ook niet waard", zei hij er brutaal achteraan en wees op de roestige spijkers waar je je aan bezeren kon en de gespleten planken.

De fabriek had er niets meer aan, vond hij. Maar wij zouden er zoveel mooie dingen van kunnen maken. En tot slot vertelde hij dan van onze plannen. Zo praatte hij een stuk of tien pallets los, genoeg voor een hele zaterdag sjouwen.

We werkten hard. De hut werd steeds groter, er konden wel twaalf kinderen in. We hadden een tapijt op de grond, een matras om op te zitten en een tafeltje om aan te schaken. Wessel had precies voor ogen hoe het worden moest, en daar weken we niet van af. Anders waren de rapen gaar. Want Wessel kon driftig zijn, als kind. Neem nou de kast die hij had getimmerd. Een kast met vier schappen, keurig waterpas gemaakt, de planken glad geschuurd. Het had hem dagen gekost. Niemand anders mocht eraan komen. Tot slot verfde hij het geheel gebroken wit. Hij liet de planken drogen en wilde ze toen voorzichtig in de kast schuiven. Maar hoe hij het ook probeerde, ze pasten niet meer. Op één plank na, maar die was kromgetrokken. Wessel huilde van woede. Hij smeet de kast omver, trapte ertegen aan en beukte er met de klauwhamer op in tot het ding uit elkaar lag. Vader kwam en wist niks anders te doen dan hem op te pakken en met zijn kop onder de kraan te zetten. Dat hielp, Wessel bedaarde. Maar hij wilde van de hele hut niets meer weten. Dat duurde wel een paar dagen, tot we hem nodig hadden om het oude dressoir naar binnen te tillen.

Het landje was ons koninkrijk, de hut werd ons paleis. We hadden zelfs elektriciteit. Eind juni vierde ik mijn negende verjaardag. Ik kreeg een nieuwe fiets van mijn ouders, een Marsreep van Jo en zelfgeprutste dingetjes van mijn zussen. Wessel had een verrassing, die ik de volgende dag 's middags zou krijgen. Tot dat moment mocht ik niet in de buurt van de hut komen. Ach, eigenlijk moest ik maar helemaal niet op het landje komen. Woensdagmiddag om vijf uur kwam Wessel me halen.

"Beste Mathieu", zei hij."Gefeliciteerd met je verjaardag. Alsjeblieft!"

Hij wees naar binnen, in de hut. Daar stond een grote televisie met een teakhouten kast. Het testbeeld was onscherp, maar het geluid was helder. Wessel draaide aan de knop, het testbeeld werd scherper maar nu klonk het geluid niet goed.

"Ik ben de hele middag met de antenne bezig geweest", zei Wessel trots."Die ligt nu hierachter, anders was de verrassing eraf. Als die op het dak staat, heb je een prachtig beeld. Dan is die storing ook weg. Zo meteen komen de Thunderbirds."

Ik kon hem wel zoenen.

"We krijgen nu Nederland 1, België en Duitsland! Alleen Nederland 2 lukt nog niet. Maar dat komt nog, wacht maar."

Die zomer zagen we vanuit onze eigen hut hoe Jan Janssen als eerste Nederlander de Tour de France won. We hebben nog weken fietswedstrijden gehouden.

****

"Later word ik ook wielrenner", zei Jo, "Maar dan met een crossmotor."

"Dat ben je geen wielrenner. Dan ben je een coureur", wist ik.

"Niet", hield hij vol."Een coureur is met auto's, niet met motors. Ik ga sparen voor een crossmotor."

"Je kunt nog niet eens zonder handen fietsen. Ik wel. Ik kan ook iemand achterop houden", blufte ik.

"Er staat een scooter bij Lauerijse", zei Maria, "Een rode."

Lauerijse was de smid. Maar hij was ook fietsenmaker, hij repareerde tractors en hij handelde in tweedehands auto's. Maria kwam er dagelijks langs als ze naar school ging.

"Nou en? Een scooter is geen motor. Een scooter is voor meiden", vond Jo.

"Maar hij ligt er al heel lang. Ik denk dat ze er niks meer mee doen. Misschien mogen we hem hebben."

Ik durfde het eigenlijk niet zo goed te vragen, maar Wessel durfde altijd wel. De scooter was achtergelaten door een Duitse klant, die een autootje had gekocht. De monteur had hem willen opknappen, maar het kwam er niet van, zei hij. Hij vond het best, hij pompte zelfs de banden voor ons op. Dat was aardig, maar onverantwoordelijk. Het rode gevaarte woog wel honderd kilo en hoe sterk Wessel ook was, hij was pas elf. Wij waren nog jonger, maar we zagen bezwaar noch gevaar. Ik stuurde en de anderen duwden hem tot boven aan de straat. Daarna ging het vanzelf, de heuvel af. Zolang ik een flinke vaart had, hield ik hem aardig in bedwang. Maar toen ik afremde en de bocht om wilde begon hij te slingeren. Ik sprong eraf. De scooter zwalkte nog iets verder het landje op en viel om. Ik trok hem met veel moeite overeind en zette hem tegen de muur. Daarna leunde ik tegen het zadel, alsof ik net was afgestapt. De anderen kwamen aangerend en bewonderden mijn stuurmanskunst.

"Hoe hard ging je?", vroeg Jo hijgend.

"Zestig", zei ik.

De rest van de middag duwden we wie het maar wilde over het landje. Samen met Wiel van de buren lukte dat redelijk. Maar het was zwaar werk. Toen we even later in de hut zaten zei Maria:

"We gaan een brief schrijven aan de fabriek. We vragen het recept, hoe je hem kunt maken. En dan maken we hem en dan we gaan er echt mee rijden. Met de motor aan."

"Goed idee", vond Jo, "Waar staat die fabriek?"

"In Liechtenstein", beweerde Wessel met grote stelligheid.

"Dat verzin je", zei ik.

Hij wist altijd van alles, van die rare dingen wist hij. Maar dit kon hij toch niet weten. Ik liep naar de scooter en veegde wat vuil weg van het chassisplaatje. 'NSU Werke AG, Eckartsulm'stond er. "Zie je wel", hield hij vol, "Dat is in Liechtenstein."

"Er staat Eckartsulm, Bundesrepubliek Deutschland", las ik hardop."Of wou je soms zeggen dat Liechtenstein in Duitsland ligt?"

"Liechtenstein ligt in Duitsland."

"Laatst zei je dat het in Zwitserland ligt en dat ze daar alleen maar kunstgebitten maken."

"Dat is waar", gaf Wessel toe.

Wessel schreef de brief en vader vertaalde hem. Die vond alles best. Hij geloofde toch niet dat we het ding ooit aan de praat kregen. Eigenlijk konden we altijd ons eigen gang gaan, wat we ook deden. Het was ons landje. Wessel begon alvast de motor uit elkaar te halen met Maria samen. Dat lukte niet al te best, want alles zat vastgeroest. Maar hij gaf niet op. Wessel ging er altijd vanuit dat alles hem wel zou lukken, op de een of andere manier. En als je denkt dat het je altijd lukt, dan is de teleurstelling nooit ver. Dan is een driftbui ook niet vreemd. Uiteindelijk kreeg iedereen genoeg van hopeloze hoop cilinders, benzineleidingen en krukassen. Er kwam wel antwoord uit Eckartsulm. Het betreffende model was van 1955 en allang uit de handel. De fabriek verstrekte geen instructieboekjes meer. Misschien dat we bij een dealer nog een kans maakten.

We gaven het op. Maar zonder motor was het onttakelde karkas veel gemakkelijker aan te duwen en het sturen ging ook minder zwaar. Ik duwde en Maria stuurde. Eerst de dorpsstraat op, tot bij 'Sursum Corda - Omhoog de Harten!'. Bergaf reed ik met Maria achterop. Ik nam de bocht ruim, om niet te veel te wiebelen. Daardoor zag ik Jo al lang staan voor ik over zijn rechtervoet heen ging en zijn andere been schampte. Ik kon in paniek de rem niet vinden. Hij had een blauwe voet en een bloedende schaafwond, maar verder viel het mee. We stonden er schuldbewust bij.

"En nou is het afgelopen met dat stuk oud roest. Ik wil geen ongelukken meer", zei vader.

"Ja, maar als we nou heel voorzichtig zijn", probeerde Wessel nog, "Alleen op het landje?"

"Nee, het is over. Dat ding gaat weg", zei vader streng.

Maar streng en standvastig blijven, daar had hij geen talent voor.

"Ik weet het goed met jullie gemaakt", zei hij een paar dagen later."Die rotzooi gaat naar de schroot, maar ik heb een verrassing."

We mochten mee naar de schrootbaas in Hoensbroek. We zaten er een beetje stilletjes bij, het had iets van een begrafenis. In het aanhangwagentje lag een berg tandwielen en onderdelen. Vader schepte ze met een schop in een gereedstaande bak. Onze rode reuzenstep werd op een hoek van het terrein achtergelaten. Toen we de snelweg opreden zag ik hem nog liggen in de verte. Daarna reden we verder, helemaal naar Ubach over Worms, waar vader langs moest bij een zakenrelatie. En daar stond onze verrassing, of eigenlijk waren het er twee: één Solex die nog in elkaar zat, en één die half uit elkaar lag. Op de weg terug had Wessel het hoogste woord. Solex, daar wist hij van alles van. Hij had vaak genoeg bij de smid staan kijken als ze met zo'n ding bezig waren.

"Het is een heel eenvoudig motortje", zei Wessel."Alle schroefjes zijn 9 millimeter. Met één steeksleuteltje zet je het hele ding in elkaar."

Het water liep hem al in de mond. Wessel gooide zich er helemaal op, natuurlijk samen met Maria. Ze schroefden de bougies los; de cilindertjes, de dynamo's, de tankjes en de koplamp en wat er nog meer los kon. Ze hadden er een boekje bij. Elk kleinood maakten ze schoon met petroleum. Daarna werd alles gladgeschuurd, opnieuw gesmeerd en vergeleken met de plaatjes. Een klein motortje voor de fijne motoriek. Jo en ik waren daar niet voor geschapen. Nu het motortje eraf lag hield je gewoon een lomp soort fiets over. Een grote mensenfiets, maar met een lage instap. Wij konden er ook op rijden. Hij trapte heel licht, alsof hij in de eerste versnelling stond. En hij had een heel breed zadel, dat zat lekker.

"Mag ik eens op die van jou?", vroeg Jo.

We ruilden. Maar de fiets van Jo liep niet goed. Iets maakte een piepend geluid, hij trapte te zwaar en hij wou naar rechts als ik rechtdoor wilde. Ik stapte af en keek. Er zat een duidelijke knik in de achtervork, alsof er een auto overheen gereden was. En toen ik beter keek bleek er ook een scheur in te zitten. Ik riep Wessel erbij.

"Er zit een scheur in die fiets. Kun je die maken?"

"Dat moet gelast worden", zei Wessel, "Misschien wil Hoeben het doen."

Hoeben woonde in de boerderij achter ons. Die wilde wel wat voor ons lassen, maar had voorlopig geen tijd. We zetten de scheve fiets weg en gingen met de rest aan de gang. Toen ze klaar waren, hadden we een complete gerestaureerde Solex en ook nog eens een reservemotortje. Met zijn zessen gingen we naar Lauerijse om benzine te halen. Wessel vulde het tankje.

De eerste proefrit was voor Wiel van de buren, want die had wel eens eerder op een brommer gereden. Daarna was de beurt aan Wessel. De anderen mochten alleen achterop, bij Wiel of bij hemzelf, zo besloot Wessel.

"Ah, kom op man", probeerde ik, "Laat mij nou ook eens. De scooter was van ons allemaal. Dus de Solex ook."

"Hij gaat hard hoor", waarschuwde Wessel, "En het stuurt heel raar. Net of er een hele zware tas aan je stuur hangt."

Heuvelop viel me nog tegen, ik moest mee trappen om een beetje vaart te krijgen. Maar heuvelaf ging het hartstikke lekker. Ik voelde de wind in mijn haren, rook de benzinelucht, hoorde het gepruttel van het motortje. Eén keertje had Wessel gezegd, en dat moest ik maximaal uitbuiten. Ik reed voorbij het patronaatsgebouw (Omhoog de harten!), langs de kerk, langs school. Ik riep naar de kinderen die op het dorpsplein aan het spelen waren. Het dorp uit, langs de fabriek, en dan langs de korenvelden tot aan de grote weg. Daar draaide ik om en ging dezelfde weg terug. De kinderen op het dorpsplein riepen me na. Het was niet onopgemerkt gebleven.

En dan was er nog het andere motortje. Ik stelde voor om dat op het achterwiel te monteren, dan zouden we twee keer zo hard gaan. Maar Wessel dacht dat het niks uitmaakte voor de snelheid. Hij zou alleen maar zwaarder worden. Uiteindelijk bouwden we mijn oude autoped om. Dat liep geweldig. We vochten niet langer om de Solex; de motorstep was meteen favoriet. Op een kwade dag had Maria hem als eerste. Ik ging er achteraan met de grote Solex, maar ik kreeg niet de kans om haar in te halen.

"Mathieu, stop eens", riep Wessel, "Hij viertakt."

Ik stopte.

"Luister maar eens. Prrr-prutteprut. Hoor je wel? Dat is niet goed. Ik denk dat het iets met de contactpuntjes is. Ga er eens af."

Wessel deed iets met de contactpuntjes. En toen was het afgelopen. Onze Solex was zo dood als een pier. Hij deed niks meer. Wat we ook probeerden: hij viel niet meer te reanimeren. En een harttransplantatie, daar was geen sprake van. We hadden een donorhart, maar niemand wilde afstand doen van de geliefde motorstep. Die bleef lopen als een tierelier.

****

De Garretsberg is de hoogste heuvel in de wijde omtrek. Pal erbovenop ligt het dorp Sint Gerhardsberg, en onderaan ligt ons eigen Gerhardsrade. Destijds was dat hooguit twee kilometer van elkaar, maar een wereld van verschil. Zij hadden een klooster, als een kasteel zo groot. Ze hadden een politiebureau, een supermarkt, een Chinees-Indisch restaurant en de eeuwenoude kerk waar de berg zijn naam aan dankte. Wij hadden de fabriek, de snackbar en een handvol buurtwinkels. We hadden ook een kerk, maar die heette gewoon Sint Jozef. Bij ons woonde gewoon volk; boeren en kompels. Bij hen waren het onderwijzers en mensen die meer van de wereld hadden gezien. Helemaal vertrouwen kon je ze niet. De raaijers, dat waren wij; de bergers, dat waren zij. En de bergers keken op ons neer, dat wist je.

Eén keer in het jaar, dan waren de rollen omgedraaid. Dan kwamen ze in drommen de berg af en we ontvingen ze met alles wat we uit de kast konden halen. Het dorp was versierd, als een boerenmeid die zich mooi maakt voor de chique heren uit de stad. De dansmariekes marcheerden en de blaaskapel speelde de sterren van de hemel. Dan werden ze door onze Sjeng onthaald op een keur aan streekliederen. Sjeng, de trots van Gerhardsrade, de beroemdste troubadour ten zuiden van Sittard. Die ene keer was met Garrets Omloop.

We gingen eigenlijk nooit op vakantie. Misschien konden we dat ook niet betalen, met zijn tienen. Misschien was dat lastig, met een permanent zwangere moeder. Maar vrijwel niemand in Sint-Gerhardsrade ging op vakantie. Onze vakantie speelde zich af in het dorp. Een lange periode van ongebreidelde vrijheid, afgebakend door de enige twee evenementen die het dorpsleven rijk was. De Omloop van Sint Garret markeerde het begin ervan. En als de vrijheid versleten raakte en je ondanks jezelf terugverlangde naar de lucht van puntenslijpsel en bordkrijt; dan werd het tijd voor het Landjuweel. Dat was het moment dat het hele dorp nog één keer uitpakte. Nog één keer, in de zwoele nazomer van september, om zich daarna weer weemoedig te schikken in de loop der dingen. Het Landjuweel was voor de raaijers onder elkaar. Maar de Omloop was een feest voor de hele streek. We leefden er lang naartoe en we keken er lang op terug. In Gerhardsrade liep het jaar van Omloop tot Omloop.

In het jaar dat Jan Janssen de toer won, zou hij ook naar Garrets Omloop komen. Niet om te fietsen, maar wel voor de prijsuitreiking. Het was nog nooit eerder zo druk geweest. Er waren motoragenten en politie te paard, verslaggevers van de radio en zelfs van het journaal. Bij ons voor de deur stond het vijf rijen dik achter de dranghekken. Het parcours startte met een klim tegen de Sint-Gerhardsberg op, slingerde van daar door het mergellandschap, een stukje over de grens, volgde daarna de beek en kwam dan, over de brug, in volle vaart door het dorp. De finish was boven bij de kerk, maar het spannendste stuk was bij ons voor de deur, daar werd het pleit beslist. Degene die het eerst langs 'Sursum Corda - Omhoog de Harten!' kwam won altijd. Wij zaten eerste rang, we konden vanaf het grote balkon zien hoe de hele en de halve goden van de wielerwereld demarreerden. We hadden zelfs beter zicht dan de eretribune aan de overkant. Daar zaten de notabelen en zoals altijd de voltallige winkeliersvereniging van Sint Gerhardsberg. Ze zaten bij ons. Want bij ons, onder aan de berg, daar was het te doen.

****

Jo wrong zich met moeite door de menigte op het volle balkon. Hij riep iets naar Wessel en mij, maar werd door rumoerige bezoekers overstemd. Hij leek behoorlijk opgewonden. We wurmden ons zijn kant op.

"De step is weg! "

"Hoezo, weg?", vroeg ik niet begrijpend.

Dat iemand aandacht had voor iets anders dan de Omloop wilde er nog even niet in.

"Nou, gewoon, weg! Ik kan hem nergens vinden. Maria is ook al aan het zoeken."

We stormden naar beneden. Maria had het landje al helemaal afgezocht, maar geen spoor. We zochten nog een keer op dezelfde plekken. In de hut was het benauwd en het stonk als een asbak. Ik zag niet veel. Ik schoof het schot voor het raam weg. De grond lag bezaaid met snoeppapiertjes. Er lag een bierflesje en een stripboek van Jo. Er was een bladzijde uitgescheurd. En in het houten tafeltje stond gekrast: 'Raaijers dood!'. Een peuk was uitgedrukt in de punt van het uitroepteken. Op slag vergaten we de Omloop en zelfs de motorstep. Dat was erger, dit was de diepste belediging. Maar van wie? Wie had er zo'n hekel aan ons dorp? En waarom moest hij juist ons, de Castermansen hebben?

We waren kinderen. En natuurlijk waren we begaan met het lot van aaibare diertjes en arme mensen ver weg. We waren op een leeftijd dat we grote mensen stom vonden, omdat ze altijd maar oorlog voerden. De leeftijd ook, dat je eigen bestaan wordt geleid door de logica van leiders en volgelingen. En dan is een stammenstrijd niet ver weg. We gruwden van de provocatie, we huiverden van opwinding en we vonden het eigenlijk prachtig. Onze eer was in het geding, de schandvlek moest worden uitgewist. We zonnen op wraak. Alleen: op wie?

Het was iemand van buiten het dorp, zoveel was wel duidelijk. De gedachten gingen meteen de berg op, dwaalden rond de Gerhardstoren en daalden neer op de familie Herckenrath, de keurslager. Die had een heleboel jongens en geen van alle aardige. De oudste was Lowie, een bullebak waar je beter geen ruzie mee kon krijgen. Het evenbeeld van zijn vader, een grofgebouwde gedrongen figuur met een glimmende kop. Lowie was een jaar of veertien en hij dronk bier. Het voorgaande jaar bij de Omloop had hij staan overgeven voor het oog van de fine fleur van de hele streek. De renners moesten ervoor uitwijken. Dat was Lowie. En dan had je Raf, die was iets ouder dan Wessel. Hij zat bij mijn vriendje Axel op voetballen. Hij kende hem nauwelijks, want Raf zei nooit wat. Ook Raf was een in elkaar gedrukte bonk spek en spieren, met handen als kolenschoppen. Achter Lowie en Raf kwamen er nog een heel stel, maar vandaag hadden we er geen één gezien. Dat was verdacht. Eigenlijk wees alles in de richting van de Herckenratten. Maar de meest voor de handliggende verdachte was Raf, want die had een motief.

Maria hielp iedere zaterdag bij de paarden. De manege was achter het klooster boven op de berg. Op een zaterdag in februari fietste ze naar huis. Opeens reed Raf achter haar aan, hij ging naast haar rijden en zei niets. Remde Maria, dan remde hij. Trapte ze door, dan trapte hij door. Hij bleef bij haar fietsen tot aan de Dorpsstraat. Daar sloeg hij af en reed weer terug de heuvel op. De week erop was hij er weer, en weer zei hij niets. Maria kreeg het er Spaans benauwd van.

"Duvel op", had ze tegen hem geroepen, "laat me met rust!"

Maar de slagerszoon week niet. Maria remde, hij remde. Ze trapte, hij trapte harder. Ze werd klemgereden, en hij ging heel dicht bij haar staan. Zijn enorme klauw omvatte Maria's linkerhand en perste het handvat in haar handpalm. Daarna grijnsde hij tegen haar en fietste weer weg, de heuvel op. De volgende week reed Wessel mee. Maar een chaperonne was voor Raf geen probleem. Als Wessel en Maria trapten, trapte hij ook. Remden ze, dan remde Raf ook. Hij volgde de twee op de voet. Wessel hield hem staande.

"Wat moet je van ons? Heb je niks beters te doen? Duvel op."

"Openbare weg", zei Raf, "Ik fiets waar ik wil."

"Jij draait je om en maakt dat je weg komt. Anders vallen er klappen in het openbaar."

Wessel stuurde Maria naar huis en hield Raf tegen. Toen hij even later thuis kwam zat hij onder de schrammen en de blauwe plekken. Maria kon weer veilig naar de paarden. Sindsdien had Raf een motief.

***

De Omloop was nog in volle gang, maar geen van ons had nog interesse. De Herkenrathjes hadden zich onder dekking van het feestgedruis meester gemaakt van onze stepsolex. Hoe ver konden ze zijn? Wessel vond dat we op onderzoek moesten, maar wel heel voorzichtig. Niet allemaal tegelijk, maar in kleine groepjes langs verschillende routes. Dat klonk avontuurlijk genoeg. Ik fietste met Axel langs de watermolen en dan achterlangs de berg op. Twee keer kruiste onze route het parcours, maar niemand schonk ons enige aandacht. We gingen naar de supermarkt waar we zouden verzamelen. Wessel en Jo namen de gebruikelijke weg, langs het traject dat de renners eerder die dag beklommen hadden. Ze vielen niet op, er waren meer kinderen die de start naspeelden. Maria en Wiel lieten het langst op zich wachten. Ze zaten vast in de menigte beneden. Vanaf de heuveltop kregen we een ongekend uitzicht. Een stoet auto's en motorfietsen slingerde zich door het groene landschap, gevolgd door de kopgroep. Her en der, bij bruggen en kruispunten dromden de mensen samen. Hoe dichter bij de dorpskern van Sint-Gerhardsrade, hoe dichter de menigte. In de straalblauwe hemel snorde een reclamevliegtuigje. Vanuit het dal schalden de luidsprekers en flarden van feestmuziek. Maar in Sint Gerhardberg was alles stil en verlaten. Een onheilspellende stilte. We moesten uitkijken, we waren in vijandelijk gebied.

We gingen sluipend verder, nu verspreid in twee groepen. Ik sloop met Axel en Wessel achter de frituur om. Voor ons lag een lange lege straat, aan het eind ervan de slagerij. Ze zouden ons minutenlang kunnen zien aankomen. We schoten snel een zijstraatje in. Achter de tuinen langs, voorbij een werkplaats waar ze iets stonden te lassen. We passeerden onopgemerkt. Daar hield het pad op. Wessel sprong over de sloot en gebaarde dat wij ook moesten springen. Ik sprong, maar gleed van de kant de blubber in. Wessel trok me op de kant. Axel nam de plank, die verderop aan het einde van het weiland lag. Daarna volgden we een verharde weg. We waren nu voorbij de slagerij. We zouden het vijandelijk doelwit van achteren benaderen. Bij een driesprong zagen we de anderen. Ik had eigenlijk een walkie-talkie willen hebben."Hier Papa-Charlie-Bravo, wij staan bij de driesprong. Waar zijn jullie? - over". Dat had me nou zo spannend geleken.

De weg links ging terug naar het dorp, rechtsaf liep een weg verder het dal in. Aan het einde daarvan werd de koers gereden. We konden onder dekking van de wilgen tot vlakbij de slagerij komen. In de verte klonk het geluid van een brommer die onze kant op kwam. We doken weg tussen de uitstekende wortels van een overhangende boom. De bromfiets had moeite om de helling op te komen en naderde tergend langzaam. Vanaf de driesprong zou hij meer vaart krijgen. Jo stapte nieuwsgierig naar voren om te kijken waar hij gebleven was.

"Ssst, terug", commandeerde ik.

Opeens kwam de bromfiets met een behoorlijke grote vaart de bocht om. Vlak bij onze boom draaide de bestuurder zijn hoofd en knikte ons gedag. Het was geen bekende. Maar toen we even later bij de slagerswinkel kwamen stond dezelfde Zündapp tegen het raam geparkeerd. We zouden worden herkend als we niet uitkeken. We waren al gezien, al was het dan door een vreemdeling.

"Wat nu, Wessel?", vroeg Maria.

"Even rustig. Ik moet nadenken", zei Wessel.

Hij nam de situatie in zich op: de hoofdstraat, de Zündapp, de slagerij, daarachter de rokerij waar Herckenrath zelf zijn worst rookte. Daarachter was een grote schuur. En in de verte, voorbij de schuur stond een oude auto midden in het veld.

"Daar gaan we heen", besloot Wessel.

"Het is een Amerikaan", constateerde hij toen we dichterbij kwamen.

"Een Amerikaan", zuchtten we hem na, vol ontzag.

Hij stond in het gras, op blokken. De banden ontbraken, de verchroomde strips aan de zijkant waren verroest, net als de grille en de koplampen. Dat deed niets af aan onze bewondering. Een zeegroene Amerikaanse slee in je achtertuin, wie had dat nou? Het was hooguit 10,12 meter van de heg naar het wrak. Maria bleef met Wiel op de uitkijk staan. De deur was los, je kon er zo in. Binnen kakelden we opgewonden door elkaar.

"Is het een Cadillac? Het is een Cadillac!"

"Nee joh, een Buick."

Wessel wist hoe je dat uitsprak: Bjoe-ik.

"Moet je zien, al die metertjes en die wijzertjes. Het lijkt wel een vliegtuig. Hij kan wel 220, dat staat erop."

"Het zijn vliegtuigstoelen", riep Jo.

Hij klapte de rugleuning achterover. Het was het jaren '50 idee van luxe. Verzonken tellertjes, veel knopjes en lichtjes. En zoveel chroom dat het wel een jukebox leek.

"Even stil, jongens", zei Wessel.

We zwegen. Fluisterend ging hij verder.

"We hebben hun geheime schuilplaats ontdekt. Dat moeten we ze laten merken. Hoe gaan we dat doen?"

"We schrijven een dreigbrief", bedacht Axel.

"Goed", vond Wessel, "Hebben we iets om mee te schrijven?"

Jo keek in het dashboardkastje. En haalde er sigaretten uit en een pen en lucifers. De pen gaf hij aan Wessel.

"Geef eens", zei ik, en griste de sigaretten uit zijn hand.

"Geef hier", zei Jo.

Ik pakte er één uit en stak die achter mijn oor. Wessel probeerde de pen uit op het dashboard, maar dat lukte niet. Maar de bekleding van lichtgroen skai, dat wilde wel.

"Schrijf op", zei ik, "De Wraak van Castermans!"

"Nee joh", zei Axel, onze broeder van het kerkplein."Het moet zijn: 'De Wraak van Sint-Gerhardsrade'. Dit gaat ons allemaal aan."

Hij had gelijk.

"Maar we weten nog niet zeker of zij het waren", overwoog Wessel.

"Natuurlijk waren zij het", zei Jo, "Ik zweer het je!"

"Maar stel dat het toch anderen waren. Dan hebben we al vijanden, en dan krijgen we ook de Herckenratjes erbij. We zetten gewoon 'Wraak!' Verder hoeven ze niks te weten. Als zij het waren, is dat duidelijk genoeg."

Wessel had gelijk. Natuurlijk. Hij pakte de sigaret van achter mijn oren en stak hem aan. We namen om de beurt een hoestende haal. Dat was goed. Bij zo'n ritueel moet je ook lichamelijk iets voelen. De peuk drukten we uit in de punt van het uitroepteken, net zoals zij hadden gedaan. Het liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Dat zou ze leren.

***

Een week later sprak de anders zo zwijgzame Raf twee woorden tot Axel:

"Jij. Ziekenhuis", en schopte hem bont en blauw.

Axel zal ook wel iets gezegd hebben, maar dit stond in geen verhouding. We zochten Raf op, boven op de berg.

"Kun je wel, tegen zo'n kleintje? Neem er een van je eigen leeftijd", zei Wessel.

"Kom maar", gromde Raf.

Meteen lag Wessel op de grond. Er volgde een verbeten worstelpartij. Dan lag de één onderop, dan de ander. Geslagen werd er nauwelijks, geschopt al helemaal niet. Wessel woelde en wrikte net zolang tot hij los was. Dan zocht hij een moment om zijn tegenstander uit het evenwicht te duwen en hem eronder te krijgen. Hij hield hem in een houdgreep zolang als dat lukte, maar Raf verzette zich als een dolle stier tot de rollen waren omgedraaid. Het was kracht tegen kracht, en de strijd werd gestaakt door pure uitputting. Toen Wessel opstond krabbelde ook Raf overeind, zonder nog een poging tot een uitval te doen.

"Lafbek", hijgde Wessel hem nog na.

Raf haalde zijn schouders op. Natuurlijk was Wessel onze held. Maar een held die niet wint is toch beetje een trieste figuur. En als het nou nog wat had uitgehaald, maar het werd alleen maar erger. Daags erna had ik een lekke band. Terwijl ik aan het plakken was, kwam Wiel van de buren. Hij had een lekke band. Axels band was plat en die van Maria en nog wat kinderen. Alle kinderfietsen die de vorige avond buiten stonden waren lek. Dit ging allang niet meer alleen over ons, ze hadden het hele dorp willen pakken. Vanaf nu was heel Gerhardsberg vijandelijk gebied. Het kostte uren om alle banden te plakken. Daarna fietsten we demonstratief de berg op, twaalf kinderen op een rij. We reden dwars door de dorpsstraat tot voor de slagerij. Daar hielden we stil en rinkelenden ons protest minutenlang, tot er wat Herckenratjes naar buiten kwamen. Eerst bekeken ze ons verbaasd, daarna begonnen ze te joelen en te fluiten. Uiterlijk onaangedaan maakten we nog een rondje en daalden de berg weer af.

"Het was een rotplan, Wessel", mopperde Jo. "Ze lachen ons gewoon uit. We moeten ze terugpakken."

Maria had een idee.

"We moeten gewoon zorgen dat niemand meer vlees bij ze kopen wil. Dan gaat-ie failliet en dan gaan ze lekker weg. We bellen de krant en we zeggen dat hun vlees vergiftigd is. Dan durft niemand meer bij ze te kopen."

Wessel zag er niets in, waarom zou zo'n krant een paar kinderen geloven? Maar het idee, dat we de slagerij zelf moesten treffen bleef in de gedachten rondspoken. Uiteindelijk besloten we terug te gaan langs het Wilgenpad. Misschien konden we zorgen dat de schoorsteen van de rokerij verstopt raakte. Of we konden de banden van klanten lek prikken. In een dergelijke oorlogszuchtige stemming vertrokken we. Vanuit onze schuilplaats in het hoge gras observeerden we de slagerij. Er liepen wat mensen in en uit de zaak, maar het bleef vooral erg rustig. De vijand liet zich niet zien. We zochten koortsachtig naar geschikte represailles. Tot op een gegeven moment het blauwe VW-busje van de slager zelf kwam langsgereden. Hij parkeerde een stukje verderop en liep met de glimmende kop gebogen naar de winkel. Na de rinkelende deurbel bleef het stil. Een ideaal doelwit. Vanuit de winkel was het busje niet te zien en de blinde muur van de buren vormde ook geen obstakel.

"Jullie blijven hier. Als er iemand aankomt, maak je een geluid. Maria, jij kan op je vingers fluiten", zei Wessel.

"Zal ik het doen?", fluisterde ze.

"Nu niet, als er iemand aankomt."

Het duurde wel een kwartier tot Wessel terugkwam. En al die tijd hing er een doodse, zomerse stilte in de straat. Niemand te zien, niemand te horen, niemand wilde vlees. Als je heel goed luisterde hoorde je een zacht, maar aanhoudend gepuf.

"Zo."zei Wessel, "En nu gaan we rustig terug. En als iemand wat vraagt, zijn we bij de beek gaan spelen."

De strafexpeditie leek te helpen. Het bleef ruim drie weken rustig aan het front. Het enige opmerkelijke was de vondst van de step. Boer Hoeben had hem gevonden in de sloot langs zijn erf. Het vieze water had het motortje aangevreten. Weer werd alles uit elkaar gehaald, gepoetst en gesmeerd, maar het mocht niet baten. Ook de step staakte zijn gemotoriseerde bestaan.

***

Eind augustus waren de voorbereidingen voor het Landjuweel in volle gang. Het programma was bijna hetzelfde ieder jaar. 's Ochtends, na de mis, een kinderactiviteit. Dat was meestal een speurtocht of een film van de Dikke en de Dunne. 's Middags trad ons aller Sjeng op, de trots van het zuiden, en dan was er de gezamenlijke maaltijd. Soms waren dat pannenkoeken, soms was er friet. Meestal bracht ieder huis een eigen pan eten mee. Het hoogtepunt viel altijd aan het begin van de avond, bij het open podium. De bühne stond op het kerkplein, tegenover 'Sursum Corda - Omhoog de Harten!' Bij slecht weer kon alles zonder moeite worden voortgezet in het parochiehuis zelf. Op de bühne liet Sint-Gerhardsrade zich van zijn beste kant zien. Een Büttenredner herhaalde zijn successen van het afgelopen Carnaval, de toneelvereniging speelde een komische eenakter; Loes van de koster liet horen hoever ze dit jaar was gevorderd met vioolles. En haar vader haalde de trekzak van zolder, zodat het hele dorp nog eens lekker ouderwets kon meezingen met schlagers en operetteliedjes. Het kerkplein was de hele dag een groot terras. Na de mis begon het bier te stromen, en voor ons was er meestal nog ijs halverwege de middag. Zo was het ieder jaar.

Maar dit jaar zou bijzonder worden, dit jaar hadden we een jubileum. Op de akker van Hoeben, schuin tegenover het kerkplein werd de hele week gewerkt aan een stellage waar de vuurpijlen, raketten en fonteinen bevestigd moesten worden. Dat was pal naast ons landje, en of dat nog niet opwindend genoeg was: het vuurwerk, het ontstekingsmechanisme en het blusmateriaal werden bij ons in de schuur opgeborgen. Er kwam een hangslot aan de deur en een bordje met ONTPLOFFINGSGEVAAR - NIET ROKEN - GEEN OPEN VUUR.

Ik hing de hele dag rond bij de werklui, we mochten helpen met van alles en nog wat. Alleen het vuurwerk, daar mochten we niet aankomen. Dat bleef droog en veilig opgeborgen tot aan het laatste moment. Al speet dat de enthousiaste medewerker van het vuurwerkbedrijf bijzonder. Hij legde ons uitgebreid uit wat er achtereenvolgens zou gebeuren, welke pijlen voor de fonteinen zouden zorgen en hoe hoog die dan wel niet kwamen en waar de echte knallers vandaan kwamen. Dat hij sliste verhoogde het effect.

"Hij maakt eerst een hele boog de lucht in. Wel 150 voet, dat is 50 meter, zeg maar. Heel hoog. En dan is het nog zilver, hè. En dan barst-ie uit elkaar -pats- in allemaal kleine bommetjes, en die ontploffen weer in nog kleinere boogjes, rood, groen, goud alles door elkaar. Ach, dat wordt mooi jongens! "

Het was een klein, levendig mannetje met woeste krullen en één gouden tand. Als hij vertelde beschreven zijn handen de loop van de pijlen, zijn vuisten speelden de kracht van de explosies na en van zijn gezicht viel de bewondering van het publiek af te lezen. We mochten hem John noemen en hij noemde ons allemaal Maria en Jo, want zoveel kinderen kon hij niet uit elkaar houden. We hielpen John bij alles wat hij vroeg. We moesten er voor zorgen dat niemand de sleutel van het hangslot van het haakje nam als hij zelf weg was. Een grote eer. Het Landjuweel zelf kon nooit zo mooi zijn als de voorbereidingen dat jaar. Vol trots toonden we John onze hut, onze televisie en de goudvissenkom.

"Volgens mij gaat het niet zo goed met die vissen", zei John, "Het water ziet er ook raar uit. Misschien zijn ze aan de poeperij."

Hij stak zijn neus boven de kom.

"Het ruikt ook vreemd."

Daarop tilde hij de kom van de plank in het licht.

"Gadver", zei hij, "Het is warm. Het is pis."

Een kreet van afschuw en ongeloof. Maria rende weg voor een emmer water en een schepnetje en probeerde onze geschubde vriendjes te redden.

"Als het nog warm is, dan is de dader misschien nog in de buurt", zei ik."We moeten gaan zoeken."

"Ach, joh, die is allang weer thuis", zei Wessel, "Pis blijft lang warm, hoor. Waar wou je naar gaan zoeken dan. Iemand die zijn gulp heeft open staan?"

Daar had hij natuurlijk gelijk in. Waar moesten we naar zoeken? Wie doet nou zoiets? Wie anders dan de familie Herckenrath? Een snelle, harde tegenactie was geboden. Alleen Wessel had nog zijn twijfels.

"Ik weet het niet. Het is al wekenlang rustig. Waarom zouden ze het uitgerekend nu doen? Juist nu iedereen hier in en uit loopt?"

Maar het waren ze wel degelijk, het kon niet anders. Toen we navraag deden bleek dat de slager net terug was van vakantie. Ze waren drie weken naar Spanje geweest. Dat verklaarde alles. We zouden weer iets moeten bedenken. Iets goeds, dit keer. Er viel niet met ons te spotten en dat moesten ze vandaag nog merken. Daarmee viel het plan van Maria -stinkbommetjes in de Buick- af, want die kon je alleen in de stad kopen. Haar tweede idee was beter. Het stak in smerigheid de viskompisser naar de kroon.

"We leggen een drol in de Buick, en dan schrijven we op de motorkap: schijt aan de Herckenratten!"

Als ze het op dit niveau wilden uitvechten, dan konden ze het krijgen! Alleen voelde niemand zich geroepen de daad ook echt, daar, ter plekke, te voltrekken. Wessel had een beter idee. Vlak na het avondeten togen we samen aan het werk. We gingen naar de schuilplaats aan het Wilgenpad. We slopen naar de plek waar we vorige keer ook door de heg waren geglipt. Ik zag hoe Wessel, ondanks de zware tas, soepel het veld overstak. Niemand kon hem zien. Ik keek naar het huis. Van over het dak van de schuur zag ik de tuindeuren openstaan. Er klonk muziek, iemand speelde piano. Het klonk zo vredig en onschuldig dat ik begon te twijfelen aan de hele missie. Alsof iemand die klassieke muziek speelt niet tot vreselijke dingen in staat is. Ik wist opeens heel zeker dat het fout zou gaan.

"Schiet op", riep Wessel op gedempte toon.

Ik kon hem niet in de steek laten, ik kon niet meer terug. Toen ik de andere kant in veiligheid bereikt had bonkte mij het hart in de keel. Snel pakten we de spullen uit, schoven de lading in de uitlaatpijp en staken de bedrading aan. De explosie kwam sneller en veel harder dan verwacht. Ik was nog niet terug bij de heg of de eerste knal klonk, gevolgd door een tweede en daarna een hele reeks. Onwillekeurig bleef ik staan en draaide me om, net op tijd om te zien hoe de hele uitlaat met een daverende dreun onder de Buick uitscheurde. Dat ging met zo'n kracht dat de wagen werd opgetild en naast de blokken werd geworpen waar hij normaal op stond. Het gras onder de auto vatte vlam. In plaats van weg te rennen bleef ik staan, letterlijk overdonderd. De klap commandeerde een heel leger Herckenratten naar buiten.

"Rennen!", schreeuwde Wessel vanuit de veilige dekking van de heg.

Maar het was al te laat. Raf had me gezien. Hij liep niet naar de Buick, zoals de anderen, maar zette meteen de achtervolging in. Hij had me te pakken voor ik het wilgenpad bereiken kon. Met een klap van zijn enorme handen had hij me tegen de vlakte. Bij de tweede dook ik ineen. Ik verweerde me niet, maar probeerde de mokerslagen zo goed mogelijk op te vangen, de een na de ander. Raf sloeg in stilte, als een beiaardier die zijn instrument bespeelt: werktuiglijk, stomp na stomp. Ik was te verbouwereerd om iets te zeggen en Rafs motto was nu eenmaal: geen woorden maar daden. Dat had als voordeel dat niemand hem te hulp schoot. Het nadeel was dat niemand hem van mijn rug afhaalde.

Ineens was Wessel daar. Hij dook met zijn volle gewicht op de slagerszoon en wist me te bevrijden. De laatste confrontatie tussen de twee vechtjassen was onbeslist geweest, maar nu leek Wessel duidelijk in het nadeel. Raf was een en al adrenaline. Hij reed al in de vierde versnelling, die haal je niet meer in. Ik schoot op mijn beurt Wessel te hulp. We konden hem getweeën net de baas. Even hadden we de overhand, toen kwam Lowie met zijn broers. Er kwamen schoppende schoenen en rammende vuisten van alle kanten. Toen ik me door Raf liet meppen voelde ik iedere klap. Maar nu week de angst. Ik sloeg, trapte, trok, krabde en beet als een idioot zonder iets te voelen. Uiteindelijk hadden ze twee man nodig om me in bedwang te houden, en nog eens twee voor Wessel. Lowie rochelde en mikte een vette fluim in Wessels gezicht. Dat had hij niet moeten doen. Wessel werd zo pislink, dat hij zich weer losrukte en de smeerlap met een zwaai tegen de vlakte sloeg. Ik probeerde me ook los te trekken, maar ze hadden me stevig vast. Er stonden er nu drie tegenover Wessel. Hij zag er vervaarlijk uit, met zijn kop vol bloed.

"Kom maar op", hijgde hij, "Ik trap je lek, met plezier. Kom maar, alledrie tegelijk!"

De anderen aarzelden maar ondernamen niets. Hij snoof en spuugde zijn slijm, vermengd met bloed, op de grond. Ze deinsden terug. Hij zette een stap naar voren. Ik trok aan mijn belagers, maar die lieten niet los.

"Zo is het wel genoeg jongens", klonk opeens een stem van achteren.

"Eens even kijken. Als jullie de beide heren even loslaten, dan mag jij met mijn collega mee naar binnen om een verklaring af te leggen. En jullie twee blijven even hier bij mij."

De hele familie Herckenrath, vader voorop, liep gedwee met de ene agent mee naar de slagerij. De andere hield ons staande.

"Nu heren, als u tot rust gekomen bent, dan had ik graag dat jullie met mij mee ging naar het bureau. Dan knappen we jullie even op en dan mogen jullie ook een verklaring afleggen. Je zou me een plezier doen als je rustig en zonder verzet meekomt. Eerlijk gezegd hadden we zo'n bende niet verwacht. We kunnen ook wachten op versterking. Zeg het maar."

Het kalme gebabbel van de man werkte ontladend. We zaten allebei verdwaasd na te hijgen.

Ze brachten ons naar een eerste hulppost in de stad, waar we erg lang moesten wachten op een dokter. Daarna gingen we naar het politiebureau aan de Wilhelminalaan. Ze lieten ons alleen in een kamer. Geen tralies, niks op slot. We werden ook niet gefouilleerd, zoals ze op TV altijd deden. We vertelden alles en de agent tikte het uit. Daarna bleef hij een hele tijd weg. Toen hij terugkwam kregen we te horen wat de kinderen van de slager hadden verteld. Dat was een bizarre voorstelling van zaken. Ze vertelden dat ze al een hele tijd werden geterroriseerd door de kinderen van Sint-Gerhardsrade: op school, bij het voetballen en op straat. Tja, waarom? Daarvan hadden ze geen idee. Omdat wij asociaal waren. Hun broertje, dat nooit een vlieg kwaad deed, was al eens in elkaar geslagen, alleen maar omdat hij in Sint-Gerhardsrade fietste. Het werd steeds erger en het ging altijd stiekem. Ze hadden de banden van vaders auto leeg laten lopen, bijvoorbeeld. En nu die bom.

"Als je die twee verhalen naast elkaar legt", zei de agent, "Dan zijn er overeenkomsten maar ook verschillen. Is het waar dat jullie dat jongetje, die Raf al eerder hebben geslagen?"

Wessel knikte bevestigend.

"Geweld gebruiken tegen een achterlijke jongen, dat is laf. Dat is iets wat jullie bijzonder wordt aangerekend. Maar er zijn ook andere zaken in jullie verhaal. Zo is er die diefstal van die step. De lekke banden van jullie fietsen en dat onsmakelijke verhaal van de vissenkom. Dat maakt jullie actie wel begrijpelijk. Als dit voor de kinderrechter komt, zal hij dat wel meewegen."

De kinderrechter. Ik schrok. Het werd menens. De tranen sprongen me in de ogen. Ik keek Wessel aan. Die zat er een beetje apathisch bij.

"Alleen ontkennen de andere kinderen dat allemaal. Er zijn nergens bewijzen voor. Dus is het jullie woord tegen dat van hun, snappen jullie wel? En één ding is wel duidelijk. Die step is tijdens de wielerronde gestolen. Maar de dief was niemand van de familie Herckenrath. Want op die dag waren die allemaal naar de begrafenis van hun opa."

Dat kwam hard aan. We waren zo zeker geweest van onze zaak. Nu klopte er niets meer. Met de diefstal van die step was alles begonnen. Het leek wel alsof alles fout liep wat maar fout kon lopen.

***

Die zaterdag, de dag voor het Landjuweel, zaten we allemaal in een lokaaltje op het politiebureau. Vader en moeder waren er ook. Aan de andere kant zat de familie Herckenrath met het zondagse pak aan, met de stropdasjes en een scheiding in het pasgewassen haar. De keurige keurslager zelf droeg een zwart kostuum. Bij de familie Castermans was het nog zaterdag, we droegen onze doordeweekse kleren. Ik was op van de zenuwen.

"Inspecteur Wijnands komt zo bij u", was ons verteld. Beide partijen zaten in doodstille afwachting. Alles was onzeker. Vandaag kregen we te horen wat er verder zou gebeuren. Kwam er een rechtszaak van, wat voor straf konden we verwachten? Van ons vader hadden we al ongenadig op ons donder gehad. Inspecteur Wijnands kwam binnen. Hij imponeerde met zijn indrukwekkende snor en priemende blik. Moesten we gaan staan? In de kerk ging je ook staan als het belangrijk werd. Iedereen schoof op zijn billen heen en weer, maar niemand stond op.

"Goedemorgen."

Het klonk al als een beschuldiging. Hij keek ons een voor een aan en ging zitten. Daarna zweeg hij een moment en staarde naar zijn papieren.

"Jullie zijn hier vandaag in verband met een reeks onverkwikkelijke gebeurtenissen. Wij hebben een en ander onderzocht, en dat heb ik besproken met het o-pen-baar mi-ni-ste-rie."

Het ministerie! Ging de regering zich er ook al mee bemoeien? Het werd me koud om het hart.

"Maar eerst wil ik eens stevig met jullie praten. Hebben jullie verduveld wel in de gaten waar je mee bezig bent?"

"Edelachtbare", begon Lowie.

Hij werd verbaal neer gegeseld.

"Straks! Nu ben ik aan het woord. Laten we eens kijken. Wat hebben we feitelijk vastgesteld?"

Hij keek weer in zijn papieren en liet de stilte voortduren.

"Juist. Op het erf van de familie Herckenrath staat een oude auto om in te spelen. Op woensdagavond kwart over zeven gaan Mathieu Castermans, negen jaar en Wessel Castermans, elf jaar, naar deze auto. Ze hebben vuurwerk bij zich, dat ze in de uitlaatpijp van deze auto schuiven en deze lading brengen zij tot ontploffing. Correct."

De inspecteur keek op van zijn papieren.

"Wie van jullie zijn Mathieu en Wessel Castermans?

"We staken onze vinger op.

"Juist. Luister jongens. Vuurwerk in een afgesloten ruimte is geen vuurwerk meer, maar een ex-plo-sief. Wat jullie hebben gedaan, Mathieu en Wessel, is niets minder dan een bomaanslag. En de anderen wisten wat jullie van plan waren en ze hebben niemand gewaarschuwd. Die zijn dus medeplichtig. Jullie bent nog erg jong. Maar als je achttien was geweest, dan had je gevangenisstraf gekregen. Weet je waarvoor allemaal? Voor:

-het plegen van een ge-welds-de-lict met mogelijk ernstige lichamelijke en materiële schade;

-vernieling van andermans eigendom;

-huis-vre-de-breuk;

-en medeplichtigheid daaraan."

Als ik achttien was geweest, had ik wellicht gedacht dat Ot en Sien terecht stonden. Nu raakte iedere lettergreep me als een zweepslag. Gevangenisstraf, zie je wel!

"Dit zijn hele ernstige zaken. Daar past een flinke straf bij. Gelukkig is het goed afgelopen. Er is niemand gewond en de schade valt mee. Maar het had ook anders kunnen uitpakken. Dan de andere kant van de zaak."

Hij zette voor de derde maal zijn leesbril op en snuffelde weer door zijn papieren.

"Ik heb hier zes broers Herckenrath, in leeftijd tussen 5 en 15 jaar oud. Correct. Jullie hebben je in groepsverband schuldig gemaakt aan een hele reeks gewelddadige handelingen. Schoppen, slaan, bijten en wat al niet meer. Wat het allemaal erger maakt, is dat jullie maar door bleven gaan. En, jongens, met zes tegen twee, dat is niet echt eerlijk vechten hè?"

"Maar edelachtbare "zei Lowie, "Ze zijn allebei heel sterk. Die Wessel, die kan gemakkelijk drie kinderen aan. Mijn broertjes zijn nog heel klein."

"Even kijken. Jij bent Louis Herckenrath, 15 jaar?"

"Ja, edelachtbare."

"Dan heb jij een buitengewoon slecht voorbeeld gegeven aan jouw kleine boertjes. Jij zou op jouw leeftijd moeten weten dat je ruzies niet op deze manier hoort op te lossen. Het is dat wij er snel bij waren, anders weet ik niet hoe dit zou zijn afgelopen."

"Maar commissaris", kwam de keurslager tussenbeide.

"Juist, dat brengt me op het volgende. Ook hier hebben we een medeplichtige partij. U bent de heer Cornelis Herckenrath, 45 jaar oud? Ik heb hier verklaringen van uw eigen kinderen, die bevestigen dat u er bij stond te kijken zonder in te grijpen."

"Nee, dat is wel zo, commissaris, maar..."

"Het medisch rapport liegt er niet om. Een gescheurde oorlel, gekneusde ribben, hechtingen, noem maar op. Dat is nogal wat voor een kinderruzietje, meneer Herckenrath. U mag van geluk spreken dat de familie Castermans nog geen aangifte heeft gedaan van mishandeling. Dat kinderen vechten, dat begrijpt de rechter nog wel. Maar van u, als volwassene, als vader bovendien, zal hij verantwoordelijkheidsbesef eisen. Dit zal hij u zwaar aanrekenen. Ik hoorde dat u de jongens zelfs heeft aangemoedigd?"

"Ja, edelachtbare", zei de slager en boog het hoofd.

"We hebben in Nederland een onafhankelijke rechter. Die laat zich niet leiden door emoties, maar door de feiten. Dat is natuurlijk niet voor niets. Want als de emoties spreken, dan is de waarheid snel zoek. Als de kinderen van Castermans ruzie hebben met uw kinderen, zijn uw kinderen de schuld van alles. Dan hebben zij die step gestolen en ik weet al niet wat. Begrijpt u dat, meneer Herckenrath? Als aan de emoties ligt zijn uw kinderen schuldig, ook al is dat niet waar. En dat leidt dan weer tot wraakacties en buitensporig geweld. En dan is het eind zoek. Daarom mag je niet zelf voor rechter spelen. Begrijpen jullie dat allemaal?"

Hij keek iedereen nog eens aan.

"En nu we het toch over de rechter hebben..."

Hij haalde diep adem en ging recht achterover zitten. Hij keek erg streng. De slager zei niets meer. Eén van de kleine Herckenratjes zat zacht te snikken. Jo was lijkbleek weggetrokken en vader trommelde zenuwachtig met zijn vingers op tafel.

"Jullie zijn zeer jeugdige daders. Jullie zijn geen van allen eerder met de politie in aanraking geweest. Bij de mishandelingszaak is bovendien geen aangifte gedaan. Daarom hebben we besloten om beide zaken te se-po-ne-ren. Weten jullie wat dat betekent?"

Vraagtekens op alle gezichten.

"Dat betekent niet dat jullie onschuldig zijn. Het betekent wel dat er vooralsnog niets ten laste wordt gelegd. Er komt dus geen rechtszaak."

Iedereen zuchtte opgelucht.

"Maar mocht één van jullie ooit nog eens de fout in gaan, dan komt het verhaal van afgelopen woensdag wel weer op tafel. Dus je bent gewaarschuwd."

Hij schoof de stapel papier terzijde en ging rechtop zitten.

"Jongens, ik wil dat jullie die ruzie ook echt bijleggen. Ik wil dat je tegen elkaar zegt: wat gebeurd is, is gebeurd. Zand erover. Je hoeft van mij geen vrienden te worden. Maar ik wil wel dat je op een normale manier met elkaar omgaat. Jullie staan nu op. Ja, sta maar op kinderen..."

Er klonk een aarzelend geschuif met de stoelen.

"Goed. Maak maar een rij, daar de kinderen Herckenrath, hier de afdeling Castermans. En nu geven jullie elkaar allemaal een hand, je kijkt elkaar aan en je zegt het spijt me."

De man had onmiskenbaar gevoel voor bezwerende ceremonies. Daarna riep hij de ouders aan beide zijden naar voren. Ook die moesten elkaar de hand drukken en beloven, dat ze allebei zouden nadenken over een verzoenend gebaar. En toen mocht iedereen weg, behalve Raf, Lowie, Wessel en ik. Hij liet ons nog twee uur strafregels schrijven, in gescheiden kamers.

De grote verzoeningsgebaren van de slager bleven uit. Maar vader trok de oproep op zijn fatsoen. Hij ging naar Herckenrath met het voorstel om de gebroken ruitjes te vergoeden. Toen hij thuiskwam had hij bovendien de toezegging gedaan, dat hij de bestellijst voor de kerst gratis zou drukken. En ik geloof niet eens dat de keurslager daar bijzonder veel druk voor hoefde uit te oefenen. Wij Castermansen hebben iets masochistisch. Ook Wessel vond dat hij een gebaar moest maken, al had niemand hem dat gezegd. Hij liep met zijn gekneusde ribben en de Solexstep de berg op. Hij bood nogmaals zijn excuus aan en zei:

"We hebben hem helemaal nagekeken. Hij doet het niet meer. Misschien kunnen jullie er nog wat mee."

Dezelfde middag nog kwam Lowie langs geprutteld.

"Het was alleen maar een nieuwe bougie. Als je wilt mag je nog één rondje."

Wessel schudde het hoofd. Het lopen tegen de berg op had hem meer dan genoeg pijn gekost. En niet alleen aan zijn ribben.

****

Daarmee kwam een einde aan Wessels jongensboekjaren. Alsof met de woorden van Wijnands ook de wereld van de volwassenen zijn hoofd binnen sloop. Hij begon zichzelf te zien door de ogen van een ander. En wat hij zag zette hem voor jaren aan het denken. Hij dacht na over de wereld en de eeuwigheid, over God en de geschiedenis en zijn eigen plaats daarin. Hij hield niet op met denken. De eerste conclusie van zijn gedachten was, dat hij later rechter wilde worden.

02 Andere tijden

Nog was alles zoals het altijd was. Je bent een kind en kinderen groeien, maar de wereld om je heen blijft hetzelfde. Het decor is voor eeuwig en de tijd staat stil. Natuurlijk, we bleven steeds later op en zagen dan wat er buiten ons dorp gebeurde. Kees Verkerk won met schaatsen, er was oorlog in Vietnam en honger in Biafra. Waar dat lag weet ik nog steeds niet. Maar daarna ging de televisie uit, het prentenboek ging dicht. Welterusten. Of, zoals Wessel vroeger zei: 'bel de Russen!' Wij waren voorbestemd om altijd te blijven zoals we waren. In Gerhardsrade zou nooit iets veranderen.

De verandering kwam onverbiddelijk en onherroepelijk. Na schooltijd speelde ik als altijd buiten met Axel en de anderen. Maar Wessel was dan nog onderweg van het gymnasium in de stad. Als hij eindelijk thuiskwam begon hij aan zijn huiswerk. We zagen hem in het weekend, maar de afstand werd steeds sterker voelbaar. Hij introduceerde idolen en ideeën waar wij nog nooit van hadden gehoord en waar we niets van begrepen. Het jaar erop ging ik naar de Sint Jozef mavo in Gerhardsberg. Daarna leefden we helemaal gescheiden levens.

Wessel vormde vroeger in zijn eentje al een aparte categorie. Als hij niet veel vrienden had, dan was dat omdat er maar weinig kinderen op voet van gelijkheid met hem omgingen. We zagen tegen hem op en we gehoorzaamden met de kuddegeest die kinderen eigen is. Sommige mensen roepen dat in je op; sommige mensen zijn nu eenmaal zichtbaarder dan anderen. Maakte ik eens een gevatte opmerking, dan kon moeder een week later doodleuk tegen de buurvrouw vertellen wat haar Wessel nu weer gezegd had. Ik voelde me niet eens tekort gedaan. Het menselijk geheugen rangschikt de dingen alsnog, zoals ze eigenlijk horen te zijn. Ik deed het zelf ook. Ik schreef uitspraken en daden van anderen vol overtuiging en met het grootste gemak toe aan mijn illustere broer. Misschien doe ik dat nog altijd, wie zal het zeggen.

Ook van Odile kon ik het me uiteindelijk wel voorstellen. Odile Hilbrink was de droom van heel Sint-Gerhardsrade. Al scheen buiten de zon, je zat met plezier in de koude donkere kerk. Want je wist: daar zit zij, vierde bank van voren, achter de pilaar, net als elke zondag. Ging zij ter communie, dan bleef je zitten om naar haar te kijken. En als je geluk had en je ving haar blik, dan was je gezegend. Daar kon geen hostie tegenop. Zo'n meisje moet eigenlijk nooit ouder worden, altijd 13 jaar blijven, met dezelfde bruine ogen en dat lange blonde haar. Ik zie haar nu nog wel eens lopen in de Dorpsstraat: een moeke met boodschappentassen en een kwijlende hond. Ze werkt in een kapsalon geloof ik.

In de zomer van 1971 was Odile mijn grote liefde. Ze was een fan van Shocking Blue en ik keerde mijn spaarpot om voor de elpee. Ze was niet eens jarig. We gingen samen fietsen die zomer, we bakten appeltaarten, we gingen zwemmen bij de beek. Het enige wat we niet deden was zoenen. Zij maakte geen aanstalten en ik had het lef niet. Wessel had het lef wel. Hij nam haar mee naar een popconcert op de camping in Heltermondt. De hele avond had ik er de pest in. Hij kwam terug met enthousiaste verhalen.

"We zoenden heel diep. Ze rook ook naar melk en naar zweet. Maar heel lekker."

Had ik ook een oogje op haar? Oh, dat wist hij niet en dat speet hem dan. Dat het hele dorp op Odile verliefd was, dat had hij nooit gemerkt. Ik geloofde dat zonder meer. Hij vond het ook echt wel lullig voor me. Maar ik besefte dat ik het aan mezelf te danken had. Aardig zijn en wachten tot je ontdekt wordt is geen strategie voor jongens. Niet lang daarna liet ze ook Wessel weer schieten. Ze wilde een jongen die meer volwassen was, zei ze. Haar nieuwe vriendje was zestien en had een brommer.

***

Wessel was al jaren misdienaar. Het was tijd dat hij werd bevorderd tot acoliet. Maar de pastoor wilde geen hippie op het altaar. Wessel moest naar de kapper. Hij weigerde. Hij wilde niet naar de kapper, hij verdomde het zelfs nog langer naar de kerk te gaan. Dat viel thuis niet in goede aarde. Er volgde een verbeten strijd tussen onze anders zo minzame vader en zijn langharige zoon. Ze sloegen met deuren en ze spraken dagen achtereen niet meer met elkaar. Kwam ik thuis van school, dan hoorde ik vader niet zingen. En dat was veelbetekenend. Want vader zong graag en veel. Hij hield van Max van Praag: 'Had je niet die mooie blauwe ogen', 'zilv'ren draden tussen 't goud' en natuurlijk: 'Mijn eerste meisje van de zangvereniging'. In plaats van zijn tenor klonk gesnauw en gemopper. De sfeer in huis was te snijden. Ik begreep het niet.

"Waarom ga je niet meer naar de kerk? Zo erg is dat toch niet?", leek mij.

"Ik ga niet meer. Ik geloof er niet meer in. Flauwekul, allemaal."

"En daarom ga je ook niet naar de kapper?"

"Ja", zei Wessel, "Wil je weten waarom? Omdat ik dit achterlijke boerengat zat ben, daarom. Ik wil ook niet meer naar de kerk, omdat ik al die gezagsgetrouwe koppen niet meer zien kan, met hun truttige blaaskapel en hun middeleeuwse pastoor. Ik ben ze zat, de hele burgerlijke zooi. En jou ben ik ook zat, met die stomme vriendjes van je. Dit hele hypocriete dorp hangt me de keel uit."

Ik was overdonderd. Ik begreep maar half wat hij zei: 'Burgerlijk', 'hypocriet'. Het waren nieuwe woorden, waarvan ik de betekenis niet eens kon vermoeden.

"Hoezo, dan? Wat mankeert aan ons? We hebben toch altijd hartstikke veel lol gehad?"

Wessel sloeg een andere toon aan.

"Sorry. Dat had ik niet moeten zeggen. Maar ìk heb nooit zo'n lol gehad. Jij had lol, jij en je vrienden. Maar het waren mijn vrienden niet. Ik wist nooit wat ik met ze aan moest. Het is net een stelletje koeien, die vriendjes van jou. Je moet je er niet mee bemoeien, Mathieu. Dit gaat tussen vader en mij. Bemoei je er niet mee. 'Don't critize what you can't understand'. Dat laatste heb ik nog opgezocht in het woordenboek. Maar ik ben er niet meer op teruggekomen.

Na een paar weken was de spanning in huis geweken. Ons vader zong weer als ik thuis kwam. Als de pastoor langs kwam werd er niet meer gesproken over haren. Was Wessel toevallig thuis, dan was de pastoor wellicht iets tè joviaal om geloofwaardig te zijn. En Wessel ging dus niet meer naar de kerk. Ik begreep het dan wel niet, maar ik was wel onder de indruk. Het leven in ons dorp had zijn vanzelfsprekende ritme, de natuurlijke ordening der dingen. En Wessel zegde daaraan zijn medewerking op. Dat zoiets überhaupt kon, daar had ik nooit bij stilgestaan.

***

Vader had een belangrijke klant. Frans Smeets had een bedrijfje dat spuitbussen produceerde voor haarlak, deodorant en verf. Vader drukte de brochures, waarin Smeets zijn producten aanprees bij groothandel en detaillist. Ieder jaar bestelde hij een luxe catalogus in vierkleurendruk. De orders van Smeets waren een vette kluif en maakten de man tot een welkome gast bij ons in huis. Hij was in de verte ook nog familie, via de kant van moeder.

Ik mocht hem niet. Smeets verwachtte als een geslaagd zakenman van iedereen bewondering. Hij was gewoon het woord te voeren zonder dat iemand hem in de rede viel. Daarbij nam hij zich vrijheden die vader en moeder van ieder ander niet zouden hebben geaccepteerd. Hij bracht me in verlegenheid met schunnige grappen waarvan ik de clou niet begreep. Ik keek dan naar vader en moeder keek om te zien wat er van me verwacht werd; moest ik mee lachen of juist niet? Toen ik uiteindelijk van hun gezichten niets wijzer werd rende ik blozend de kamer uit onder het bulderend gelach van onze bezoeker. Zo'n man was Smeets, hij had meer geld dan fatsoen.

Nu stond fatsoen hoog aangeschreven in huize Castermans. Daarom vond moeder het niet eens zo erg dat vader zijn beste klant verloor, door toedoen van Wessel. Wat er gebeurde was dit. Smeets was weer eens op bezoek. De meisjes waren met Maria naar buiten gestuurd, maar ik mocht blijven. Ik was inmiddels 16 en hoorde nu bij de groten. Onze gast was bezig aan een tirade over rellen in de hoofdstad.

"Zeg nou zelf, Huub!", zei hij tegen vader, "Zouden wij dat vroeger in ons hoofd halen? Wij hadden geen tijd om te demonstreren, niet? Ik heb vanaf mijn 14e gewerkt, ik wéét wat aanpakken is. Kijk, daar ontbreekt het aan bij die jongelui van tegenwoordig. Ze studeren dit en ze studeren dat, maar hun handjes staan verkeerd. Het is een stelletje verwende slappelingen. Geen ruggengraat. Ik heb bij de commando's gezeten, daar leer je wat discipline is. Doorzetten. Dat leer je niet met schouderklopjes en dikke studiebeurzen. Daar past geen zachte hand. Mijn vader, hè, mijn vader. Dat was een kerel uit één stuk. Als je iets deed wat hem niet beviel, dan had je hem al voor je kanis. Nondeju, wat een kerel. Ik heb op hem gescholden, ik heb hem vervloekt. Maar uiteindelijk ben ik er niet slechter van geworden. Ik denk wel eens, het zou goed zijn als er weer eens een oorlog kwam. En dat meen ik. Dat maakt je scherp, dat staalt een man. In een oorlog wordt het kaf van het koren gescheiden. Daar wordt een volk beter van."

Op dit punt aangeland probeerde vader er tussen te komen:

"Nou, Frans, ga je niet te vèr. De tijden zijn veranderd. Als je iets wil bereiken moet je diploma's. Onze Wessel bijvoorbeeld, die wil...."

"Ha! Jullie Wessel! Daar noem je een mooi portret. Daar heb je aardig wat problemen mee, is het niet, Huub Castermans? Jouw Wesseltje, daar praat het hele dorp over. Die zoon van jou wil niet luisteren hè. Die heb jij teveel in de watten gelegd. Weet je wat ik zou doen als ik jou was? Ik zou hem mee naar buiten nemen en hem op zijn sodemieter geven. Geef hem zijn vet, zeg ik, zo groot als hij is. En geloof me, je wint er zijn respect mee!"

En om zijn woorden kracht bij te zetten sloeg Smeets met een daverende klap op tafel. Vader was te verbouwereerd om iets te zeggen. Uitgerekend op dat moment ging de deur open en kwam Wessel binnen.

"Ha, die Wessel! We hadden het net over je!", galmde Smeets verder."Vertel eens: wat denk je te gaan doen als je van school komt?"

Wessel gaf de man beleefd een hand, en zei dat hij rechten wilde gaan studeren in Amsterdam.

"Zo, dus jij wordt student. Dat is heel voornaam, Wessel. En daarna natuurlijk een duur betaalde baan. En al die tijd moeten je vader en ik de centen verdienen. Toen ik zo oud was als jij stond ik al op eigen benen. Ik zei het net al tegen je vader, vroeger zouden wij ons schamen om steeds maar je hand op te houden. Al dat gestudeer, weet je wel wat dat de gemeenschap kost? Zou het niet beter zijn, als jij eens de handen uit de mouwen stak? Hard werken, daar ga je niet dood van. Ik heb mijn bedrijf met mijn eigen blote handen opgebouwd. Ik kan trots zijn op wat ik bereikt heb. Dat kun jij ook, jongen. Ga werken, zoek een baas en maak je nuttig. Moet jij eens kijken hoe jij je voelt als je je loonzakje naar huis brengt. Wat je dan voelt, dat is zelfrespect."

Smeets keek Wessel aan alsof hij hem een fantastisch aanbod had gedaan:

"Nou, wat zeg je daarop?"

Wessel haalde diep adem en sprak tot de grote zakenman:

"Meneer Smeets. Waar haalt u de gore moed vandaan om mij te vertellen wat ik moet gaan doen met mijn leven? Dat is mijn zaak. Ik wil iets gaan leren, of u dat nou leuk vindt of niet. Het kost u geld en ik heb daar recht op. Uw geld kan mij niets schelen. En zelfrespect, u weet niet eens wat dat is. Ik zou me rot schamen als ik mijn leven vergooide met spuitbussen verkopen! We stikken nog eens in die rotzooi. Ik word nog liever vuilnisman. En u, meneer Smeets, u bent een onbeschofte pummel."

Dat was niet wat Smeets had verwacht. Eerst hapte hij naar adem, dan richtte hij zich tot vader:

"Huub Castermans, hier krijg jij spijt van. Dit gaat jou klanten kosten. Er zijn drukkers genoeg, wacht maar!"

Bij het verlaten van de kamer struikelde hij over een stoel, die met een klap op de grond viel. Daarna werd het even heel stil in de kamer. Alleen het wegstervende geluid van een dieselmotor.

"Zo ", zei Wessel, "Die is weg."

Vader ontplofte zowat.

"Ik begin het behoorlijk zat te worden met jou. Je zet mij voor schut bij mijnheer pastoor, je loopt erbij als een schooier en nu jaag je ook al mijn beste klanten het huis uit. Luister: de hele maand geen zakgeld meer en je krijgt huisarrest. De hele volgende week blijf je na school op je kamer. En als ik door jouw grote mond nog meer klanten verlies, dan zul je het merken, dat beloof ik je. Ga nu naar boven.

"En toen hij de gang op liep, riep vader hem na: "en morgen ga je naar de kapper!"

****

"Zeg Huub", zei moeder die avond, "Eigenlijk ben ik wel blij als Frans hier niet meer komt. Het is toch wel een erg lompe man, vind je niet."

"Maar wel één die geld binnenbrengt, Mieke", zei vader."En daar eten we allemaal van. De schoorsteen moet roken. Je kunt je klanten niet uitkiezen. Wessel moet nu maar eens leren dat hij niet tegen iedereen kan zeggen wat hem voor de mond komt. Frans Smeets heeft geen manieren, maar zijn geld is goed en hij kent veel mensen. Wie weet wat dit grapje ons nog gaat kosten."

Wessel had sinds een jaar een eigen kamer op zolder, waar hij ongestoord muziek kon draaien. Dat deed hij urenlang, iedere dag. Maar nu was het stil op zolder.

"Wessel!"

Ik had al een paar keer op de deur geklopt en toen ik geen reactie kreeg deed ik die langzaam open. Hij reageerde niet op mijn binnenkomst. Hij leunde tegen het zolderraam en keek bokkig naar buiten. Ik sloot de deur zachtjes achter me en hij zei, zonder zich om te draaien:

"Je komt niet omdat vader je stuurt, hè. Anders moet je maar gaan."

Ik ging zitten op zijn bed.

"Je had groot gelijk", zei ik", Als je eens wist wat een hekel ik heb aan die hufter."

We zaten een tijdje te zwijgen. Ik keek voor me uit, naar de sigarettenwalm tussen de hanenbalken. Ik staarde wat naar het zachtboard aan het plafond. Levend wit, gele vochtplekken. Daarna keek ik maar weer eens naar de hanenbalken. Wessel wachtte lang, maar na een tijdje vroeg hij:

"Neem jij mijn krantenwijk over, de volgende week?"

Ik was blij dat de stilte verbroken was. Hij beloofde me de helft van zijn verdiensten en ik mocht op zijn Mobylette. Daarna zwegen we weer. Wessel viste een pakje Caballero uit een zak van zijn jasje en reikte me een sigaret aan. Hij gaf me vuur en nam zelf een flinke trek.

"Smeets is een varken"verklaarde hij daarna, "Smeets staat voor alles waar ik een hekel aan heb. Mensen als Smeets, die denken alleen aan geld. Vandaag is hij je vriend, morgen verkoopt hij je. Smeets is een fascist, een kampführer. Zo iemand die naar onder trapt en naar boven likt."

Dat van dat trappen kon ik me nog wel voorstellen. Een onderdanig likkende Smeets leek me wat sterk, maar het ging om de intentie en die deelde ik volledig. Wessel zocht verder naar argumenten voor zijn afkeer van de man:

"Wist jij dat hij in Indië gevochten heeft? Hij heeft er een heleboel doodgeschoten, dat heeft hij me zelf verteld. Een moordenaar. Daar is hij trots op. En weet je wat het ergste is, dat soort mensen komt ermee weg. Ze hebben geld en iedereen luistert naar ze. En dat is zoiets als een collaboreren met een oorlogsmisdadiger."

Van Smeets naar de tweede wereldoorlog was nu een kleine stap:

"Na de oorlog hebben ze ook allerlei collaborateurs laten zitten, weet je dat? Ambtenaren die duizenden joden naar het kamp hebben gestuurd. Industriëlen die dwangarbeiders voor ze lieten werken. Hebben ze gewoon laten zitten, want dat was wel zo praktisch. En zo praktisch is vader ook. Alles voor de lieve vrede. Als er maar verdiend kan worden."

"Je wilt vader daar toch niet mee op één lijn zetten?"

"Dat is hoe het werkt. Het principe is hetzelfde. En de kerk, die is dus ook hartstikke fout. Die hebben ook honderden nazi's verborgen gehouden. Ze hebben meegewerkt aan de jodenvervolgingen. Maar daar hoor je Raaijmakers natuurlijk niet over."

Ik maakte de sigaret uit:

"Dat wist ik niet. Maar dat was voor Raaijmakers zijn tijd", zei ik, "En dat was niet hier. Misschien waren ze geen helden, maar dan ben je nog niet fout."

"Maar het gaat mij om het principe. Het gaat mij niet om vader en ook niet om Smeets. Het gaat mij om mensen zoàls Smeets. Mensen met geld, die met hun nette pak vooraan in de kerk zitten en overal met open armen worden ontvangen. Zo'n Smeets met een Mercedes onder zijn kont, die denkt mij te kunnen vertellen hoe ik moet leven. Ik voel daar helemaal niets voor, weet je dat? Ik ga niet werken voor een of andere giftige rotfabriek, al zou ik er nog zoveel geld mee verdienen. Ik wil daar niet bij horen. Smeets komt niet meer terug, en dat is maar goed ook."

Het begon te schemeren. Ik zat op het bed, Wessel liep op en neer en sprak met brede gebaren. Het silhouet van een langharige Jezusfiguur torende boven me uit. Ik deed het licht aan en we schrokken allebei terug van het felle licht opeens. Hij keek me triomfantelijk aan. Hij bracht me in de war, maar hij fascineerde me ook. Alsof ik werd ingewijd in een geheime samenzwering. Tot dat moment was het leven zoals het was. Niet iets waar je een mening over had, niets waar je het mee oneens kon zijn. Wessel had een daad gesteld. Wat vanzelf sprak, was niet langer vanzelfsprekend. Alsof hij de knop had omgedraaid, de stop eruit getrokken. Dat onze overzichtelijke levens iets te maken zouden kunnen hebben met de rest van de mensheid, dat was nieuw. Hij toonde me vergezichten ver voorbij de horizon van Sint-Gerhardsrade.

"Weet je wat ik wil?", hernam Wessel, "Ik wil iets nieuws gaan doen met mijn leven. Niet iets wat anderen al doen. Kijk, ik heb maar één leven, en dat moet de moeite waard zijn. Ik wil iets toevoegen, het moet verschil maken dat ik er ben. Als ik bij een baas ga werken, hè. Dan maakt het echt niet uit of ik dat doe, of iemand anders, of dat een machine dat doet. Je bent een nummertje, een robot. Laat een ander dat maar doen."

"Je wilt uniek zijn. Dat wil iedereen toch?"

"Nee, niet iedereen. Mensen zeggen dat wel, maar eigenlijk willen ze gewoon worden zoals hun vader of hun moeder. Ze willen meedoen met de anderen, met hun vrienden, met de buren. Jij ook. Ik wil het anders. Als je alleen maar leeft om te herhalen wat je ouders al hebben gedaan, dan staat de wereld stil. Dat is geen leven, dat is de dood. Dan ben je net een grammofoonplaat die iedere keer weer wordt afgedraaid. Ik wil dingen beleven die ik aan mijn kleinkinderen vertellen kan. Ik wil erbij zijn als er geschiedenis wordt gemaakt. Ik wil verre landen zien, ik wil naar de noordpool en door de woestijn trekken. Ik wil geen baan, niet in een fabriek en niet op een kantoor. Ik wil leven."

"Maar je moet toch, ik bedoel... Vader zou zeggen: de schoorsteen moet roken. Er moet brood op de plank. Je zult iets moeten doen om je geld te verdienen."

"Ach Mathieu, je kunt op zoveel manieren leven, daar heb je geen weet van. De wereld is zoveel groter dan dit klotendorp. Er zijn zat mensen die niet bezig zijn met geld verdienen. En die kunnen ook allemaal leven. Mensen die met hele andere dingen bezig zijn, die nieuwe dingen uitproberen. Kijk om je heen, Mathieu! Overal op de wereld zijn ze in opstand tegen de stropdassen. Overal, in Parijs, in New York, in Tokio. Daar wil ik bijhoren. Ik wil grootse dingen doen met mijn leven. Ik wil gaan reizen, ik wil met wildvreemde vrouwen vrijen en ik wil revoluties meemaken. Als ik hier blijf, dan krijg ik werk, ik ga 's avonds TV kijken en op zaterdag was ik de auto. Dan kan ik net zo goed meteen in mijn graf stappen."

Wessel toonde me twee werelden. De ene werd bewoond door mensen van boven de dertig met een verdacht verleden. Enkele daarvan hadden een spuitbussenfabriek en zaten vooraan in de kerk; de anderen leidden een grauw en vreugdeloos leven waarin sleur en gehoorzaamheid de boventoon voerden. Daartegenover stond een kleurrijke wereld, bevolkt door jonge levenslustige revolutionairen die maling hadden aan status en gezag. Ze deden avontuurlijke dingen die ik ook wel eens mee wilde maken en ze sliepen met wildvreemde vrouwen. Bij dat alles troffen ze steeds Smeets en zijns gelijken tegenover zich. Het was de keuze tussen de generatie van Wein, Weib und Gesang en die van Sex and Drugs and Rock 'n Roll. Ik was zestien, de keuze was snel gemaakt.

Vader was een klant kwijtgeraakt, maar ik had mijn broer herontdekt. Er brak een leuke tijd aan. We trokken weer met elkaar op. In het weekend ging ik samen met hem op de Mobylette naar de stad. We zeiden thuis wel dat we naar de bibliotheek gingen, maar we gingen naar het Emmaplein, naar het oorlogsmonument. Iedere zaterdagmiddag zaten daar tientallen jongeren. Ze hadden lang haar met haarbanden en baarden. De meisjes droegen lange jurken uit India en iedereen zat op de grond en rookte shag. Wat we daar nou zochten bij het monument, dat was eigenlijk niet goed duidelijk, maar er wàs iets. Bijvoorbeeld het spel met de politie. Ze kwamen met een busje langs rijden en sommeerden ons op te stappen. Dat deden we, maar zo gauw ze weg waren zaten we er weer. Eigenlijk speelden we opstandje, zoals de politie ook deed alsof ze ernstige ordeverstoringen bestreed. We gingen samen naar het Emmaplein dat jaar, we gingen naar het café in ons dorp en we gingen samen op vakantie. In het laatste jaar dat Wessel thuis woonde was ik 16, ik ontdekte de wereld buiten ons dorp en ik deed dat aan de hand van mijn grote broer. Daarna ging ik naar het VWO en Wessel ging naar Amsterdam. Het werden twee lange, saaie jaren. Tot ik hem volgde naar de hoofdstad.

03 Wachten en zuchten

Hij ligt op de twaalfde verdieping. Dat is niet eens zo hoog. Er staan veel hogere gebouwen in de buurt. Zijn kamer kijkt uit op de rivier. Niet dat hij daar iets aan heeft. Hij ziet niets, hoort niets. Vanaf mijn vaste plaats naast zijn bed zie ik ook niets, alleen de zwaar bewolkte lucht. Soms vliegt er een meeuw langs. Op het scherm naast zijn bed is alles hetzelfde. Toestand is stabiel volgens de dokter. Dat klinkt geruststellender dan het is. In zijn situatie is iedere verandering een verbetering.

Of het is afgelopen. Dat kan ook, daar moeten we rekening mee houden. Hij wilde terugkijken aan het eind van zijn leven. Tevreden terugkijken op wat hij ervan gemaakt had, daar deed hij het allemaal voor. Stel je voor dat dit het was, dat moment. En dan ligt hij daar nu. Glipt hij weg zonder enig besef. Dat is ironisch. Maar ze houden hem nog vast. Slangen en draden verbinden hem met ons, de levenden. Hij ligt aan een infuus, hij zit met elektroden vast aan de apparatuur en hij krijgt zuurstof via een slangetje door zijn neus.

Af en toe moet ik mijn benen strekken. Ik loop naar het raam. Schepen met containers varen langs. Het schemert, aan de overkant gaan de lichten weer aan in de hoge woontorens en kantoorflats. Ik druk mijn neus tegen het raam, maar het hotel kan ik net niet zien. Beneden staat het verkeer vast. Ik kijk op mijn horloge. De avondspits zou al voorbij moeten zijn. Misschien een ongeval. Overal stilstaande auto's. Brommers en fietsen rijden door. Alles gaat door. De winkels gaan dicht en restaurants gaan open. Er wordt benzine getankt. In de verte rijdt een trein. Moeders vegen de snotneuzen van hun kinderen. Zoals ze dat gisteren deden en morgen ook zullen doen. Alles gaat door in eenzelfde onverschillige cadans. We krijgen regen.

Als ik me omdraai schrik ik weer. De schaafwonden op zijn armen en op zijn wangen. Al dat verband, die rare deuk in zijn voorhoofd. Zijn baard groeit door. Niks voor Wessel om hier zo te liggen, zo passief, zo afhankelijk. Straks doet hij zijn ogen open, straks rukt hij de bedrading los.

"Kom op", zegt hij dan, "we moeten hier weg."

Een zuster komt binnen en stelt zich voor: Nicole. Ik denk dat ik haar al gezien heb, maar ik weet het niet zeker. Ze controleert het infuus en vraagt of ik dokter Veenings nog gesproken heb. Ik knik. Ze tekent iets af op een lijst die bij zijn voeteinde hangt en gaat weer weg. De kamer ziet eruit als alle andere kamers. Daar het bed, daar de tafel en de stoel. Daar de kast, daar het kraantje. Het is een neutrale ruimte, waar mensen komen om te sterven. Onpersoonlijker kan het niet. Aan de monitor is iedereen gelijk. Een anonieme bureaucratie van inwisselbare verpleegsters en doktoren houdt de wacht. Standaardprocedures en protocollen staan borg. Wessel zou ervan gruwen.

Ik heb gevraagd of ik hem mocht scheren. Ik geloof dat de zuster dat wel sympathiek vond, maar ze kon toch de verantwoordelijkheid niet nemen. Zijn baard is het enige bewijs dat hij voortgaat met leven.

Ik dommel wat weg. Hij slaakt een diepe zucht en ik ben weer wakker. Niets aan de hand, zegt het scherm. Ik sta op, loop de kamer op en neer. Bij zijn hoofdeind hangen de kaarten. Tientallen variaties op 'beterschap!' Wat moet je schrijven aan iemand die het toch niet leest? Je wilt toch iets doen, iets laten merken. Maar wat je ook schrijft, je slaat de plank mis. Ik trek een kaart los en lees hem hardop voor. 'Lieve Wessel. We vinden het vreselijk wat er gebeurd is. Ik bid tot God dat alles toch nog goed komt. We denken veel aan je en aan je lieve vrouw en kind. - Leonie'. Wie is dat nou weer?

"Wessel!", roep ik, "Wie is Leonie?"

Hij reageert natuurlijk niet. Misschien kan hij me horen. Misschien dringt het allemaal tot hem door, maar kan hij zich niet bewegen.

"Wessel!", zeg ik, "Als je me kunt horen, zucht dan nog eens!"

Het blijft stil. Een vliegtuig vliegt over. De knipperlichten op de vleugels flikkeren. Nicole komt binnen, spuit iets in de slang van het infuus en ze gaat weer.

Zoveel soorten van wachten. Wachten met verwachting, wachten zonder hoop. Wachten op de uitslag van een onderzoek. Wachten tot de dokter komt. Wachten tot de tijd verstrijkt. Kun je leren hoe je wachten moet? Je kunt de tijd in stukjes breken. Maar op ieder uur volgt weer toch weer een volgend uur. De kleur van Wessels dagen is grijs. Niemand weet hoe lang, niemand weet waarop. Wachten we op redding, wachten we op het einde. Wessel zucht nog eens.

04 C'eravamo Tanto Amati

'Piet Koopt Heren Schoenen'. De Amsterdamse grachtengordel in een notendop: Prinsengracht, Keizersgracht, Herengracht, Singel. Ik had net gegeten in H'88, een soort gaarkeuken voor studenten. Die H stond voor Herengracht. Ik moest nu naar Piet, maar ik kwam uit op Schoenen. De Singel. Dat begon al goed, verdwaald op mijn eerste dag in Amsterdam. Ik slenterde terug in een beschouwende bui. Het begon donker te worden en het natte wegdek weerkaatste de straatlantaarns. Dit waren dan mijn eerste schreden in de grote stad. Een stad, waar ik mijn geschiedenis nog moest schrijven. Waar ik naar mijn colleges zou fietsen; langs de kroegen waar ik heen wilde met de vrienden die ik nog maken moest. Ooit zou ik langs deze grachten slenteren met mijn grote liefde, misschien wel in één van die grachtenpanden wonen. Het was niet ver naar de Prinsengracht, maar die bleek nogal lang. Ik vroeg naar het Anne Frankhuis, want daar was het in de buurt. Toen ik die eenmaal gevonden had liep ik moeiteloos naar de studentenflat en belde aan. De deur werd bijna onmiddellijk geopend met een zwaai.

"Hallo! Dus jij bent Mathieu!"

In de deuropening stond een mollig meisje met korte roodgeverfde haren.

"Kom binnen! Wessel is er niet, maar ik zal je bezig houden."

Ze had een harde stem, maar ze was wel joviaal. Ik volgde haar door de gang. Anderhalf jaar tevoren had ik Wessel geholpen bij de verhuizing en nadien was ik er niet meer geweest. De kamer was een beetje veranderd. Er stonden meer boeken en planten en hij had andere gordijnen. Het rook er vreemd.

"Ga zitten. Wil je koffie of liever een borrel?"

Ze ging weg om koffie te zetten.

Ik liep naar de boekenkast. Romans. Studieboeken. Kluwers Collegebundel, maar ook psychologieboeken. Wessel was naar Amsterdam gegaan om rechter te worden, maar was al snel overgestapt naar een studie die hij minder stoffig vond. De boeken glooiden ruggelings tot een heuvel. Hij had ze gerangschikt op grootte. Ik streek met mijn vingers langs de weinig vloeiende lijn.

Ze zette twee mokken op het lage salontafeltje, dat nog van ons thuis kwam.

"Het is instantkoffie, ik hoop dat je dat niet erg vindt."

Ik vond het niet erg.

"Oh, dat is waar ook. Ik ben Mar."

Ze schudde me de hand en knikte me bemoedigend toe. Ze kneep haar ogen een beetje dicht, wat maakte dat ze op een vriendelijke dikke boeddha leek.

"Ik zit in hetzelfde jaar als Wessel. Melk, Suiker?"

Terwijl ze de melk in de koffie deed, boog ze over de tafel naar me toe. Ze droeg geen BH en haar borsten hingen vol in het zicht. Ze was niet mollig, ze was dik. De lucht die ik eerder had geroken was nu heel sterk. Zoveel lichamelijkheid overdonderde me. Ze ging gelukkig snel weer zitten. Kennelijk had Wessel iets met haar. Dat verbaasde me, ze leek me niet het type waar hij op viel. Geen Odile bijvoorbeeld. Maar misschien had ze iets bijzonders.

"Zo vertel me eens, hoe bevalt de introductie? Spannend hè, zo'n eerste dag?"

Ik moest wennen aan dat harde Amsterdamse accent.

"Nou, een beetje wel", zei ik, "Maar het zijn wel aardige mensen."

Dat was ook zo. Er was één jongen uit Kerkrade. Hij had een onverstaanbaar dialect, maar we kwamen allebei uit Limburg en dan trek je toch naar elkaar toe. Giel Hendriks, heette hij.

"Vanmorgen was er een soort informatiemarkt," ging ik verder, "en vanmiddag zijn we naar het Amsterdamse Bos geweest, daar kon je roeien. Nou, en daarna met zijn allen eten bij H88."

Ik moest oppassen dat ik niet snel door mijn gespreksstof heen raakte.

"En vanavond niets te doen?"

Ze hield me een koektrommel voor. Ik pakte een speculaasje.

"Jawel, d'r was nog van alles te doen. Je kon kiezen. Maar ik vond het genoeg voor vandaag. En ik wilde bij Wessel langs."

"Je broer had een vergadering van de psychologenbond. Meestal gaan ze klaverjassen na afloop, maar hij komt direct naar huis. Hij zal er over een uurtje wel zijn."

Er viel een stilte. Verdomme, nog een uur en ik wist niet waar ik met haar over moest praten. Ik zon op een geschikte vraag, maar ze was me voor:

"En, is het een leuk introductiegroepje? Wat voor mensen zijn dat? Toen ìk begon, zat je met allemaal verschillende mensen. De ene ging medicijnen doen, de ander wiskunde. Die zag je dus nooit meer na die week. Zeg, wat ga jij eigenlijk studeren?"

Ik ging Engels doen en wilde uiteindelijk Amerikanistiek studeren. Er zat verder geen enkele andere talenstudent bij. De mentor van het groepje deed psychologie.

"Misschien ken je hem wel. Guido heet hij."

"Ja, en of ik die ken. Als het dezelfde is. Een ongelooflijke lul."

Dat zei ze met een hele dikke 'l', alsof ze daar al haar afkeer samenbalde. Ik vond Guido wel aardig, maar ik kende hem dan ook nog maar een dag. Mar kende hem al langer. Ze had met hem in een werkgroep gezeten.

"Een lul. Je moet eens opletten hoe hij met vrouwen omgaat. Stel je voor: we zitten daar met zes vrouwen en twee mannen. Die kerels de hele tijd aan het woord, en als jij wat wil zeggen vragen ze waar de koffie blijft. Onbeschoft, niet? En als je kwaad wordt, want dan is het: 'wat ben je mooi als je kwaad bent'. En oh, wat is dat grappig, ha, ha. Je uiterlijk, dat is het enige waar ze naar kijken. Ze zien alleen je kont en je tieten. Waarom zijn mannen zo?"

Ik voelde me betrapt. Maar ze ging toch zelf voor me hangen met haar hemd open? En wat dacht ze wel. Ze was nou niet direct moeders mooiste.

"Ach, daar moet je niet zoveel achter zoeken", zei ik namens Guido en mezelf, "Jongens kijken naar meisjes. Dat is normaal. Meisjes kijken ook naar jongens."

"Vrouwen!", corrigeerde ze.

"Goed, vrouwen dan. Ja, sorry hoor, ik ben een normale jongen, ik zie ook graag een mooie vrouw. Mag dat dan niet?"

Dat mocht niet:

"Dus dat is normaal. En wat denk je dan: een mooie vrouw, die vraagt erom? Is dat wat je denkt?"

"Nee, helemaal niet. Jezus, leg me toch niet van alles in de mond. Meisjes - vrouwen - bedoel ik, die kijken ook naar jongens. Dat wil ik alleen maar zeggen. Zo zit de natuur in elkaar. De bloemen en de bijtjes."

Ik wou maar dat Wessel kwam en mij van dit mens verloste. Waar bemoeide ze zich mee, ik kwam toch niet voor haar. Weggaan kon ik niet. Ik had afgesproken bij hem te blijven slapen, en het was te laat om terug te gaan naar mijn introductiegroepje.

"Nou, de meeste jongens die ìk zie zijn allemaal hetzelfde. Klotenklappers. Er zijn uitzonderingen, dat is zo. Met jouw broer komt het wel goed, denk ik. Met jou weet ik het nog niet. Tijd voor een borrel."

Ze schonk ongevraagd twee glazen jenever in en zei:

"Nou Mathieu, op de vrouwen!"

Oké, dacht ik bij mezelf. Ze is recht voor zijn raap. Maar ik kon toch wel tegen een stootje. En als Wessel iets met haar had, dan zou ze toch wel meevallen? Ze ging op haar gemak zitten, met haar ellebogen op haar knieën voorover geleund. Ze hield haar glas tussen haar handen gevouwen.

"Vertel eens eerlijk, Mathieu", zei ze met een voor haar doen zachte stem, "Heb je een vriendinnetje? Of zie je toch meer in een leuke jongen?"

Ze knipoogde me toe. Ik had geen vriendin.

"Aha!", riep ze uit, "Dan moet je zelf de knopen aan je hemd naaien, hè. En iedere week de was meenemen naar je moeder. Net als Wessel. Ik vínd dat toch wat! Een volwassen kerel, die zijn was opspaart voor zijn moeder. Weet je dat ik Wessel leer koken? Ach, mannen, je moet ze alles leren. Poetsen, daar heeft hij geen gevoel voor zegt hij. Alsof ik zo dol ben op poetsen. Waarom kunnen kerels geen huishouden doen?"

Het had geen zin om te antwoorden. Ik wist toch niet wat. Ik stak een sigaret op.

"Nou, waarom niet? Dit is nou echt een leuk gespreksonderwerp."

Ze stond op en draaide haar imposante achterwerk mijn kant op terwijl ze naar de asbak op de kast reikte. Daarna ging ze zetten en schonk zichzelf nog een borrel in.

"Argumenten, graag."

Ze keek me aan alsof ze haar mouwen wilde opstropen.

Waarom willen mensen toch dat je altijd overal een mening over hebt? Ik hakkelde dat ik er niet zo over nagedacht had. Ze liet me gelukkig niet lang bungelen.

"Laten we er maar over ophouden, hè"

Weer die bemoedigende Boeddhablik.

"Ander onderwerp. Heb je al een kamer gevonden?"

Het gemak waarmee ze conflictstof aandroeg en weer liet vallen verbijsterde me. We gingen over tot koetjes en kalfjes.

Ik vertelde dat ik per 1 september een kamer kreeg op een studentenflat genaamd de Zilverberg. De colleges begonnen een week eerder, maar ik zou dan bij Wessel blijven slapen. We konden dan maar beter vrienden worden vond ze, want we zouden elkaar vaker zien. Ze had trouwens een vriendin die op de Zilverberg woonde, daar was ze nog mee op vakantie geweest. En zo kwebbelde ze door, totdat Wessel eindelijk binnenkwam. Dat was iets over elven. Ik had amper twee uur met Mar gepraat, het leek een eeuwigheid. Ze begroette hem:

"Hoi, loverboy! Ik heb je broertje beziggehouden. Nou, daar mag nog wat aan vertimmerd worden hoor."

Wessel nam niet eens de moeite om hun relatie toe te lichten en ik vroeg nergens naar. Niet lang daarna gingen we slapen. Ik op een luchtbed op de grond, Mar en Wessel op het éénpersoonsbed waar ik de hele avond op gezeten had. Ik kon de slaap niet vatten. De dag was vol van nieuwe ervaringen, maar alles verbleekte bij deze vrouw. Ze bracht me in verwarring. Wat zocht Wessel bij haar? Ik dommelde weg, maar ik werd weer wakker van haar gekreun:

"Oh, Wessel Càstermans! Wat dòe je met me."

Wanneer houdt ze nou eindelijk haar kop, dacht ik.

De volgende morgen was het eerste wat ik hoorde weer die stem. Ze stond zich te wassen met het bovenlijf ontbloot. Ik hield me slapend tot ze ging.

"Doei, Tjeutje!", riep ze nog in mijn richting.

Wessel rommelde wat in de kast en kwam terug met ontbijtspullen. Hij verexcuseerde zich dat hij er niet was gisterenavond, maar hij kon die vergadering echt niet missen.

"Hoe vind je Mar?", wilde hij weten.

"Ik vind haar wel tof", loog ik, "Ze is nogal direct, hè. Ze is niet op haar mondje gevallen."

Wessel grijnsde van oor tot oor.

"Man, de discussies die ik met haar heb, geweldig! Ze vindt dat de wereld beter zou zijn als vrouwen het voor het zeggen hadden. Dan zou er geen oorlog meer zijn, zegt ze. Ik zeg: oh ja? Heb je wel eens gehoord van Golda Meir. Of Indira Gandhi misschien? Dat soort discussies. En daar kunnen we rustig de hele nacht mee doorgaan."

Hij deed alsof het een soort gezelschapsspel was, waar ze allebei aan verslingerd waren.

"Ze wil altijd het laatste woord en dat geef ik natuurlijk niet cadeau. Ze is onstuimig, en dat is ze in alles. Heftige discussies, maar ook heftige vrijpartijen. Het is een enorm hartelijke meid, echt waar. Maar dat zul je nog wel merken. Zeg hoe laat moet jij weg en waarheen?"

Hij bracht me naar de Oudemanhuispoort. 's Avonds was ik pas tegen elven terug. Hij zou op me wachten in een café in de buurt. Maar ik voelde me ongemakkelijk tussen Wessels studievrienden. Ze spraken over dingen waar ik niets over wist te zeggen en ze speelden met de flipperkast, waar ik ook al niet goed in was. Ik was blij dat ik naar mijn bed kon. Mar was er niet en ik sliep heerlijk die nacht.

***

De woensdagmiddag was vrij te besteden. Ik ging met Giel Hendriks en nog een jongen de stad in. Drie jongens uit de provincie, in de grote stad. Wat gaan die doen, waar gaan ze heen? Giel wilde de rosse buurt zien. Maar volgens die andere jongen was daar overdag niets te zien. Je had natuurlijk andere spannende plekken zoals de befaamde rocktempel Paradiso. Maar die zou overdag ook wel dicht zijn. Dus gingen we naar het Vondelpark, want dat was altijd open. We kenden de stad niet en elkaar ook niet zo goed. Maar we waren vastbesloten om de ander aardig te vinden. We vonden elkaars grappen leuk en er was genoeg te zien. Je zag punkers, die zag je nog nergens in Limburg. We moesten ook enorm lachen toen Giel in zijn Kerkraadse dialect tegen een Surinamer zei:

"Kleurtje is leuk, maar je kan het ook overdrijven!"

En toen we vervolgens twee meisjes hand in hand zagen lopen vroeg hij:

"Zeg, wie van jullie is het manneke?"

Ik vermoedde dat ze ongeveer verstonden wat hij zei want ze draaiden zich om. De lach bevroor op mijn kaken: ik keek in het woedende gezicht van Mar. Shit.

Die avond zouden we met zijn drieën eten, maar Mar kwam niet opdagen. Bij het toetje belde ze op dat ze mij voorlopig niet hoefde te zien en Wessel moest maar aan mij vragen waarom.

Ik vertelde hem wat er die middag was voorgevallen in het Vondelpark. Een lulligheidje, niks om je druk over te maken. Maar dat was Wessel niet met me eens.

"Het wordt tijd dat je leert om je volwassen te gedragen. Je bent geen puber meer. En Amsterdam is geen Gerhardsrade. Je komt hier de hele wereld tegen. Als je die allemaal wilt uitlachen, dan ben je nog wel even bezig. Waarom hou je niet gewoon je fatsoen?"

Ik onderging zijn zedenpreek geduldig. Toen hij klaar was vroeg ik:

"Maar Wessel, zeg nou eens eerlijk. Heeft ze iets met dat andere meisje. Ik bedoel, is ze bi of zo?"

"Welnee", zei Wessel, "Ze is gewoon heel lijfelijk. Maar ze valt ze niet op vrouwen, dat had ze me anders zeker wel verteld. Mar gelooft heel sterk in eerlijkheid."

Hij was trots op zijn vriendin.

"Je moet je gevoel niet verloochenen, vindt ze. Als je iets voor iemand voelt, dan moet je dat niet onderdrukken. Ze zegt dat ze geen verhouding wil met iemand die stiekem van een ander droomt. Dat is niet eerlijk tegen je partner. Ze houdt niet van stiekem, ze zou het meteen vertellen. Ik zou het weten, als ze zelfs maar over een ander zou fantaseren. Man of vrouw."

Hij maakte zich niet ongerust. Dat kon ik me voorstellen. Mar was heel lijfelijk en dat in grote hoeveelheden. Dat is niet eenieders smaak, op zijn zachtst gezegd.

"Ik zou het niet pikken", zei ik.

"Wat niet?", vroeg Wessel.

"Nou, als mijn vriendin me zou bedriegen met een ander."

Hij moest lachen om mijn manhaftigheid. Ik wist amper waar ik het over had, en dat wist hij ook wel. Hij ging er eens voor zitten.

"Maar dat is het nou net, Mathieu. Ze zou mij niet bedriegen. Ze zou het eerlijk zeggen. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar dat moet je wel doen. Ik zal je iets vertellen. Ik ben nu een half jaar met Mar, hè. Er is iets gebeurd toen ik haar pas kende. Ik was verliefd en ik voelde me als een God. En als je je zo voelt, dan merken mensen dat aan je. Je wordt onweerstaanbaar. En ik kwam een andere vrouw tegen, een schoonheid. Ik danste wat met haar, we praatten wat en van het een kwam het ander. Het was magie. We hebben alleen maar staan zoenen, hoor. We zijn niet uit de kleren geweest. Maar ze vond me geweldig en ik vond mezelf ook geweldig. De andere dag voelde Mar meteen nattigheid. Ze wilde het hele verhaal horen. Toen begon ze dus over eerlijk zijn tegen je partner. Dat ze het me niet kon verbieden dat ik met een ander wilde vrijen. We zijn niet elkaars eigendom. Maar ze wilde geen geheimen tussen ons. 'Kom me niet aan met het verhaal dat het vanzelf ging', zei ze. 'Daar trap ik niet in, je bent er zelf bij.' En nu krijg ik van die opmerkingen te horen. Zo van: 'Maar dat is een mooie jongen. En ik loop er nog één achter bij je'. Wie weet gebeurt er een keer iets. Maar dat kan ik haar ook niet verbieden."

"En wat nou als ze zoiets doet. Hoe zou jij dat dan vinden?"

Hij had geen idee.

"Ik zie het wel, als het ooit gebeurt. Daar moet je niet vanuit gaan, dan ben je ook niet eerlijk bezig vind ik. Misschien reageer ik er wel heel laconiek op. Het hangt er ook vanaf wie het is. Als het met iemand is die ik goed ken, dan heb ik er misschien niet eens zo'n probleem mee. Ik kan er niets over zeggen."

***

Na de introductieweek begon het lesprogramma op mijn eigen faculteit. Wessel zag ik 's avonds, maar we gingen allebei onze eigen gang. Woensdag rond etenstijd ging de telefoon. Het was Mar, of ik plannen had die avond. Ze wilde me nog een kans geven en ze nodigde me uit. Wat doe je in zo'n geval? Ik zei geen nee. Wessel wist van de uitnodiging:

"Geloof me nou, ze valt erg mee. Ga met haar stappen, ik zou het tof vinden als jullie met elkaar overweg konden."

Mar trakteerde op koffie met een kruidenbitter en appelgebak met slagroom. Ze was vastbesloten er een gezellige avond van te maken. Ze vroeg me honderduit over van alles en nog wat. Over onze pijnlijke ontmoeting in het Vondelpark zweeg ze in alle talen. Na de koffie liet ze me kiezen of we naar een popconcert zouden gaan, naar de sauna of naar de film. Naar een sauna was ik nog nooit geweest en met haar zag ik dat helemaal niet zitten. Het werd een oude film van Ettore Scola, 'C'eravamo tanto Amati'. Dat betekende 'We hielden zoveel van elkaar'.

Na afloop bleven we tot laat op een terras. Ze dronk jenever met jus d'orange, ik hield het bij bier. Het was een warme zomeravond en er was veel volk op het plein. Mar bedacht intriges:

"Kijk, zie je die man met dat ringbaardje. Nee, die daar, bij dat meisje met dat tapijtjasje? Die man is pas gescheiden. Hij werkt op een bank, maar hij heeft haar verteld dat hij voor de TV werkt. Zij is helemaal onder de indruk, het schaap. Komt ze nog wel achter. En kijk, die vrouw, die zo vuil hun kant opkijkt. Dat is zijn ex."

We waren uitgelaten. Om één uur sloot het café, maar Mar had nog een fles wijn thuis. Het was maar tien minuten lopen. Onderweg sloeg ze haar arm om mijn middel. Ik legde mijn arm om haar mollige schouders en ik voelde de warmte van haar lichaam tegen me aan. Ik vroeg wat voor luchtje ze gebruikte. Het was Patchouli, ik vond dat ze heerlijk rook. Ze woonde bij een hospita, op de zolder van een hoog herenhuis aan de Overtoom. Op de trap moesten we zachtjes doen. Haar kamer was rommelig. Veel planten, veel kleedjes, een spotje hier en een schermerlamp daar. Op tafel stond nog een bord met een boterham met hagelslag waar één hap van was genomen. Ze schoof wat boeken van het bed, zette Patti Smith op en ontkurkte de wijn.

"Nou, op de vriendschap dan maar, hè?"

Ze reikte me een glas, en streelde met haar andere hand langs mijn wang. Ik voelde haar koude vingers langs mijn hals en mijn oorlel en ik kreeg het warm. Meer dan dat. Ze ging op het bed zitten en merkte op:

"Je hebt leuke oortjes. Net die van je broer. Je bent eigenlijk een Wessel in het klein, maar dan zonder baard."

Meteen kwam ze weer half overeind en zei:

"Oeps, wat zie ik nou. Foei, Mathieu toch!", terwijl ze met haar vinger bestraffend tikte tegen mijn gulp.

Daarna bedekte ze de zichtbare zwelling met haar handpalm. De nacht verliep verder in een roes. Weelderige borsten, zachte dijen, zwart schaamhaar, mijn zweetlucht, haar patchouli, alles vloeide in elkaar over. Ik viel in slaap in een gelukzalige toestand.

Ik werd wakker doordat ik haar hoorde rommelen met lucifers en theekopjes. Ik hield mijn ogen dicht. Ze bracht me sinaasappelthee met lange vingers en vroeg of ik goed geslapen had.

"Je broer zegt dat ik snurk. Heb ik gesnurkt? Nee hè? Ik heb wel een bééétje een zwaar hoofd, maar dat gaat wel weer over."

Ze kletste vrolijk verder. Ik keek naar dat royale lichaam en dat stralende gezicht en bedacht me dat Wessel gelijk had. Ze kon enorm lief zijn. En het was goed, dat de lucht tussen ons tweeën geklaard was. Ik was geheel in harmonie met de wereld, met Mar en met Wessel ook. Het was een sereen gevoel. C'eravamo tanto Amati, we hielden zoveel van elkaar. Dat geloofde ik echt, op dat moment.

Een half uur later, op de Prinsengracht, was ik er allemaal niet zo zeker meer van. Ik was niet teruggekeerd, gisterenavond. Wessel had zich vast druk gemaakt. Misschien was er iets ergs met mij gebeurd. Waarschijnlijk kon hij ook wel bedenken wàt er gebeurd was. Met bonzend hart belde ik aan. Het duurde even voordat Wessel open deed, in zijn pyjama nog.

"Gut, ben je daar eindelijk", zei hij slaapdronken, "Waar was je nou, man? Ik heb de hele nacht op je gewacht."

Hoe was het mogelijk, hij vermoedde niets!

"Hé, maak effen koffie of thee, dan spring ik onder de douche."

Even later zat hij tegenover me met druppels in zijn baard en borstelde zijn lange zwarte haar.

"Hoe was het met Mar? Viel het mee?"

"Nou je hebt gelijk. Ze is een hele lieve meid. We zijn uit geweest. En daarna nog bij haar langs."

Ik kreeg een rode kop. Hij hield op met kammen en keek me opeens strak aan:

"Heb je met haar geslapen? Nee, hè! Jullie hebben geneukt! Verdomme, mijn eigen broer. Hoe kun je dat nu doen. Wat ben je toch een zak!"

De grond zakte me onder de voeten weg. Hoe kon ik het nou uitleggen. Ik had toch het gevoel gehad dat het iets heel zuivers was, dat het ons dichter bij elkaar had gebracht:

"Luister, Wessel, het was anders dan je denkt. Het was helemaal niet mijn bedoeling. Ik had helemaal geen zin in die uitnodiging. Dat weet je toch. Jij wou toch dat ik ging? Het liep allemaal anders."

Ik kwam niet meer uit mijn woorden en wist niet waar ik kijken moest. De rillingen liepen me over de rug.

"Ja, vast wel."

Hij liep naar zijn jas en zocht woedend naar zijn sigaretten. Daarna ging hij weer zitten.

"Ik weet wel wat je zeggen wilt, Mathieu. Het is je allemaal overkomen. En wat je mij daarmee aandeed, daar stond je even niet bij stil. Het zijn bekende smoesjes, maar in jouw geval geloof ik ze ook nog. Je bent een kind. Je hormonen slaan op hol en verder denk je nergens meer aan. Ik kan het je niet eens kwalijk nemen. Zo ben je nou eenmaal, gewoon een slappe zak."

Hij stak een sigaret aan en schoof me het pakje toe. Ik wou niet. Hij ging verder:

"Ik ken Mar langer dan vandaag, en jij hebt je gewoon laten gebruiken. Ze loopt al maanden te zoeken naar een manier om me terug te pakken voor die ene keer. En dat is haar nu gelukt. Je bent gewoon gebruikt. Ik weet het wel, jij deed het niet om mij te raken; je dacht gewoon nergens aan. Maar Mar wel, die wist waar ze me mee pakken kon. Verdomme."

Ik werd steeds kleiner. Ik moest iets zeggen maar ik wist niet wat.

"Nee, zo ging het niet. Niet zo, zonder gevoel. Ze doet dat niet zomaar om jou terug te pakken. Het was juist heel lief en heel zacht. Het was helemaal niet tegen jou gericht, juist niet..."

"Ach, weet jij veel. Je irriteerde haar en met mij had ze een appeltje te schillen. En ze had gedronken, dan wordt ze geil en dan komt het allemaal bij elkaar. Jij bent uitgeschakeld en met mij heeft ze de rekening vereffend.

"Sorry, Wessel", zei ik benepen, "Sorry."

Ik wist niet meer wat te zeggen.

05 Ongestadig Op Al Zijn Wegen

Zilverberg. Een naam voor een lommerrijk landgoed of een verhaal van Arendsoog. In elk geval niet voor de troosteloze betonnen bunker waar ik ruim een half jaar gewoond heb. Ze hebben het gebouw jaren geleden al weer gesloopt, Goddank. Het ding verdiende niet beter. Ik had een kamer van drie bij drieëneenhalf, met uitzicht op het dak van het winkelcentrum. Met daarop steevast een laag water, waar roestige blikjes in ronddreven; er lagen ook ouwe schoenen en natte bundels huis-aan-huis-blaadjes. Als ik zin had om depressief te worden hoefde ik maar uit het raam te kijken.

Mijn kamer was aan het eind van de gang op nummer 20, de keuken aan het begin, bij de voordeur. Tijdens die lange wandeling kromp ik bij iedere stap. Ik kreeg de sleutel op vrijdag. In de kamer stond een metalen bureau en een metalen bed met een matras met plastic overtrek. Het was kazernemateriaal, bestand tegen ruig gebruik. Maar je kon alles laten opslaan in een depot. Zaterdag stonden mijn eigen spullen er: het bed bij het raam, de kleren in de kast en mijn fiets in de stalling. Ik ging meteen terug naar Limburg, ook al was dat maar voor een dag. Zondag nam ik de laatste trein met tegenzin. Die tegenzin is gebleven totdat ik definitief wegging uit Amsterdam Noord. Ik woonde er wel maar ik was er niet thuis. Ik lééfde er niet. Op de Zilverberg was Amsterdam verder weg dan vroeger op het Emmaplein.

Ik had natuurlijk mijn broer als pied à terre in de binnenstad. Maar daar lag een barrière van schuldgevoel en verongelijktheid voor de deur. Dus fietste ik iedere dag langs het winkelcentrum, helemaal langs het Noord-Hollands kanaal, naar de pont over het IJ. Weer of geen weer. Het waren afstanden op een schaal die ik van thuis niet kende. Als de pont tegenzat, duurde het bijna een uur voordat je ook maar bij het Centraal Station was.

Voor mij was het centrum dus al ver, maar vanuit het centrum was de Zilverberg nog veel verder weg. Ik kreeg er zelden bezoek. Achteraf was het dan ook bijzonder dat Mar al zo snel voor de deur stond, met de Asparagus.

"Je zei dat het er zo ongezellig was, dus ik denk, ik neem een hangplantje mee. Je kan hem het beste op een kast zetten", sprak ze terwijl ze met me mee liep door de eindeloze gang, "Goed water geven en uit de volle zon. Dan groeit hij als kool. Bij mij bloeit hij zelfs, dat komt niet vaak voor. Stinken dat hij dan doet! Ik heb ook de jenever meegenomen, want je hebt vast nog niks in huis."

Dat klopte. Ze was mijn eerste bezoek en ik deed de dingen nog niet erg praktisch. Voor theewater moest ik meteen weer terug, de hele gang door naar de keuken.

"Ik ben zo terug, maak het je gemakkelijk. Ik zou je graag een stoel aanbieden, maar ik heb alleen een bed", zei ik.

"Maar Mathieu toch", plaagde ze "begin je nou alweer?"

Ze liet zich languit op het bed vallen, en ze streek wulps over haar borsten.

"Niet leuk Mar", zei ik en besloot meteen mijn afwas mee te nemen naar de keuken.

Toen ik terugkwam lag ze te lezen. Ik schonk mezelf thee in.

"Jij?"

"Nee, dank je. Na negenen geen warme dranken meer. Ik moet om mijn gezondheid denken."

Ze vulde een glas met jenever en schonk er voor de kleur wat sinaasappelsap bij.

"Nou, bevalt het je een beetje?", vroeg ze "Het is anders een allejezuseind fietsen. En dat met die plant. Dat viel me nog vies tegen. Je hebt wel de winkels lekker dichtbij."

Ik zei dat ik eigenlijk nooit boodschappen deed. Ik bracht zo min mogelijk tijd door in Noord.

"Kan ik me indenken. Terzake. Wat vind jij nou van Wessel, hoe hij reageerde?"

Ze liet verdere social talk achterwege, daar was ze niet voor gekomen. Ik vertelde meteen dat Wessel vond dat ik me had laten gebruiken. Dat hij vooral kwaad was op haar.

"Mij vond hij maar een sukkel. Maar jij hebt hem moedwillig pijn gedaan. Zo voelt hij dat. En dat kan ik me best voorstellen."

"Zo. Voelt hij dat zo. Sinds wanneer is meneer Castermans zo fijngevoelig? Die broer van jou is gewoon een bezitterig mannetje. Omdat ik eerlijk mijn gevoelens toelaat, daar kan meneer niet tegen. Dat maakt zijn leventje onberekenbaar, en daar houdt hij niet van. Meneer denkt dat alles om hem draait, maar zo liggen de zaken niet. Hij heeft nul komma nul over mij te vertellen. Zeg dat maar eens tegen Wessel."

Ik voelde me schuldig genoeg om het voor hem op te nemen:

"Ja maar luister. Die jongen heeft ook gevoel. Iedereen voelt zich kloten als zijn vriendin het met een ander doet. En dan kun je wel vinden dat dat anders zou moeten, maar zo zitten mensen niet in elkaar. Jij zou het van Wessel ook niet pikken."

Nou moest ik oppassen, bijna bracht ik Wessels scheve schaats in herinnering. Dat had hij niet verdiend.

"Als het Wessel koud liet, dan zou hij niks om je geven", voegde ik er daarom aan toe.

"Zo", tierde ze voort, "Zo. Dus volgens jou is het allemaal uit liefde, dat hij me de huid vol scheldt? Hij wilde me gewoon buiten de deur zetten, weet je dat? 'Ik heb even geen zin in jou vandaag', zei-die. Een relatie hèb je niet alleen als je zin hebt. Ik ben geen verzoekplaat, wat denkt-ie wel! En toen begon hij, dat het allemaal een machtsspelletje was, dat ik hem had willen terugpakken. Een machtsspelletje! Waar haalt-ie het vandaan! Op zo'n moment merk je pas hoe mannen denken."

"Maar als het niet om de macht was, waarom deed je het dan?"

Ik ging als vanzelf mee in Wessels lezing. Zij was de dader, ik was bijna onschuldig. Maar ik wilde ook horen dat het zo puur en zuiver was geweest als in mijn herinnering.

"Macht, natuurlijk niet. Het kwam door jou. Je was vertederend, zo verlegen en brutaal tegelijk. En je deed me nota bene aan hèm denken. Ik ben ook net gek, wat zie ik in die gozer. Waar vergooi ik mijn leven mee? Ik kan toch niet eeuwig met foute mannen bezig blijven. Die jongen, hè, die moet nog veel leren, heel veel leren. Als hij maar niet denkt dat ìk terug ga. Hij moet maar de eerste stap zetten, ik verdom het. Zeg hem dat maar. Weet je wat hij zei? 'Loopse teef ' noemde hij me. Dat is toch respectloos. Je spuugt toch alle vrouwen in hun gezicht als je zoiets zegt. En dat is dan liefde volgens jou."

"Nou, als hij niks om je gaf zou hij niet kwaad zijn", probeerde ik nog een keer.

Ze ging er niet op in.

"Hij stelt me zò teleur. Ik had gedacht dat Wessel ànders was. Maar hij voelt zich gewoon op zijn pik getrapt, omdat ik niet als een theemuts op hem zit te wachten. Hij wil het exclusieve recht op mij en anders kan ik opzouten, daar komt het op neer. Liefde dat is wat anders dan een keertje wippen, hoor. Het heeft er eigenlijk niks mee te maken. Uiteindelijk is het alleen zijn eer, als man, die telt. Loopse teef! We zijn toch geen honden?"

"En wat had jij tegen hem gezegd, dan?"

"Daar gaat het niet om. Dat zeg je gewoon niet tegen de vrouw waar je van houdt. Tegen geen enkele vrouw. Nooit."

"Als je kwaad bent zeg je dat soort dingen."

"Ja, natuurlijk. Maar hij heeft niet het recht om kwaad te worden. Je bent kwaad als je fiets wordt gejat. Maar ik ben verdomme zijn fiets niet."

Ik haalde ook maar een glas tevoorschijn. Tegen half één hadden we de fles leeg en was Mar moe.

"Lieve Tjeu", sprak haar dikke tong."Kan ik blijven pitten? Het is nou te laat om dat hele eind terug te fietsen. Je moet het eerlijk zeggen. Eerlijk zeggen. Als je niet wilt, dan ken ik hier nog wel iemand. Maar het is al laat en ze weet niet dat ik kom. Hoe laat is het... nou ja, laat."

Ik stemde toe. Maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik had geen logeerspullen, alleen een extra deken voor de winter. We moesten dus samen in mijn smalle bed. Mar viel als een blok in slaap, ze woelde mijn dekens los en nam bezit van het matras. Ik moest mijn ruimte zoeken tussen haar ledematen. Ze kromde zich tegen me aan, haar borsten als warmwaterzakken tegen mijn rug. De slaap kwam niet. Ik pakte mijn reservedeken en ging liggen op de bank in de keuken.

***

Tot zover Mars verhaal. Dat van Wessel liet niet lang op zich wachten. Ik liep hem toevallig tegen het lijf toen hij uit het postkantoor achter de Dam kwam. Hij was niet alleen.

"Ken je Robbie?", vroeg hij.

Ik stelde me voor:

"Mathieu."

"Scheltema", zei de ander.

Hij was een kop kleiner dan Wessel. Maar hij was imponerend. Hij keek me aan met opgetrokken wenkbrauwen, het hoofd schuin omhoog. Zijn zwarte haar zag eruit alsof hij het zelf voor de spiegel geknipt had. Een forse neus stond enigszins scheef in zijn gezicht en vertoonde een opvallende knik in het midden. Het hoofd rustte op een korte hals. De nekspieren begonnen achter zijn oren en liepen uit tot aan zijn schouderbladen. Links onder zijn kin waren drie stippen getatoeëerd.

"Oh. Eh .. Castermans, aangenaam."

"Nee, café Scheltema. Hier rechts om de hoek. Heb je tijd? Ik trakteer."

Scheltema was een bruin café, met een leestafel en een lange staat van dienst. Het lag aan de Nieuwezijds Voorburgwal, ooit de straat waar alle landelijke kranten hun redacties hadden. Het café was nog altijd een trefpunt van schrijvers en journalisten, tenminste volgens Robbie. Op deze middag was daar weinig van te merken. Het was rustig. Robbie bestelde bier en had meteen het hoogste woord. Wessel zat er opvallend stilletjes bij.

"Dat komt omdat hij zit te kniezen om zijn schatje. Die heeft zich laten pakken door zijn bloedeigen broer, wat zeg je daarvan? Belazerd, nietwaar? That's life; ik liet haar acuut vallen als ik hem was. Maar dat doet hij niet."

Wessel reageerde geïrriteerd:

"Dat kan ik niet. Ik geef om die meid. Laat dat eens tot je doordringen. En ik begrijp niet waarom ze me dit flikt. Ik bedoel, waar heb ik het aan verdiend? Wat heb ik fout gedaan?"

Hij zat er zo verslagen bij, dat ik ging bijna door de grond ging van schaamte. Maar ik kreeg niet de kans om iets te zeggen, Robbie was me voor.

"Ik snap het best. Ze is toch zo'n feministe? Ze wil gewoon even laten zien hoe onafhankelijk ze van je is. Ik zou haar gewoon laten vallen. Eens kijken of ze nog zo stoer is. Of je doet precies wat zij deed, je pakt haar beste vriendin. Liefde is oorlog."

"Ach man, daar schiet ik toch allemaal niks mee op? Het is kapot tussen ons en ik weet niet hoe ik dat weer goed krijg. Het vertrouwen is weg. Dingen die vanzelfsprekend waren gaan niet meer vanzelf. Ik dacht dat ik hier beter tegen zou kunnen. Maar ik ga eraan kapot. Het is bijna iets lichamelijks. Ik wil haar bij me hebben, ik verlang naar haar lijf. Maar als ze er is, vind ik haar afstotelijk."

"Ik ook", zei Robbie.

Wessel negeerde hem.

"Ik wil niet dat ze me aanraakt. Ik kan haar stem niet horen. Maar als de telefoon gaat hoop ik dat zij het is. Ik hoef geen excuses te horen, maar ik wil dat ze zìet wat ze me aandoet. Ik heb meelij met mezelf. Dat is stom. Ik maak mezelf verwijten. Ook stom. Maar ik denk: had ik iets anders moeten doen, heb ik iets niet in de gaten gehad?"

"Maar Wessel", probeerde ik, "Misschien is het helemaal niet zoals je denkt. Ik was er ook bij, weet je nog? Ik weet hoe het ging: ze was er helemaal niet op uit om jou een hak te zetten. Integendeel. Ze wilde dat we het goed zouden hebben: jij, zij, ik. Het was een soort grote verzoening."

"O ja? Je bent een naïeve klootzak, Mathieu. Het is allemaal niet zo idyllisch. En als jij niet zo onnozel was geweest, dan had je dat ook kunnen bedenken. Het spijt me dat je hier allemaal in betrokken bent geraakt, maar ik kan er nu even niet nuchter naar kijken. Ze heeft van alles kapot gemaakt, ook tussen jou en mij."

Daar kon ik het even mee doen. Robbie keek van Wessel naar mij en vond dat hij moest lachen. Ik zag er de humor niet van in. Hij knipoogde me toe alsof hij een goeie grap ging uithalen.

"Luister, Wessel. Zij is vreemdgegaan, jij krijgt de schuld en je laat het nog gebeuren ook. Dat moet je je niet laten flikken. Jij snapt niks van vrouwen. Ze hebben je zo doorgezaagd dat je werkelijk gelooft dat jij als man overal de schuld van bent. Laat me je een ding vertellen. Ik zit in de handel en dan ken je de vrouwen. Jij bent een psycholoog, maar jij snapt er helemaal niks van. Een vrouw is niet gelijk aan een man. Dat willen ze ook niet, al zeggen ze van wel. Het punt is: een vrouw weet helemaal niet wat ze wil. En als jij iets met ze wilt, dan moet je daar gebruik van maken."

"Wat is dit nou weer voor gelul. Wat weet jij van relaties? Jij bindt je nooit aan iemand."

"Natuurlijk niet. Juist omdat ik de vrouwen ken. Ik meen het serieus: ik ben een koopman, ik kijk naar gedrag. Koopgedrag. Een vent wil weten of je dit of dat hebt. Hij weet wat hij wil, hij wil het alleen graag goedkoop en liefst ook van een goed merk. Een vrouw niet. Een vrouw weet niet wat ze wil, maar ze is hebberig en goedgelovig. Daar kun je aan verdienen. Een vrouw loopt een winkel binnen om te kijken of er iets bij zit wat ze misschien kan gebruiken. Iets wat haar leuk staat. Maar wat, dat weet ze ook niet. Die kun je dus van alles verkopen, als je maar weet hoe. Je kunt ze ook in bed krijgen, als je maar weet hoe. En geloof me, ik weet hoe. Dat is misschien wel leuk voor je broer."

Hij keek me vragend aan. Ik zat er wat schaapachtig bij. Zo voelde ik me tenminste. Robbie ging er eens voor zitten:

"Let op. Fase 1, wek haar belangstelling. Je wilt haar een tapijtje verkopen. Ze zegt dat ze geen tapijt zoekt. Maar jij weet het beter: zij wil een tapijt, alleen ze weet het zelf nog niet. Dat staat niet ter discussie. De meeste vrouwen zijn best bereid daar een eind in mee te gaan. Je begint aan te prijzen: waarom juist dit tapijt, deze kleur, deze kwaliteit. Zij luistert beleefd, jij maakt grapjes, je bent aardig. Je gelooft in je tapijt, en je wilt haar blij maken. Zij weet dat ze iets wil, maar ze weet niet wàt. Dat is een rotgevoel, gelukkig ben jij er om haar te helpen. Jij en ik denken: een tapijtje, heb ik niks aan, wat zeurt die vent. Maar een vrouw denkt altijd: enerzijds-anderzijds. Aan de ene kant heb ik helemaal geen tapijt nodig en hoe kom ik van die vent af. Aan de andere kant, een tapijtje zou misschien wel leuk staan bij de bank. Kijk, dan heb je ze waar je hebben wil. Als je ze in bed wil krijgen werkt het net zo. Zij weet gewoon nog niet dat ze jou wil, maar jij weet wel beter. Zorg dat je het initiatief houdt, en zorg dat je grappig bent. Ik schat dat je met zeven van de tien vrouwen het enerzijds-anderzijds stadium bereikt. Daar zijn ze van nature toe geneigd."

"Robbie, hou op. Ik wil dit niet eens horen", protesteerde Wessel moedeloos.

"Natuurlijk wil je dat niet. Maar ik ga gewoon door. Goed, je hebt haar waar je ze hebben wil. Enerzijds-anderzijds. Dan komt fase 2: verhoog de marktwaarde. Eenmalige aanbieding en u krijg dit er ook nog bij voor dezelfde prijs. Voor de snelle beslisser. Allemaal bedoeld om de druk op te voeren, want als ze blijft dubben dan koopt ze niet. Dus ze koopt dat tapijtje, want ze denkt: nu of nooit. En ze is blij, niet omdat ze dat tapijtje wilde, maar omdat ze een besluit heeft genomen. Een buitenkansje en dat voor die prijs! Met seks is het wat ingewikkelder, maar in wezen hetzelfde basisprincipe."

Eerlijk gezegd prikkelde hij wel mijn nieuwsgierigheid.

"Even terug naar niveau 1: enerzijds-anderzijds. Ze overweegt het tapijtje te kopen en jij bent dus het tapijtje. Alleen ben je tegelijk ook de verkoper. Ze denkt: 'wil ik een tapijtje, wil ik het van hèm?' Aan de ene kant wil ze niet, want ze is een net meisje en ze gaat niet zo maar met iedereen de koffer in. Bovendien valt ze niet op je. Aan de andere kant is ze gevleid. Want ze is niet alleen een klant op zoek naar een koopje. Ze is zelf ook een tapijtje en ze wil graag weten hoe goed ze in de markt ligt. Natuurlijk twijfelt ze daar ook over, enerzijds-anderzijds. Jij toont belangstelling en dat streelt haar ego. En eigenlijk vindt ze dat wel opwindend. En ze denkt: hij is wel aardig, en hij heeft mooie ogen. Ze gaat op zoek naar argumenten. Enerzijds-anderzijds. Ze twijfelt aan alles, dat is in jouw voordeel. Jij kunt haar zekerheid bieden, want jij twijfelt maar aan één ding: hapt ze of niet? Dan komt het tweede stadium."

"De marktwaarde."

"Juist. En dat is een kwestie van vraag en aanbod. Zorg voor een aanbod dat ze niet weigeren kan. Doe dat niet te subtiel. Schaamteloos slijmen werkt prima. Natuurlijk gelooft ze je niet, maar ze wil je graag geloven. Enerzijds-anderzijds. Je zegt dingen die niemand haar ooit gezegd heeft. Dat je het gevoel hebt alsof je haar altijd al gekend hebt. En dat ze zo'n prachtig haar heeft. Het dondert niet wat, als je ze maar het gevoel geeft dat ze bijzonder is. Dat hoort ze nooit. Dus ben jij uniek, dat drijft de prijs op. En dan de vraagkant, daar moet je ook aan werken. Ze moet merken dat zij niet de enige koper is. Kapers op de kust, daar wordt ze hebberig van. Dus je kletst met andere meisjes, je maakt grapjes tegen de serveerster. Hier komt het aan op vakmanschap, de dosering. Ze moet denken dat de concurrentie belangstelling heeft en dat jij daar niet ongevoelig voor bent. Maar ze moet het gevoel blijven houden dat jij voor haar kiest. Iedereen wil dat tapijtje, maar zij heeft de eerste keus. En dan sluit je het geheel af met een nu-of-nooit moment. Dat moet je organiseren. Je kunt er een ultimatum van maken, je moet weg, je vraagt haar mee. Je kunt ook het initiatief aan haar over geven. Je laat je telefoonnummer achter. Persoonlijk ben ik daar geen voorstander van, want zij kan vervolgens weer gaan twijfelen of ze wel of niet zal bellen. Maar als ze belt, dan hangt ze wel overduidelijk aan het haakje. Enfin, het nu-of-nooit moment vraagt om wat creativiteit. Zie hier het drie stappenplan van Robbie. Succes gegarandeerd."

"Wat ben je toch een enorme schoft", zei Wessel gelaten."Walgelijk gewoon."

Hij had het opgegeven.

"Het is een wetenschap", zei Robbie bescheiden, "Werkt altijd. Alleen niet bij iedereen. The proof of the pudding: gewoon beginnen met stap één. Is de kandidaat ongeschikt dan merk je dat vroeg genoeg. Oké, tot zover 'Was woll das Weib', onze korte cursus psychologie van de vrouw. Wat leren we daarvan voor de problemen van onze arme Wessel? Als je mijn diagnose weten wilt, dan ligt het probleem bij je marktwaarde. Die moeten we wat opvijzelen. Kun je twee dingen doen. Je kunt investeren in het aanbod. Geef haar aandacht, cadeautjes, verwen haar. Zorg dat je de moeite van het heroverwegen waard bent. Persoonlijk zou ik dat niet doen, dat heeft ze nergens aan verdiend. Ik zou werken aan de vraagzijde. Ze moet merken dat ze niet het monopolie heeft. Ga vreemd, doe het met haar zus, als ze die heeft. Ik voorspel een vette ruzie en dan komt ze op hangende pootjes terug."

"Of niet", leek mij.

"Of niet", beaamde Robbie, "Dan ben je ook van het probleem af. Goed, mannen, ik moet weg. Drink er nog eentje van me."

Hij legde een briefje van tien op tafel en was weg.

En toen was het stil. Ik keek naar Wessel tegenover mij. Daar werd ik niet vrolijk van. En toch zag hij eruit alsof hij zich over zijn marktwaarde geen zorgen hoefde te maken. Dat lange lijf, die gespierde armen waarin iedere vrouw weg zou willen kruipen. De donkere ogen, diep in de kassen, die hem tegelijkertijd vriendelijk en mysterieus maakten. De hoge jukbeenderen, die bijna aristocratische lijn die doorliep tot de hoeken van zijn kin. Dat dikke lange zwarte haar. Wessel was toch iemand om boven je bed te hangen.

"Zo", zei ik, "Dat was dus Robbie. Heb je daar nou veel steun aan? Niet echt hè?"

"Robbie denkt dat hij lollig is. Maar die knaap weet niet waar hij het over heeft. Hij heeft nog nooit een relatie gehad. Niet lang genoeg om te worden bedrogen, tenminste. Dat risico loopt hij liever niet."

"Hij redeneert wel logisch", vond ik.

Dat kon Wessel niet ontkennen.

"Ja, maar wel als een marktkoopman. Wat kost het me, wat krijg ik ervoor terug. En als de opbrengst tegenvalt, ga je naar een ander. Maar een relatie heb je samen. Dat groeit, het wordt een deel van jezelf. En als het kapot gaat, dan gaat er ook een deel van jezelf kapot. Ik weet niet of er nog toekomst in zit, of het nog te repareren is. Dat hangt ook van Mar af. Ik moet weer op haar kunnen bouwen. Dat lukt me nu niet. Soms ben ik enorm kwaad op haar, dan wil ik haar zien lijden. Ik wil dat ze zich ontzettend schuldig voelt. Maar ik weet ook wel dat dat geen oplossing is."

"Ben je niet kwaad op mij dan?", wilde ik toch nog weten.

"Nee. Sorry Mathieu. Als je het weten wilt: ik vind je een enorme zak, maar ik kan er niet kwaad meer om worden. Ik denk ook niet dat je dit nog een keer doet. Tussen jou en mij is er in wezen niets veranderd, tussen Mar en mij wel."

We zwegen. Ik zocht naar een troostrijk woord, eigenlijk meer om mijn eigen wroeging tot bedaren te brengen; ik vond het niet.

Opeens reageerde Wessel op de afwezige Robbie:

"Marktwaarde, scheid toch uit. Daar gaat het toch niet om! Het gaat over keuzen die je maakt. Wat voor leven wil je leiden en met wie. Ik denk nu: godverdomme, waar ben ik aan begonnen. Ik kan me toch niet zo in haar vergist hebben? Maar straks ben ik 40 en stel dat het dan alsnog op de klippen loopt. Wat heb ik dan van mijn leven gemaakt, snap je."

Ik deed nog een poging tot een ondersteunend advies.

"Ik snap het. Maar zij zet geen enkele stap jouw kant op en jij zet geen stap in haar richting. Dit wordt een loopgraafoorlog. Ik zou een besluit nemen. Of je kapt met haar, of je geeft je gewonnen."

"Je zal wel gelijk hebben, maar ik ben daar nog niet aan toe", zei Wessel, "Ik wil wel dat we weer normaal tegen elkaar doen, maar dan moet zij dat ook doen. Ik wil best de eerste stap zetten, maar al dat gemarchandeer, daar heb ik zo genoeg van. Ze is in staat om alles op een weegschaal te leggen. Als jij niet dit doet, dan doe ik het ook niet. Ik vertrouw haar gewoon niet meer. En met dat soort deals komt het vertrouwen echt niet terug. Zullen we afrekenen?"

Toen we naar buiten kwamen was het al donker aan het worden. Wessel wilde niet meer mee om nog iets te gaan eten.

****

Giel had mazzel gehad. Hij had via een tante een zolderkamer bemachtigd in de Dapperstraat. Aan zijn voeten lag de markt, boven zijn hoofd bewogen zich de wolken langs de lucht. Omrand door zolderramen, zou Bloem zeggen.

Het was dichtbij het centrum en het was goedkoop. Alleen had hij geen wc. Zijn huisbaas had er een schot getimmerd met een chemisch toilet erachter. Dat gebruikte hij spaarzaam, want legen was een smerig karweitje. Zelf ging Giel er prat op dat hij bij voorkeur in de dakgoot piste. Hij was geheel onkundig van de poëtische status van zijn dakraam. Ik liet hem Bloems gedicht lezen, maar dat was gezwijmel wat Giel betrof. Dat gold voor meer zaken. Ik had hem verteld over mijn escapades met Mar, maar kreeg daar meteen spijt van. Hij had haar alleen die ene keer gezien in het Vondelpark en hij wist nog precies hoe ze eruit zag.

"Zo'n dik meisje met rode haren. Roodharigen zijn vurig. Is ze overal rood? Ook van onder?"

Ik probeerde hem uit te leggen dat Mar d'r haar verfde, maar zijn fantasie sloeg al op hol.

"En ze is dik. Dikke meisjes zijn onverzadigbaar. Ik heb helemaal niks tegen dik, wat jij. Dan heeft ze ook grote tieten?"

"Giel, doe nou effen serieus, man. Ik zit daarmee, begrijp je dat niet? Het komt toch door mij dat ze met elkaar overhoop liggen. En het is wel mijn broer."

"Misschien komt ze wel tekort bij hem."

"Aan jou heb ik ook niks. Nog zo'n opmerking en ik ben weg."

We gingen patat halen. Onderweg deed ik mijn verhaal. Niet dat ik enige waarde hechtte aan Giels mening, maar gewoon, omdat ik stoom moest afblazen. Giel kende geen van de betrokkenen en zijn oordeel deed me helemaal niets. Neutraler kon het niet.

"Was hij nou maar kwaad op me, dan kon ik kwaad op hem worden. Maar het is allemaal haar schuld, wat hem betreft, net of ik er niet toe doe. Het is allemaal een duivels plan van Mar. Ze wilde hem terugpakken omdat hij met een ander had staan zoenen en daar heb ik me voor laten gebruiken, zegt hij.

"Nou ik kan me wel iets ergers voorstellen", kwijlde Giel met een vette grijns.

"En met haar is het al niet anders. Ik had het gevoel dat we iets heel bijzonders hadden meegemaakt, die nacht. Dat snap jij niet. Een soort gelukzaligheid, dat je met de hele wereld in het reine bent. Iets heel puurs. Dat kan ik je niet uitleggen, maar als je zoiets meemaakt, dan weet je dat het echt is. En ik weet zeker dat zij dat op dat moment ook voelde."

"Straks zeg je nog dat je verliefd op d'r bent."

"Maar het lijkt nu net of het nooit gebeurd is. Het enige waar Mar over praat is Wessel. Ik merk niet dat het iets voor haar betekend heeft. Maar wat ik toen voelde, dat was gewoon echt. Dat was bijna tastbaar."

"Gezwijmel."

Giel was een jongen met aardse geneugten. Bier, friet en snelle auto's. Simpele zaken, daar liep hij warm voor. Alles wat daar bovenuit steeg was gezwijmel. Volgens Mar waren alle mannen min of meer autistisch. Vooral geïnteresseerd in hun eigen ding en slecht in staat om zich in een ander te verplaatsen. In Giels geval ging dat volledig op. Maar verder geen kwaad woord. Ik ken niemand met zo'n onverwoestbaar humeur, niemand zo hulpvaardig, niemand zo goed van vertrouwen. Hij was intelligent, maar van mensen snapte hij niet veel. Hij ging er altijd zonder meer vanuit dat iedereen het beste met hem voor had. Je kon hem dan ook veel wijsmaken. Wat hem niet belette om onverstoorbaar en onverschrokken zijn eigen gang te gaan. Hij kwekte tegen iedereen aan, alsof ze dat net zo gezellig vonden als hijzelf. Ik wel, overigens. Hij mocht dan lomp zijn, vette puisten op zijn gezicht hebben en naar zweet stinken: hij ging voor je door het vuur. Soms heeft een man ook niet meer nodig dan voetbal op TV, een krat bier en een vriend als Giel. Die avond was er voetbal, er was bier en vriendschap in overvloed. Toen ik in de slaapzak tolde, nam ik me voor om Wessel en Mar eens rond de tafel te zetten. Maar Wessel was me voor.

****

Hij had een klein hartje. Hij was misschien wat driftig op zijn tijd, maar hij bleef nooit lang kwaad. Dat had hij gewoon niet in zich. In plaats van excuses te eisen van Mar, bood hij ze aan. Waarvoor eigenlijk?

"Nou, gewoon: 'sorry dat ik zo kwaad werd. Sorry voor alles wat ik gezegd heb. Dat was onvolwassen van me'. Zoiets. Kijk, ik wil haar weer kunnen vertrouwen, maar dat moet groeien. Het wondje moet dicht, dat lukt niet als je iedere keer weer aan het korstje krabt. Je moet het met rust laten. Daar moet je ruimte voor scheppen. Dus ik dacht, ik maak een gebaar. Als zij het niet doet, dan doe ik het. Je moet even ergens overheen, maar het levert wel veel op."

Mar had een groot hart, ze liet op slag al haar weerstand varen. Sommige mensen kroppen hun agressie op, tot het eruit knalt. Mar had haar hartstocht opgekropt tot ze er eindelijk weer aan mocht toegeven. Al haar zorgvuldig gecultiveerde woede leek in een klap verdwenen, alsof ze er eigenlijk alleen maar last van had. Dat verbaasde me wel, maar ik had het hart niet om daar iets van te zeggen.

****

Op vrijdag sprak ik met Wessel af om samen naar het zuiden gaan. 's Ochtends had hij zijn tentamen statistiek gehad en dat was niet goed gegaan. De intercity reed met vertraging binnen. Wessel rukte de deur open en smeet zijn reistas in het bagagerek. Een oudere mevrouw keek of er nog plaats was in de coupé, ving Wessels blik op en liep snel verder. De conducteur bleef ook maar kort.

"Rustig vriend", zei hij, "ik heb ook gevoel."

En ondertussen tierde Wessel door. Voorbij Den Bosch stond de trein stil tussen de weilanden. En ook Wessel was bijna uitgeraasd.

"Misschien is psychologie ook niks", concludeerde hij, "Ik stop helemaal met studeren."

"Kom op, joh", probeerde ik hem op te monteren, "Jij bent gewoon niet gewend dat je ook wel eens ergens voor kunt zakken. Gewoon nog een keer proberen."

Maar het was al de tweede keer dat hij gezakt was voor hetzelfde tentamen. Hij keek wrokkig uit het treinraam. De koeien buiten keken onaangedaan terug.

"Waarom moet je eigenlijk statistiek doen?", vroeg ik me af, "Wat heeft dat nou te maken met psychologie?"

Het was allemaal onzin volgens Wessel.

"Ze zijn gewoon bang dat ze door de mand vallen. Zonder modellen en formules tel je niet mee in de wetenschap. Dus gaan ze turven. Antwoorden op vragenlijsten. 1C, 3A. En dan lekker het gemiddelde berekenen. Alsof dat zo interessant is. Gemiddelde mensen zijn niet interessant. Stomme vragenlijsten, doet u dit of dat. Wat iemand werkelijk drijft, daar leer ik helemaal niets over. Weet je wat ik wel leer? Conditioneren. Ik leer ratten om door een doolhof te lopen. Straffen en belonen. En als je een rat kunt africhten, kun je dat met mensen ook. Mensen zijn ratten. Ik scheid ermee uit. Voor mij hoeft het niet meer."

Ik pakte een sigaret en streek een lucifer af. De brandende kop brak af en viel omlaag. Wessel schoot overeind en veegde de vonken weg. Te laat, ik had twee schroeigaten in mijn overhemd. Verdomme. Maar het was mijn eigen schuld. Wessel gaf me zijn aansteker. Hij stak er zelf ook een op en zoog het vuur naar binnen.

"Moet je horen, ik ben bezig met Oudengels", zei ik, "Beowulf. Vreselijk vind ik het. Saaaaai. Maar het hoort er nou eenmaal bij. Je kunt toch niet iedere keer stoppen als iets je niet interesseert."

Wessel blies een wolk rook uit. De trein zette zich weer in beweging.

"Heb je wel eens gehoord van Milgram?", vroeg hij, "Die deed experimenten over gehoorzaamheid. Hij liet studenten elektrische schokken geven aan hun collega's. Ja, niet ècht natuurlijk, maar dat wisten ze niet. Ze zagen hun slachtoffer op het scherm, ze hoorden hem schreeuwen. Ze zagen hem in elkaar zakken. En de proefleider zei dan dat ze door moesten gaan met schokken geven, hij nam de verantwoording wel. De meeste mensen gehoorzamen dan gewoon. Een enkeling weigert. Waarom is dat? Dat is belangrijk. Wat is het verschil tussen een held en een meeloper? Tussen een meeloper en een schoft? Kijk, dààr moet het over gaan, daarom ben ik gaan studeren. Bij rechten konden ze me daar helemaal niets over vertellen. En hier moet ik ratten gaan trainen. Wat heb ik daaraan?"

***

In het begin ging ik ieder weekend terug naar het zuiden. Wessel deed dat allang niet meer, maar ik had nog altijd een drukker leven in Sint-Gerhardsrade dan op de Zilverberg. Ging je naar een Amsterdams café, dan moest je je eigen vrienden meenemen. Thuis zaten ze gewoon op me te wachten. Soms ging ik met de trein, soms ging ik liftend. Toen Giel eenmaal zijn rijbewijs had gehaald, gingen we vaak met de auto van zijn broer. Hij zette me voor de deur af en haalde me zondagavond weer op. Ideaal.

Het werd Sinterklaas. Sinds een jaar of vier maakten we surprises voor elkaar. We trokken lootjes in het bijzijn van Pastoor Raaijmakers, die erop toezag dat niemand zichzelf trok. En als Wessel niet thuis was, dan trok de Raaijmakers zijn lootje en stopte dat in een envelop die met de post meeging. Maar dit jaar was de pastoor weggeroepen voor een sterfgeval. Giel nam de honneurs waar en hij was een voortreffelijk notaris. De hele terugweg probeerde ik hem te ontfutselen wie Wessel getrokken had. Hij gaf geen krimp. Ik kreeg ook de envelop niet mee, die deed hij zelf op de bus.

Ik zat met een probleem. Ik had opnieuw Wessel getrokken, voor de derde keer in vier jaar. En ik had echt geen idee meer wat ik nou nog voor hem maken kon. Mar wist ook niks.

"Vraag mij niet waar hij mee bezig is, ik weet het niet", zei ze, "Soms praten we echt volkomen langs elkaar heen. Je zou het moeten horen, het is om je rot te lachen. Dan zeg ik dat ik een wasmachine wil en dan begint hij over het godsbewijs van Anselmus en wat daar volgens hem aan mankeert. Ken je die? Ik niet. Ik heb daar nog nooit van gehoord en het interesseert me helemaal niks. Ik ben gewoon onkerkelijk opgevoed, en dat wil ik graag zo houden."

"We moeten even brainstormen. Noem eens gewoon op wat je te binnen schiet als je aan Wessel denkt. Steekwoorden. Iets over vroeger."

"Ik denk aan..... Timmeren, Portugal, Vechtpartijen. Robbie. Bram en Freek. The Who. Rechten. Psychologie. Statistiek, ratten....."

"STOP. Ratten. Je moet iets met ratten doen. Daar kun je van alles over bedenken. Ratten die het zinkende schip verlaten. Van de ratten besnuffeld. Als ratten in de val. Denk eens mee. Ratten verspreiden de pest. En dan heb je witte ratten, rioolratten. Zo arm als een kerkrat. Heb je 'The Painted Bird' gelezen? Of Mulisch, 'Bericht aan de rattenkoning', dat kun je hem dan cadeau doen. Of die elpee van de Stranglers, dat is ook iets met ratten. Dan hoort hij eens wat anders. Je maakt een rattenkooi of een Skinnerbox, dat is zo'n doolhof."

"Dat is misschien niet eens zo'n gek idee. Hoe ziet zo'n doolhof eruit?"

Dat wist ze niet precies meer.

"Ik heb dat moeten leren, maar dat is twee jaar geleden. En je doet er zelf niks mee, je leest er alleen maar over. Ik zal wel eens zoeken naar een plaatje."

Ik besloot een rattendoolhof te bouwen. Ik kon er dan een gedicht bij doen over studeren als doolhof en Wessel als rat. Een poortje voor rechten, een poortje voor psychologie, een poortje met een vraagteken. Echt enthousiast was ik niet.

***

Het was druk in de stad, ondanks het gure weer. Het ging slecht met de economie, maar daar merkten we weinig van. De kooplustige meute was op drift. Er werden stapels stereo-installaties, videorecorders en kleurentelevisies aangesleept en afgevoerd in de donkere nacht. Een onafgebroken stoet dozen en grote pakketten bewoog zich voort over de natte Nieuwendijk. We lieten ons meevoeren. Ik had met Wessel afgesproken om samen nog wat cadeautjes te gaan kopen voor de kleintjes. Gewoon, wat kleine dingetjes, vooral voor de lol van het uitpakken. En voor ons moeder nog wat hebbedingetjes die in Sint-Gerhardsrade niet te vinden zijn. We gingen naar Xenos bijvoorbeeld, op zoek naar Indiase en Thaise snuisterijen. De zaak puilde uit en het was er drukkend warm. Zielloze muziek lekte in vette druppels uit de speakers. Float On.

"Zou de kachel hier niet uit kunnen. Heb jij het niet benauwd?", zei Wessel.

Het zweet liep hem van het voorhoofd. Hij had een lijstje gemaakt, dat doet hij altijd. Handig dat iemand lijstjes maakt, anders heb ik echt geen idee wat te kopen. Dat is een gave die ik niet machtig ben.

"Ik hou het niet meer", zei Wessel, "Kijk jij nog even verder? Ik wacht op je buiten."

Wat vrouwen hebben met winkelen weet ik niet. Ik weet dat Robbie daar ideeën overheeft, maar er moet toch meer over te zeggen zijn. Ik zal Mar eens vragen om een feministische analyse. Ik krijg er in elk geval altijd heel snel genoeg van. Toen ik de winkel uitliep kwam knalde de kou me in het gezicht. Ik staarde in het donker, maar Wessel kon ik zo gauw niet vinden.

"Mathieu! Hierheen!", hoorde ik vanachter de mensenmuur.

Hij zat een eind verderop met twee volle tassen op de stoep bij de Munttoren, uit de wind. Ik ging ernaast zitten.

"Volgens mij hebben we voor iedereen wel wat, ik vind het genoeg zo. Geef eens een peuk."

"Heb jij dat nou ook, dat je dit dreigend vindt?", wilde Wessel weten.

Ik haalde mijn schouders op:

"Wat vind je dan bedreigend?"

"Niet bedreigend, dreigend! Dit hier, die mensen allemaal. Ze klampen zich aan hun boodschappen vast als een drenkeling aan een reddingsboei. Vandaag of morgen stort de economie in en dan kunnen ze niet meer kopen. Dan worden ze onzeker en dat is gevaarlijk. Bange mensen zijn gevaarlijk. Beschaving is maar een heel dun laagje."

"De economie stort niet in", zei ik.

"Dat doet hij wel, ooit. Alleen weet je niet wanneer. Als de zon schijnt kan ik me ook niet voorstellen dat het ooit regent. Maar vroeg of laat valt de winter in. De tweede wereldoorlog begon ook op een prachtige, stralende dag. De vrijdag voor Pinksteren. Je moet er moeder eens naar vragen, ze kan zich nog heel veel herinneren. Dat de Duitsers in colonne door de Hoofdstraat trokken, de muziek op de radio, ze weet het allemaal nog. Ze is met de andere kinderen gaan kijken, ze dachten dat het een feestelijke optocht was. Vreselijke dingen beginnen heel onschuldig."

"Dat is nu in elk geval niet zo. Ik zie geen dreiging. De mensen hebben misschien haast, maar dat is vanwege de kou."

"Het is de alledaagsheid, die dreigt. Die kun je niet vertrouwen. Het lijkt allemaal van een geruststellende onbenulligheid, maar dat is schijn. Ach, het ligt aan mij, ik weet het wel. Er is niks aan de hand, ik zou me alleen rustiger voelen als er wel iets aan de hand was. Vind je dat niet gek?"

Dat vond ik wel gek, ja.

"Die dreiging van jou mist elke grond. Moet ik me zorgen over je gaan maken?"

"Dat weet ik niet. Doe maar niet, ik schiet er niks mee op. Maar neem die verhalen over de oorlog. Daar zijn wij mee opgegroeid, maar dat was iets van vroeger, dat was geschiedenis. Alleen lukt het me niet meer om er zo naar te kijken. Ik denk nu: het kan morgen weer gebeuren en we hebben er niks van geleerd."

"Waar komen dat soort gedachten nou vandaan?"

"Ik weet het niet. Er is niks bijzonders gebeurd. Het is de bedrieglijke gezelligheid van alledag. Het Smurfenlied. Ik ging van de week mee om lege kratten weg te brengen. Ik hoor op de radio het Smurfenlied en ik krijg het benauwd, ik wil meteen de auto uit. Ik zag het al helemaal voor me, de auto helemaal in elkaar gereden en dat ze onze lichamen eruit moeten zagen. Al dat bloed en dat dan de Smurfen gewoon doorgaan met zingen. Ze kunnen door een waterkraan! Onbenul overwint alles. Kom, zit er maar niet over in. We gaan naar huis."

****

Ajax - Roda JC. Een jaar eerder had Roda de Amsterdammers thuis in Kerkrade verslagen met 4-1. Een legendarische wedstrijd en Giel was erbij. Maanden geleden hadden we al afgesproken om naar de returnmatch te gaan. Dit weekend bleven we daarom in Amsterdam. 's Zaterdags organiseerde de Psychologenbond ook nog een feest in Paradiso. Die feesten waren een evenement in het Amsterdamse uitgaansleven. Wessel vond dat ik dat ook eens moest meemaken. Het werd een memorabele nacht.

Om drie uur kwamen we bij Robbie terecht, die in een oud pakhuis bleek te wonen. De drank maakte ons spitsvondig. Een jaar eerder was de zomertijd ingevoerd en draaiden we voor het eerst de klok een uur vooruit. En als toen de zomer weer voorbij was, draaiden we de klok weer terug. Tijd was een afspraak, meer niet. Wessel zag mogelijkheden voor een verdere tijdshervorming, maar dan volgens het tientallige stelsel, bijvoorbeeld met uren van 50 minuten, en 50 seconden per minuut. Zijn idee sloeg aan. Je hield tijd zat over voor dagen van 25 uur. Die waren dan wel wat te kort , maar met tiendaagse week kwam je daar ongeveer wel uit. We kregen ingewikkelde discussies over de gevolgen voor economie en vrije tijd. En hoelang moest de dienstplicht duren, wanneer ging je met pensioen. Uiteindelijk kwamen we uit op een week van tien dagen, bij een jaar van tien maanden en dat stond dan voor 50 weken. We schrapten de schrikkeljaren. Het jaar zou een paar dagen langer duren en daarmee liep ook de levensverwachting terug. Dat was weer gunstig voor een betaalbare oudedagsvoorziening. We moesten wel nog twee maanden schrappen, maar welke? En een week kreeg drie extra dagen, waar we nog geen naam voor hadden. Het invoeren van Voetbaldag leverde geen problemen op. Maar om die dag dan weer om te dopen tot Ajaxdag, dat ging mij echt te ver. Toen Robbie naar bed wilde werden we op straat gezet.

De volgende ochtend zou Giel me ophalen aan de Prinsengracht. We waren net wakker toen er werd aangebeld, rond half elf. Wessel ging naar de deur en kwam terug met twee keurige geklede mannen. Eén was wat ouder en droeg een soort aktetas onder zijn arm. De ander was meer van onze leeftijd, een Indische jongeman met korte haren in een keurige coupe.

"Maak even een kop koffie voor de heren, Mathieu. Ze willen met ons praten."

Ik bedacht dat dit nog wel eens lang kon gaan duren. Ik dacht aan Ajax-Roda. De oudere man nam het woord:

"Ja, we willen graag met u beiden -hij keek ook mij doordringend aan- praten over de toekomst, want wij zien dat het niet goed gaat met de mensheid."

"Dat is niet zo mooi", zei Wessel.

"Nee", hernam de ander, "Wij zien tekenen dat het laatste oordeel nabij is."

"Dat begrijp ik niet", zei Wessel. "Gaat u zitten en legt u dat eens uit."

De man nam plaats op een oude keukenstoel en begon te praten met een monotone, maar indringende stem. Hij sprak een vooroorlogs soort Nederlands; met sch en dubbel oo.

"Misschien behoort u tot die mensen die zich met ons zorgen maken over de wereld. U weet dat de wereldmachten steeds gevaarlijker wapens ontwikkelen. Er zijn nu zelfs neutronenbommen, die de dood zaaien onder de bevolking zonder de gebouwen te beschadigen. Maakt u zich daar zorgen over?"

"Jawel", antwoordde Wessel, "Waanzin. Levensgevaarlijk."

Raak en gezonken, dacht de man. Hij vuurde nogmaals.

"Goed. Wij zouden kunnen zeggen dat deze nieuwe wapens een symbool vormen voor de huidige tijd. Een tijd waarin het leven minder bescherming geniet dan de dode materie. De mensheid is tegenwoordig nog slechts geïnteresseerd in materiële zaken. Egoïsme en zedeloosheid vieren hoogtij. Geleerden waarschuwen voor grote milieurampen. Maar wij staan voor een veel grotere dreiging doordat de mensheid niet langer leeft naar Gods gebod en Zijn wetten negeert."

"Pardon", onderbrak Wessel de woordenstroom: "wiens gebod, wiens wetten? Wie zei u?"

"De wetten van de Here God", antwoordde de man onverstoorbaar.

"Daar heb ik nog nooit van gehoord. Vertelt u mij eens iets over deze heer."

Het klonk bijna oprecht nieuwsgierig. De man dacht even na, wat hij met deze onzinnige vraag aan moest.

"Goed dan. Wij geloven dat heel deze aarde en al wat leeft en groeit is geschapen door de almachtige Heer onze God. Wij geloven dat de mens niets vermag zonder Zijn hulp en dat er niets gebeurt zonder Zijn wil. De Heer is een liefdevolle God en Zijn goedheid is tot in de eeuwigheid. Hij heeft ons Zijn woord gezonden opdat wij naar Zijn richtlijnen zouden leven."

Bij die laatste woorden stak hij zijn bijbel in de lucht en begon te bladeren tot hij een passende tekst had gevonden.

"Zo staat geschreven in Psalm 100: 'Erkent dat de Here God is. Hij heeft ons gemaakt en Hem behoren wij toe, Zijn volk, de schapen die Hij weidt. Gaat met een loflied Zijn poorten binnen, Zijn voorhoven met lofgezang. Looft Hem, prijst Zijn naam; want de Here is goed, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid en Zijn trouw tot in verre geslachten'."

Daarna bestudeerde hij de uitwerking van Gods woord op Wessel. Die reageerde meteen:

"Laten we even afspreken dat we elkaar niet van alles gaan voorlezen. Het is al ingewikkeld genoeg. Ik begrijp dat u denkt dat de aarde gemaakt is door een man die er dus al was voordat wij er waren. Waar komt die man vandaan? Dat snap ik niet. Maar laten we even aannemen dat u gelijk heeft. En dan gaat het dus om iemand die wil dat u zijn geboden volgt. Doet u dat niet, dan loopt het niet goed met u af. Hoe zit dat nu? Het is van twee dingen één. Of alles is gemaakt zoals die man dat wil en dan heeft hij ook gewild dat u niet naar zijn gebod leeft. Of u kunt zelf kiezen, en dan kunt u dus dingen doen die hem niet bevallen. Maar dat is dan weer omdat hij u zo gemaakt heeft. Dan moet hij ook niet moeilijk doen. Nou u weer."

De man zag kansen genoeg:

"God schiep Adam en Eva en ze leefden in het paradijs. Daar was slechts één verbod. God verbood hen de vruchten te eten van een boom die daar groeide. De vrouw kon de verleiding niet weerstaan. Een slang verleidde haar tot het proeven van de vrucht en zij gaf ook aan Adam die bij haar was en hij at. Genesis 3, vers 6."

Hij pakte weer zijn bijbel en overwoog die te openen. Maar hij sprak zonder te kijken:

"God heeft de mens geschapen met de vrijheid om te kiezen. De mens verkoos de verleiding van Satan boven Gods gebod. Daarmee verloren zij hun onschuld en hun onsterfelijkheid. Veel mensen in deze tijd kiezen voor de weg van zonde en begeerte. Daardoor roepen zij Gods toorn over zich af. In Jesaja 65, vers 12 staat: 'Ik zal u voor het zwaard bestemmen en gij zult allen moeten neerknielen om geslacht te worden, omdat gij niet geantwoord hebt toen Ik riep en niet gehoord hebt toen Ik sprak maar gedaan hebt wat kwaad is in Mijn ogen en verkozen hebt wat Mij mishaagt'."

Stevige kost, maar Wessel leek niet onder de indruk.

"Tja. Iets is mij toch nog niet duidelijk, meneer eh.. Ach, laat ik me even voorstellen: Ik heet Wessel Castermans, dit is mijn broer, Mathieu."

De man heette van Gils. Ze schudden elkaar de hand, alsof ze elkaar zojuist ontmoet hadden. We lachten alle vier een beetje om de ongebruikelijke situatie. De Indische man stelde zich niet voor.

"Kijk, meneer van Gils, als die meneer Adam ervoor kiest om te eten van de verboden vrucht, dan kan dit niet plaatsvinden zonder dat God dit heeft geweten en gewild. Toch? Wat natuurlijk ook kan is dat God niet almachtig is, omdat hij de macht deelt met een slang. Hoe zit dat eigenlijk tussen die twee. Is de heer God de baas, of de slang?"

Van Gils opende nu toch maar zijn bijbel:

"God spreekt in tot de slang, Genesis 3 vers 15: 'Omdat gij dit gedaan hebt zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds. Op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten zolang gij leeft. En Ik zal vijandschap zetten tussen u en uw vrouw en tussen uw zaad en haar zaad. Dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen'."

Hij keek ernstig van Wessel naar mij:

"Hier vervloekt de Here God Satan, de heer van het kwaad en toont daarmee zijn almacht."

"Aha!"zei Wessel, "Dus God is machtiger dan Satan. Maar dat is nog niet almachtig; niet als de mens een vrije keuze heeft. Als ik God met mijn gedrag kwaad kan krijgen heb ik ook macht. Laten we zeggen dat mensen zijn als ratten. Ik weet alles van ratten, want ik studeer psychologie. Ik leer hoe je witte ratten kunt beïnvloeden. Je kunt ze leren om door een doolhof te lopen. Als ze niet doen wat je wilt dan geef je een stroomstootje of zo. Daar houden ratten niet van. Als ze wel doen wat je wilt, dan geef je ze een lekker hapje. Uiteindelijk doen ze dan precies wat je wilt. Een rat wil geen stroom, hij wil lekkere hapjes. Zo zijn ratten, zo heeft God ze gemaakt. Nu vraag ik u: heeft een witte rat een vrije keuze? Aan de andere kant, misschien denkt die rat wel: ik heb die student zo getraind dat hij mij hapjes geeft. Ik hoef maar door dit gangetje te lopen en hup, daar is wat lekkers. De rat manipuleert mij, ik manipuleer God. Het is maar net hoe je het bekijkt, ziet u."

Gils negeerde Wessels commentaar, want het leidde niet tot het punt waar het hem om te doen was. Hij sneed de bocht af en ging recht op de finish af:

"Hij heeft ons Zijn zoon Jezus Christus gestuurd, die gestorven is voor onze zonden opdat wij eeuwig leven zouden erven. De Here Jezus spreekt tot ons: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. En niemand die tot de Vader komt dan door Mij."

Het was natuurlijk een ongelijke strijd. Zij bezigden de tale Kanaäns, een jargon waar wij als katholieken niet in thuis waren. En zij kwamen voorbereid, wij waren dat niet. Wij waren thuis, maar het was een uitwedstrijd. Toch trok Wessel het initiatief naar zich toe:

"Als ik u goed begrijp, wil meneer God dat de mensen Hem gehoorzamen en Hem liefhebben. Zo niet, dan volgen er represailles. Nu denk ik dat je gehoorzaamheid kunt afdwingen, maar liefde? Kijk, ik ben geen held en als iemand mij martelt kan hij me alles laten zeggen. Bij de Gestapo zal ik mijn vader en moeder verraden en ik zal Hitler eeuwige trouw zweren. Maar oprecht van hem houden, dat zal toch niet snel lukken. En een opperwezen dat zich tot zulke methoden moet verlagen om vereerd te worden, is toch eigenlijk mijn aanbidding niet waard, vindt u dat nou ook niet, meneer van Gils? Uw God lijkt me eigenlijk een heel onsympathieke man. Als hij naast me woonde, dan ging ik mooi verhuizen."

Van Gils bleef rustig, maar de Indische man schrok. Ik schrok zelf ook. Hij trapte die mensen wel erg op hun ziel, moest dat nou? De Indische man viel uit met hoge stem:

"De schrift waarschuwt tegen godloochenaars als u! Aan het einde der tijden zullen er spotters komen, die zullen wandelen naar hun eigen Goddeloze begeerten! De dag is nabij, u zult uw lot niet ontlopen!"

Hij stond op en keek naar van Gils. Die bleef rustig zitten.

"Ik merk dat u niet waarachtig in een gesprek geïnteresseerd bent. Het is beter dat wij nu gaan. Maar ik wil u vragen om na te denken over uw houding. Ik lees u nog één tekst voor en dan gaan wij."

"Gaat uw gang, ik luister."zei Wessel hoffelijk.

"Het is uit Jakobus 1, vers 5 tot 8: 'Indien echter iemand van u in wijsheid tekort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden'."

De daaropvolgende zin las van Gils voor met veel nadruk:

"'Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende want wie twijfelt gelijkt op een golf der zee, die door de wind wordt aangedreven en opgejaagd wordt. Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Here zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen."

Daarop sloeg hij zijn bijbel dicht en stond op.

"Dat is alles wat ik u nu te zeggen heb. Wellicht ontmoeten wij elkaar andermaal. Kom Walter, we zullen bidden dat de Here hun hart verlicht."

Toen de beide Godsmannen verdwenen waren barstte Wessel in lachen uit.

"Hoorde je wat hij zei?"

Hij herhaalde van Gils' gedragen woorden:

"'Vijandschap tussen uw zaad en haar zaad!' Hoe krijgen ze het bedacht! Jezus Christus, wat een gelul! Dat zou hij toch eens aan Mar moeten vertellen, die vindt dat vast wel interessant. Vrouwen hebben recht op hun eigen zaad! Wat denk je, zal ik haar adres aan ze doorgeven?"

****

De andere wedstrijd die middag was minder gedenkwaardig. Roda werd ingemaakt met 2 tegen 0. Op de terugweg door de Linnaeusstraat vertelde ik Giel over de Jehova's. Hij had mijn broer eigenlijk altijd een tobberige sukkel gevonden, een 'Grübler' noemde hij dat. Maar nu steeg Wessel enorm in Giels achting:

"Dit is prachtig, man. Precies zoals ze het zelf doen. Poot tussen de deur en dan maar lullen. Dit is goed, dit is heel goed."

We haalden frieten en ik bleef bij Giel kijken naar Studio Sport. Om een uur of tien ging ik weer naar de Prinsengracht, waar ik nog spullen had liggen. Ik belde aan, maar Wessel deed niet open. Na nog twee keer vruchteloos bellen zonder resultaat probeerde ik het bij een buurman. Die deed de deur bijna onmiddellijk open.

"Zo, ben jij het. Zeg, kun je tegen die broer van jou zeggen dat hij die teringherrie afzet? Ik versta mijn eigen TV niet meer!"

Vanuit de gang kwam mij een galmend operagezang tegemoet.... Gott allein soll jetzt in dieser Sache noch entscheiden... Het was vaag bekend, al kon ik het niet thuisbrengen. Iets uit een of andere Germaanse sage, in gotische letters met vooral veel uitroeptekens. En het kwam inderdaad uit Wessels kamer. Ik klopte op zijn deur.

"...zum Gottesgericht! Wohlan!", antwoordde binnen een mannenkoor.

Maar Wessel zei niets. Er volgde hoorngeschal. Ik deed de deur open, voorzichtig, alsof ik een ondergelopen woning betrad. Hij lag onderuitgezakt op het bed en keek me aan zonder me te zien. Op de grond stond een bijna lege wijnfles. Vreemd: Wessel dronk zelden of nooit. Het is niet iemand die zich laat gààn. Ook geen operaliefhebber, trouwens.

"...durch Kampf auf Leben und auf Tod..."

Ik zette de platenspeler af en Wessel scheen weer tot bewustzijn te komen. Hij keek me met waterige ogen aan en sprak met dikke medeklinkers:

"Ik begrijp je helemaal niet, weet je dat. Helemaal niet. Hoe, hoe kùn je nou zo leven. Hoe kun je dat nou. Jij, je doet maar. Waarom kan ik dat nou niet. Vertel dat nou eens. Ik kàn dat niet."

Ik begreep niet waar hij het over had.

"Weet je dat ik hem heb uitgedaagd?", vroeg Wessel, "Ik heb Hem uitgedaagd. Alles of niets. Ik zei: geef me een teken. Ik wil een duidelijk teken. Vòòr acht uur, iets onmogelijks. Ik ben net gek, vind je niet. Voor één lullig wondertje had ik me bekeerd, serieus. Is dat een uitdaging of niet. Ha, ha! En ik maar wachten. Twee uur heb ik gewacht. Dat is lang, jongen, dat is lang. Twee uur met het zweet in de handen. Van Gils zou zich rotlachen. Voor maar één wondertje. Ja, ik ben nog gaan pissen. Ik heb wijn in water veranderd. Ik wel."

Ik lachte aarzelend om zijn grapje, maar hij bleef bloedserieus. Wat ging er in zijn hoofd om? Nam hij me in de maling? Had hij opeens het licht gezien? Hij zou niet de eerste zijn die opeens in de Here was. Ging het wel goed met die jongen?

"Heb je al gegeten?"vroeg ik in een poging om grip op de situatie te krijgen.

"Jij bent net moeder. Eten en drinken, dat is alles waar jullie je druk over maken. Ik begrijp jou helemaal niet. Soms begrijp ik gewoon niet hoe de mensen zijn, weet je dat. Vorige week: ik sta op de tram te wachten. Aan de overkant komt een vrouw aanlopen. Ze huilt, hartverscheurend. Ik weet niet waarom, ze was alleen. Iedereen ziet haar, we staan daar met misschien wel dertig man. Niemand zegt iets, niemand doet iets! Iedereen geneert zich. Jezus Christus, iemand huilt. Kan ze dat niet voor zich houden? Niet op letten, niet op letten, gaat zo weer over! En inderdaad, de vrouw loopt door, iedereen herademt. En wat doe ik? Ik ben net zo opgelucht als de rest. Het heeft me de hele dag beziggehouden. Wat was er met haar aan de hand? Ik ben de dag erop teruggegaan, zelfde plaats, zelfde tijd. Ik wilde haar zien, vragen wat er was. Ze was er niet. Of misschien wel, ik zou haar waarschijnlijk alleen maar herkennen als ze huilde. Ik was te laat. Ik heb niets gezegd, niets gedaan. Net als al die anderen. Wat maakt het uit of ik me druk maak. Ik doe toch niets, niemand doet iets. Er gebeurt niets en alles gaat onverstoorbaar verder."

Zijn monoloog leek hem wat te ontnuchteren. Maar een vrolijke dronk had hij niet.

"Soms denk ik, als ik de mensen om mee heen zie, dan denk ik dat ze niet echt zijn. Als je ze zou openritsen, dan is het leeg van binnen. Ze zijn deel van het decor. En dan fiets ik door de stad en ik kijk al die huizen binnen. Er brandt licht, de gordijnen zijn open en overal gebeurt exact hetzelfde. In elke huiskamer, dezelfde TV op dezelfde plaats. Ze kijken naar hetzelfde programma, ze zitten tegelijk aan tafel, ze gaan tegelijk naar bed. Ik krijg het daar zo benauwd van, je hebt geen idee. Er moet iets veranderen, ik moet iets veranderen. Maar ik weet niet wat. En ondertussen tikt de tijd maar door, en ik moet iets met dat leven van me. Ik voel me opgejaagd, alsof er iets ergs gaat gebeuren. Ik voel me de hele tijd alsof ik in de wachtkamer van de tandarts zit. Ik wacht af wat er komt en weet niet wat het is. Begrijp je me? Nee, hè?"

Ik begreep het inderdaad niet. Wat ik zag en wat ik hoorde was niet te rijmen met mijn grote broer, die ik nog altijd voor onkwetsbaar hield. Hadden de Jehova's iets in hem losgemaakt? Wat dan? Of liep er al eerder een barst door het beeld? Waarom had ik dat niet eerder gezien? Had ik dat niet willen zien? Wat had ik hier zelf voor een rol in gehad?

06 Ter beschikking van de wetenschap

Ik ging bij Wessel langs en hij had damesbezoek. Mar had haar nichtje van zeven te logeren en dat was nog nooit naar Madurodam geweest. Wij waren ook nog nooit in Madurodam geweest en we waren er ook niet nieuwsgierig naar. Wessel vond het te klein.

"Ik heb gisteren voorgelezen uit Pinkeltje", zei hij, "Dat is hetzelfde. Alleen al die namen: Zwartvoetje, Snuffelsnuitje, Wiebelstaartje. Vreselijk: maar als het moet, dan gaan we. Laten we dan ook naar het strandje gaan. Met het trammetje zijn we er zo."

"Het zal wel niet intellectueel genoeg zijn voor jou, maar het is leuheuk", vond Mar, "Je bent er nooit geweest, dus weet je niet wat je mist. Madurodam hoort gewoon bij je opvoeding. Jullie gaan gewoon mee, allebei."

Geen discussie mogelijk, we gingen. Ella vond de trein machtig mooi. Ze rende door de wagons en drukte haar neus plat tegen de ruit. Het nieuwe station in Den Haag was druk en onoverzichtelijk. Wessel bedacht dat we haar het beste op de schouders konden nemen, om de beurt. Dat vond ze fantastisch.

Voor Mar was het jeugdsentiment. Het park was veel kleiner dan ze zich herinneren kon, maar ze bleef bij ieder gebouwtje hangen. Ik had het eigenlijk snel gezien. Paleis Soestdijk, een melkfabriek die ik niet kende en een Amsterdamse grachtengordel die niet leek. Ik heb ook niks met modelspoorbanen. Maar Wessel vond het een stuk leuker dan hij zelf gedacht had.

"Kijk eens hier, Ella: dit is Schiphol. Zie je de vliegtuigjes? Leuk hè. En kijk daar, dat is de Sint Jan. Dat is een hele oude kerk. Vind je het niet mooi?"

Bij veel attracties kon je een dubbeltje in een gleuf werpen en dan bewoog er iets. Wessel wisselde voortdurend dubbeltjes. Het brandweerbootje begon te blussen en het gouden koetsje begon te rijden. Ella genoot, en Wessel ook.

"Soms is het zelf net een kind, vind je niet?", zei Mar vertederd.

Daarna bracht de tram ons naar Scheveningen. We renden hand in hand op blote voeten voor de golven uit. Kwam er een hele hoge, dan grepen we Ella onder haar schouders en tilden haar de lucht in. Tot haar schik en tot onze schrik werden we drijfnat. We ploften in het zand neer om op te drogen in de namiddagzon. Ella had daar het geduld niet voor. Ze sprong op mijn rug en eiste dat ik met haar een zandkasteel zou maken. Ik toog aan het werk. Mar leunde achterover met haar armen in het zand, keek naar de meeuwen en zuchtte voldaan. Haar rechterborst zakte als een enorme klodder uit het bovenstuk van haar tuinbroek. Het deed me niets. Niet meer mijn verwarring bij onze eerste ontmoeting, niet meer de opwinding van de nacht die we gedeeld hadden. Ze was verplaatst naar een erotisch neutrale categorie. Wessel legde zijn hoofd in haar schoot en sloot behaagziek zijn ogen. Ik voelde me ook niet langer schuldig. Twee maanden was lang genoeg geweest, het was vergeven en voorbij.

"Wat wil jij later worden als je groot bent?", vroeg ik aan Ella.

"Ik weet het niet. Ik denk....mama."

"Waarom?", vroeg Mar gealarmeerd.

"Nou, gewoon."

Kinderen hebben altijd een mening. Zaken waar ze het niet mee eens zijn, die zijn 'stom'. En de rest spreekt voor zich. 'Waarom? ' is een stomme vraag. Mar wees haar terecht.

"Dat is niet gewoon, Ella. Je hoeft geen mama te worden omdat je moeder dat ook is. Vrouwen kunnen alles worden. Je mag ook piloot worden of politieagent of de baas van het land. Mama werkt toch ook in het ziekenhuis?"

"Het ziekenhuis is stom. Ik wil mama worden."

"Maar dan kies je wat anders. Misschien word jij later wel professor of een directeur. Of nee, je gaat werken als filmster. Dat is hartstikke leuk, en dan word je beroemd en rijk."

"Werken is stom", volhardde Ella.

"Geef het nou maar op", zei Wessel, "Ze wil mama worden. Dan kan ze zelf bepalen wanneer ze naar bed moet. Dat is emancipatie. Een meisje wil kinderen, dat zit in haar genen, kan ze niks aan doen."

"Ach, donder op", zei Mar en duwde hem van haar schoot af.

"En jongens willen ze wel maken", zei hij en dook bovenop haar.

"Smeerlap", giechelde ze, wurmde zich los en plofte rennend door het rulle zand.

Wessel zette met wapperende haren de achtervolging in.

"Jongens zijn stom", zei Ella.

Maar dat hoorde tante Mar al niet meer.

***

Wessel en Mar wandelden graag, net als een stel oude mensen. Maar volgens hen was het meer een studie naar het dagelijkse leven in Amsterdam. Ze verzamelden data in straten en buurten en het veldwerk werd systematisch uitgevoerd. Het idee was dat je consequent een willekeurig spoor volgde, waarmee je toevallige gebeurtenissen als het ware uitnodigde om plaats te hebben. Ik zag onmiskenbaar de hand van Wessel; het ontbrak er nog aan dat ze op de hoek van elke straat kruis of munt gooiden. Ze slenterden te voet van het eindpunt van lijn 1 terug de stad in, van halte tot halte. En daarna volgden lijn 2, lijn 3; langs tochtige wijken met galerijflats, opgebroken wegen, langs vuilnisbelten en rommelige woonwagenkampjes. Mar was vooral enthousiast over de rafelranden. Die ene overgebleven boerderij tussen de flats, het huis met de overwoekerde tuin, de woonboot met de drijvende kunstwerken. Ze kwamen bij kerkhoven en kerken, ze raakten aan de praat in buurtcafés en schuimden markten af.

"Natuurlijk gebeurt er ook vaak niets", zei ze, "Maar als er iets op je weg komt, dan moet je er ook op ingaan. Je moet de gebeurtenissen een handje helpen. Dus als we lopen langs een ziekenhuis, dan gaan we kijken hoe het is om daar te liggen. Een school met een open dag, daar gaan we naar binnen. En ik had zelfs bijna een hondje meegenomen uit het asiel. Maar Wessel moet niks hebben van honden."

En zo waren ze ook op die veiling terecht gekomen. Mar was meteen verkocht toen ze de spiegel zag. Hij was als een kamerdeur zo groot en drie keer zo dik. Het glas zelf viel nog wel mee, maar de lijst was enorm: een goudgeverfde lijst met overdadig houtsnijwerk.

"Louis Quinze", wist Wessel, want Wessel weet die dingen, "Het zal wel nep zijn, maar hij is prachtig."

Ze kregen hem voor 80 gulden. Hij moest wel binnen een week worden opgehaald, anders brachten ze opslagkosten in rekening.

Mar regelde een busje op de dag dat Wessel naar de tandarts moest. Ik ging in zijn plaats mee om te helpen sjouwen. De veilinghal zelf was een belevenis. Er waren zalen met eikenhouten bureaus, met kroonluchters en staande klokken; met piano's en borstbeelden van componisten. En ook tapinstallaties en bakwanden. Of containers met gevonden voorwerpen, van Schiphol. Ik had wel op zoek gewild naar een kastje of een leunstoel voor mijn kale studentenkamertje, maar daarvoor hadden we teveel haast. Het was al half drie en het busje moest voor zessen terug. We schoven Louis voorzichtig achterin. Mar had hem graag op haar zolder gehad. Een eenvoudige rekensom leerde echter dat hij noch door het trapgat, noch door haar zolderraam kon. De spiegel zou voorlopig bij Wessel moeten hangen.

We parkeerden het busje midden op de Westermarkt en haalden onze aanwinst voorzichtig naar buiten. Vanaf het Anne Frankhuis om de hoek stond een rij wachtenden. Ze sloegen ons nieuwsgierig gade. Ik ging naar boven om het touw-en-blok aan de hijsbalk te hangen, terwijl Mar beneden bij de spiegel bleef. Ze leunde tegen de laadklep en zag er ongenaakbaar uit. Sinds een paar weken had zij het haar zwart geverfd. Haar gezicht kreeg een harde uitdrukking en haar nieuwe leren jack maakte het schouwspel compleet. Ik keek omlaag en zag wat de toeristen zagen. Een scène uit een neorealistische Italiaanse film. Camera's flitsten. En dat bleven ze doen toen we Louis omhoog takelden. Dat leverde ongetwijfeld nog meer mooie plaatjes op: de weerspiegeling van Oudhollandse gevels, gevat in een vergulde lijst, tegen een blauwe lucht. En dan daarachter ook nog eens de Westertoren. Mar liet hem op verzoek nog even bungelen. Toen ik het gevaarte naar binnenloodste kwam me een doordringende lucht tegemoet. We zetten hem zolang aan het voeteind van het bed. Wessels kamer leek meteen twee keer zo groot. We besloten tot een pauze. We hadden nog wel wat tijd en wie weet was Wessel zo klaar bij de tandarts.

De spiegel bood een volledig overzicht over het bed. Alsof iemand van bovenaf neerzag op ons aardse zwoegen. Mar plofte naast me neer en reikte naar haar koffie.

"Ik heb je zus gezien, Maria", zei ze, "Leuke vrouw. Ze lijkt geen spat op jullie."

"Klopt", zei ik, "Een echte Huijbers, zeggen wij thuis. Klein van stuk, net als ons moeder. Wessel en ik zijn Castermansen, die zijn lang. Waar zag je haar?"

"Ze kwam bij Wessel langs. Haar vriendje moest in Amsterdam zijn en ze kon meerijden."

"Heeft ze een vriendje?", deed ik verbaasd.

Maar voor wie eigenlijk? Ik had allang mijn vermoedens over Maria en Wiel van de buren. Maar dat viel onder het geheim van Castermans, daar praatte je niet over. Niet iedereen hoeft alles te weten. In een groot gezin ben je toch allemaal een beetje elkaars rivaal en een geheim blijft niet lang een geheim. Vaak is het beter om te doen alsof je niks weet.

"Leuke gozer. Niet echt mijn type, maar dat hoeft ook niet."

Ik stak een sigaret op. Mar wilde niet, roken deed ze voor de verandering met mate.

"Zeg Mar", zei ik, "Vind jij niet dat die spiegel stinkt?"

Ze kwam overeind met het kopje in haar hand en snuffelde langs de lijst.

"Nou je het zegt. Alsof er iemand tegenaan heeft staan kotsen. Ik zal hem eens schoonmaken."

Ze dronk haar koffie leeg en liep naar de keuken om een sopje te maken. Zo gauw ik mijn koffiebeker neerzette voelde ik Louis' aanwezigheid weer. Hij gaf me de kriebels. Het waren mijn eigen ogen maar ik voelde me toch de hele tijd bekeken. Ik stond op en ging ergens anders zitten. Aan Wessels bureau was ik buiten bereik van zijne majesteit, verscholen achter de stapels platen, boeken, schrijfblokken en één schoolschrift. Dat schoolschrift had een opvallende witte kaft met rode, blauwe en oranje verkeersborden: 'Verboden in te rijden', '50 kilometer', 'Einde Voorrangsweg'. Ik trok het van de stapel. Een blauwe elpeehoes gleed van de stapel op de grond. Die liet ik liggen en sloeg het schrift open. Op de linkerbladzijde stond in Wessels kriebelige handschrift: 'Leviticus 20- Doodstraf: kinderoffers aan de Moloch, waarzeggerij, spiritisme, vervloeken van ouders, incest in allerlei combinaties, seks bij ongesteldheid, homofilie, seks met dieren. Steniging of verbranden. Leviticus 21- Afleggen doden (onrein) alleen door familie. '

Op de rechterbladzijde stond: '4) Numeri. Woestijntocht 40 jaar. Reis van berg Sinai naar Moab. Het volk jammert omdat ze liever in Egypte waren gebleven. Tekort aan vlees. '

En tot daar was hij gekomen.

Mar kwam binnen met een plastic teiltje sop, dat ze bij Wessels bed neerzette. Voordat ze begon te boenen en raapte de elpee op, die op de grond lag.

"Hier", zei ze en overhandigde me de blauwe hoes.

Het was een elpee van Al Stewart.

"Moet je voor de aardigheid eens luisteren: het laatste nummer van kant twee. Dat gaat over een helderziende uit de middeleeuwen. Lees de hoes maar, ga ik even poetsen."

Ik deed wat me verteld werd en zette de plaat op. De hoes vertelde over Nostradamus, een Franse dokter die eeuwen geleden van alles zou hebben voorspeld: Napoleon, Hitler, Franco. En dat was nog niet alles. Binnenkort, aan het eind van de jaren '70, kregen we een nieuwe wereldoorlog. Een 'antichrist' zou opstaan in het oosten en het zou een lange bloederige strijd worden. Maar daarna kregen we een paradijselijke vrede. Die oorlog zou losbreken na de dood van een paus genaamd Paulus, net buiten de poorten van Rome. Een muur die een stad in tweeën deelde zou worden afgebroken. En nog waren er nog meer voorspellingen. Zo onheilspellend als de hoestekst was, zo lieflijk klonk het liedje.

"Waanzinnig, toch?", zei Mar toen de naald op het einde van de groef draaide.

"Denk je eens in, die vent leefde in vijftienhonderd nog wat!"

"Is die plaat van Wessel?"

Mar had hem zelf gekocht op een tweedehands markt, alleen maar vanwege die hoestekst.

Op dat moment kwam Wessel binnen. Zijn rechterwang zag dik. De tandarts had flink huisgehouden in zijn ondergebit. Hij bewonderde de spiegel met een dikke tong en een uitgezakte mondhoek. Koffie wilde hij niet, want hij was bang dat het er zo weer uit zo lopen. De verdoving bemoeilijkte het gesprek, maar Wessel liet zich daardoor niet van een discussie weerhouden. Hij ging zitten in de stoel en tikte met zijn vingers op de elpeehoes op het tafeltje voor hem.

"En, Mathieu, wat denk jij? Gaan we naar de ratsmodee? Breekt de Apocalyps aan?"

Het klonk als 'abogalibz'.

"Mar denkt van wel."

"Dat zeg ik helemaal niet, dat maak jij ervan", antwoordde Mar vinnig.

"Dat iemand eeuwen geleden de toekomst voorspelde. En die voorspellingen zijn uitgekomen, dat is te controleren. Hoe moet je dat nou verklaren? Dat kun je niet en dat intrigeert mij dan. Als jij iets niet verklaren kan, dan negeer je het gewoon. Nou, ik niet."

Ik ging niet in op de woordenwisseling. Die waren er de laatste paar weken net even te vaak, wat mij betreft. Ze waren altijd al fanatiek in gesprek, maar ik wist onderhand niet meer waar de geestdrift eindigde en het venijn begon.

"Moet je horen", onderbrak ik."Ik weet alleen wat ik hier lees. En dat hebben ze ook weer van iemand die een vertaling heeft geïnterpreteerd. Waarschijnlijk is het allemaal niet zo verschrikkelijk duidelijk. Als oud-Frans net zo gemakkelijk leest als oud-Engels, dan kun je er alles van maken. Maar laten we aannemen dat hij ook maar de helft goed voorspeld heeft, dan krijg ik er wel een raar gevoel bij. Hij kondigt wel de derde wereldoorlog aan. Dat wordt geen picknick."

Wessel was niet onder de indruk.

"Dus we gaan naar de ratsmodee. Maar daar heb je toch geen middeleeuws koffiedik voor nodig. Er zijn genoeg moderne profeten, die je met moderne grafieken in de hand kunnen voorrekenen dat het fout gaat met de wereld."

"Jij! Jij hebt geen gevoel voor mysterie."

Mar stak nu toch ook maar een sigaret op.

"Niet zoals jij, nee. Jij laat je nog inpakken door een waarzegster van de kermis", zei Wessel.

Ik ging even naar de wc. Toen ik terugkwam zat Wessel op het bed. Hij had toch een slok koffie geprobeerd, en Mar was bezig om de vlekken uit zijn bloes te boenen. Het werd er alleen maar erger op.

"Vinden jullie dat dan niet griezelig, die voorspellingen?", vroeg ik.

Wessel vond dat in elk geval wel:

"Maar niet omdat het onverklaarbaar is. Niet vanwege mysterieuze dingen. En ook niet omdat ze de ondergang van de wereld voorspellen. Dat doen profeten altijd. Het oude testament staat er vol van", lodderde hij uit zijn verlamde mondhoek.

"Waar ik moeite mee heb, is dat het allemaal al heeft plaatsgevonden. Hoe moet je je die helderziendheid dan voorstellen? Je hebt een punt in de toekomst, buiten de tijd. Van daaruit kun je terugkijken naar wat er al gebeurd is. Wij zijn dan al voorbij. We doen er niet meer toe, ons leven ligt vast. Dat is toch gruwelijk. Als iemand vierhonderd jaar geleden kon voorspellen wat jij morgen gaat doen. Mathieu, dan ben je dood. Dan was je er al niet meer toen je geboren werd. Zoiets als een uitgedoofde ster waar wij het licht nog van zien. Kijk, een vreselijke oorlog komt er vroeg of laat toch wel. Dat is altijd zo gegaan. Maar de zinloosheid ervan! Dat wij het moeten ondergaan terwijl het allang voorbij is. Wij zijn levende lijken. Zombies."

Daar moest ik over nadenken.

"Als ik het goed begrijp heb jij vooral moeite met de voorspelbaarheid op zichzelf, en niet met de voorspelling zelf? En als hij nou had gezegd dat de hele wereld in vrede en geluk zal leven, heb je er dan nog moeite mee?"

"Precies zoveel. Waar ik nerveus van word, is dat ik er niet meer toe doe."

Hij keek me aan met een blik waar ik van schrok. Hij was bloedserieus. Mar zei niets.

"Waarom zou je er wèl toe moeten doen? Je lijdt toch niet aan grootheidswanen?"

Dat laatste flapte ik eruit en ik had er meteen spijt van. Hij zag er zo gehavend uit, in zijn goudomrande spiegelbeeld.

"Juist niet", zei Wessel, "Als ik daaraan leed, dan had ik er geen probleem mee. Dan dacht ik dat de zon ondergaat omdat ik dat wil. Maar als mijn leven vastligt, dan verliest alles zijn betekenis. Alles wordt onecht. Ik ben een passieve toeschouwer, iemand die niet meedoet. Just going through the motions. Als jij naar een voetbalwedstrijd kijkt, terwijl je de uitslag al weet. Ben je er dan nog voor de volle 100% bij?"

***

We moesten het busje terugbrengen. Onderweg galmden de flarden van de discussie nog na in mijn hoofd. Het was geen discussie. Het was meer een inkijkje in zijn denkwereld. Die jongen zat ergens mee. Eerst die avond dat hij dronken was en nou dit weer. En dan wilde hij ook nog stoppen met zijn studie.

"Zeg Mar", vroeg ik, "Jij had je statistiek toch wel gehaald? Wessel lukt het niet."

"Wessel maakt het zichzelf gewoon te moeilijk. Kijk, waar hij elke keer voor zakt, dat is Psychometrika. Daarvoor bestaat een pool van vragen waar ze die tentamens uit samenstellen. Dat zijn er 384 en die zijn bekend. Die leer je gewoon uit je hoofd en dan haal je het ook. Maar Wessel wil het allemaal snappen en toch gaat het hem boven zijn pet. Nou zit er een jongen in zijn jaar, die is briljant met die dingen. Vraag dan of Jos het uitlegt, zeg ik. En verdomd, dat gaat hij nou doen. Maar ik heb daarom moeten zeuren, man. Niet normaal meer! Voor Wessel iets aan een ander vraagt!"

We remden voor een stoplicht. De slagbomen gingen dicht. Voor ons ging sperde een brug tergend langzaam zijn muil open. Ik boog voorover om te zien wat er langs wilde varen, maar kon niets ontdekken. Mar zette de motor af en keek op haar horloge. We hadden nog een half uur. Als we te laat waren, moesten we de huur voor de volgende dag ook betalen. Er was nog geen boot te zien, geen idee hoe lang het duren kon. Ik keek om me heen. Konden we geen zijstraat pakken en omrijden? Op de hoek van de straat rechts van me stond een rond rood bord met een witte streep. Opeens schoot Wessels schoolschrift me weer te binnen.

"Ah, Het Heilige Schrift", zei Mar, "Ja, zo noemt hij dat. Een nieuwe hobby van hem. Volgende keer dat de Jehova's komen wil hij ze bestrijden met eigen middelen. Hij werkt aan een samenvatting van de bijbel en allerlei dingen die wel of niet mogen van God. Ik zie er de lol niet van in, maar ik ben er dan ook niet mee opgegroeid. Was dat voor jou nou belangrijk, dat geloof?"

Een logische vraag, maar ik wist er geen duidelijk antwoord op. Ik vertelde dat we misdienaars waren geweest, en dat de pastoor wekelijks over de vloer kwam. Maar was het geloof belangrijk?

"In Gerhardsrade is iedereen katholiek. Daar heb je het nooit over. Je gaat naar de kerk en je gaat naar school. Je ademt in en je ademt uit, maar denk jij ooit na over zuurstof? Is het mooi of lelijk? Goed of fout? Het is er, meer niet. De bijbel lezen, dat deed niemand. Misschien is Wessel nieuwsgierig geworden. Ik denk dat hij iets wil inhalen."

Opeens ging de brug weer dicht, zonder dat er iets gepasseerd was. We hadden voor niks gewacht. Mar keek nog eens hoe laat het was, ze vloekte en startte de motor.

***

Ik koos Amerikanistiek omdat ik nu eenmaal iets wilde gaan studeren en Engels was mijn beste vak op school. Ik hield niet van Engeland. Ik hield van Amerika. Dat was het droomland uit mijn kindertijd, het rijk van de wolkenkrabbers en de miljonairs. Ze hadden onze ouders bevrijd en ze brachten ons rock 'n roll en kauwgum. Natuurlijk ook rassenrellen en Vietnam. Maar dan ook weer de hippies en de studentenprotesten. Zelfs ons anti-Amerikanisme kwam uit Amerika. Als ik mijn ogen sloot zag ik mezelf achter het stuur van een Corvette, de armen losjes aan het stuur. Ik reed de ondergaande zon tegemoet, ergens tussen Arizona en Nevada. Links en rechts van de highway de woestijn, die dan naar bloeiende cactussen zou ruiken. Giel deelde mijn droom. We fantaseerden samen over de Grand Canyon, de stranden van California, de smeltkroes van New York. Daar lag onze toekomst en mijn studie zou daar op een of andere manier aan bijdragen.

Dat hield ik mezelf voor in het grauwe voorjaar, dat een aaneenschakeling bracht van tentamens: Grammatica, Fonetiek en Engelse literatuurgeschiedenis. Tot dan toe had ik niet veel uitgevoerd, nu zat ik iedere dag van 9 tot 5 en van 8 tot 11 achter mijn bureau in Amsterdam Noord. Alleen op dinsdagochtend ging ik de deur uit, één keer in de week voor het practicum spreekvaardigheid. Voor de rest kwam ik niet eens aan de andere IJ-oever. Op een dag was het windstil en scheen af en toe de zon. Dat was teveel voor mijn zware zelfdiscipline, ik besloot niet rechtstreeks terug te gaan en Giel met een bezoek te vereren. Aan de Dapperstraat was niemand thuis, dus fietste ik verder in de richting van de Schellingwouderbrug. Ik wilde nog altijd niet naar huis dus ik boog af naar het Flevopark, fietste verder tot bij de Israëlische begraafplaats. Daar slenterde ik tussen de graven, bekeek de opschriften in het Nederlandse en het Hebreeuws en verbaasde me over de joodse jaartelling. Daarna pakte ik mijn college aantekeningen en ging zitten op een bankje in een hoek van het kerkhof. Maar ik las niet. Een oude vrouw schoffelde bij een graf verderop aan het pad. Ze nam een bosje verlepte bloemen naar een hoek schuin tegenover mij die met betonnen platen was afgescheiden. De vrouw leek me niet te zien. Ze liep voorzichtig terug met kleine stappen en ging zitten op een klapstoeltje naast het graf. Ze hijgde van inspanning. Toen ze weer op adem was gekomen plaatste ze haar handen op haar knieën, sloot haar ogen en hief haar hoofd naar die ene streep zon die door de wolken glipte. Ze was het verdriet allang voorbij, het rouwen was haar een tweede natuur geworden. Het was een oude vrouw, maar ergens in haar verweerde trekken school het gezicht van een meisje. Toen deed ze haar ogen open, keek me aan en lachte me toe. Daarna stond ze heel langzaam op en liep langzaam weg, voetje voor voetje. Ik keek haar na en voelde een golf van ontroering. En het soort troost, dat verborgen ligt in gewone dagen, als de zon niet schijnt en er niets gebeurt wat het herinneren waard is. Dagen dat de tijd stil staat. Het kan 1920 zijn of 1850, het maakt niet uit. Jonge meisjes zullen altijd veranderen in oude vrouwen en die zullen altijd zorgen voor hun doden. Ik voelde me geborgen en rustig. Daarna begon het zachtjes te druppelen en het deerde me niet dat ik drijfnat werd.

***

Drijfnat reed ik terug naar de Prinsengracht. Wessel was thuis, maar hij had bezoek. Het was Jos, de briljante jaargenoot, die hem de fijne kneepjes van de statistiek bijbracht. Een jongen met een brilletje met dikke ronde glazen en konijnentanden. Terwijl ik mijn haar droogde stelde hij zich voor. Hij sprak met een opvallende zinsmelodie, daar let je op na een ochtend practicum spreekvaardigheid. Zijn ietwat hoge stem begon bij iedere zin op een gemiddelde toonhoogte, ging dan omhoog als bij een vraag, maar zakte dan weer naar de toonhoogte van een conclusie. Alsof hij verbaasd was, het ineens doorkreeg en aan het einde van de zin al nergens meer van stond te kijken. Hè? Aha... Zo!

Ik ging erbij zitten en luisterde. Ondertussen keek ik in het rond. Wessel had de spiegel bij zijn voeteneinde weggehaald en aan de muur naast het raam gehangen. Kennelijk kreeg hij ook genoeg van de blikken van Louis de vijftiende. Het gesprek ging over de mogelijkheid van een waardevrije wetenschap. Daar hadden we het nooit over bij de Letteren, wij onderzochten dan ook niet zoveel. Het hield de gedragswetenschappers wel bezig.

Jos wendde zich tot mij en keek me vriendelijk aanmoedigend aan.

"Het psychologische subject", vroeg hij terwijl hij conclusies trok, "is een sociaal subject. Dat kun je niet onderzoeken in een Ceteris Paribus conditie. Onderzoek je een individu, dan onderzoek je ook zijn maatschappelijke context. Je kunt een vis toch ook niet bestuderen buiten het water?"

Maar ik wist niet helemaal waar hij het over had.

"Sorry. Ceteris Paribus?"

"Ceteris Paribus: al het overige blijft gelijk", zei Wessel, "Ja, hoe leg ik dat nou uit. Ratten. Je leert een rat om door een poortje te lopen. Wat werkt beter, straffen of belonen? Dan neem je twee ratten, de ene straf je als hij niet doet wat je wilt. De ander beloon je als hij dat wel doet. Dat herhaal je een paar keer,. Als belonen elke keer beter werkt, dan zegt dat iets. Maar dan moet wel al het overige gelijk zijn. Dat is Ceteris Paribus. Als nou bijvoorbeeld blijkt dat de groep ratten met beloning uit alleen maar vrouwtjes bestaat en de andere groep gemengd is, dan ligt het verschil misschien wel daaraan. Pas als al het overige gelijk is, zie je de invloed van het ding dat je onderzoeken wil."

Ik begreep het.

"Wat Jos bedoelt, is dat laboratoriumexperimenten zo weinig zeggen over hoe de mensen in werkelijkheid reageren. Het is zo kunstmatig. Mensen doen dan niet wat ze normaal zouden doen, ze zijn minder op hun gemak. Ze voelen zich bekeken en ze weten niet waar precies op gelet wordt. En door dat ceteris paribus leg je het vergrootglas op één factor. Al het andere wordt stilgelegd. Misschien is dat ene ding in werkelijkheid helemaal niet zo belangrijk. Misschien is het heel anders als je die ene factor bekijkt in combinatie met andere factoren. Misschien gaat het maar om een heel kortstondige invloed. In elk geval is de dagelijkse werkelijkheid veel ingewikkelder dan een experiment. Toch verbinden ze er vergaande conclusies aan."

"En dat experiment met de schokken dan, dat gehoorzaamheidsexperiment? Dat is ook nogal een gekunstelde situatie, niet?"

Dat vond Jos ook.

"Milgram is precies wat er mis is met de Amerikaanse sociale psychologie. Ze halen het individu uit zijn maatschappelijke context, isoleren hem in een laboratorium en dan zeggen ze dat waardevrije wetenschap bedrijven. Terwijl het nu juist de maatschappelijke context is die maakt dat iemand handelt zoals hij doet. Maar daar kijken ze niet naar. Ze onderzoeken eerste jaarsstudenten uit de blanke middenklasse en doen dan verregaande uitspraken die ook moeten gelden voor zwarte arbeiders in het ghetto."

Wessel nam het op voor Milgram.

"Hij heeft ook heel andere dingen gedaan. Het is echt een heel creatieve onderzoeker. Leuke theorieën. Wist je bijvoorbeeld dat hij heeft uitgerekend dat alle aardbewoners in een paar stappen met elkaar in contact staan? Jij kent bijvoorbeeld pastoor Raaijmakers. Die kent bisschop Gijsen. Die is weer bekend bij de Paus, bijvoorbeeld. Dan gaan we van de Paus naar..... noem eens iemand, Jimmy Carter of zo. Hoe ver waren we... dat is vier stappen."

"Jullie zijn in vier stappen bij de koningin", zei Jos trots."Want je kent mij. Dat is één stap. Tweede stap: mijn oom. Die zit in de tweede kamer en die kent dus het kabinet. En die staan bij Juliana op het bordes. In drie stappen zelfs."

Jos glom bijna van plaatsvervangende trots.

"Maar dat is een uitzondering", zei ik, "Normaal gesproken wordt de koningin juist afgeschermd. Die leeft in een afgesloten wereld."

"Welnee", vond Wessel, "Haar enige taak is om zoveel mogelijk belangrijke handjes te schudden. De koningin moet je met een schakeltje minder kunnen bereiken. Die heeft juist veel wisselende contacten. Het is een beetje straathond, eigenlijk. Onze koningin."

****

Mar gaf een feestje en ze nodigde mij ook uit. Veel zin had ik er niet in, maar Wessel vroeg of ik toch mee ging, anders zat hij als enige man tussen het vrouwvolk. Ik stemde in, maar zei wel dat ik niet lang zou blijven. De kamer zat inderdaad vol met meiden. De muziek kwam van Carly Simon, Joni Mitchell, Aretha Franklin en de Pointer Sisters. De gesprekken gingen over therapie, over mannen en over mode. Geen onderwerp waar ik iets over te melden had en geen bezoekster waar ik veel moeite voor wilde doen.

"Zo, een haantje in het kippenhok?", zei een vrouw van in de dertig, "Dat zien we graag, een beetje variatie".

Het was iemand die wilde moederen en ik lag kennelijk voor de hand. Ze zag er veel te oud uit voor haar leeftijd en haar kledij fladderende om haar heen. Ze had theorieën.

"Daar ben ik een raar mens in hoor, ik zeg het maar gewoon zoals het is. Ik ben nu met een Surinamer. Een heerlijke man, hij is er helemaal voor me. Als hij er is, want vertrouwen kun je ze niet. Kijk, het leven, zeg ik altijd maar, het leven draait voor een kerel altijd om hetzelfde. Mijn vader was precies zo. Als hij zijn geld kreeg bracht het hij naar de kroeg. En als hij dan thuiskwam kreeg mijn moeder een beurt. Daar kreeg je nou die grote gezinnen van. Maar ach, jochie, wat weet jij daar nou van, huh?"

En ze kneep dan in mijn wang! Ik wist niet hoe snel ik weg moest komen.

Opeens liep er een wolk van een meid binnen. Ik had haar wel eens eerder gezien op het psychologisch lab, als ik Wessel ophaalde. Daar wilde ik wel moeite voor doen. Ik raakte met haar in gesprek. Ze zat bij Wessel in het jaar en ze wilde klinisch psycholoog worden.

"En hoe kom jij hier terecht. Jij doet geen psychologie, is het wel?", vroeg ze.

Ik vertelde over Wessel en dat ik Amerikanistiek studeerde. Maar dat interesseerde haar niet.

"Wat is je sterrenbeeld?", wilde ze weten, "Laat me raden. Stier?"

"Kreeft geloof ik, en jij?"

"Een kreeft, hm. Dat zou ik niet direct hebben gezegd. Je lijkt me meer een aardeteken. Meer het huiselijke type, een genieter."

Ze vond me te dik, bedoelde ze natuurlijk.

"Kreeften zijn water. Emotionele mensen. Toewijding, dat woord hoort dan bij jou. Jij bent iemand die altijd voor anderen wil zorgen. Een meelevende persoon, je gelooft echt in andere mensen. Klopt?"

"Goh", zei ik gevleid, "Hoe weet je dat allemaal. En wat ben jij dan?"

Ze was een echte weegschaal.

"Ik kan echt honderd keer alles overwegen, weet je. Een echte twijfelkont. Maar kan ik iemand anders juist weer erg goed raad geven. Onpartijdig. Het klopt allemaal."

Ze lachte me toe met vuurrode lippen. Ik vroeg me af of de sterren me een kans gaven bij een weegschaal. Zou ze zich willen vlijen tussen mijn zorgzame scharen?

"Maar wel ik ben wel afstandelijk natuurlijk. Weegschalen geven zich niet gauw. Dus heel anders dan een kreeft. Wij zijn geen allemansvrienden zoals jullie. Weet je wat wij wel hebben? Gevoel voor schoonheid. Schilderkunst, dans, mooie muziek. Ik ben gek op kunst."

Wessel had ons aangehoord. Hij stond arm in arm met Mar.

"Astrologie", zei hij ongevraagd, "Ik geloof er niet in, hoor. Ze hebben daar ook onderzoek naar gedaan, hè. Trokken ze van alle proefpersonen zogenaamd de horoscoop, en daarna kregen ze allemaal dezelfde persoonbeschrijving. En iedereen vond dat het helemaal klopte, welk sterrenbeeld ze ook hadden."

"Dat ken ik", zei mijn weegschaal, "Maar zo'n zelfde onderzoek ken ik ook over persoonlijkheidstesten, met hetzelfde resultaat. Je wil toch niet zeggen dat persoonlijkheidstesten daarom allemaal onzin zijn?"

"Maar neem nou mijn moeder", wierp Wessel tegen, "Dat is een boogschutter. Die zou dus avontuurlijk en artistiek en reislustig moeten zijn. Maar ze zit het liefste thuis en ze houdt niet van verandering."

"Misschien ligt dat aan haar ascendant", hield ze vol.

"Dat bedoel ik nou. Als je een tegenargument noemt, dan zou je moeten zeggen: nou, dan gaat het in dit geval niet op. Maar dat doen jullie niet. Een astroloog haalt er gewoon nieuwe factoren bij, die eerst niet belangrijk waren. Als je het met de ascendant niet redt, dan kom je met de maan die in het tweede huis staat. Of weet ik wat voor onzin. Daar hoor je anders nooit iemand over. Astrologie is aantoonbare larie."

"Nou, het is volgens mij vaak genoeg wetenschappelijk onderzocht", zei mijn weegschaal met bewonderenswaardige koppigheid.

Haar bleke wangen hadden een kleur gekregen.

"Als astrologen wetenschappelijk te werk gingen", antwoordde Wessel, "dan probeerden ze niet om hun gelijk aan te tonen. Dan stelden ze hun eigen systeem ter discussie, dan wezen op de zwakke plekken. Wat de astrologen doen is precies andersom. De leer staat voorop en daar zoek je argumenten bij. Het is geloof, geen wetenschap."

"Je hebt wel een erg beperkte opvatting van wetenschap."

Ze zag er aanbiddelijk uit in het vuur van de discussie. Ik had haar alleen al daarom gelijk gegeven. Wessel niet.

"Wetenschap gaat nu eenmaal over controleerbare uitspraken die open staan voor discussie. Astrologen discussiëren niet. Het is een leer voor ingewijden. Je moet open staan voor de openbaring en geen vragen stellen. Dat is een geloof."

"Maar Wessel", zei Mar, "Je hebt nou eenmaal verschillende manieren van weten. Je leert dingen door te observeren en te meten. Je leert ook door te ervaren, door het te voelen. Dat zou je eens moeten doen. Jij zou eens meer naar je gevoel moeten luisteren. Maar dat doe je natuurlijk niet. Daar ben jij te eigenwijs voor."

Wessel was echt verbaasd dat Mar hem afviel. Ze haakte haar armen uit de zijne en liep weg.

Mijn weegschaal ging even plassen en bleef daarna ergens anders hangen. Later op de avond zagen we haar terug. Wessel en ik stonden op het balkon. Het was zacht voor de tijd van het jaar. Volgens Wessel was er sneeuw op komst. Ik had net gezegd dat ik naar huis ging, ik had het verder wel gezien. De weegschaal liep het balkon op, maar was niet meer in balans.

"Hai, professor Wessel-de-Pessel", zei ze en terwijl ze mij negeerde."Sta je naar de sterretjes te kijken?"

Ze leunde met haar rokje tegen de balustrade en trok een been op. De zweetplekken bij haar oksels misstonden haar niet eens. Ik vond haar nog altijd verleidelijk, maar ook behoorlijk dronken. Ze loerde over haar glas naar Wessel en zei:

"Ze heeft wel gelijk, hoor. Jij moet jezelf meer open stellen. Jij moet je zelf eens laten gaan, jongen."

Ze helde steeds verder over in Wessels richting.

"Ze denkt dat jij geen gevoel hebt, hè "zwoelde ze."Maar jij hebt zoveel gevoel, allemaal verborgen in de lange lijf van je, hè. Al dat verlangen, hè. Er gaat van alles om in dat bolletje van jou, denk je dat ik dat niet weet, jochie. Ik weet dat toch, je hoeft je bij mij niet..."

En toen klapte ze languit op de grond.

Het glas stuiterde op het beton en rolde weg zonder te breken. Een tuinstoeltje brak haar val, maar ze had een flinke jaap in haar arm. Wessel hielp haar op een stoel en keek of het meeviel. Ze ging zitten en begon te huilen. Van schrik, veronderstel ik. Op de wc stond een verbandkistje. Ik haalde het en begon haar te verbinden.

"Zie je wel", lachte ze door haar tranen heen, "Kreeften moeten zorgen. Au."

De jodium prikte en ze hield verder haar mond. Toen ze weer overeind kwam had ze moeite om te blijven staan. Wessel hielp haar in haar jas en bracht haar thuis. Ik ging ook, en daardoor miste ik de rest van de verwikkelingen.

****

Die rest hoorde ik later van Wessel. Het liep allemaal volledig uit de hand. Mar had verwacht dat Wessel snel terug zou zijn, maar hij bleef anderhalf uur weg. Toen hij terugkwam was iedereen al naar huis. Het zorgvuldige opgebouwde vertrouwen van de afgelopen maanden bleek niks waard. Wessel stond in de beklaagdenbank. En eerlijk als altijd vertelde hij wat er gebeurd was. De weegschaal had zich thuis laten brengen, hij moest haar de trap op helpen omdat ze hinkte, hij hielp haar tot in de slaapkamer. Daar trok ze plompverloren haar kleren uit en begon hem te zoenen. Hij was overdonderd. Had hij teruggezoend? Ja, eerst wel. Maar ze was dronken en dat stond hem tegen. Ze was een mooie vrouw, dat had hij wel gezien. Hij had haar een deken om gedaan en tegen haar aangepraat. Wat had Wessel gedaan als ze niet dronken was geweest? Hij zei eerlijk dat hij dat niet wist. Hij had weg moeten gaan, maar hij was gebleven. Uit een soort beleefdheid, zei hij. Dat vond hij zelf ook wel gek. Mar nam daar geen genoegen mee. Oprotten moest hij en dat deed hij vol onbegrip.

Daags erna was ik bij hem op de Prinsengracht, toen Mar kwam binnengestoven. Ze was verhaal gaan halen bij Saskia, de roodharige weegschaal. Die bekende dat ze een wilde onstuimige nacht hadden gehad. Ja, ze vond het lullig voor Mar, maar het broeide al langer tussen Wessel en haar. Vroeg of laat was dat toch wel gebeurd, het zat eraan te komen...

Wessel ging de discussie niet aan. Hij ontplofte. Alle drift die ik in jaren niet van hem gezien kwam eruit. Hij deed de deur open en slingerde Mar aan de kant. Hij noemde haar een jaloerse gek, een stomme koe en een jeneverkut en weet ik wat al niet. Daarna schoof hij het raam open en smeet haar spullen het raam uit, de toilettas, haar boeken, haar platen en haar kleren. Ik probeerde hem tegen te houden, maar hij schoof me opzij alsof ik het gordijn was. Mar liep de kamer uit en smeet de deur achter zich dicht. En daarop viel de spiegel van de muur en brak. Een grote barst liep door het glas van linksonder tot in het midden. Dat scheen Wessel te kalmeren. Hij ging zitten en zei rustig, bijna vriendelijk:

"Donder jij nou ook maar op."

Ik ging.

07 Nieuw Verband

Hij krijgt nieuw verband. Dat doen ze achter een gordijn, maar ik zie genoeg. Zijn haar is weggeschoren. Een grote bruinrode vlakte loopt van boven zijn linkerwenkbrauw tot aan zijn kruin. Een lappendeken van stukjes huid en aangekoekt bloed met dichtgestikte naden. De verpleegster maakt de wonden schoon, heel voorzichtig. Zijn schedel is schuin afgeplat met een bult boven zijn oor. Alsof hij daar, op die plek, met zijn schedel ondersteboven op het beton is geland. Het ziet er afschuwelijk uit, maar ik blijf gluren. Alsof ik dan eindelijk iets nieuws aan de weet kom. Ik ben blij dat ze het verband er weer om doet.

Een staalblauwe hemel vandaag. De zon schijnt zo fel naar binnen dat het pijn aan je ogen doet. De witte lakens, het witte verband, de witte verpleegsters; alles weerkaatst. De muren zijn niet helemaal wit, er zit vleug groen door de verf. Misschien hebben ze dat bewust gedaan. Wessel ligt er dit keer keurig gladgeschoren bij. Hij ademt rustig. Ik loop naar de knop van de zonwering en kijk door het raam naar beneden. De goeie hoogte als je wilt springen. Twaalf hoog, dat overleef je niet. De politie vroeg of ik Wessel tot zelfmoord in staat achtte. Dat moeten ze vragen natuurlijk.

De telefoon gaat, ik loop de gang op waar ik een betere ontvangst heb. Bij het raamkozijn schijnt iedereen een rare echo te horen. Ik weet eigenlijk niet eens of ik mijn mobiel wel aan mag hebben. In sommige ziekenhuizen is dat verboden, het stoort de apparatuur. Mar wil weten hoe het vandaag met hem is. Ik kan weinig nieuws melden. Alles is hetzelfde. En hoe het met mij is, dat wil ze ook weten. Ook hetzelfde. Ze houdt zich goed, al hoor ik dat ze geschrokken is. Ze zegt dat ze komt, zo gauw ze tijd heeft. Ik hoor een voorbehoud.

Had hij er een eind aan willen maken? Dat lijkt me onvoorstelbaar. Al hoor je vaker dat de nabestaanden volslagen verrast zijn. Iedereen die zich afvraagt waarom ze het niet zagen aankomen. Wessel ging niet huppelend door het leven, dat is zo. En toch. Als hij had willen springen, dan had hij het goed gedaan: van twaalf hoog, bijvoorbeeld. Je gaat rare dingen denken in zo'n ziekenhuis. Het kan niet. Als hij tot de slotsom was gekomen dat zijn leven was mislukt, dan had ik dat geweten. Als hij het had opgegeven. Zo is hij niet, Wessel knokt door.

Ik kijk op mijn mobiel, het is half drie. Tijd om naar beneden te gaan. Ik wacht een kwartier bij de hoofdingang en besluit naar het metrostation te lopen. Ook daar wacht ik een kwartier, tot ik ze de roltrap op zie komen. Moeder gearmd met Maria, en Jo er achteraan. Ze heeft een paar weken geleden een nieuwe knie gekregen, maar ze al loopt best aardig. Vanaf het moment dat ze me ziet begint ze tegen me te praten, een vertrouwd gekeuvel, bijna vrolijk. Het doet me goed.

"Dag jongen, hoe is het nou?", zegt ze en gebaart dat ik moet bukken voor een zoen.

"Valt niet mee allemaal, hè. Als je eens wist wat een reis we achter de achter hebben. De ene file na de andere. En ik kan niet lang stilzitten. Dan begint de knie op te spelen. Het gaat al heel goed hoor, als ik maar op zijn tijd even op en neer kan lopen. En dat gaat nou eenmaal niet in de wagen. Ik was blij toen ik eruit mocht. We staan nou op een parkeerterrein in Capelle aan de IJssel. Nou, dat is nog een eind lopen naar de metro. Maar ik heb dit, moet je kijken, hocus pocus!"

Ze laat Maria los en tikt met haar wandelstok op de grond. Er gebeurt niets.

"Hè, Jo laat jij het even zien", zegt ze.

Hij pakt de stok en vouwt hem in vier delen op. Dan zwiept hij hem voor zich uit en het is weer een stevige wandelstok.

"Mooi hè", zegt ze tevreden en pakt hem weer over.

Als je ouder wordt groeien je oren. Dat is echt waar. En toch, hoe ouder ze wordt, hoe meer ze kletst en hoe minder ze luistert. Net of ze er niet meer in slaagt om belangstelling op te brengen, of het mechanisme vastgeroest raakt. Maar vandaag praat ze me echt teveel. Misschien doet ze dat om de spanning te bezweren. Zoals ze altijd over eten begint als het moeilijk wordt. Ik ga ze voor in de lift, breng ze naar Wessels kamer. En al die tijd kletst moeder door. Tot ze hem ziet. Dan valt ze stil.

08 Robbie herdenkt de doden

Ooit zag ik een film over een politieke gevangene in een of ander dictatoriaal land. Die man wordt gemarteld en ze proberen zijn weerstand te breken. Maar dat lukt niet, hoe erg ze ook tekeer gaan, hij verraadt niets en niemand. Hij dwingt zelfs respect af bij zijn folteraars. Dan komt de bevrijding en hij wordt als een held binnengehaald. Iedereen juicht, maar de held wil al die aandacht niet. Hij wantrouwt al die mensen en hun motieven. Eigenlijk wil hij alleen maar terug naar de gevangenis, naar zijn vroegere beulen. Daarvan weet hij tenminste wat hij verwachten kan. Dat is waar Robbie me aan deed denken. Robbie had het niet zo op de idealen die mensen plegen te koesteren. Die bestreed hij waar mogelijk, als een soort omgekeerde Don Quichotte. En net als zijn illustere Spaanse voorganger kweet hij zich vol enthousiasme van een onmogelijke taak.

Het is moeilijk te zeggen wat Wessel nu zo aantrok in Robbie. Het waren geen verwante geesten. Ze leerden elkaar kennen toen hij pas een paar maanden in Amsterdam woonde. In die tijd was Wessel op zoek naar een anarchistisch paradijs, ver weg van Smeets en diens geestverwanten. Dat was voordat hij kennismaakte met het reëel bestaande anarchisme dat toentertijd de Amsterdamse straten veroverde. Robbie had ook een soort vrijheidsstreven, maar zijn boodschap was vooral dat je niets en niemand moest vertrouwen, dan werd je tenminste door niemand belazerd. Hij vond Wessel naïef en Wessel noemde hem cynisch en daar konden ze zich allebei wel in vinden. Het was een nuttige afbakening, een grens die ze allebei in ere hielden tijdens hun onafgebroken discussies. God, wat konden die twee ouwehoeren, er kwam geen einde aan. Ze waren het over niets eens, maar daar scheen hun vriendschap niet onder te lijden. Ze zouden er nooit in slagen de ander te overtuigen, ook al omdat ze elkaar gewoon niet serieus namen.

Maar hun onderlinge debatten waren als oefengevechten tussen sparringpartners: het werd pas menens met publiek erbij. In tegenwoordigheid van anderen blonk Robbie uit als de grote ontgoochelaar, juist dankzij de aanwezigheid van Wessel. Zijn humor was hard, hij was grof en had snel de lachers op zijn hand. Meisjes vonden hem gevaarlijk en opwindend. En ze wilden wel graag op zoek naar een blanke pit in de ruwe bolster. Lekker spelen met vuur, en de een na de ander brandde daarbij haar vingers. Want vrouwen behandelde hij als oud vuil. Robbies bijdrage aan ieder gesprek bevatte vroeg of laat de conclusie dat het met de mensheid nooit meer goed zou komen. Eenieder die je iets anders vertelde werd weggezet als een huichelaar die je stond te bedonderen of een looser die er zelf om vroeg om bedonderd te worden. Nee, in Robbies wereldbeeld was geen plaats voor hoop. En hoeveel succes hij ook had met zijn venijnige commentaar, de publieksprijs was doorgaans toch voor mijn broer. Tegen de achtergrond van Robbies nihilisme kregen ook Wessels meest onrealistische standpunten gemakkelijk een aureool van redelijkheid en bedachtzaamheid. Maar geen vrouwenhart klopte er sneller door. Daar was het hem dan ook niet om te doen, dat was meer mijn pakkie-an, indertijd.

Toch waren ze niet in alles aan elkaar tegengesteld. Ze deelden bijvoorbeeld een gemeenschappelijke woede tegen de gevestigde orde. Zekerheid en burgermansfatsoen stonden voor beiden gelijk aan collaboratie met een verachtelijke, laffe vijand. Het verschil zat er misschien wel in dat Wessel zich daarbij een toch min of meer allegorische Smeets voorstelde, terwijl het bij Robbie dichterbij lag. Misschien wel zijn bloedeigen vader. Hij had als het ware de zoon van Smeets kunnen zijn. Maar het had gekund, Robbie Smeets. Ik wist dat hij Robbie S. heette, al hield hij de rest van zijn achternaam geheim. Het is gek, maar hij verdomde het om te zeggen hoe hij heette, en dat maakte mij nieuwsgierig. Een tijdlang heb ik gedacht dat het 'Schickelgruber' was. Hij stuurde me ooit een ansichtkaart uit Oostenrijk, die hij ondertekende met die naam. Wist ik veel, het bleek uiteindelijk een typisch Robbie-geintje te zijn. De naam had iets te maken met Adolf Hitler. Om de een of andere reden was hij daardoor geobsedeerd. De geringste aanleiding bracht hem tot associaties met het nazisme. En die hield hij niet voor zich, want hij kon het niet laten om mensen op het verkeerde been te zetten.

Ook de jaarlijkse dodenherdenking deed Robbies adrenaline altijd sneller stromen. Zo had hij zich ooit aangesloten bij het 4 mei comité, dat bij hem in de buurt de dodenherdenking organiseerde. Op een vergadering liet hij zich laatdunkend uit over het SS-verleden van prins Bernhard. Dat was enkele oud-strijders in het verkeerde keelgat geschoten en hij werd uit het comité gezet. Enkele weken later verscheen hij op de herdenkingsbijeenkomst in een keurig zwart pak, met een witte anjer in zijn knoopsgat. Hij had ook een vers gekweekte snor, die hij kort tevoren tot Hitler formaat had geschoren. Toen ze hem met harde hand trachtten te verwijderen riep hij uit:

"Meine Nelke! Bitte, sei Vorsicht mit die Nelke! Verdammte Jude!"

Of hij er zonder kleerscheuren is afgekomen vermeldt het verhaal niet. Of het echt zo gebeurd is weet ik ook niet, want Robbie wilde een verhaal nog wel eens wat aandikken.

Hij hield van provocaties. Hij zag Wessel voor het eerst op een feest. Ze hadden al geruime tijd met elkaar staan praten toen Robbie ter ore kwam dat Wessel heette zoals hij deed. Onmiddellijk sprong hij in de houding en begon luid te zingen:

"Die Fahne hoch, die Reihen fest geschlossen...".

Eén van de aanwezigen herkende het gezang en ergerde zich. Het had op een handgemeen uit kunnen lopen als Wessel niet tussenbeide was gekomen. Zelf begreep hij de commotie eigenlijk niet. Het Horst Wessellied zei hem hoegenaamd niks. Maar hij slaagde er wel in, de gemoederen te sussen. En zo begon de meest hechte vriendschap die mijn broer ooit had gehad.

Robbie woonde in een grote opslagruimte in het westelijk havengebied, die volgestouwd was met de meest uiteenlopende handelswaar. Hij was geen student zoals wij, hij rommelde en ritselde met allerlei handeltjes. Soms was hij wekenlang van huis en als hij dan terugkwam, zat zijn oude Citroënbusje vol met spullen. Dat kon van alles zijn; vijf Mariabeelden en een levensgroot Heilig Hartbeeld plus een 24-delig Wedgewood-servies, zo goed als nieuw. Of een partij van 60 Japanse kimono's en 1.250 onbespeelde cassettebandjes, op de kop getikt in de DDR. Hij had een jukebox en een flipperkast in zijn woonkamer staan en een ijsautomaat waar spuitijs uit kwam. De bijbehorende bekertjes van koek had hij niet, maar als je een schaaltje onder de spuitmond hield, kon je je ziek eten. Ik hou van zoet.

Zijn pakhuis zat vol verassingen. Er waren potten met gedrochten op sterk water, afkomstig uit een anatomisch museum of zoiets. Opgezette beesten: een Vlaamse gaai, een eekhoorntje op een boomtak, maar ook een heuse, door de motten aangevreten tijger. Hij hield er ook levende beesten op na. Beneden in de garage stond een groot terrarium waarin Quisling woonde, zijn 4 meter lange Regenboogpython. Quisling at levende witte muisjes, die Robbie speciaal voor dat doel kweekte. Beneden hingen ook de legendarische motorjassen. Dezelfde lange witte leren jassen die ik in de daarop volgende jaren zou zien om de schouders van krakers en andere actievoerders. Over die jassen deden toen de meest uiteenlopende verhalen de ronde; ze zouden afkomstig zijn van een inbraak bij het depot van de rijkspolitie. Ze zouden bij een ontruiming zijn buitgemaakt op een groep in het nauw gedreven motoragenten. Een beetje actievoerder droeg zijn lange witte leren motorjas dan ook als een jachttrofee. Robbie was natuurlijk ook min of meer gespecialiseerd in oorlogstrivialia. Hij had een mannetje in Kopenhagen waar hij geregeld heen ging voor uniformen en medailles. Maar hij verzamelde ook werken van Nietzsche in zoveel mogelijk verschillende vertalingen. Dat soort dingen.

Ik kon het goed vinden met Robbie. Hij kon heel joviaal zijn en hij vond het best als ik in zijn huis rond hing. Ik moest nogal wat Engelse literatuur lezen en dat deed ik graag in zijn raamkozijn, terwijl ik uitkeek over het IJ. Hij liet me mijn gang gaan. Soms kwam hij er even bij zitten met een kop koffie. Dan hadden wij - had hij het over zijn handeltjes, zijn reizen en zijn meningen. Ik voelde me vrij in zijn pakhuis, maar niet vrij in zijn denkwereld. Zijn sarcasme maakte me onzeker. Ik vroeg hem eens langs mijn neus weg, hoe het kwam dat Wessel en hij vrienden waren, als ze over alles zo anders dachten.

"Wessel is een goede vriend en dat zeg ik niet snel van iemand", zei hij, "Maar die jongen neemt het allemaal zo serieus. Daar wordt hij niet vrolijk van. Ik wel. Wessel is grappig, iemand die graag de wereld op zijn schouders neemt. Hij wil de wereld verbeteren en de wereld werkt niet mee. Dat is belazerd, niet? De mensen zijn het niet waard en er komt doorgaans alleen maar ellende van. Daar mag ik hem graag mee pesten. Hij wil mij overtuigen, en dat doet hij goed. Echt waar."

****

Wessel werkte ondertussen verder aan zijn bijbelaantekeningen. Op 4 mei -hij was al bij het boek Prediker- deed zich een gelegenheid voor om met zijn nieuw verworven kennis te schermen. Het was dodenherdenking en die viel dat jaar op dezelfde dag als Hemelvaart. We liepen in het Vondelpark toen een jongen op ons afkwam met een Christelijke boodschap. Normaal gesproken zou ik die omzeild hebben, maar Wessel was er als de kippen bij. Het gesprek met de jonge evangelist wilde echter niet vlotten. Dat kwam omdat hij begon over Christus' verlossende kruisdood, terwijl Wessel het eigenlijk wilde hebben over het oude testament en wat hij daarin voor opmerkelijks had aangetroffen. Bovendien was daar Robbie als voortdurende stoorzender, die niet het geduld kon opbrengen om iets aan te horen wat hem maar matig boeide. Op een gegeven moment werd het Wessel teveel:

"Hou toch eens je kop, man! Sodemieter op en ga de eendjes voeren of zoiets. Ik kan hier niet eens meer een fatsoenlijk gesprek voeren!"

"Okee", zei Robbie, "Okee. Praten jullie maar verder, ik neem zijn werk wel over."

En hij griste de stapel drukwerk uit de handen van de verbouwereerde jongen. Hij toog meteen aan het werk, als een volleerd standwerker:

"Bekeert u, oh zondaren! Neemt geen risico! Vergeving! Vergeving voor je zonden! De wereld vergaat, bekeer je! Bedenkt zondaren: wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe!"

Voorbijgangers keken verbaasd om.

"Bekeer je, voor het te laat is! Gratis en voor niets! Doe het hier en nu!"

De evangelist zag zijn drukwerk en zijn missie verloren gaan en probeerde nu tevergeefs om zijn pamfletjes terug te krijgen. Maar Robbie was een kop groter dan hij, en hij hield de stapel hoog boven zijn hoofd.

"Bekeer je! Zolang de voorraad sterkt! En het gaat hard mensen, het gaat hard! Niet zo hebberig, jongeman! Mensen, bekeer je, bekeer je nu het nog kan!"

Even leek het erop alsof de jongen het opgaf. Hij keek ons hulpeloos aan. Robbie lachte naar ons en liet zijn waakzaamheid een ogenblik verslappen. Daarop draaide de jongen zich met een ruk om, en sprong in een vloeiende beweging naar omhoog en wist met één graai de hele stapel te heroveren, op een paar wegfladderende blaadjes na. Het was een perfecte circusact, en we schoten allemaal in de lach. Alleen de evangelist stond er beteuterd bij. Hij klampte zijn pamfletten stijf tegen zich aan en keek met een verwijtende blik naar Wessel, die stond te schateren. Maar Robbie was de lulligste niet. Hij sloeg zijn arm kameraadschappelijk om de schouders van de jongen en zei:

"Nou knul, Jezus mag blij zijn met zo'n volgeling. Jij knokt tenminste voor je geloof. We moesten maar eens naar café Reijnders, dan krijg jij van mij de grootste pint die ze tappen kunnen. Of heb je liever iets fris?"

En hij gaf ons een knipoog. De jongen aarzelde, en Wessel zei:

"Trek het je niet aan, joh. Ga mee, ik doe hem zijn halsband wel weer om. Hoe heet je?

"Lucas", zei de jongen en liet zijn aarzeling varen.

Onderweg richting Leidseplein hervatten Lucas en Wessel hun verheven gesprek. Op veilige afstand volgde ik met Robbie en een meisje van mijn studie, die we in het park hadden ontmoet. Natasja. Robbie zei:

"Kijk dat bedoel ik nou. Hij moet zo nodig aanpappen met zo'n kneus. Zo zwaar allemaal, met die jongen. Zijn toestand is ernstig, maar hij kan nog lachen, wat jij?"

"Hoezo, wat is er dan gebeurd? Is hij ziek of zo?", vroeg Natasja, die tussen ons in liep en al die tijd haar mond had gehouden.

"Ja", zei Robbie, "Wessel lijdt aan heftige aanvallen van Weltschmerz. Pas jij maar op. Blijf maar uit zijn buurt want het kan besmettelijk zijn."

Ze giechelde en hield weer haar mond. Bij Reijnders was het terras vol, dus gingen we naar het aangrenzende café. Lucas en Wessel waren nog altijd niet uitgepraat en we lieten ze hun gang gaan.

Robbie richtte zich tot mij en vooral tot Natasja:

"Hoe lang denken jullie nou nog door te gaan met de zachte G van jullie? Je wordt erop aangekeken, hoor. Een jonge vrouw die vooruit wil komen in de wereld, die leert zo snel mogelijk haar dialect af. Een Amsterdams accent, dat kan goed. Maar geen zachte G."

Natasja voelde zich aangesproken en kreeg een kleur.

"Echt waar? Moet ik dat afleren, denk je? Maar ik praat mijn hele leven al zo."

Ze zou een borstvergroting overwegen, als Robbie het haar vroeg.

"Van mij hoef je dat niet, ik vind het wel sexy. Maar het is natuurlijk niet slim als je het ver wilt brengen. Niemand op TV praat met een zachte G, en in de politiek hoef je er ook niet mee aan te komen. Er gaat geen gezag van uit, snap je. Het is meer een dialect voor HEMA-meisjes. Of stoephoeren. Wat doe je voor iets, eigenlijk?"

"Ik studeer Engels, net als Mathieu."zei ze schuchter.

"Connie and Walter!", riep hij opeens uit."Kennen jullie dat? Dat was vroeger op TV, Engelse les. Hello, I am Connie and this is Walter! Now repeat after me: This is Walter!"

Opeens onderbrak hij zichzelf en schoot in de lach.

"Wat denk je van een cursus Amsterdams voor beginners? Now listen carefully: 'blaaf met je pauten fan me kint af, klautsak!' Repeat: 'Fan me kìnt. Me kint. Now repeat after me!"

Het gelach werd verbroken door de komst van de ober en Robbie bracht een toost uit:

"Lucas, jongen, op je gezondheid. Vrede op aarde aan de mensen van goede wil, of zo iets. Proost!".

En nadat hij een flinke slok tot zich had genomen vroeg hij:

"Lucas! Apostel van me! Luister: geloof jij dat de mens van nature goed is?"

Lucas was op zijn hoede:

"Ik denk dat je dat niet in zijn algemeenheid kunt zeggen. Sommige mensen bedoelen het wel goed. Maar er zijn er ook die overal maling aan hebben. Niemand is altijd goed en niemand is altijd slecht. Het is meer een gevecht met jezelf."

Daar nam Robbie geen genoegen mee:

"Helemaal fout. Misschien kan ik tòch beter met jouw blaadjes gaan lopen. Als Christen hoor je te zeggen dat de mens tot alle kwaads geneigd is. En dat is waar. Jij houdt je niet aan de leer, je lijkt Wessel wel."

Lucas antwoordde:

"Mijn geloof verbiedt me niet om zelf na te denken. Als ik in de bijbel lees, dan zijn er wel meer dingen waar ik moeite mee heb. Dingen waar ik nog over moet nadenken. Je moet niet alles klakkeloos aannemen, we hebben niet voor niets hersens gekregen. Ik geloof wel dat ieder mens tot elk kwaad in staat is, maar ook tot het goede. Er zit iets Goddelijks in ons allemaal."

"Allemachtig! Laat de dominee het niet horen, brave jongen. Dit is vloeken in de kerk. De Goddelijke vonk!"

"Ik geloof dat er een kracht van het goede in ieder van ons werkzaam is,", ging Lucas nu onverstoorbaar verder, "Maar dan met Gods hulp. Daardoor kunnen wij zieken genezen. Maar ook raketten naar de maan te sturen. Dat gaat niet zonder Gods hulp. Het gaat niet, als wij alleen maar het kwade willen. We hebben een opdracht te vervullen. We kunnen tegenwoordig mensen genezen van ziekten waar ze 50 jaar geleden aan dood zouden gaan. Dan zeg ik: dankzij de Heer. Ik zie daar Gods hand in."

Wessel mengde zich in het gesprek:

"Nu zijn we precies op het punt waar we net waren. De angstaanjagende God van het oude testament, die komt nu opeens in je hele verhaal niet meer voor. We gaan de goeie kant op. God is nu zoiets vaags geworden als 'het goede in ons allemaal'. Waarom noem je het dan nog God?"

"Omdat ik mezelf Christen noem. Er is een hogere macht aan wie wij ons moeten onderwerpen. De mens alleen is te nietig en te zwak om aan het kwade weerstand te bieden. Het is een macht die ons helpt. Een God die er voor ons is, die zijn zoon voor ons geofferd heeft. Een God van vergeving en genade. Maar het is niet vrijblijvend. Je moet wel voor hem kiezen."

"En hoe moet ik me dat kwade dan voorstellen? Want als God geen man met een baard op een wolk is, dan is de duivel ook geen engerd met hoorntjes en een puntstaart. Is het kwaad dan ook 'het kwade in ons allemaal'?"

"Het kwade is dan de macht van de begeerte. Door de begeerte raak je af van de goede weg. Dat kan van alles zijn. Voor de een is het de gokkast, voor een ander de drank. Of seks. Of de honger naar macht. Dat kun je influisteringen noemen van de duivel."

"Dat is toch geen Christendom meer, man", vond Wessel, "Het spijt me wel, maar jouw geloof is gewoon een kwestie van psychologie geworden. Je moet Freud gaan lezen, dat is nou net een goede profeet voor jou. Jouw God is niet meer dan een Über-Ich, dat je onbewuste aandriften in toom moet houden."

"Jongens, jongens, geen Freud hè. Laten we nou niet gaan schelden!", onderbrak Robbie, "Uiteindelijk is het van hetzelde laken een pak. Jullie geloven allebei dat het vooruitgaat met de mensheid. Mag ik daar even op inhaken? Waar zien jullie die vooruitgang eigenlijk? Als er ergens op de aardbol iets vooruitgaat, dan gaat het ergens anders minstens even hard achteruit. Neem nou de Eerste Wereldoorlog. Toen die voorbij was zeiden ze: 'dit was te erg, dit doen we nooit meer!'En daarna kregen we gewoon de Tweede Wereldoorlog. En toen de mensen ontdekten wat er in Auschwitz gebeurd was, zeiden ze: 'dat nooit meer'! En heb je in de gaten wat er op dit moment in Cambodja aan de hand is? Het gaat gewoon door allemaal, altijd."

Op dat moment dook er een grote pluizige hond onder onze tafel door. Natasja liet een gilletje ontsnappen en greep haar tasje van de grond. De glazen wiebelden op tafel. Een man met een kalende vetkuif en een dikke buik verderop maakte een verontschuldigend gebaar en floot de hond terug.

"Mensen zijn gewoon egoïstische beesten", ging Robbie voort, "En ze doen wat egoïstische beesten doen. Ze vechten om vreten, om de vrouwtjes, om de macht. Als er maar gevochten kan worden. Er is een oude Griekse filosoof, Herakleitos, die zei: 'oorlog is de vader van alle dingen'. En zo is het. Het is geen vrolijk verhaal, heren. Wie te zwak is of niet wil vechten, die kan het wel schudden. De natuur is niet aardig voor verliezers. Kijk, Hitler vond dat wel een mooi systeem. Hij had ook een geloof, een missie. Hij zou de Joden van de aardbodem wegvagen. Hij zou het Arische ras naar de wereldheerschappij leiden. Moet je Mein Kampf maar eens op nalezen. Hij had ook een opdracht te vervullen. En zo is het altijd. De ergste rampen komen door mensen met een missie. Door jullie dus. En waar het ware geloof verschijnt zijn de gaskamers of de pijnbank nooit ver weg. Nou jullie weer."

Wessel nam de handschoen op:

"Jij ziet altijd overal alleen maar oorlog en agressie. Je hebt oogkleppen op. Oorlog bestaat, natuurlijk. Maar als dat het enige was, dan hadden we elkaar allang allemaal uitgeroeid. Dat mensen elkaar vertrouwen en wat voor een ander over hebben, dat gaat geheel aan jou voorbij. Als je dat soort zaken negeert, dan blijft er ook enkel oorlog over. Je zou je eens af moeten vragen hoe het komt dat de wereld desondanks gewoon doordraait."

De ober bracht nog een rondje en Wessel ging door:

"De ober brengt bier, omdat hij weet dat wij straks de rekening betalen. De tram rijdt omdat de bestuurder gewoon 's ochtends op zijn werk komt. Daar kun je op vertrouwen. Ik doe wat voor jou, jij doet wat voor mij; dat is wat de wereld draaiend houdt. Jij loopt straks ongewapend de straat op, omdat je weet dat er toch wel een hele grote kans is dat niemand jou vandaag overhoop wil steken. Miljoenen mensen in dit land zijn nog nooit getuige geweest van een moord. Strijd en oorlog zijn extreme toestanden, het zijn uitzonderingen. En niet alleen in Nederland, dat is wereldwijd zo. Oorlog is de uitzondering, orde en rust zijn de regel. En ga jezelf maar na. Hoe vaak ben jij de afgelopen week op de vuist gegaan? En heb je nog wat vrouwen verkracht, of had je het te druk met roven en stelen? Wel nee. Jij bent geen Christen, geen humanist, jij gelooft helemaal niks. En je houdt je net zo goed gewoon aan de beschaafde manier waarop mensen met elkaar omgaan. Je zet Lucas hier wel voor lul, maar daarna biedt je hem toch een glas wijn aan."

"Wessel, jongen, ik val van mijn stoel. Ik geloof niet wat ik hoor. Was dit werkelijk een lofrede op orde, rust en regelmaat? Ik dacht dat jij zo'n revolutionair was. Alles moest toch altijd op zijn kop van jou? Ben je van je geloof gevallen? Lang leve law and order. Heeft Lucas je omgeluld?"

"Helemaal niet. Ik zeg niet dat ìk zo'n leven wil. Ik zeg alleen dat de meeste mensen dat willen. Ze willen geen strijd en geen conflicten, ze gaan liever fatsoenlijk met elkaar om. Gewoon, dat je elkaar helpt, dat je rekening met elkaar houdt, dat je je woord houdt, dat soort dingen. Het is niet normaal dat je met geweld je zin doordrijft. De meeste mensen hebben een hekel aan geweld. Ze zijn als de dood voor conflicten. Ze komen niet in opstand omdat ze te schijterig zijn. Maar af en toe doen ze dat wel en dat zijn de momenten dat de loop van de geschiedenis wordt veranderd. Daar draait het voor mij om. Dan laat je je sporen na op de aardbol. Kijk maar nu in Iran, in Nicaragua. Ze pikken het niet meer en ze gaan massaal de straat op. Op dat soort momenten komt het aan. Dan moet je kiezen, vind ik. Dan moet je aan de kant staan van de mensen die hun lot in eigen hand nemen. En dan geloof ik inderdaad in vooruitgang, ja. In de middeleeuwen werden mensen niet ouder dan 40, 50 jaar. Er was kindersterfte, er waren hongersnoden."

"Die zijn er nog steeds, alleen niet hier. Wie heeft er nou oogkleppen op?"

"Maar...", probeerde Lucas tussenbeide te komen.

"Er waren hongersnoden, zeg ik, overal", hield Wessel vol."En waren pestepidemieën die half Europa uitroeiden. Doorlopend oorlogen van de ene stad tegen de andere. Ridders voerden oorlog, als tijdverdrijf. Er was slavernij. Als je toevallig homo was, werd je gevierendeeld. Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Ik vind dat de mensheid wel wat vooruitgaat, ja."

Robbie plaatste zijn ellebogen voor zich op tafel en liet zijn jukbeenderen rusten op de knokkels van zijn handen. Hij keek alsof hij diep nadacht en trok zijn mondhoeken vervolgens tot een overdreven glimlach.

"Ik ga hier een heleboel op zeggen", verklaarde hij, "Punt één: hongersnoden en epidemieën zijn er nog steeds. Niet waar wij zitten, maar Europa is een vlekje op de wereldkaart. Er zijn misschien minder oorlogen, maar er vallen nu wel honderdduizenden doden bij. In de tachtigjarige oorlog gingen er jaren voorbij zonder dat er gevochten werd. Hier en daar een keer een veldslag, meer niet. En tegenwoordig heb je jeugdbendes in de getto's die elkaar voor de lol om zeep helpen. Het zit in de mensen, je krijgt het er niet uit. En die vooruitgang, noem mij eens één revolutie die niet op een dictatuur is uitgelopen."

"Je moet verder kijken. De Franse revolutie eindigde in terreur. Maar uiteindelijk danken wij er onze ideeën over mensrechten aan en onze democratie. En ik vraag me af of wij zonder de Russische revolutie een verzorgingsstaat hadden gehad."

"En zonder Mao geen loempia's", concludeerde Robbie, "Dat vind je dus vooruitgang. Stemrecht en een uitkering. En wat is dan de maatstaf? Het aantal mensenlevens? Er is vooruitgang als er meer mensen zijn, die langer blijven leven. Am I Right?"

"Dat zou iedereen vooruitgang noemen, ja."

Robbie maakte een interessante draai:

"Mij is dat om het even. Het komt er maar net op aan wie er blijft leven en wie niet. Hoe lang hebben ze de dood van Franco niet kunnen uitstellen? Dat vind jij een slecht mens. Als slechte mensen langer blijven leven, gaat dan de wereld eigenlijk niet achteruit? En ik vind het ook geen vooruitgang als mensen in leven worden gehouden om dag in dag uit achter een tv-scherm te zitten. Persoonlijk vind ik dat overbodige levens. Van mij hoeven ze niet weg, begrijp me goed. Maar om daar nou vooruitgang in te zien..."

Ik hield me op de vlakte. Zelfs al had ik een mening naar voren willen brengen, dan nog kwam ik er niet tussen.

"Het is niet genoeg, als je dat bedoelt. Natuurlijk, het gaat ook om zingeving. Het gaat erom dat mensen gelukkiger worden. Socialer, creatiever worden. Dat noem ik vooruitgang."

"Het wordt nou wel weer erg soft allemaal, Wessel. Je hebt het beste met de mensheid voor, dat weet ik. Maar eigenlijk vind je ze dus niet goed genoeg zoals ze nou eenmaal zijn. Ik zal je wat zeggen. Alle ellende op de wereld komt alleen maar door jullie soort. Mensen die de wereld niet accepteren zoals hij is. Alle revoluties bereiken altijd het tegenovergestelde van wat ze beogen. Ze willen de wereld verbeteren en ze verbieden alles wat ze fout vinden. Maar het haalt niets uit. Verboden vruchten smaken altijd beter, dat is juist wat de mensen willen. Als je alcohol verbiedt, dan krijg je Al Capone."

"Je klinkt mij nogal liberaal in de oren", vond Wessel.

"Dan ben ik liberaal. Is dat ook een geloof, of telt het niet mee?"

Robbie keek me aan en knipoogde vervolgens naar Lucas.

"Je bent een conformist", zei Wessel, "Je bent een doodgewone burgerlijke meeloper."

"Mag ik nu even?", brak Lucas in: "Ik geloof niet in revoluties. Ik denk niet dat al het lijden op de wereld ooit verdwijnt. De wereld is nooit af, er zijn altijd nieuwe problemen. Want God heeft een bedoeling met de mensen. Het leven op aarde is bedoeld als een test. Je hebt steeds weer andere uitdagingen. En het gaat steeds om de keuze tussen goed en kwaad. Als God het ons gemakkelijk wilde maken, dan gingen we wel meteen naar de hemel. Maar dat is...."

"Wat vind jij ervan, Natasja", onderbrak Robbie zonder enige aanleiding. "Zeg jij nou ook eens iets dieps, over de zin van het bestaan of zo. Ga je gang."

Iedereen viel stil. Natuurlijk, Natasja moest ook aan het woord komen. Stom dat we daar niet aan hadden gedacht. Natasja wist zo gauw niet wat te zeggen. Maar ja, alle ogen waren op haar gericht, er werd iets van haar verwacht. Ze deed haar best:

"Ik geloof wel dat er iets hogers is. En dat je goed moet zijn."

"Iets hogers, juist! Dat is nu net het verschil tussen jullie en mij", hernam Lucas het woord.

Natasja keek hem dankbaar aan.

"Jullie geloven niet dat er een hogere macht is. Maar ik weet het uit eigen ervaring, het klinkt misschien raar, maar ik heb het zelf meegemaakt. Ik heb neergeknield voor mijn schepper, en ik heb zelf gemerkt dat Hij me helpt als ik het hem vraag. Alleen kan ik niet veel, maar met Zijn hulp is er hoop...."

En zo voort. De discussie vlamde op, zakte in en laaide weer op als een knapperend haardvuur. Ik zat erbij en keek ernaar. En terwijl ik me warmde aan hun vurige betogen kreeg ik een wonderlijke gewaarwording. Het was alsof ik het tafereel van bovenaf kon gadeslaan. Ik overzag het terras. De zon trok steeds langere lenteschaduwen over het Leidseplein. Ik zag mezelf zitten in de rieten stoel. Ik zag Lucas achter zijn stapel pamfletten. Hij had ze tegen wegwaaien beschermd met inmiddels drie lege wijnglazen. Vanuit de verte hoorde hem over het leven na de dood. En daar zat Natasja, met haar handtasje op schoot. Ik besefte opeens hoe mooi ik haar vond, zo met haar holle rug, de spichtige armen gekruist, leunend op het tafeltje. Ik zag het gedrongen postuur van Robbie. Hij zag er indrukwekkend uit met zijn platgeslagen boksersneus en de tatoeage op zijn arm. Hij gebaarde druk, terwijl hij ondertussen trachtte om een sigaret te rollen. De shag viel op de grond en woei weg, maar hij scheen het niet te merken. En dan Wessel, op het puntje van zijn stoel en al even druk in de weer. Met zijn woeste haardos op zijn brede schouders. Ik vond ze allemaal zo mooi. Ik zie het hele tableau nog voor me. Ik weet niet hoelang het duurde, een paar minuten, misschien langer. Toen zakte de zon definitief weg achter de Schouwburg en het werd kouder. Het werd tijd om van mijn roze wolk af te komen. Er liep een rilling over mijn rug en ik kreeg honger.

"Wie gaat er mee, een pizza eten?", vroeg ik.

We rekenden af en we gingen. Even later zaten we in een fraaie pizzeria, met tientallen Chiantiflessen aan het plafond en plastic druivenranken langs de muur. Echte nep, ik hou daar altijd wel van. Lucas ging naar huis, maar Natasja at mee.

"Morgen is het bevrijdingsdag", zei ze, "Wat gaan jullie doen?"

"Ik weet het niet", sprak Wessel, "Er is vrijmarkt, geloof ik. Maar misschien gaan we wel de stad uit, als het weer een beetje meezit. Lekker rustig."

"En jij, Mathieu?"

Ze ging de kring langs, de grootste omweg naar Robbie.

"Ik blijf bij Wessel slapen vannacht", antwoordde ik. "Misschien dat we morgen samen op pad gaan. Maar misschien ga ik morgen al naar Limburg."

"Word je het niet eens zat, die logeerpartijen?", wilde Robbie weten, "Je moet daar toch eens weg uit het barre Noorden."

"Ik sta ingeschreven voor een studentenflat in de binnenstad, maar daar moet ik nog even op wachten. Een half jaar of zo. Dat valt nog mee, hoor. Ik ken een studentenhuis en daar geldt een wachttijd voor van 5 jaar. Vlakbij de Oude Manhuispoort. Niemand gaat daar ooit weg."

"Waarom zou je zolang wachten? Je kunt toch zelf wat ondernemen. Waarom ga je niet kraken?"

"Huh, kraken! En dan eruit gegooid worden."

"Wel nee. Je kraakt een huis en als je er 24 uur inzit, dan moeten ze naar de rechter als ze je eruit willen hebben. Het duurt minstens een half jaar voordat er een uitspraak ligt. En dan ga je in beroep of zo. Of je kraakt weer iets anders. Er staat genoeg leeg. Piece of cake. Ik zal je een telefoonnummer geven van een jongen die ik ken. Die zit in dat kraakpand bij het Waterlooplein. Hij heet ook Rob. Misschien weet hij wel iets voor je."

"Betaal je dan ook geen huur?"

"Weet ik het? Bel hem maar op. Ik heb zijn nummer ergens thuis liggen. Help me herinneren, ik zoek het op."

"Doe ik!", zei ik, al was ik het niet echt van plan.

"En wat ga jij doen morgen?", vroeg ik, om Natasja weer bij het gesprek te betrekken.

"Ik ga ook de stad in, denk ik. En dan zie ik wel ."

"Blijf dan bij mij slapen. Ik woon in het centrum", loog Robbie.

"Ik ook", zei Natasja.

Dat was wèl waar, ze zat in het hartje van de Nieuwmarktbuurt. "Oké, dan slaap ik bij jou. Afgesproken. Ik kan erg goed slapen, weet je dat?"

Ze lachte en bloosde en zei geen ja en geen nee. In plaats daarvan wees ze op de tatoeage die Robbie droeg op zijn onderarm.

"Deed het pijn?"

"Robbie houdt van pijn", zei ik, "Het is een echte masochist. Ik denk dat hij vannacht nog met de zweep wil."

Natasja negeerde mijn lompe grappen en vroeg nogmaals:

"Deed het pijn?"

"Een beetje maar. Het valt best mee. Je zou het ook eens moeten proberen. Ik ken een vrouw die heeft een vlindertje hier."

Hij wees op zijn kruis.

"Hij fladdert zo op uit het struikgewas. Erg mooi hoor. Het zou iets voor jou zijn. Of een groot hart over allebei je borstjes. Een hart, met Robbie erin. Ideetje?"

Ze lachte voorzichtig. Als jij of ik zo'n opmerking maken, dan kun je een mep in je gezicht verwachten. Maar wij zijn Robbie niet. Zijn tatoeage was ongebruikelijk. Er stond een zwarte Davidsster op zijn onderarm met daarin in het rood het woord 'moeder'.

"Leeft je moeder nog?", vroeg ze.

"Nee, die is dood. Gestorven bij mijn geboorte. Mijn vader heeft het overleefd. Als er echt een goede God was had hij het andersom gedaan."

Hij hield het beschaafd dit keer. Bij andere gelegenheden had ik hem horen vertellen dat zijn vader zijn moeder vermoord had. Of dat ze was omgekomen bij een moordaanslag in Tel Aviv. Ze zou natuurlijk even zo goed nog gewoon in een flatje in Buitenveldert kunnen wonen. Natasja dacht een gevoelige snaar te hebben geraakt:

"Goh, wat erg voor je. Ik weet wat het is. Ik heb mijn vader verloren toen ik 14 was. Bij een auto-ongeluk. Hij heeft nog anderhalve week in coma gelegen. Ik mis hem nog steeds."

Robbie reageerde onaangedaan:

"Tja, de Here geeft en de Here neemt, zou Lucas zeggen. En ik neem nog een cappuccino. Willen jullie ook nog wat bestellen?"

Na het eten ging Robbie naar huis en Natasja ging met hem mee. Maar 's nachts om half drie zagen we ze weer bij het Okshoofd, een van de weinige kroegen die nog open was. Het was niet druk en ze hadden ons zo gevonden. Natasja hing tegen hem aan en Robbie riep:

"Kom op! We gaan romantisch doen. We gaan naar het strand en we wachten tot de zon opkomt. Uw wagen staat voor!"

"Ik dacht dat jij zo goed kon slapen?", vroeg Wessel.

"Precies!", antwoordde Robbie, "Het is niet de tijd, maar de kwaliteit die telt. Wel, gaan jullie mee of niet?"

Even later reden we door nachtelijk Amsterdam. Robbie reed, met Natasja tegen hem aangeschurkt en Wessel zat ook op de voorbank. Er zat voor mij niets anders op dan de laadruimte achterin.

"Zo kan ik niet rijden", zei Robbie, "Neem jij d'r even over".

En hij duwde Wessel Natasja in de armen alsof ze een zak met wasgoed was. Te oordelen naar het tempo waarin de lichtstrepen elkaar opvolgden zaten we inmiddels op de grote weg.

"Zandvoort of Bloemendaal? Natasja, jij mag het zeggen."

"Het maakt me niets uit."

"Dan wordt het Bloemendaal aan Zee. Fasten your seatbelts!"

Na een hobbelige rit kwamen we bij het strand. De wind was gaan liggen maar het bleef kil. We probeerden een kampvuur te maken, maar het vochtige hout dat we bijeensprokkelden brandde niet erg. Met de romantiek schoot het niet op. Gelukkig had Robbie een fles whisky bij zich en twee plastic bekertjes, waar we om de beurt uit dronken om warm te blijven. We zaten in het zand en keken naar de witte koppen van golven die op ons toerolden.

"Weet je dat ze soms licht geven?", vroeg Wessel, "Heb ik wel eens gezien, een groenachtig licht. Het heeft iets te maken met fluorescerende algen, geloof ik."

"Verrek!", zei ik, "daar is de zon!"

Natasja verhief haar hoofd van Robbies schoot en tuurde de horizon af.

"Waar dan?", vroeg ze.

Ze verwachtte kennelijk dat de zon daar opkwam, waar hij ook was ondergegaan. Ergens is dat ook wel een logische gedachte. De zon liet zich zien als een lichte cirkel in de mist. Een fraaie morgenstond zat er niet in. We brachten nog een dronk uit op de dageraad en gingen verkleumd terug naar het busje. Dit keer ruilde ik met Wessel van plaats, en ik verheugde me er al op om onderweg nog wat te kunnen slapen.

Ik was al bijna ingedommeld, toen Robbie het busje opeens met een scherpe draai liet keren.

"Kom mee!", zei hij.

Hij stapte uit.

"Waarheen?", vroeg Wessel, "En waarom?"

"Hier is de Erebegraafplaats. Daar heb ik nou altijd nog eens langs willen gaan. Weet je dat Hannie Schaft hier ook begraven ligt?"

Hij wreef zich in de handen.

"Nou, wie gaat er mee?"

En hij liep naar het hek, zonder op antwoord te wachten. Niemand had veel zin om in de grijze ochtendkou naar een kerkhof te gaan kijken.

"My Honey, I Miss You.....", zong Robbie galmend, en vervolgde zonder om te kijken, "Ze is hier ergens in de duinen geëxecuteerd, kort voor de bevrijding. Ook bij zonsopgang. Da's ook toevallig hè?"

Hij keek toch maar even waar we bleven.

"Ga nou effe mee, jongens. Het was wèl dodenherdenking gisteren, mind you! En wat deden jullie om acht uur? Jullie zaten schaamteloos pizza's te vreten! Kom nou maar mee, doe het voor mij, oké?"

We gingen mee. Robbie wilde over het hek klimmen, maar dat ging vanzelf open toen hij erop sprong.

"We zijn een beetje laat, maar we worden verwacht, zie je wel", zei hij en liet zich vallen.

Het was nog een flink stuk lopen door de duinen en er hing een onwerkelijke sfeer. Het was doodstil en er kwamen flarden mist van tussen de duindoornstruiken het pad op. Op een duintop in de verte hing een vlag halfstok.

"Stel je voor dat je hier loopt en dat je weet dat ze je ieder moment kunnen gaan neerschieten", zei Wessel.

"Hè get, doe nou niet zo eng", antwoordde Natasja, "Mogen we hier eigenlijk wel komen?"

"Er is hier niemand die ons ziet. Ze zijn allemaal dood", meende Robbie, "Er is hier geen levende ziel, behalve wij en de konijntjes. Wessel, jij weet veel: hebben konijntjes een ziel?"

"Ssst", zei ik, "Daar woont iemand".

Ik wees naar een huis dat opdoemde uit de mist. Er was geen teken van leven. Als daar al een beheerder woonde of zo iemand, dan sliep hij. We liepen er zwijgend aan voorbij en sloegen linksaf het pad in, het duin op. Even later liepen we onder een poort door. 'Geheiligd is de grond die gij betreedt' stond erboven. Aan de andere kant was een tableau met de namen van alle mensen die er begraven lagen. Robbie had al snel gevonden wat hij zocht:

"Hier heb je d'r: J.J. Schaft ligt op nummer 22, graf 16. We zullen eens gaan zoeken."

We verspreidden ons. Wessel liep aan de overkant en Robbie liep met Nastasja in zuidelijke richting. Ik bleef in de buurt van de toegangspoort, en las de grafopschriften. De meeste teksten waren religieus getint. Er stond dan bijvoorbeeld: ' Wees getrouw tot in den dood en ik zal u geven de kroon des levens' Andere teksten waren religieus en patriottisch tegelijk: ' God belone uw vaderlandsliefde in het hemelse vaderland '. Een enkeling was gevallen voor de revolutie: 'De strijd van het proletariaat is zwaar, maar wij zijn onoverwinnelijk.' Hier lagen diverse soorten van helden, broederlijk naast elkaar.

"Moet je voor de aardigheid deze zien", zei Robbie, "'Vol geestdrift gaf hij zijn leven voor het vaderland'. Dat is toch onvoorstelbaar! Hoe oud is die knaap geworden? 24 jaar! Een normale jongen van die leeftijd gaat vol geestdrift achter de wijven aan. Dit is toch wel kitsch van het ergste soort."

"Maar denk eens aan de familie van die jongen", wierp ik tegen, "Die zijn hun zoon kwijt. Dan is het toch een hele troost als dat niet voor niks is geweest, dat hij is gevallen voor de bevrijding."

Daar wilde Robbie niets van weten:

"Het deugt niet. Waar het mij om gaat is de hele romantiek die eromheen gehangen wordt. Je bent 20 jaar, ze trekken je een uniform aan en ze laten je marcheren. Er wordt je niks gevraagd. En even later vliegen de granaten om je oren. Je moet meedoen. Als je dat niet doet ben je een deserteur en dan word je in de rug geschoten. Doe je het wel, dan schieten ze je kop aan flarden. Denk je nou echt dat die jongens enthousiast het slagveld op rennen? Ze hadden niks te kiezen, het is een smerige leugen. De meeste soldaten zijn bang en ze willen naar huis. De stront loopt ze dun door de broek. Eigenlijk is dit allemaal behoorlijk walgelijk."

"Vanmiddag zei je nog dat iedereen er altijd op uit is om te vechten" zei Wessel, "Alles is oorlog of zoiets. Ben je van mening veranderd?"

"So what? Ik bedoelde dat iedereen wil winnen, maar niemand wil sneuvelen. Iedereen wil generaal zijn, maar niemand soldaat."

"Je vergeet dat het hier om verzetsmensen gaat. Het zijn geen soldaten die worden gestuurd, het zijn mensen die er zelf voor hebben gekozen", zei ik.

Toen zag ik de grafsteen waar we naar zochten. Natasja zag hem ook en liep me achterna. De andere twee bleven staan.

"Goed", antwoordde Robbie.

Hij had het niet meer tegen mij.

"Het is hetzelfde heroïsche gedoe. Ik geloof er niet in. Waarom gingen de meeste jongens in het verzet? Stel je voor, de verschrikkelijke saaie jaren dertig. Geen cent te makken en je verveelt je de pleuris. En dan komt de bezetting: eindelijk gebeurt er iets. Ik geloof dat de meeste jongens in het verzet gingen om precies dezelfde reden waarom anderen naar het oostfront gingen. De zucht naar avontuur, en niks geen heldendom. Weg bij moeders pappot, eindelijk op eigen benen. En dat ze uiteindelijk hier zouden komen te liggen, daar dachten ze geen moment aan. Geloof mij nou maar, hadden ze dat van tevoren geweten, dan was er geen verzet geweest. Dooie helden bestaan niet. Een held is iemand die teveel risico's neemt en er nog mee wegkomt ook."

Wessel was kwaad:

"Je gaat te ver. Er liggen hier mensen die hun mond hielden toen ze werden verhoord. Ze zijn doodgeschoten omdat ze hun kameraden niet wilden verraden. Dat zijn helden. Daar kun jij nog een puntje aan zuigen."

"Jij gelooft alles wat op een zerk gebeiteld staat !"

"Jij weet altijd alles beter, je staat altijd klaar met je commentaar. Eigenlijk ben je nogal een zak, Robbie. Je steekt nooit je nek uit en je hebt altijd wat te zeiken over mensen die dat wel doen."

"Ik ben geen held, als je dat bedoelt. Daar schaam ik me niet voor. Geen van al die helden die hier liggen heeft de oorlog ook maar een minuut korter gemaakt. Ze deden hun ouders en hun vriendinnetje meer plezier als ze waren blijven leven. Jij windt je op over al die mensen die hun leven zo graag geven voor vorst en vaderland en de vrijheid en weet ik wat al niet. Je zou je beter kunnen opwinden over al die bombast. De Duitse kerkhoven liggen ook vol. Die zijn dan weer enthousiast gesneuveld voor Führer en Vaterland. Hadden ze gewonnen, dan stond je nu waarschijnlijk te snotteren aan het graf van een Duitse held die geestdriftig zijn leven gaf tegen het internationale Jodendom."

"Hier is het, jongens."

Ik onderbrak hun discussie en wees op de eenvoudige grafsteen, in de hoek van het vak. 'Jannetje Johanna Schaft' stond erop en alleen de tekst: 'Zij diende'. Niks geen heldendom, gewoon: 'zij diende'. We keken even en liepen daarna zwijgend terug naar de toegangspoort. Bij de berg boeketten van de herdenkingsplechtigheid hield Wessel stil.

"Wat wou je nou eigenlijk beweren", vroeg hij, "Wil je zeggen dat het niet uitmaakt in wat voor een systeem we hier leven? Dat er niets de moeite waard is om voor te sterven?"

"Als je het mij vraagt, nee. Er is geen verheven idee waar ik mijn leven voor zou geven."

"Laat ik het anders zeggen. Is er niets de moeite waard om voor te leven?", hield Wessel vol.

"O, dat wel. Zat leuke dingen. Het geld, de drank, de vrouwen. Daar zou ik een moord voor doen. Maar om ergens voor te sterven...."

"Als de geallieerde soldaten er in de Tweede Wereldoorlog ook zo over dachten, dan waren we nooit bevrijd geweest. Dan brachten we nu hier de Hitlergroet."

"Dan hadden we ook gevonden dat we bevrijd waren, jongen", zei Robbie op vaderlijke toon."Dan had jij net zo emotioneel gedaan over de helden die voor ons hadden gevochten tegen het goddeloze Bolsjewisme. Als jij vindt dat er idealen zijn om voor te sterven, ga gerust je gang. Be my guest. Maar het zijn altijd jongens die er niks mee te maken willen hebben die het leger in moeten. Ze worden naar de slachtbank gebracht met de fanfare voorop en de aalmoezenier erachteraan. Ze sneuvelen bij bosjes voor God en Vaderland. En bij de vijand gaat het er net zo aan toe. Als je idealen hebt, dan staat er ook altijd iemand in de weg en die moet dood. En daar ga ik van over mijn zeik. En nu moet ik echt zeiken, en dat ga ik mooi hier even doen. Even de bloemen water geven."

Nu liet Natasja zich eindelijk horen:

"Je lààt het! Heb jij nergens respect voor? Als je moet pissen, doe je het maar ergens anders. Niet hier. Smeerlap! Gatverdamme!"

"Stil maar meisje. Papa maakt een geintje. Nee, nou even serieus, Wessel. Vertel mij nu eens waar jij graag voor zou willen sterven. Voor het vaderland? Is Nederland nou echt zoveel beter dan België of Duitsland? Of wil je liever sterven voor de Revolutie, je zegt het maar. Of de Vrijheid misschien?"

"Waarom zou je niet voor de vrijheid vechten?"

"Vrijheid? Het is allemaal humbug, het betekent niets! De een zijn vrijheid is de ander zijn dood. De Duitsers vochten voor de vrijheid, tegen het Juk van Versailles! De Russen vochten voor de vrijheid van het internationale proletariaat. De Amerikanen voor het vrije ondernemerschap. Iedereen zijn eigen vrijheid, iedereen zijn eigen waarheid."

"Ik geloof wel degelijk dat er dingen zijn om voor te vechten", verklaarde Wessel, "Er is zoiets als gerechtigheid, als solidariteit. Er worden mensen onderdrukt. En voor die mensen is bevrijding een heel concreet iets."

"Ach, schei toch uit jongen. Je praat als de Baader Meinhof groep. Schiet een werkgever dood, dan help je de onderdrukte massa's. Weet je wat ik geloof? Ik geloof dat die massa's helemaal geen anti-imperialistische revolutie willen. Ze willen een kleuren-TV en een Opel Kadett en ook nog een lekker mokkel voor in bed. Hé, dat rijmt!"

"Doe even niet zo lollig, man. Zou het jou niet uitmaken of je in een democratie of in een dictatuur leefde?", probeerde Wessel nog.

"Natuurlijk niet. En het zou jou ook niet kunnen schelen. Als ik in het Derde Rijk was opgegroeid, dan vond ik het nazisme natuurlijk het beste systeem. Net zoals Russen die zweren bij het communisme. Je weet toch niet anders? Waarom denk je dat oude mensen altijd vinden dat alles beter was toen zij jong waren? Dat is omdat je de wereld waarin jij bent opgegroeid altijd het beste vindt. En daar vind je altijd wel wat redenen voor."

"Maar voor jou gaat dat kennelijk niet op. Jij staat daarboven."

"Dat moet je niet zeggen. Misschien ben ik wel zo'n nuchtere jongen omdat ik in een ontnuchterend milieu ben opgegroeid. En daar weet je helemaal niets van."

"Je lult je er wel weer lekker uit. Maar je kunt mij niet wijs maken dat jij graag bij de Hitlerjugend had gezeten."

"De mooiste tijd van mijn leven! Maar dat zeggen ze nooit hardop natuurlijk."

"Ja, zo lust ik er nog wel een. Kom, laten we naar huis gaan", zei Wessel.

Dat deden we.

En zo kwam er een eind aan zo maar een dag op stap met Robbie.

09 El Pacifico

Ik werd opgebeld.

"Met Hans", zei een mij onbekende stem.

"Hans wie?", vroeg ik.

"Dat doet er even niet toe", kreeg ik als antwoord, "Ik heb jouw telefoonnummer van Robbie. Jij bent op zoek naar woonruimte en je wilt kraken. Klopt dat?

"Eh, ja..."aarzelde ik.

"Mooi. Luister, door de telefoon kan ik niet veel vertellen. Kom donderdagavond 8 uur naar het kraakcafé aan het Haarlemmerplein. Vraag maar naar Hans van het spreekuur. Kun je dan?"

"Ik denk het wel", zei ik.

"Oké, tot dan. De mazzel!"

En dat deed ik dus. Het kraakcafé heette 'De Vergulde Koevoet' en bleek een donker hol met affiches en graffiti aan de muur. Ik keek rond. Er waren niet veel mensen en niemand keurde mij een blik waardig. Een grote poster riep op tot verzet tegen de ontruiming van het Waterlooplein. 'Stop de stopera' stond er op. Hier en daar was een afbeelding gespoten van een struisvogelkop, die sterk op de burgemeester leek. En ook Dr. Rat was langs gekomen met zijn spuitbus. Die was bekend van alle muren en schuttingen in de stad. Er stonden oude stoelen en tafels en de bar was een oude toonbank. Aan de muur hing een zwarte vlag met een krakerssymbool. Een cirkel met een pijl in de vorm van een bliksemschicht. Vroeger hadden we thuis een Opel Record, en die had hetzelfde embleem voor op de motorkap. Ik vroeg de jongen achter de bar ietwat bedeesd naar Hans. Hij wees naar een man aan het tafeltje bij het raam. Een gezicht van houtsnijwerk, hoekig, met scherpe lijnen. Hij had kort stekelhaar en een leren jack. Hij gebaarde dat ik bij hem moest komen. Ik gaf hem een hand:

"Mathieu Castermans."

"Hans", zei hij, "gewoon Hans."

Ik herkende zijn stem. Hij sprak een geaffecteerd soort Nederlands, wat ik bij een kraker niet verwachtte. Met het hoofd achterover en de wenkbrauwen opgetrokken leek hij op me neer te kijken, terwijl hij zat en ik stond. Ik ging maar zitten.

"Luister, Mathieu. We hebben op het moment twee panden op het oog. Eén in de Staatsliedenbuurt en één in Oost. Eerst de Staatsliedenbuurt: Johan Melchior Kemperstraat, een pand met vier etages. Er is al een groep uit de buurt die gaat kraken. Er is nog plaats voor een paar bewoners, je kunt je bij hen aansluiten. Heb je ooit gekraakt?"

Ik schudde m'n hoofd.

"Je kunt met ze meedoen, dan heb je wat ervaren mensen om je heen. Maar ik weet niet of ze jou zien zitten. Je kunt eens met ze gaan praten, misschien is het wat voor je. Er is nog een andere mogelijkheid, maar dan moet je nog wat geduld hebben. Er komt op het Iepenplein een heel blok woningen vrij. Die gaan we demonstratief kraken."

Hij legde op zakelijke toon het hoe en waarom uit:

"Ze gaan slopen en ze willen luxe appartementen bouwen. Want sinds de metro daar ligt stijgen de prijzen van de grond. Dus bouwen ze kantoren, hotels, luxe appartementen en andere beleggingsobjecten. Daar zijn we tegen, want er zijn 60.000 woningzoekenden en die schieten daar niks mee op."

Hij vergat om er iets van woede in te leggen.

"We kraken dus in dit geval uit protest en daar willen we ook de publiciteit mee halen. Als je meedoet, verwachten we dat je je actief inzet. En je komt niet alleen, je zoekt er wat mensen bij. Een stuk of vier. Mensen die te vertrouwen zijn en met een beetje lef. Ze moeten gaan kraken met de bedoeling om er te gaan wonen. Dat geldt voor jou dus ook. Denk er over na. Als je voor de Staatsliedenbuurt kiest, moet ik het snel weten. Anders heb je nog wel even de tijd, maar bel me in ieder geval vòòr eind augustus."

Hij krabbelde zijn telefoonnummer op de rand van een paar pamfletjes en reikte me die aan.

"Hier, en lees dit in elk geval door. Oké, dat was alles. Nog een ding: kijk een beetje uit tegen wie je erover praat. De mazzel, Mathieu."

Hij gaf me een hand en bleef zitten. Ik werd geacht te gaan, dat was wel duidelijk.

Buiten voor de deur bekeek ik de velletjes papier. 'Kraakhandleiding' stond er boven. Er werd uitgelegd hoe je te werk moest gaan als je gaat kraken. Wat je tegen de politie moet zeggen en hoe je met de huiseigenaar moest omgaan, dat soort dingen. En wat je moest doen als je werd gearresteerd. Ik kreeg opeens het gevoel dat het menens was. Waar begon ik aan?

Nu ik toch in de buurt was kon ik eigenlijk wel even bij Robbie langs gaan. Die had per slot van rekening kraker Hans op mijn pad gestuurd. Ik had hem nauwelijks meer gezien sinds de 4e mei. Wessel ook niet trouwens. Ik zat midden in een tentamenperiode en ik zag weinig mensen. Toen ik het pakhuis binnenkwam stuitte ik op een muur van dozen, die vlak achter de voordeur stonden opgestapeld.

"Hai, Rob, ik ben het!", riep ik.

Hij begroette me van weerszijden van de dozenmuur.

"Wat zit er eigenlijk in?", wilde ik weten, nadat ik me door de nauwe doorgang een weg gebaand had.

Hij had in de chaos van ongeregelde goederen een open plek gemaakt, door alle kisten en dozen naar de kant te schuiven en op elkaar te stapelen. In de vrijgekomen ruimte was hij bezig om een motorfiets uit elkaar te halen.

"Chocola", antwoordde hij, "Er zit chocolade in. Een speciaal soort chocolade met allerlei voedzame rotzooi erdoor. Vult goed en bederft niet. Legerspul. Proeven?"

Hij veegde zijn handen af aan een poetsdoek en maakte een doos open. Het smaakte niet slecht. Wel hard, maar niet onsmakelijk.

"We zullen eens koffie zetten. Het is goed dat je er bent, dan kun je mooi even helpen vasthouden."

Hij liep naar het keukentje boven en zette een koffiezetapparaat aan. Daarna togen we aan het werk. Het motorblok moest voorzichtig uit het frame worden getakeld. Hij had mij nodig om het ding op zijn plek te houden.

"Ik ben bij het kraakcafé geweest", zei ik. "Ah, ze hebben je gebeld. Rob zei al dat hij iets voor je wist. Wat had hij te bieden?"

"Nou, het was Hans, geen Rob."

"Ook goed. Hou hem even schuin naar je toe. Schuiner! Ja! Houen zo."

Het blok kwam los.

"Nou, vertel eens, leek het je wat?"

Ik vertelde welke voorstellen me gedaan waren.

"Ik zou maar oppassen met de Staatsliedenbuurt. Er zitten daar heel veel krakers en er zit een hoop gajus tussen. Als ik jou was, zocht ik wat vriendjes bij mekaar en ging ik lekker naar Oost. Misschien dat Wessel er wat voor voelt. Of die Natasja, kun je nog lol aan beleven."

Robbie grinnikte.

"Ze vroeg nog naar je", zei ik.

"Zal best", zei hij ongeïnteresseerd, "Wessel van de week nog gezien?"

"Een tijdje geleden, in Limburg. Ik zie hem niet vaak. Hij werkt en ik heb tentamens."

"Dan heb je het grote nieuws nog niet gehoord? We gaan op reis, je broer en ik."

Hij gaf een vriendschappelijk klopje op de tank.

"Ik moet naar Bologna, en Wessel gaat mee. We gaan over een dag of tien denk ik. Tegen die tijd heb ik hem wel rijklaar. Ik heb nog het een en ander te regelen in Italië. En hij moest maar eens mee, vond ik."

Robbie hield ervan om 's zomers per motorfiets half Europa door te reizen. Dan bleef hij hier of daar een tijdje werken, of hij ging bij vrienden langs. Hij had wel eens met een circus meegereisd, opbouwen en afbreken. Of hij ging in het najaar druiven plukken in Frankrijk. Af en toe stuurde hij een kaartje, bij voorkeur natuurlijk uit oorden als Berchtesgaden of Bayreuth. Kennelijk was het weer eens tijd.

"Jullie gaan met de motor?"

"Ja, waarom niet? Wessel kan achterop. Ik ga naar kennissen, dus we hoeven niet veel mee te nemen. Hij moet er even uit, daar is hij aan toe. Laat ik eerlijk met je zijn: ik kan geen reet met die jongen op het moment. Jij hebt het over tentamens, maar daar hoor ik hem nooit over. Hij werkt, dat is op zich prima. Gewoon hard werken, regelmaat, daar is niks mis mee. Maar hij raakt een beetje afgestompt. Hij werkt 's nachts en dan komt hij hier overdag en dan zegt hij helemaal niets. Hij maakt ook niks meer mee."

"Maar je wilt wèl met hem op vakantie?"

Robbie was zo beroerd nog niet.

"Ja, ik dacht zo, onderweg ben je anders, losser. Misschien doet het hem goed. Ik heb wel met hem afgesproken dat hij een beetje zijn eigen gang gaat. Ik heb daar nog wat dingen te doen. Schenk jij even de koffie in? Als ik het doe komt alles onder de smeer te zitten. Als je melk wilt, er staat poeder op het aanrecht. Ik ga even mijn handen wassen."

Ik ging vast naar boven, waar hij een keukentje gemaakt had en een soort leefruimte. Ik spoelde twee mokken om en schonk de koffie in. Toen werd er gebeld. Ik keek door de openstaande luiken naar buiten. Voor de deur stond iemand met een collectebus. En ja hoor, het was weer raak. Eerst spraken ze op gedempte toon, maar al gauw ging Robbie tekeer:

"Jullie zijn zo onnozel allemaal. Jullie geloven in sprookjes. Als het maar ver weg is, dat is lekker overzichtelijk. Als daar een stel negers met bommen gooit zijn het helden. En iedere veldwachter daar is een fascist. Geloof mij nou maar jongen, als jij in Zuid Afrika woonde, dan was je maar wat blij met zo'n fascist voor de deur. Zo gauw jij het kunt betalen, koop jij een huis in een buurt waar geen Surinamer te bekennen is. Schiet op en belazer een ander."

Hij deed de deur dicht en kwam naar boven.

"Hè, dat doet een mens goed, jongen. Je moet op zijn tijd even iemand op zijn nummer kunnen zetten. Dat is nou een van die kleine genoegens die het leven zo aangenaam maken. Een mens heeft niet veel nodig om gelukkig te zijn, wat jij? 't Is toch jammer dat Wessel dat nou niet ziet, hè?"

"Moet dat nou zo?", zei ik. "Die jongen bedoelt het toch goed?"

"Natuurlijk bedoelt hij het hartstikke goed, mijn beste Mathieu. Daar twijfel ik niet aan. Maar ja, dat is niet genoeg, hè. Heb je een ideaal, dan moet je ook offers brengen. Wat stelt het anders allemaal voor, nietwaar. Je moet tegenslagen overwinnen, de vijanden trotseren. Draken verslaan. En daar help ik die jongen een handje bij."

"Ik word soms zo moe van jou, weet je dat!", verzuchtte ik.

"Mensen die moe zijn kan ik niet gebruiken. Drink je koffie op, jongen. Aan de slag."

We bleven sleutelen tot over elven. Ondertussen deed Robbie een aantrekkelijk aanbod. Ik kon als ik dat wou in het pakhuis gaan wonen als hij weg was. Op voorwaarde dat ik overal vanaf bleef, dan. Het kwam mij prima van pas. Ik zou die zomer met Giel op vakantie gaan, maar wanneer we zouden gaan was allemaal niet zo duidelijk, in elk geval nà de WK-finale. Echt weer Giel, daar kon je nooit eens iets duidelijks mee afspreken. Daar had ik al eens vaker ruzie over gehad. Hij kwam ook nooit op tijd. Voorlopig had ik geen geld, ik zou eerst een paar weken gaan werken bij een behangfabriek in Duivendrecht. Dan is Amsterdam Noord toch wel erg ver weg. Het pakhuis, dat trok me wel. En hoe meer ik over de voorstellen van kraker Hans nadacht, hoe minder zin ik nog in de Zilverberg had.

***

In de late lente van dat jaar, aan het begin van een warme avond wilde ik gaan fietsen naar Broek in Waterland. Mijn fiets stond boven, uit oogpunt van veiligheid en gemak. Met de fiets was ik zeker een minuut eerder van mijn kamer bij de keuken. Het ding paste nèt in de lift, maar het kostte aardig wat manoeuvres om hem er beneden er weer uit te krijgen. Terwijl ik daarmee bezig was ging de andere lift open. Er kwamen twee meisjes naar buiten.

"Mar!", riep ik meteen, maar dat was overbodig, we zagen elkaar tegelijkertijd.

Ze was niet veel veranderd. Haar haren waren zo blond als vlastouw, haar gezicht wat magerder, maar verder was ze dezelfde als altijd. De tuinbroek hield met moeite haar uitbundige lijf binnenboord. Het contrast met het andere meisje was aanzienlijk. De één dik en dominant, de ander tenger en timide. De één kort geknipt en in een tuinbroek, de een ander met donkere golvende haren, gedrapeerd over blauwe fluwelen schouders. Mar riep uit:

"Mathieu! Verdomme man, eindelijk zie ik je eens. Hoe is het ermee?"

"Goh, Mar!", bracht ik uit, "Dat is lang geleden!"

"Drieëneenhalve maand vorig week precies", zei ze.

We lachten en toen was het even stil.

"Nou weet ik even niet wat ik moet zeggen", hernam ze, "Dat overkomt me nooit. Maar er is zoveel....Wacht! Ik stel je even voor. Of kennen jullie elkaar al? Jullie zijn buren, feitelijk!"

"Ik ben Annique", zong het meisje met een zachte stem.

Ze stak me haar hand toe.

Nou, en dit is dus Mathieu. Je weet wel, het broertje van Wessel. Nou zie je hem eens. Hij woont hier toch al een half jaar of zo. Ken je hem echt niet?"

Mar klonk opgewonden.

"Nee, nooit gezien", zong Annique, terwijl ze me bekeek met donkere ogen.

Het spitse gezicht, als van een knaagdier was me ook onbekend. Ik wist zeker dat ik haar anders herkend zou hebben.

"Heb je iets te doen?", vroeg Mar opgetogen, "We gaan uit eten in de stad, ga mee! We hebben zoveel te bepraten. Of heb je iets belangrijks vanavond?"

"Nee, dat niet. Maar je zou met haar gaan eten. Ik weet niet of...."

"Het lijkt me leuk, Mathieu", zei Annique.

Ze kon natuurlijk ook moeilijk zeggen dat ze het niks vond. Maar het zat wel goed. Ze keek me halfverlegen lachend aan. Ik wilde mee, al was het maar om haar te beschermen tegen een boze buitenwereld. Een kwetsbaar, schichtig eekhoorntje dat de weg naar het bos niet meer terug kon vinden. Ze had niets te zoeken in Amsterdam-Noord, dat paste meer bij een bulldozer als Mar.

"Zet je fiets weg, we gaan met de auto", zei het eekhoorntje resoluut.

Het drong even niet tot me door.

"Oh, .. eh.. Ik kom zo. Wacht even, ja?", vroeg ik en ging weer terug, met de lift naar boven.

Ik fietste in volle vaart door de gang naar mijn kamer en daar keek ik naar beneden. Ik zag ze lopen. Annique ging bijna helemaal schuil achter Mar. Ze stonden stil bij een knalgele Simca 1000. Mar liep naar de andere kant van de auto, terwijl Annique naar haar sleutels zocht. Een vleugje wind speelde door d'r haren en trok plooien in haar blauwe hemd. De fluwelige stof aaide even over haar borsten. Beetje klein, die borsten. Ik liep naar de spiegel en haalde een kam door m'n haar. Daarna haastte ik me naar de lift.

Annique had een pittige rijstijl. Ze sleurde het Simcaatje genadeloos door iedere bocht en binnen enkele minuten kwam de IJtunnel in zicht.

"Als je nou wilt weten hoe Wessel eruit ziet", zei Mar tegen Annique, "dan moet je je eigenlijk Mathieu voorstellen, maar dan langer, meer spieren en lang haar en een baard."

Annique keek naar me in de spiegel.

"Ik denk dat ik kort haar leuker vind staan", zei ze.

We reden de IJ-tunnel door. Wat zou ze van me denken? Wat had Mar over me verteld? Ik hoopte dat ze niets wist over toen. Als ik Annique wilde imponeren moest ik extra mijn best doen. Aan de andere kant, waarschijnlijk was mijn naam nauwelijks gevallen. Wat had Mar mij over Annique verteld? Ook helemaal niks.

"Waar gaan we eten?", vroeg ik.

"Zeg het maar, we staan open voor suggesties", zei Mar.

"Ik weet een Mexicaans restaurant", zei ik tegen de achteruitkijkspiegel.

Donkerbruine ogen keken terug. Warme, zoete, cognacbruine ogen.

"In de Warmoesstraat. Je moet er wel vaak wachten tot er plaats is. Maar het eten is lekker en het heeft een heel aparte sfeer. Er hangen sombrero's aan de muur, en alles is geschilderd in blauw met oranje. Of oker meer, hele warme kleuren. Ik ben daar wel gevoelig voor, hoe het eruit ziet. Folkloristische kitsch, daar hou ik van."

Mar zei dat ze het kende.

"El Pacifico. Je kunt het beste parkeren aan de prins Hendrikkade. Dan moet je hier meteen rechtsaf."

Wat had ze toch een harde, platte stem. We moesten inderdaad wachten.

"Ten minutes. You can have a drink at the bar", zei de Amerikaanse serveerster.

Mar was er vaker geweest en ze wist wat er te drinken viel. Daar heeft zij weer feeling voor.

"Tequila is lekker. Da's sterke drank. Je hebt ook Mexicaans bier, Corona. Daar vind ik niks aan. Maar waarom doen we niet eens decadent? Hebben jullie wel eens een Magarita gehad? Dat is een soort cocktail met tequila en limoensap en nog zo wat. Maar let op, waar het om gaat is het randje van je glas. Daar doen ze zout op. Heel speciaal."

"Wat is dat daar?", wilde Annique weten.

Op een tafeltje in de buurt stond een hoog glas met een geelrood drankje.

"Tequila Sunrise. Ook lekker, maar toch wat te zoet naar mijn smaak."

We namen alledrie een ander drankje en we proefden van elkaar. De lippen van Annique tegen mijn cocktail, mijn lippen tegen de hare. Ik gaf het glas door.

"Tequila Sunrise. Dat is een liedje van de Eagles", zei ik.

Mar kende het niet. Ik zong een regel voor. Nog steeds geen herkenning.

"Doorzingen!", zei Mar.

Ik maakte een afwerend gebaar, maar Mar kreeg bijval van Annique.

"Ja, toe! Je kunt vast heel mooi zingen. Of durf je niet?", daagde ze me uit.

Natuurlijk durfde ik niet. Wie gaat zitten zingen in een vol restaurant? Ik ben geen podiumbeest. Maar Annique keek me verwachtingsvol aan. Ik moest lef tonen, gewoon dòen. Wat telt is de daad, en niet het resultaat.

"Nou goed", zei ik, "Ik kan niet zingen, hoor. Daar moet je niet op letten. Ik denk trouwens ook dat ik de tekst niet helemaal ken. Als je het géén gehoor vindt, moet je het zeggen, dan hou ik er onmiddellijk mee op ."

"Zeur niet, zing!" zei Annique.

"Oké dan. Het gaat zo: 'It's another tequila sunrise.'...", hernam ik. "Staring slowly 'cross the sky. I said goodbye'..."

Mijn stem was onvast en ik zat er als een zoutzak bij. Het klonk van geen kant.

"Verder!", dwong Mar.

Annique keek me geamuseerd aan. Ik zong verder.

"He was just a hired hand, working on the draines they planned to try....the days go by. And every night when the sun goes down; just another lonely boy in town..."

Ik kon hier toch niet mee doorgaan. Het was toch gênant voor iedereen.

"Verder weet ik het niet", zei ik, midden in de zin.

Ik nipte van mijn triple sec en vond het niet lekker. De serveerster had me gehoord.

"Go on: 'and she's out huntin' round'...."

Ik zong beleefdheidshalve nog een regel mee en onderbrak haar daarna:

"You sing better than me", zei ik

"Better than I", beweerde ze, "I have a table ready for you. Please follow me."

Aan tafel ging Mar tussen ons in zitten en nam het heft in handen.

"Terzake. Hoe is het met Wessel? Ik heb hem in geen eeuwigheid gezien. Bij de psychologenbond komt hij ook nooit meer. Als ik hem bel legt hij de hoorn eraf. En als ik hem schrijf, dan antwoordt hij niet. Ik weet niet wat ik nu nog kan doen. Het is géén stijl, vind je niet? Zo mag hij toch niet met mij omspringen? Ik kan me best indenken dat hij kwaad is, maar trek dan je bek open."

Ze was opeens in alle staten, zonder enige waarschuwing. Ze overdonderde me met haar verontwaardiging.

"Ik ben toch verdomme geen oud lor dat je zomaar weg kunt gooien! Wat vind je er nou zelf van. Mathieu, zeg op! Het ìs toch ook geen stijl? Natuurlijk had ik niet zo achterdochtig moeten zijn en er zal ook wel niks gebeurd zijn. Maar laat hij er over praten! Ik mag toch ook wel eens een fout maken? Hij mag wel jaloers zijn en ik niet. Je had hem moeten horen over ons toen. Wat is er nou helemaal gebeurd tussen jou en mij? Dat betekende niks toch? Het is meten met twee maten. Dat is gewoon niet eerlijk."

Opeens knapte er iets. Ik had hier zo ontzettend geen zin in. Dat zelfbeklag. Die onberekenbare uitvallen van d'r. Dat flikte ze me net een keer te vaak. Het raakte me niet meer. Ze had het recht niet om zich te beklagen. Ik had gehoopt dat Annique niets gezegd had over ons en nu begon ze er luidkeels over, in een vol restaurant. Ze zou toch op zijn minst ook om mij kunnen denken? Die nacht met haar bijvoorbeeld. Dat had voor mij wel iets betekend, ze zette me compleet voor paal. Dat liet ik me niet gebeuren.

"Mar, hou op!", zei ik, "Hou godverdomme op. Ik heb jou zitten verdedigen tegen Wessel. En nou moet ik het zeker weer voor hem opnemen. Ik doe hier nou eens niet aan mee. Zoeken jullie het lekker zelf uit. Als je me daarom hebt meegevraagd, dan ga ik nu weg."

Toen ik het gezegd had, bedacht ik dat ik dat eigenlijk ook moest doen. Ik had lang genoeg met me laten sollen. Het speet me dat Annique hier getuige van moest zijn, maar ik had ook mijn zelfrespect. Wat dacht ze wel.

"Wat denk jij wel, ben je helemaal van de pot gerukt!", voegde ik er woedend aan toe, "Dat van jou en mij toen, dat vond ik niet niks, dat was bijzonder. Dat Wessel daar niet aan wil snap ik. Maar jij zou beter moeten weten. Jij hebt mij gewoon besodemieterd. Het kan jou allemaal geen reet schelen! Je trekt me je bed in als je iets met Wessel hebt te schaften, en je neemt me mee uit eten als je contact met hem zoekt. Ik ben je boodschappenjongen niet, als je dat soms denkt. Dat ik òòk gevoel heb, dat schijnt niet tot je botte kop door te dringen. Loeder."

Er was geen weg terug meer. Het was genoeg. Ik stond op en trok mijn portemonnee:

"Hier, voor het drankje."

Ik smeet twee rijksdaalders op tafel en liep de straat op zonder om te kijken. Hoe haalde ze het in haar hersens. Waar haalde ze het lef vandaan. Wessel had gelijk gehad, ze had me gewoon gebruikt. Ik had me laten gebruiken, als een gewillige geile puber. Aan Wessel had ik me niets gelegen laten liggen. En ook dat was vooral haar schuld, vond ik.

"Mathieu!", klonk het achter me, "wacht!"

Annique kwam achter me aanrennen door de Warmoesstraat.

"Wacht nou even. Je oordeelt te snel", zei ze, "Die meid heeft het niet gemakkelijk gehad. Je broer heeft haar gewoon de deur uit gezet. D'r spullen uit het raam gegooid. En hij verdomd het om met haar te praten. En jij laat haar nou ook weer stikken."

Ze had mijn arm vastgepakt. Ik bleef staan.

"Het was echt niet haar bedoeling om jou te kwetsen."

"Dat had ze dan maar eerder moeten bedenken!", blafte ik, met meer venijn dan ik eigenlijk wilde, "Heb jij ook maar een flauw benul van wat er allemaal gebeurd is?"

"Ik weet dat ze met jou naar bed is geweest. Dat was stom. En ik moet me er misschien niet mee bemoeien, maar jij hebt niet het recht om kwaad te zijn. Je bent zelf ook niet zo'n lekkertje geweest. De vriendin van je bloedeigen broer! Ze krijgt nou overal de schuld van. Dat heeft ze niet verdiend. Ze was echt blij dat ze je zag!"

"O ja? Ze had anders gerust langs kunnen komen. Ze weet waar ik woon, ze heeft mijn telefoonnummer. Maar ik interesseer haar niet. Zij interesseert mij ook niet meer. Ik had me nooit met haar moeten inlaten."

"Maar daar is het nu te laat voor. Je moet haar helpen, Mathieu. Praat met d'r. Kom nou mee!"

Ze haakte haar arm door de mijne en leidde me terug. Mar zat met betraande ogen op me te wachten. Ik ging tegenover haar zitten. Ze keek me aan.

"Sorry, Mathieu. Ik ben helemaal niet eerlijk met je omgesprongen. Ik sla nu eenmaal soms op hol. Sorry."

Ze snoot haar neus in het servet. 'Original Mexican Cookery' stond er op. Er viel een beklemmende stilte. Wat werd er eigenlijk van me verwacht? Ik wist niet hoe ik de draad weer moest oppakken. Hoe konden we weer normaal doen? Wat had ik ook al weer gezegd voordat ik wegging? Annique nam het woord:

"Je moet het Mar niet kwalijk nemen. En je moet ook niet weglopen. Wat er gebeurd is allemaal, nou - dat is nu eenmaal zo. Ik denk dat we het toch over Wessel moeten hebben. Anders blijven we zwijgen."

Zo was het. Mar pakte mijn hand vast, met veel dramatisch vertoon.

"Hoe is het nou met hèm?"

Ik gaf me gewonnen.

"Nou, ik weet het niet."

"Ik zie hem niet veel. Hij schijnt te werken bij de Volkskrant, in de ploegendienst. Volgens Robbie slaapt hij slecht."

"Hoe komt dat dan?"

Ze vroeg het hoopvol.

"Ik heb geen idee", zei ik naar waarheid.

"Misschien ligt dat aan die nachtdiensten. Niet iedereen raakt daaraan gewend. Ja, in het begin dacht ik dat hij je miste, maar nu weet ik dat niet meer."

Ik vertelde over de afgelopen maanden met Wessel. Hoe hij tegen haar beschuldigingen aankeek. Dat hij het niet kon hebben dat er aan zijn eerlijkheid getwijfeld werd. Ik vertelde hoe ik haar verdedigd had. Hij was toch ook jaloers geweest, toen met die vrijpartij van Mar en mij. Hij zou toch moeten weten hoe dat voelt. Ik vertelde meer. Maar ik had net zo goed niets kunnen vertellen. Mar hield haar eigen agendapunten bij.

"Heeft hij iets met een ander?"

"Mens, dat doet er toch niet toe! Hoor je eigenlijk wel wat ik je zit te vertellen?"

Ik werd weer kwaad.

"Geef je eigenlijk überhaupt iets om Wessel, of denk je alleen maar aan jezelf?"

"Je hebt weer gelijk. Sorry."

Haar hele strijdbare houding was verdwenen. Zoveel waren we wel opgeschoten. De serveerster kwam weer.

"I hate to interrupt, but I'd like to serve now, please. Otherwise it'll all burn. And there are still people waiting, you know."

Ze keek er geamuseerd bij, alsof ze wilde zeggen: ruzietje, kan gebeuren, vertel mij wat, ik weet er alles van! Nou heb ik iets eigenaardigs met eten. Ik doe het normaal al graag en dat is me aan te zien, dat weet ik. Maar als de emoties hoog oplopen, dan kan ik wel een paard op. Hoe iemand mij met Wessel kan verwarren is me ook al in dat opzicht een raadsel. Het eten was heerlijk, ik kwam weer helemaal bij. Mar had ook haar draai weer gevonden, maar zo opgetogen als in het begin werden we toch niet meer. Ze vertelde me hoe het haar was vergaan. De eerste dagen had ze er naar verlangd om Wessel uit te kunnen uitschelden en om ruzie te maken. Slaan, schoppen, krabben, als ze maar contact met hem had. Maar Wessel had de deur in haar gezicht dichtgesmeten, hij stuurde al haar brieven terug en schold haar uit voor 'loopse zuipschuit' toen ze opbelde. Daarna had ze krampachtig geprobeerd om hem te vergeten. Er kwamen andere mannen, echte hufters soms. Eén had ze letterlijk met de broek op zijn enkels de deur uitgetrapt. Ze moest nog wel eens aan mijn woorden denken. Inderdaad, niet alle mannen zijn hetzelfde. Nu wist ze dat je Castermannen had, slijmde ze en je had de rest. Na het toetje wilde ze nog naar een terras, maar voor mij hoefde het niet meer.

"Gaan jullie maar, ik pak wel een bus", zei ik.

"Nee"zei Annique,"Ik ga ook niet mee. Ik drink toch niet meer, ik moet nog rijden en ik moet op tijd naar bed. Ik breng jullie allebei wel thuis."

Ik vouwde me achterin het Simcaatje. Onderweg in de auto zei Mar dat ze Wessel wilde ontmoeten. Kon ik daar niet voor zorgen? Ik zei niks toe, ik zou erover nadenken. Het afscheid was toch nog onverwacht hartelijk. Annique gaf gas.

"Moest je echt zo snel al naar huis?", vroeg ze, terwijl ze terugscheurde over het Overtoom.

"Ik mòest niet, ik zei dat ik naar huis wilde", zei ik. "En dat meende ik, ik vond het wel even genoeg. Het was een overdosis Mar."

Ik zocht in de spiegel naar een blik van verstandhouding. Die kwam niet.

"Waarom ging je eigenlijk met haar naar bed?", vroeg ze onverwachts, "Was je verliefd?"

"Waarom? Het liep nu eenmaal zo. Zij begon en ik ging erop in", zei ik naar waarheid.

"Jij hebt eigenlijk nergens een antwoord op, hè?"

Er zat geringschatting in haar vraag.

"Vind je? Misschien is dat wel zo, ja. Ik doe meestal gewoon wat me invalt", zei ik.

"Maar als je nou zelf zo impulsief bent, waar haal je dan het recht vandaan op kwaad te worden op Mar? Die doet ook wat haar gevoel d'r ingeeft", zei ze.

"Tja", zei ik, "Zo heb ik het nog niet bekeken."

Ik had geen zin om spitsvondig te zijn. Ik was het allemaal een beetje moe geworden. Ze ging er niet op door.

"Je zei niet veel vanavond. Ben je altijd zo stil?", vroeg ik haar na een stilte.

"Soms", zei ze, "Jullie hadden genoeg te bespreken en ik had niets te zeggen."

Bloosde ze nu? Ik kon het niet goed zien, in de schemering. Het motortje loeide nijdig achter ons. Ze joeg haar Simca de IJtunnel in.

"Ik denk dat ik ook rijles neem", zei ik, om weer iets te zeggen.

"Moet je doen."

En even later:

"Dan hoop ik dat je het sneller haalt dan ik. Na 73 lessen en drie keer op examen."

"Je reed zeker te snel."

"Te slordig en te snel. Hoe weet je dat?"

Ze glimlachte.

"Maar het lag ook aan de rijschool. Ga niet lessen bij Reesink. Het is een heel aardige man, maar je leert er niets."

En zo zeiden we af en toe nog wat tegen elkaar, totdat we voor de ingang van de Zilverberg stonden.

"Bedankt voor de lift", zei ik.

Op de heenweg smolt ik weg voor haar en nu was ze me eigenlijk teveel moeite. Ik begreep mezelf niet meer. Ik kon haar vragen of ze mee ging om iets te drinken, maar ik had niet zo'n puf. Ze was me voor:

"Ik had je graag nog even mee naar binnen gevraagd, maar ik moet morgen weer vroeg op."

We zwegen en liepen naar binnen. In de lift zei ze:

"Maar we zien elkaar vast nog, hè?"

"Daar hou ik je aan!", antwoordde ik routinematig.

Ik moest eerder de lift uit dan zij. Zouden we zoenen? Ik vatte moed, boog me naar haar toe en zoende haar vol op de mond. Net iets te lang voor een vluchtige kus, tot ze zich los maakte.

"Nou, tot kijk. Het was leuk", zei ze.

Ik kwam net op tijd om naar SOAP te kijken. Dat was mijn favoriete programma, toentertijd.

10 Broek in Waterland

Ik wist niets, helemaal niets van haar. Annique hoe? Waar woonde ze? Haar auto, dat was een aanknopingspunt. Ik sprong uit bed en keek. Weg. Tegelijkertijd bedacht ik me dat ze had gezegd dat ze vroeg op moest. Dat was in elk geval geen smoes geweest. Wat had ik nou in godsnaam allemaal gezegd? Ik had dat stomme liedje zitten zingen en dat was gênant. En wat moest ze denken van mijn geneuk met Mar? Ze vond me natuurlijk een zak. En ik maar bazelen over hoe zuiver het allemaal was geweest.

Het was nu half negen. Ik kleedde me aan, nam de lift naar beneden en keek op de brievenbussen of er een Annique bij zat. Niks. Misschien bij de andere ingang? Maar ook daar woonde geen Annique. Ja, wel een Anneke. Zou ze eigenlijk Anneke heten? Heette ze A. de Koning. Of A. Luijten? Er waren meer A's. Maar welke? En als ik haar adres wist, wat dan? Wilde zij iets met mij? Ze had me gewoon een lift gegeven, meer niet. En toch had ze me mee naar boven willen vragen, ze had zich laten zoenen. Of maakte ik nu mezelf iets wijs? Stel je voor dat ze met me uit wilde. Ik zou indruk op haar moeten maken, haar meenemen naar iets spectaculairs. Ach, ik kon beter niet teveel plannen maken, dat is niet goed. Dan ben je zo je spontaniteit kwijt. Maar ik moest ook weer niet te vlot zijn, ze is zelf nogal zwijgzaam, dacht ik. Misschien schrikt dat af. We moesten eerst maar eens zien uit te vinden wie ze was en waar ze woonde. Ik had het Mar kunnen vragen, maar dat was mijn eer te na. Van Mar wilde ik geen gunsten. Ik ging bij het raam zitten, wachtend op haar terugkomst. Een knalgeel autootje zou niet snel aan mijn aandacht ontsnappen en ik had nog genoeg leeswerk. Ik pakte de Thackeray waar ik mee bezig was, maar het wilde niet lukken. Toen schoot het me te binnen: de rijschool! Ze was op rijles geweest bij Reesink. Ik holde de gang door, naar het telefoonhok. Toen ik het juiste nummer had gevonden kreeg ik mevrouw Reesink aan de lijn. Nee, haar man was er niet, die werkte. Nee, ze kende natuurlijk niet iedereen die hij les gaf. Ja, vanzelfsprekend kon ze wel iets in de administratie opzoeken. Zij hield alles bij, alle afspraken en alle betalingen. Maar wat wilde ik eigenlijk weten en waarom?

"Het is misschien een beetje raar, maar ik ben op zoek naar het adres van een meisje. Ik ken alleen haar voornaam. Ze heet Annique", hakkelde ik.

"En waarom denkt u dat ze bij ons bekend is?", vroeg de vrouw achterdochtig.

"Nou, het is een beetje aparte naam. Misschien dat u zich haar kon herinneren, dacht ik. Ze heeft rijles bij u gehad."

Ik moest nou toch wel met een verhaal op de proppen komen.

"Eh, ja, ziet u... Ze zat tegenover me in de trein en ik hoorde haar zeggen dat ze bij Reesink had gelest. En eh... ze liet haar portemonnee liggen en ik dacht dus..."

"Dan brengt u die maar naar de politie!"

Ze vertrouwde het niet. De waarheid dan maar? Een verliefde jongeman, was dat niet vertederend, voor een vrouw op leeftijd?

"Ach mevrouw, laat ik het maar zeggen, ik ben verliefd op haar."

"Zeg, doe me een lol", zei ze vinnig, "Ik heb nog meer te doen vandaag", en hing op.

Ik installeerde me maar weer voor het raam met een kop koffie en de krant. Ik keek naar buiten. Vrouwen met boodschappentassen, een brommer, een busje, verder niets. Ik keek in de krant. Nieuws over de moord op Aldo Moro en over de Urenco-kwestie. En een hoop gedoe over Zuid-Libanon. Gedonder en gedoe, verder niets. Ik kon er mijn aandacht niet bijhouden. Te ongedurig. Hoe laat was het? Nog geen tien uur. Als ik nou alle verdiepingen afging. Ergens zouden ze een Annique moeten kennen. Dan moest ik wel een aannemelijke reden hebben om aan te bellen. Stel dat er een brief bij mij bezorgd was, met alleen "Annique"erop. Ik wilde die natuurlijk bezorgen waar hij thuishoorde. Een uitstekend idee, leek me. Ik scheurde een paar velletjes van het schrijfblok, vouwde ze in vieren en deed ze in een envelop. Nog even uit het raam kijken: nog steeds geen gele Simca te zien. Dan moest het er maar meteen van komen. Ik ging eerst naar de verdieping boven me. Ik kon elk van de 22 bellen nemen. Of de bel van de keuken, daar was de algemene ruimte. Ik belde aan met knikkende knieën. Geen reactie. Ik begon op willekeurige bellen te drukken. Bij de derde bel deed er iemand open, maar die kende geen Annique. Op de verdieping ernaast had ik evenmin succes en een etage hoger ook niet. Maar op de verdieping dààrnaast werd meteen open gedaan.

"Hallo. Ik kom van de tweede", zei ik, "Er is bij mij een brief bezorgd voor ene Annique. Woont hier soms een Annique?"

"Ja, wacht even", zei het meisje en riep in de richting van de keuken:

"Annique, iemand voor je aan de deur!"

En daar stond ze dan.

"Mathieu!", riep ze verrast.

"Jezus", stamelde ik, ook verrast terwijl ik de brief achter mijn rug hield.

"Je moest toch weg vanochtend? Ik dacht dat je weg was?"

"Ik ben alweer terug hoor. Kom je binnen?"

Ik volgde haar naar de keuken.

"Maar, je auto stond er niet. Ik dacht..."

Ik was mijn verbazing nog niet te boven gekomen.

"Die is niet van mij, maar van Tom. Daarom moest ik vroeg op, hij moest de auto hebben."

"Wie is Tom?", vroeg ik argwanend.

"Tom is mijn vriend", antwoordde ze rustig.

"Je vrìend?"

Ze had een vriend. Natuurlijk had ze een vriend, dat ik daar niet aan had gedacht. Dat viel even koud op het dak.

"Ga zitten", zei ze.

Weer die warme stem. Er trok een rilling over mijn rug. Ik ging zitten en moffelde de envelop weg. Natuurlijk. Alles aan haar vroeg erom, gekoesterd en bewonderd te worden. Waarom zou ze géén vriend hebben? Waarom zou ze in godsnaam iets in mij zien. Wat zat ik hier te doen?

"Hij moest naar Maastricht voor een bridgetoernooi."

"Wie?", vroeg ik afwezig.

"Tom", antwoordde ze, "Mijn vriend, weet je nog?"

Ze lachte.

Het andere meisje keek me brutaal aan.

"De brief!", commandeerde ze.

"Oh, dat is niks", zei ik vlug.

"Jawel", hield ze vol.

"Hij heeft een brief voor je, Annique."

Ze grijnsde uitdagend.

"Die is bij hem bezorgd en hij wist niet waar je woonde."

"Een brief? Voor mij?", vroeg ze verbaasd.

"Nou, eigenlijk niet", sputterde ik nog tegen.

Maar de ander liet niet los:"

Hij zìt erop, kijk maar."

Dat was waar, ontkennen hielp niet. Ik haalde hem tevoorschijn en overhandigde hem.

"Maar het is niets", zei ik nog.

Ze maakte hem open en bekeek de lege velletjes. Ze begreep het niet. Het andere meisje barstte uit in een kwaadaardig gelach:

"Snap dat dan, joh! Hij ìs op je."

"Ach, hou nou op!", probeerde ik nog, "Ik wou je gewoon nog een keer zien en ik wist niet waar je woonde. En toen bedacht ik dat smoesje met die brief."

"Maar hoe wist je dan dat je hier moest zijn?"

Ze begreep het nog niet.

"Dat wist ik niet, ik ben gewoon overal gaan aanbellen."

Nu schoot Annique ook in de lach. Ik wist niks beters te doen dan schaapachtig wat mee te lachen.

"Ik weet niet goed wat ik zeggen moet. Dat je zoveel moeite doet", zei ze, "Ik moet me vereerd voelen, denk ik."

De spontane benadering die ik van plan was geweest, daar kwam niet veel van terecht. Ik zat er schutterig en afwachtend bij. Zou ik maar weer gaan?

"Ach wat een droppie!", sneerde haar huisgenoot, "Ik vind het echt wel een scheetje hoor. Waarom hou je hem niet, voor erbij?"

"Let maar niet op haar", suste Annique, "Laten we naar mijn kamer gaan."

Haar kamer was dezelfde als de mijne, maar dan aan de oostkant. Toch was alles anders. Mijn kamer bevatte gewoon mijn spullen, maar haar kamer was ingericht, met zorg. Er stonden allerlei Aziatische dingen: Boeddhabeeldjes, Wajangpoppen en gebatikte doeken. Bij het raam bloeide een oranjerode Hibiscus en aan de muur prijkten kleurenfoto's van rijstvelden. Er hing een collectie grote rode en gele vlinders, opgeprikt achter een glasplaat met het opschrift 'Malaysia 1973' . Maar de muur was beplakt met oer-Hollands bloemetjesbehang en voor de ramen hingen degelijke ouderwetse gordijnen. Naast haar bed stond een fauteuil en een tafeltje met daarop een grote ouderwetse schemerlamp met een roze kap. De lamp rustte op een gipsen beeld, dat een bloot engeltje voorstelde. Een wonder van wansmaak. Haar kamer was als zo'n ansichtkaart die twee afbeeldingen laat zien als je hem beweegt. Ik zat op het bed. Keek ik recht voor me uit dan verkeerde ik in Indische sferen. Keek ik om me heen, dan was ik in een poffertjeskraam.

"Dus je hebt me gevonden. En nu, wat waren verder je plannen?", vroeg ze.

"Verder? Verder weet ik het eigenlijk nog niet", zei ik eerlijk.

"Jij doet echt alles wat je zomaar invalt, hè? Wie weet was ik hier helemaal niet van gediend. Maar je hebt veel moeite gedaan om me te vinden. Vind ik wel leuk, hoor."

Misschien liep het nog goed af, allemaal. Eerst even wat op en neer praten om te bekomen van de schrik.

"Waar ken je Mar eigenlijk van?"

Een goede opening.

"Ik ken haar van de wasserette. Ja, echt. We zaten allebei te wachten op de witte was en we raakten in gesprek. Zo is het gekomen, eigenlijk."

"En toen zijn jullie vrienden geworden?"

"Ja, zo op en af hoor. Soms zie ik haar een hele tijd niet, en dan spreken we maar weer eens af. Toen het pas uit was met je broer, toen ben ik heel veel met haar opgetrokken."

Ze was heel wat spraakzamer dan de voorgaande avond. Ik begon me wat meer op mijn gemak te voelen.

"Mar had het over een vriendin op de Zilverberg. Daar was ze mee op reis geweest."

"Klopt, dat was ik. Het was maar een paar dagen Berlijn. Ik ben niet zo'n reiziger. Amerika of naar India. En dan rondtrekken."

Ze moest mij zien van mijn meest avontuurlijke kant.

"Voor mij hoeft dat niet. Maar ik zou nog wel eens naar Maleisië willen", zei Annique.

Haar vader werkte bij de Shell, vertelde ze. Ze was als kind de hele wereld al rond geweest. Ze groeide op in Venezuela, in Saoedi-Arabië en ook in Maleisië. Mij leek dat opwindend, maar ze had er geen goede herinneringen aan:

"Je ziet eigenlijk overal alleen maar mensen van de Shell. De plaatselijke bevolking maak je nauwelijks mee. Je kent alleen de andere kinderen van de internationale school en die blijven nooit lang. Of je moet zelf weer verhuizen. Ik ben als kind eigenlijk altijd veel alleen geweest. Het kost me nog altijd moeite om me aan iemand te hechten. Laat mij maar een tijdje op één plaats, dat is beter."

"Maar je hebt ondertussen wel veel van de wereld gezien", leek mij.

"Dat wel. Maleisië is prachtig, hoor. De natuur daar. Of in Brunei. Heb je wel eens van Brunei gehoord? Ik ben twee keer naar Bandar geweest. Je hebt daar van die tropische moerassen. Een paradijs gewoon. Daar zou je eens heen moeten gaan."

"Waar ligt dat?", vroeg ik me af.

"Op Kalimantan", zei ze. "Wacht."

Ze pakte de atlas uit de kast en kwam naast me zitten. Ze onderwees me in de geografie van haar kindertijd. We zaten samen met de kaart op onze schoot, de knieën tegen elkaar en ik kon haar lichaam naast me voelen. Zou ik mijn arm om haar schouders leggen? Terwijl haar vingers door zeestraten waadden en over bergruggen aaiden, plantte ik mijn arm achter haar haar. Ze schoof iets weg, bijna onwillekeurig en vertelde verder.

"Ik wil over een paar jaar een keer terug, ik ben al aan het sparen. Na mijn artsenexamen."

"Je doet medicijnen?", vroeg ik verbaasd.

Ik had me van alles bij haar voorgesteld, maar geen medicijnen. Iets zachts en poëtisch, een of andere taal of kunstgeschiedenis, oké. Maar eerstejaars medicijnen moeten meteen al snijden in lijken.

"Ja, wist je dat niet?"

Ze keek me geamuseerd aan. Ik stelde me voor hoe ze eruit zag in een witte doktersjas.

"Er is veel wat ik nog niet over je weet. Daar moeten we wel wat aan doen", bepaalde ik.

"Luister. Gisteren wilde ik gaan fietsen, toen ik jullie tegenkwam. En dat wil ik nog steeds. Naar Broek in Waterland. Ga mee."

Alsof dat de droom van iedere jonge vrouw was: Broek in Waterland! Tot mijn stomme verbazing wilde ze wel afspreken. Maar ze liet me ook beloven dat ik zou polsen hoe Wessel stond tegenover een wederzien met Mar. Veel voelde ik daar niet voor, maar mijn wederzien met Annique was me wel wat waard.

*****

Twaalf vierkante meter, de norm voor een studentenflat in de jaren '70. Dat gold voor mijn kamer, en ook voor die van Wessel. Alleen leek zijn kamer meestal veel voller. Hij regeerde over een rijk van stapels. Altijd stapels boeken, stapels elpees, stapels papieren en stapels van nog zo wat. En alles dubbel weerspiegeld door Louis Quinze, onder de barst en boven de barst. Het eerste dat me opviel was dat hij zijn baard had afgeschoren. Het tweede dat zijn kamer was opgeruimd. Hier heerste een nieuwe zakelijkheid. Sporen van studie, of überhaupt van enige intellectuele bedrijvigheid waren afwezig. Het was leeg in de kamer. Het weerzien met Wessels gezicht, na twee jaar beharing, maakte indruk. Ik zag een gespierde man met lange haren en een doorgroefd, grauw gelaat. Een man in zijn hemd.

"Je ziet er slecht uit, man", zei ik. "Zie je nog wel eens wat daglicht?"

"Och", zei Wessel, "Koffie?"

Hij had al een kan klaarstaan en slofte weg om melk uit de koelkast te halen. Toen hij terugkwam had hij een sigaret tussen zijn lippen.

"Ik moet wel om half elf weg", zei hij schuchter en ging zitten.

"Sorry."

Waarvoor hij zich verontschuldigde was me niet duidelijk. Zijn beleefdheid vergrootte mijn ongemak. Ik kwam met een geheime agenda. Het plan was om terloops in het gesprek een opmerking over Mar te laten vallen en te kijken hoe dat viel. Dan moesten we wel een gesprek hebben.

"Waar is je baard gebleven?", begon ik.

"Te warm", zei Wessel, "Te zweterig".

Wessel had een asbak, groot genoeg voor een hele rokende familie. Maar de tientallen shaggies waren allemaal op dezelfde manier opgerookt. In die asbak lagen ook klokhuizen, wat ik zelf altijd heel onsmakelijk vind. Je sigaret wordt er nat van.

"Wat doe je nou precies bij die krant?", vroeg ik.

"Ik smelt lood."

Onder zijn bed ontwaarde ik één van de verloren stapels. 'Hilgard, Atkinson & Atkinson'las ik. En 'A.D. de Groot: Methodologie'. Hij had de studie nog niet geheel afgeschreven.

"Is dat niet hartstikke giftig? Adem je dat ook in?"

"Ze geven je veel melk te drinken."

Hij likte aan de plakrand van een nieuw shagje. Lood of nicotine, het maakte niet uit voor Wessel. Ik keek naar zijn gespierde bovenarmen.

"Zwaar?", vroeg ik.

Hoe korter mijn zinnen, hoe langer de zijne, daar gokte ik op.

"Dat gaat, dat gaat", zei Wessel.

Het schoot niet op. Hij nodigde me ook niet uit om zelf een verhaal af te steken. Ik draaide ook maar eens een sigaret en besloot de stilte zijn werk te laten doen. Ik dronk mijn koffie, hij de zijne. Zwart. Van Wessel wist ik iets over gesprekstechniek: wil je ze laten praten, herhaal dan wat ze zeggen.

"Dat gaat?", vroeg ik.

Het werkte.

"Een cilinderplaat is elf kilo", zei hij, "Ik laat er iedere nacht tientallen in de smeltbak glijden. hoeveel weet ik niet. Veel."

"Slecht voor je rug."

Ik reageerde meteen, ieder vonkje kan een vuur worden.

"Valt mee. Het grootste risico is de rand van de smeltbak. Moet je kijken."

Hij liet me zijn onderarmen zien, met rode striemen en brandwonden. Hij trok zijn mond tot een grijns.

"Ik draag handschoenen, maar die zijn te kort."

Hij had ook van die grote handen.

"Hoe zijn je collega's?", vroeg ik.

Meer aanmaakblokjes.

"De chef is een gestoorde gek, maar met de anderen kan ik het wel vinden. Ik schaak in de pauze met een ouwe marinier."

"Een marinier?"

"Ja, het is stom werk. Iedereen kan het doen. Er werken allerlei mensen. En die marinier is geen domme jongen. Een goeie schaker."

"En de chef is een gestoorde gek?"

"Ja." Er volgde geen uitleg, Wessel zweeg weer. De truc werkte niet altijd.

"Wat ga je doen in Italië?", vroeg ik om het over een ander boeg te gooien.

Wessel had nog geen idee, zei hij. Hij zou wel zien. En als het niet leuk was zou hij wel terugliften. Het klonk alsof hij er nog niet zo'n zin in had, alsof hij alleen meeging om Robbie een lol te doen. Misschien was dat ook wel zo. Ik moest naar de wc en toen ik terugkwam zag ik dat het bij tienen was. Een terloopse opmerking zat er niet meer in. Dan maar plompverloren.

"Ik zag Mar van de week", zei ik.

Wessel schrok en kreeg zowaar een kleur.

"Waar?", wilde hij weten.

Ik vertelde niet alles, alleen dat ik haar op straat gezien had, in de stad. Ze had mij niet gezien, zei ik. Hij wilde weten hoe ze eruit zag, of ze was veranderd. Ik had in elk geval een reactie. Hij ontdooide wat.

"Ben je eigenlijk nog kwaad op haar?", ging ik door.

De brandstof vatte eindelijk vlam:

"Natuurlijk ben ik kwaad op haar. En niet omdat ze vreemdging en niet omdat ze jaloers is. Ik ben kwaad op haar om wat ze me heeft afgepakt. Ik heb zo mijn best gedaan om haar weer te vertrouwen en dan flikt ze me dit. Wat we hadden was fantastisch, daar heb je geen idee van. En dat heeft ze me afgepakt. Al die discussies, tot 's ochtends vroeg. Vrijen in het Amsterdamse bos. De ruzies, ook. De verbale stoeipartijen. Ik mis haar lijf, ik mis haar hoofd en wat daar allemaal in omging. Ik mis samen wakker worden. Plannen maken. Het is allemaal weg, de magie is weg. Ik heb haar misschien teveel geïdealiseerd, dat doe je misschien wel altijd bij je eerst grote liefde. Maar ze heeft de betovering verbroken. Ze heeft zichzelf omlaag gehaald en mij erbij. Ze is afgedaald tot het niveau van een keukenmeidenroman. Ik denk nu dat ze nooit een barst van me gesnapt heeft. Ik ben niet meer kwaad op haar. Ik ben kwaad op mezelf, wat heb ik in mijn hoofd gehaald. Ben ik nou zo gek? Mijn zelfvertrouwen is naar de knoppen en ik weet niet meer wat ik moet. Dat neem ik haar kwalijk. Ze heeft teveel kapot gemaakt."

"Misschien is het maar beter zo", opperde ik, "Mar is gewoon iemand van vlees en bloed. Iemand met nukken en onhebbelijkheden. Net als jij. Niemand is volmaakt, dat moet je ook niet willen."

Natuurlijk had ik gelijk. Niemand is volmaakt.

Nou ja, behalve Annique dan, dacht ik tegen beter weten in. Dat Wessel iets soortgelijks voor Mar zou hebben gevoeld leek mij meer dan bizar.

"Het gaat me nu allang niet meer om Mar", zei Wessel, "Ik loop vast in alles wat ik doe. Laat mij maar gewoon lood smelten, dat is overzichtelijk. Ik moet me omkleden, sorry."

Hij trok een oude trui aan en zocht zijn schoenen.

"Wessel?", vroeg ik nog, "Stel je voor dat je haar ergens tegenkomt, op straat of zo. Hoe zou je dat vinden?"

Hij kwam overeind en keek me aan.

"Weet je dat ik daar vaak aan gedacht heb? Soms denk ik dat ik haar zie lopen, en dan ben ik teleurgesteld als ze het niet is. Maar als ze het wel zou zijn, ik weet niet wat ik met haar zou moeten. Weet je wat het is? De oorlog is voorbij, maar het veld is nog bezaaid met mijnen. Snap je? Gelukkig zijn er nachten met lood om te smelten. Ik moet gaan, joh. Ik vond het leuk dat je er was. Meen ik."

Een paar maanden geleden liep ik nog bij hem in en uit. Nu bedankte hij me voor het bezoek, als een grootvader die het fijn vindt dat zijn kleinzoon nog eens naar hem omkijkt.

*****

Het was prachtig weer en daar had ze zich op gekleed: een korte rok, een mouwloos T-shirt en sandalen. Dat meisjesachtige uiterlijk contrasteerde bij de oude, degelijke opoefiets met van die tassen. Ik prees me gelukkig dat ze met me wilde gaan fietsen. Alleen die Tom van haar zat me dwars.

"Hoe lang ken je hem al?", vroeg ik, toen we goed en wel op weg waren.

"Hm, een jaar of vijf. Eigenlijk al zolang als ik in Nederland woon", antwoordde ze. "Hij woonde bij ons in Putten. We fietsen altijd samen naar de muziekschool, daar ken ik hem van. We spelen nu ook samen in een band. Tom is heel belangrijk voor me. Voor dat ik hem kende heb ik eigenlijk nooit echte vrienden of vriendinnen gehad. Toen hij naar de toneelschool wilde in Amsterdam, wilde ik hier ook heen. Ik ben gelukkig ingeloot, maar anders was ik een andere studie gaan doen. Maar wel naar Amsterdam."

"Je bent gek", verklaarde ik.

Die jongen was belangrijker dan haar studie. Dat zag er serieus uit. Maar waarom wilde ze dan toch met mij op stap? Dat ik iets met haar wilde, moest haar toch duidelijk zijn.

"Maar nu over jou", zei ze, "Jij komt uit het zuiden, hè."

"Nee, nog even over Tom. Als hij zo belangrijk voor je is, waarom gaan jullie niet samenwonen?"

"Je bent wel nieuwsgierig, hè. Maar goed, ik zou dat best wel willen, alleen Tom wil dat niet. Hij wil een gezonde relatie tussen onafhankelijke individuen, zegt hij. Geen verdere verplichtingen."

Even trapte ze zwijgend door. Daarna vervolgde ze:

"Hij is een sterke persoon. Ik hou daar van, sterke personen. Mar is ook een sterke persoon."

Veel mensenkennis had ze niet.

"Eigenlijk hebben jullie dus helemaal geen vaste relatie, Tom en jij", stelde ik hoopvol vast.

"Jawel hoor. Maar daarnaast hebben we ieder ons eigen leven. We zien elkaar in elk geval een keer in de week, als de band repeteert."

Ik moest niet doorgaan op het thema Tom.

"In wat voor een band speel je?", vroeg ik.

"Een soort kleine bigband eigenlijk. We zijn met z'n zessen. We hebben drie blazers. Ik doe de saxofoon en ik zing ook. We spelen funk, jazz, oude bluesnummers, van alles wat. Zo heet de band ook, 'All Kinds Of Everything'. Maar nu genoeg over mij. Het lijkt wel een ondervraging. Jij bent aan de beurt."

Ik begon te vertellen. Ik vertelde waar ik vandaan kwam en wat ik studeerde en hoe ik over de Zilverberg dacht. Ze luisterde. Ik vertelde dat ik ging kraken. En dat ik voorlopig in het pakhuis van Robbie ging wonen. Ik vertelde over mijn vakantieplannen en over de behangfabriek. Ze stelde steeds nieuwe vragen en luisterde geduldig en belangstellend naar alles wat ik zei. Naar haar relatie met Tom vroeg ik niet meer. Annique antwoordde openhartig op al mijn vragen, maar toen ik eenmaal losbarstte zei ze weinig meer. Ik praatte veel te veel, maar dat gaf allemaal niet. Dat tekent mijn begintijd met Annique: het gemak waarmee we met elkaar omgingen. Naarmate een relatie voortduurt wint de stilte terrein. De spanning wijkt, de verhalen worden sleets, de liefde moet concurreren met vergaderingen en het huishouden. Maar in de vroege zomer van 1978 was daar nog geen sprake van. De lucht hing vol beloften. Onder het fietsen praatte ik de vonken van mijn tong om Annique te boeien en ze luisterde geamuseerd. Op de Durgerdammerdijk, een kilometer voor de dorpskern, vertelde ik dat we nu langs het IJsselmeer reden. Dat kon je van de weg af niet zien, dus zetten we de fietsen tegen elkaar en klommen over de dijk. De zon was heet en het water zag er koel uit.

"Zullen we zwemmen?", vroeg ik.

"Maar ik heb niets bij me. Geen zwemgoed, bedoel ik", aarzelde ze.

"Ik ook niet, maar dat geeft niet. Er is hier niemand die je ziet."

"Maar jij wel!", protesteerde ze.

Ik beloofde dat ik me gedragen zou.

"Nou, goed dan", gaf ze zich gewonnen.

Ze trok haar sandalen uit en daarna haar hemd en haar rok. Het laatste ging het behaatje uit. Ze hield haar slipje aan en dat deed ik dus ook maar. Ik gooide mijn kleren op een hoop tussen de stenen en sprong in het koude water. Annique bleef nog wat talmen aan de kant. Ze legde haar kleren keurig op een stapeltje.

"Kom nou! Het water is heerlijk!", riep ik terwijl ik op mijn rug wegzwom.

Daarna draaide ik me om en zwom verder. Even later voelde ik een grote kei onder me en ik probeerde erop te gaan zitten. Hij was glad van de aangegroeide algen en ik gleed weer het water in. Annique kwam mijn kant op gezwommen. Ik klom weer op de kei en zocht meer houvast. Ze ging naast me zitten.

"Pas op dat je er niet afglijdt."

Ik wilde haar helpen, maar ze zat al, met haar de knieën kuis opgetrokken voor haar borstjes. Haar haren waren natte bundels touw, wat haar gezicht voller en ronder maakte. Ze liet het hoofd rusten op haar elleboog en keek dromerig mijn kant op. Ik vond haar een plaatje. Giel noemde me dweepziek, toen ik het hem vertelde. Maar Giel is dan ook een buitengewoon platte figuur. Hij begreep niet, zei hij, dat ik op dat moment niets bij haar probeerde.

"Die griet vraagt toch om een beurt, begrijp dat dan, oen! Ze zit op je te wachten, ze is zo geil als boter! En jij gaat zitten zwijmelen. Man, man, wat ben je toch een blöde Schwärmer!"

Opeens gaf ze me een zet, waardoor ik van de kei afdonderde. Ze sprong in het water en zwom weg. Ik zette de achtervolging in, maar ze zwom beter dan ik. Toen ik eindelijk aan de kant kwam greep ik haar vast en werkte haar ondanks tegenstribbelingen weer het water in. Na een kwartiertje stoeien klommen we weer de oever op om op te drogen in de zon. Ze sloot haar ogen. Ik niet. Haar bruine tengere lichaam was overdekt met kippenvel. Ze had kleine voeten en kleine borsten. Ik zag hoe haar tenen vochten met een kriebelend strootje. Ik bestudeerde haar lichaam, eerst met een platonische nieuwsgierigheid, tot ik door haar natte slipje heen een donker dons zag.

"Waar denk je aan?", vroeg ze.

"Ik kijk naar je. Je bent mooi."

"Dat moet je niet zeggen, hoor. Daar word ik verlegen van."

Ze hield haar ogen dicht.

"Dan weet ik me geen houding meer te geven."

"Is hij jaloers, die Tom?", vroeg ik.

"Tom? Nee hoor. Waar zou hij jaloers op moeten zijn?"

"Ik wel. Ik ben jaloers op hem", zei ik.

"Sssst. Zèg dat soort dingen nou niet. Laten we het leuk houden, ja?"

Ik had haar willen vertellen hoe mooi ze was, dat ik voor haar viel als een baksteen. Maar dat kon ik beter niet doen. Ze had Tom, en ik moest niet proberen om me daar tussen te wringen. Dit was waar ik voor het moment tevreden mee moest zijn: een fraai uitzicht.

"Zullen we weer gaan?", vroeg ze,"We fietsen nog wat verder, goed?"

We trokken onze kleren aan en liepen terug naar de fietsen. Toen we een stukje hadden gereden zei ze:

"Wacht even. Mijn rok wordt nat. Hou mijn fiets even vast."

Ze stapte af, trok haar natte slipje uit en stopte dat in haar fietstas.

"Dat is beter", zei ze.

Zo reden we verder, richting Zunderdorp. Ze vertelde dat ze bezig was om 'blues in the night'in te studeren. Kende ik dat? Ze zong me een regel voor.

"Jezus", zei ik, "Je zingt prachtig."

Ze had ècht een verrekt mooie stem. Ze zong het hele nummer uit, en ze leerde me de woorden. We zongen de hele weg, van Ransdorp tot Holysloot en van Brecht tot Boudewijn de Groot.

"Onder de groene hemel, in de blauwe zon, speelt het blinkend harmonieorkest in een grote regenton"

Tegen half zes bereikten we Broek in Waterland. Annique wilde met alle geweld trakteren op ijs. Ze ging een snackbar binnen, ik nam vast plaats op het terras. Vanuit het open raam kwam een opgewonden rumoer. Binnen werd heftig gediscussieerd over het WK-voetbal. Die was dat jaar in Argentinië, een land met een wreed generaalsbewind en er gingen stemmen op om de WK te boycotten. Tot woede van de Waterlanders, die vonden het allemaal onzin. Ze wilden voetbal, en verder geen gezeik. Ik keek op mijn horloge. Nog even en Italië-Hongarije zou beginnen. Het was geen ramp als ik dat miste. Maar misschien kon ik vanavond Duitsland nog zien spelen.

Annique kwam terug met twee hoorntjes. Ze reikte mij er een aan en ging zitten. Meteen daarop sprong ze weer overeind.

"Ai! Die stoel is heet!", riep ze.

Voor ze weer plaatsnam, streek ze haar rok zorgvuldig over haar geschrokken velletjes. Toen lachte ze naar me en likte het lekkende ijs van haar vingers. Op de weg terug was geen mens te zien en de meest uiteenlopende weidevogels waagden zich in het open veld. We fietsten door een verlaten paradijs, temidden van grutto's, fazanten en kluten. In de verte doemden de contouren van de hoofdstad op. Af en toe werd de stilte verbroken door het geluid van voetbalkijkend Amsterdam, dat opsteeg en wegstierf. Het kwam van een andere planeet. Wij waren alleen in de broeiende warmte van de vroege avond. Onder een zilveren hemel, in de gouden zon.

Terug in Nieuwendam was het over zevenen. We spraken af om samen te koken. Buiten was het nog warm, maar in de avondwinkel stond de airconditioning aan.

"Ik krijg hier nog een blaasontsteking", mopperde Annique. "Ik ga, als je het niet erg vindt."

Je moet ook geen boodschappen doen rond etenstijd. Ik kocht zachte broodjes, filet Americain, aardbeien en slagroom. Forel en broccoli en cashewnoten. Als de liefde door haar maag ging, dan zat het wel goed. Ik kocht ook een pak spaghetti en een fles Pina Colada, want dat vond ik wel iets voor een zwoele zomeravond. Thuis sprong ik snel onder de douche en ging aan de slag in de keuken. Dankzij het voetbal hadden we ook daar het rijk alleen. Toen de bel ging klopte mijn hart in mijn keel. Ik was de hele dag bij haar geweest en toch had ik weer de zenuwen.

"Hoi", zei ze.

We wachtten allebei af, hoe de begroeting zou uitvallen. Er gebeurde niets en we liepen naar de keuken.

"Ik heb allemaal lekkere dingen gekocht."

Ik wees naar de tafel waar ik mijn boodschappen op had uitgestald.

"Oh, leuk", zei ze een tikkeltje mat, "Zeg maar wat ik moet doen, dan help ik je. Zal ik aardappelen schillen of zo?"

"Je hebt andere kleren aan."

Ik probeerde niet teleurgesteld te klinken.

"Nou, ik bedoel eigenlijk.... Het hàd wel wat zoals je er vanmiddag bij liep. Na het zwemmen, bedoel ik."

"Niet doen, hoor je!", reageerde ze kwaad, "Niet van die opmerkingen! Dat wil ik niet."Ze stak het mes in de meloen en begon hem met moordlustige gebaren schoon te maken.

"Je zou je gedragen had je gezegd", voegde ze er nog aan toe.

"Sorry", zei ik.

Er was iets geknapt, de sfeer was weg. We werkten zwijgend verder. Toen de schaal in de oven stond en salade klaar was zei ze:

"Ik blijf niet lang. Tom staat om half tien voor de deur."

Ik bood haar een glas Pina Colada aan, maar ze wilde liever iets fris.

"Het spijt me dat ik net zo uitviel", zei ze daarna, "Maar je moet niet meer dat soort dingen zeggen. Ik denk dan dat je iets van me wilt wat ik niet wil. Ik ben niet goed in seks en zo. Ik wil dat allemaal niet. En ik heb ook Tom nog, daar moet je respect voor hebben."

"Oké", berustte ik.

"Iets anders. We moeten het nog hebben over Wessel en Mar", zei ze. "Weet je nou al wat je gaat doen? Gaan we proberen ze te koppelen?"

Ik zei dat ik nog altijd niet wist of hij haar weer wilde zien.

"Maar als we het nou eens zo doen, dat ze elkaar toevallig tegenkomen" stelde ze voor, "Je spreekt met hem af om samen ergens heen te gaan. En dan bel je mij en ik zorg dat Mar het weet."

Dat leek me nog niet eens zo'n gek idee:

"En dan mogen ze zelf uitzoeken, wat ze nog willen met mekaar."

Het was een bijzonder goed idee zelfs, het gaf mij een excuus om contact te houden met Annique. Ze schreef haar naam en haar telefoonnummer op. Onder het eten spraken we niet veel. Bij het toetje keek ze uit het raam, en daar stond de gele Simca weer.

"Ik moet gaan, ik laat je met de afwas zitten. Volgende keer bij mij, maak ik het goed, oké?"

Ik bracht haar naar de deur.

"Het was een hartstikke leuke dag. Je bent een lieve jongen", zei ze.

En opeens zoende ze me diep, met warme vochtige lippen. Daarna maakte ze zich los en zei dat ze moest gaan. Ze keek niet meer om. De avond bracht ik door voor de TV, terwijl ik me geheel misselijk at aan cashewnoten, pindarotsjes en chocolademousse. Pas toen ik de Pina Colada geheel op had, ging ik naar bed. West Duitsland won met 6-0 van Mexico.

***

Daags erna was ik er eigenlijk weer net zo aan toe als eerder die week. Goed, ik wist nu waar ze woonde. Waar ik aan toe was wist ik niet. Ze had Tom, en ze wilde geen avances. Maar ze had me ook behoorlijk vurig gekust, ze zei dat ze een hele leuke dag had gehad. Ze had me alvast bij haar uitgenodigd. De onrust had me weer volledig in zijn greep. Ik kon me onmogelijk concentreren op de Victoriaanse schrijvers en veel tijd was er niet meer tot aan het tentamen. Ik moest iets ondernemen. Ik kon niet weer bij haar langs gaan, het initiatief moest nu van Annique komen. Hoe kon ik haar daartoe bewegen? Misschien kon ik een feest geven met mijn verjaardag. Bij een groot feest kon ze Mar ook meenemen. Maar grote feesten kosten veel geld, en ik had zelfs nog geen cent voor mijn vakantieplannen. Beetje bij beetje rijpte het plan. Ik zou het feest moeten geven samen met iemand anders. Liefst iemand waarvan de kennissenkring grotendeels overlapte met de mijne, want dat halveerde mijn kosten per bezoeker. Veel mensen uit Limburg zouden er niet komen en aan een grote opkomst uit de Zilverberg had ik geen behoefte. De totale drankvoorraad zou binnen het uur verdwenen zijn in de kelen van mij onbekende buren. Ik kon het beste op zoek naar een studiegenoot als partner en naar een zaaltje in de stad. Voor de mensen die ik wilde uitnodigen was de Zilverberg immers erg afgelegen en voor mensen die ik niet wilde hebben te dichtbij. Een zaaltje huren zou de kosten weer opdrijven, maar ik kon natuurlijk toegangsgeld heffen. Een bijdrage in de kosten, in plaats van cadeautjes. Dan moest er natuurlijk wel wat tegenover staan, bijvoorbeeld dat er een bandje optrad. Kende ik niet iemand die in een band speelde? En zo kwam ik als vanzelf weer bij Annique terecht, de cirkel was rond. Je moest de zoon van een ondernemer zijn om zoiets te bedenken. Er waren natuurlijk details om uit te werken: wanneer, waar en met wie zou ik het organiseren? Ik moest beginnen met de wie vraag, want mijn compagnon zou mee willen beslissen over tijd, plaats en genodigden. Dat vond ik best, alleen de keuze van de band stond vast.

Ik belde bij haar aan en een lange jongen in een kamerjas deed open. Hij had dun rossig haar en een puntneus met sproeten.

"Kom je voor Annique?", vroeg hij met een donkere, slepende stem, "Die is even naar Albert Heijn."

"Oh", zei ik, "Dan kom ik straks wel terug. Zeg maar dat ik geweest ben. Mathieu, dan weet ze het wel."

Dus dat was Tom met zijn sterke persoonlijkheid. Hij deed me denken aan motregen. Ik wilde weggaan, maar hij vroeg me toch binnen te komen. We gingen naar de keuken, waar hij de krant zat te lezen.

"Ze zal zo wel komen. Wil je koffie?"

Hij schonk in zonder het antwoord af te wachten en ging verder met de sportbijlage. Hij was duidelijk niet uit op een gesprek.

"Heb je ook melk?", vroeg ik.

Hij verwees me zwijgend naar het aanrecht, waar een pot Completa stond. Ik zocht in de keukenla naar een lepeltje en strooide het poeder in de mok.

"Jij bent zeker Tom?", vroeg ik.

Hij keek op van zijn krant.

"Ja, en wie ben jij dan?"

"Ik ben Mathieu", herhaalde ik, "Annique heeft me verteld over haar band. Speel jij ook in, is het niet?"

"Ja", antwoordde hij trots, "Gitaar, trompet èn percussie. Heb je ons zien spelen?"

Zijn belangstelling was opeens gewekt. Ik kwam meteen ter zake.

"Ik zoek een band voor een feestje, over een week of wat."

"Wanneer precies? Als het niet in de vakantie is, dan kunnen we misschien wel", antwoordde hij net iets te gretig.

"Ik wil eigenlijk eerst wel eens horen wat jullie spelen. Heb je geen demootje of zo?"

Nooit te snel toehappen, hield ik mezelf voor. Zaken zijn zaken.

"Oh jawel hoor, kom maar even mee."

Ik volgde hem naar Anniques kamer. Haar bed was beslapen en zijn kleren hingen over haar leunstoel. Wat had die gozer wat ik niet had? Hij schoof de rode gordijnen opzij en opende het venster. Daarna rommelde hij wat in een laatje en duwde me een cassettebandje in de hand. 'AKOE's Tisch' stond erop.

"Akoestisch", zei hij, "De naam van de band heb ik bedacht, wel een leuke titel, niet? AKOE is de afkorting van 'All Kinds Of Everyhing'en Tisch is Duits voor tafel."

Het was een waardeloze woordspeling, maar daar zat ik niet mee.

"Leuk, hè?", vroeg hij nog eens en keek me schaapachtig aan.

Een onafhankelijk individu had Annique hem genoemd.

"Laat eens horen", commandeerde ik.

Hij haastte zich naar het cassettedeck. Even later klonken felle trompetjes, een vette bas en een prachtige vrouwenstem. Allesbehalve akoestisch, maar funky feestmuziek. Geweldige zangeres, ook. Op de cassette stonden alleen covers van bekende songs. Covers doen het altijd goed op een feest.

"Het is niet erg origineel, allemaal", zei ik zuinig, "Hebben jullie geen eigen nummers?"

Tom verontschuldigde zich en zei dat de cassette al wat ouder was. Ze werkten op het moment hard aan een eigen repertoire.

Binnen tien minuten hadden we een deal. Ze waren bereid op te treden voor tachtig piek, als vriendendienst, omdat ik Annique kende. We moesten het alleen nog eens worden over de datum. Op 30 juni was mijn laatste tentamen, het zou kort erna moeten zijn, anders waren de medestudenten op vakantie.

Ik was blij dat de zakelijke kant van de transactie aan Annique voorbijging. Ze kwam puffend binnen met twee volle boodschappentassen en ze zag er niet uit, vond ik. Ze droeg een bloesje met een kraagje en d'r haren had ze achterovergekamd. Toch bleef ze adembenemend. Echte schoonheid kun je niet verbergen. Toen ze me zag was ze op haar hoede. Ze kon niet direct inschatten wat Tom en ik hadden besproken.

"Jullie hebben al kennis gemaakt? Leuk", zei ze aarzelend, "Heeft Mathieu je verteld, dat we gisteren zijn wezen fietsen?"

"Nee. Hij kwam voor de band, dacht ik", zei Tom verbaasd.

Ik viel hem in de rede en vertelde Annique dat ik enthousiast was over de cassette die Tom me liet horen en dat ik blij was dat ze op mijn feest kwamen. In alle toonaarden roemde ik 'All Kinds', zoals ik ze in navolging van Tom was gaan noemen. Annique was aangenaam verrast. Ze vond het een prima deal en het leek haar wel een idee om Wessel èn Mar dan uit te nodigden. Over onze fietstocht sprak ze niet meer waar ik bij was. Het kwam me voor dat ze minder zeker van Tom was dan ze mij wilde doen geloven.

Nu de band geregeld was, toog ik verder aan het werk. Het vinden van een medeorganisator kostte me twee dagen bellen, maar uiteindelijk zag mijn medestudent Joop Streefkerk er wel wat in. Ik kende Streefkerk voornamelijk van gezicht, maar hij leek me wel oké. Bovendien wilde hij al langer eens een feest met een band organiseren, dus dat kwam goed uit. En wat meer is: hij deed al een paar weken vakantiewerk, hij was solvabel. Ik had geen rode cent. Over de gezamenlijke gasten en het besteedbare budget werden we het snel eens en de overige taken verdeelden we onder elkaar. Het moet gezegd: ik kon goed met hem samenwerken. Toen alle voorbereidingen getroffen waren kon ik mij eindelijk met een gerust hart wijden aan de 19e eeuwse literatuur. Het tentamen was met multiple-choice vragen en we hadden de uitslag nog dezelfde dag. Ik was geslaagd. Streefkerk niet en hij had er behoorlijk de pest in. Daags erna was het feest, op zaterdag 1 juli. We hadden een zaaltje gehuurd in een buurthuis in Oost en de beheerder had voorgesteld om de gebruikte consumpties achteraf te verrekenen. Over de drankvoorraad hoefden we ons niet druk te maken. Uiteindelijk zou dat nog heel voordelig uitpakken, gezien de loop van de gebeurtenissen die avond. Wessel en Robbie waren vroeg gekomen om me een hart onder de riem te steken. De band was net bezig toen Robbie weer vertrok, in het gezelschap van een meisje waaar ik de ganggenote van Annique in herkende. Dezelfde die mij voor paal het gezet met die brief. Nu liet Robbie zijn begerig oog op haar laten vallen. Net goed.

De band was een succes.Tom zonder meer stal de show. Zo iemand hoeft maar tegenover een publiek te staan en het is al spannend. Eerlijk is eerlijk. In het dagelijks leven maakte Tom een onbenullige indruk op me, maar op het podium groeide hij boven zichzelf uit. Die man bewoog zo soepel en vanzelfsprekend, dat mijn aandacht zelfs naar hèm uitging als Annique stond te zingen. Ik herken dat, als ik op een leeg toneel sta blijft het leeg en zo vergaat het Annique ook. Ze zong schuchter en ze bewoog als een hark. Maar wat een hark!

Ze had haar best gedaan om een verjaarscadeau te vinden waarvan ze dacht dat ik het waarderen kon: een songbook van de Eagles. Inderdaad, die van Tequila Sunrise. Ik had het eigenlijk wel gehad met de Eagles, maar dat kon zij natuurlijk niet weten. Voor het optreden van 'All Kinds' en ook tussendoor nam ik volop de gelegenheid om met Annique te dansen en te praten. Om Tom bekommerde ze zich niet en hij ook niet om haar trouwens. Ze hadden immers ieder hun eigen leven.

Mar kwam rond half tien, toen het al wat drukker begon te worden. Wessel had haar niet direct in de gaten, maar zij had hem zo gevonden. Wat er precies gebeurde kon ik niet volgen. Ik zag ze heftige gebaren maken en af en toe kwam Mars stem boven de muziek uit. Wat ze zei kon ik niet verstaan, maar ik kon me er wel een voorstelling van maken. Wessel leek te zeer overrompeld om terug te vechten. Wat later zag ik ze dicht bij elkaar aan een tafeltje zitten. Ze spraken op gedempte toon en hadden geen aandacht voor de mensen om hen heen. Tot slot zag ik ze dansen bij de band en ik had Wessel in geen maanden zo vrolijk gezien. Al met al was de verzoening in een uurtje gepiept. Ik stak mijn duimen de lucht in toen Annique mijn kant opkeek en ze liet haar saxofoon als antwoord extra hard scheuren. Ik kon tevreden zijn, iedereen vermaakte zich. Het was half elf: nog in alle opzichten een geslaagd feest. Er waren zeker tachtig mensen en er kwamen nog steeds mensen binnendruppelen. Toen ontstond tumult bij de ingang. Ik ging eens kijken. Joop Streefkerk was net bezig om op ruwe wijze een paar jongens de deur uit te werken. Er vielen klappen en er werd geschreeuwd. Het moment dat de deur met een klap dichtgeviel hield de band op met spelen. Iedereen keek onze kant op. Streefkerk was witheet. "Ik zit al de hele dag tussen die kankerturken", schreeuwde hij, "Als ik vrij heb, dan wil ik ze niet zien. En vooral niet ruiken. Je moest dat gore vreten van ze eens ruiken, getverdemme wat een lucht!"

Hij keek uitdagend om zich heen. Niemand reageerde.

"Het is mijn feest. Mag ik alsjeblieft zelf weten wie ik binnen laat, ja?", voegde hij eraan toe, op een kom-maar-op-als-je-durft-toon.

Ik doorzag het allemaal eigenlijk niet snel genoeg. Er liepen in Amsterdam meer gastarbeiders rond dan bij ons in Limburg. Dat was me niet ontgaan. Maar verder had ik daar nooit mee te maken. Sommige mensen hadden daar moeite mee, dat wist ik ook. Vorig jaar was een Turkse man in de gracht geduwd door een stel dronken jongens, die toekeken hoe hij verdronk. Die dingen gebeurden, maar wat had ik daarmee te maken? Moest ik nu een daad stellen of zo iets?

Opeens stond Wessel op een tafel.

"Zojuist zijn hier bij de deur drie Marokkanen geweigerd", riep hij. "Ze hadden niets misdaan: ze mochten er niet in omdat ze een donkere kop hebben."

"Ze waren niet uitgenodigd!", riep Streefkerk terug.

"Jij zei dat je geen kankerturken wilde!", antwoordde Wessel, "Wie het daarmee eens is, moet vooral blijven. Maar ìk ga nu naar buiten en iedereen met een beetje fatsoen gaat mee."

Wessel sprong van de tafel en liep demonstratief naar de deur.

"Zak in de stront, klootzak!", schreeuwde Streefkerk hem na.

Er waren mensen die Wessel meteen volgden. Anderen overlegden wat ze zouden doen. Tot iemand het grote licht aandeed. Daarop begon de uittocht, ook de band begon de snoeren los te maken en al snel waren er nog maar een paar mensen over. Niemand bemoeide zich met Streefkerk, die demonstratief het glas hief in mijn richting. Ik stapte op hem af. De hufter was erin geslaagd in tien minuten tijd het hele feest te verruïneren. Ik had een ontzettende zin om hem op zijn bek te slaan.

"Wat ben jij een enorme lul, Joop. Je wordt bedankt!", zei ik.

"Nou wordt-ie helemaal mooi. Dat was toch jouw broer daarnet? Die tyfuskankerlijer heeft alles naar de kloten geholpen, godverdomme. Weet je dat ik dankzij dit teringfeest mijn propedeuse niet gehaald heb? En dan flik je me dit. Tering!"

Het was een voltreffer, midden in zijn gezicht. Ik schrok van mezelf. Mijn knokkels deden er pijn van. Hij sloeg niet terug, maar smeet zijn bier in mijn gezicht en rende naar buiten. Ik ging achter hem aan maar hij was verdwenen. Eenmaal terug in het zaaltje bleek ook de kas met het entreegeld weg. Ik verdacht Streefkerk natuurlijk, maar ieder ander had in de consternatie evengoed zijn slag kunnen slaan. Hoe dan ook, ik kon alleen voor de kosten opdraaien. Het zou lang duren voor ik weer eens een feest gaf. Maar Wessel en Mar waren herenigd, dat was in elk geval gelukt.

11 Escargots

Naast me lag Giel nog te snurken. Ik ontwaakte met één duidelijk beeld op mijn netvlies. Het beeld van de dansende Wessel. Dansend als een kreupel paard, zichtbaar in de knoop met zijn lange atletische lijf en een ritme dat niet het zijne was. Maar hij danste, om Mar te behagen en ze was geroerd. Tevreden bedacht ik dat ik goed gescoord had bij Annique. Maar niet voor lang. Toen bedacht ik achtereenvolgens dat ze nu misschien geen reden meer zag voor verder contact, dat ik flink in de rode cijfers zat als Streefkerk niet meebetaalde en dat het nog erger uitviel als het zaaltje niet voor vier uur die middag schoon was. Ik stootte Giel wakker.

Het buurthuis was niet ver van de Dapperbuurt. We sloegen het ontbijt over en waren al snel in de weer met vegen en dweilen. Halverwege de ochtend kwamen Annique en Tom langs om de spullen van de band op te halen. Tom viel me mee. Hij zei dat de band geen geld hoefde en ze hielpen een tijdje met het versjouwen van tafels en stoelen. Rond half twee liet ook Mar haar neus zien. Ze wilde vooral haar verhaal kwijt. Het was helemaal als vroeger zei ze, alles was weer goed. Ze bedankte me omstandig.

"Loop je niet te hard van stapel?", vroeg ik.

De vorige verzoening stond me nog helder voor de geest en ik vroeg me af hoe lang deze stand zou houden.

"Ach, laat me nou even", zei Mar, "Gun me nou ook eens wat geluk."

In het kader van de nazorg belde ik ook Wessel maar die avond.

"Je hebt je weer voor haar karretje laten spannen, hè?" verweet hij me meteen, "Dat had ik niet verwacht."

"Had ik dat niet moeten doen?", aarzelde ik.

"Natuurlijk niet, je moet mij mijn eigen fouten laten maken. Maak jij de jouwe maar."

Het klonk scherp, maar wat hij bedoelde begreep ik niet goed.

"Laat maar. We hebben gepraat, dat was nodig. Er is nog altijd een basis."

Geweldig.

Maar het klonk zuinig. Hadden ze dan alleen maar zitten praten de hele nacht?

"Het was goed, ga daar maar vanuit. Alleen hou ik er niet van dat je probeert om mijn leven te regelen. Ik bezorg mezelf al genoeg problemen zonder dat jij je ermee bemoeit."

****

De ochtend dat ik intrek nam in het pakhuis van Robbie hing er een druilerige regen in de lucht. Maar de mannen hadden warme kleren aan. Robbie bezwoer me nogmaals om wat ingepakt stond ook ingepakt te laten. Voor de rest kon ik gebruiken wat ik nodig had. Ik kreeg nog wat laatste richtlijnen over eventuele telefoontjes en wat te doen met de slang. Als mijn tere gemoed er niet tegen kon, hoefde ik Quisling geen levende muisjes te voeren. Eendagskuikens konden ook. Die lagen klaar in het vriesvakje. Daarna knetterden ze naar Bologna. Ik was als een kind in een warenhuis na sluitingtijd, met onbeperkt taartjes en speelgoed binnen handbereik. Het verschil met de opeengepakte studentensilo in Amsterdam Noord kon niet groter zijn. Buren waren er niet. Links was een braakliggend terrein, rechts de opslagruimte van een expeditiebedrijf waar buiten kantooruren niemand kwam. Ik gooide de luiken open en liet David Bowie over het water schallen. We waren helden vandaag. Dat zullen ze aan de overkant van het IJ goed begrepen hebben. Robbie had honderden LP's van hemzelf en in de bakken voor de verkoop stonden er nog veel meer: Lou Reed, Zappa, Stones. Jazz en klassiek: van Mingus tot Mahler. En opera's. Ik herkende meteen de opera die ik toen bij Wessel had gehoord: de Lohengrin. Natuurlijk, die had vader ook.

Vier weken lang zou ik de Zilverberg mijden als de pest. Ik begon aan een ontdekkingstocht door Robbies wondere wereld, langs kasten met oude atlassen en andere boeken, kasten met kleren en met oude apparaten: een pathefoon, een broodrooster uit het jaar nul of een vooroorlogse filmprojector. In een hoek stond een bedrieglijk echt geraamte van kunststof, in een andere een groot scheepskompas. Er hingen ingelijste gravures van het gezicht op de haven van Marseille en het plan van de vesting Willemstad 1853. En dan de dozen met kroonluchters (voorzichtig, breekbaar) en partijen opvouwbare paraplu's. Of de puzzelkubussen, die waren de nieuwste rage en Robbie had een grote voorraad ingeslagen.

's Avonds kwam Giel. Hij had de ijsautomaat snel gevonden en at vier schaaltjes leeg. Achter de oude piano vonden we een hutkoffer met het label 'Amsterdam-Bantam-Tjirebon '. De inhoud bestond uit een keurige stapel kleren, twee olifantenpoten en een dolk met een benen handvat. De olifantenpoten waren een soort dozen. Aan de buitenkant echte huid met nagels, maar de binnenkant was van karton. Er zaten doeken in en een blikje met vergeelde foto's. Een grote Nederlandse soldaat poseerde met een Indisch mannetje in een sarong, 'met Soerjo, 1947' stond er achterop. Wie waren dat? Het pakhuis was vol van dit soort kleine en grote mysteries. Waar kwam bijvoorbeeld de oude Jeep vandaan? Hij stond in een met olievlekken besmeurde hoek van de onmetelijke zolder. De voorruit was gebarsten en er zaten geen wielen meer onder.

Giel vond een verroest stuk ijzer dat volgens hem een deel uitmaakte van een Uzi. De andere helft konden we niet vinden. Daarna wilde Giel naar de flipperkast. Ik heb leren flipperen in die maand in het pakhuis. Vooral in de laatste week van mijn verblijf bracht ik vele eenzame uren door achter de kast. We dronken wijn en we sliepen in het grote bed waar Robbie -naar ik veronderstelde - ook zijn veroveringen heen sleepte. De volgende morgen ontwaakte ik met muziek. Op de draaitafel lag de vreselijke Steve Miller, uit een andere hoek klonk James Last en daaroverheen een heavy metalgroep die ik niet kende. Nog iets later was de kakafonie compleet. Overal stonden platenspelers en Giel probeerde ze tegelijk allemaal uit. Na het ontbijt moest Giel er vandoor en ik ging naar het Vondelpark. Niet omdat daar iets bijzonders te doen was, maar gewoon omdat het kon. In mijn beleving was het om de hoek. Ik bleef in het park tot het begon te druppelen. Bij terugkeer ruimde ik de flessen op, leegde de asbakken en ik ging even liggen.

***

Dit keer schrok ik wakker van de bel. Door het luik zag ik iemand voor de deur staan. Annique had wel gezegd dat ze langs kwam, maar ik durfde daar niet op te hopen. Ze zette haar fiets binnen en sloeg mijn aanbod om thee te zetten af. We vonden nog witte wijn in Robbies koelkast. Het drankgelag ging gewoon door. Annique was verrukt van mijn nieuwe woonverblijf.

"Huizen zijn net mensen", vond ze, "Nieuwe huizen zijn baby's, die lijken allemaal op elkaar. Oude mensen zijn allemaal anders. Ze hebben geleefd. Dat doen gebouwen ook. Kijk naar de scheuren in de muur, dat zijn rimpels. En die uitgesleten trap. Je vraagt je af wat voor mensen hier werkten en wat voor leven die hadden. Dat kleeft aan zo'n gebouw."

Wat zei ze de dingen toch mooi. Ik gaf haar gelijk:

"Ja, maar aan de Zilverberg kleeft niets. Het is een parkeergarage: wij staan daar geparkeerd, maar het leven is ergens anders. Je kunt wegrijden en er blijft niks achter. Terwijl hier..."

Ik spreidde mijn armen en keek demonstratief van links naar rechts. Mathieu Castermans presenteert. Met Giel had ik het hele pand verkend en nieuwe werelden ontdekt. Jungles en woestijnen. Met Annique zag ik andere dingen, zachtere dingen. Ze verdween achter het kamerscherm met de geborduurde pauwen, om terug te komen in een lange nauwe jurk en een misplaatst decolleté. Ze paste hoedjes en stola's voor de grote Art Déco spiegel. We vonden een metalen viewmaster met zwart wit foto's van Franse koloniale gebieden in Afrika. Ze bestudeerde aandachtig de grote potten met embryo's op sterk water: de kat, het konijntje en het pasgeboren lammetje. Het Lam Gods, noemde Robbie dat en hij gebruikte het als boekensteun.

Ik ontdekte enig systeem in het pand. Er waren drie verdiepingen, die je kon indelen op geur. De begane grond was één grote ruimte, die rook naar dieselolie. De Citroënbus stond er geparkeerd, maar dat zag je amper tussen de stapels met kisten en dichtgeplakte dozen, waarvan de inhoud voor mij geheim moest blijven. Voor zover ik zien kon, waren het allemaal partijen. We liepen langs de rekken met nepleren jacks en de beruchte witte motorjassen, rekken met gasmaskers en andere militaire dumpgoederen tot bij de kisten met boeken en platen, die te zwaar waren om een verdieping hoger te tillen. Er stonden een stuk of wat elektromotoren op een rij, mandflessen die tot mijn heup reikten, waar volgens de etiketten zoutzuur in gezeten had. Daarachter was het terrarium van Quisling. Ik had gedacht dat hij Annique schrik aan zou jagen, maar van de roerloze rood-paarse berg reptiel zou nog geen kleuter bang worden. Ten onrechte, natuurlijk. Niets vermoedende slachtoffertjes, daar houdt een wurgslang van.

De eerste verdieping bestond uit vijf afzonderlijke grote ruimten, waarvan er één was ingericht als leefvertrek met uitzicht op het IJ. Daar was ook het keukentje, het grote tweepersoonsbed, de flipperkast en het ligbad. Maar ook in de aangrenzende vertrekken lagen matrassen en overal stonden platenspelers. Verspreid over de hele verdieping stonden oude bankstellen en fauteuils.Op de andere etages stonden de dozen en kisten opgestapeld, hier waren die op natuurlijke wijze vervlochten met het interieur. De TV rustte op een legergroene metalen kist en een rijtje matzwarte houten transportkisten was in gebruik als buffetkast. De muren van volgepakte dozen deden dienst als scheidingswanden en gaven zo nog enige intimiteit aan de kolossale ruimte. Temidden van de kartonnen muren stond een zwarte lage oosterse tafel met een ingelegd parelmoeren blad, daar omheen waren autobanken geplaatst met een zeegroene lederen bekleding. Tegen het plafond hing een heus stoplicht, waarvan de rode lamp brandde als je het licht aandeed. Eén hoog was om te wonen.

De zolder rook muf en stoffig. Daar stonden voorwerpen die niet Robbies belangstelling hadden. Dingen die stuk waren gegaan, of die hem mogelijk nog ooit van pas konden komen. Een gigantisch aquarium met gebroken ruiten, een incomplete Encyclopeadia Brittannica (jaargang 1958) en een kunststof reclameding van een anderhalve meter hoog. Het was een milkshakebeker waar een oranje duiveltje uitstak. 'Orange Julius' stond erop. Zonde om weg te gooien, maar wat moet je ermee? De gevelborden die opriepen om naar My Fair Lady te gaan of de Kannonen van Navarone. Het lag er allemaal. Bij sommige dingen vroegen we ons af hoe hij die ooit op zolder had gekregen, zoals bij die jeep.

"Misschien stond het er al, toen hij het pakhuis kreeg", veronderstelde Annique, "Hoeveel jaar heb je nodig om dit allemaal bij elkaar te krijgen? Hoe lang zit die Robbie hier al? Zo oud is hij toch nog niet?"

"Hij zal 25 zijn, misschien 28", schatte ik, "Ik weet eigenlijk niet zo gek veel over hem. Hij is wel heel jong op zichzelf gaan wonen. Maar toen zal hij geen geld hebben gehad om zo'n heel pand te huren."

Ik had er niet eerder aan gedacht, maar misschien bouwde Robbie alleen maar verder aan een verzameling die al door iemand anders begonnen was.

"Misschien is het wel een erfenis", opperde ik, "Hij wil helemaal niets zeggen over zijn verleden. Ik weet niet eens zijn achternaam."

"Wat weet je eigenlijk wèl over hem?", wilde Annique weten.

Ik vertelde wat ik wist. Ze was meteen geboeid, Robbies invloed op vrouwen leek zelfs op afstand te werken. Een waarschuwing was op zijn plaats. Annique hield van sterke persoonlijkheden en dat was hij me net iets teveel.

"Hij is doorgaans ronduit onbeschoft", voegde ik toe, "een soort straatvechter eigenlijk. En hij heeft iets te verbergen, al weet ik niet precies wat."

"Misschien is dat alleen maar een pose, misschien speelt hij alleen maar een rol."

Annique nam meteen zijn verdediging op zich .

"Ik ken dat. Tom is ook zo. Die is er op uit om te kwetsen, voordat hij zelf gekwetst wordt."

Een overeenkomst tussen Tom en Robbie, dat leek me buitengewoon vergezocht. En Robbie was niet bang om gekwetst te worden. Dat was de blanke pit, waar ik niet in geloofde.

"Tom. Waarom is die bang dat hij gekwetst wordt? Hij was toch zo'n krachtige persoon?"

"Ja. Juist omdat hij zijn kwetsbaarheid kent, snap je?"

Echt snappen deed ik dat niet. Maar ik lees dan ook geen damesbladen.

"Bij Tom weet ik altijd waar ik aan toe ben. Hij geeft altijd heel duidelijk zijn grenzen aan. Als hij alleen wil zijn, dan zegt hij dat ook. En als hij me wel bij zich wil, dan ben ik ook ècht welkom. Dan is hij er ook voor me, begrijp je? Ik kan altijd op hem rekenen."

Er was geen beginnen aan. Haar geloof in Tom was onvoorwaardelijk.

"Op Tom kan ik vertrouwen", voegde ze er nog maar eens aan toe, voor de volledigheid.

"Maar heb je ook lol met hem?"

Hij leek me nou niet bepaald topentertainment.

"Lol... Lol."

Ze woog het woord op haar tong.

"Lol heb ik met andere mensen. Met jou heb ik lol. Maar Tom kan ik vertrouwen."

"Mij niet?", vroeg ik scherp.

Ze lachte verontschuldigend.

"Nou Mathieu, op dit moment vertrouw ik je wel. Maar jij bent dus niet wat ik betrouwbaar noem. Jongens doen wel eens dingen waar ze spijt van krijgen."

"Hoezo?"

Ik voelde wel waar ze op doelde.

"Je bent impulsief. Je doet maar wat je invalt, dat heb jezelf gezegd."

Ik liet de zaak rusten. Lol maken, daar kon ik mee scoren. Maar dat was het wel, wat haar betrof. Zo lagen dus de kaarten. Maar het spel was nog niet gespeeld.

"Er valt me wat in", zei ik, "We gaan eten. Wat denk je van gebakken eieren en spek?"

Annique wilde even bellen. Ik wees naar Robbies kantoortje. Het gesprek kon ik niet verstaan, maar aan de toon waarop ze sprak en de lange stiltes kon ik horen dat het er heftig aan toe ging. Toen de eieren bijna koud waren, ging ik maar eens kijken waar ze bleef. Ze zat verdwaasd voor zich uit te staren.

"Tom?", vroeg ik.

Ze begon opeens te huilen. Ik ging naast haar zitten en legde mijn arm om haar schouder. Ze liet me begaan, maar toen ik langs haar wangen streelde maakte ze zich los. Ze stond op en vroeg een sigaret. Ze rookte eigenlijk niet, maar nu had ze daar behoefte aan.

"Wat is er gebeurd, wat zei hij?", vroeg ik, maar ze wilde er niet over praten.

Ze had geen trek in eten en schonk zichzelf nog maar eens in.

"Eigenlijk kan ik helemaal niet goed tegen drank", zei ze.

Ik at beide borden leeg.

"We gaan een eind lopen", stelde ik voor.

Het miezerde nu weer een beetje. Op een natte bank in het Westerpark kwam ze op verhaal. Tom wilde haar voorlopig niet zien, zei ze. In elk geval tot eind van de week. De duidelijke grenzen, dit zat er dus aan te komen.

"Tom is niet gemakkelijk. Niet voor zichzelf, maar ook niet voor mij. Hij zegt dat ik te dicht bij hem kom. Hij wil alleen zijn. Soms gaat het een hele tijd goed en dan opeens is het weer mis."

Ze zuchtte.

"Vorig jaar zijn we een weekend naar de Ardennen geweest. Urenlang gewandeld en heel veel gepraat. Maar de dag nadat we terugkwamen belde hij op, dat hij me even niet wilde zien. Hij had ruimte nodig voor zichzelf. Ja, zo is hij nou eenmaal."

"En jij wacht iedere keer maar af wanneer je weer welkom bent?" vroeg ik scherp.

"Ja, eigenlijk wel, ja", bekende ze.

"Lieve Annique", zei ik, "jij bent hartstikke gek. Een meid als jij kan iedere jongen krijgen. Die gozer mag zijn handen dichtknijpen. Je moet niet zo met je laten sollen. Voor hem tien anderen. Wat doe je toch met zo'n idioot?"

Ze wees me terecht.

"Ik wil niet dat je zo over hem praat, hoor. Je weet niet half wat hij voor mij betekent."

"Sorry. Je moet het ook zelf weten. Daar moet ik me niet mee bemoeien", zei ik.

Gevoelige snaar, afblijven. Ze had nu wel weer trek, en we kochten een frietje aan de Haarlemmerweg.

Eenmaal thuis begon de drank zijn werk te doen. Ze was een tikje aangeschoten en werd een stuk joliger dan ik haar kende. Ik nam me voor maar weer eens lol te maken, dat werd immers van mij verwacht.

"Weet je", zei ze giechelend, "toen ik het kantoortje binnenliep, toen dacht ik dat er toch wel ergens een achternaam op moet staan. Hij koopt en verkoopt van alles, dan zal hij toch wel een bankrekening hebben?"

"Ik hèb beloofd dat ik niet zou snuffelen in zijn spullen" zei ik halfhartig.

"Maar alleen de spullen die ingepakt zitten."

Ze grinnikte ontdeugend.

"Zijn girootjes liggen open en bloot op zijn bureau, ga maar kijken."

De telefoon stond in het kantoortje op een oude secretaire. Daarnaast lag een stapel opengescheurde giro-enveloppen. We bekeken de een na de ander. 'IMPEX BV' stond op alle afschriften. Er lag post, allemaal weer gericht aan IMPEX BV, of gewoon Robbie. Meer niet. Het bureau werkte niet mee. Ik trok aan de laatjes, maar die zaten op slot.

"We moeten toch ergens een aanwijzing vinden", veronderstelde ik.

Een rekening van de garage of een verzekeringspolis, weet ik veel. We doorzochten het kantoortje verder op sporen, maar zonder resultaat. De kisten en in de zithoek gaven ook geen informatie prijs.

"En daarboven?", vroeg Annique.

Ze wees op een fotoalbum bovenop de muur van op elkaar gestapelde dichtgeplakte dozen.

"Hij heeft een verleden. Kun jij erbij?"

Ik kon er niet bij.

"Jij bent lichter", zei ik, "wacht, ik help je omhoog."

Ik ging met mijn rug tegen de dozenmuur staan en vouwde mijn handen tot een traptreetje. Zonder af te wachten of ik al stevig stond zette ze haar voet erop.

"Kijk uit!", schreeuwde ik nog, maar de muur begon al te kantelen.

Twee dozen van de bovenste rij kwamen met een klap op de grond terecht. We vielen over elkaar heen. Ik kreeg haar knie tegen mijn linkeroog en Annique schaafde haar onderarm. Toen we weer overeind waren gekrabbeld overzag ik de ravage.

Eén van de twee dozen lag helemaal open en gaf zijn inhoud prijs. Het waren pornoboekjes. Duitse boekjes, in vierkleurendruk. Twee geknevelde blote meisjes, werden door een vrouw op hoge hakken bedreigd met een zweep. Een keur aan naakte mannen en vrouwen in allerlei posities. Meisjes met indrukwekkende borsten, meisjes die het met een andere vrouw deden of met twee mannen tegelijk. Annique vond het niks.

"Gadverdamme", zei ze geschokt.

"Vind je?", zei ik.

"Het is vies", oordeelde ze."Het is smerig."

"Het is smerig", herhaalde ik "Maar ik vind het ook wel een beetje spannend."

Ze keek me verwijtend aan.

"Waarom luister je niet?", vroeg ze bits, "Ik zeg dat ik het smerig vind, dat meen ik."

Ik mocht geen andere mening hebben dan zij.

"Beste Annique", zei ik opstandig, "dit zijn mannen en vrouwen die doen wat mannen en vrouwen altijd hebben gedaan. Net zoals de hondjes en de bloemetjes en de bijtjes."

"Mathieu, kijk nou eens goed", antwoordde ze met een zucht, "Zie je niet wat die plaatjes jou willen wijsmaken? Is dit nou de manier waarop mannen en vrouwen met elkaar om moeten gaan? Vind je dit normaal?"

"Wat is normaal?"

Ik voelde me aangevallen.

"Seks is een natuurlijke behoefte, net als eten en drinken. Wat is daar nou mis mee? Ja, een nette vrouw, die hoort daar niet aan te denken. Maar iedereen heeft toch dezelfde behoeften hoor."

"Jij kijkt alleen vanuit je gulp", antwoordde Annique, "Gebruik je ogen nou eens. Kijk nou, het zijn wensdromen van hele enge kerels. Die vrouwen die kijken alsof ze flauwvallen van geluk, alleen maar omdat zo'n vent zijn ding in ze steekt. Het zijn de vrouwen die erom vragen, zo vaak mogelijk, met zoveel mogelijk kerels en in zoveel mogelijk standjes. En die mannen die kijken erbij alsof ze aan het werk zijn. Voor hun hoeft het niet zo nodig. Maar die vrouwen willen, altijd, overal en met iedereen. Maar dat is toch de omgekeerde wereld, Mathieu! De boodschap is gewoon: grijp ze maar, jongens, ze willen niks liever. Ze stribbelen misschien tegen, maar dat is alleen maar schijn. Het is één grote oproep tot verkrachting!"

Daar had je het weer. Waarom hebben mensen toch altijd van die loodzware Meningen?

"Het is eigenlijk alleen maar belachelijk. Die vrouwen krijgen een orgasme zo gauw hij hem erin steekt. Medisch gezien is dat onzin. Wist je dat de wand van de schede niet meer zenuwcellen heeft dan de endeldarm? Krijg jij ooit een orgasme bij het poepen? Nou dan!

Die foto's deugen niet. Geen vrouw doet daar vrijwillig aan mee, snap je? Ze worden mishandeld of ze hebben heroïne nodig. Ik vind al die troep die jij zo opwindend vindt heel bedreigend. Ik moet er helemaal niets van hebben."

Terwijl ze me de les las zag ik een foto van een zakenman in de deuropening, met een driedelig pak, en zijn broek op zijn enkels. Een bloot blond meisje knielde voor hem neer en zoog aan zijn pik terwijl hij het koffertje nog in zijn hand had. Hij zag er lachwekkend uit, Annique had gelijk. Maar het scheelde weinig of ik kwam ter plekke klaar. Ik legde het boekje snel terug op de stapel.

"Ik heb Robbie beloofd dat ik geen dichtgeplakte dozen zou uitpakken", zei ik.

"Ja, dat kan ik me nu wel voorstellen", schamperde Annique.

Haar interesse in Robbie was geweken. Ik bekeek de gehavende doos, maar die was gedeukt en langs één kant doorgescheurd.

"Het heeft geen zin, ik ga van de week wel op zoek naar een nieuwe doos.

"Ik zette de stapel apart in een hoek. Daarna probeerden we zo goed en zo kwaad als het ging de muur te herstellen.

"Sorry", zei ik toen we weer zaten.

Dat leek me zo ongeveer het meest passende wat ik zeggen kon.

"Laat maar", suste ze.

"Ik heb er niks aan als jij je schuldig voelt. Maar begrijp je nou wat ik bedoel, als ik zeg dat ik je niet vertrouw. Het is niets persoonlijks, jij kunt er ook niets aan doen. Maar je bent een man. Ik mag je graag, hoor, maar ik ben bang dat je dingen wilt, die ik niet wil. Zo'n vrouw ben ik niet."

"Maar Tom dan, dat is toch is ook een man? Sorry, dat moet ik natuurlijk niet vragen."

"Tom kan ik wel vertrouwen. Hij heeft ook wel eens aandrang en soms help ik hem dan."

Ze zei het alsof hij last had met de stoelgang. De natuur moet zijn loop hebben.

"Maar verder wil ik daar niet bij betrokken raken. Tom respecteert dat. Hij zal me nooit aanraken."

"Ik zou willen dat je mij ook vertrouwde, net als Tom", dreinde ik.

"Dat kan niet. Vertrouwen kun je niet afspreken, dat moet je verdienen."

Ik deed een voorstel:

"We kunnen wel afspreken dat ik jou ook nooit zal aanraken."

Daar moest ze om lachen.

"Dat is een afspraak, oké. Luister, Mathieu, ik vertrouw je misschien wel niet helemaal, maar ik mag je wel heel graag, dat moet je van me aannemen. Ik heb jou dingen verteld, die ik niet snel aan iemand vertel. Ik voel me thuis bij je. Ik heb bij jou niet het gevoel dat ik iets hoef waar te maken. Dat heb ik zelfs bij Tom niet."

Het was mijn geheime wapen, ik wist het. Ik kan heel goed luisteren, dat is het. Wessel zegt dat ik met iedereen meelul. Dat zal best. Maar mensen praten nu eenmaal liever met iemand die met ze meelult, dan met iemand die tegen ze ingaat. Je hoeft geen psychologie te studeren om dat uit te vinden. Wessel heeft daar natuurlijk een andere mening over. Volgens hem valt iedereen voor de Man met het Standpunt. Het doet er niet eens toe wat voor een standpunt, als je het maar met overtuiging brengt, zegt hij. Als ze merken dat je weet waar je over praat, dan klampen de mensen zich aan je vast. Misschien is dat zo, als je Robbie of Wessel heet. Maar meelullen kost mij minder moeite en is wel zo effectief.

Het was al laat toen ze terug wilde naar de Zilverberg. Buiten zeek het inmiddels van de regen. De volgende morgen vroeg moest ze weer naar het Wilhelminagasthuis, waar ze een paar weken werkte als verpleeghulp. Het leek me zinloos om eerst weer naar Noord te gaan.

"Na elven gaat alleen het veer van de Adelaarsweg nog. Dat is een heel eind om", zei ik, "Het kost je zeker anderhalf uur, het is al laat en het regent. Ik zou niet teruggaan als ik jou was. Je kunt hier slapen. Blijf hier, slaapkamers zat."

Ze stemde toe en ik maakte een bed gereed in een aangrenzende kamer. Ze kreeg mijn nieuwe tandenborstel te leen en een schoon T-shirt bij wijze van nachthemd en ze trok zich terug. Ik bleef nog wat lezen op het grote bed. Toen ik de lamp wilde uitdoen brandde op de haar kamer nog altijd licht.

"Alles goed, Annique?", vroeg ik zonder aan haar kant van de dozen te komen.

Ze moest me kunnen vertrouwen.

"Kom maar binnen."

Ze had zich behaaglijk genesteld en keek me aan over de rand van het dekbed, met die grote diepbruine ogen. Op haar kussen lag het pornoboekje opengeslagen. Ze keek me onderzoekend aan.

"Ik probeerde me voor te stellen wat dat nou doet bij jullie", verklaarde ze, "Bij jou. Mathieu, ik denk dat ik het je kan uitleggen. Luister. Jij kijkt graag naar blote borsten, dat vind jij opwindend en mooi. Voor mij zijn het gewoon mijn borsten. Die horen bij me, net als mijn oren of mijn ellebogen. Vind jij jouw ellebogen mooi? Ik heb er gewoon geen mening over. Ze zijn er, punt. Ik kan ze niet veranderen of wegdoen. Ik heb borsten, maar ik bedoel er niets mee dat ik ze heb, snap je?"

Ik stond er minder neutraal tegenover. Zelfs mijn ouwe T-shirt stond haar.

"Ze zijn gewoon een deel van mijn lijf. Als jij zegt dat je me mooi vindt, dan weet ik niet wat je van me wil. Dat komt dan door mijn borsten of mijn billen, en ik heb daar niet om gevraagd. Ik weet het wel dat er vrouwen zijn die daarmee spelen. Ik niet, voor mij hoeft het allemaal niet. Je word er wel bijna toe gedwongen, je moet meedoen of je wilt of niet."

De boodschap was heel duidelijk. Maar ik zag er geen afwijzing in.

"Ik ga niet weer sorry zeggen, maar ik zie inderdaad graag een mooie vrouw. En jij bent de mooiste vrouw die ik ooit gezien heb. Ik wil me daar niet voor schamen. Verder vraag ik helemaal niks van je. Vertrouw je me nou niet meer?"

"Hoe moet ik nou weten of je te vertrouwen bent? Je bent een man", antwoordde ze resoluut, "Als er iets gebeurt ben ik het slachtoffer. Mannen verkrachten, vrouwen worden verkracht."

"Dus als ik zeg dat ik je mooi vindt, dan denk jij dat ik je wil verkrachten. Draaf je niet een beetje door?", wierp ik tegen.

"Ik sta ook wel eens voor de spiegel, dan denk ik: ben ik te dik, zouden anderen dat ook vinden? Je uiterlijk is nou eenmaal zichtbaar, mensen reageren daarop. Daar is geen ontkomen aan. Maar dat kan toch ook leuk zijn?"

"Alleen die foto's, die zeggen juist waar je naar moet kijken: Kijk! Borsten! Kijk! Billen! Kijk! Vagina! Het zijn allemaal verschillende vrouwen, maar ze zijn allemaal teruggebracht tot dezelfde dingen. Ze wijzen allemaal op mìjn borsten, op mìjn billen. En ik word een meisje als op die plaatjes. Een gewillige prooi voor alle mannen. Snap je nou niet dat dat bedreigend is?"

"Dat snap ik wel, maar ik voel dat zelf niet zo, natuurlijk."

Het idee dat ze zichzelf vergeleek met de Duitse stoeipoezen was te zot. Ik had bijna met haar te doen.

"Dat hoeft ook niet. Ik wil het gewoon tegen je kunnen zeggen. Misschien begrijp je het. Meer vraag ik niet. Ik zal erover ophouden, kom hier."

Ze gaf me een zoen zoals mijn moeder het doen zou.

"Welterusten."

"Bel de russen", antwoordde ik gewoontegetrouw.

Ik lag nog lang wakker en overdacht de situatie. Annique mocht me heel graag, daar stond buiten kijf. Voor de concurrentie van Tom hoefde ik eigenlijk ook niet zo bang te zijn. Stelde hun relatie uiteindelijk wel zo veel voor? Ze was openhartiger tegen mij dan tegen hem. Maar ze was zo prachtig, dat was niet eerlijk meer. Ik smolt weg van begeerte en ze wilde niets met me. Het was toch om gek van te worden, vond ik en met die gedachte sliep ik in. Om acht uur maandagmorgen maakte ik haar wakker en nam afscheid. Het werd mijn eerste dag bij Rath & Doodehever kwaliteitsbehang.

***

Op woensdagavond stond ik voor mezelf te koken toen er ineens een sirene loeide. Ik keek naar buiten om te zien wat er aan de hand kon zijn, maar buiten was alles rustig. Het was binnen en het was overal, oorverdovend. In de kamer versprong het stoplicht van rood naar oranje naar groen en weer terug. Toen drong tot me wat Robbie gezegd had: het licht en de sirene betekende dat er telefoon was. Ik draaide het gas laag en liep naar het kantoortje. Toen ik de hoorn opnam was de verbinding verbroken. Ik vroeg me af wie er gebeld kon hebben. Het zou wel voor Robbie zijn, want ik had niemand het telefoonnummer gegeven.

Even later ging de telefoon weer. Het was Robbie zelf, hoe het er mee was en of ik alles kon vinden. Ik zweeg over de gescheurde doos, maar kreeg wel de kriebels. Wessel wilde ook nog iets aan me vragen.

"Hoi broertje", klonk het jolig, "Hé, ik moet het kort houden. Wil jij thuis laten weten dat alles goed gaat, mooi weer, we zitten in Bologna en de hartelijke groeten enzo? En dan had ik nog een vraag voor jou. Ik ben vergeten de huur te betalen. Kun jij me die voorschieten?"

Hij legde me uit waar ik de gegevens kon vinden en hing weer op. Ik kookte verder in vakantiestemming.

Mijn dag kon niet meer stuk toen ze opeens weer voor de deur stond. Dit keer bracht ze haar tandenborstel mee. Ze wilde een tijdje onvindbaar zijn voor Tom,. Het ging niet goed. Hij had hun gezamenlijke vakantieplannen afgezegd en ze hadden daar een stevige ruzie over gehad. Daarna had hij haar gebeld om het weer goed te maken, maar ze wilde hem niet zien. Hij moest maar eens merken wat hij haar aandeed, iedere keer als ze niet welkom was. Of ze niet een paar dagen kon blijven? Dat zei ze allemaal in de deuropening, nog voordat ze binnen was. Het werd een rustige avond met thee en TV. Ze zat naast me op de bank, op gepaste afstand. Ze kon me vertrouwen, dat zou ik haar laten merken ook. Ik was hartstochtelijk vastbesloten om haar met rust te laten. En ik was moe, dat hielp wel. Het werk bij de behangfabriek was best zwaar en dat was ik niet gewend. We gingen rond elf uur naar onze bedden. Om een uur of twee werd ik wakker van gestommel en ging kijken. Ze kon niet slapen en zocht naar een pannetje om melk warm te maken. Ik hielp haar op weg, en even later kwam ze bij mijn bed zitten kletsen, terwijl ze af en toe een slokje nam.

"Er is vandaag iemand op de afdeling doodgegaan. Heb jij wel eens iemand zien doodgaan?", vroeg ze.

Dat had ik niet.

"Ik dacht dat het heel dramatisch zou zijn, maar het ging heel rustig. De dokter was erbij. Die man lag daar heel rustig. 'Het duurt nu niet lang meer', zei hij eerst. En toen een hele tijd niets. Je hoorde alleen zijn ademhaling, heel zwaar. Soms deed hij zijn ogen open. 'Zijn ze er al?' vroeg hij een paar keer. Zijn familie moest nog komen. En opeens zei hij hardop: 'Het boek is uit. Ik ga'. En het was afgelopen. Zonder angst, heel rustig: 'ik ga'. Toch mooi, als je zo sterven kunt, hè."

"Lullig voor de familie", vond ik.

"Dat wel", zei ze en zette haar beker weg.

"Schuif eens op."

Ze kwam tegen me aan liggen en deed het licht uit. Stelde ze me op de proef? Ik dekte haar toe met de helft van het dekbed. Even later voelde ik een klein schokje door haar lijf gaan. Ze sliep. Ze bleef slapen tot de wekker afliep. Ze vloog overeind en mepte op de wekker tot ze toevallig het knopje raakte. Daarna stond ze op om te gaan plassen. Ik gaapte nog half in slaap. Annique wilde terugstappen in bed, tilde de dekens op, maar rukte ze vervolgens van het bed.

"Wat moet dat?", snauwde ze, beschuldigend wijzend naar mijn ochtenderectie, die zich onloochenbaar oprichtte, dwars door de gulp van mijn pyjamabroek heen.

"Wat moet wat?", vroeg ik, nog half in slaap.

"Mag ik weten aan wat voor smerigheid jij ligt te denken terwijl ik naast je lig?"

"Mens, stel je niet aan. Ik sliep", zei ik.

"En dat dan?", zei ze en haalde uit naar het corpus delicti zoals kort tevoren bij de wekker.

"Au! Jezus, dat betekent helemaal niets. Dat gebeurt vanzelf in je slaap, bij iedere man. Ik dacht dat jij medicijnen deed. Leer je dat daar niet?"

"Dus je droomde niet van mij?", vroeg ze nu enigszins beschaamd.

"Dat weet ik niet", zei ik, "Eerlijk niet, ik weet niet wat ik droomde."

"Pardon. Deed ik je pijn?"

Ze boog zich voorover raakte voorzichtig mijn eikel aan. Daarna begon ze die met haar vingertoppen zachtjes te masseren. Dat deed ze zo geconcentreerd dat het leek of ze was vergeten dat ik ook in de kamer was. Maar haar onderzoekende vingers lieten me niet onberoerd en ik wilde dat ze ook de rest van mijn lid onder handen nam. Ik pakte haar hand en schoof die naar onderen. Meteen trok ze zich los.

"Raak me niet aan, waarom doe je dat nou, zak! Moet je persé alles sturen?"

Ze stond op, kleedde zich aan zonder iets te zeggen en ging de deur uit zonder ontbijt. De hele dag, tussen de rollen Rauhfaser en textielbehang, vroeg ik me af wat Annique nou eigenlijk dreef. Ze had mijn geslachtsdeel bestudeerd zoals een botanist dat doet met een zeldzame plantensoort. Had ze die van Tom nooit bekeken dan? Waar was ze naar op zoek, wat wilde ze nou eigenlijk van me? En zou ze er vanavond weer zijn?

Ze was er en ze had goeie zin. Over die ochtend repte ze met geen woord meer.

"Ga je mee de stad in?", vroeg ze, "Het is koopavond. Ik wil wat nieuws en ik heb een vènt nodig met smaak."

Dus gingen we de ene schoenenwinkel in en de andere uit, er moesten broeken worden gepast en rokken en truitjes. Maandag had ze nog gezegd dat ze niet wilde dat er naar haar gekeken werd, maar ze vond het wel belangrijk om er goed uit te zien. En ze had mij nodig omdat te beoordelen. Ik vond alles best, als ik maar - apetrots - gearmd met haar over straat kon. Die nacht sliepen we apart en de daaropvolgende nacht ook. Zaterdagochtend was ze nog steeds bij me en we sliepen uit. Ik sliep uit, moet ik zeggen, want Annique was eerder opgestaan. Ik werd wakker doordat ze voorzichtig mijn dekens terugsloeg en met haar rechterhand wroette in mijn kruis. Voor ik het goed en wel besefte gebeurde het. Ze deed het onhandig, ik kon haar tanden voelen, maar toch was het pure verrukking. Ze kuchte en spuugde de rest uit op het bed.

"Deed ik het goed?", vroeg ze en schraapte haar keel."Vond je het lekker?"

"Ik vond het vies", loog ik. "En helemaal niet netjes."

"Ik doe ook wel altijd moeilijk, hè? En je bent nog wel zo'n schat", zei ze vertederd, "Weet je dat ik dit bij Tom nog nooit gedaan heb?"

"Was dit voor het eerst?"

Ze knikte en kuchte nog eens.

"Vond je het niet een beetje plakkerig of zo?"

"Wat zal ik zeggen...."

Ze zocht een goede omschrijving.

"Heb je ooit escargots gehad?"

"Van die Franse slakken? Dat is een delicatesse, toch?", opperde ik hoopvol.

"Smaken verschillen. Ik vind ze buitengewoon smerig", zei ze.

De rest van de dag waren we alle twee bijzonder uitgelaten. Annique had een overwinning op zichzelf geboekt, ze had haar grenzen verlegd. En dat voelde kennelijk goed. Ze bleef me verbazen. De daarop volgende dagen brachten meer erotische ervaringen. Of misschien moet ik zeggen seksuele ervaringen, want zo erotisch als die ene ochtend was het allemaal niet. Zo stond ik me op een avond om te kleden toen ze binnenkwam.

"Laat 'm nog eens zien", zei ze.

"Wat?", vroeg ik verbaasd.

"Nou, je dinges. Je plasser."

"Vind je dit nou het moment om...", protesteerde ik.

"Doe nou, ik wil het zien! Jij vindt het leuk om naar borsten te kijken, dus zeg jij nou maar niets!"

Daar had ze wel gelijk in, maar ik ging toch ook niet plompverloren aan haar vragen of zij ze even wat wilde showen. Ze trok resoluut de broek van mijn gat en zag de handel hangen.

"Zet hem nou eens rechtop", was de volgende opdracht.

"Mens, dat kan ik toch niet op commando!", zei ik verwijtend.

Er bleek evenwel een groeiend verschil van mening op dit punt tussen mij en mijn lid.

"'t Is eigenlijk net een soort paddestoel, hè?", vond ze, geheel voorbijgaand aan mijn tegenwerpingen.

"Laat nu eens zien hoe je het bij jezelf doet."

"Je bent gestoord", zei ik geërgerd en wilde me weer aankleden.

Ze hield me tegen, keek me aan en zei ernstig:

"Mathieu. Als je wilt dat ik jou vertrouw moet je mij ook vertrouwen. Het is goed dat je je ook eens bekeken voelt. Dan weet je uit eigen ervaring wat kwetsbaarheid betekent. Doe het nu, voor mij!"

Ik gaf me gewonnen en deed mijn best, voor haar. Ze keek geïnteresseerd, en stelde belangstellende vragen. Toen ik mijn vrije hand om mijn ballen vouwde vroeg ze:

"Hoort dat er ook altijd bij, of kan het ook zonder?"

Het ontbrak er nog aan, of ze maakte aantekeningen. Maar ik sloot mijn ogen en bracht mijn vreugdeloze offer. Dat ging moeizaam, en toen ik eindelijk met kleverige handen mijn taak had volbracht schoot ze hikkend in de lach.

"Ja, sorry hoor", proestte ze, "maar je zag er zò stom uit. Je kijkt zo bezopen."

Het was altijd eenrichtingsverkeer, ik hield me aan de afspraak. Onze verhouding was eigenlijk het spiegelbeeld van de relatie die ze met Tom had. Het verschil was dat niet hij, maar zij aan touwtjes trok. Annique had het initiatief, en zij kon mij naar haar hand zetten. Dat was een geheel nieuwe gewaarwording, waar ze duidelijk van genoot. Hoe weinig ik van haar begreep werd me achteraf pas duidelijk. Ik was er zeker van dat het menens ging worden tussen ons. Ze koos voor mij, er was geen weg terug. Jammer voor Tom. In plaats daarvan begon ze me steeds meer te zien als een willekeurig exemplaar van de tegenpartij. Ze had zich gestoord aan de boekjes waarin zijzelf en alle andere vrouwen werden gereduceerd tot één altijd willige borsten- en billenvrouw. Haar individuele waardigheid werd haar ontnomen, vond ze en dat was precies wat ze met mij deed. Ze heerste over mijn mannelijke lust en dat gaf haar een gevoel van controle over alle dreigende en altijd onberekenbare mannen in haar leven. Annique bleef bij me in het pakhuis, een tiendaagse hartstocht lang. En toen belde ze hem weer op en was alles onverwacht weer koek en ei met Tom. De meermalen afgezegde zeilvakantie naar Friesland ging toch door. Ze pakte haar tandenborstel en ze bedankte me voor de tijd samen. We beloofden om elkaar weer op te zoeken zodra we terug waren van vakantie.

***

Na het vertrek van Annique verloor Robbies magische wereld zijn betovering. Dat ik niet terugging naar de Zilverberg had alleen maar een praktische reden. Er lagen immers dagelijks nog duizenden rollen Rauhfauser voor me klaar in Duivendrecht. Zo gauw ik 's avonds moe thuis kwam zette ik de TV aan. Ik wilde de beklemmende leegte in het grote pakhuis verdrijven. Ik was onrustig en ik vrat me dicht aan chocola en chips. Hapjes van ongenoegen. Als ik het binnen niet meer uithield ging ik naar een van de vier friettenten in de buurt en deed me tegoed aan friet, frikadellen en bamischijven. Nadat ik op een avond drie keer aan dezelfde plakkerige formicatafel had plaatsgenomen, kreeg ik meewarige blikken van de dienstdoende frietboer. Daarom besloot ik afwisseling aan te brengen in mijn routes. Het is al treurig genoeg om vergetelheid te zoeken in de walmen van frituurvet. Verder trok ik plichtmatig aan de flipperkast tot het tijd was om te gaan slapen. Zo zat ik mijn tijd in het pakhuis uit.

12 De Verloren Zoon

Na twee weken lag er een envelop op de mat. Er zat een ansichtkaart in en een briefje.

'Hallo broertje', schreef hij op de kaart. 'onder de arcaden op de Piazza Magiore achter een espresso. Goed weer, mooie stad, begin er zin in te krijgen. Pisa heeft een scheve toren, Bologna heeft er twee (z.o.z.). Goeie reis gehad. Na twee dagen op de motor wel weer wennen aan een stoel. We logeren bij een kennis van Robbie (Gianni) in een groot appartement.'

Op dat punt was de kaart vol en ging hij verder op het briefje. 'Gisterenavond tot laat op een terras gezeten. Vanochtend heb ik de stad verkend. Vanmiddag lunch met Robbie en Gianni. Spaghetti en wijn om één uur 's middags. Dan is het hier heet en heb ik geen trek in warm eten. Die man spreekt erg slecht Engels en Robbie kan wel wat Italiaans. Het meeste wat ze zeiden ontging me dus. Daarna een rondleiding op zijn bedrijf, containers vol met schoenen, meubels en videorecorders enz.'

Iedere keer als de telefoon ging schrok ik me een ongeluk. De sirene en het geknipper van het stoplicht joegen me de stuipen op het lijf. Zou dat nou niet zachter kunnen? Het was Wessel die belde.

"Ben jij daar Mathieu?"

Kraakhelder, alsof hij naast me stond.

"Ja. Ik ben het. Hoe is het, waar zit je?", vroeg ik verrast, "Ik heb net je kaart gekregen. Die heeft er lang over gedaan, hè?"

"Hallo? Hallo, Mathieu? Ik hoor je heel slecht", riep hij.

De stemverheffing was niet nodig, ik kon hem gewoon verstaan.

"Luister. Ik ben hier nog niet weg. Kun jij ook de huur van augustus overmaken?"

Hij articuleerde met grote nadruk.

"Ja, dat is goed", zei ik, al even overdreven.

Hij rekte het moeizame gesprek niet onnodig. Nadat hij had opgehangen drong tot me door wat ik beloofd had. Ik had net de rekening van het feest betaald en zoveel verdiende ik nou ook weer niet bij de behangfabriek. Misschien kon Mar bijspringen. Ik belde haar meteen, of eigenlijk haar huisbaas. Die nam niet op, ik moest er zo maar even langs gaan. Maar eerst de rest van de brief, al stond daar niet veel nieuws meer in.

'Robbie is natuurlijk weer op zoek naar handel die hij in Nederland kan slijten. Morgen gaat hij een paar dagen de stad uit. Ik kan bij Gianni blijven slapen, maar ik weet niet of ik dat doe. Enfin, misschien moet ik gewoon Italiaans leren. Groeten aan iedereen en pas goed op jezelf. Wessel'

****

Mar maakte kruidenthee op het tijdstip dat ze normaal aan de borrel was. Ze deed al een tijdje rustig aan, zei ze, want ze wilde afvallen. Ze was al drie pond kwijt, had ik dat dan niet gezien? Haar zolderraam keek uit op het Overtoom. Aan de achterzijde was een keukentje. Daar was een tweede raam met uitzicht op het dak. Door dat raam stapten we naar buiten. Het hete mastiek plakte onder mijn voeten. We liepen naar een terras dat ze had geïmproviseerd met een stuk zeil, onder een parasol. Niet goed voor het dak misschien, maar wel genoeglijk. Her en der klonk geroezemoes van de balkons. Het beloofde een zwoele zomeravond te worden.

"Als je wilt afvallen moet je veel roken", zei ik, "Iedereen die stopt met roken komt kilo's aan. Dat kan ik me niet permitteren."

Ze nam een asbak voor me mee en installeerde zich. Ik liet haar Wessels brief lezen, zij mij de kaart die hij haar had gestuurd.

"Alleen die lullige kaart", mopperde ze, "Vier woorden, meer niet."

Het was precies dezelfde kaart, met de twee scheve torens. 'Liefs' stond erop. 'Brief volgt. Wessel.' Ze vond dat ze er bekaaid af kwam:

"Ik snap toch al niet waarom hij op stel en sprong naar Italië moest. Hij had er niet eens zin in. We hadden maanden in te halen en hij knijpt er na een week al tussenuit."

"Maar hij had dat al een hele tijd geleden afgesproken", wierp ik tegen.

"Nou en? Afspraken kun je afzeggen. De jongen was toch gegaan, met of zonder Wessel."

Daar had ze natuurlijk wel gelijk in.

Ik keek naar haar gezicht terwijl ze zich opwond. Ze trok een beetje met haar mondhoek links, dat was me niet eerder opgevallen. Ze had ook een kleine moedervlek bij haar oor, ook links. Ze was linkshandig en alle oneffenheidjes zaten links. Zou dat met elkaar te maken hebben? Bij mij zitten alle bultjes aan de rechterkant.

"Hij vlucht", constateerde ze, "Bindingsangst. Terwijl hij me zo ongeveer ten huwelijk vroeg. Wist je dat?"

Daar hoorde ik van op.

"Jouw broer is zo romantisch. Ja, op zijn manier dan, hè. Denk nou niet dat jij zo bijzonder bent, zegt hij tegen me. Er zijn miljarden vrouwen op de wereld. Ze moeten allemaal eten en poepen net als jij. Zelf was hij ook niks bijzonders, we zijn we allemaal inwisselbaar. Je bent pas uniek als iemand anders jou uniek maakt. Als iemand jou het gevoel geeft dat je onvervangbaar bent, ook al is het onzin. 'Maak mij uniek, dan maak ik jou uniek' zei hij. Ik vond dat wel mooi. Daarom hebben we elkaar uniek gemaakt."

"Gefeliciteerd."

Ik liet hun romantiek even bezinken en nam een slok thee.

"Maar zegt hij dan ook wat er zo speciaal aan jou is? Wat maakt jou zo uniek?"

"Dat is dus niet het punt", vond ze, "Wat telt is de daad zelf, het feit dat je kiest, los van de reden waarom, snap je. De keuze komt door jou en door niks anders. Dat maakt dat het van waarde is."

Ik hoorde Wessel in haar woorden.

"Ik zou toch willen weten waarom. Bijvoorbeeld, dat hij zegt 'ik vind je een lekker ding, ik voel me goed bij jou' of zoiets", hield ik vol.

"Natuurlijk, maar het gaat om iets anders. Het gaat niet om het motief, maar om wat je vervolgens doet. Stel je voor, Mathieu. Jij bent helemaal smoor op een vrouw, zij voelt zich helemaal thuis bij jou. Maar ze gaat liever met een ander vriendje zeilen in Friesland. Dan ben je toch behoorlijk inwisselbaar, niet?"

Annique. Ze had me door.

"Maar goed, nou is die van mij ook pleiten", voegde ze er met een zucht aan toe, "Ach, we zitten allebei in hetzelfde schuitje, jij en ik. Al dat verlangen, hè? Zullen we dan toch maar aan de witte wijn?"

De zon zakte achter de gevel van de omringende huizen. Overal stonden de ramen open en er klonk muziek. Het was windstil en de warmte van de dag bleef nog lang hangen.

****

Robbie stond opeens voor de deur, vier dagen te vroeg. Hij kwam gehaast en verregend binnen en vroeg meteen naar een pakje dat voor hem bezorgd zou zijn. Inderdaad lag er een berichtje van de postbode, maar ik had er nog geen werk van gemaakt. Ik was de klap van Annique's vertrek nog amper te boven gekomen. We gingen de trap op en ik zocht het papiertje. Het pakje kon worden opgehaald op postkantoor Spaarndammerstraat. Robbie overzag gehaast de ruimte. Toen hij de gehavende doos met de boekjes zag, pakte hij me ineens bij de kraag en smeet me tegen de muur.

"Wat heb jij uitgevreten? Ik had je gezegd overal met je poten af te blijven."

"Hij viel...", sputterde ik tegen.

"Hou je smoel."

Hij sloeg me twee keer in het gezicht, snoeihard. Ik voelde niks, geen pijn, geen angst. Ik was alleen maar verbijsterd.

"Wat heb je nog meer opengemaakt?"

"Niks, echt niet", antwoordde ik.

"Blijf hier. En verroer je niet, want ik breek allebei je poten", snauwde hij.

Het klonk erg overtuigend. Hij rende naar de aangrenzende kamer. Er werden dozen verschoven. Ik hoorde hoe hij tegen de ene klopte en de andere optilde. Ik was volkomen overdonderd. Dit was een kant van Robbie die ik niet kende. Goed, hij had een scherpe tong, maar dat was spel, hij was toch niet echt gewelddadig. Toch gloeiden nu mijn wangen en druppelde er bloed van mijn bovenlip. Wie weet wat hij me nog meer zou flikken. Zou ik 'm smeren? Maar mijn spullen dan? En mijn fiets? Je overweegt onbenullige dingen, terwijl je als verlamd blijft staan. Die vent leek gek geworden, hij zou me achterna kunnen zitten. Hij zou me hoe dan ook weten te vinden. Ik begon hem te knijpen. Na een kwartier, dat uren duurde kwam hij terug.

"In orde", zei hij, volkomen rustig dit keer, "Je kunt gaan."

Ik werd zonder opgaaf van reden uit huis gezet. Toen ik met mijn fiets de deur uit kwam, riep hij me vanuit het luik boven:

"Mathieu!"

Ik keek angstig om.

"Sorry!", riep hij en lachte verontschuldigend.

Ik reed de straat uit, nauwelijks bekomen van de schrik en ik wilde naar Wessel. Het was een oude reflex. Als er iets was ging ik naar mijn grote broer en die zorgde altijd dat alles weer goed kwam. Maar er was niemand op de Prinsengracht. Ik fietste door naar de Overtoom.

"Wat is er met jou gebeurd?", vroeg Mar.

Dat wilde ik rustig vertellen, maar opeens stond ik te janken in de deuropening. Een puur lichamelijke reactie, het ging buiten mij om. Inwendig kalm, maar de tranen stroomden langs mijn wangen en vermengden zich met bloed. Schokschouderend probeerde ik te vertellen, het lukte niet.

"Ga nou even zitten", zei ze en schonk een glas vol water, "Hier".

Ik dronk het glas leeg en kalmeerde.

"Fris je even op, dan voel je je beter."

Ik liep naar het keukentje en keek in de spiegel. Ik had rode striemen over mijn wangen, mijn bovenlip zwol op en over mijn kin liepen bloederige traansporen. Ik waste me en propte watjes in mijn neusgaten. Het zag er niet uit, maar het ging. Ik vertelde het hele verhaal, over de zoektocht van Annique en mij naar Robbies achternaam, de doos die omlaag gevallen was en de afranseling van vanmiddag. Wat er in de doos zat, liet ik in het midden.

"Wessel was er niet, daarom ben ik hier. Weet jij waar hij is?"

Maar ze had nog altijd taal noch teken van hem vernomen. En dat was vreemd. De avond was verder vol van troost. Mar kookte voor me, maar eten ging lastig met een dikke lip. Om een uur of tien ging ik terug naar Wessels kamer, waar ik zo lang wilde bivakkeren in de tijd die me nog restte bij Rath & Doodehever. In elk geval tot hij terug zou komen.

****

Ik had me redelijk geïnstalleerd op de Prinsengracht. Het was dichterbij mijn werk dan Robbies pakhuis en er was niets om me te herinneren aan Annique. Hij had de kamer achtergelaten alsof hij me verwachtte, opgeruimd en leeg. Ik haalde mijn eigen langspeelplaten op en de roman waarin ik voor het slapen steeds dezelfde bladzijde las. Ik kocht een nieuw scheermes en een nieuwe tandenborstel. Wessel had een klein TV-tje, waarachter ik na gedane arbeid in slaap kon dommelen. Ik miste noch de Zilverberg, noch Robbies flipperkast. De hele gang was op vakantie of naar huis, met uitzondering van een chagrijnige buurman. Die bleef ik hardnekkig groeten, maar verder beperkte ik het contact tot het minimum. 's Avonds had ik het raam wagenwijd open en liet ik het rumoer binnen, de klokken van de Westertoren, de tram van de Rozengracht, de dronken cafébezoekers. Ik koesterde me aan de boezem van de stad. Alleen de spiegel irriteerde me. Mar vroeg waarom Louis een laken droeg.

"Hij werkt me op de zenuwen", verklaarde ik, "Hij ziet alles wat ik doe, of ik in mijn neus peuter of in Wessels spullen snuffel. En hij vind het allemaal maar niks. Het is mijn externe geweten. Vind jij eigenlijk dat ik een onderkin krijg?"

Ik moest ook maar aan de lijn doen, vond ze:

"De stand is nu twee kilo! Doe mij dat maar eens na!"

Mar kwam met nieuws van Wessel. Er was een telefoontje geweest en de brief was eindelijk aangekomen. Hij vertelde over zijn eerste dagen in Bologna. Een enthousiast verhaal over het leven op straat: piazza's vol scootertjes, kleine steegjes waar de was boven de straat hangt.

'De mensen praten hier veel meer, in de bus, op straat, in de winkel. Het leven is hier buiten en niet bij de kachel met de spruitjes en de boerenkool. Het is hier allemaal veel lichtvoetiger dan bij ons. Maar misschien lijkt dat alleen maar zo. Als je niemand verstaat weet je dat ook niet. Wij vinden dat de vogeltjes zo lief zingen, maar misschien roepen ze alleen maar 'rot op!' tegen elkaar. Ik heb een Italiaan ontmoet, met een prachtige naam: Luciano Ippolito. Hij spreekt Duits, dat is heel bijzonder, want ze spreken hier geen woord over de grens. En hij vertelt me over de stad en de politiek. Er is hier van alles gaande tussen de communistische partij en de autonomen. Een heel interessante man. En ondertussen drink ik espresso's op terazzas en eet ik pizza's langs de straat.'

"Nou, hij vermaakt zich wel, hè", merkte ik op.

"Dat dacht ik ook. Maar moet je verderop lezen, hier."

Ze gaf me het laatste velletje, dit keer met een geschreven met een blauwe pen in plaats van een zwarte.

'Ik zit bij ze aan tafel. Je zou zeggen dat ik erbij hoor. Maar zo voelt het niet. Het zijn Italianen en ik niet, natuurlijk. Maar daar ligt het niet aan. Het is hetzelfde als altijd. Niets is ooit echt wat het is, het glipt me altijd door de vingers. Hoe weet je zeker of je iets om iemand geeft? Voel ik de pijn als jij op je vingers slaat? Voel jij mijn pijn? Ik kijk terug op een gelukkige jeugd, die er nooit geweest is. Het is ingeplakt geluk, nostalgie van naderhand. Kitsch. Stedelingen houden van de natuur. Vraag de boer wat hij ervan vindt en hij haalt zijn schouders op. Zo'n mooi oud kasteeltje op een bergtop. Niks romantiek, gewoon een militaire vesting. Een bunker. De ontroering en de schoonheid voegen we later toe. Ingekleurde foto's. Op het moment zelf ontbreekt de afstand. Je valt er geheel mee samen, je moet meedraaien, maak de beweging. Gewoontes, stomme routines, geconditioneerd als een rat. Als een stomme witte rat. Alles vanzelfsprekend en zonder enige betekenis. En dan vliegt het me zo naar de keel. Het maakt niet uit of ik hier zit of thuis. Het is overal hetzelfde. Ik achtervolg mezelf. Soms geloof ik erin, dan denk ik dat ik draden zie die alles verbinden. Ik lijk er midden in te staan, maar lost het op en er is niets meer. Hier ben ik de vreemdeling waar ze nieuwsgierig naar zijn. Tot het nieuwe eraf is, dan ben je weer dezelfde buitenstaander. Maar dat ben ik thuis ook. Misschien zijn we allemaal buitenstaanders, misschien is er geen binnen. Een prachtig huis, een prachtig gevel, maar waar zit verdomme de deur. Liefs, Wessel. '

Wat er gebeurd was schreef hij niet, maar de zwaarmoedige toon trof me.

"Snap jij waar hij heen wil?", vroeg Mar. "Hij zit wat in zichzelf te mompelen. Het was toch aardig geweest als hij het tegen mij had als hij me een brief stuurt, niet? Tegen mij persoonlijk, ik heb er lang genoeg op moeten wachten."

Mar voelde zich alleen maar tekortgedaan.

"Hij had ook gebeld, zei je?"

"O ja, wacht effen."

Ze doorzocht haar broekzakken en keerde vervolgens haar tas om. Op Wessels bureau verschenen zakdoekjes, balpennen, een pakje sigaretten, wat kassabonnen, wat los kleingeld, een nagelschaartje, een portemonnee, een pakje tampons en een agenda. Ze pakte de agenda en liet de bladzijden langs haar duim glijden. Op de plek waar het stokte lag het papiertje dat ze zocht.

"Ik was niet thuis, mijn hospita nam op. Ik moet terugbellen. 0039, dat is Italië, dat moet Wessel zijn. Wil jij het doen? Als zo'n Italiaan opneemt kom ik niet uit mijn woorden."

Ze legde het papiertje opengevouwen op tafel. Ik ging de gang op en draaide de 13 cijfers. Ondertussen nam ik me voor wat ik zeggen zou. Aan de andere kant werd van alles in werking gezet. Ik hoorde tikken, een geratel, en een krakerige beltoon.

"Pronto!", zei een vrouwenstem.

Ze noemde haar naam niet. Dat doen ze nooit in het buitenland en dat brengt me altijd in de war. Ik begon te hakkelen dat ik Castermans heette, from Holland, en dat er misschien iemand...

"Bene. Aspete", zei de vrouw en riep iets naar achteren.

Ik gaf de hoorn aan Mar. Ze wachtte.

"Hoi lief", begon ze opeens enthousiast, "Hoe is het..."

En toen viel ze stil.

"Ja", zei ze aandachtig, "Ja, maar .... Ja, natuurlijk. Oké, wacht even.

Ze dekte de hoorn af met haar hand een siste mijn kant op: Pen! Papier! Ze schreef op wat hij dicteerde en vroeg daarna nogmaals hoe hij het maakte. Ze zweeg een hele tijd en antwoordde toen ontmoedigd.

"Ja, dat hoop ik ook. Goed dan. Nou, veel succes en dan zie ik je wel als het zover is. Ja, ik ook. Ciao."

Ze gaf mij de hoorn terug. Ik luisterde nog, maar hij had de verbinding al verbroken.

"En?", vroeg ik, "Nou hij klonk erg gehaast. Er is iets met Robbie, dat vertelt hij nog wel. Hij wil dat ik telegrafisch geld aan hem overmaak. Dat kan hij dan ophalen op het postkantoor aan de Via Giorgio Vasari, als ik dat goed heb opgeschreven tenminste. Hij klonk heel gestresst en dan gaat hij commanderen. Dat ken ik van hem."

"Een driftkop", zei ik."Wat je zegt. Nou, er zit niks anders op, ik zal maar weer geld van de giro halen. Heb jij dat ooit gedaan. Geld overmaken naar het buitenland?"

****

Mijn werkzaamheden waren simpel. Rollen textielbehang kwamen van de productielijn terecht bij de Marokkaan naast me. Hij bediende een apparaat dat de rollen in plastic verpakte. Daarna rolden ze vanzelf mijn kant op en ik legde ze in dozen, 32 rollen per doos, ik plakte ze dicht en zette ze op een rek. Op maandag en dinsdag stond aan de andere kant van mij een Joegoslavische vrouw die de rekken ophaalde. De andere dagen stond er een student. Die las thrillers in de pauze en zei verder niets. De Joegoslavische was vroeger in haar dorp vast een schoonheid geweest. Ze had helblond haar en het gezicht van een verlopen meisje. Ze droeg T-shirts met een laag uitgesneden hals en strakke rokken waar ze eigenlijk niet meer inpaste. Elke twee uur hadden we een rookpauze en dan praatten we wat. Ze vroeg met een gebarsten stem en half in het Duits of ik een vriendinnetje had. Dat deed ze iedere week. Ik veronderstel dat ze de komende en gaande uitzendkrachten niet uit elkaar kon houden. Eén keer liet ze me foto's zien van haar kind. Haar man had haar laten zitten voor een ander.

"Hij schlechte Mann, viel trinken. En ik dumme Frau. Ach, ik was jung, viel zu jung."

Haar sigaretten leken sneller te branden dan de mijne. Of ze kon beter roken.

De Marokkaan sprak geen Nederlands en at geen brood. Tijdens de lunch maakte hij een bakje open met iets van rijst en een rood prutje, iedere dag hetzelfde. Dat lepelde hij op en ging dan met zijn ogen dicht zitten wachten tot de pauze voorbij was. Het was simpel werk en er was tijd genoeg om alles te overdenken. Grote gedachten, kleine gedachten en niets van blijvende waarde. Ik dacht bijvoorbeeld over Wessels ideeën over onze inwisselbaarheid. Hier aan de productielijn was ik verschrikkelijk inwisselbaar. Ik vroeg me af waarom onze werkzaamheden nog niet waren geautomatiseerd. Ook dacht ik over mijn kansen om Annique te heroveren op Tom. En van tijd tot tijd maakte ik me zorgen maken over Wessel. Waarom was hij niet teruggekomen met Robbie. Waarom hoorden we niets? Ik zou het Robbie moeten vragen, maar ik durfde niet. En dan verweet ik mezelf weer mijn lafhartigheid.

Robbie kwam zelf langs. Toen ik niet op de Zilverberg was had hij meteen begrepen waar ik zat. Er was verder niemand thuis, als hij me wat aan wilde doen kon ik geen kant op. De hoekige kop, de platgeslagen neus en die grijns. Het was er allemaal weer. Ik voelde me klein en nietig. Een konijntje en een wurgslang. Of hij mocht binnenkomen, vroeg hij nederig. Had hij een hoed gedragen, dan had hij hem afgenomen.

"Ik heb iets goed te maken."zei hij, "Pak eens twee glazen."

Hij haalde uit zijn binnenzak een fles Malt Whisky en schonk in.

"De fles is voor jou, Chivas Regal. En ik zal het nooit meer doen."

Hij lachte uitnodigend: lach nou mee, dan is alles weer goed. Ik ging er niet op in. Hij nam een slok, ik nam een slok.

"Waar is Wessel?", vroeg ik toen, "Waarom is hij niet met jou mee teruggekomen?"

"Dat moet je hem zelf vragen. Ik weet niet wat die jongen bezielt. Hij zoekt het maar uit."

Robbie nam nog een slok.

"Hij wilde zich met mijn business bemoeien, en daar kan ik slecht tegen. Dat ligt gevoelig, heb je toch gemerkt?"

Ik zette mijn glas neer.

"En samen uit, samen thuis. Daar doe jij niet meer aan?", waagde ik uit te brengen.

"Nou moet je eens goed luisteren", begon Robbie fel, "Ik koop dingen en ik verkoop ze weer. Daar verdien ik geld mee. Als er ergens handel is, dan weet ik dat. Ik heb een neus voor die dingen. En ik moet snel zijn, als ik die centen niet pak, dan doet een ander het. Moraalridders kan ik daarbij absoluut niet gebruiken."

En daarna, geruststellend:

"Maak je over Wessel geen zorgen, die komt wel terug. Italië is niet het einde van de wereld en hij is niet alleen. Voor zover ik weet zit hij met een stel Duitsers in een leegstaand klooster."

"Wat valt er dan aan te merken op jouw handel?", hield ik aan.

"Dat ga ik jou niet vertellen. Sommige dingen kun je beter niet weten."

"Zoals die doos die ik niet mocht open maken? Die vieze boekjes?"

Hij lachte alsof het een goeie mop was.

"Porno is voor Polen, daar verdien ik goed aan."

"Smokkel je dat dan?"

Als hij dat smokkelde, dan kon hij ook wel andere dingen smokkelen. Misschien zat hij in de drugs, misschien verkocht hij wapens.

"Laten we zeggen dat ik een gezonde handelsgeest heb. Het zijn Polen, het blijven preutse katholieken. Seks vinden ze vies, dat verbieden ze dus. Dan krijg je schaarste en dat is altijd goed voor de handel. En nooit problemen met de douane: een kinderhand is gauw gevuld, nietwaar. Zo gaat dat met alles. Zolang er wetgevers zijn, is er handel. Verboden vruchten smaken zoet. En zal ik jou eens een mop vertellen? Ik smokkel ook bijbels naar Polen. Whatever pays. Dat is daar eigenlijk ook porno. Ik verdien wat centen met die boekjes, mag ik alsjeblieft?"

Wie was ik om te zeggen dat hij dat niet mocht? Ik zou niet durven.

"Anyway, ik stap weer eens op. De fles is voor jou. En no hard feelings, oké?"

Hij stak zijn hand uit.

"Ja, dat is wel goed zo", mompelde ik en schudde zijn hand zonder veel enthousiasme.

"Voor ik het vergeet, er lagen nog spullen van je. De mazzel!"

Hij liet een plastic V&D tas achter. Er zaten wat sokken en onderbroeken in, mijn toilettas, een schrijfblok en een briefje. Van Annique.

Van Annique!

'Mathieu,' schreef ze. 'Ik ben weg uit Amsterdam. Er zijn hier teveel dingen en teveel mensen waarmee ik breken moet en jij hoort daar ook bij. Ik zal je niet meer zien en ik wil niet dat je mij probeert te vinden. Ik vertrouw jullie niet. Trek het je niet aan, het is niet persoonlijk. Ik vind het ook niet gemakkelijk. Sorry.'

Dat ik haar een tijd niet zou zien, daar had ik me mee verzoend. En ook dat ik haar daarna weer van Tom zou moeten losweken. Maar dat ze met zo'n lullig kattebelletje uit mijn leven verdween was een klap in mijn gezicht. Ze vertrouwde ons niet meer. Wie bedoelde ze? Mij vertrouwde ze toch al niet. Tom wel. Was die van zijn voetstuk gevallen? Ik fietste meteen naar de Zilverberg en ik drukte op haar bel, op de keukenbel, op alle bellen tegelijk. De deur ging open en verschillende gangbewoners kwamen aan gelopen. De meesten wisten niets van haar vertrek. Iemand wist te vertellen dat ze het afgelopen weekend in gezelschap van een andere vrouw haar kamer had leeggeruimd. Ik wilde het met eigen ogen zien. Het zag er spookachtig uit allemaal. De Maleise vlinders waren gevlogen van het verkleurde bloemetjesbehang. De kamer was onbegrijpelijk leeg. Alleen de roze schemerlamp met het blote engeltje stond er nog.

Waarom ze was weggegaan wist niemand en ook niet waarheen. De enige die haar had zien vertrekken was een jongen die pas twee weken op de gang woonde. Hij had niets gevraagd. Ik belde Tom op. Die verklaarde slechts dat Annique een onafhankelijke volwassen vrouw was die wat hem betreft aan niemand verantwoording hoefde af te leggen. En als ik haar nog vinden mocht, wenste hij me veel plezier met 'mijn sloerie'. Met Tom was het dus inderdaad uit. Nu wist ik niet meer waar ik het moest zoeken en ik werd door een soort paniek bevangen. Ik moest de deur uit. Ik pakte de fiets en reed zomaar een eind. Ik reed door Amsterdam Noord. Ik fietste naar Durgerdam. Ik keek uit over het water waar we anderhalve maand eerder nog hadden gezwommen. Een ijzige wind joeg donkere schaduwen over het meer en de tranen in mijn ogen. En al die tijd zag ik die rot schermerlamp met dat engeltje voor mijn ogen.

Toen ik na een kille pelgrimstocht terugging naar mijn kamer op de Zilverberg was ik verkleumd en wanhopig. Een warme douche kon de rillingen niet verdrijven. Ik kotste mijn wastafel vol. Als ik het niet zelf had meegemaakt, zou ik niet geloven dat iemand ziek kan worden van liefdesverdriet. Vier dagen en nachten lag ik klapperend van de koorts op bed. Ik droomde korte verwarrende dromen over gele Simca's en ongelukken. En weer doemde de roze schermerlamp op. Waar mijn gedachten ophielden en de droom begon was niet duidelijk, maar ik werd er doodmoe van.

****

Toen de koorts geweken was belde ik Mar. Die wist van niks.

"Goh, is die verhuisd dan? Heb ik anders niks van gehoord."

Ik wist dat ze loog.

"Mar, alsjeblieft. Vertel wat je weet en schiet op. Ik ga hieraan kapot", zei ik pathetisch, "Ik moet haar vinden."

Lang hoefde ik niet aan te dringen. Ze vertelde wat ze wist. Annique was met Tom naar Friesland. Hij had seks geëist en zij volhardde in haar weigering. Hij had gezegd dat ze hem niet voor de gek moest houden, hij wist alles over haar en die Limburgse papzak. -' Sorry, dat waren zijn woorden ' - Wat die had gekregen, daar had hij ook recht op. Uiteindelijk waren mensen van de tent naast hen tussenbeiden gekomen. Tom werd van de camping verwijderd en Annique diende een aanklacht tegen hem in. Toen is ze naar huis gegaan en daarna besloot ze weg te gaan."

Ze had Mar ook niet verteld waarheen.

"Zet haar uit je hoofd, Mathieu", besloot ze, "Annique is een hele complexe vrouw. Je bent beter af als je haar vergeet. Geloof me nou maar."

Er zat niks anders op. Ik heb geprobeerd haar te vergeten. Ik hield mezelf voor dat het toch nooit iets was geworden tussen ons. Dat ik toe was aan een normale relatie met een normale vrouw. Werd het geen tijd dat ik zelf iets te vertellen kreeg in mijn eigen liefdesleven, moest ik maar niet eens volwassen worden? En toch, zo verliefd als ik toen op Annique was ben ik nooit meer geweest. Mijn geschifte eekhoorntje dat zo prachtig zingen kon. Maar het was zoals vader altijd zong: ik zou aan mijn smart gewennen, ik leerde andere meisjes kennen, naar wier gunst ik met vernieuwde woede dong. Mijn eerste meisje van de zangvereniging, dat zong hij vaak als hij bezig was in de drukkerij. Soms op een feest of een verjaardag zong hij het helemaal, met een galmde tenorstem. Als vader zong was alles goed. Je voelde je veilig, de wereld was goed zoals hij was. Ik wilde later net zo worden als vader, dezelfde levenslust, dezelfde goedmoedigheid. Toen belde mijn zus. Vader zong niet meer.

****

"Waar is Wessel? Ik bel toch met Wessel? Ik moet Wessel hebben. Wat doe jij daar nou?", zei Maria verward.

Ik vertelde dat ik op zijn kamer zat, zolang Wessel op vakantie was.

"Jezus, en weet je niet waar hij is? Hij moet naar huis komen. Jij ook. Het is helemaal fout met vader. Hij ligt in het ziekenhuis, ze hebben gedaan wat ze konden. Maar zijn hart heeft het begeven."

Het was de gesmoorde snik in haar stem waar ik van schrok, niet van wat ze zei. Dat drong amper tot me door. Ik wilde haar geruststellen, zeggen dat het allemaal niet zo erg was. Het was een reflex:

"Stil nou maar. Hij zit in Italië, maar ik weet wel waar. We zullen hem bellen. Ik spoor Wessel wel op. Het komt allemaal wel goed."

"Het is helemaal niet goed, idioot. Snap dat dan. Vader is dood, Mathieu."

De wagen was gevonden met de voorwielen in een boerensloot. Volgens de politie was vader onwel geworden en van de weg geraakt. Het ambulancepersoneel had hem gereanimeerd. Hij had in het ziekenhuis nog ruim een kwartier geleefd, maar hij was niet meer bij kennis geweest.

****

Ik ging weer naar Mar, mijn enige link met Wessel. Ik vertelde het hele verhaal en ze sloot me in haar liefhebbende armen.

"Wat vreselijk", zei ze, "Gecondoleerd."

Condoleren is een woord dat je normaal nooit gebruikt, het is gelegenheidstaal, als het pak dat je leent voor de begrafenis. Misschien trof het me daarom met de volle laag. Ik had de dood van mijn vader vertaald in een praktische opdracht: vind Wessel. 'Gecondoleerd' maakte iets anders bij me los: pure radeloosheid.

"Oh God", zei ik, "Godverdomme. Oh God."

Ik wist dat er iets enorm zwaars op me was neergedaald, waar ik iets mee moest. Maar ik kreeg mijn gedachten niet meer op een rij. Ik moest, ik wilde, ik kon toch... als we nou... Ik zocht naar woorden, maar ik kwam niet verder dan "God nog aan toe."

"Zeg maar niks", zei Mar, "Gewoon even niks."

Maar dat kon helemaal niet. Ik moest iets doen, ik moest ergens heen. Ik moest naar Limburg, ik moest doorgeven dat ik niet kwam werken. Ik moest naar de Zilverberg, ik moest Wessel vinden. Ik kwam niet om getroost te worden, ik had antwoorden nodig.

"Goed", zei Mar, "Wat weten we? We hebben het adres van dat postkantoor en een telefoonnummer. Ik hoop wel dat ik dat papiertje nog ergens heb. We kennen een Luciano met die rare naam en het vermoeden dat hij met een groep Duitsers in een oud klooster zit. En wat kunnen we daarmee?"

Ze bracht de rust terug in mijn hoofd. Het ging weer om de opdracht Wessel te vinden. We zouden in elk geval moeten bellen naar Italië en ik zou Robbie nog eens moeten vragen of hij nog meer wist. Italië bellen was lastig, en Robbie sprak ik liever helemaal niet meer. En toch was dat wat ik wilde, moeilijke dingen doen.

De telefoon stond op de gang. Ik moest de teller goed in de gasten houden, want Mar kon niet zomaar naar het buitenland bellen, ze betaalde per tik. Terwijl ik luisterde hoe 13 cijfers piepend en rammelend hun weg vonden door Europa keek ik in het rond, naar het rommelhok voor mij, de kast naast me en de rotzooi die daar bovenop lag. De oude paraplu's, de bloempotten, de schoenendozen, het roze schemerlampje met het blote engeltje...

De man die 'Pronto' zei verstond me niet, noch in het Frans, noch in het Duits of Engels. Dat kostte meteen vijf tikken. Mar informeerde vervolgens bij de Inlichtingendienst Buitenland naar Ippolitos telefoonnummer, maar ze hadden een adres nodig. De enig overgebleven aanwijzing was het leegstaande klooster waar Robbie het over had gehad. Wie weet was dat in de buurt van het postkantoor aan de Via Giorgio Vasari en wie weet woonde Ippolito daar ook. Wie weet had het allemaal niets met elkaar te maken. Het telefoonnummer was in elk geval ergens anders, want ik had geen Duitser aan de lijn gekregen. Er zat niks anders op, ik belde Robbie. Hij was na Mar de eerste die ik vertelde over het overlijden van mijn vader. Maar ik was zo gespannen dat het net leek of het niet echt was. Hij was wel behulpzaam:

"Ik zal je precies vertellen wat ik weet. Ik ben een paar dagen de stad uitgeweest. Ik liet Wessel achter bij Gianni, dat is die kennis waar we sliepen. Wessel is daar nog een dag gebleven. Maar hij had commentaar op de manier waarop die man zijn zaak runde. Hij maakte heibel en Gianni heeft hem het huis uitgezet. Toen ik weer terugkwam had ik de grootste moeite om het weer recht te breien. Het is dat we al jaren zaken doen, anders was ik een belangrijk contact kwijtgeraakt. Daar was ik dus niet blij mee. Right. Een paar dagen later kom ik Wessel tegen in het centrum van de stad. Puur toeval. Eerst herkende ik hem helemaal niet. Hij had een zijn snor laten staan en hij droeg een hoedje. Toen hij me zag stoof hij op me af en hij begon me de les te lezen. Eerst was ik nog bezorgd ook. Ik vroeg hem waar hij uithing al die tijd. Toen vertelde hij over dat klooster. Maar meteen daarop viel hij weer tegen me uit. Hij was niet alleen, er waren twee jongens bij hem. En een van die twee probeerde hem te kalmeren, in het Duits.

"Du, macht doch keine Scheisse!"

Maar hij stond te tieren, dat het niet deugde wat ik deed en dat ik er niet omheen moest draaien. En toen dacht ik: ach, barst ook. En ik ben doorgelopen."

"Kun je me meer vertellen over dat klooster? Weet je een naam, een buurt?"

"Ergens in het Noorden, buiten het centrum. Sante nog wat, de naam heb ik niet opgepikt."

"Zegt de Via Giorgio Vasari je iets?", probeerde ik nog.

"Helemaal niks. Ik weet niet eens of die Duitsers ook in dat klooster zitten. Ga er heen, zoek het uit. Het lijkt me simpel. Of hij zit bij een enge religieuze sekte, of hij zit bij een geheime communistische cel, dat zou me niet verbazen. Of hij zit gewoon bij een ander wijf. Veel succes."

De man die ophing was weer de Robbie die ik kende.

"Nou moeten we nog een keer naar Italië bellen", zei Mar, "Maar dan met iemand die Italiaans verstaat. Alleen, waar vind je die? Je kunt toch moeilijk een Italiaans restaurant binnen stappen." Dat vond ik niet eens zo'n gek idee. De zoekopdracht was wat me overeind hield, daar wilde ik best een hoop voor doen. Dus at ik pizza die avond. Eerst een quattro stagione in een restaurant waar niemand Italiaans verstond. Daarna een margarita, op een plek waar de ober mijn verzoek behandelde alsof het zijn dagelijkse werk was. Hij draaide het nummer en legde de situatie uit. Toen gaf hij mij de hoorn:

"Ze verstaat Engels", zei hij.

Het was de vrouw die ik eerder aan de lijn had gehad, ik herkende haar stem. Wessel had een paar dagen bij hun in huis gebivakkeerd, maar hij was weg, ze wist niet waarheen. Er lagen nog spullen van hem, ze dacht dat hij daar nog wel voor terugkwam. We konden wel even langskomen. Ik legde uit dat ik vanuit Nederland belde en wat de reden was dat ik Wessel zocht.

"Oh I See", zei ze.

Ze kon zijn spullen ook wel opsturen, maar daar ging wel tijd overheen. En ze wist niet of ik er iets aan had. Misschien kon ik toch beter langskomen, ik moest maar laten weten wat ik deed. Ik kon altijd bellen en vragen naar Ana. De ober wilde van geen rekening weten, vanwege mijn tragische familieomstandigheden.

Buiten wist ik niet meer wat te doen. Het was een lange dag geweest, na het telefoontje van Maria. Ik was mijn besef van tijd kwijt. Ik zou onderhand naar het ziekenhuis moeten, waar vader lag opgebaard. Daar zag ik tegenop. En de klok tikte door. Ik moest Wessel vinden, terwijl alle sporen doodliepen. Kwamen we in Italië meer aan de weet dan hier? Als ik hier bleef kon ik alleen maar afwachten of hij zich op tijd meldde. Thuis maakten ze zich intussen behoorlijk ongerust. Moeder wilde de begrafenis uitstellen. Ze had erg graag dat ik in Bologna op zoek ging. Jo wilde wel mee, maar daar zag ik het nut niet van in. Mar wilde wel rijden en we konden de auto nemen. We vertrokken vroeg de andere dag.

****

Ik was hondsmoe die nacht, al deed ik nauwelijks een oog dicht. Mar was ook niet op haar best, maar we gingen toch met de eerste trein naar Limburg. Rond 10 uur waren we al bij het ziekenhuis waar vader lag. Het was hem niet. Hij zag geel en had een grijns rond zijn mond die niet bij hem hoorde. Mar zei dat hij er mooi bijlag. Daarna gingen we op weg. We waren allebei stil. De route was simpel. Eerst naar Maastricht, dan door naar Luik. En dan de E9 tot Italië. Onderweg dacht ik na over niets. We waren in beweging, dat legt een zekere rust over de dingen. En rust had ik niet veel gekend de laatste dagen. Verlaten door Annique, toegetakeld door Robbie, ziek, Vader gestorven, Wessel verdwenen, de telefoontjes naar Bologna.... Opeens zag ik hem weer staan, op de kast boven telefoon bij Mar: de roze schermerlamp met het blote engeltje. Toen wist ik het.

"Jij was die vrouw die Annique hielp verhuizen!", riep ik uit.

"Oké", zei ze met een zucht, "Je was er toch wel achter gekomen. Ja, ik heb Annique verhuisd."

Godallemachtig! Waar had ik dat opeens aan te danken?

"Ja! Dan weet je wèl haar adres. En heb je nog contact met haar? Heeft ze het nog wel eens over me? Vertel!"

"Ach lieve Tjeu...Jezus, wat een klootzak! Hij ging er gewoon rechts langs, zag je dat? Ik zat er bijna bovenop."

Ze schakelde terug.

"Annique woont in Brussel, ze gaat daar verder studeren. Het laatst dat ik haar sprak was kort na de verhuizing. Toen voelde ze zich nog wel alleen, maar dat is ze wel gewend. Maar ik geef het je te doen, in je eentje beginnen in een andere stad, in een ander land nota bene. Ze spreekt niet eens Frans. Ik hoop dat het haar een beetje lukt dit keer, ze verdient nou wel eens wat geluk."

"Ja. Dank je de koekoek. En waar heb ik dat aan verdiend? Ze hoefde helemaal niet te gaan, we hadden het prima kunnen hebben."

Daar ging ze niet op in.

"Geef me haar adres"dreinde ik. "Toen jij contact zocht met Wessel heb ik je ook geholpen."

"Dat doe ik niet. Je wordt hartelijk bedankt om wat je voor Wessel en mij hebt gedaan, maar je krijgt het niet. Je doet er niet verstandig aan, laat haar met rust. Geloof me nou, het is beter zo. Jij bent beter af met een grietje met minder dalles aan d'r kop. Echt waar."

Aandringen had geen zin.

"Godverdegodverdomme", vloekte ik moedeloos.

"Sorry", zei ze en kneep troostend in mijn knie.

We reden weer zwijgend verder. Richting Luxemburg, Thionville, Saarbrücken. Vroeger hadden we een oude radio. Zo een van bakeliet, met een ingebouwde luidspreker, weggewerkt achter een grof geweven doek. In het midden zat het oog, een groen lampje dat nagloeide als je het toestel had uitgezet. Naast de volumeknop stonden de zenders waaruit je kiezen kon. Hilversum, Brussel, Reims, Paris, Keulen, Mainz.... Het toestel beloofde zelfs Wenen en Moskou. In werkelijkheid was Radio Luxemburg al te ver en Hilversum 3 niet om aan te horen. Maar de belofte bleef. Van steden vol fabrieksschoorstenen, waar stoere kerels zich 's nachts in het zweet werkten. Van rivieren die langs hoge bergen naar zee stroomden. Van vliegtuigen die in de blauwe lucht opstegen naar Amerika. Van de wijde wereld, ver weg van ons eigen Gerhardsrade, waar mijn hele leven zich afspeelde. En nu was ik groot, mijn vader dood en mijn broer spoorloos. Ik zag Saarbrücken op de borden staan en Kaiserslautern. Toen ik wakker schrok zaten we bij de Autobahnkirche Baden Baden.

"Volgens mij rijden we verkeerd", zei ik, "Dit is de E4."

Bij een pompstation kochten we een wegenkaart. Mar zei dat ik beter ook even naar huis kon bellen. Stel dat Wessel inmiddels was opgedoken, dan waren we voor niks op weg. Ik kreeg moeder aan de lijn. 's Ochtends had ik haar nog gezien bij vaders starre glimlach. Ze had rustig met me gefluisterd, als in een kerk of een museum. Nu was haar stem verstikt van tranen en ik schoot ook vol. Het komt door de afstand, het is de telefoon die dat doet. We hadden geen van beiden nieuws over Wessel.

Mar reed verder. De omweg bleek mee te vallen. Het speet me dat we geen tweede chauffeur hadden. Ze zou moeten rusten, we zouden moeten stoppen om te eten. Aan het eind van de middag stonden we vast in een file voor de Gotthardpas en ik besefte dat we geen Zwitsers geld hadden. We aten de appels en de koekjes die we mee hadden genomen en reden met rommelende magen verder. Rond middernacht bereikten we Italië.

"Ik voel niet meer dat ik een stuur in mijn handen heb", zei ze.

In de buurt van Como zetten we de auto langs de weg en vielen allebei als een blok in slaap.

****

Echt uitslapen doe je niet in een auto. Toch waren we bij zonopgang alweer behoorlijk uitgerust. Rond half 10 reden we Bologna binnen. Het adres was gemakkelijk te vinden, een grijs gepleisterd gebouw aan de westelijke kant van de stad. We werden verwelkomd als oude bekenden, al leek Mar daar niet erg van gediend. Ana ging ons druk pratend voor in haar appartement, dat er rommelig en vol uitzag. Hier werd veel gelezen en veel gegeten. Ze sprak zachtjes, om haar huisgenoten niet wakker te maken. Een werkte in het ziekenhuis en had nachtdienst gehad. De andere was een student. Dat zei ze met enige vertedering, kennelijk vond ze dat studenten hoorden te slapen overdag. Daarna plaatste ze ons aan de keukentafel.

Ana was rond de dertig en on-Italiaans lang van gestalte. Ze had zwarte, kortgeknipte krullen, een alledaags, bleek gezicht en een prominente neus. Ze had de moeite genomen om zich op te maken, maar de zweem van treurigheid in haar gelaatstrekken liet zich niet wegpoetsen. Vanaf het moment dat we binnenwaren, wervelde Ana om ons heen. Ze vroeg hoe de reis was geweest, praatte over de drukte op weg, over het weer, over Leiden waar ze wel eens geweest was, over de trieste aanleiding van onze komst. Of we koffie wilden, en hadden we geen honger? Het was bij half tien en ik was uitgehongerd. Ze maakte een ontbijt en bleef ondertussen praten tegen degene die het dichtst in haar buurt was. Mar liet haar achterdocht niet snel varen, maar ik liet me behoedzaam neervlijen op een bed van bijna gefluisterde woorden. Haar zachte doordringende stem deed me denken aan een prevelende non. Er kwamen broodjes op tafel, stukken worst, ham, opgewarmde ravioli en koffie. Helemaal waar ik aan toe was. Mar at niet veel.

"Where is Wessel?", vroeg ze, alsof Ana hem had achterovergedrukt.

"Kun je dat niet wat vriendelijker vragen?", stelde ik voor. "Moet je kijken hoe we hier onthaald worden, en dan ga jij haar zitten afbekken."

"Ja, waarom zou ze zich zo uitsloven? Die heeft iets goed te maken. Ik wil weten wat."

Ana wist niet waar Wessel was. Hij had in totaal twee nachten bij hun op de bank geslapen.

Toen kon hij ergens anders iets vinden. Waar wist ze niet precies. Hij had gevraagd of hij wat spullen van waarde kon achterlaten, want op die nieuwe plek kon niets op slot en andere bewoners kende hij niet. Nee, het was niet in een klooster. Straks zou er iemand komen die misschien meer wist. Ze zette Wessels sporttas op tafel en zei dat dat alles was.

"And how did Wessel come here in the first place?", vroeg Mar weer.

Ana antwoordde gedwee en vriendelijk. Haar man had Wessel ontmoet in de stad. Ze hadden de eerste dag tot laat zitten discussiëren, dat was een hele leuke avond geweest. Ze moest het straks maar aan Ippolito vragen. We keken elkaar aan. Ippolito was Ana's man. Mar was opeens uitgepraat.

Ze bedankte Ana vriendelijk en begon eindelijk te eten.

"Ik schaam me zo", fluisterde ze opeens."Ik dacht dat ze iets met Wessel gehad had. Maar met haar man erbij, dat zal toch wel niet."

En ze proestte het uit.

Ana kwam weer de keuken in met handdoeken, voor als we wilden douchen. Mar complimenteerde haar omstandig. Na het eten haalden we de tas leeg. Er zaten kleren in, zijn fototoestel, het schrift met de verkeersborden en zijn paspoort.

"Als hij zijn paspoort niet bij zich heeft is hij ook niet onderweg naar huis. Dan moet hij nog in de buurt zijn", leek mij.

Mar begon melig te worden.

"Maar misschien reist hij onder een valse naam. Hij had toch ook zijn snor laten staan? Zou hij spion geworden zijn?"

Ik kon er niet om lachen en ging douchen. Toen het Mars beurt was, bladerde ik door het schrift met de verbodsborden. Hij was sinds mei niet ver meer opgeschoten met de bijbel. Er stonden verder wat aantekeningen in, mijn eigen telefoonnummer bijvoorbeeld en het adres van het postkantoor. En een soort gedicht of overpeinzing:

Waar je was, waar je bent of heengaat zijn de Anderen
Voor je geboorte en na je dood: de Anderen
Almachtig en alwetend tot in de eeuwigheid.
Nu en hier, alleen, ik. Wie twijfelt beweegt

Op de volgende bladzijde wat berekeningen op basis van een koers van 350 lire voor een gulden. Veel wijzer werd ik er niet van. We konden de tas moeilijk meenemen. Als we hem niet vonden, moest hij toch bij zijn spullen kunnen. In elk geval bij zijn paspoort.

Ippolito kwam binnen voor Mar goed en wel klaar was. Hij was een paar jaar ouder dan Ana, een kop kleiner en aanzienlijk luidruchtiger. Zijn halflange haar vertoonde inhammen. De bakkenbaarden, nog van de jaren '60, kleurden voorzichtig grijs. Maar verder was Ippolito vol jeugdig elan. Hij nodigde mij meteen uit om die avond de stad in te gaan en toen Mar binnenkwam kuste hij haar de hand. Ze moest daar erg om giechelen. 's Middags moest de man weer werken, maar zijn vriend Paolo zou met ons op zoek gaan. Het werd een chaotische speurtocht door de stad. Paolo was een vriendelijke jongen met een vlassig snorretje. Hij had best hele gesprekken met ons willen voeren, maar zijn beperkte woordenschat verhinderde dat. Hij reed in een Lancia vol deuken en krassen, die hij behendig door de smalle straten van de stad manoeuvreerde. We kwamen bij een verlaten fabriek waar een groep kunstenaars een atelier had; daarna bij een serie panden met een allegaartje van studenten en punkers en uiteindelijk bij een oude school die bewoond werd door een kolonie oude hippies. Daar had Wessel inderdaad gebivakkeerd, maar hij was weer vertrokken. Paolo begreep dat hij samen met een Amerikaanse of een Engelsman was gaan liften. Alleen wist niemand waarheen of en ze nog van plan waren terug te komen. Daarmee liep het spoor dood.

Terug bij Ana en Ippolite was ik moe, teleurgesteld en hongerig. Ik wilde eten, ik wilde slapen, ik wilde weg. Mar deelde mijn gemoedstoestand niet. Ippolite had gezegd dat hij ons die avond mee uit eten zou nemen en daar verheugde ze zich op."Nu we hier toch zijn, kunnen we er maar beter het beste van maken"zei ze. We hadden nog een uur of vier te doden, voor achten was er geen restaurant open. Ana bood aan om ons de stad te laten zien en Mar ging daar gretig op in. Ik sjokte achter de twee druk pratende vrouwen aan, die ook nog eens de ene winkel na de andere binnenliepen. Uiteindelijk belandden we op een terras met een karaf wijn. Hoe meer het humeur van Mar verbeterde, hoe minder ik op mijn gemak was. Ik zei dat even een eindje moest lopen. Bij het station kocht ik voor een handvol lires een flink bord spaghetti en informeerde naar treinen naar Nederland. Als Mar wilde blijven, dan moest ze dat maar doen. Ik bedacht me dat het toch al niet verstandig was als ze nu nog achter het stuur zou kruipen. Maar ik wilde zo gauw mogelijk terug. Dezelfde avond zat ik in de trein onderweg naar Milaan. Van de terugreis kreeg ik niet veel mee, het grootste deel van de tijd bracht ik slapend door. In München moest ik overstappen, maar daarna viel ik opnieuw in slaap. Terug in Amsterdam was ik geradbraakt. Ik ging naar de Prinsengracht voor een snelle douche. Daarna belde ik naar huis, dat ik eraan kwam. Terwijl ik stond te bellen keek ik naar een ansichtkaart, die daar tijdens mijn afwezigheid was opgehangen. Het was een foto van de dikke kop van Franz Joseph Strauss, de rechtse politicus. Daarboven stond een tekst: 'Die Schweinen van heut'sind die Schinken von Morgen'. Ik hing op en haalde de kaart van het prikbord. 'Groeten uit Beieren. Wessel' stond erop. Volgens het poststempel had hij hem op de bus gedaan de dag voor dat vader stierf.

Moeder, die anders altijd zo snel klaar stond met haar tranen, hield zich kranig en deed wat er gedaan moest worden. Ze belde de begrafenisondernemer. Ze regelde de uitvaartmis met Raaijmakers, die zichtbaar was aangedaan. Ze bestelde rouwkaarten bij Spekholzer, een collega-drukkerij uit een nabijgelegen kerkdorp, waar vader altijd nauw mee had samengewerkt. De dagen voor de begrafenis verliepen in een onwerkelijke sfeer, even onwerkelijk als mijn dagen met Annique waren geweest. Na de roze roes een zwarte. De gehele dag hadden we aanloop van familie en kennissen. Bij iedere gast vertelden we opnieuw wat er hoe dan ook verteld moest worden. Hoe hij gevonden was, hoe onverwacht het kwam. Maar ook dat er al eerder kwaaltjes waren, waar vader niet mee naar de dokter wilde. Als hij dat wel gedaan had? Ja, als... Hij was pas 49, en dat is godvergeten jong om te sterven. Ja, dat was waar. Elke nieuwe bezoeker bracht nieuwe tranen mee en steeds weer dezelfde schok. En daarna werd thee geschonken en ging het gesprek over oppervlakkige aangelegenheden. Het waren dezelfde gesprekken die we altijd voerden met de mensen uit het dorp. Die alledaagsheid was troostrijk, maar ook vreemd. Met mensen die van ver kwamen hadden we het over de drukte op de weg en de beste route naar het zuiden -wel of niet over België? En ja, inderdaad, wat waren we groot geworden. En dat Wessel uitgerekend nu op vakantie was. Dat zo'n jongen niet naar huis belt...

Soms werd er ook uitbundig gelachen. Dat kon totdat de bel weer ging, nieuwe tranen vloeiden en de cyclus weer van voren af begon. Elke keer vlamde het weer door me heen. Is hij echt dood? Ja, hij is echt dood. Je vertelt het nog eens, en steeds opnieuw schrik je van je eigen woorden.

Er was genoeg afleiding. We schreven stapels rouwkaarten, we kochten donkere pakken en we maakten doorlopend potten koffie. Er moest ook worden gepraat over de toekomst van het bedrijf. Dat kon het beste nu gebeuren, aangezien we toch bijna allemaal bij elkaar waren. In tijden van tegenspoed zijn de Castermansen altijd erg praktisch uitgevallen.

"Eerst orde op zaken, jammeren kan altijd nog", zei vader altijd als er iets mis ging.

Nu was het goed mis en dus was familieberaad geboden. Vader had zijn voorzorgen getroffen. Hij had gedacht om het over een jaar of wat rustiger aan te gaan doen. Maria en Jo zouden dan gezamenlijk de drukkerij voortzetten. Konden ze dat nu al? Maria had twijfels. Ze deed al een jaartje de boekhouding en dat bracht ze er aardig af. Maar we stonden voor beslissingen die ze niet durfde te nemen, over investeringen in machines en verbouwingen. We wisten niet genoeg van technologische ontwikkelingen. Konden we nieuwe klanten binnenhalen om het allemaal te betalen? Jo was net begonnen op de grafische school en daar leerde hij eigenlijk maar weinig. Hij dacht dat hij in de praktijk al genoeg geleerd had om de boel draaiend te houden. Wij vonden dat hij toch maar moest doorgaan met school. We zagen hem nog geen gesprekken voeren met klanten, laat staan overtuigende offertes maakte. Een beetje meer achtergrond kon geen kwaad. Moeder had geïnformeerd en nagedacht. Ze had Spekholzer - dezelfde van de rouwkaarten - gevraagd of hij bereid was om Jo te coachen de komende jaren. Hij zou erover nadenken, want hij had in vader niet alleen een concurrent, maar ook een goede vriend verloren. Zelf wilde moeder Maria gaan helpen met de zakelijke beslommeringen. Ze wilde wel dat Wessel en ik meer thuis kwamen, dan konden we haar van advies dienen. Misschien moesten we maar ons rijbewijs halen. Met de wagen was Amsterdam niet zo ver meer.

De uitvaart vond plaats op een benauwde snikhete vrijdagochtend. De kerk was afgeladen. Het hele dorp was er, alle kennissen, trouwe klanten en nog meer mensen die ik niet kende. Er kwam familie uit het hele land. Zelfs onze oude bekende Frans Smeets was er. Giel was gekomen uit Amsterdam, Mar was op tijd terug en zelfs Robbie had een hartelijk kaartje gestuurd. Raaijmakers hield een ontroerende preek waarin hij vader roemde als een mild en integer man en een sieraad voor de parochie. Een stoet van talloze belangstellenden volgde de kist naar de begraafplaats en honderden mensen kwamen condoleren. Daarna werd het stil. Zondag vroeg moeder ons te gaan. Ze wilde alleen zijn.

"Ik moet er toch doorheen, laat het dan nu maar meteen zijn", zei ze, "Ik ben er allemaal doodmoe van. Ga, jongens".

We gingen.

13 Het spoor bijster

Amper terug op de Prinsengracht ging de telefoon. Maria, voortvarend als altijd, was al begonnen met de bedankkaarten. Enkele namen uit het condoleanceregister kon ze niet thuisbrengen.

"Neem deze: 'Vaarwel! Annique van Soomeren, Brussel', zegt dat je wat?"

Ik stamelde dat ik haar kende, maar een adres wist ik niet. Ik hing op. Bijna had ik niet meer aan haar gedacht. Ik had de hele week geen traan gelaten en nu was er geen houden meer aan. De zomer van 1978 was voor mij een uitzonderlijk natte. In dat jaar heb ik meer gejankt dan ooit ervoor of erna. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me aan mijn lot overgelaten. Afgesneden van dromen over Annique, afgesneden van mijn herinneringen thuis en geen Wessel om over mij te waken.

"De rouw komt plotseling, maar gaat vroeg of laat voorbij", had Raaijmakers in de kerk gezegd. "Het gemis komt geleidelijk en gaat nooit meer over."

Pas de volgende middag werd ik wakker na een diepe slaap. Ik voelde me nog altijd alleen en ik rilde. Het was een kou die van diep van binnen kwam. De buurman op de gang toonde geen belangstelling, Giel gaf niet thuis en in andere kennissen had ik geen zin. En zo stond ik woensdagochtend weer bij R&D tussen het vinylbehang. Gegeven de omstandigheden leek dat me de beste optie. De eerste week na de begrafenis nam ik drie besluiten:

- geen vakantie dit jaar. Jammer voor Giel, maar mijn hoofd stond daar echt niet naar;

- rijles, en wel twee keer per week. Dat kon ik bekostigen als niet met vakantie ging;

- zo snel mogelijk weg uit de Zilverberg.

****

Aan de Prinsengracht liep de zomer op zijn einde en keerden de bewoners terug, één voor één. Ze begroetten mij als een oude bekende, ik werd onthaald op vakantieverhalen en kreeg zowaar enig medeleven met mijn verlies. Een buurmeisje vroeg me te eten en een jongen waar Wessel veel contact mee had wilde dat ik op de borrel kwam. De Prinsengracht was me meer vertrouwd geworden dan de Zilverberg ooit geweest was. En ik betaalde alvast de huur van de maand september, in afwachting van de terugkeer van Wessel. Want dat hij hoe dan ook zou terugkeren, daar ging ik van uit. En al zijn geruststellende buren beaamden dat.

Thuis in Sint-Gerhardsrade maakten ze zich meer zorgen. Ik liftte ieder weekend naar het zuiden, uit een soort plichtgevoel jegens moeder. Als de rouw nog vers is moet je elkaar veel zien, dat schijnt te helpen. Ik ging in de hoop dat er nog iets van vader rondhing tussen de drukkerij en het huis en in de verwachting mijn verdriet te kunnen delen met de anderen. Maar iedereen had blijkbaar genoeg aan zijn eigen gemis, over vader sprak niemand meer.

Wel over Wessel. Hij was aangemeld bij de alarmcentrale van de ANWB. In de landelijke kranten had een oproep gestaan met als waarschijnlijke verblijfplaats Italië, Oostenrijk, Zwitserland of Duitsland. Hij reageerde daar niet op. Maria stelde voor om hem op te geven als vermist:

"De politie vindt hem eerder dan wij, die hebben internationale contacten. Misschien is hij zijn geheugen kwijt en zijn ze op zoek naar zijn familie."

Maria was veel praktischer, veel volwassener dan je zou verwachten van iemand van amper negentien jaar. Maar soms was ze wereldvreemd.

"Wel nee", zei ik, "Dat gebeurt alleen in de film. Dat soort dingen gebeurt niet in het echt."

"Of hij ligt in een ziekenhuis en is er niemand die hem verstaat."

"Er is altijd wel iemand die Engels spreekt", leek mij, "Ik denk dat hij niets laat horen, omdat er niets aan de hand is."

"Maar stel nou dat hij buiten kennis is", hield ze aan."Ze weten niet wie hij is. Hij heeft geen papieren bij zich. Dan gaan ze op zoek. Al is het maar omdat iemand de rekening moet betalen."

Jo zag sensationelere mogelijkheden:

"Ik heb eens zitten denken", zei hij. "Wie heeft hem het laatst gezien? Die vriend van hem, Robbie. Die heeft ruzie met hem gehad en hij zegt niet waarover. Dat is vreemd. Niemand weet waar die man precies zijn geld mee verdient. Daar zit een luchtje aan. Ze gaan samen weg, hij komt alleen terug. Iets klopt hier niet."

"Robbie was niet de laatste die hem gezien heeft. Dat waren die mensen in dat kraakpand."

"Wie zegt dat?", hield Jo aan.

"Dat zeggen ze zelf", zei ik, "Hij is daar vandaan vertrokken, met die Amerikaan."

Jowas niet overtuigd:"En wanneer was dat? Wie zegt dat Robbie daar niet rondhing? Weet je wat ik denk? Ik denk dat Wessel teveel wist. Het komt die Robbie erg goed uit dat Wessel verdwenen is. Wie weet heeft hij een of ander onderwereldvriendje op hem afgestuurd."

Het kon. Ik wilde er liever niet aan denken, maar met Robbie was alles mogelijk. Waar ging die ruzie over? Misschien had het niets te betekenen, maar ik wilde het wel weten.

"Laten we niet van het ergste uitgaan", zei Maria, "Maar als jij dat nu eens uitvist, Mathieu. Dan ga ik naar de politie. Baat het niet, dan schaadt het niet."

"Mij best", gaf ik me gewonnen, "Maar verwacht daar niet teveel van."

Ik belde Robbie dezelfde avond, maar hij nam niet op. Ik probeerde het nogmaals toen ik terug was in Amsterdam en vervolgens nog een keer tijdens mijn lunchpauze. Allemaal vergeefs. Het kostte me nog moeite om een telefooncel te vinden in Duivendrecht. Uiteindelijk raapte ik mijn moed bij elkaar en fietste op de terugweg langs het pakhuis. Maar de deur bleef dicht. Maria deed ook haar huiswerk en het ging zoals ik gezegd had. Ze lieten haar lang wachten, tot eindelijk een agent bereid was met twee vingers een procesverbaal bij elkaar te typen. Hij dacht dat het wel meeviel, studenten deden wel meer gekke dingen.

"Volgens mij was hij net nieuw, hij had nog niet eens een snor", zei ze.

****

Bij Rath & Doodehever kreeg ik een nieuwe collega. Ze kwam in de plaats van de zwijgzame jongen die thrillers las. Het was een meisje van mijn leeftijd, een adembenemende schoonheid. Ik kon niet uit mijn woorden komen zo gauw ze mijn kant op keek. Mijn collega's en ik, wij waren geboren voor een stofjas, al droegen we hem niet. Achter rekken met rollen behang diende je te sloffen, in de pauze onderuit te zakken tegen de muur, tegen de kale plekken waar de kalk door de verf kwam. Zij hoorde hier niet, met haar te lange benen en haar wiegende heupen. Niet dat ik daar enige interesse in had. Ik was er niet klaar voor en ze was mijn type niet. Ze stoorde vooral. Ik was gewend aan de routine, aan de collega's die niks zeiden en het geestdodende werk. Ze doorbrak mijn verdoving met haar opdringerige parfum en haar oogverblindende uiterlijk. Die helblauwe ogen, dat lange blonde haar. Ze prikkelde mijn zintuigen. Gelukkig maakte ze ook geluid. Ze had een harde schelle stem waarmee ze een onverteerbaar soort Amsterdams sprak. Die stem maakte dat ik weer kon ademen, dat ik haar kon zien zoals ze was: een meisje dat de MAVO niet had afgemaakt en dat al haar geld uitgaf aan kleren, uitgaan en make-up. Vanaf het moment dat ze haar naam noemde was het met de rust gedaan. Katja vertelde over haar vriend en over haar hond. Over haar zus die net een kindje had gekregen en over haar brommer. Ze vertelde over haar vriendin, die het net had uitgemaakt, omdat iemand anders haar vriendje had gezien met weer een andere vriendin. En dat was een echte slet, al was het eigenlijk ook wel een lieve meid. Ze vertelde over haar ouders die gescheiden waren en over de vakantie op de camping. Ze vertelde en vertelde en vertelde. En ik telde de dagen dat ik nog behang zou inpakken. Voor het eerst in weken was ik doodmoe als ik thuiskwam. Ik besloot er mee te stoppen.

En omdat ik verder toch met mijn ziel onder mijn arm liep, ging ik op donderdag al terug naar het zuiden. Ik liep de drukkerij binnen. Daar kwam ik eigenlijk nooit meer door de week. Ik voelde me thuis tussen de bedrijvigheid en de lucht van drukinkt. Het rook naar vader. Jo zette de machine stil en begroette me. We dronken koffie en we praatten wat. En voor ik het wist stond ik in een overall achter de drukpers. Het voelde goed, ik gleed moeiteloos in een oud en vertrouwd ritme.

****

Iemand van de recherche had gevraagd of we langskwamen, ze wilden meer informatie. We gingen er met zijn drieën heen. Met de streekbus en ik wilde dat ik mijn rijbewijs al had. Dit keer hoefden we geen uren te wachten. Ik keek om me heen of ik inspecteur Wijnands zag, de held van Wessels jeugd. Maar de man die ons binnenliet was dezelfde agent die eerder het procesverbaal had opgemaakt.

"Fijn dat u even wilde komen", zei hij, terwijl hij de papieren uit een mapje haalde, "We hebben misschien nieuws van onze collega's in Duitsland."

Er klonk trots door in zijn stem, hij had collega's, hij hoorde er ook bij!

"Is het goed nieuws? Is hij gevonden? Wat is er met hem aan de hand?", vroeg ik.

"We moeten eerst wat gegevens vergelijken. De collega's in Paderborn hebben een signalement, maar dat is heel algemeen. Een man tussen twintig en dertig jaar, lengte 1 meter 86. Donker halflang haar en een snor. Daar zijn er heel veel van. Hij had Nederlands geld in zijn portemonnee. Vandaar dat ze bij ons komen."

"Wessel heeft geen snor", zei Jo.

"Hij had zijn snor laten staan", wist ik.

Zoveel had Robbie nog wel verteld.

Maria werd ongerust:

"Waarom vragen ze het niet aan hemzelf? Kan hij niet praten?"

De agent antwoordde niet.

"We zouden graag wat foto's hebben, waarop zijn gezicht goed te zien is, van voren en opzij. En misschien ook een van een afstand, dat hij er in zijn geheel op staat."

"Kunnen we niet beter zelf gaan kijken?", vroeg Jo.

"Ik ben bang dat dat niet gaat. Daarom hebben we die foto's nodig. Dus als u daarvoor kunt zorgen. Hoe sneller we ze hebben, des te eerder weten we meer."

"We gaan ze wel brengen. Naar Paderborn", hield Jo vol.

"Dat kan niet", zei de agent nog maar een keer.

Maria vroeg weer waarom niet en kreeg het antwoord waar we bang voor waren:

"Eigenlijk mag ik u dat niet zeggen. De persoon die in Paderborn gevonden is, die is niet meer in leven."

We brachten de foto's dezelfde dag met vaders auto, Wiel van de buren reed. De rest van de dag brachten we door in angstige afwachting. Ik ging een eind wandelen met Maria, om de onrust eruit te lopen. We zeiden niet veel, maar er schoot van alles door mijn hoofd. We liepen de Dorpsstraat op langs 'Sursum Corda (Omhoog de Harten!)' en we sloegen linksaf, op weg naar de beek. De zon scheen over ons landje, over de plaats waar de hut had gestaan. Er was niet veel veranderd sinds onze jongensjaren. Alles ging gewoon door. Andere spelers, hetzelfde spel. Bij de kerk waren ze bezig voor het Landjuweel. Ergens tussen deze heuvels vochten kinderen vetes uit, deden ze dingen die hun ouders niet mochten weten; ergens sleutelde een nieuwe Wessel aan een brommer. Iedereen was te vervangen. Een landschap is van niemand en heeft geen geheugen.

Ik dacht aan Amsterdam en aan Mar. Mijn bondgenote moest het weten zo gauw er iets bekend was. Maar het had geen zin om haar nu al de stuipen op het lijf te jagen. Wanneer zouden we iets horen? De foto's waren met spoed naar Paderborn gestuurd, ze konden er in een paar uur zijn. Als ze er meteen werk van maakten, dan wisten we de volgende dag meer. Hou de foto naast het lijk en je weet het meteen. Maar voor die mensen was het gewoon hun werk en het weekend stond voor de deur. Het idee dat we misschien tot maandag moesten wachten was ondraaglijk.

De volgende ochtend reed er een politiewagen voor. Ze kwamen persoonlijk langs, dan denk je aan slecht nieuws. Maar ze stelden ons gerust: de man in de koelcel in Paderborn was niet Wessel. Maar misschien hadden we nog andere aanwijzingen waar ze iets mee konden. Volgens Jo hadden ze gewoon trek in koffie. We vertelden wat we wisten, terwijl ze zich te goed deden aan moeders kokosmakronen. Jo herhaalde zijn verdachtmakingen aan het adres van Robbie en ze noteerden bereidwillig Robbies gegevens. Ze namen het niet erg serieus en ik kon ze geen ongelijk geven.

"Hij heet Robbie S", zei ik, "Zijn achternaam houdt hij geheim. En als ik bel, neemt er niemand op."

****

Zondagmiddag ging ik terug naar Amsterdam en liet de beklemmende stemming in Gerhardsrade achter me. Ik was opgelucht over het nieuws uit Paderborn en keek uit naar mijn eerste rijles de volgende ochtend. Alles kon nog verkeerd aflopen, maar voorlopig was er een adempauze. En er was tijd om bij te praten met Mar in het café. Daar verheugde ik me onderweg al op.

Die avond gebeurde er van alles. Het begon met een telefoontje. Ik nam op en noemde mijn naam. Iemand ademde aan de andere kant en verbrak de verbinding. Dat komt wel meer voor, ik sloeg er geen acht op en pakte mijn tas met wasgoed uit. Vlak voor ik naar de kroeg ging werd er weer gebeld.

"Hello?", zei een rustige stem nu, "Can I speak to Wessel please?"

"No", zei ik enigszins overdonderd, "No, he hasn't been here for weeks."

De stem verexcuseerde zich en verbrak de verbinding voor ik nog iets kon zeggen.

Ik ging naar mijn afspraak. De barkeeper had er nog niet zo'n zin in. Ik keek vanaf mijn kruk de spoelkeuken in, waar hij zat te kijken naar Studio Sport. Tegenover me stond een kleurige rij flessen, met donkerbruine, gele en zelfs blauwe likeur. Daar moest ik Mar straks eens naar vragen, ze was een expert in vreemde drankjes. Ik keek op mijn horloge. Binnen was het donker, buiten scheen de zon. Aan de andere kant van de bar zat een Turkse man zwijgend over zijn glas te staren. Soms nam hij een slok en dan bleef het schuim aan zijn imposante snor hangen. Toen Mar eindelijk binnenstormde was ze bijna drie kwartier te laat. Ze slingerde haar tas op de bar en vulde de ruimte met haar aanwezigheid.

"Nou, ik heb nieuws!", riep ze meteen uit, "Effe wachten."

Ze ging hijgend naast me zitten, stak meteen een sigaret aan en barstte in een hoestbui uit. De barman achter keek verstoord op en liep langzaam het café in, het hoofd zo lang mogelijk in de richting van de TV. Mar hernam zich, moest lachen en begon meteen weer te hoesten. Ik bestelde koffie en een glas water. Ze legde de sigaret op de rand van de asbak, plaatste haar handen plat voor zich op de bar en strekte haar armen. Daarop sloot ze de ogen en haalde diep adem. Ze sprak:

"Mathieu. Wie denk je dat ik zo juist aan de telefoon had? Wie denk je?"

Wat kon ik zeggen na zo'n opening?

"Geen idee. Wessel?"

"Nee, joh. Ana! Het was Ana, uit Bologna. En wat denk je? Hij heeft iemand langs gestuurd om zijn tas op te halen. Nou, dat is toch wel een teken van leven, of niet soms?"

Ze bloosde van opwinding.

"Let op wat ik nu ga zeggen: die jongen is deze week nog thuis, let maar op. Hij komt en daar gaan we nou eens op drinken, jij en ik."

"Bestel maar. Geef mij maar zo'n blauw drankje", zei ik, aangestoken door haar joligheid.

Maar mijn zorgelijke familie liet zijn sporen na, ik moest er nog even inkomen.

"En wat heeft die iemand verder nog verteld? Waar zit hij nu?"

"Ja, weet ik veel? Daar zei ze niks over. Ze was er zelf ook niet bij, het was die Umberto. Dat is die student."

"En die heeft die tas gewoon meegegeven, zonder iets te vragen? Met zijn paspoort erin, aan een wildvreemde? Wat voor iemand was dat?"

"Een Amerikaan", zei ze, "Ach, dat zit wel goed. Het moet iemand zijn waar Wessel contact mee heeft. Wie weet er anders van die tas?"

"Nou, Robbie bijvoorbeeld. Of iemand die sporen wil uitwissen. Waarom haalt hij hem zelf niet op? Wat had die jongen nog meer te vertellen?"

"Volgens mij is hij meteen weer gegaan. Ana heeft hem niet meer gezien. Bel haar op als je het niet vertrouwt. En wil je nu beetje vrolijk zijn? Dat heb ik nodig."

Ze had gelijk. Ik heb haar maar niet meer verteld van Paderborn. Het was al over half twee toen ik in bed stapte en het duurde een tijd voor ik insliep. Na een paar uur werd ik wakker door gestommel op de gang. Ik bleef liggen, maar spitste mijn oren. Het bleef geruime tijd stil. Bijna was ik weer ingedommeld, toen ik gerammel hoorde van sleutels. Volgens de wekker was het kwart voor vier. Ik dacht aan een buurman die thuis kwam na een nachtelijke escapade. Toen ging de deur van mijn kamer open. Iemand kwam binnen en sloot de deur achter zich. Het was een silhouet dat ik niet kende, iemand die een groot voorwerp leek te dragen. Ik verstijfde en hield mijn adem in. Een hand tastte behoedzaam langs de muur naar een lichtknopje. Ik weet niet waarom, maar ik moest aan Robbie denken, aan de keer dat hij me tegen de muur had gewerkt. Dat gebeurde me geen tweede keer. Het donker was nog in mijn voordeel. Ik sprong overeind en schreeuwde:

"Als je godverdomme niet snel oprot dan grijp ik je!"

De gestalte deed de deur open en rende weg. In de gauwigheid zag ik een lange verschijning met helblond haar en een rugzak wegschieten. Geschrokken hoofden staken uit verschillende deuren. Ik ging er achteraan, in mijn onderbroek.

"No! Please!", riep de blonde man en liet iets uit zijn handen vallen.

De rugzak bemoeilijkte zijn gang, hij botste tegen de racefiets van een buurman en viel languit tussen de lege bierflesjes. De ene deur na de andere ging open en opgewonden buren kwamen aangelopen. Niemand deed iets. Ik overzag de chaos en raapte op wat de man had laten vallen. Het was Wessels tas. Ik maakte hem open en controleerde de inhoud. De vuile was, het schrift met de verkeersborden, het paspoort. Het zat er allemaal nog in. Dit was de Amerikaan van Mar.

"Who are you?", vroeg ik terwijl ik hem op de been probeerde te helpen.

In plaats daarvan begon hij omstandig mijn hand te schudden.

"I am Bernie. I'm sorry if I woke you up."

En dat herhaalde de man tegen iedereen om zich heen, terwijl hij overeind krabbelde.

"Sorry, everybody!"

Wat ik had aangezien voor een man leek nu eerder een lange, tengere puber. Het babyspek was nog niet van zijn gezicht verdwenen. Op dat roze gezicht groeide een onduidelijk dons van hetzelfde helwitte haar, dat in lange dunne slierten over zijn afhangende schouders viel. Zijn kleren, zijn ledematen, alles aan hem leek te hangen als zeewier aan een visnet. Het speet me dat ik hem schrik had aangejaagd en ik vroeg hem alsnog binnen. Deze jongen had antwoorden op vele vragen. Hij lustte wel een kop thee.

****

Bernie had Wessel al in Amsterdam verwacht, dat was de afspraak. Al was het mogelijk, dacht hij, dat ze hem nog altijd niet hadden vrijgelaten. Of hij was toch nog teruggegaan naar de Leipzigerstraße. Maar waarschijnlijk zat het gewoon tegen met liften.

Ho. Dit kon ik niet volgen. Terwijl hij toch heel duidelijk sprak, met een rustige, gedragen stem die vreemd contrasteerde met zijn kinderlijke voorkomen. Er was gewoon teveel dat ik niet plaatsen kon. Ik had meer uitleg nodig. Waar was Wessel, wie moest hem vrijlaten en waarom was dat? En waar kwam Bernie zelf dan vandaan, midden in de nacht?

Dat laatste was nog simpel. Hij was komen lopen vanaf de centrale markthallen, waar een Spaanse vrachtwagen hem had afgezet. Hij had de tas met Wessels sleutels, zo was hij binnengekomen. Dat snapte ik. Hoe kwam hij aan die tas? Die was hij gaan halen in Bologna. Zo had hij dat afgesproken toen ze nog gevangen zaten. Hoezo, gevangen zaten? Toen werd het ingewikkelder.

Bernie kwam uit Canada. Hij had zijn studie Political Science afgebroken om journalist te worden. Hij had contacten met verschillende Canadese tijdschriften, die af en toe een stukje van hem afnamen over opmerkelijke zaken in Europa. Zijn zus studeerde in Bologna en daar was hij neergestreken. Zo kwam hij in aanraking met de beweging van de autonomen. Dat fascineerde hem, dat had nieuwswaarde voor thuis. In Bologna was hij Wessel tegen het lijf gelopen. Dat was duidelijk.

Dan de verwikkelingen in Duitsland. Bernie kende ook mensen in Frankfurt. En die vertelden over het verzet tegen de uitbreiding van de luchthaven, waar een heel bos voor moest worden gekapt. Er was een grote demonstratie op komst en daar wilde hij bij zijn. Wessel ging mee. Het beloofde uit te lopen op een treffen met de oproerpolitie. Dan kon je worden opgepakt en ze kregen het advies om nooit hun naam te noemen: zonder naam geen aanklacht en zonder aanklacht moesten ze je weer laten gaan. Aangekomen in Frankfurt gingen ze eerst bij zijn kennissen langs. Ze zaten daar goed en wel aan de koffie toen de politie binnenviel, op zoek naar een voortvluchtige terrorist. Een overmacht aan agenten met machinepistolen in de aanslag arresteerde alles en iedereen. Daarna werden ze meer dan twee weken vastgehouden, zonder tenlastelegging en zonder juridische hulp. En natuurlijk noemden ze hun naam niet. Totdat Bernies zus op bezoek kwam, die zich desgevraagd keurig identificeerde en vroeg of ze haar broer mocht spreken, die met dat lange blonde haar. Al zijn heldhaftige zwijgen was voor niets geweest. Hij vertelde het beteuterd.

Dus daar had Wessel uitgehangen. Bernies verhaal riep nieuwe vragen op, maar ik stelde ze niet. Ik had aan deze portie voorlopig genoeg. Natuurlijk wist ik wat er in Duitsland gaande was. Het land was ten prooi aan een golf van aanslagen en reageerde in paniek. Dat was niet onbekend, maar de krantenkoppen kwamen nu opeens mijn eigen leven binnen gemarcheerd.

Bernie was een grage prater. Hij vertelde over het dagelijkse leven achter tralies. Het ochtendappèl, het Frühstück, de verveling, de verhoren. In het begin werden ze twee keer per dag ondervraagd: wie ze waren, wat ze deden op het betreffende adres, wat ze wisten van de man die gezocht werd. Ik dacht aan de collega's uit Paderborn, waar ik kort ervoor nog mijn hoop en vrees op gevestigd had. Na twee dagen bracht een gepantserde bus de hele groep over naar een grotere gevangenis. Daar werden ze opgenomen in de dagelijkse routines. Hun identiteit leek niemand meer te interesseren. De onzekerheid en de verveling begonnen aan hem te vreten. Niet aan mijn broer, die bleef er stoïcijns onder. Bernie had grote bewondering voor Wessel, dat was een vent uit één stuk, niet kapot te krijgen. Ik kon me daar wel iets bij voorstellen. Hoe avontuurlijk zijn verhalen ook klonken, de naïeve, onbeholpen indruk bleef. Hij was te kwetsbaar; niet iemand om op te sluiten. Wessel zou zich als een vader over hem ontfermen, hem moed inspreken, sigaretten voor hem versieren bij een corrupte cipier.

Hij vertelde goed, die Bernie. Ik zag ze daar echt zitten: als verzetshelden, zuchtend in de Duitse kerkers. Maar zo grauw was het niet, het kon ook gemoedelijk zijn. Ze konden ongestoord discussiëren over de meest uiteenlopende zaken en ze konden schaken en kaarten om de tijd te doden. Nu de toedracht duidelijk was dwaalden mijn gedachten af. Mar had gelijk, Wessel zou gauw weer thuis zijn. Bernie was vooruit gezonden om zijn komst aan te kondigen. Als een engel met een boodschap, uit de hemel gelazerd tussen de lege flessen. Alles kwam goed. Nee, alles kwam niet goed: vader was dood. En weer schrok ik van wat ik allang wist. Hoe moest ik het Wessel vertellen? Tegen zessen hoorde ik Bernies hypnotiserend stemgeluid nog wel, maar wat hij zei drong niet meer door. We moesten maar gaan slapen.

****

Bernie bleef slapen en nam de volgende dag zijn intrek in de sleep-in bij het Oosterpark. Ik begon met mijn rijlessen en de colleges en wachtte de komst van Wessel af op de Prinsengracht. Ik hoefde niet lang te wachten. Op woensdagmiddag kreeg ik een wild enthousiaste Mar aan de lijn.

"Wie denk je dat er bij mij onder de douche staat? Hij is er! Alive and kicking, met een honger als een paard. Kom je? Neem ook wat brood mee als je langs een bakker komt. Ik heb nog niets verteld over je vader, het lijkt me beter dat jij dat doet."

Daar was ik het mee eens. Onderweg op de fiets overdacht ik hoe ik het zou brengen. Natuurlijk, hij moest weten van vaders dood. Maar er was zoveel wat ik hem vertellen wilde. Ik besefte hoe ik hem het afgelopen half jaar gemist had, ook in de tijd toen hij nog in Amsterdam was en vader nog leefde. Hij wist niets over Annique en mij, over de tijd in het pakhuis, over de gewelddadige terugkeer van Robbie. Ik wilde hem vertellen over onze tocht naar Italië, over de inspanningen om hem op te sporen. Over vaders dood, maar dan hoe ik me gevoeld had, wat er door me heen ging. En wat ik al die tijd niet had willen denken, borrelde vanzelf in me op. Wat nou, als het wel Wessel was geweest, daar in Paderborn? Als Wessel niet meer geleefd had. Ik schrok van de gedachte. Geen grote broer meer om me te redden uit de nood, die me uitlegt hoe de wereld werkt, die me plaatsen laat zien waar ik nooit eerder was. Ik besefte dat de gevolgen van Wessels dood ingrijpender voor me waren dan die van vader. En dat wilde ik hem ineens graag vertellen, nu het nog kon. Maar ik moest daarmee wachten. Eerst het nieuws over vader. Hij moest de tijd krijgen om dat te laten bezinken, zich het gezicht van vader voor de geest te halen. Met een hoofd nog vol van verhalen uit Italië en Frankfurt moest hij zich een beeld vormen van de begrafenis, van de kist in de kerk, van de tranen van moeder.

Toen ik bij Mar aankwam was ik de broodjes vergeten. Wessel stond op, sloot me in zijn armen en kuste me op beide wangen. Vervolgens hield hij me op een armlengte voor zich en zei:

"Je ziet er goed uit man. Ik ben echt blij dat ik je zie. Goed dat ik weer terug ben."

Hij haalde zijn hand door mijn haar en gaf er een hartelijke ruk aan. Ik lachte en hij lachte terug. Voor hij vertrok was Wessel mager. Ik herinnerde me de wallen onder zijn ogen, de hoekige jukbeenderen. Nu zag hij er minstens zo deerniswekkend uit. De stoppelbaard van een paar dagen maakte het er niet beter op. Een gezicht als een uitgewoond huis. Zijn haar was nog nat, je kon nu goed zien hoe iemand er slordige happen uitgeknipt had. Misschien had hij dat zelf gedaan voor de spiegel. Hij had net gedoucht, maar zijn kleren stonken en zagen er afgekloven uit. Maar hij vertelde levendig, met de grandeur van een man van de wereld. Thuis stond in de kerk een beeld van Sint Jozef. Het was een oud beeld, de kleur was verschoten en de verf hier en daar afgebladderd. Maar het was Sint Jozef en we knielden er voor neer.

De reiziger was midden in zijn verhaal:

"Ik sta op straat in Bologna en ik kan nergens heen. Zonder geld, ik versta niemand en ik weet er heg noch steg. Dan ga je anders tegen de mensen aankijken. Ze vertrouwen je niet en dat is ook logisch. Wat beteken je voor ze? Kan het jou schelen als er iemand crepeert? Of liever, wanneer kan het je iets schelen, hoe dichtbij moet het zijn? Neem Afrika met zijn oorlog en honger en ziektes. Zonder familie ben je daar reddeloos verloren. Niemand mist je als je wordt neergestoken. Vreselijk, maar wat kun je er aan doen? Het is gemakkelijker als je iemand kent en vertrouwt. Wie vertrouwde mij, wie kon ik nou nog vertrouwen? Solidariteit is veel gevraagd. Beleefdheid dan? Je bent aardig tegen een veemdeling, dat is de officiële norm. Maar waarom? Het is wantrouwen in een vriendelijke verpakking. Je bent beleefd omdat je niet weet of die vreemdeling kwaad in de zin heeft. Hij kan wel achter je portemonnee aanzitten, hij kan het op je leven hebben gemunt. Daarom doe je overdreven vriendelijk en je hoopt dat hij het ook doet tegen jou. Daar is een script voor, de tekst is uitgeschreven. Je streeft naar een wapenstilstand. Je hebt niks van de ander nodig en hij niks van jou. Leven en laten leven. Maar ik loop daar rond als een zwerver en dat is een categorie die niet in het script staat. Ik sta niet in het script. Eigenlijk heb ik dat gevoel altijd, weet je dat? Daar moest ik dus eigenlijk voor naar Italië, om te ontdekken dat er geen verschil is. Daar ken ik niemand, hier wel. Maar het is hetzelfde. Als ze denken je te kennen, is er een bijpassend draaiboek. En dan kan het draaiorgel beginnen. En als een argeloze voorbijganger er naar kijkt, dan lijkt het heel wat. Alleen, ik praat Chinees, jij praat Arabisch en we doen alleen maar of we in gesprek zijn.

"Maar Wessel", wierp Mar tegen, "Je hebt daar toch ook vrienden gemaakt. Bij Ana. Ze hebben je in huis genomen, ze hebben je te eten gegeven. Ze hebben je niet aan je lot overgelaten."

"Dat is ook zo", beaamde Wessel, "En dat hoefden ze niet te doen. Dat is dus waardevol, dat is heel waardevol. Eigenlijk kun je maar beter totale vreemden zijn voor elkaar. Zo is het. Als je mazzel hebt krijg je hulp van mensen die je amper verstaat. Als er al zoiets bestaat als menselijkheid, dan zie je dat op zo'n moment. Dat is echt. In de gevangenis ook, dat vond ik een openbaring. Daar liggen de verhoudingen vast. Je hebt bewakers en je hebt gevangenen. Alles ligt vast in het protocol: ze zijn correct maar afstandelijk. En dan zijn er opeens van die jongens die uit hun rol vallen. Ze komen kletsen, ze matsen je van tijd tot tijd. Dat is niet de bedoeling, maar ze doen het, omdat het anders niet menselijk is. Dat is echt. Ceteris Paribus! Ik had een geweldige tijd in de bak. Zo zie je maar. Je kunt maar beter als uitschot door het leven. Als landloper of als bajesklant."

"Ben je nou sarcastisch?", vroeg ik, maar het klonk als 'ben je nou klaar?

"Ik ben sarcastisch", zei Wessel.

Hij had wel iets van een landloper. En wat hij zei klopte. Zonder standaardformules zwijg je, of je spreekt recht uit het hart. Ik zweeg, omdat ik niet wist hoe te beginnen. Hij hielp me.

"Maar genoeg over mij. Hoe is het met jullie?", zei Wessel.

Ik slikte.

"Wessel. Ik weet niet hoe ik het je moet zeggen. Het is vader. Hij is dood. We hebben hem twee weken geleden begraven."

Hij zei niets en keek me doordringend aan.

Er klonk in de verte een tram. Ik hoorde de duiven in de dakgoot. Geluiden omlijstten een minutenlange stilte.

"O", zei hij uiteindelijk, "Dus vader is dood."

Hij zuchtte en wachtte even.

"En begraven. Hoe is dat dan gebeurd?"

En daarna vroeg hij om feiten. Dat is een manier om het te bevatten. Een hartaanval. Gereanimeerd in het ziekenhuis. Welk ziekenhuis. Wanneer, hoe laat. Waar hij begraven is. Hij wilde details die er absoluut niet toedoen. Wie de auto gevonden had. Wat voor weer het was op de begrafenis. Feiten wilde hij horen, niets over de woorden van de pastoor. Niets over de tranen van moeder. Nee, alleen harde feiten. Plaats, tijd en omstandigheden. Het onheil ingekaderd in strakke lijnen. Toen stond hij op en zei dat hij naar Limburg ging. Alleen.

****

Hij leende geld voor de trein en hij was weer weg. Mar had zich verheugd op een lange avond, een nacht, een week om de verloren tijd in te halen. Ze was onthutst. Tegenover me zat een klein meisje met een hoogrode kleur. Ze keek me met betraande ogen aan.

"Sorry. Natuurlijk moet hij gaan", zei ze, "Het is me gewoon allemaal even teveel. Dat is alles."

Ik ging naast Mar zitten en pakte haar handen vast. Ze waren koud, ik wreef ze warm. We zaten zwijgend naast elkaar. De teleurstelling golfde voelbaar door haar lichaam. Ze ademde met grote snuiven. Opeens maakte ze haar hand los, veegde daarmee langs haar neus en legde haar natte hand weer in de mijne. Toen dat tot haar doordrong stond ze op en haalde een zakdoek uit haar broekzak.

"Sorry", zei ze weer, terwijl ze flink trompetterde.

Ze stond bij het raam en keek naar de daken aan de overkant.

Tevoren had ik niet bedacht hoe Wessel reageren zou. Dat hij meteen naar moeder wilde was niet zo vreemd. En dat hij dat deed zonder enig uitstel, dat lag wel in zijn aard. Maar hij had bijvoorbeeld kunnen vragen of Mar mee wilde. Ze had zo uitgezien naar zijn terugkeer, en die was nu wel van erg korte duur. De leegte was er alleen maar groter op geworden. .

"Het is ook de schrik", zei ze met een zucht, "Je weet niet wat hij allemaal vertelde voor dat jij er was. Over Robbie. Het is bizar."

Ze begon te vertellen wat er gebeurd was. Het begin was zoals Wessel geschreven had. Bij aankomst in Bologna gingen ze naar Gianni, die kennis van Robbie. Daar werden ze gastvrij onthaald. En na een dag of wat moest Robbie naar het oosten van het land. Hij zou maximaal drie dagen wegblijven en in die tijd kon Wessel bij Gianni blijven. Die had daar niet zo'n zin in, maar er werd hem nauwelijks een keus gelaten. De verzorging was goed, maar hij voelde zich er niet op zijn gemak. In het begin legden ze hem geen strobreed in de weg, hij kreeg een huissleutel mee en kon gaan en staan waar hij wilde. Als hij aangaf hoe laat hij thuis kwam stond een maaltijd voor hem klaar. Het contact liep via de huisbewaarder, een oudere man die redelijk Engels sprak. Verder zag hij niemand. Op een ochtend werd hij wakker en de sleutel was weg. Hij wist zeker waar hij die had neergelegd, op dezelfde plek als de dagen ervoor. Hij ging op zoek naar de huisbewaarder, maar er was niemand in huis. De voordeur zat op slot en de rolluiken aan de straatkant waren dicht. Achterom was een binnenplaats waar hij 's avonds wel eens ging zitten lezen. Daar werd hij nu opgewacht door een blaffende Rottweiler.

"Hij zat dus eigenlijk gewoon opgesloten."

Eerst dat verhaal over de gevangenis in Duitsland en nu weer dit. Het moest niet gekker worden. Maar dat was nog niet alles. De huisbewaarder had hem zijn ontbijt gebracht en gevraagd wat hij verder nog wilde. Hij kon ook videobanden laten halen of buitenlandse kranten, hij hoefde het maar te zeggen. Maar wel het vriendelijke verzoek om rustig te blijven wachten tot Robbie terug was. Daarna kon hij weer gaan en staan waar hij wilde. Toen de man weg was ging Wessel op onderzoek uit. Het huis was als een vesting, maar alles was er alleen op gericht om indringers buiten te houden. Ontsnappen bleek vrij eenvoudig, via het dak.

"Wist Robbie daarvan?"

Ik kon me daar onderhand van alles bij voorstellen. Misschien had hij Wessel alleen maar meegenomen als menselijk onderpand. Ik begon mijn verblijf in het pakhuis ook met andere ogen te zien. Wie weet aan wat voor gevaar ik had bloot gestaan, zonder het te weten.

"Dat heeft Wessel hem gevraagd. Ze kwamen elkaar toevallig tegen. Gewoon in de stad, op straat. Eerst probeerde Robbie hem te ontwijken, maar Wessel is hem achterna gelopen tot hij hem ergens in een zijstraat staande kon houden. Hij wilde weten wat er aan de hand was, wat Robbie hem precies geflikt had. Maar Robbie zei dat hij niet vrijuit praten kon. Hij werd voortdurend in de gaten gehouden en Wessel kon zelf ook beter maken dat hij wegkwam. Idioot hè?"

Niets was meer zoals het geleken had. En wie weet aan wat voor gevaren we hadden blootgestaan. De puzzel was op de grond gevallen, we konden weer opnieuw beginnen.

****

Die puzzel was voor Wessel minstens zo groot. Hij had Italië verlaten met het beeld van een opgejaagde Robbie in zijn achterhoofd. Hij maakte zich zorgen om zijn makker. Hij wist ook niet of hij zich zelf bedreigd moest voelen. Nu, terug in Amsterdam, hoorde hij hoe diezelfde makker mij met geweld uit huis gezet had. Hij hoorde verhalen van een ruzie, die ze zouden hebben gehad over Robbies manier van zakendoen. Hij wist niet waar ik het over had. Robbie S werd een steeds groter raadsel. Was hij een slachtoffer, was hij een dader, was hij allebei? Een slachtoffer van wie, dader van wat?

We belden hem op en we kregen geen gehoor. Dat kwam niet als een verrassing.

"Ik ben bij hem langs geweest, maar hij doet niet open", zei ik nog.

"Ik ben bang dat er iets met hem gebeurd is", zei Wessel, "Ik ga er heen, ik heb de sleutel. Ga je mee?"

Natuurlijk ging ik mee. Als er iets niet in de haak is, moet je er niet alleen op af. We hadden geen idee wat we zouden aantreffen. Misschien lag hij al een week dood in huis.

Toen we bij het pakhuis kwamen was de schemering al ingevallen. Er brandde geen licht. We belden aan, maar er kwam geen gehoor. Wessel liep naar de achterzijde, om te zien of daar een teken van leven was. Ik duwde tegen de voordeur, die meegaf.

"Hallo, Robbie?", riep ik in het duister, "Is er iemand?"

Mijn hand tastte naar de plaats waar ik het lichtknopje vermoedde. Het licht werkte niet. Ik ging verder naar binnen en ontstak mijn aansteker. De ruimte was bijna onherkenbaar veranderd. De wanden van kisten en dozen waren verdwenen. Weg waren de boeken, de platen, de Citroënbus. Geen spoor van Quisling. Er slingerden nog stukken papier en karton rond, en olievlekken op de grond markeerden de plek waar de motorfiets gestaan had. Verder was het leeg. De aansteker werd heet in mijn handen.

"Mathieu, waar ben je?", riep Wessel van buiten.

Ik liep terug. Vanuit het donker was de deuropening gemakkelijk te vinden. Hij stond te praten met een oude man met een alpinopet.

"Ja, er woonde een of andere sjacheraar. Ik laat hier altijd de hond uit, net als nou. Ik zag hem vaak bezig. Een jonge knul nog. Misschien stond-ie op het Waterlooplein, zou me niks verbazen. Maar hij is al een week of twee weg. Is het een bekende van jullie?"

Was Robbie een bekende van me? Ik zou het niet kunnen zeggen.

14 En dan is er koffie

Jo trekt bleek en zwijgend aan zijn peuk. Er is weinig over van zijn gebruikelijke bravoure. We zitten in de rokersruimte en we roken. We zijn niet alleen, er zijn ook verstokte rokers onder het verplegend personeel. Kim zegt me gedag als ze binnenkomt en glimlacht naar moeder en Maria. Ik groet haar. Nu voel ik me de gastheer en besluit koffie te halen. Als ik terugkom met een dienstblad vol plastic bekers, steekt moeder haar tweede mentholsigaret op.

"Wat een groot ziekenhuis. En zo modern allemaal, hè. Ze kunnen veel hoor, die dokters tegenwoordig."

Ik hoor een poging tot geruststelling.

"Ben jij hier nou iedere dag? Waar logeer je dan?"

Ik neem haar mee naar het raam en wijs, voorbij die lichtreclames, bij die tramhalte.

"Daar om de hoek is het. Tien minuten lopen."

Ik kijk uit het raam terwijl moeder verder babbelt. Ze zegt dat ik wel goed moet eten. Maar er zijn natuurlijk eethuizen zat, in zo'n grote drukke stad. En ik kan nu meteen Rotterdam eens bekijken. Ze heeft gehoord dat de havens de moeite waard zijn. Haar broer heeft er ooit een rondvaart gemaakt, dat was wel een tijd geleden. Hij is ook op de Lijnbaan gaan kijken, dat was toen iets heel nieuws. Dat Wessel nog nooit in de Euromast geweest is, dat vindt ze toch wel raar. Als je kinderen hebt, moet je daar in elk geval naar toe. Moeder praat en niemand luistert. Zelf hoort ze ook amper wat ze zegt. Jo heeft zijn bekertje leeg en knijpt het stuk met zijn rechterhand.

De verpleegsters zijn klaar met hun rookpauze. Eén voor één verlaten ze de ruimte. Moeder praat door. Ze breit zinnen aan elkaar, dat kan ze zonodig uren achtereen. Tot Maria haar onderbreekt.

"Mathieu. Wat is er nu eigenlijk precies gebeurd?", vraagt ze.

Moeder zwijgt meteen. Wat kan ik zeggen?

"Het zou een ongeluk geweest kunnen zijn. Of een misdrijf. De politie onderzoekt het nog. En ze houden je niet echt op de hoogte. Het is niet zoals op de televisie, dat zo'n inspecteur er de hele dag mee bezig is. Die hebben ook andere dingen te doen. Als hij dood was gegaan, dan was het misschien anders geweest."

"Dat moet je niet zeggen", zegt moeder.

"Het is natuurlijk wel zo", zegt Maria, "Stel dat het moord is, daar zetten ze meer uren voor in."

"Wat een onzin nou", zei moeder. "Wie zou er Wessel iets aan willen doen? Die jongen heeft nog nooit in zijn leven iemand kwaad gedaan. Integendeel."

"Wessel is een driftkop die zich overal tegenaan bemoeit. Daar maak je niet alleen vrienden mee", zeg ik kribbig, alsof het zijn eigen schuld is.

Ik wil zachte, troostrijke dingen zeggen, maar ik krijg niks bedacht.

Jo peutert gedachteloos aan de scheuren in zijn bekertje, hij breekt het omgekrulde randje en maakt nieuwe scheurtjes.

"Maar hoe is het gebeurd?"

Ik vertel wat ik van Karin heb gehoord:

"Ze kregen 's avonds telefoon van een jongen, die met Wessel wilde praten. Het was dringend. Karin kende hem wel, hij had een tijdje bij hun in huis gezeten. 'Leen hem geen geld' had ze nog gezegd, want die jongen had een verslaving. Ze wist niet waar hij was heengegaan, maar om half twaalf kwam de politie langs om te zeggen dat Wessel hier lag."

Jo's koffiebekertje is nu een bloem van plastic. Ik neem een slok van de mijne, maar de koffie is lauw geworden.

"Ze hebben mij ook ondervraagd, ze wilden weten wat voor iemand Wessel is. Of hij zwaar op de hand was. En of ik hem dan in staat achtte tot zelfmoord. Dat sluiten ze dus ook nog niet uit. Ik heb nog geprobeerd om die man zelf ook verder uit te horen. Hij zei dat ze een buurtonderzoek gingen houden. Eén van de omwonenden heeft gebeld omdat hij kabaal hoorde en iemand zag liggen. Hij durfde niet te gaan kijken. Toen de politie kwam was Wessel niet meer bij kennis. Later hebben ze zijn fiets gevonden, een paar straten verderop. Meer weet ik niet."

"En die jongen, waar hij mee had afgesproken? Hebben ze die ondervraagd?", wil Jo weten.

"Daar zijn ze naar op zoek. Maar dat is iemand die hier illegaal is. Geen papieren, geen adres. Voor ze die gevonden hebben, dat duurt nog wel even. En of ze het mij dan komen vertellen, dat vraag ik me af."

"Die kerel weet er vast meer van", denkt Jo.

"Dat kan. Of niet", zeg ik.

We gaan terug naar Wessel. Ik meen te horen dat hij zwaarder ademt. Misschien dat de drukte tot hem doordringt. Misschien gaat ergens in die ondoordringbare duisternis een lichtje aan. We gaan bij zijn bed zitten. Moeder houdt zijn hand vast, voorzichtig.

"Hij heeft het koud", fluistert ze.

We kijken op het scherm. De curve volgt onverstoorbaar zijn loop.

****

Ze willen ook bij Karin langs. Ik zou ze kunnen brengen. Het is een heel eind, met de metro en de bus. Moeder loopt niet best. Ik ken de weg, ik kan de wagen nemen. Maar iets weerhoudt me. Ik zie op tegen het weerzien met Karin. Ik voel me opgelaten en machteloos als ik haar zie. Niet dat ze me ooit een verwijt zal maken, en ook niet omdat ik me ergens schuldig over voel. Maar het gevoel dat ik tekortschiet blijft. Ik besluit mee te gaan, het moet toch weer een keer. Met de anderen erbij is het misschien gemakkelijker.

We begroeten elkaar met familiezoenen. Ze vraagt of ik nog nieuws heb. Ik schud van niet en kijk naar de grond. We houden het gesprek gaande, maar het valt niet mee. Karin zegt dat een verpleegster heeft gebeld, over een afspraak met de specialist. Als het goed is hebben ze dan de uitslag van het onderzoek. Ze heeft graag dat ik meega, donderdagochtend. Ik heb geen argumenten om nee te zeggen, ik ben er toch. Maria loopt nodeloos op en neer naar de keuken. Ze zet thee die door niemand gedronken wordt. Judith gaat rond met de koektrommel en kruipt dan weer bij Karin op schoot. Ze vind het gezellig, zoveel mensen.

Het is me nu duidelijk. Leed brengt mensen niet nader tot elkaar, wat ze ook zeggen. Het isoleert. Als het kind sterft loopt het huwelijk op de klippen. Je eigen ellende is niet genoeg, je moet bestand zijn tegen het verdriet van de ander. Er gaat alleen maar af, er komt niets bij. Leed loutert ook niet, het is nergens goed voor.

Er vallen zware stiltes. Gelukkig kan moeder terugvallen op het omarepertoire. Ze heeft chocola meegenomen en vraagt hoe het op school is, vraagt naar vriendjes en vriendinnetjes. Die heeft ze ook allemaal onthouden van de vorige keer. We zitten erbij en we kijken zwijgend toe. Een tribune vol verlegen volwassenen. Als we weggaan vraagt Judith of ze weer mag komen logeren, straks, als pappa beter is. Natuurlijk mag ze dat.

Ik rijd de familie naar de metrohalte. Als ze weg zijn ga ik terug naar Wessel.

"Eindelijk rust", zeg ik tegen hem.

Hij lijkt te knikken. We zijn weer samen, onder elkaar.

15 Onze vader in de hemel

Achteraf hangt alles samen. Van een afstand vervaagt alles tot eenzelfde klank en eenzelfde kleur. Tegenstellingen lossen op in een groter verband en de gaten in de tijd vallen weg. Wat overblijft is voor het oog een heldere structuur. Maar op het moment zelf is er geen samenhang. Je neemt ieder voorval zoals het op je pad komt. Wessel had het niet meer over zijn Italiaanse avontuur of over vaders dood. De raadsels rond Robbie lieten we ook rusten, toen alles wat daarover te zeggen viel gezegd was. Dat volstond. Ik had geen idee dat Wessels hoofd zich met andere zaken bezig hield dan het mijne. Er trad een stilte in, een vacuüm dat werd opgevuld door gebeurtenissen van andere aard. De episode van de Ziedende Iep brak aan.

****

Amsterdam veranderde sterk in die dagen. Het verwijderde bedrijven uit zijn hart en sloopte zijn woonwijken. Bewoners weken uit naar de nieuwe Bijlmermeer, die per metro naar het centrum moesten kunnen. Een flink stuk van de historische binnenstad moest wijken om de rest bereikbaar te maken. Pas na massale rellen in de Nieuwmarktbuurt zag de stad af van haar voorgenomen zelfverminking. Maar er waren meer plannen. Op het Waterlooplein, de plaats van de legendarische rommelmarkt zou een nieuw bestuurspaleis verrijzen van glas en beton. In Sint-Gerhardsrade kreeg ik daar weinig van mee. Over krakers hoorde ik pas toen ik eenmaal in Amsterdam zat. Ik zag ze pas toen ik zelf het universum van de kraakbeweging betrad. Maar toen waren ze ook overal en ze konden alles. Het geloof in eigen kunnen was eindeloos. Het was de filosofie van de punk: pak een gitaar, leer drie akkoorden en ga het podium op. Wacht niet af, doe het zelf. Zoek je ruimte, pak een breekijzer en kraak.

Het was een parallelle maatschappij met eigen bedrijfjes: een timmerwerkplaats, fietsenmakerij of een groentewinkeltje. Met een eigen radio- en Tv-zender. Met theatertjes, schildersateliers, eethuizen en boekwinkeltjes. Andere panden waren centra van drugshandel en prostitutie. Kortom, de ondernemingslust bloeide alom. Ook krakers had je in alle soorten en maten. Er waren de schrijnende gevallen, de urgent woningzoekenden waar het eigenlijk allemaal om begonnen was. Maar ook studenten, op zoek naar een goedkope manier om in het centrum te wonen. Er waren junkies, zwervers en weggelopen kinderen, die van het ene kraakpand naar het andere zwierven. De beeldvorming werd evenwel sterk bepaald door een minderheid van radicale actievoerders en daar moesten wij ook bij gaan horen. Mijn toekomstige huisgenoten waren tegen het militarisme, tegen kernenergie en tegen het patriarchaat. Ze waren ervan overtuigd dat het kwaad niet te bestrijden was vanuit het systeem zelf. We moesten op eigen kracht doen. Dat vroeg om persoonlijke inzet. Wij eisten geluk en niks minder. Dodewaard ging dicht, daar zorgden wij wel voor.

Bij ons in huis zou alles anders gaan. En gemeenschappelijk: consensus was het toverwoord. Besluiten nam je niet met meerderheid van stemmen, want de rechten van de minderheid waren immers net zo belangrijk. Dus werd er net zolang gepraat tot we het eens waren. Je zou denken dat zoiets tot kleurloze compromissen leidt, maar bij ons waren vooral de zwart-wit standpunten populair. Het was dus al heel wat, dat we het meteen op de eerste avond eens werden over een kleurrijke naam. De 'Ziedende Iep' drukte woede uit en militant verzet, net als 'het Heftige Huis'en de 'Woedende Wilg', de andere kraakpanden in onze buurt. Onze generatie was opgegroeid met Suske en Wiske.

De eerste kennismakingsavond duurde meteen tot diep in de nacht. Ik maakte kennis met Willem, met Tiet en de meeste anderen. Willem was een Groninger, die in het dagelijkse leven wiskunde gaf op een school in Amstelveen. Hij had levenservaring, want hij liep al tegen de dertig. Levenservaring: dat betekende dat hij zijn scheiding diep doorleefd had. Zijn pokdalige gezicht en het litteken op zijn rechterwang voegden dramatiek toe aan zijn voorkomen. Hij maakte de afgelopen jaren deel uit van een woongroep die intensief meeleefde met zijn relatieproblemen. Ze waren er allemaal rijper door geworden. De groep was wel uit elkaar gespat, maar dat was een noodzakelijke fase in hun groeiproces. Willem was groot en grofgebouwd, met een nasale stem die ongetwijfeld voldeed om orde te houden in zijn klas. Een stem met een barst. Willem kon met succes praktische problemen verheffen tot principiële zaken, waarover soms boeiend maar altijd langdurig werd gedebatteerd Lachen deed hij liever niet. Ik leerde de eerste avond al dat het nooit wat zou worden met mijn persoonlijkheid. Mijn groeiproces was onbeduidend, ging met te weinig pijn gepaard en leidde niet tot diepe inzichten.

Nee, dan Titia, een felle tante van rond de 25, die iets onduidelijks deed op de redactie van het Parool. Titia viel op vrouwen en ze had de tijdgeest mee. Het was een politieke keuze, want ze paste ervoor om met haar onderdrukker naar bed te gaan. Verder beantwoordde ze niet aan het stereotype beeld van het 70-er jaren feminisme. Ze droeg geen tuinbroeken, ze had geen gemillimeterd haar en ze was eerder schraal dan stevig gebouwd. Een heel gewoon meisje met halflang haar en een brilletje. Ze zou op haar kamerdeur een grote naaktfoto van zichzelf hangen, poserend op een motorfiets. Het was een jongensachtig lijf, met nauwelijks een spoor van borsten. Als om dat gemis te compenseren liet ze zich Tiet noemen. Ze vertelde schuine bakken en maakte gore opmerkingen tegen de sliert vriendinnen waar ze altijd mee omgeven was. Soms had ik bewondering voor haar scherpe tong, soms werd ik stapelgek van de ongelooflijke rotzooi die ze overal achterliet.

En zo waren er meer. Het was door mijn toedoen dat we bij elkaar waren, maar de meeste mensen kende ik niet. Ik had Mar en Giel erbij gevraagd, verder stond er niemand op mijn lijstje. Giel wilde niet. Mar wel, en die kwam met Tiet aanzetten. En te elfder ure sloten ook Wessel en Bernie zich aan. De overigen waren loslopende woningzoekenden, die vanuit het kraakspreekuur aan de groep waren toegevoegd. Bij elkaar tien krakers, als we het dochtertje van Ida niet meetellen. Dat was de Ziedende Iep in de succesjaren.

****

Begin september verzamelden we ons in een garageruimte ergens in de Watergraafsmeer. Vandaar zouden we vertrekken naar het Iepenplein. We kregen versterking van een stuk of twintig krakers met ervaring. Ik kende het pand van buiten en ik wist grofweg hoe het er van binnen moest uitzien. Maar wat ons te doen stond wist niemand. We vroegen de ervaren krachten naar de plannen, maar die waren er niet. Ze hadden een paar breekijzers meegenomen en een krat bier, dat was de voorbereiding. We wachtten tot het donker werd. Rond half twaalf gingen we op weg met drie busjes. Daarna liep het gesmeerd. Het enige incident vond plaats nog voor we binnengingen, op het moment dat de breekijzermannen hun werk deden. Twee van hen zagen een eind verderop een winkelpand te huur staan en zetten ook daar hun gereedschap tussen het kozijn en de winkeldeur. Wessel was snel ter plekke:

"Stop", zei hij, "Is er iemand die hier gaat wonen?"

Dat wisten de twee niet en ze staakten met een laconiek gebaar hun actie.

Om kwart over twaalf waren we binnen, we rolden de slaapzakken uit en wachtten op wat zou volgen. Ik had me iets opwindends voorgesteld bij onze nachtelijke actie, maar er gebeurde verder niets meer. We hielden om de beurt een uurtje de wacht, tot het ochtend werd. Om half tien 's ochtends werd er op het raam geklopt. We liepen met zijn vijven tegelijk naar de deur. Er stonden twee oude mannen op de stoep die elkaar afwachtend aankeken. Het leek wel of ze allebei probeerden achter de ander weg te kruipen. De kleinste van de twee vatte moed:

"Goeiemorgen. Zouden we misschien even met iemand van de leiding kunnen praten?"

Daar konden we wel om lachen. Iemand riep naar achter:

"Ze willen de leider spreken!"

Dat wekte veel hilariteit en de man die had gesproken lachte voorzichtig mee. Het was een iel, oud mannetje dat keurig in het pak stak. Even vlamde het door me heen: een driedelig pak, zoals vader droeg op zondag. Toen niemand reageerde kwam Wessel naar voren en vroeg de mannen binnen te komen.

"Het spijt me dat we u nog geen stoel kunnen aanbieden, maar er is koffie", zei hij.

Ze wilden geen koffie en het mannetje kwam meteen ter zake.

"Wij zijn niet zo jong meer, dat begrijpt u wel. U heeft ons erg laten schrikken vannacht."

Hij keek Wessel aan en probeerde een beschuldiging in zijn houding te leggen.

"Dat spijt me. Dat was onze bedoeling niet."

Wessel wilde ze geruststellen.

"Dat hopen we dan maar", zei de grootste van de twee nu, "We willen geen rotzooi in de straat. Mijn vrouw is op van de zenuwen. We hebben hier 30 jaar rustig gewoond en nou komen jullie hier. Waar moet dat heen. Het is gewoon mijn eigen plein niet meer. Je bent een buitenlander in je eigen buurt. Ze halen de hele wereld hierheen en voor een gewone Hollander is geen plaats meer. En nou ook nog krakers. Willen jullie alsjeblieft, alsjeblieft weggaan?"

De man sprak erg plat Amsterdams. Ik had moeite hem te verstaan.

"Dat zal niet gaan", zei Wessel. "We komen hier wonen. Ik ben bang dat u eraan moet wennen dat we buren worden."

"Gebruiken jullie drugs?", vroeg de man verder, "We willen geen drugs in de straat. En geen herrie met harde muziek. En dat jullie de boel een beetje netjes houden."

"We zullen ons best doen. Maakt u zich nou maar niet ongerust. Er is hier niemand die u of uw vrouw kwaad wil doen. Waar het ons om gaat is dat we de buurt een beetje leefbaar willen houden. Als ze gaan doen wat ze van plan zijn, dan slopen ze dit hele blok en dan komt er dure nieuwbouw. U zit jaren in de troep en daarna komen er buren die zich echt niks van de buurt aantrekken. Dat willen wij tegenhouden. We zijn er heus niet op uit om zomaar wat rotzooi te trappen."

Dat mijn nieuwe huisgenoten niet van rotzooi hielden wist ik niet, maar Wessels woorden hadden een kalmerende werking. Het kleine mannetje stak Wessel zijn hand toe en zei:

"Daar rekenen we dan op, meneer."

Wessel schudde beide heren de hand en zei:

"Komt u gerust een keer langs, als we een beetje op orde zijn. Weet u wat, ik nodig u uit zo gauw we uit de rommel zijn. Mag ik weten waar u woont?"

Het kleine mannetje vertelde waar hij woonde, maar de grote man waarschuwde hem:

"Pas op man, nou weten ze je te vinden. Kijk toch uit."

Wessel negeerde zijn opmerking:

"En mevrouw is ook van harte welkom. Ik hoop dat we goeie buren worden. En als er wat is, komt u gerust langs. U kunt altijd naar mij vragen. Wessel heet ik."

En hij deed ze uitgeleide.

****

Er volgde een periode van hakken, breken en slopen. We leefden ons geheel uit. Drie, vier weken lang ging ik tussen de colleges door aan de slag. Ik leerde metselen, lassen en elektriciteit aanleggen. We gingen door tot de late avond en dan waren we bekaf. Iedereen liet ons ongemoeid. Van de eigenaar van de panden, het gemeentelijk grondbedrijf, hoorden we niets. Het pand viel op in het straatbeeld van negentiende-eeuwse huurkazernes van vier woonlagen. Het was van recenter datum, had een plat dak en telde slechts twee verdiepingen. Op één hoog waren oorspronkelijk twee woningen, op de begane grond een bedrijfsruimte. De Ziedende Iep werd ooit gebouwd als smederij, die na de oorlog plaats maakte voor een zaak in motorfietsen, gevolgd in de jaren '60 door een Doe-Het-Zelf-zaak. Er was een verbouwing geweest waarbij een van de twee woningen bij de zaak werd getrokken. Dat was nog geen tien jaar geleden. Het geheel was geen gerieflijke ruimte voor elf bewoners. Wij moesten ook nog wat Doe Het Zelf werk verrichten.

De eerste prioriteit hadden de keuken en het sanitair. De vrouwen drongen aan op meer douches en wc's. We hadden in totaal twee toiletten en slechts één douche, in de overgebleven woning. Na een dag klussen wilde iedereen zich wassen en dat leidde tot opstoppingen. Op de avond van de derde dag begon Tiet er over.

"Zoals het gisteren ging, dat wil ik niet meer. Ik wil me niet meer wassen met een emmer voor het oog van alle kerels. Er moet een aparte wasgelegenheid voor vrouwen komen. En zolang die er niet is, wil ik voorrang voor de vrouwen bij het douchen. Je kunt beter met zeven mannen wachten op vier vrouwen dan omgekeerd."

Ze kreeg bijval van Pluis en van Mar. Frans vond het onzin. Hij behoorde tot de bewoners die vanuit het kraakspreekuur aan de groep waren toegevoegd. Tot dusverre had hij zich bij alle ideologische discussies op de vlakte gehouden.

"Jullie zijn dus smeriger dan wij", insinueerde Frans.

Tiet reageerde vinnig:

"Als het daarom gaat zou ik maar eens aan mezelf ruiken als ik jou was. Laten we meteen ook maar een mannenplee en een vrouwenplee instellen. Dan kunnen jullie lekker over de rand zeiken zoveel je maar wilt en dan blijft er één wc schoon. Wij hebben eigen douchegelegenheid nodig, omdat er wel eens iemand ongesteld is bijvoorbeeld. En omdat het vernederend is om je te wassen tussen de glurende kerels."

"Doe me een lol zeg, gaan we zo beginnen?"

Frans werd persoonlijk.

"Dan wil ik de meiden graag beschermen tegen glurende potten. De lesbo's apart, en natuurlijk wel nà de mannen."

Die twee lagen elkaar vanaf het begin niet. Na een hoop gepraat werden we het erover eens. De vrouwen konden douchen apart van de mannen. De wc in de woning op één hoog werd een damestoilet, die beneden was voor algemeen gebruik.

Het was een oplossing, maar de woning was inmiddels al bewoond. Zo gauw het duidelijk was dat we voorlopig konden blijven had Mar zich in de woning geïnstalleerd. Een eigen ruimte, waar ze met haar geliefde kon samenwonen, daar was het haar immers om te doen. Als Wessel naar de wc wilde, moest hij eigenlijk de trap af en zijn huis uit om te kunnen plassen. Als de vrouwen gingen douchen werd hij geacht zijn biezen te pakken. De woning werd meer en meer een vrouwenhuis, waar zijn aanwezigheid tandenknarsend werd gedoogd. Voor hoe lang? Na een paar dagen was het weer Tiet die erover begon.

"We moeten het toch eens hebben over de definitieve indeling van de ruimte. Wie waar gaat wonen."

Ze zette redelijk neutraal in. Daarop vertelde iedereen zijn woonwensen en hoe ze dachten die te kunnen realiseren. Mij maakte het niet zoveel uit en dat gold voor meer mensen. Ida stelde zich bijvoorbeeld ook heel bescheiden op. Ze wilde een apart slaapkamertje voor Sheila, haar dochtertje van drie. Bernie maakte het allemaal niet uit, hij wist toch niet hoe lang hij zou blijven. En Mar en Wessel waren tevreden met de woning op één hoog. Tiet niet.

"Ja, dat heeft me nogal verbaasd, eigenlijk", zei ze, "hoe gemakkelijk jullie er toch weer in trappen. Er is hier één kant en klare woning en één heterostelletje. En dat stelletje neemt meteen de beste plek in bezit, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. En iedereen vindt dat kennelijk vanzelfsprekend. Ik wil niet vervelend doen, Mar, maar ik had van jou toch meer solidariteit verwacht."

Ze richtte zich nadrukkelijk niet tot Wessel. Die hoorde het belangstellend aan. Tiet keek Mar aan met een liefste glimlach van de wereld. Die reageerde meteen.

"Wij willen een eigen plek, dat is toch normaal als je een relatie hebt. Gewoon een beetje privacy. Waarom zouden we niet in die woning trekken? Er zat nog niemand in. En dan, je moet je er niet teveel van voorstellen. Het is niet groot en het ziet er niet uit. We zouden het eigenlijk helemaal moeten verbouwen, als we met de rest klaar zijn."

"Maar het is nu wel de beste plek en die hebben jullie met zijn tweeën ingepikt. En als ik eens een vriendinnetje heb? Heb ik geen recht op privacy? Moeten we dan maar tussen de jongens gaan liggen? Dat wil je me toch niet aandoen."

Volgens Willem had Tiet wel een punt. Niet dat hij vond dat zij meer recht had op de woning dan Mar en Wessel, maar het was hem ook al opgevallen hoe dat het allemaal ging. Hij prees Tiet dat ze de kwestie ter sprake bracht.

"Er zijn twee zaken waar we het over moeten hebben", doceerde zijn zeurderige stem. "Het ene heeft te maken met de procedure, het andere met het principe. Ik ben het niet eens met de manier waarop het nu gaat. Jullie hebben je de woning toegeëigend en ons plaats je daarmee voor een voldongen feit. Terwijl we de afspraak is dat we de besluiten hier alleen gezamenlijk nemen. Wat mij betreft moeten we eerst maar eens discussiëren over de vraag wie de woning krijgt. En daarbij wil ik nadrukkelijk alle samenlevingsvormen gelijkstellen. Homo of heterorelaties, maar ook groepsbewoning of alleenstaanden."

Wessel zei dat hij het als belanghebbende niet op zijn weg vond liggen om aan die discussie deel te nemen. Ik zag Mars gezicht betrekken. Ze zou het wel zonder Wessel doen.

"Alles goed en wel", zei ze, "Je kunt wel leuk over principes praten, maar je moet ook praktisch zijn. Die ruimte is geschikt voor hooguit drie mensen. En die moeten het wel verdomd goed met elkaar kunnen vinden, want het is erg klein. Het helpt wel enorm als je toch al een relatie hebt. En laten we even duidelijk zijn. Wessel en ik hebben toevallig een relatie, al zijn we dan maar hetero's. Helaas, iets beters hebben we niet in huis."

Ze kookte van binnen.

"En om nou één persoon alleen hier te laten wonen, dat gaat wel wat ver. Bovendien, wie zou dat dan moeten zijn?"

Ze kwam met goede argumenten. Dat beaamden de meeste mensen wel. Tiet vond het tijd om haar troefkaart uit te spelen.

"Er is nog een andere mogelijkheid. Er gaat niemand wonen. We maken er gewoon een manvrije ruimte van. Dan hebben alle vrouwen de gelegenheid om zich terug te trekken of onder elkaar te zijn. Zoals het nu gaat is het voor Wessel ook vervelend. Hij moet iedere keer zijn huis uit als iemand van ons wil douchen. Toch, Wessel?"

Willem vond het een goed idee, totdat bleek dat er eigenlijk niet zo'n animo bestond bij de vrouwen. Tiet kreeg alleen Pluis mee en dat was ook aarzelend. Ik wilde Mar steunen en bracht nog een tegenargument in stelling.

"Een manvrije ruimte waar niemand woont, dat betekent wel dat we dus met zijn allen hier moeten wonen. Dan zie ik niet wat jullie ermee opschieten. Dan slapen jullie weer tussen de mannen. Waarom laten we het niet zoals het is, dan hoeven we ook geen getuige te zijn van hun liefdesleven."

Dat meende ik echt.

"Ik vind het best", zei Frans, "Maar we zitten dan nog met de potten en wie weet wie er nog meer van bil wil. We zouden de ruimte moeten reserveren voor de liefde. Er is zeker niemand voor een peeskamertje?"

De anderen zeiden niet veel. We zaten met een impasse. Het wachten was op het verlossende woord. Dat kwam van Wessel.

"Ik vind eigenlijk dat de woning moet gaan naar degene die hem het meest nodig heeft. Dat is Ida. Wij kunnen allemaal eten en slapen wanneer en waar we willen, maar een kind heeft een vertrouwde plek nodig en regelmaat. Daar zijn we als woongroep allemaal verantwoordelijk voor."

Ida had er niet om gevraagd, maar ze was er maar wat blij mee. Alleen Tiet sputterde nog wat tegen. Ze mompelde dat ze niet wilde opdraaien voor vrouwen die hun benen niet bij elkaar konden houden, of zoiets. Ze zei het niet hardop en daarmee was het pleit beslist.

****

Ida kreeg de woning en Mar ging overstag, om zich niet onmogelijk te maken bij de anderen. Ik had met haar te doen. Van Wessel had ze geen enkele steun gehad. Ze luchtte haar hart onder het afbikken van een tegelmuur, en dat deed ze op niveau. Ze haalde het hele derdejaarsprogramma psychologie erbij. Zo had Wessel haar basic trust weggenomen. Hij was niet in staat tot 'unconditional care'. Ze was geen grote fan van Freud, maar voor de gelegenheid haalde ze er ook maar een overmatig ontwikkeld Über-Ich bij. Hij had bovendien een obsessieve neiging tot rationalisatie en een erg slecht contact met zijn eigen gevoel.

"En ik zeg dat niet alleen, hoor. Titia zegt het ook."

Mar was de enige in huis die consequent Titia bleef zeggen. Ze beschouwde Tiet als een autoriteit op het gebied van foute mannen.

"Wessel is een typische linkse macho, zegt Titia. Het type dat met een grote muil op de barricade staat, terwijl zijn vrouw met de boodschappen sjouwt. En ze heeft toch wel gelijk, hoor. Ach kerels, uiteindelijk zijn ze toch allemaal hetzelfde. De zaak is altijd belangrijker dan de mensen. Het is je broer, Mathieu, en ik verwacht niet dat je hem afvalt. Maar hij heeft me gewoon laten barsten. Wéér laten barsten, net als iedere keer."

De beige tegeltjes moest van de muur worden gebikt. Mar werkte als een bezetene.

"Sorry. Het is niet dat ik het Ida misgun, hoor, maar ik heb ook lang genoeg op een zoldertje gezeten. Ik ben gewoon toe iets aan voor mijn eigen. Ik vind dat niet meer dan normaal. Titia zegt dat vrouwen alleen rechten krijgen als moeder. Het is alleen omdat Ida een kind heeft! Dat kind is haar keuze, zegt ze. Daar moet ze dan ook de consequenties van dragen. Ik ben het daar niet mee eens, natuurlijk, maar er zit toch wel iets in, hoor."

"Heb je het er nog met Wessel over gehad?", vroeg ik.

"Hè, wat. Sorry, ik hoorde je niet."

Ze hield even op met bikken."

Wat zegt Wessel er nu van?", herhaalde ik.

"Weet je wat hij zegt? Hij kan het gedoe er nu gewoon niet bij hebben, zegt hij. Daar staat zijn kop niet naar. Wat is onze relatie je eigenlijk waard, vroeg ik hem. Wil je nou samenwonen of niet? Ik doe mijn best om een plek te ritselen voor ons tweeën en jij geeft het zo weer uit handen. 'Ja, zegt hij, we hebben gewoon die ruimte ingepikt. En als iemand daar problemen mee heeft, dan moet je er over praten. Hij vond dat er een goed besluit was uitgerold. Ida krijgt de woning, met een slaapkamertje voor haar dochter. Dat was het meest rechtvaardig. We waren met zijn allen verantwoordelijk voor dat kind' , zei hij."

"Daar heeft hij natuurlijk wel een beetje gelijk in", zei ik, "Je moet niet denken dat ik het haar niet gun. Maar.."Mar had haar gehamer hervat en ging ondertussen door met haar tirade. Na iedere zinsnede sloeg ze met haar bikhamer een uitroepteken in de wand.

"Maar hij begint meteen met die grote woorden. Rechtvaardig, verantwoordelijk!"

Tàk, Tàk. De splinters vlogen me om de oren.

"Heb je wel eens van loyaliteit gehoord, vraag ik hem. Dat betekent dat je elkaar niet laat vallen!"

Weer drie keer tàk."

"Hij zegt dat hij van me houdt, maar hij steekt geen poot uit om me te helpen!"

Ze liet haar hamer hijgend zakken.

"En dan zegt hij doodleuk: 'Ja, maar als ik het nou gewoon niet met je eens ben?' Ja, sorry hoor, misschien ben ik dan erg egoïstisch, maar je kan het ook overdrijven. Wat is dit voor een relatie? Als je van iemand houdt, dan ga je achter haar staan, zelfs al bij je het niet altijd met haar eens. Wat denkt die idioot eigenlijk wel. We zitten hier in een kraakpand, en dan zou je niet voor je eigen belang opkomen? Als jij het niet doet, wie doet het dan? Wil hij wachten tot hij iets krijgt toegewezen?"

En ze ondernam weer een nieuwe aanval op de tegelwand. Dat schoot lekker op.

* * *

De verbouwing vorderde snel. Waar al dat bouwmateriaal vandaan kwam weet ik niet. We hadden een pot waar we iedere week elk een bedrag in stortten, maar dat leek me bij lange na niet genoeg. En toch kwam er steeds weer iemand met een wagenlading PVC-buizen of Durox-blokken. Een onzichtbaar netwerk zorgde voor de bevoorrading. Na exact vijfentwintig dagen waren we zo ver. Er waren nog plannen voor een tweede kookhoek en extra sanitair, er moest nog van alles gebeuren, maar de Ziedende Iep was min of meer bewoonbaar. We ondernamen een collectieve verhuizing. We reden kriskras de stad door om overal huisraad en andere spullen op te halen. Nu kon de Zilverberg wat mij betreft in puin vallen. De vreselijke Zilverberg, waar je niemand had om tegenaan te kletsen en zelfs niemand om ruzie mee te maken. Niemand, die er zag hoe je wegkwijnde. Dat is geen omgeving voor iemand uit een groot gezin. Ik miste vader en ik miste de kleine wereld waar ik was opgegroeid. Ik verlangde zelfs terug naar de mis op zondag, de verveling tijdens de preek en het gevoel van bevrijding als je de zon weer op je huid voelde.

Mijn nieuwe kamer was niet groot, maar zeer behaaglijk. De Ziedende Iep werd een vertrouwde plaats om te leven. Vanuit het raam van mijn kamer keek ik zo ons oude dorp binnen. Dat raam zag uit op de bakkerij, een vooroorlogs gebouw van gele baksteen. Op de muur boven de brede, lage ramen had ooit de naam van het bedrijf gestaan. De letters waren verdwenen, maar ze hadden hun vuile schaduwen achtergelaten: 'electrische broodfabriek DE MORGEN'stond er. Het was bijna een kopie van het patronaatsgebouw waar ik vroeger op uitkeek vanuit ons slaapkamertje. ' Sursum Corda, Omhoog de harten!' Er was meer dat vertrouwd was in de Oosterparkbuurt. Op het Eikenplein stond nog de oude Bonifatiuskerk. Op zondagochtend werd ik wakker van klokgelui en dan werd ik helemaal week van binnen. Een soort van Roomse blijheid, die ik sinds mijn schooltijd niet meer gevoeld had.

En dan was er nog de rijles. Een kinderdroom kwam uit, ik reed rond in een zilverkleurige BMW. Het is gek, maar soms kunnen lullige kleine dingen je uit het lood slaan, terwijl je bij grote rampen overeind blijft. Ik had mijn vader verloren, ik was de grote liefde van mijn leven kwijt en ik moest me misschien zorgen maken om mijn broer. Maar om nou te zeggen dat ik een enorme crisis doormaakte, ach nee. In de Ziedende Iep vond ik mijn draai wel.

Bij mij door het raam stapte je zo op het dak van de uitbouw beneden. We hadden een bankstel op het platje gezet en daar zat iedereen, als het niet te nat of te koud was. Pluis hing gewoonlijk in de leunstoel en rookte de hele dag sjekkies. Ze had de ergerlijke gewoonte haar peuken te doven in het dichtstbijzijnde bierflesje. Of er nog bier in zat, daar keek ze niet naar. Je kon daar beter zelf op letten en je flesje altijd bij je houden. Ook Frans draaide zijn jointjes op het dak en Bernie zat er tot laat te debatteren met Wessel of wie hem maar voor de voeten kwam. Mijn nieuwe familie zat er vanzelfsprekend en altijd. Of ik er zin in had of niet, ze bleven komen. Dat is familie. Het enige wat ontbrak was het geluid van vader, zingend in de drukkerij. Toch was ook hij op een bepaalde manier aanwezig. Ik voelde gewoon dat hij mij kon zien en horen. Vader was vlakbij.

* * *

De eerste week in mijn nieuwe kamer kreeg ik meteen al een logé. Wessel kon even niet bij Mar slapen en bleef een tijdje bivakkeren. Op een ochtend gebeurde er iets vreemds. Wessel werd wakker en vertelde me wat hij had gedroomd.

"Ik was op vaders begrafenis. Jij was er ook. Het was feest, er was muziek en eten en drinken. Het gekke was dat vader daar gewoon rondliep. Ik wilde naar hem toe, maar dat kon niet. Ik moest in de rij staan. Het was een soort receptie. Hij stond handen te schudden en omdat hij gestorven was kreeg hij van iedereen cadeautjes. Terwijl we stonden te wachten kwam moeder naar me toe. Ze fluisterde dat we naar Raaijmakers moesten, in de sacristie. Die deed de deur achter ons dicht en hij zei dat we mee konden komen. We kwamen in een kamer en daar lag de paus, opgebaard. Ik wist dat het de paus was, maar dat zag je verder nergens aan. Hij leek niet op een bisschop, hij droeg geen mijter of zo. Hij had alleen een kruis in zijn handen. Ik had zelf een toog aan en ik moest een superplie uit de kast zoeken. En wat daarna gebeurde weet ik niet meer. Maar wat het nou zo mooi maakte, dat was dat vader daar stond. Hij was gewoon heel dichtbij. Heel echt."

"Ik vind het wel logisch, zo'n droom. Ik bedoel met de paus en zo", psycho-analyseerde ik.

De associatie lag voor de hand. Kort tevoren was Paus Paulus de zesde overleden, een dag of wat na de begrafenis van vader.

"Dat is ook wel zo", beaamde Wessel, met een zucht, "maar hij was er gewoon weer. Net of er niets gebeurd was, snap je."

We zwegen allebei. Er hing spijt in de lucht. Toen werd op de deur geklopt en Bernie kwam binnen met de Volkskrant in zijn hand.

"Hi Guys, could you help me out?"

Bernie had een talenknobbel. Dat bracht hem ertoe om iedere dag de krant uit te spellen, in de hoop wat Nederlands te leren. Als hij er niet uitkwam zocht hij mij, want hij wist dat ik Engels studeerde. Ik vond het altijd leuk om als expert te worden geraadpleegd.

"I've got this bit on the Pope, but I can't figure it out:

'Acute hartaanval op Bed. Dood Paus schokt wereld. De volkomen onverwachte dood van paus Johannes Paulus (63) die in de late avond van donderdag 28 september in het pauselijk paleis overleed, heeft hier dezelfde reacties veroorzaakt als in de rest van de wereld: ongelovigheid, gevolgd door verslagenheid'."

"It's the ongelovigheid-part that puzzles me", zei Bernie, "Ik lees dat the Pope's unexpected death has made people loose their religion. But that would be a bit strange, denk je niet?"

"Nee, that's wrong. Ik denk dat ze bedoelen: disbelief. But you're right about ongelovigheid, it means something like atheism. Ongeloof would have been better. It means disbelief."

Wessel kwam overeind en las wat ik gelezen had. Die nieuwe paus had het amper een maand uitgehouden.

"Ik vind het ook hard to belief,", zei ik in hetzelfde soort mengeltaal waarvan Bernie zich bediende, "I mean Wessel en ik were just talking about the last pope dying. En nu is er al weer een dood."

Voor Bernie bleef het vooral een taalprobleem en dat was nu opgelost.

"Right, disbelief. Okay, ik dacht al so, just wanted to be sure, you know. Thanks, guys."

En weg was Bernie.

Wessel was nu klaarwakker en had een kleur gekregen.

"Het Pauselijk paleis stond er, hé? Ligt dat in het Vaticaan, of ergens buiten Rome?"

Ik had geen idee.

"Weet je dan hoeveel meter een league is in het Engels?"

Daar had ik nog nooit van gehoord. Wessel liep de kamer uit en kwam even later terug met die elpee van Al Stewart. Ik dacht dat hij daar overheen was.

"Kijk, hier staat het: 'Three leagues from the gates of Rome a pope named Paul is doomed to die. These are the signs I give to you to show you when the time is nigh'."

Hij tikte met zijn vinger op de hoes. Ja, het stond er.

"En nu? Ik dacht dat je niet in helderziendheid geloofde?"

"Nee. En ik vind dat je leven ook niet voorspelbaar moet zijn, maar dat is wat anders. De vorige Paus heette ook Paulus. En volgens mij is die ook gewoon in Vaticaanstad overleden. Dat wil ik wel eens uitzoeken."

"En als nou blijkt dat die buiten Rome is overleden? Geloof je dan die voorspelling wel?"

Ik wist niet goed waar hij heen wilde.

"Nee. Maar ik zou het leuk vinden als Nostradamus ernaast zit. Zie het als een wedstrijdje. Als mijn club wint, dan doet dat me plezier. Verliezen we, dan is dat jammer, maar ik word geen fan van de tegenpartij. Mijn waarheid blijft mijn waarheid."

****

Of het beter ging met Wessel dan vóór zijn Italiaanse avontuur weet ik niet. Maar we hadden weer contact en dat was me heel wat waard. Hij kreeg weinig kans voor zijn gebruikelijke getob. Er moest gewerkt worden en dat deed hem goed. Hij begon er een beetje uit te zien als een mens. Hij at weer en hij leefde weer overdag.

Ik had mijn intellectuele bijvoeding gemist. Wessel kon me aan het denken zetten over zaken waar ik op eigen kracht niet verder mee kwam. Met altijd een andere invalshoek, altijd een andere manier om er tegenaan te kijken. Na een nacht bomen met Wessel was mijn hoofd twee keer zo groot en had ik voor dagen stof om te herkauwen. De andere dag kwam ik terug op Nostradamus:"

Maar als zoiets nou aantoonbaar waar is. Nog even los van de vraag wat je er verder mee moet. Je bent helderziend, je doet een voorspelling. Dat is te controleren. Als het klopt, dan klopt het. Je kunt er toch niet een eigen opvatting van de werkelijkheid op nahouden. Ik bedoel, ik weet wat ik zie. Ik zit met jou te praten, ik hoor jouw stem. Ik hallucineer niet, dit is zintuiglijk waar."

"Zintuiglijk waar, dat zeg je mooi", antwoordde Wessel.

Zolang ik Wessel in mijn kamertje te logeren had was er geen plek voor een stoel. Ik zat op het hoofdeinde in de avondzon en maakte het cryptogram uit de zaterdagkrant. Hij zat aan het voeteinde van mijn bed, met links naast zich een Frans woordenboek en op zijn schoot de Pensées van Pascal, waar hij iedere avond een stukje uit bij elkaar puzzelde. Hij hield vinger bij de zin waar hij gebleven was en keek op.

"Zintuiglijk waar. Dan heb je licht en geluid, maar dat is nog geen film. De werkelijkheid, dat is de film."

Wessel formuleerde bedachtzaam, op dicteersnelheid. Alsof hij zijn eigen gedachten voorlas:

"Een film. Het is een documentaire, het verband tussen zintuiglijke prikkels. Dat is een interpretatie. Je moet er zelf betekenis aan geven. De waarheid is een subjectief ding."

Hij zette een potloodstreepje in het boek, deed er een papiertje tussen en sloeg het dicht.

"Ik bedoel: als ik naar de wolken kijk dan zie ik wolken. Als een meteoroloog kijkt dan zie hij een storm op komst of zoiets. Iedereen kijkt vanuit zijn eigen wereld, met wat hij weet, met zijn eigen voorgeschiedenis."

Het cryptogram moest maar even rijpen. Ik legde de krant weg.

"Dan gaat het om voorkennis", zei ik, "Als we allemaal meteorologen waren dan zagen we allemaal hetzelfde."

Wessel dacht na. Het gesprek kreeg het tempo van een schaakwedstrijd.

"Misschien, wel ja. Ik weet niet zoveel van meteorologie, maar het lijkt me nou net een wetenschap die met modellen werkt. Een model is ook een interpretatie. Het is niet de onomstotelijke waarheid en het is er ook niet voor de eeuwigheid. Vóór Galileo Gallileï draaide de zon om de aarde. Als je iets anders beweerde, dan was je een zondaar of een gek. Met Galileï kregen we een ander model. Uiteindelijk hebben we afgesproken dat hij gelijk had en nu draait de aarde om de zon. Harvey ontdekte dat het hart een pomp is en sindsdien stroomt er bloed door onze aderen. Misschien denken we daar over 25 jaar ook weer anders over. Misschien is er dan een model dat nu nog niet denkbaar is. De werkelijkheid moet altijd ter discussie staan. En met helderzienden kun je niet discussiëren. Die moet je geloven."

Ik zat op mijn hoofdkussen, met één voet opgetrokken onder mijn kont. Die voet voelde nu dood aan. Ik moest even verzitten.

"Je moet zelf op zoek", ging Wessel verder, "Als je geen eigen inzichten hebt, dan doe je niet mee. Dan maken anderen uit wat jij voor waar houdt."

Zo had ik het nog nooit bekeken, maar ik had er ook geen probleem mee:

"Is dat erg dan?", vroeg ik.

"Natuurlijk is dat erg. Er moeten een andere werkelijkheden denkbaar zijn, met andere ideeën en uitgangspunten", hield Wessel vol, "In een wereld waarin iedereen hetzelfde denkt en hetzelfde wil, daar staat alles stil. Daar heerst een dictatuur van eenvormigheid. Het leven wordt een zinloze herhaling."

Ik zag wel een overeenkomst tussen de ziener en de zoeker:

"Maar, Wessel, jij studeert psychologie, dan ben je toch ook op zoek naar regels en wetmatigheden. Je wilt patronen ontdekken die vastliggen."

"Ja, verdomd", beaamde Wessel, "Daar heb je gelijk in. Maar.... Nee. Je hebt gelijk. Misschien wil ik die patronen kennen, om me eraan te onttrekken."

Hij viel stil. Er was blijkbaar niets meer te zeggen. Ik pakte de krant en vulde een woord in waar ik naar zocht.

Wessel nam zijn Pascal weer op, maar legde die meteen weer neer.

"Soms denk ik, dat het helemaal niet kan, psychologie",dacht hij hardop, Kun je überhaupt een mechanisme bestuderen, als dat tegelijkertijd op jezelf van toepassing is? Dat weet ik eigenlijk niet. Maar stel dat het kan. Als je de wetmatigheden kent, dan kun je dat misschien gebruiken. Zoals de treinreiziger het spoor gebruikt. De trein rijdt altijd volgens een vast schema langs dezelfde rails. Zou die trein niet zo voorspelbaar zijn, dan kwam je niet waar je wilde. Hoe voorspelbaarder de trein, hoe meer vrijheid voor de reiziger."

Dit moest ik nog maar eens overdenken. In elk geval had Wessel weer gedachten die je verwacht van een student psychologie. Gedachten waarin ik weer werd toegelaten."

"Denk jij nog wel eens aan vader? Ik wel, heel vaak", zei ik opeens, "Ik heb ook heel sterk het gevoel dat hij er nog is. Natuurlijk weet ik dat hij dood is, maar ik geloof het eigenlijk nog steeds niet. Hij kan elk moment de kamer binnenkomen en hij kan ons horen en zien. Ik voel hem vlakbij me. Dat geeft me een goed gevoel. Heb jij dat niet?"

Wessel niet:

"Hij is dood. Het is voorbij. Er is geen leven na de dood. Dat is hard, maar het is niet anders. Het is ook goed. Luister, hier heb ik de afgelopen tijd veel over nagedacht: stel je voor dat vader in de hemel zit. Alles is volmaakt. Niemand lijdt honger of gebrek. Iedereen is eerlijk, iedereen is mooi. Je durft alles, maar dat is niet meer nodig. Alles wordt vrijblijvend. Er zijn geen beperkingen, iedereen kan alles. Iedereen wordt identiek. Je hoeft nergens meer moeite voor te doen en niets is nog de moeite. Je hebt geen vijanden meer, alleen maar allemansvrienden. Op den duur heb je alles meegemaakt, alles uitgeprobeerd. Je wilt niks meer, het verlangen sterft af. Eigenlijk ben je dan echt dood. De hemel wordt boring as hell, en je zou er gillend weg rennen als je kon. Ik hoop heel erg dat vader niet in de hemel is."

Het klonk bitter. Misschien was het Wessels manier om iemand te troosten.

***

Het platje was voor mij net zo belangrijk als ons landje bij de drukkerij, vroeger in ons dorp. We maakten er een afdak van zeildoek, zodat we ook bij regen droog buiten konden zitten. Als het goed weer was zaten we avonds tot laat 's te ouwehoeren. Met een dikke trui en een jas was het ook nog wel uit te houden als het wat kouder was. Dan maakten we vuur in het oude olievat, dat bij de bank stond. Het was onze huiskamer. We hielden huisvergaderingen op het dak en ik zat er ook graag te studeren. We aten er, we dronken er. En Pluis sliep er ook graag.

Bernie maakte zich in een verbazingwekkend snel tempo het Nederlands eigen. Hij verstond nagenoeg alles en deed zijn best om het ook te spreken. En al sloeg hij grammaticaal af en toe wat planken mis, hij kwam een heel eind. Alleen de ui-klank bleef een probleem. Hij stond nogal apart binnen de Iep, hij hoorde overal bij en nergens. Hij maakte deel uit van de club van het platje, maar hij bemoeide zich ook met alle politieke discussies. Wij geloofden dat verder wel. Hij debatteerde graag met Willem, Wessel en Tiet, want hij wilde Weten. Het ging hem er niet om gelijk te krijgen. Hij zocht alleen het juiste standpunt. En daarbij kende hij geen eind en geen beperking. Geen plaats -op de bakfiets tijdens het verhuizen van een wasmachine - en geen tijdstip - vijf uur 's ochtends, als iedereen naar bed wilde- weerhielden hem. Bernie was goed voor ons militante imago. Nadat Wessel zijn oude sparringpartner Robbie was kwijtgeraakt leek hij dan ook een ideale vervanging. Maar de rivaliteit en het venijn dat aan die vriendschap zoveel dynamiek had gegeven waren er niet. Het waren bondgenoten, maar geen vrienden. De hoop en de wanhoop die Wessel dreven waren Bernie geheel vreemd.

****

Pluis leefde van het geld dat ze van haar vader kon lospraten, van haar moeder kreeg ze geen cent. Ze had ongeregelde baantjes bij een uitzendbureau en verder bietste ze her en der. Dat bracht niet veel op, en dus luisterde ze met belangstelling naar de verhandelingen van Wessel over het proletarisch winkelen in Bologna. Uit protest tegen toenemende armoede gingen ze daar met z'n honderden naar een supermarkt en die haalden ze dan helemaal leeg. Demonstratief, en plein public en met de pers en alles erbij. Wat Pluis daarvan meepikte was dat winkeldiefstal wel oké was. Ze kocht bij de HEMA een steelpannetje en haalde daar bij thuiskomst triomfantelijk een wekkertje en een lippenstift uit.

"Voor de proletarische klant", zei ze, "Een bonus."

Wessel wees haar met ongewone scherpte terecht:

"Omdat je in een kraakpand woont, dat geeft je nog niet het recht om je van niks en niemand wat aan te trekken! Jouw bonus heeft niets te maken met proletarisch winkelen. Dat is geen politieke daad. Je snaait wat dingen weg, achterbaks, in je eentje, voor de kick. Je jàt. En dat vind ik niet kunnen hier in huis!"

"Oh, maar ik ben ook arm, hoor. Ik kan die dingen niet kopen", zei ze.

Wessel bleef onverbiddelijk:

"O ja, dat is een hartverscheurend onrecht. Dat jij geen lippenstift kan kopen. Als je die rotzooi echt zo graag wilt, dan spaar je ervoor. Wat kost zo'n ding nou heel? Anders vraag je het aan mij, dan kun je het zo krijgen. Maar je gaat niet jatten."

Bernie vond dat natuurlijk een punt van discussie:

"Maar Wessel, dat is een preek van 1900! Je verandert de mensen niet met moraliseren. Plows steelt, omdat het systeem zo werkt. Ze vertellen je dat je dit moet hebben, dat je dat moet hebben. En dan wil je het. Wat je niet kunt kopen wil je het meest. Plows kan het niet helpen. Paul Getty steelt niet van een winkel, hij steelt op de beurs. En dat mag wel. De macht maakt de regels. Dat verschil is what drives capitalism."

Op dat soort momenten had ik altijd moeite met Bernie, hoe aardig ik hem verder ook vond. Hij nam de verdediging van Pluis zo grondig ter hand dat ze ontoerekeningsvatbaar werd. Hij plaatste zichzelf boven en buiten de ontwikkelingen. Wat dat betreft leek hij wel op Wessel. Wij waren een schimmelcultuur onder hun microscoop. Voor Bernie waren we een studieobject. Of we dat voor Wessel ook waren kan ik niet zeggen. Het werd een intellectuele gedachtewisseling en de moraal van het verhaal verdampte. Pluis, die net nog op het punt had gestaan om de gestolen goederen terug te brengen, bij wijze van spreken dan, stiftte haar lippen en ging wat leuks doen.

Wessel vond dat Bernie 'mechanisch redeneerde':

"Alsof de wereld draait zonder dat er echte mensen aan te pas komen. Je hebt ook nog zoiets als een eigen verantwoordelijkheid. Je wilt niet dat wij van elkaar jatten, dan moet je het ook niet van een ander doen. Of dat nou een winkel is of een bedrijf of de regering, dat maakt niet uit. Je moet het niet doen. En of die ander deugt of niet maakt niks uit. Anders krijg je hele enge dingen. Moet je horen: toen het Nederlandse elftal van de Duitsers verloor, toen werden bij ons in het dorp de ruiten van Duitse auto's ingegooid. Iedereen wilde graag de moffen te grazen nemen, 30 jaar na de oorlog. Het is die mentaliteit van: jij bent de vijand, dus mag ik jou alles flikken. Ik mag je bestelen, maakt niet uit. Je moordt een dorp uit. Mag dat? Nou nee! Maar het waren communisten! Ach had dat dan meteen gezegd! Hier, heb je een lintje. Dat deugt niet, dat betekent dat rechten alleen gelden voor je eigen soort. Dat is fascisme!"

Hier was het fatsoen van de Castermansen aan het woord. Zie je wel dat vader nog ronddoolde? Maar Bernie kende vader niet en zette het gesprek voort.

"Het vrije onafhankelijke individu. Dat is een modern idee. Vroeger hoorde een boer bij zijn land. Toen kwam de industriële revolutie. De boeren waren niet meer nodig. Ze werden van hun land getrapt. Nu waren ze vrij. Ze moesten hun arbeid en de arbeid van hun vrouw en kinderen verkopen om in leven te blijven. Dat is die vrijheid van jou. Free trade, meer niet. Alleen de economie die telt. Je laat mensen in arme landen werken voor bijna niets en dan zijn de prijzen voor ons laag. Dat is goed voor de winst. Vrijheid heeft hier geen betekenis. In een dictatuur misschien, hier niet. Je mag alles schreeuwen wat je wilt, niemand luistert."

Wessel liet zich niet onbetuigd, want zijn stokpaard was gezadeld. Hij hield Bernie voor, dat hij de democratie wel erg gemakkelijk aan de kant zette.

"Als je zegt dat vrijheid niet meer is dan een reclamekreet van het kapitalisme, dan hoef je je er verder ook niet meer aan te storen. Dat is me te cynisch allemaal."

En daar ging Bernie dan weer enthousiast op in. Ik wachtte het einde niet af. Het vuur in het olievat smeulde na, maar gaf geen warmte meer. Een vochtige kou trok op langs mijn rug. Ik ging naar binnen. In mijn bed hoorde ik ze nog doorgaan, ze pingpongden met namen: Foucault, Marcuse, Althusser en hoe ze nog meer heetten.

****

's Nachts werd ik wakker zonder te weten hoe laat het was. Het was te donker om op mijn horloge te kijken, dus schoof ik het gordijn opzij. Maar de maan ging schuil achter een dikke mist. Het kon niet lang meer duren tot het licht werd, ik hoorde de eerste vogels ongeduldig fluiten. Verder zweeg de stad. Voorzichtig, om Wessel niet wakker te maken, sloop ik de kamer uit. Op de gang deed ik het licht aan; het was kwart over vier. Ik dronk wat water en kroop weer in bed. Het was stil, te stil. Toen mijn ogen weer aan het duister waren gewend keek ik op de plek waar Wessel had moeten liggen. Een lege plek. Nu knipte ik het licht aan: zijn matras was onbeslapen. Dat was vreemd. Hij kon niet in zijn eigen bed liggen, hun woning stond vol met bouwmateriaal. Misschien had hij toch Mar opgezocht en ik had geen idee bij wie zij haar intrek genomen had. Ik liep weer de gang op en keek besluiteloos naar buiten. Ik moest er maar van uit gaan dat hij ergens onder de pannen was. Wat kon er anders gebeurd zijn? Ik zou kunnen gaan zoeken, met het risico dat ik het hele huis wakker maakte. Dat had geen zin, ik ging terug naar bed en deed het licht weer uit. Voor ik het gordijn sloot keek ik de heiige ochtend in. Het begon nu echt licht te worden. Daar, in de nevel, op de plek waar we gisteravond gezeten hadden, tekende zich een grote gedaante af.

En weer sprong ik uit bed. Ik schoot mijn jas aan en liep het platje op. Daar zat een roerloze Wessel in de mist. Zijn haar hing in natte pieken langs zijn gezicht en hij staarde glazig voor zich uit. Even leek het of hij niet meer in leven was. Maar toen ik zijn ijskoude wangen voelde bewoog hij. Ik schrok toen hij zijn hoofd ophief. Het leek of het bloed uit zijn aderen was weggetrokken. Hij keek me doordringend aan, alsof hij zich wilde herinneren wie ik was en waar we waren.

"Kom joh", zei ik, "Ga naar bed. Het is tijd."

"Ja. Natuurlijk", gromde hij en hees zijn verkleumde lijf overeind.

Bijna mechanisch liep hij achter me aan, liet zijn natte kleren op de grond vallen en stapte zonder verder iets te zeggen in bed. De andere dag sliep hij lang door. Het was al bij enen toen hij wakker werd.

"Wat was dat nou, vannacht? Je had hartstikke ziek kunnen worden", zei ik.

Wessel haalde zijn schouders op.

"Ik zat te denken", zei hij, "Er was zoveel waar ik aan dacht, ik kon niet meer ophouden."

16 Bij Ons Staat op de Keukendeur

Vroeg of laat zouden ze komen voor de ontruiming. Niemand wist wanneer, maar we hadden de plannen klaar. Ze zouden het niet gemakkelijk krijgen, ze kregen een goed getrainde eenheid tegenover zich. We hielpen geregeld met het kraken van nieuwe panden en we stonden op de alarmlijst. We schoten te hulp als bij een ander pand onraad dreigde. Het eerste half jaar bleven de confrontaties met knokploegen of de Mobiele Eenheid daarbij uit. Wel was er politie met platte petten, en die was ook niet altijd zachtzinnig. Tussen de acties door kreeg het leven een normale regelmaat. We werkten, kookten, aten en sliepen. Dat structureert het bestaan hoe dan ook. Al na enkele weken was er een aaneenschakeling van routines. Ook een anarchist poetst zijn tanden voor het slapen gaan.

****

Giel was zonder mij op vakantie gegaan. Toen hij terugkwam waren zijn colleges weer begonnen, maar hij zag toch kans om te komen klussen bij de Iep. Vanaf de eerste dag was hij een vaste gast op het platje. Met de meeste Iepers kon hij het goed vinden, al waardeerde niet iedereen zijn platvloerse opmerkingen. Die bezorgden mij zelf ook vaak kromme tenen:

"Zaten we daar in Saint Tropez op zo'n naaktstrand, in de stralende zon met al die blote wijven. Ik wist niet hoe vaak ik even de zee in moest. Je staat anders voor paal met zo'n paal".

Hij lachte wel aanstekelijk.

"Is er nog bier? Wie gaat er even naar Glenn?"

Giel keek in mijn richting.

"Ik geef je wel een tientje, ga zelf maar", antwoordde ik.

Glenns snackbar zat verderop in de straat. Hij verkocht friet, Surinaamse bananenchips en Moksi Meti. Hij verkocht bier van onder de toonbank. Nog dieper onder de toonbank had hij ook vierkante flessen: de vrienden van Bokma konden tot één uur 's nachts terecht. Glenn was een zegen voor de buurt. Maar hij was niet dol op de Iepers. Dat kwam voor een belangrijk deel door Pluis. Als zij een 'vette bek' ging halen bij Glenn, nam ze ongevraagd voor iedereen Marsrepen en andere versnaperingen mee. Glenn had wel iets in de gaten, maar betrappen kon hij haar niet. Ze was er heel behendig in. Nu hield Pluis zich slapend, ik had geen zin om te gaan en het had nooit zin om Frans iets te vragen. Het was natuurlijk niet sympathiek, maar Cor kon nu eenmaal geen nee zeggen. Dat durfde hij niet.

"Cor, ga jij effen. Haal maar zes halve liters."

"Maar... wat moet ik dan zeggen. Verkoopt hij dat gewoon in de winkel of moet ik achterom?", sputterde hij.

Kraken was tot daar aan toe, maar illegaal bier kopen vond Cor toch wel eng.

"Ik ga wel met je mee", zei Frans royaal. "Alleen heb ik geen rooie cent op het moment, jongens. Ik zit ook al tijden zonder stuff."

"Krijg je van mij ook nog een tientje. Neem iets te eten mee", bood Giel aan.

Tien minuten later waren ze weer terug met het bier.

"En wat denk je dat Glenn nog meer verkoopt?", vroeg Frans alsof hij dat niet wist: "Ganja!"

Hij toonde triomfantelijk een prop zilverpapier en graaide Giel zijn shag uit de handen. Hij sprak:

"Giel, beste Giel. Jij bent een hele fijne jongen. Zal ik jou eens verwennen met een mooie Surinaamse joint?"

Daarop kwam Pluis overeind alsof haar naam genoemd werd.

Cor stond erbij met het wisselgeld en een rooie kop.

"Ik ga toch maar naar bed", zei hij, "En Glenn vroeg nog of jullie 's avonds de muziek niet zo hard wilden zetten."

"Nou, hij zei het nèt even anders", verbeterde Frans glimlachend.

Zijn avond kon niet meer stuk.

"Glenn zei dat hij niet van onze teringherrie hield. Hij komt persoonlijk onze ballen kraken met een grote tang, als het nog eens gebeurt."

"Ja, zoiets", zei Cor en maakte zich uit de voeten.

Frans pakte zijn gettoblaster en we gooiden er een reggaebandje in. Iets van Steel Pulse of zo, iets waarvan we dachten dat Glenn het mooi zou vinden. Hij regelde het volume, zodat het in de snackbar beter hoorbaar was.

Pluis legde haar hoofd in mijn schoot en haar voeten op Frans' knieën. Met het gesprek bemoeide ze zich niet. Ze leek weer te slapen. Pluis was een soort straatkat. Ze nestelde zich waar ze wilde en vroeg niemand of dat gelegen kwam. Giel was zeer van haar onder de indruk en roemde haar 'aaibaarheidsfactor'. Na Mar en Annique had ik daar even geen behoefte aan, maar voor Giel lag dat anders. Hij was, zoals hij dat noemde, 'technisch gesproken nog maagd'. Daar zat hij behoorlijk mee omhoog en dat liet hij zonder enige terughoudendheid aan iedereen weten. Het was hem vrijwel onmogelijk om een normaal gesprek te voeren over vrouwen. Ik nam hem dan ook allang niet meer in vertrouwen over Annique. Mijn verdriet was niet veilig bij hem. Giel schoffeerde ieder meisje met zijn schunnige opmerkingen. Die kwamen voort uit een soort hoekigheid, hij kon niet anders. Vrouwen fascineerden hem buitengewoon, maar hij wist niet wat hij daarmee aan moest. Hij had alleen maar broers en hij had tot en met het klein seminarie uitsluitend op jongensscholen gezeten. Er waren ook erg weinig vrouwen die, net als hij, econometrie studeerden. Zijn onbeholpenheid riep een mengeling op van ergernis en leedvermaak, maar beslist ook vertedering. Giel was niet de meest subtiele vriend die je je kunt voorstellen maar wel de meest toegewijde. En of het nu kwam door zijn onverschrokken lef of door zijn grenzenloze naïviteit (hetgeen doorgaans op hetzelfde neerkwam); met Giel viel altijd wat te beleven.

"Die Tiet bij jullie, hè?", zei hij na de tweede joint en de zoveelste fles bier, "Is die nou altijd zo geweest? Ik bedoel, als ze het nou eens echt met een man zou doen, zou het dan niet over zijn? Zodat ze weet wat ze mist, bedoel ik."

"Ik denk het niet, Giel. Tiet weet echt wel wat ze wil", antwoordde ik geduldig.

"Niet dat ik daar nou speciaal op kick, hoor, maar als ze niemand vinden kan.... Ik bedoel, ik ben best bereid..."

Hij meende het in volle ernst, hij wilde een vrouw in nood helpen.

"Giel, niet iedereen zit zo in elkaar als jij. Tiet valt niet op jongens en als ze dat wel deed dan zou ze je nog niet zien staan."

Maar ik kon net zo goed niets zeggen.

"Hoe weet jij dat nou? Ik ben nogal fors geschapen, hoor!"

Dat soort opmerkingen dus. Ik was blij dat alleen Frans en ik hem konden horen. Pluis leek te slapen in mijn schoot.

"Wordt het geen tijd om eens naar bed te gaan...", stelde ik voor.

Maar hij vond het juist tijd voor ontboezemingen.

"Effen serieus jongens. Ik heb hèt nog nooit echt gedaan. Dat mag je gerust weten. Hoe moet ik nou ooit aan een vrouw komen?"

Dat was ook wel een probleem.

"Gewoon aandringen", adviseerde Frans loom, "Als ze het afhouden, moet je gewoon een beetje doordrammen. Uiteindelijk willen ze wel."

"Maar als ze nou niet willen?", reageerde Giel tamelijk wanhopig.

Frans had inderdaad gemakkelijk praten, met zijn krachtige kop en zijn donkere slaapkamerogen. Frans kon iemand gemakkelijk overhalen tot dingen waar ze later spijt van had. Maar de Casanova van Kerkrade had een bol rood hoofd met pukkels en dunne zwarte doorkijkharen. Dan lagen de zaken toch net iets anders.

"Je moet gewoon geduld hebben", zei ik, "Jij bent goed in rekenen. Let op. Vrouwen vallen altijd op jongens die ouder zijn dan zij. Je wordt vanzelf ouder en volgend jaar is er weer een hele lading eerstejaarsdames. Je kansen worden steeds beter, man."

Pluis, in mijn schoot, opende haar ogen:

"Als je het niet erg vindt, draai ik even om", zei ze.

Ze legde haar hoofd op Frans zijn dijen en liet haar 'Dr. Martens'-laarzen demonstratief neervallen op mijn gevoelige delen. Het was een pijnlijke grap, die ze nog vaker zou herhalen. Bij anderen, dan.

***

Zelfs Mar liet zich van tijd tot tijd zien op ons platje. Eigenlijk vond ze het te nat en te guur om buiten te vertoeven. Maar als ze haar verhaal aan me kwijt wilde moest ze de kou trotseren. En die viel best mee, bij het vuur in ons olievat. Dat beaamde ze, handenwrijvend, terwijl ik de boel nog eens oppookte.

"Het sloophout raakt op", zei ik, "Als we geen nieuwe voorraad krijgen, dan is het gedaan met de pret. Dan moeten we gaan sprokkelen in het Oosterpark."

Ik had die middag in mijn eentje zitten studeren, maar eerlijk gezegd had ik me meer bezig gehouden met het opbouwen van het vuur. Het hout was nat en brandde eerst niet erg. Maar nu wilde het wel vlammen. Mar droeg een dikke sjaal om en hield haar jas aan. Anders kreeg ze zo'n koude rug, dacht ze. Het moest nog winter worden.

"Is het nog wat geworden vanochtend?", informeerde ik.

Ze had de hele week zitten blokken op haar tentamen psychofysiologie en dat ging haar niet gemakkelijk af. Maar ze dacht dat ze het wel gehaald had.

"Ik ben onderhand helemaal suf gestudeerd. Vijf tentamens in twee weken tijd, daar word je gaar van, man! En Wessel voert al die tijd geen klap uit", mopperde ze.

Dat verbaasde me, ik had nou net het idee dat hij weer serieus aan de slag was gegaan."

Echt? Hij zit volgens mij alleen maar te studeren, dag en nacht."

"Maar dan moet je eens kijken wat hij allemaal leest. Zware kost allemaal, maar er zit geen enkel studieboek bij. Hij doet maar wat. Vind ik best hoor, maar het gaat allemaal langs me heen. Ik heb geen idee wat hem nog bezighoudt, tegenwoordig. Volgens mij zie jij hem vaker dan ik. Het wordt tijd dat we weer eens samen in één kamer slapen."

Nu sliep hij doorgaans wel bij mij, maar we gingen allebei ook ons eigen gang. Volgens Mar studeerde Wessel helemaal niet. Eerlijk gezegd stoorde dat me wel. Dan kon hij beter werk zoeken, ik kreeg nog een paar honderd gulden van hem en de rijschool deed het ook niet gratis.

"Heb jij enig idee hoe het nou eigenlijk met hem gaat?", vroeg Mar.

Ik had geen idee waar ze heen wilde.

"Hij is zo zwijgzaam de laatste tijd", vond ze.

Dat kon ik niet beamen. Ik had ellenlange gesprekken met hem. Ik bracht ook de nachtelijke discussies met Bernie in herinnering.

"Dat bedoel ik niet. Ik bedoel dat hij zich niet uit. Hij heeft idiote dingen meegemaakt. Hij is gegijzeld, hij heeft in de gevangenis gezeten en hij komt terug om te horen dat zijn vader is overleden. Dat doet toch iets met je. Maar hij praat nergens over. Ja, hij discussieert. Hij stapelt ideeën op elkaar. Hij bouwt een muur van ideeën en daar verdwijnt hij helemaal achter. Hij komt tot niets meer."

***

Dat vond ik niet. Ik zou niet kunnen zeggen of het goed of slecht met hem ging, maar hij toonde wel initiatief. Zo stortte hij zich op de brandgevaarlijke pensions. Amsterdam telde honderden oude panden, waar mensen terechtkwamen die langs de reguliere weg geen woonruimte vonden. Veel buitenlanders, en voormalige rijksgenoten uit Suriname. Ze kwamen met bosjes tegelijk binnen op Schiphol en konden nergens heen. Voor een paar honderd piek per maand huurden ze dan een stapelbed. Ze woonden met vier of zes op een kamertje, zonder fatsoenlijke wasruimte of kookgelegenheid. Zonder brandblussers. Na een paar branden met dodelijke afloop richtte Wessel zijn actiegroep op. Ze zochten uit waar de pensions zich bevonden, op wiens naam die stonden geregistreerd en ze voerden gesprekken met bewoners. Daarna stelden ze een zwartboek op en liepen de deur plat bij krantenredacties en gemeenteraadsleden. Het klapstuk moest nog komen. Dat was het plan om demonstratief een groot leegstaand schoolgebouw te kraken en daar de meest schrijnende gevallen onder te brengen. Dat was wat Wessel bezighield, als hij niet las.

Nee, ik vond niet dat Wessel tot niets kwam. Het was een mentaliteit die hij sinds Italië omarmd had: als er iets op je pad komt, moet je handelen. Zoals op die koude regenachtige middag in december. Ik liep met Wessel bij het Centraal Station. De Prins Hendrikkade was een grote stadswoestijn. Ze waren net klaar met de aanleg van de metro en nu waren de rioleringsbuizen aan de beurt. We staken de zandvlakte dwars over, manoeuvrerend tussen kuilen en modderplassen. Ik keek omlaag in de manshoge kuil waar ik net langs was gesprongen en zag twee voeten. Ze staken uit een betonnen buis, die daar half ingegraven lag. Wessel zag hem ook.

"Zou hij dood zijn?"

Dat is toch het eerst waar je aan denkt. Maar er bewoog wat. Wessel liet zich omlaag zakken.

"Laat toch liggen, man", zei ik, "Die is stomdronken."

Wessel negeerde me en trok aan één van de benen. Er kwam een kreunend geluid. Ik daalde ook af. We sleepten het logge lichaam samen naar voren. Het was een man van gevorderde leeftijd in een kreukelig grijs pak. Hij had een snee over zijn voorhoofd en een korst onder zijn neus. Bloed en snot, aangekoekt en opgedroogd. En ook nog een zware drankkegel. We hadden wat moois opgediept. Wat verwacht je anders uit het riool?

"Hallo, meneer? Hallo?"

Ik schudde aan zijn schouders. Lazarus opgewekt uit den Dode. Hij keek me aan met een nietszeggende blik.

"Meneer, waar woont u? Hallo?"

De verbinding werd verbroken. Wat moesten we doen? De politie bellen?

"Weet jij hoelang het duurt voor die er zijn", zei Wessel, "We kunnen die man niet in de regen laten liggen. Hij heeft niet eens een jas."

Ik keek uit over de zandvlakte, op zoek naar iemand die kon helpen. Maar aarde was woest en ledig. Wessel gooide water uit een plas in het gezicht van de man.

"Kom, even opstaan. U kunt hier niet blijven liggen."

"Uh. Nee. Nee, ik moet... mijn broek", bracht de man uit.

Hij kwam overeind, steunend op mijn schouder. Hij was zwaar. De volgende opgave: hoe kregen we hem de kuil uit? De man hield zich staande aan een kabel die aan de rand van de kuil uit de aarde stak. Ondertussen stond Wessel aan zijn andere arm te trekken om hem boven de grond te krijgen. Ik duwde zijn voeten de goede kant op, terwijl ik met mijn schouder zijn brede kont schraagde. Zijn broek stonk naar oude pis.

"Bedankt", gromde de man en waggelde een paar meter.

Hij viel om met een klap, als een rol tapijt. Wessel brak zijn val en voorkwam daarmee dat hij weer onder de grond verdween. We gingen er maar bij zitten. De man zelf leek niets te voelen, maar Wessel had een schaafwond.

"Meneer, u kunt niet alleen over straat", zei Wessel, terwijl hij zijn onderarm inspecteerde, "Het spijt me, maar dat lukt niet. Waar woont u?"

"Ik woon niet meer bij d'r. Het is nou eh.....Nassaukade. Nummer is.... iets met een 4. Ik heb het koud. Ik ben een brandweerman, weten jullie dat. De brandweer, dat is toch een mooi vak, man."

"Welk nummer, denkt u eens goed na."

De man voelde aan zijn hoofd.

"Jezus, ik heb hem wel om, hoor. Is dat bloed?"

Hij had de korst opengekrabd, en er vielen dikke druppels op zijn jasje. Wessel bette de wond met zijn zakdoek.

"Nassaukade, welk nummer?"

"Ik weet het echt niet meer, godverdomme. Het is met een trap. D'r is ook een stoplicht."

Wessel doorzocht de zakken van de man en vond een brief met opschrift.

"Venema, bent u dat?"

"Ja, weet je het Paleis voor Volksvlijt. Die heb ìk nog zien branden, hoor. Ik was nog zo'n rotjochie. Fikken dat het deed! Man, man. Ik heb nooit meer zo'n brand meegemaakt, nooit meer. Godverdomme, wat een brand."

"Kom op, meneer Venema, we moeten gaan."

"Zeg maar Rudy", zei Venema gedwee.

Hij zwikte nog twee keer voor we de stoep bereikten. Nu hij weer verticaal was, begon zijn motortje ook weer te lopen. Onder het lopen lalde hij aan een stuk.

"Die hele rotstad is een grote rotzooi. Het komt allemaal door Den Uyl, hè. Die rooie rotzak. Allemaal vieze rooie rotzakken."

Hij schudde ons van zich af.

"Rotzakken! Vieze rooie ROTZAKKEN!", schreeuwde hij, terwijl hij met zijn armen in het rondmaaide.

"Kom, Rudy, nou even rustig. We gaan naar huis", zei Wessel op vaderlijke toon.

Rudy lachte schaapachtig en liet zich weer meevoeren.

Het duurde een eeuwigheid, maar we bereikten uiteindelijk de halte van lijn 13. In de tram moesten we staan. Venema ging nog een keer bijna tegen de vlakte, luid vloekend. Het is geen pretje om door iedereen te worden aangegaapt, terwijl je een stinkende, vloekende zuiplap ondersteunt. Uiteindelijk stond een mevrouw haar zitplaats af.

"Laat hem maar hier zitten", zei ze vol medeleven.

'Je zal maar zo'n vader hebben', hoorde ik haar denken. Ik keek de andere kant op. Eenmaal zittend viel hij weer in slaap. Bij de halte werkten we hem de tram uit voordat hij goed en wel besefte wat er gebeurde. Hij woonde vlak bij de halte. Wessel had zijn sleutels uit een broekzak gehaald en opende de deur. Het laatste traject, de trap op, viel mee. Het was een smalle trap die weinig ruimte bood om te vallen. Hij woonde alleen op twee hoog.

"Zo, en nu ga je even je roes uitslapen. Moet je nog naar de wc, Rudy?"

Wessel hielp hem zijn stinkende broek uit te trekken en zette hem op de pot. Ik draaide een sjekkie en keek in het rond. Het rook muf en vochtig. Er was een huiskamer met een bank en een wasrek met onderbroeken. In het halletje was een deur met stickers van radio Veronica. Die duwde ik voorzichtig open: de slaapkamer. In de hoek een houten tafel met een volle asbak, aan het plafond een peertje aan een draad. Bij wijze van gordijn had hij een groene doek voor het raam gespijkerd. Het enige ding wat er niet groezelig uitzag was de enorme TV, aan het voeteind van het bed. Wessel stak ook een sigaret op. Venema kreeg het te kwaad.

"Jongens, ik schaam me zo", klonk het van achter de wc-deur. "Daar zit ik dan, ik kan niet eens zelf mijn broek uitdoen. Godverdomme. Godverdomme. Jezus. Jullie zijn goeie jongens. Dat zie je toch niet veel meer. Goeie jongens. Ik had wel dood kunnen vriezen. Maar ik zal het goedmaken, echt waar. Laat niemand zeggen dat ik niet dankbaar ben. Rudy Venema is geen klaploper, mooi niet. Ach, als mijn moeder me zo zag zitten. Ik kan wel door de grond zakken."

Toen hij klaar was legden we hem samen in bed, in zijn ondergoed. Hij vroeg om zijn jasje en haalde honderd gulden uit zijn portemonnee.

"Hier, voor jullie."

We weigerden.

"Geef me dan in elk geval jullie adres, dan stuur ik een bloemetje. Ik schaam me zo, godverdomme."

We schreven ons adres op en de man liet zich instoppen als een kleuter. Natuurlijk hebben we nooit meer van hem gehoord.

"Nou,"zei ik toen we terugliepen, "Als er een goede God is, dan hebben we de hemel weer verdiend."

"Praat geen onzin, Mathieu", reageerde Wessel, "Je hebt geen enkele reden om trots te zijn. Als het aan jou had gelegen, lag Rudy Venema nog in die kuil."

Dat gaf ik toe.

"Maar we hebben hem thuis gebracht, dat geeft me toch een goed gevoel. Dankzij jou, oké. Alle eer gaat naar jou, hoor."

"Het gaat niet me niet om de eer. En je moet het ook niet doen omdat het je een goed gevoel geeft. Als iemand in de stront zit moet je helpen. Ook als het een klootzak is, ook als je je kut voelt achteraf, ook als iedereen je uitlacht."

"Zegt wie?", vroeg ik.

"Dat zeg ik. Je moet het niet doen omdat je je anders schuldig voelt, niet omdat je ervan beloond wordt en niet omdat een God het van je wilt", ging Wessel verder, "Dat hoort niks uit te maken."

Ik had geen zin in een preek.

"Oh, dus het deugt eigenlijk alleen maar als het je ontzettend tegenstaat?"

"Nee. Het beste is als het helemaal je eigen vrije keuze is. Zo vrij dat het je in feite geen reet kan schelen. Die vent hoort je niks uit te maken. En ook niet of je ervoor beloond wordt. Geen Sinterklaas ethiek."

"Waarom moet je het dan doen?", vroeg ik.

"Omdat het goed is", zei Wessel. "Je moet het goede doen omdat het goed is. Dat is het enige wat telt."

"En hoe weet je dan wat het goede is?", vroeg ik.

"Dat weet je", zei Wessel.

****

Ik slaagde na 24 lessen, in een kéér. Vooralsnog had ik er niet veel aan, dat rijbewijs. Ik had geen auto. We mochten wel de Rugzak lenen, het Fiatje van Ida. Daar maakte ik weinig gebruik van, in Amsterdam kwam je beter vooruit met de fiets. Maar naar het zuiden had een auto wel zin. Die eerste gelegenheid was met carnaval. Pluis kon ook mee, op het achterbankje. Ze wilde graag en je moet je huisdieren nu eenmaal af en toe uitlaten. Op de ochtend van de grote dag moesten we wachten op Wessel. Die was met Sheila in de buggy naar de bakker in de Ruyschstraat. Pluis kon niet wachten. Het leek of het de eerste keer was dat ze buiten de Randstad kwam. Ze was ongewoon actief. Ze vroeg hoe je dat deed, carnaval vieren. Moest ze zich verkleden? Als wat?

"Moet ik eigenlijk ook iets sjieks meenemen, voor 's avonds of zo. Is jouw moeder iemand die daar op let? Jasses, ik heb ook nooit wat om aan te trekken!"

Ik zei dat het ons moeder niks zou uitmaken, en dat we toch weinig thuis zouden zijn.

"Hebben ze bij jullie ook een boerenbruiloft?", vroeg ze.

"Wat is dat nou weer?", vroeg ik,

"Dan gaan er twee zogenaamd trouwen, en die worden dan opgehaald met een paardenkar."

Ik had er nog nooit van gehoord.

"Hé, Tjeu", bedacht ze dan weer: "Wat denk je? Kan ik wat stuff meenemen? Of kan ik dat niet maken in dat dorp van jullie? Ik denk dat ik toch maar iets anders aantrek. Wat denk je van een leuk rokkie. Zal ik mijn haar anders doen? Hè, poepie, zeg nou toch eens wat ik doen moet! Hoe ga jij eigenlijk verkleed?"

"Ik ga geen carnaval vieren. Alleen de kroeg in, wat vrienden opzoeken. Je moet er niet zo'n drukte om maken."

"En als ik nou iets doe met veel zware make-up bij mijn ogen. Zo een Marlene Dietrich. Lijkt me wel te gek, toch? Of niet. Wat vind jij?"

Ze liep weg en kwam terug in een lange hippiejurk."Wat vind je anders hiervan? Kan wel, hè. En dan ga ik als zigeuner of zo."

"Ik zou wel een warme trui aandoen, het kan behoorlijk koud worden."

"Je vind het niks, hè. Kun je ook gewoon zeggen, hoor. Wat zal ik dan doen?"

En zo ging het nog een tijdje door. Opeens klonk er rumoer van de straat. Ik ging kijken. Voor de deur stond Wessel een bedremmelde dame met een boxer uit te kafferen.

"Kijk dan, mens! De hele buggy zit onder de stront! Jullie laten die godvergeten klerebeesten ook maar overal schijten. Kan ik zien dat ik het weer schoon krijg, vuile smerige gore rottroep. Dat is al de derde keer deze week, gadverdamme!"

Toen hij me zag begon hij tegen mij.

"Moet je kijken, overal hondenstront! Ik sta ik net die buggy schoon te pulken, komt mevrouw hier doodleuk erbij staan. En ze laat haar hond ook nog een keer schijten, hier zo, pal voor onze deur. Ho, mevrouw, niet weglopen, ik heb het tegen u!"

Zo driftig had ik Wessel in lang niet gezien. De boxer blafte en Sheila huilde. Wessel liep de vrouw na. Een kale man stak de straat over en begon zich er ook mee te bemoeien. Het was een tamelijk oude man, maar met een potig postuur. Hij zag eruit alsof hij aan mijn sterke broer gewaagd was. Hij ging tussen Wessel en de vrouw in staan. "Kom maar op, mormel", riep Wessel tegen de hond, "Ik vreet je op!"

"Ik laat hem los, hoor!", dreigde de mevrouw.

De kale man zei:

"Rustig nou, allebei. Wat is er gebeurd, waarom ga jij zo tekeer tegen dat arme mens?"

"Dat arme mens mag even de kinderwagen komen schoonmaken, meneer. Maar dat doet ze niet hé? Doet u het dan? Zal ik mijn dochtertje dan maar even bij u voor de deur laten kakken, mevrouw?"

"Schaam je je niet, nozem", zei de man onverschrokken tegen Wessel, die hoog boven hem uittorende, "Ze kon je moeder zijn. Hebben jullie dan nergens respect voor?"

"Je laat mijn moeder er buiten, hoor je? Dat is een keurige vrouw. Die zou nooit een hond laten schijten voor de deur van de buren."

"Nou, ja! Alsof het er hier zo keurig aan toegaat bij jullie, stelletje schorriemorrie", riep de kale man nu, "Vandaag of morgen komt de politie en dan trekken ze jullie eruit. Ik hoop dat ze jullie flink in elkaar beuken."

"Ach lazer op, hufter", blafte Wessel. "En neem dat schijtebeest mee of ik scheur hem in tweeën!"

Wessel zag eruit alsof hij dat zou waar maken. Hij maakte een schijnbeweging. De kale man monsterde zijn kansen. Er waren inmiddels vier of vijf nieuwsgierige Iepers naar buiten gekomen. Hij liet het erbij zitten, al zei hij van niet:

"Ik laat het hier niet bij zitten, jullie krijgen nog wat van mij te horen, reken maar."

We hoorden niks meer van de man. Maar Sheila wilde nooit meer met Wessel mee.

****

Onderweg naar het zuiden bleef Wessel nog een tijdje bokkig, maar allengs werd hij milder. Ik had lol in het rijden. Het Fiatje snorde met genoegen. Alleen Pluis klaagde over ruimtegebrek op de achterbank. Aan tafel werd druk bijgepraat. Ons moeder vond het fijn dat iedereen er weer was. Dat was sinds de begrafenis niet meer gebeurd. We moesten vertellen hoe dat nou was, wonen in een kraakpand. Jo maakte flauwe grapjes over communes waarin iedereen het met iedereen deed. En er werd over de zaak gepraat. De drukkerij draaide best aardig. Maria had de zaak goed op orde, maar er waren ingrijpende beslissingen te nemen. Spekholzer adviseerde om een nieuw offsetapparaat te kopen. De vorige dateerde uit de jaren '60. Hij deed het nog prima, maar de ontwikkelingen stonden niet stil. Met name de Xerox-technologie nam een hoge vlucht. Met de nieuwste apparaten kon de klant tegen geringe kosten kopietjes maken van hoge kwaliteit. Daar moesten we tegen concurreren. De nieuwste Offset types waren sneller, goedkoper en boden meer mogelijkheden dan ons oude apparaat. Er was voor de volgende week een afspraak gemaakt bij een aantal dealers en bij de bank. Wessel beloofde mee te gaan. Pluis en ik zouden daar niet op wachten, Ida wilde maandag haar auto terug.

Pluis ging verkleed als punk en dat was eigenlijk hoe ze er normaal ook uitzag. Was het geen carnaval geweest, dan had ze vast opzien gebaard in het dorp. Nu vonden mijn kleine zusjes dat ze zich leuk had uitgedost en ze namen haar mee uit. Bij het derde rondje in de eerste kroeg was ik haar al uit het oog verloren. Het was leuk om mijn vroegere buurjongens terug te zien. Ze waren allemaal in korte tijd erg veranderd, maar dat vonden ze ook van mij. De meesten had ik gezien toen ons vader begraven werd. Maar bij zo'n gelegenheid praat je eigenlijk met niemand. Een paar bleken nu buiten het dorp te wonen, één was inmiddels getrouwd en twee waren in militaire dienst. De meesten deden een of andere opleiding buiten het dorp en woonden nog gewoon thuis. Een enkeling was gaan werken. We haalden herinneringen op en ik werd bijgepraat. Verkeringen en verlovingen gingen aan en uit. Het hield hen allemaal behoorlijk bezig. Naarmate de avond vorderde werd er minder gepraat en meer gezopen, maar de sfeer leed er niet onder.

Bij Zaal Nieuwstadt zag ik Pluis langs hossen.

"Bij ons staat op de keukendeur", zong ze mee, met schorre stem, "Het is niet altijd rozengeur."

Mijn zusjes waren in geen velden of wegen te bekennen. Ze had zich verbroederd met een stel meiden dat ik ook niet kende.

"Alles goed, Pluis? Weet je nog hoe je naar huis moet, straks?"

Ik schreeuwde boven de muziek uit.

"Voor jou heet ik Louise, zuiplap!", antwoordde ze.

Zelf was ze niet zo nuchter meer. Toen ik rond drie uur 's nachts thuiskwam was ze al binnen. Buiten was het snijdend koud, binnen brandde de kachel. Vroeger zat vader dan op ons te wachten. Hij bakte frieten of gehaktballen, een hartige hap ter ontnuchtering. Opeens besefte ik heel erg dat hij er niet meer was. Het was bijna fysiek, als een steek in je maag. Ik werd er stil van. Een loom, kil soort melancholie kroop in mijn benen en voeten. Het zal ook wel de drank zijn geweest. Ik stak maar weer eens een sigaret op. Wessel voelde mijn gemoedstoestand feilloos aan en vroeg wie er trek had in eieren met spek. Hij had me niet beter kunnen troosten. Maria kwam terug, Jo kwam terug met een stel vrienden en moeder kwam uit bed om haar kuikens te tellen. Wessel bakte voor iedereen. Dit was thuis. De Ziedende Iep was goed, maar dit was thuis.

Zaterdagmiddag was er de optocht, en daar moesten we heen. Jo zat bij de carnavalsvereniging en ze hadden een wagen opgebouwd op ons landje. Om twaalf uur kwam er een trekker om het ding op te halen, om één uur zou de stoet van start gaan.

"'t Is een juweel", vond ik en Jo glom van trots.

Het was zijn idee geweest. Ze hadden reageerbuis gemaakt van twee meter lang. Hij stond opgesteld als een kanon, waaruit geen kogels vlogen maar baby's. Na de geboorte (een zachte landing op een dik matras) stond Jo zelf klaar als pastoor, die hen doopte met confetti uit een doopvont. Het was best een aardige poging om nu eens in te haken op iets actueels. Twee meiden in strakke pakjes speelden voor baby. Ze sprongen uit de reageerbuis, lieten zich dopen en klommen weer onder in de buis. Voor de meiden was het hard werken en het was koud. Als ze een invalbaby hadden konden ze om de beurt even opwarmen in de cabine van de trekker. Jo vroeg Pluis en zij wilde wel. Dit leek op wat ze zich bij carnaval had voorgesteld. Ze deed het met verve. 's Avonds in de kroeg kreeg ìk de complimenten. Ze maakte indruk op de jongens in het dorp.

"Was dat jouw verkering, vanmiddag? Leuke baby, hoor" zei Axel.

Hij zat nu in militaire dienst.

"Het is niet mijn vriendin, hoor. Ze woont gewoon bij mij in huis."

Het speet me bijna dat ze nìet mijn vriendin was.

"Gaat ze met je broer dan?"

"Ook niet. Ze heeft geen verkering", antwoordde ik naar beste weten.

Pluis was niet iemand waarover je in dat soort termen dacht. Verkering, verloving en trouwen; ze viel buiten de gebruikelijke categorieën van ons dorp. Ik had haar gevraagd of ze meeging naar een dorp in de buurt, maar ze wilde in Gerhardsrade blijven. Ze vermaakte zich zelf wel, zei ze. Later die avond zag ik haar weer, hossend en flirtend. Ze had de eerste avond vijfentwintig gulden van me geleend, maar ik denk niet dat ze die heeft opgemaakt. Ze kreeg het ene rondje na het andere. Om een uur of twee vroeg ik haar of ze mee naar huis ging. Ze stond gearmd met twee van mijn oude klasgenoten.

"Ga jij maar, ik kom later wel. Ik hoor allemaal heel interessante dingen, over jou", giechelde ze.

Ik ging naar huis, waar het minder druk was dan de avond tevoren. Wessel had een pan erwtensoep opgewarmd. Hij ging niet uit, zijn hoofd stond er niet zo naar, zei hij. Hij was vroeger al niet zo'n kroegtijger. Meer een calvinist in Bourgondië.

"Heb je nog met moeder gepraat?", vroeg ik toen we alleen waren, "Hoe is het met 'r?"

"Tja, ze moet verder, zegt ze. 's Ochtends als ze wakker wordt, dan heeft ze het vooral moeilijk. Dan denkt ze dat hij naast haar ligt. Maar het bed is natuurlijk leeg. Ze zegt dat ze wel steun heeft aan haar geloof. Ik weet nooit zo goed wat ik me daarbij moet voorstellen. Ik ben trouwens bij Raaijmakers langs geweest, dat vond ik wel zo netjes. Hij heeft nog wel veel contact met moeder. Het raakt hem ook, snap je. Moet je je indenken, iedere donderdag kwam hij langs, hè, jaar in jaar uit. Die twee kenden elkaar van haver tot gort."

"Dat lijkt voor mij nou wel lang geleden, heb jij dat niet?"

"Dingen veranderen wel snel, ja, de laatste tijd. Weet je wat hij zei? Ik begin volgens hem op vader te lijken. Toen hij jonger was, dan."

"Je neemt ook zijn taken over", zei ik. "Je zit hier maar mooi met soep op ons te wachten."

Mar mocht dan wel vinden van niet, maar Wessel kon best over zichzelf praten.

"Ik denk vaak aan hem. Ik denk over zijn leven, aan wat hij deed toen hij zo oud was als ik. Misschien had hij wel naar Indië gewild, zoals Smeets. Hij is in feite zijn hele leven het dorp niet uit geweest, hij heeft niks van de wereld gezien. Is dit nou alles, denk ik dan. Is dit nou een mensenleven? En toch was hij daar content mee. Waarom ben ik dat dan niet? En wat doe ik over dertig jaar? Wat voor leven heb ik dan gehad? En weet je. Ik weet dat het nergens op slaat, maar ik denk soms dat ik het ook aan mijn hart heb. Dan lig ik wakker 's nachts. Ik hoor mijn hart bonken en dan denk ik dat ik vader achterna ga. Soms voel ik pijn in mijn linkerarm, pijn op de borst. Mar zei dat ik naar de dokter moest gaan. Dat heb ik gedaan. Bloeddruk is goed, cholesterol oké. Hij houdt het gewoon op spierpijn. Hij zegt dat het niets is. Dat weet ik zelf ook wel. Maar 's nachts, als ik wakker lig, dan helpt dat niks. Dan breekt het zweet me uit, joh."

De klok op de gang sloeg. Het was half vijf. Pluis was nog steeds niet terug.

"Ze blijft wel lang weg, hè? Zou ze de weg terug kunnen vinden?"

Ik dacht van wel. En als ze te ver heen was, dan wist iedereen waarschijnlijk wel dat ze bij ons logeerde. Pluis liep niet in zeven sloten tegelijk.

"Misschien moeten we toch maar even gaan zoeken. Je weet niet wat er gebeurd kan zijn", vond Wessel.

We liepen langs de paar kroegen die ons dorp rijk was. Zaal Nieuwstadt was dicht, er hing nog een groepje feestgangers voor de deur. Ik vroeg of ze Pluis hadden gezien.

"Dat punkgrietje? Wie heeft die nou niet gezien? Maar ik zou wel méér van haar willen zien, hoor!", vuilbekte er één.

De anderen lachten gnuivend mee. Iemand wist te vertellen dat ze met de jongens van Van Herckenrath was meegegaan. Dat klonk onheilspellend. Verder wist niemand iets te vertellen. We klommen in de Rugzak en gingen die kant op. Bij aankomst was er nog een café open. Er zaten nog wat jongens, die ik alleen van gezicht kende. Pluis was inderdaad daar geweest, maar dat was zeker anderhalf uur geleden. We liepen naar de slagerij. Onderweg kwamen er verwijten, waarom ik niet beter op haar gelet had.

"Waarom ik? Jij hebt haar meegevraagd. En je hebt je verder niet met haar bemoeid!"

"Ik ben niet gaan stappen, ze is met jou naar het café gegaan!"

"Ja, en ze zei dat ze zichzelf wel kon redden. Wat moet ik dan doen? Moet ik voor haar grote broer spelen. Dat doe ik in Amsterdam toch ook niet. Pluis kan prima haar eigen boontjes doppen!"

"In Amsterdam is ze thuis, hier niet!"

"Alsof je hier verdwalen kan!"

Dat gaf hij wel toe. Iemand als Pluis kon je niet aan het handje meenemen. Die gaat haar eigen gang, die hou je niet tegen. Maar ik maakte me evengoed ook wel ongerust. Helemaal nadat we bij de slagerij waren geweest. Er brandde licht achterom. We klopten aan de deur. Eén van de jongens kwam naar buiten. Welke weet ik niet, ik kon ze niet echt uit elkaar halen. Het was een opgefokt exemplaar.

"Nee, die is hier niet meer. En hou in het vervolg je hoertjes maar bij je, Castermans", schreeuwde hij tegen Wessel, "Ga jij maar naar Amsterdam terug. Ga maar op de wallen kijken, daar zit ze vast."

We moesten haar vinden. Wessel zou langs de beide uitvalswegen van het dorp rijden, terwijl ik lopend de straten afzocht. Uiteindelijk zat ze in een hokje bij een bushalte langs de rand van het dorp. Ze zat klappertandend op een bankje met een tas naast zich. Ik nam haar mee de auto in en gaf haar mijn jas. Wat was er gebeurd? Ze had buiten staan zoenen met één van de jongens van de slager, waar ze wel een oogje op had. Ik zal de vrouwen nooit begrijpen. Misschien was het de drank. Ze was meegegaan naar de slagerij. Ze hadden nog wat gedronken en van het een kwam het ander. Nadat ze haar plakkerige hand uit zijn broek haalde, stond opeens broertje nummer twee voor haar met zijn gulp open. Of ze dàt bij hem ook even wilde doen? En toen ze weigerde, drong haar vriendje zelf ook aan. Ze moest niet zo flauw doen, vond hij, want ze lustte er wel pap van. Zoals zij erbij liep! Was mevrouw soms te goed voor een paar jongens uit het zuiden? Pluis ging daar niet op in. Mooi niet, ze liet niet met zich kloten alsof ze de eerste de beste temeie was. Met een paar welgemikte trappen van haar Dr. Martens baande ze haar weg. Onderweg naar huis toonde ze me de buit. Ze had een tas van de kapstop gegraaid, met een gevulde portemonnee en een camera met dure lenzen.

"Kun jij die niet stiekem opbergen, dat Wessel ze niet ziet? Je weet hoe hij erover denkt als ik iets meeneem."

Wessel kreeg een aangepast verhaal te horen. Dat Pluis was opgestapt toen de jongen handtastelijk dreigde te worden en dat ik haar had gevonden terwijl ze wachtte op de eerste bus. Thuis nam ze een douche en ging naar bed. We sliepen uit tot een uur of twaalf. Aan tafel zat ze al te rillen van de koorts. Ze reageerde nergens op, ook niet toen ons moeder van de kerk terugkwam met het verhaal dat er die nacht was ingebroken bij Herckenrath.

"'t Is toch wat", zei ons mam, "Je kunt met carnaval niet eens meer je deuren loslaten. Het zijn me toch rare tijden. Waar gaat dat heen?"

Ik reed haar terug naar Amsterdam, gewikkeld in een slaapzak. Ik stopte haar in bed en ze zei dat ik die camera maar aan Ida geven moest. Die was er blij mee en stelde verder geen vragen.

****

Ons uitstapje kreeg ingrijpende gevolgen voor de sfeer in huis. Donderdags na onze terugkeer hadden we een huisvergadering. Wessel en Bernie zouden hun actieplannen toelichten. Het zwartboek 'Brandgevaarlijke Pensions' was aangeboden aan de wethouder Wolffensperger, die beloofde te zullen studeren op maatregelen. Dat was een welwillende, maar geheel vrijblijvende reactie. Waar het nu om ging was druk op de zaak te zetten. Er stond een groot schoolgebouw leeg in de buurt van de Amstelveense weg. Dat konden we kraken, maar dan moesten we voldoende pensionbewoners hebben die er ook daadwerkelijk wilden gaan wonen. Op het moment waren er drie mensen daartoe bereid, de anderen begrepen niet goed wat de plannen inhielden of ze durfden niet. Zover was Wessel gekomen met zijn inleiding, totdat Tiet hem in de rede viel:

"Ik heb eigenlijk niet zoveel zin om hiermee door te gaan. We zitten hier doodleuk solidair te doen met mensen die ik niet eens ken, terwijl één van ons dit weekend is aangerand. Laten we dat ongemerkt voorbij gaan? Ik voel me zelf niet veilig in een huis waar ik constant met kerels om me heen moet leven. Ik eis een verklaring van de mannen hier: wat doen jullie eigenlijk tegen verkrachting? Eerder ga ik niet verder met de vergadering."

Nog voordat iemand had kunnen reageren begon Willem met zijn getuigenis, alsof het was afgesproken.

"Ik kan me heel goed voorstellen wat Tiet bedoelt. En daar loop ik niet voor weg. Er wordt ons geleerd dat vrouwen er zijn om je te verzorgen en je lusten te bevredigen. Dat is toch een houding die overal in doorwerkt, al heb je er zelf geen erg in."

Zoiets zei hij en keek naar Wessel en mij. Ik begreep niet waar hij het over had.

"Als ik hoor wat Pluis dit weekend is overkomen, dan schaam ik mij. Ja, ik schaam mij dat zoiets kan gebeuren en dat de mannen hier in huis bij betrokken zijn."

Ik reageerde stomverbaasd:

"Hè? Waar hèb je het over?"

Willem ging gewoon door:

"Ook al heb ik daar part noch deel aan gehad, ik trek me dat wel persoonlijk aan. Ik ben al jaren intensief bezig met mijn man-zijn. Soms is dat een pijnlijk proces, maar ik heb er veel van geleerd. Nu blijkt dat het allemaal weinig te betekenen heeft. Ja, ik stel me kwetsbaar op. Ik heb fouten gemaakt. Ik ging er teveel van uit dat ik schone handen kon houden. Ik heb niets gedaan om andere mannen aan te spreken op hun denkbeelden. In die zin voel ik me wèl verantwoordelijk. En als je dan toch meemaakt dat je eigen huisgenote wordt aangerand, dat raakt me heel erg."

Hij was lekker op dreef, totdat Tiet hem aankeek alsof ze wilde zeggen dat het zo wel genoeg was. Meteen hield hij zijn mond, maar hij bleef ons beschuldigend aankijken. Bernie vroeg opheldering:

"Ik heb geen idee over wat je praat."

Tiet deed ongevraagd verslag, in telegramstijl:

"Zaterdagnacht. Pluis is met mee naar Limburg. Carnaval. Ze laten haar aan haar lot over. Ze wordt meegenomen door een stel mannen. Die eisen seks. Ze bijt van zich af. Ontsnapt aan een groepsverkrachting."

Frans vond het te gortig:

"Dus je roept ons hier allemaal op het matje, vanwege een stel dronken Limbos? Waar slaat dit op? Ik heb daar niks mee te maken en ik ben niet van plan hieraan mee te doen. De groeten."

Hij ging weg.

Wessel verdedigde zich wel:

"Ik hoor dit verhaal voor het eerst. Je kunt niet zeggen dat wij Pluis aan haar lot hebben overgelaten. We zijn zelf 's nachts op zoek gegaan omdat we ongerust werden. En van een verkrachting heb ik ook nooit gehoord. Wat Pluis me vertelde is dat ze met een jongen was meegegaan die ze wel leuk vond. Maar die jongen wilde seks en zij niet. Toen heeft ze hem laten zitten. Dat klopt toch Pluis?"

"Jawel, zei ze, "Maar ik vond het heel bedreigend hoor, die jongens."

Wessel voelde zich wel verantwoordelijk. Hij wilde weten wat hij over het hoofd had gezien.

"Ja, maar is er iets gebeurd? Ik bedoel, hebben ze je iets gedaan? Dat heb je niet verteld."

Tiet sprong in:

"Of ze is verkracht bedoel je? Of de daad heeft plaatsgevonden? Ben je echt in alle vunzige details geïnteresseerd? Pluis is bedreigd en geïntimideerd, dat is genoeg. Ze hebben haar zonder enige respect behandeld. Ze eisten dat ze seks met hen had. Als Pluis zich niet verweerd had, waren ze achter elkaar over haar heen gegaan. En jullie waren nergens te bekennen."

"Ja, ho effen", zei ik, "Pluis zei dat ze wel op zichzelf kon passen. Ze wilde graag haar eigen gang gaan. En ik ben er niet als een bewaker achteraan gegaan. Dat doe ik in Amsterdam ook niet. Had ik dat wel moeten doen?"

"Nee, dat niet", antwoordde Pluis."Maar ik was wel bang en jullie waren nergens."

"Je had toch wel af en toe kunnen kijken, of alles nog goed ging?", opperde Mar.

"Ja", gaf ik toe, "En dat heb ik ook gedaan. Misschien had ik dat veel vaker moeten doen. Maar dat is gemakkelijk te zeggen, achteraf."

Tiet wilde meer:

"Je maakt je er wel snel vanaf. Je zou eens wat kritischer naar jezelf moeten kijken. En naar die macho vrienden van je. Alleen al daarom ben jij medeplichtig. Seksist."

Giel natuurlijk. Daar had je op kunnen wachten. Ze keken me nieuwsgierig aan. Zou ik me van Giel distantiëren?

Ik antwoordde schoorvoetend.

"Ik weet niet waar jullie het over hebben. Misschien zijn mijn vrienden niet allemaal even subtiel met vrouwen, maar het zijn geen verkrachters. Als iemand iets doet wat niet kan, dan zeg ik daar echt wel wat van. Maar ik ben er verder niet verantwoordelijk voor. En ik laat me door niemand vertellen met wie ik wel of niet moet omgaan. Dat gaat jullie geen flikker aan."

Wat zeg ik nou, dacht ik nog. Te laat! Mijn woordkeuze veroordeelde me.

"Geen flikker aan!", echode Tiet triomfantelijk.

Het bewijs lag op tafel. Ik kreeg een rooie kop. Waarom eigenlijk? Ik was toch nergens schuldig aan. Hooguit dat ik het niet genoeg opnam voor mijn meest loyale vriend, dat was het enige wat me niet lekker zat. Ik ben geen held. Cor en Ida zaten er zwijgend bij. Bernie probeerde aan te haken bij het verhaal van Willem over opvoeding en rolpatronen. Hij vond dat een systeembenadering, die haaks stond op het ter verantwoording roepen van individuen of zoiets ingewikkelds. Hij kreeg iedereen over zich heen. Naarmate de discussie vorderde, stelden de vrouwen zich steeds meer op als een gesloten front. De gemoederen liepen hoog op. Aan het eind van de avond lag opeens de eis van een manvrije ruimte weer op tafel. Een meerderheid was voor. De tegenwerping van Bernie, dat er geen consensus was, werd door diezelfde meerderheid terzijde geschoven. En Pluis zelf? Moeilijk te zeggen. Ze koesterde zich in alle belangstelling, al denk ik dat ze het ook wel gênant vond. Ze werd neergezet als een slachtoffer en dat paste niet zo bij haar. Maar een manvrije ruimte, als een eerbetoon aan haar eigen persoon, daar had ze niets op tegen.

17 Voeding voor de ziel

Als de dokter binnenkomt wachten we al ruim een uur. En al die tijd zeggen we niet veel. Er hangt ongemak tussen ons in, zoals altijd. Karin heeft wel nieuws. Ze zegt dat de politie iemand heeft verhoord, een Algerijnse jongen. Of daar wat uitgekomen is weet ze niet.

"Ze vertellen je niet veel", zegt ze.

Dat beaam ik. De dokter is een man van middelbare leeftijd met een hip rood brilletje. Zo iemand waarvan je denkt: die heeft haast. Alles is doelgericht, alles ademt daadkracht: de besluitvaardige tred, de stevige hand, de geruststellende beroepsgrijns. Hij begint al te praten voordat hij zit. Het initiatief hoort hem toe, zo is hij dat gewend.

"Mevrouw en meneer Castermans. De vrouw en de broer. Het is goed dat u met zijn tweeën bent. Het zijn toch altijd emotionele momenten en dan ontgaat je soms iets. Twee onthouden meer dan één, nietwaar. Als u later nog vragen hebt kunt u altijd de verpleging aanspreken, dat weet u toch? Of u belt even om een afspraak te maken met mij. Het is belangrijk dat u alle informatie op een rijtje heeft. Dat helpt bij de verwerking. Dat je weet waar je op moet rekenen, ook bij slecht nieuws. Alles is beter dan onzekerheid. Ik denk wel eens, als ik dit vak niet had gekozen, dan was ik psycholoog geworden. Wel, bent u er klaar voor?"

We wachten op een verlossend woord. Hij laat ons nog even spartelen, puur voor zijn eigen lol. Dat kun je doen als je halverwege staat tussen God en de stervelingen. We zetten ons schrap.

"Ik ga u niet blij maken, maar er is ook geen reden om te wanhopen. Laten we zeggen dat alles nog open ligt. Ik hoef u niet te vertellen dat uw man, uw broer, -hij kijkt nog even apart mijn kant op- dat hij er ernstig aan toe is. Daar winden we geen doekjes om. We gaan u ook niet vertellen dat hij weer helemaal de oude wordt. Misschien wel, dat sluit ik niet uit. Maar het goede nieuws is: er is hersenactiviteit."

Hij zwijgt en kijkt over de rand van zijn bril naar Karin en daarna naar mij. Hij lacht. We hebben een groot geschenk gekregen.

"En wat betekent dat dan?", vraagt Karin.

"Wat dat betekent, mevrouw, dat kan ik u niet zeggen.

Dat kan betekenen dat het hierbij blijft. Misschien registreert hij het een en ander van de omgeving, misschien niet. Zolang het niet meer is dan dit, valt er niets van te zeggen. Hij uit zich niet, hè."

"Het is een binnenvetter", zeg ik.

Het ontglipt me. Ik heb meteen spijt van mijn grapje. Ik heb helemaal geen zin om mee te doen met zijn goedgemutste vertoon. Hij lacht me waarderend toe. Altijd blijven lachen.

"Het kan ook betekenen dat het doorzet, dat hij aan het herstellen is. Het is niet te voorspellen, maar er is hoop."

Hij zet zijn ellebogen op de tafel voor zich en vouwt zijn handen samen onder zijn kin.

"De prikkels uit de omgeving bereiken zijn hersens. Dat lees ik uit de scan. Misschien herkent hij die prikkels. Zo'n scan zegt niet alles. Er zijn wegen die de medische wetenschap niet bewandelt. De weg naar de ziel van de patiënt. En daar moet het herstel beginnen. Dat is mijn particuliere opvatting, hoor. Daar zijn mijn collega's het niet allemaal mee eens. Maar ik zie het zo: een mens is meer dan een systeem dat reageert op prikkels, meneer Castermans."

Waarom hij zich nu speciaal tot mij richt weet ik niet. Misschien denkt hij dat ik nog moet worden overtuigd.

"Een mens heeft een ziel. Het is één ding om het systeem aan de praat te krijgen, de ziel tot leven te wekken is iets anders. Ik denk dat we de patiënt -uw man, uw broer- moeten voeden. We moeten tot zijn ziel spreken. Probeert u emoties op te wekken. Houdt uw man van de Mattheus Passion, dan zou ik die afspelen. Maar misschien heeft hij er een grote hekel aan, dat is ook bruikbaar. Als het hem maar raakt. Hij moet geuren ruiken waar hij herinneringen aan heeft. Of kunt u iets voorlezen uit een lievelingsboek. Misschien vakantieverhalen ophalen. Ik garandeer niet dat het werkt, ik beloof u niets. Maar alle beetjes helpen, moet u maar denken. Eén verzoek: maakt u er geen discotheek van, dan krijgen we problemen met de verpleging."

Het klinkt alsof hij ons wil matsen. En ik kan het niet helpen, ik voel opeens sympathie voor de man. Ik zou met plezier een borrel met hem gaan drinken. Ik weet niet hoe hij dat flikt: het is een truc, een goocheltruc. We lopen naar de rokersruimte. Karin kijkt me aan met natte ogen. Ik steek mijn armen naar haar uit. Ze kruipt tegen me aan, nestelt zich in mijn armen. Ik voel het kleine zachte lichaam. Ze ademt zwaar, ze schokschoudert. Ik streel haar haren. Dan maakt ze zich los en snuit haar neus.

"Het is net als in de garage", zeg ik, "Je bent afhankelijk van de monteur. Hij zegt wat er aan de hand is en je hebt het maar te accepteren."

Op zo'n moment kan ik alleen maar stomme opmerkingen maken.

"Judith komt zo thuis van school", zegt ze dan."Ik los je wel weer af, vanavond."

****

Ik rook nog een sigaret en ik ga terug naar de kamer. Nu ben ik een man met een opdracht. Mijn aanwezigheid maakt deel uit van de behandeling. Daar ligt hij, met zijn hersenactiviteit. Ik zie geen verschil. Dan begin ik te praten, hardop te denken.

"We moeten je raken Wessel. Waar raak ik je mee? Het moet toch niet moeilijk zijn bij een driftkop zoals jij. Weet je nog van die kast die je ging bouwen voor de hut? Wat was je kwaad. Je hebt het hele ding aan stukken geslagen. Weet je dat nog, Wessel? En hoe we hebben gevochten met die jongens van Herckenrath? Die vuile etter, die Raf. Ik vraag me af waar die gebleven is?"

Mijn woorden blijven zonder effect.

"Weet je nog dat de dagen kleuren hadden? Ik vraag me af wat voor kleur vandaag heeft. Het is donderdag vandaag. Was dat niet een bruine dag? Ik heb dat nooit gesnapt, Wessel. Jij en Maria, jullie hadden altijd van die onbegrijpelijke dingen samen. Of denk ik dat maar. Hoor je wat ik zeg, Wessel?"

Hij reageert niet.

"Hoor je wat ik zeg? Zeg dan wat, stomme eikel."

Het idee dat ik iets kan doen geeft hoop. Maar die verdwijnt net zo snel als hij gekomen is. De machteloosheid die achterblijft is erger dan ervoor. Ik blokkeer, ik heb geen idee hoe ik iemand raak die niets terug zegt.

Het is stil, een lange tijd. Ik kijk uit het raam. Beneden raast het verkeer voort. Een man en een vrouw proberen hun vechtende honden uit elkaar te trekken.

"En die honden, Wessel?"

Ik doe een nieuwe poging.

"Dat ze dat meisje hadden gebeten? God, wat had jij toch altijd de schurft aan die beesten, niet normaal! Andere mensen hebben iets tegen homo's of buitenlanders. Dat heb jij nooit gehad. Jij reageert je niet op iemand af. Maar honden maken het monster in jou los. Waarom is dat nou toch, leg me dat nou eens uit."

Ik draai me van het raam naar hem toe.

"Woef!", zeg ik dan.

Wessels mond glimlacht. Dat doet hij al dagen.

"Eigenlijk zie je er goed uit, vandaag", zeg ik om maar iets te zeggen.

Het is waar. Het gedeelte van zijn hoofd dat het verband bedekt is kleiner. De roodbruine korsten, die daaronder zichtbaar worden wekken geen afschuw meer. Je hebt niet meer het gevoel dat hij uit elkaar zal vallen. Het beeld van de in elkaar getrapte schedel dringt zich minder aan mij op.

"Ze hebben je wel te pakken gehad, hé? Je staat ook altijd vooraan als er klappen vallen. Wat is er gebeurd, Wessel? Moest je weer de held uit hangen? Wie denk je daarmee een lol te doen, eigenlijk? Weet je niet wat moeder zei: eerst nadenken, eerst tot tien tellen. Maar dat is niet jouw stijl. Jij stormt er eerst op af, en daarna ga je pas zitten denken. Dat is niet slim, jongen. En altijd weer de politie op de stoep. Je had agent moeten worden, man."

Wessel zucht maar weer eens. Misschien irriteert mijn zedenpreek hem. Irritatie, dat is ook een prikkel. Ik erger mezelf en hou maar weer mijn mond. Morgen. Morgenmiddag komt Mar. Die kletst wel.

18 Oude bekenden

Het kon niet op met de winter dat jaar. Op een maandagmorgen in maart keek ik uit het raam en zag een sneeuwvlok omlaag dwarrelen. Hij zakte zachtjes door de lucht, veerde weer op en leek even stil te hangen. Dan werd hij ingehaald door een andere. Daarachter nog een. Of ervoor? De achtergrond komt naar voren, de voorgrond valt weg. Het is als staren in een vuur: je vergeet waar je bent en de tijd staat stil. En opeens lag een dik pak sneeuw op het platje. Onze aangevreten saneringsbuurt veranderde in een nostalgisch stadsgezicht, een overzichtelijke, geborgen wereld. Sneeuw is magisch. 's Nachts, als de maan een beetje wil schijnen en de grond onder je voeten oplicht in een okerkleurige gloed. Overdag, als alles wit bedekt is en het verkeer voortkruipt met behoedzame traagheid. Flatgebouwen verliezen hun hoekigheid. Het geluid wordt gedempt, het beeld verliest zijn scherpte. Mensen verliezen hun scherpte. Je schuifelt voorzichtig over straat en wildvreemde lotgenoten knikken je bemoedigend toe. De sneeuw verbroedert.

De anders zo schuchtere Cor bleek een ster met sneeuwballen. Hij raakte Tiet vol in d'r gezicht. Binnen de kortste keren vlogen de ballen alle kanten op. Aan de overkant schuifelde een oudere man met een hoedje en een krant onder zijn arm. Iemand raakte hem hard in zijn nek. Hij wankelde maar hield zich staande. Geschrokken liep Bernie op hem af.

"I'm sorry. Heeft u pijn?", vroeg Bernie.

Het viel mee. De man met de hoed lachte vergoelijkend en pulkte de sneeuwresten uit zijn kraag. Van dichtbij herkende ik hem. Het was de kleinste van de twee buurtbewoners die hadden aangebeld, toen we net in de Iep zaten. Wessel herkende hem ook en reikte hem de hand. Hij stelde zich voor als Boogaerts.

"U heeft nog altijd een uitnodiging van me te goed. We hebben koffie op het pitje staan." zei Wessel.

Hij ging mee naar binnen en nam plaats op een stoffige stoel. Meneer Boogaerts legde zijn hoed en krant op tafel. Puin en stof deerden hem niet.

"We zijn wel wat gewend hier in de buurt, hoor. Ik moet eerlijk zeggen: tot nu toe vallen jullie me mee. Is dit nou barricaderen, voor als de politie komt? Of wat moet dit worden?"

Wessel legde uit dat het de bedoeling was om een aparte ruimte te maken voor de meisjes, zodat ze een beetje privacy hadden. We stegen in aanzien.

"Ik dacht dat het zo'n beetje een losgeslagen boel was hier. Ja, sorry hoor, maar jullie doen van die gekke dingen tegenwoordig. Ik dacht dat iedereen hier zo'n beetje..... nou ja, je weet wel. Maar, ik ben ook jong geweest hoor. Al gebeuren er nou wel erg rare dingen. Kijk, dat kraken, hè. Ik ben er niet zo vóór dat iedereen het recht in eigen hand neemt. Netjes op je beurt wachten, zeg ik dan. Maar aan de andere kant, als je ziet hoe lang ze de boel leeg laten staan, dan ga je ook denken. De buurt hier is door de jaren heen zo veranderd, hè. Dan krijg je verloop, dat is niet goed. En de mindere man, die wordt niks gevraagd. Het is hier altijd een arbeidersbuurt geweest moet je weten. Een Jodenbuurt, ook. Ja, allemaal achenebbisj joden, hoor. En allemaal afgevoerd, er is er geen één teruggekomen."

Hij slaakte een demonstratieve zucht.

"Dan kwam je uit school en dan hadden ze weer een woning leeggehaald. Niemand stak een vinger uit, ze knepen 'm allemaal. Uiteindelijk kies je toch voor je eigen hachie. Maar na de oorlog stemden ze opeens allemaal voor de communisten. Je had het gevoel van: nou wordt alles anders. En dat klopte wel, alles werd anders. We hebben hier jaren een woestenij gehad, hierachter. Als je eens wist hoe lang het hier braak gelegen heeft. Nou ligt er de Wibautstraat, vroeger had je daar het Weesperspoor. Het station hebben ze voor de oorlog al gesloopt, maar de rails hebben er nog lang gelegen. Hierachter, waar nou het Parool staat, hè, daar was het rangeerterrein. Daar ging je op zoek naar kolen. Dan heb ik het weer over de oorlog, hè. Soms groef je een meter diep voor een hand vol kooltjes."

"Uw koffie wordt koud."

Hij pakte het kopje op, maar dronk niet.

"Dat heb je met ouwe mensen", zei hij. "Let maar eens op. Luisteren doen ze niet, praten deste meer."

Hij morste koffie op zijn Telegraaf.

"Potdikkeme. Dat heb ik weer. Ik laat alles uit mijn handen vallen tegenwoordig."

Tiet pakte een poetsdoek en maakte de krant droog.

"Dank je schat", zei Boogaerts, "Het maakt niet uit hoor, 't is toch een rotkrant. Het zijn die handen van mijn, moet je kijken."

Hij liet ze zien. Gekromde vingers met dikke knokkels.

"Die verdomde reuma. Je moet weten, ik heb hier altijd een melkzaak gehad. Veel in een vochtige omgeving, in de kou. Dat is niet goed voor je gewrichten. Ik heb het altijd met liefde gedaan, hoor, daar niet van. Je had een functie voor de buurt. Als ik van mijn wijk terugkwam, moest ik altijd eerst nog uitruimen en spoelen. Tien tegen één dat er weer eentje bij je kwam staan kletsen. Dan zat je al gauw een half uur later aan tafel. Nou kan je zeggen, je staat je tijd te verdoen, maar je betekende toch iets voor zo'n iemand. Nog hoor, de oudere buurtbewoners, ze kennen me allemaal. Ik had een winkel en dat is een trefpunt. Je bent er altijd. Dus als ze naar de stad moesten, dan vroegen ze of jij de kinderen even kon opvangen uit school. En we hebben er heel wat leren telefoneren. In het begin gaven ze die kiesschijf maar een slinger, en dan dachten ze dat het verder vanzelf ging. Of het telefoonboek, dat moest ik ze ook uitleggen. Je had er, die begonnen met zoeken op bladzijde één. Later had je de buitenlanders, daar moest je dan voor naar de dokter bellen. Ik zeg altijd: je hèbt een winkel, je bènt een sociaal werker. Dat hoort er gewoon bij. En je had hier zoveel winkels vroeger. Dat was wel voor de supermarkten. Maar laat ik daar maar niet over beginnen. Jullie hebt te doen, is het niet? Ik stap maar eens op. Bedankt voor 't bakkie."

Hij raapte zijn krant bij elkaar en stond op.

"Geen dank, kom gerust nog een keer", zei Wessel, "En zeg tegen die andere meneer dat hij ook nog steeds welkom is."

"Ach, ja. Lelieveldt, de stumperd."

Boogaerts ging weer zitten.

"Ik weet niet of hij daar wel zin in heb. Hij heb in het ziekenhuis gelegen, ze weten nog niet wat het is. Ik ben bang dat het kanker is. Dat is zo'n vuile rotziekte. 't Is toch al zo'n stumper, met die vrouw van hem."

"Wat is er met zijn vrouw?"

"Die is invalide. Ze kan een paar passen lopen, maar als ze naar buiten moet gaat ze in een rolstoel. En die loopt hij dan te duwen. Zie je het voor je? Stumpers zijn het. Maar goed, nou ga ik echt, want anders kan ik beter de middagkrant gaan kopen. Dag jongens. Hoe was jullie naam toch ook al weer?"

Iedereen zei nog maar eens hoe hij of zij heette.

Toen hij weg was gingen we weer eendrachtig aan de slag. Hoe venijnig de strijd om de manvrije ruimte ook was geweest, uiteindelijk hielp iedereen loyaal mee aan de bouw. Dat was wel het geheim van de Iep. Ondanks alles was iedereen eigenlijk heel trouw aan de groep.

***

De sneeuw bleef liggen, tot de manvrije ruimte gereed was, de MR zoals hij al snel genoemd werd. Daarna was de strijd der seksen voorgoed gestreden. Toen de dagen warmer werden zou Tiet nog manvrije middagen eisen op het platje. Ze wilde ook nog dat Frans en ik de gordijnen dichthouden, zodat wij niet zouden zien hoe ze voor het oog van heel de buurt in haar blote kont lag te zonnen met haar vriendinnen. Niemand trapte er nog in.

De MR was niet groot en bestond vooral uit een huiskamer en een badkamer. Al met al was het redelijk ingenieus ingepast allemaal. De slaapkamer van Sheila bleef waar die was, we verplaatsten alleen de deur. Voor Ida was een nieuwe kamer gemaakt aan de andere kant. Uiteindelijk ging ze er nauwelijks op achteruit. Ze raakte het piepkleine keukentje kwijt, maar dat gebruikte ze toch nauwelijks.

In de praktijk werd de MR vooral door Tiet gebruikt om haar vriendinnen te ontvangen. Daar draaiden ze plaatjes van lesbische bands. Ze zongen enthousiast mee met Lavender Jane: 'There's no penis between us friends '. Van mij mochten ze. Mijn enige probleem was dat ik er niet naar binnen kon. Tiet had altijd al de gewoonte om alles mee te slepen naar haar ekstersnest. Had ik de theeketel of de kaasschaaf nodig, dan vond ik hem altijd tussen de onbeschrijflijke kleretroep op haar kamer. Miste ik de kaas, dan had zoeken geen zin meer. Je zag het er niet aan af, maar een pond kaas werkte ze achter elkaar naar binnen. En boodschappen deed ze niet. Nu belandden mijn spullen op de MR, terwijl ik ze niet meer kon terughalen zonder hulp van een vrouw. Ik dacht het probleem op een elegante manier op te lossen en kocht een nieuwe theeketel en een kaasschaaf, die ik bij het avondeten overhandigde aan Tiet.

"Alsjeblieft. Mijn bijdrage aan de MR. En mag ik jullie verzoeken om in het vervolg geen spullen uit de keuken mee te nemen? Ik kan ze nu eenmaal niet terughalen."

Tiet was not amused:

"Ik moet anders vaak genoeg ook mijn spullen terughalen uit de keuken, hoor, Mathieu."

"Wat dan?"

"Die juspan die jij altijd van mijn kamer jat."

"Die is niet van jou. Wie bewaart er nou pannen op zijn kamer?"

"Ik. Ik bewaar op mijn kamer wat ik wil. Ik hou toevallig van pannen. Van pannen en van potten."

En dan gierde ze het uit met haar onvermijdelijke vriendinnen. Onnodig te zeggen dat ik de volgende keer weer op zoek kon naar een theeketel.

'Ik ben ook net gek ook', dacht ik toen. Daarop liep ik zonder te kloppen de MR binnen. Daar stonden ze gezusterlijk naast elkaar, de twee theeketels.

"Hoi Tjeu!", zei Pluis geamuseerd.

"Eruit! Theeketelneuroot!", krijste Tiet razend.

"Pas als ik ook de kaasschaaf terugkrijg", zei ik.

Ze ontplofte. Dat kon me niks schelen, ik pakte wat ik gevraagd had.

"En in het vervolg kom ik ze iedere keer zelf halen als je ze niet terugbrengt, dat beloof ik."

Nu was het oorlog. We spraken geen woord meer, niet bij het koken, niet bij het eten. Een paar dagen later hing er een hangslot op de deur van de MR en ik was weer de theeketel kwijt. Ze deed het er verdomme om! Het slot liet ik ongemoeid, ik tikte het scharnier eruit en pakte de ketel terug. De deur liet ik zo open staan, voor het geval dat het haar ontgaan was dat ik woord hield.

's Avonds kwam Wessel bij me zitten op het platje.

"Jullie gaan te ver, Mathieu", zei hij. "Allebei. Morgenochtend om 11 uur verwacht ik jou en Tiet in de keuken. Ze wil het uitpraten. Ik zorg voor appeltaart."

Tiet kwam met een slap verhaal. Dat het allemaal wat uit de hand was gelopen en dat ze in het vervolg wat zorgvuldiger zou omspringen met de keukenspullen. Maar het lag ook aan mij, dat moest ik toch toegeven. Ze had allang in de gaten wat mij eigenlijk dwars zat. Ik moest nu eindelijk eens accepteren dat de MR een feit was. Ik antwoordde dat het mij koud liet of er een MR was of niet, zolang ik er maar niet in hoefde als ik thee wilde zetten. Tot slot liet Wessel ons beloven dat we een beetje normaal tegen elkaar zouden doen.

"Je hoeft geen dikke vrienden te worden, maar je moet wel zonder problemen onder één dak kunnen wonen."

Het was een verdienstelijke bemiddelingspoging. Ik besloot dan ook mijn best te doen. Als ik haar tegenkwam in de keuken probeerde ik een gesprekje aan de knopen, en -eerlijk is eerlijk- ze liet kaasschaaf en theeketel met rust. Toen ze jarig was kocht ik twee ons garnalen voor haar. Daar was ze gek op. Ze waren nog duur ook, die dingen. 's Middags gingen we met zijn allen op de thee. Vol trots liet ze het cadeau zien van haar nieuwste liefde: een grote naaktfoto van zichzelf op een motorfiets. Dezelfde foto die ze in het vervolg provocerend op haar kamerdeur zou hangen. Ze bedankte me hartelijk voor de garnalen, heel attent. Die avond gaf ze een feest voor haar vriendinnen in de MR. Manvrij, maar niet rookvrij. De volgende ochtend stond in de keuken, temidden van de gigantische afwas, een bakje met peuken. Toen ik beter keek zag ik dat er zeker nog anderhalf ons garnalen in lag. Mijn vredesoffer was gebruikt als asbak. Die middag zette ik de theeketel op mijn eigen kamertje. Met Tiet wilde ik niets meer te maken hebben.

***

"Is er iemand? Hallo?"

Beneden hoorde ik een stem roepen. Het was verder doodstil in huis. Iedereen was weg of met zijn eigen dingen bezig. Bij Bernie klonk vaag muziek, verder leek het uitgestorven.

"Hallo? Wessel? Iemand anders?"

Ik kende de stem, die betekende gevaar. Op mijn hoede liep ik de trap af. Beneden stond Robbie. Zo gauw hij me zag liep hij op me toe en begon te praten alsof we elkaar dagelijks zagen. Als twee buren die samen aan het klussen zijn.

"Luister Mathieu. Ik moet Wessel hebben. Vertel hem dat ik omhoog zit. Hij moet iets voor me ritselen, zodat ik een paar dagen uit het zicht ben. En ik heb geld nodig. Wil je dat even doorgeven? Zeg maar dat ik hem nog bel. Hebben jullie hier telefoon? Mooi. Nummer?"

Ik gaf gehoorzaam het nummer. Iets in mij zei me dat hij zou gaan slaan als ik dat niet deed.

"Fijn. Goeie gozer! Ik bel vanavond."

Ik kreeg een kameraadschappelijke klap op mijn schouder en zijn mond lachte. Zijn ogen niet. Robbie was weg voor ik verder iets had kunnen vragen. Wessel kwam thuis en ik bracht de boodschap over. Hij trok wit weg.

"Dit is geen goed nieuws. Dit is helemaal niet goed. Wie weet waar hij zich nou weer in gedraaid heeft. Kan ik hem niet bellen?"

Dat kon niet. De rest van de dag liep Wessel onrustig door het huis. Ida had macaroni klaar gemaakt, maar hij at er nauwelijks van.

"Moet je horen", zei hij met enige aarzeling tegen de etende Iepers, "Ik heb een probleem. Een vriend van mij zit in de knel, een goeie vriend. Hij staat op straat en hij moet zolang ergens kunnen pitten.

"Hoe lang?", wilde Tiet weten, "Nou, tot hij iets anders heeft. Hij is hard op zoek. Maar hij moet nu onderdak hebben."

Wessel kon nog altijd bij iedereen op krediet rekenen, er werd driftig meegedacht. Willem ging het weekend weg, dan kon Robbie daar wel terecht. En Ida bedacht dat ze haar dochtertje wel bij zich kon houden, dan was het kinderkamertje ook beschikbaar. Zelf bood ik niets aan. De rest van de avond zat Wessel bij de telefoon.

"Heb je nog contact met hem gehad?", vroeg ik, "Hoe weet hij dat jij hier zit?"

"Robbie weet dat soort dingen", was het antwoord.

"En moet je niet eerst weten wat hij heeft uitgevreten? Vertrouw je hem zomaar?"

Ik vertrouwde hem in elk geval niet.

"Ze zitten achter hem aan. De details horen we nog wel eens keer."

"Wie zijn ze?"

Zo snel was ik niet overtuigd.

"Weet ik veel. Misschien de mannen van Gianni. Het doet er ook niet zoveel toe. Een vriend laat je niet vallen."

"Die vriend heeft mij een bloedneus geslagen", sputterde ik tegen.

"Iemand die in de knel zit laat je niet vallen, vriend of niet. Geen discussie."

Maar ik vond het wel een discussie waard.

"Wessel, begin je nou weer? Is dit weer een principe van je? Ik voel me niet op mijn gemak als die jongen hier in huis zit. Maar jij begrijpt dat soort dingen niet. Dit is net zo iets als die keer dat je Mar liet vallen, omdat Ida geholpen moest worden. Ik snap dat jij de hele mensheid wilt redden, maar de mensen die vlak naast je staan, daar kijk je overheen."

Dat was niet zijn bedoeling.

"Maar Jezus,", zei hij, "Wat moeten we dan? We kunnen die jongen echt niet op straat laten staan. Ik weet niet waar die Gianni toe in staat is. En ik kom er liever niet achter, eerlijk gezegd. Weet jij een andere oplossing?"

Die wist ik niet. Er zou iemand weggaan bij het Heftige Huis, maar op welke termijn, dat viel nog niet te zeggen.

"Laten we in elk geval even afwachten wat Robbie er zelf over zegt", vond Wessel.

Robbie belde niet. Tegen elven die avond kwam hij aanlopen. Misschien dacht hij dat we hem moeilijker konden weigeren als hij in levende lijve voor ons stond. Hij leek er rotsvast van overtuigd dan Wessel iets voor hem geregeld had. Tegenover de andere Iepers deed hij zich voor als een oude vriend van de familie. Hij was een en al voorkomendheid en haalde uitbundig herinneringen op aan de dagen van weleer, de nachtelijke escapades in de tijd in het pakhuis. Ik vroeg langs mijn neus weg waarom hij was weggegaan en waarom we niets meer van hem hadden gehoord. Hij maakte zich er vanaf met de opmerking dat de business even tegen zat en begon over relatieproblemen.

"Als je geld tekort hebt, dan komen de verwijten, over en weer. Dat is niet allemaal terecht, dat weet zij ook wel. Je zegt dingen die je eigenlijk niet zo bedoelt. Maar de sfeer is wel verziekt. Daarom kunnen we beter een tijdje alleen wonen. Just to sort things out."

Terwijl hij mijn huisgenoten paaide, schoot zijn schichtige blik van Wessel naar mij. Ik geloofde geen barst van zijn verhaal en dat wist Robbie. Hij keek me strak en dreigend aan. Ik had niet de minste behoefte om vervelende vragen te stellen. Van de hem aangeboden slaapruimte wilde hij niets weten. Hij sliep wel op de bank, of achter in de werkplaats. Hij wilde niemand tot last zijn en had niets nodig. Ik observeerde onze gast. Was hij veranderd, was er iets in zijn voorkomen dat verraadde wat er in hem omging? Het was dezelfde Robbie, met zijn vierkante kop en zijn boksersneus. Hij was niet mager geworden, niet dikker en er was geen spoor van lichamelijk verval. Alleen het overdreven vertoon van zelfvertrouwen, dat leek me nog sterker aangezet dan gewoonlijk. Waaraan ik dat merkte weet ik niet, misschien rook ik het. Ik merkte het als de anderen er waren, het was er niet als hij alleen was met Wessel en mij. Zijn spullen had hij opgeslagen in de loods waar hij de afgelopen tijd ook had gebivakkeerd. Maar zijn schuldeisers hadden hem ontdekt. Wie dat waren en wat hij ze schuldig was, dat konden wij maar beter niet weten. Hij moest wel snel aan geld zien te komen, anders kreeg hij pas echt problemen. En zo dook Robbie onder in de Iep, in de werkplaats achterom.

Hij mocht dan schulden hebben, hij toonde zich een gulle huisgenoot en trakteerde de vrienden op het platje graag op sterke verhalen en sterke drank. Daarmee maakte hij zich populair. En geleidelijkaan herwon hij ook mijn vertrouwen, stap voor stap. Gek genoeg trok hij niet veel op met Wessel. Overdag was Robbie vaak weg, en 's avonds was hij in ons midden op het platje. Hun wegen kruisten zich zelden. Mar was er niet blij mee. Ze had altijd al haar bedenkingen tegen Robbie.

"Ik begrijp jou niet", zei ze tegen Wessel, "Zie je niet dat die gozer misbruik van je maakt? Je hebt geen flauw idee wie erachter hem aan zit en wat ze van hem moeten. Maar je gaat wel links en rechts geld voor hem lenen. Na Italië zou je beter moeten weten. Dat zijn geen lekkere jongens, waar hij mee omgaat."

"Juist daarom", zei Wessel, "Geloof mij maar, als Robbie zichzelf kon redden dan deed hij had. Als die jongen iets aan een ander vraagt, dan zit hij goed in de nesten."

"Ja, en? Waarom moet jij dan ook in de nesten raken? Luister, Wessel. Jij denkt dat je een fontein bent die overloopt van goedheid en iedereen mag zich daaraan laven. Maar al te goed is ieders gek. Ze maken misbruik van je."

"Dat risico nemen we dan maar", zei Wessel laconiek.

"Als je maar niet bij mij aanklopt als hij er met jouw centen vandoor is", zei ze.

***

"Moet je horen, ik kwam Boogaerts weer tegen", zei Wessel, "Die melkboer, weet je nog? Je moet even meekomen. Het gaat over die lange, die toen ook voor de deur stond, Lelieveldt.

Ik ging mee. Boogaerts ontving ons met open armen en een onstuitbare woordenstroom.

"Goed dat jullie er zijn, jongens. Ga zitten, dan doen we eerst effen een bakkie. Ja, die wc bij Lelieveldt. Ik zou het zelf doen, als ik het nog kon, maar die handen van mij, die willen niet meer hè. Hij zit er maar mee. Zijn vrouw kan niet goed naar het toilet. Ze kan niet goed lopen, moet je weten. Nou heeft hij aangevraagd dat ze zo'n hoge pot neer zetten. En dat is afgewezen. Maar zij heeft het wel nodig, hij moet haar altijd overeind helpen als ze klaar is. Nou heb ik eens met hem zitten praten. Hij heeft nog wel een paar centen en als het moet heb ik die ook wel. Dus het geld is geen probleem, die pot komt er. Het punt is, hij moet geplaatst worden. En er moeten van die grepen komen. 't Is misschien een beetje een vies karweitje, maar jullie zijn wel wat gewend. Suiker, Melk?"

Ik was de enige de melk wou. Hij liep naar achteren, en kwam terug met drie kopjes koffie. Porseleinen koffiekopjes met een gouden randje. Er dreven vieze witte klontjes in mijn kopje. Ik zei maar niks.

"Als jullie er wat voor voelt, dan wil ik je eerst even aan ze voorstellen. Het is echt wel een goeie vent hoor, maar ze zijn zo wantrouwend. Als ze nou zien dat jullie gewone goeie jongens zijn dan kunnen we ze helpen. En dat wil ik graag. Kijk, ik ben dan geen melkman meer, maar ik wil nog wel voor mijn wijk zorgen. Zoveel zijn er niet meer van vroeger. Dus moeten we een beetje zuinig zijn op elkaar, hè? Niet dat het hier zo'n Jordaanbuurtje was hoor. Van die volksbuurten, waar iedereen alles voor elkaar over heeft. Geloof dat maar niet. Er was toen net zo goed haat en nijd tussen de mensen. Als melkman weet je wat ze in de beurs hebben. Ze hadden zelf niks te vreten, maar wel netjes over straat, de schijn ophouden, hè. En hier om de hoek waren de huren wat lager, dat was dan volk waarop werd neergekeken. Ach jongen, waarom zeg je dat niet? Je melk is bedorven. Die koffie kun je niet meer drinken. Wacht maar even."

Hij ging naar de keuken met mijn kopje en slofte terug met een zwarte koffie.

"De melk is op. Ik kan ook thee zetten. Heb je dat liever?"

Ik kon het over mijn hart niet verkrijgen om thee te vragen. Ik dronk de koffie zwart en het viel eigenlijk best mee.

"Ze gaan nou allemaal weg, naar Purmerend en dat Almere. Ze willen hier weg, want de buurt gaat zo achteruit. Maar dat ze zelf gajes waren, dat vergeten ze. Waar nou het Parool staat, dat was vroeger een zandvlakte. Daar sleepten ze hele auto's heen, die staken ze in brand. Ik kan je hun namen noemen. Ze schoten met een luchtbuks op de kat van de buren. Diezelfde jongens zijn nou weg, want het is geen goeie buurt voor hun kinderen. Weet je wat het is, de mensen die zelf de crisistijd hebben meegemaakt, die houden niet van arme mensen. Zo gaat dat. Zullen we dan maar?"

Hij stond op. Lelieveldt bleek schuin achter de Iep te wonen. Zijn woning was goed zichtbaar vanaf het platje. Het was dat verzakte achterbalkon, rechts in de rij van de houten balustrades. Een zwarte tand in een rot gebit. We belden aan. Boven hoorden we sleutels en grendels die werden opengeschoven. Het duurde even voordat aan een touw getrokken werd.

"Moet je kijken, die trap. Als je niet uitkijkt lig je zo weer beneden. Kun je je voorstellen dat zij de deur niet meer uitdurft. Waarom krijgen die mensen geen woninkje op begane grond, hè", zei Boogaerts om daarna naar boven te roepen: "We ruiken koffie, Han. Klopt dat?"

Lelieveldt ging ons voor, zijn rijzige gestalte maakte de kamer nog kleiner.

"Nou, dat is ook een mop, Hannes", deed Boogaerts joviaal, "Ik schenk de heren net een kop koffie in, en ik heb geen melk in huis. Wat zeg je daarvan, een melkman zonder melk! Dag Willy, hoe staat het leven?"

Voor het raam zat een oude vrouw, die onmiddellijk haar spetterende medeklinkers in onze richting spoog. Ze hield daarbij haar hand in de buurt, voor het geval haar kunstgebit meekwam.

"Ga maar even zitten. Ja, ik ken jullie wel, van hier tegenover. Nou, ik vond het vreselijk dat jullie dat gekraakt hebben. En al die harde muziek, daar zit ik ook niet op te wachten. Ik weet het wel, niemand houdt tegenwoordig meer rekening met een ander. Straatje schrobben, ramen lappen, de mensen geven er niet meer om. Jullie hebben zelfs geen gordijnen meer. Hiernaast woont een Surinaamse, die laat haar was soms wekenlang hangen. Er hangt nu een onderbroekje, dat hangt er al vanaf de kerst aan de lijn."

"Luister eens, Willy", onderbrak Boogaerts haar gedreun: "Dit zijn Wessel en Mathieu. Ze komen eens kijken of ze wat aan je wc kunnen doen."

Ze ging door, hetzelfde liedje, andere tekst:

"Ja, we hebben een hoge pot aangevraagd, maar dat krijgen we niet, omdat ze hier straks toch gaan slopen. Waar ze ons dan weer heen sturen, moet je ook maar afwachten. En nou zit ik daarmee. En mijn hele lijf doet pijn. Ik kan niks meer tegenwoordig. Van de week ook, gingen die jochies belletje trekken. Als je eens wist hoe lang ik er over doe om naar de deur te komen. En dan staat er niemand. Of ze gooien sneeuwballen tegen de ruiten. Je schrikt je eigen rot. Die kinderen kunnen niet meer gewoon spelen. Vroeger wel, je deed verstoppertje, de hoelahoep. Dat kan nou nergens meer. Die kinderen hebben nou de ruimte niet meer met al die auto's. Daar krijg je die rottigheid van."

Boogaerts viel haar weer in de rede:

"Zeg Lelieveldt, kunnen we even kijken wat er gebeuren moet? Dan kunnen de jongens aan de slag."

De wc was klein, maar viel me nog mee. Er stond een oude pot, die sowieso wel aan vervanging toe was.

"Trekt hij wel goed door, is de rioolpijp goed?", informeerde Wessel.

"Hebben ze vijf jaar geleden vernieuwd", wist Boogaerts, "Het is alleen de pot. En ik denk hier zo'n greep aan allebei de kanten, hè Han? Wat denk je, jongens? Zou dat lukken?"

Buiten galmde de dreundeun van de vrouw nog na in mijn kop. Het was wel sneu allemaal, maar dat gesnerp! Dat zou me nog wat worden, volgende week.

We wachtten nog even tot Boogaerts beneden kwam. Hij was tevreden.

"Nou, de kat is in het bakkie. Ze vond jullie keurige jongens. Je moet maar niet teveel letten op wat ze zegt hoor. Het kan ze zelf ook niet schelen wat jij vindt, als je ze maar een beetje aandacht geeft. Je moet maar zo denken, ze maken gewoon geluid, meer niet. Net als de vogeltjes."

****

De avond zette vroeg in. Een kille wind verjoeg het beetje warmte dat een moeizame zon die dag bij elkaar had geschenen. We hielden onze jassen aan en we hielden ons warm met een fles Schnapps die Giel had meegebracht.

"Ik zal eens wat pruimenjenever ophalen", zei Robbie royaal, "Als ik weer eens naar mijn opslag ga. Ik heb nog een partij liggen uit Joegoslavië. Van mijn mannetje."

De schichtige blik van vorige week was volkomen verdwenen. Hij straalde rust en zekerheid uit, met zijn leren jack en zijn grote bek. Hij keek met de ogen van een man die niets te duchten heeft.

"Wat voor mannetje?", vroeg ik, op mijn hoede.

"Mathieu", zei hij, "Je moet altijd zorgen dat je een mannetje hebt. Dat is belangrijk in het leven. Met een mannetje op de juiste plaats krijg je alles voor elkaar. Kun jij je die jeep herinneren, uit het pakhuis? Die heb ik dus ook van hem. Ik ben ermee van Zagreb gereden naar Amsterdam. Twee dagen nadat ik thuis kwam, komt er een ander mannetje langs. Die wilde de wielen kopen, 5.000 per stuk. Alleen de wielen."

"Waarom?", vroeg Giel, "Ja, waarom? Dat soort vragen stel ik niet. En dat leverde me een stapel ruggen op. Weet ik veel, misschien waren ze van goud. Misschien zat er heroïne in, of militaire geheimen. Ik vraag niks. Nou denk ik, als ik er een setje nieuwe wielen onder zet.... Ik denk dat hij best nog wel rijdt. Moet ik toch eens wat mee doen."

"Je moet niet alles geloven, wat hij zegt, Giel", zei ik.

"Denk je dat ik maar wat zit te lullen, Castermans?"viel Robbie uit met onverwacht venijn, "Wat weet jij godverdomme van de grotemensenwereld. Helemaal niks weet je."

Ik was niet de enige, die schrok, ook Frans en Giel verstarden na zijn uitval. Alleen Pluis niet, die hield zich slapend en keek nergens van op. Daarop lachte Robbie een lach die zowel verontschuldigend als uitdagend kon zijn.

"Ik zweer het je, een mannetje! Niks mag, maar met een mannetje kan alles. Een lijntje coke in de gevangenis, een broodje ham in de synagoge. Een hoer met één been voor een maagdelijke economiestudent", voegde hij er samenzweerderig aan toe, terwijl hij zich naar Giel boog."Het kàn, Giel, met een mannetje! En waarom doet die dat allemaal voor jou?"

Giel had een kleur gekregen en haalde zijn schouders op.

"Dat doet hij niet zo maar! Hij doet alleen iets als jij er iets tegenover stelt. Dat hoef ik jou als econoom niet uit te leggen."

"Econometrist", corrigeerde Giel.

"Wat je maar wilt. There's a price to pay. Ik realiseer dingen voor mijn mannetje, die hij in Joegoslavië nooit kan doen. Ik ben zijn contact. To be the man, that's what life is all about, jongens! En hij weet dat ik hem kan breken. Dat geeft vertrouwen. Checks and balances."

Ik vond het gebral en haalde mijn schouders op.

Giel gaf niet op:

"Kan hij jou dan ook breken?"

Robbie vulde nog eens zijn glas en leegde het in één teug. Ook Giel pakte de fles met Schnapps, maar er zat geen half glas meer in.

"Ondernemen is risico lopen", ging Robbie voort, "Bijvoorbeeld. Als jij mij matst, dan moet je er maar op vertrouwen dat ik jou ooit een keer mats. Dan neem je een risico. En eigenlijk moet je dat nooit doen. Als je op anderen vertrouwt, dan word je genaaid, daar vraag je om."

"Maar dat is toch niet eerlijk!", zei Giel.

"Dat klopt. Maar we hebben het over economie. Dat heeft met eerlijkheid niks te maken. Eerlijkheid is moreel geleuter, mooi voor dominees en brave zielen."

Robbie grijnsde van oor tot oor.

"Dat zijn nuttige idioten. Die willen wat voor je doen, zonder er iets voor terug te vragen. Je hebt ook de nutteloze idioten, daar heb je niks aan. En nuttige slimmeriken, die ritselen voor je wat je nodig heb. Dat is een mannetje. Zo zit de economie in elkaar, en meer hoef je er niet van te weten."

Giel voelde zich afgezeken.

***

Toen we bij Lelieveldt aanbelden sliep zijn vrouw.

"Doet ze iedere middag", zei hij, "Na het eten, een half uurtje. Ik kan dat niet hè, slapen overdag. Ik ga liggen woelen en als ik dan wakker word ben ik helemaal gammel."

We waren goed door de ballotage gekomen, zoals Boogaerts al gezegd had. De toon was nu vertrouwelijk en er waren de koekjes bij de thee. Al waren ze taai en oud.

"Maar als Wil slaapt heb ik zo mijn bezigheden", zei Lelieveldt, "Ik verzamel bandjes, die neem ik op van de radio. Of dat mag, daar laat ik me niet over uit."

Hij grinnikte ondeugend.

"En ik verzamel spreuken en moppen. Deze hier moeten nog."

Hij tikte op de schoenendoos op tafel.

"Daar zitten kalenders in. Die van '75, '76 en '78 moet ik nog doen. En ik krijg van die boekjes van de dokter. Van Het Beste, ken je dat? Daar staat ook van alles in. En die doe ik allemaal soort bij soort. Wacht maar eens even."

Hij slofte weg en kwam terug met een stapel ordners.

"Kijk maar gerust, hoor. Moet je zien. Alles bij elkaar, hier; moppen over reizen, over dominees, over militairen, over dokters. Ja, die doe ik dan wèl samen met de ziekenhuismoppen, snap je?"

Het zag er keurig uit. Stapels zelfgetypte velletjes, gerangschikt op onderwerp, de fouten verbeterd en alles op gelijke hoogte geperforeerd. Daar gebruikte hij een liniaal voor en een potlood.

"Dit is een mooie, moet je horen."

Hij zette zijn leesbril op en las de tekst eerst even in stilte door. Zijn lippen bewogen geluidloos mee. Dan kuchte hij en ging van start.

"Een dominee houdt een donderpreek waar iedereen stil van wordt. Het gaat over een lichaamsdeel dat al heel wat zondigheid in de wereld heeft gebracht. Dan zegt hij dat hij zal laten zien welke lichaamsdeel hij bedoelt. De mannen worden onrustig, de vrouwen krijgen een kleur."

Hij keek ons aan over de rand van zijn bril.

"Dan steekt hij zijn tong uit."

Zijn grote hand sloeg op tafel.

"Nou, hoe vind je hem? Is-t-ie goed of niet? Zijn tong! Je dacht natuurlijk dat het over zijn je-weet-wel ging. Of niet soms, eerlijk zeggen! Hij bedoelde dat er teveel geroddeld werd, snap je wel?"

Dat snapten wij.

"Er gaat heel wat werk inzitten, maar het is de moeite waard. Er zitten ook hele wijze bij. Hier deze: 'Vaak is het eigen belang...', nee wacht effe. 'Maar al te vaak is eigenbelang het kompas voor de vorming van een mening'.

Hij keek ons nogmaals aan met een priemende blik.

"Ja, daar steek je wat van op, hè? Maar het is machtig mooi om te doen. Ik kom tijd tekort, met de moppen lig ik jaren achter."

Vanuit het halletje klonk gestommel. Zijn vrije tijd was weer voorbij, Willy was weer wakker.

"Han! Zijn die knullen voor de wc er al? O, zijn ze er al. Dan moet je straks maar even naar de markt. Luister Han, wat ik wilde zeggen. Je moet je niet weer van die rotzooi in je handen laten duwen. Als je magere lappen vraagt, dan moet er ook geen vet aan zitten. Anders geef je het terug. En loop ook effen langs de visboer."

Arme Han. Natuurlijk, een mens went aan alles. Maar een stem als een motorzaag, geen melodie, klemtoon, of stemverhoging. Het snerpte maar door.

"Ja, we gaan altijd naar de Dappermarkt. De visboer heeft bokking en gebakken schol. Hij bewaart altijd de snijranden voor me, die krijg ik voor niks, voor de kat. Maar we hebben geen kat."

Ze lachte een kwaadaardige lach.

"We eten er zelf van, je kunt er bouillon van trekken."

We togen aan het werk. Wil sleepte zich naar ons toe en leverde commentaar. Hadden we geen ander kleurtje kunnen vinden? En was hij hoog genoeg? Zaten de handgrepen wel goed? Wessel vroeg haar om te gaan zitten en te doen alsof ze opstond. Daarna was ze toch wel overtuigd.

"Het is anders wat met die markt tegenwoordig" hernam ze, "Die mensen daar, negen van de tien zijn het buitenlanders. Als je in het park komt ook, allemaal zwarten. Vroeger gingen we er nog wel eens heen, maar nou moet je een geweer meenemen. Ze zien er schattig uit als ze klein zijn, daar niet van. Met die krulletjes. Maar wacht maar, tot ze zijn opgegroeid."

Han deed ook een duit in het zakje:

"Het is net als met katten, zeg ik altijd. Eén is leuk, maar je huis vol katten is teveel."

"Hij houdt niet van poezen", zei ze, "Ik had best een poes gewild. Maar hij hield dat tegen. Hij praat niet veel, maar zijn nee blijft altijd nee. Verder is het wel een goeie man, hoor. Ik zou hem niet willen ruilen. Nou niet meer, tenminste."

Ze keek met een vuile blik zijn kant op. Hij sloeg er geen acht op.

"Vertel over de supermarkt", zei Wil.

Hij begreep niet wat ze bedoelde.

"Toe dan, je weet wel. Van bokkenneuker!", moedigde ze aan.

"O, dat!"

Hij ging er eens voor zitten.

"Nou. Ik kom bij de winkel. Komt daar zo'n Turks wijf, met d'r kind op d'r arm. Ze wil mijn karretje pakken. 'Idioot' roept ze. Ik zeg: 'blijf af. Het is mìjn karretje. Ga naar je soort, bokkenneuker '. Dat zei ik. Nou, daar had ze niet van terug."

Hij was blij met zijn kleine heldendaad.

"Wat blijkt nou? Ze wou dat karretje omdat er zo'n zitje in zat. Voor dat kind van d'r. Snap je? Maar dan begin je toch niet met 'idioot'. Misschien is dat in Turkije normaal, maar bij ons vraag je dat. Netjes."

Wessel vond ze wel aandoenlijk, maar zijn hart is groter dan het mijne.

"Volgende keer als je weer zo'n klus hebt, dan vraag je maar een ander mee", zei ik toen we eindelijk weer buiten stonden, "Ik word er doodmoe van, vooral van háár. Die stem alleen al."

Maar hij nam het voor ze op.

"Ach, het zijn bange mensen. Ik vind ze wel sneu, eigenlijk."

"Maar dat is ook hun eigen schuld", vond ik, "Met dat gezeur van haar jagen ze iedereen de deur uit. Het moet wel een beetje doenlijk blijven."

Wessel ging nog even bij Boogaerts langs om verslag uit te brengen. Uren later kwam hij terug. De melkman was tevreden met ons werk, hij had het zelf niet beter kunnen doen. Hij had Wessel een stapel boeken meegegeven. Die moest hij maar eens lezen.

****

Frans was een scharrelaar, net als Robbie, maar dan in het klein. Hij kon met smaak vertellen over zijn avonturen bij een Duits circus, waar hij half Europa mee had rondgetrokken. Al was dat lang geleden, tegenwoordig kwam hij eigenlijk de stad niet meer uit. Waarom zou hij ook? Amsterdam had alles wat zijn hart begeerde: cafés, dope en vriendinnen die vielen voor zijn charmes. Frans ging door voor een romanticus. Meisjesharten waren niet bestand tegen die diepe bruine ogen, die lange zwarte krullen en dat ronde, ietwat vrouwelijke gezicht. Hij sprak met zachte stem, kleedde zich in getailleerde fluwelen jasjes die hem met een mysterieus en sprookjesachtig aureool omgaven. En hij had schijt aan iedereen. Ik kon wel met hem lachen. Hij deed losse klussen, marktkramen opbouwen en afbreken bijvoorbeeld. Daar moest hij vroeg voor op. Soms stond hij achter een bar bij een studentenvereniging, soms werkte hij op Schiphol bij het grondpersoneel. Tot hij genoeg verdiend had en dan hield hij het weer voor gezien. Hij had ook wel eens wat schimmige handeltjes, iets met brommers dacht ik. Er kwamen vaak jongens die naar hem vroegen. Die stuurde ik dan achterom, naar de kapper. Want als Frans er was, dan zat hij bij Pluis.

Pluis had de koude maanden vooral doorgebracht in Tiets manvrije ruimte, maar eenmaal uit haar winterslaap begon ze een kapsalon. Haar bedrijf was gevestigd in de werkplaats van de Iep. Daar stond de stoel, de spiegel en een tafel met kammen en scharen. Die had ze bij elkaar gescharreld. De enige investering was de tondeuseset, die had Frans voor haar gekocht. Het was dik aan tussen die twee. Pluis maakte hanenkammen, ze verfde je haar in alle kleuren van de regenboog of ze vlocht er Afrikaanse vlechtjes in. Wat ze tot stand bracht was uniek, geen twee kapsels leken op elkaar. Je wist nooit wat het worden zou, maar apart was het altijd wel. En ze had klandizie genoeg. Toen Robbie zijn intrek nam in de werkplaats achter het huis had Pluis daar geen problemen mee. Ze mocht hem wel. Hoewel Robbie krap bij kas zat, betaalde hij Frans om klusjes voor hem te doen. Die keek tegen hem op en deed wat Robbie vroeg:

"Zeg Frans, als jij morgen eens voor me naar mijn loods rijdt. Rechts naast de deur als je binnenkomt staat een doos. Pioneer Dual staat erop. Er zit een dikke envelop in. Neem die mee, krijg je van mij een tientje. Verder blijf je overal met je fikken af."

En dat deed Frans dan. Hij vloog voor Robbie. Soms dacht ik dat Robbie hem alleen uit de weg wilde hebben, zodat hij wat tijd had alleen met Pluis. Maar daar had ik geen bewijzen voor.

***

Op een keer kwam Frans terug van de loods. Het was vroeg in de avond en er was niemand in huis, behalve Wessel en ik. Frans was amper binnen of er werd aangebeld. Ik keek uit het raam. Buiten stond een motorfiets met draaiende motor. Zeker iemand die iets af komt geven, dacht ik nog. Frans deed open Een man zonder helm in een ouderwets trainingspak kwam naar binnen zonder op of om te kijken. Hij duwde Frans tegen de muur en stompte hem zo hard in zijn maag, dat hij naar adem hapte. Daarna gaf hij hem nog een dreun tegen zijn hoofd en zei:

"Eind van de week. Zeg dat tegen Robbie."

Ik stond tegen de grond genageld, maar Wessel kwam meteen in actie. Hij stortte zich met een snoekduik op de man, toen die probeerde weg te rijden. Hij viel om, met motor en al, en knalde met zijn hoofd tegen de grond. Terwijl hij versuft overeind kwam ging Wessel hem te lijf. Er ontstond een oploopje. Iemand moet de politie hebben gebeld en die was er in een oogwenk. Zowel Wessel als de indringer werden meegenomen. Een uurtje later kwam een vrachtwagen, die de motorfiets ophaalde.

Tegen elf uur die avond kwam Wessel terug. Ze hadden hem laten gaan, maar misschien kreeg hij nog een aanklacht voor geweldpleging aan zijn broek. De andere man hielden ze nog in hechtenis.

"Ze zullen Frans en Robbie ook nog wel willen verhoren", zei hij. "Weet jij waar Robbie uithangt? Hij moet hier zo snel mogelijk weg. Die vent moet Frans gevolgd hebben, ze weten nu waar hij zit."

Robbie kwam die nacht niet opdagen. Om vijf uur de volgende middag was hij er wel. Hij was niet blij:

"Stom, Wessel", zei hij, "Hartstikke stom. Denk je dat je mij hier verder mee helpt? Nu zijn ze helemaal pislink op me. Denk maar niet dat ik mijn verhaal bij de politie ga vertellen. Als er een aanklacht van komt, dan heb je dat aan jezelf te wijten"

Wessel liet zich geduldig uitfoeteren, maar Mar pikte het niet:

"Waar haal jij het recht vandaan om Wessel de les lezen? Zonder jouw louche handeltjes was er niks gebeurd. In plaats van dat je blij bent dat we je helpen! Wessel had ook geen poot kunnen uitsteken."

"Zo is het", zei Wessel.

Het klonk meer alsof hij Mar wilde kalmeren dan dat hij kwaad was op Robbie.

"Ik weet dat je wordt afgeperst. Ik hoef niet te weten waarmee. Maar je kent mijn standpunt. Regel je zaken nou eens een keer. Of je gaat zelf naar de politie, of je verkoopt de hele rotzooi en je betaalt ze. Hier kun je in elk geval niet blijven, voor je eigen veiligheid."

Wessel haalde een envelop uit zijn binnenzak.

"Dit is wat ik bij elkaar heb kunnen krijgen. Het is bijna 2.500, kijk maar wanneer je het terugbetaalt."

Robbie bond in en knikte. De envelop nam hij in ontvangst met een raar soort nederigheid, die niet bij hem hoorde. En daarna liep hij, zonder om te kijken, weg uit onze levens.

19 Vallende blaadjes

Wessel moest nog een keer zijn verhaal doen en ook Frans werd verhoord. En daarmee leek de kous af. Hoe het met de motorrijder afliep hoorden we niet meer. Robbies belagers bleven weg en ook van Robbie zelf was er taal noch teken. Het werd het begin van een periode van rust en regelmaat, tijd om weer eens wat tentamens te doen. Mijn studie was niet mijn grote passie, maar een mens moet nu eenmaal iets doen in het leven. Wessel hield het koortsachtige tempo vol, waarin hij aan de MR had gewerkt. Hij ging in één moeite door met het volgende project: de grote kraakactie voor de pensionbewoners. Hij zocht gegevens uit bij het kadaster en maakte foto's van de school. Hij had iemand gevonden die er les had gegeven en die het gebouw van binnen kende. Hij bekeek de route die we rijden moesten en klokte hoe lang je daar met een busje over deed. Hij ging op zoek naar huisraad. En hij praatte in op de aspirant-bewoners.

Ook Mar was de hele dag van huis. Ze had flink wat achterstand opgelopen door onze bouwperikelen, maar met een slimme planning en hard werken dacht ze in korte tijd flink wat studiepunten binnen te kunnen slepen. Dan had ze weer een week experimenteel practicum, dan moest ze weer schoolkinderen testen. Ik zag haar amper. Ze kwam thuis als we al met eten klaar waren en ik met mijn makkers op het platje zat. Daar verkeerde ze liever niet tussen. Op een middag kwam ik haar toevallig tegen op het Rokin. Ze kwam aangefietst, ik sprong voor haar wiel en pakte haar stuur vast.

"En nou wil ik het weten!", riep ik uit.

"Jezus man, doe effen normaal", schrok ze.

Ze klonk erg Amsterdams, zoals ze dat zei.

"Wil je me onder een auto hebben? Sorry. Dag Thieu. Wat moet je weten?"

"Nou, gewoon", zei ik, "Hoe het met je is. Hoeveel kilo je kwijt bent. Ik zie je nooit meer eten. Misschien doe je dat wel helemaal niet meer. Ga je mee een broodje happen?"

Het broodje werd een dubbele uitsmijter. Voor een dieet had ze geen tijd tegenwoordig.

"O ja", zei ze met haar mond vol, "Ben je nog in Annique geïnteresseerd? Ik kwam haar tegen, bij het station."

Ik schrok toen ik de naam hoorde. Ik dacht dat ik haar had opgeborgen, ergens waar ze geen kwaad kon. Een slapend virus, dacht ik. Maar alleen het horen van de naam gaf me kippenvel. Mijn haren stonden overeind. De herinnering verliet zijn schuilplaats en deed een aanval op mijn afweersysteem.

"Ja, eerst herkende ik haar niet. Ze had een muts op en een dikke winterjas aan", ging Mar verder, "We hebben het nog over je gehad."

"Goh", zei ik onaangedaan.

Niets laten merken.

"Hoe is het met haar? Nog in Brussel?"

"Toen ik vertelde dat je zat te hengelen naar haar adres moest ze wel even slikken. Ze vond dat ze toch wel een beetje gemeen tegen je was geweest."

"Ach, wat", zei ik, terwijl de ene na de andere mogelijkheid opdoemde.

Scenario's vol onbeteugeld verlangen. We konden gemakkelijk woonruimte vinden. Er ging iemand weg bij het Heftige Huis. Een grote kamer, daar konden we samen wonen. Als ze dat te snel vond gaan hield ik mijn plek bij de Iep aan. Ze hoefde niet meer eenzaam in Brussel te bivakkeren, ik had een hele sociale wereld voor haar klaarliggen. Misschien was ze al terug in Amsterdam. Zou ze toch weer naar die Tom zijn gegaan? Daar was ze gek genoeg voor.

"Het gaat wel goed met haar. Ze kon snel iets krijgen in de Marollen, dat is een wijk dicht bij het centrum. Dat is daar helemaal niet moeilijk, in België. Weet je hoe ze dat daar noemen? 'Een studentenkot'. Maar nu is ze op zoek naar een etage. Ze gaat samenwonen met haar nieuwe vlam. Ik moest je de groeten doen, trouwens."

"Oh. Ja, leuk voor haar", zei ik, "Ik bestel nog een portie saté. Wil jij ook nog wat?"

Blijf praten dacht ik, blijf praten. Ander onderwerp. Hoe was het met Wessel, ik zag hem zo weinig tegenwoordig?

"Nou, we zijn allebei druk", zei ze,"We moeten het van de nachten hebben."

"Oh?", zei ik, "Nou, een beetje hartstocht kan geen kwaad."

En ik dacht aan de nachten met Annique, die ik moest ontberen. Nu was een of andere Belg aan haar grillen overgeleverd. En ik wist bijna zeker dat het weer een bezitterige gefrustreerde gek zou zijn.

"Je weet niet half wat wij 's nachts ondernemen. Dinsdag hebben we ingebroken bij de school. Ja, echt. Hij wilde met alle geweld weten hoe het met de beveiliging zat. Doodeng, man. Twee uur 's nachts, zaklamp mee. Er moest achter op het schoolplein een ingang zijn, een beetje uit het zicht. Daar wilde hij een ruitje in tikken en dan naar binnen. Maar eerst moesten we over een hoog hek met prikkeldraad, heb ik me nog aan opengehaald, moet je zien."

Ze had inderdaad een flinke jaap op haar onderarm.

"En dan een ruitje intikken. Moet je je voorstellen hoe dat klinkt, in de nacht. Maar hij dacht dat daar toch niemand op af zou komen. 'En als er dan een alarm afgaat', zeg ik nog, 'dan zitten we mooi klem, we kunnen geen kant meer op'. Zie ik opeens een fietsenhok onder aan een brandtrap. 'Wacht even,' zeg ik en ik klim dat dak op, de brandtrap op. Een metalen trap, dat hoor je trouwens ook goed als het stil is. Bovenaan was een metalen deur en die ging zonder enige moeite open. Binnen was het stikdonker. Ik liep op de tast naar voren. Ik voelde een soort gordijn. Ik schoof het opzij en opeens stond ik op een toneel. Ik keek zo de zaal in, allemaal stoelen in het maanlicht. Spookachtig."

Annique zakte weer weg in de diepte van mijn herinnering, al liet ze rimpels achter op het oppervlak.

"En toen?", wilde ik weten.

"Nou, eenmaal binnen keken we of er een alarminstallatie was en waar de nooduitgangen waren. Wessel tekende het uit en ik stond op de uitkijk. Dat was nog wel even spannend. Ik keek uit het raam aan de voorkant en ik zag een man naar ons toelopen. Het was net of hij naar binnen keek. Ik deed snel de lamp uit, maar waarschijnlijk zag hij ons niet. Ik zag alleen een hoofd, hij stond lager dan ik. Hij bleef een tijd staan en toen ging hij weer. Waarschijnlijk stond hij alleen maar te pissen", lachte ze, "Nou dat soort dingen doen we 's nachts. Samen op avontuur, net als vroeger. Lekker zonder dat de hele goegemeente ons op de lip zit. Al ben ik wel bekaf de volgende dag. Wessel mag dan genoeg hebben aan vier uur slaap. Ik trek het niet."

En alsof ze haar woorden wilde onderstrepen gaapte ze eens flink.

****

Op een namiddag nestelde Wessel zich op mijn kamer in de prille lentezon. Hij zat gebogen over de stapel boeken van Boogaerts. Boeken van Anton Constandse, Willem Bannings en Sal Santen. Namen die ooit iets hadden betekend in het politieke debat. Naast hem lag het schrift met de verkeersborden. Dat lag open, 'Ceteris Paribus'stond er geschreven.

Als ik zijn kant op keek zag ik zijn voorhoofd boven de stapel uitkomen en weer omlaag duiken. Hij zwom door boeken. Opeens bleef zijn benige hoofd in de lucht hangen.

"Zeg Mathieu", zei hij, "Denk je nog wel eens aan die Annique?"

Dat had hij van Mar, het kon niet anders, hij kende Annique niet, ik had het amper over haar gehad. Wessel was onaanspreekbaar toen ze in mijn leven kwam, onvindbaar toen ze ging en toen hij terugkwam probeerde ik haar nèt te vergeten.

"Vertel eens", zei Wessel.

Hij liet zijn hoofd rusten in zijn handen en keek afwachtend. Ik vertelde. Hoe ik haar had ontmoet, over onze fietstocht naar Durgerdam. De logeerpartij in Robbies pakhuis en haar plotselinge vertrek. Hoe Mar ieder contact afschermde. Wessel luisterde aandachtig. Het luchtte me op dat ik er eindelijk eens over praten kon. We hadden wat in te halen.

"Maar heb jij het idee", zei hij toen, "dat zij echt serieus in jou geïnteresseerd was?"

"Ze nam me in vertrouwen en dat doet ze niet snel", antwoordde ik.

"Volgens Mar heeft dat meisje het moeilijk met mannen", zei Wessel, "Geen idee waarom. Maar jij was een gewillig exemplaar. Ze vertrouwde jou, zolang je deed wat zij wilde. En anders niet. Je had geen eigen geluid, je was haar echo, haar schaduw. Zij zag in jou een laboratoriumrat om mee te experimenteren. Wat zal ik hem nou weer eens laten doen? Jij bent verliefd, ze heeft voor jou alleen maar bovenmenselijke kwaliteiten. Een rat en een godin. Vind je dat een basis voor een relatie?"

Ik protesteerde:

"Ze had wel degelijk interesse in mij. Man, ik heb zoveel tegen haar aan zitten praten. En zij luisterde. Goed, ik hemel haar misschien wel op, maar wat is daar mis mee? Ik aanbad haar, dat is waar. Ik kan tegen mezelf zeggen dat ze een vrouw is als ieder ander, maar zo voelt het niet. Jij hebt besloten om Mar bijzonder te vinden. Dat vind ik pas vreemd. Onnatuurlijk."

Wessel viel stil, alsof hij ergens bij betrapt werd.

"Ja, dat klinkt raar", gaf hij toen toe.

Op dat moment schreeuwde Giel van beneden dat hij er was. Giel kon zichzelf aankondigen alsof hij de redding van de mensheid was. Hier was de held en zijn aanwezigheid diende geëerd te worden. En zo zaten we even later op het platje. Wessel bleef op mijn kamer achter zijn boeken, ook toen Bernie naar buiten kwam met een pan spaghetti. Hij hoefde niets. Iedere keer als ik Giels kant op keek zag ik, achter zijn schouders, Wessels blik opduiken. Toen de zon onderging staken we het vuur aan. In het licht van vlammen zag ik opnieuw die blik. Zat hij nou naar ons te kijken? Waarom deed hij het licht niet aan. Zo kon hij toch niets lezen. Ik stond op om over de vlammen heen te zien. Het standbeeld bleef dezelfde kant op staren, onbeweeglijk. We spraken over sport, politiek en de Verenigde Staten, waar Giel en ik graag heen wilden en Bernie uitgebreid over vertellen kon. Midden op de avond stond Wessel ineens voor ons.

"Bernie", zei hij. "Jij bent politicoloog. Wat doet een politicoloog, wat wil hij weten? De invloed van maatschappelijke krachten op politieke besluitvorming, zoiets?"

"Dat zou je kunnen zeggen", erkende Bernie.

"Dan toets je hypotheses. Je vergelijkt verschillende condities. Right?"

"I guess so."

"Goed. En Giel. En jij?"

"Nou, ik maak eigenlijk economische modellen."

"Juist. Ook modellen. Hebben jullie iets aan psychologen?"

Ik stond al klaar om ook een verklaring af te leggen, maar die was niet gewenst:

"Nee, jij niet. Jij leert een taal. Zij doen aan wetenschap. Ze hebben modellen met controlegroepen en variabelen en constanten. Maar er is helemaal geen model! We ordenen vragen: antwoorden ho maar. Het is allemaal een zooitje en het gaat maar door."

En daarmee beende hij weer heen. Toen ik naar bed ging was hij weg, maar zijn boeken lagen er nog. En zijn schrift. Ik sloeg het open en keek wat hij de hele dag geproduceerd had. Het waren drie woorden. Ceteris Paribus stond er uren geleden al. Het enige wat hij erbij had geschreven was: Ratten.

***

Vroeger had ieder huis zijn eigen lucht. Bij een kinderrijk gezin als het onze rook het naar kookwas en babyolie. Bij oude mensen rook je een muffe lucht met boenwas. Bij sommige kinderen in ons dorp was het de nabijheid van de stal en bij ons thuis zal er waarschijnlijk wat drukinkt en groene zeep door. Maar het zat ook in de huizen zelf. Die roken naar hout, naar gekookte melk of naar vochtige muren. Bij Dries rook ik voor het eerst sinds lang weer een huislucht. Een indringende huislucht, die ik niet kon thuisbrengen: iets kruidigs, iets zoetigs.

Boogaerts was tevreden over onze werkzaamheden bij Lelieveldt. Een tevreden klant komt terug.

"Hij heet Dries", zei hij, "Gewoon Dries, net als van Agt. Gek hè. Maar verder heet hij El Kanoesji, het is een Marokkaan. Weet wat je wat het is? Op de een of andere manier pakt-ie alles nèt verkeerd aan. Hij had gedonder met die vorige bewoner. Die wilde 1200 gulden voor de vloerbedekking. Nou was dat ook wel een type, hoor. Zo eentje noemden we vroeger een asociale, dan weet je het wel. En Dries liet zich door die kerel overdonderen, hij wilde hem gaan betalen. Ik zeg: ben jij effen gek geworden? Daar komt niks van in. Je bent helemaal niet verplicht om te betalen. En als die vent komt, dan roep je mij. Ik ken hem wel, mij flikt hij niks. Weet je wat het is, of je nou een Turk neemt of een Marokkaan, ze laten zich alles aanleunen. Je kan ze alles wijsmaken. Maar waar ik eigenlijk voor kom, jongens. Hij moet een andere geiser en wat nieuwe leidingen. Die ouwe lekt en het is niet veilig zo. Een klusje van niks, daar draaien jullie je handen niet voor om."

Dries droeg een lang wit hemd, dat strak spande rond de prominent uitpuilende buik. Hij had ook een bril, met een montuur dat te groot was voor zijn hoofd. Bij binnenkomst drukte hij ons de hand, bracht zijn gestrekte vingers tegen zijn borst ter hoogte van zijn hart en prevelde iets. Een gebaar van bijna achteloze vanzelfsprekendheid. Maar het zag eruit of hij liet weten dat hij ons in zijn hart gesloten had. Dries riep iets naar de woonkamer. Achter zijn schouders ruimden drie kolossale vrouwen in glimmende peignoirs het veld. Daarna ging hij ons voor.

"Moeten we onze schoenen niet uitdoen?", fluisterde ik tegen Wessel.

Er stond al een rij schoenen onder de kapstok. We zetten de onze erbij en betraden de ruimte. Langs de muur stonden lange zitbanken, verder was de kamer leeg. Geen tafel, geen stoelen, niets aan de muur. Alleen een donkere eiken buffetkast waarop drie plastic bloemstukken prijkten: vuurrood, zuurstokroze en knalgeel. Een jongetje van een jaar of twaalf kwam binnen om een handje te geven.

"Jamal", zei Dries, "Hij is de kleine zoon. U wilt theedrinken, Marokkaanse thee, ja?"

We knikten en hij gaf een paar commando's.

"Hoeveel kinderen heeft u?"vroeg ik.

"Vijf kinderen. Maar de grote meisje nog in Marokko. Ze moet hierheen komen. Maar de politie zegt: Nee meneer Dries. Jouw huis is te klein. Jouw dochtertje mag niet komen. Ik ga vragen voor groter huis, maar de stichting zegt: meneer Dries, jij moet wachten. Maar hoe lang wachten? Straks is die meisje 18. Dan is die meisje te groot. Onze profeet zegt: de problemen komen met het geld en met de kinderen."

Hij hief zijn handen ten hemel. Jamal kwam binnen met een schotel met koekjes, nootjes en dadels. In de deuropening wachtte een meisje van een onbestemde leeftijd, een kind nog. Ze hield de blik gericht op de theepot die ze in haar handen hield. De jongen haalde een bijzettafeltje uit de achterkamer en zette dat voor ons neer. Daarna nam hij de pot over van zijn zusje en plaatste dat op tafel. De kinderen vertrokken weer, vrijwel geruisloos. Daarna schonk Dries de thee met een sierlijke grote boog in een theeglaasje.

"Zijn jullie in Marokko geweest? Als u naar Marokko gaat moeten jullie naar mijn dorp komen. Ik zorg voor een huis, voor eten en voor alles", zei hij royaal.

"Waar is dat ergens in Marokko? Bij Marrakech?"

Ik kende de Marrakech Express van Crosby Stills & Nash en Casablanca van Humphrey Bogart. Verder reikte mijn topografische kennis niet.

"Ik kom van een klein dorpje in de bergen. Weet u Nador? Het is bij Nador. Hier in Nederland, als je kijkt: huizen. Achter: huizen. Boven: huizen. Onder: huizen. Net een stapel boterhammen op elkaar. Maar in de bergen kun je heel ver kijken. Daar krijg ik lucht."

Hij zoog demonstratief zijn longen vol.

"Nederland is goed voor mijn buik, Marokko is goed voor mijn hart. Maar de mensen in Nederland weten niets. Ze denken Marokko ligt naast Turkije. Je komt binnen, allemaal zand."

Hij schoot in de lach.

"Toen ik hier vroeger was, in 1966, heel veel mensen waren nog nooit in het buitenland. Die mensen gingen tegen mij praten: hebben jullie televisie. Ik zeg: nee. Hebben jullie auto's. Ik zeg: nee. Gewoon gekkigheid. Ik zeg: wij hebben helemaal niks. Alleen water en brood. Ja, maar kijk: die mensen weten niets. Maar toen, in 1966, ik weet ook niks. Als Henk zegt: dag vieze klootzak, hij praat heel lief. Ik denk: vieze klootzak is een heel mooi woord. Wij waren jong, wij begrijpen niets en geen problemen. Vandaag zijn we groot, we begrijpen alles en nu alleen maar problemen."

We hadden een geisertje op de kop getikt en wat soldeergerei meegenomen. We waren in een uurtje klaar. Dries was de koning te rijk. We moesten blijven eten en weigeren was er niet bij. Terwijl er in de keuken gewerkt werd, dronken we weer thee. Ik keek in het rond.

"U woont hier nog niet zo lang, hè.", vroeg ik, "Het is nog een beetje kaal in huis."

"Ik woon hier nu in Iepenplein twee jaar", zei Dries. "Toen kwam mijn vrouw naar Nederland. Zonder vrouw, dat is moeilijk, jongen. Zelf boodschappen doen, zelf wassen, zelf koken. Dat is niet goed. Maar kijk, ik woonde in het pension. Je gaat werken met de ploegendienst. Klaar. Het is nacht en de bus rijdt niet. Anderhalf uur lopen naar het pension. Daar wonen 15 mensen. Jij moet slapen en andere mensen gaan praten en muziek maken. Dat is heel moeilijk. Nu met de vrouw hier, dat is beter voor mij. In Holland zijn veel mensen die zeggen: ik hoef geen vrouw. Marokko is anders. Als iemand niet kan trouwen dan moeten wij helpen. Die man die kan niet trouwen, hij heeft geen geld. Er zijn 30 huizen, 40 huizen. Iedereen geeft een beetje geld. Dan kan hij trouwen."

"Dan moet hij ook nog een vrouw vinden", leek ons.

"Ja, meneer Wessel. Maar dat is niet moeilijk. Iemand in het dorp geeft hem een vrouw. Maar dan moet je een beetje geld geven aan de vader. Als je geen geld hebt krijg je niet die vrouw, dan gaat ze niet met je trouwen."

Van ene verbazing in de andere.

"En de liefde, doet dat er niet toe?"

Daar had Dries een duidelijke mening over.

"Verliefd hoeft niet. Kijk meneer Wessel. Wij zijn moslims, dat is anders. Misschien jij verliefd. Jij ziet mooi meisje. Jij bent jong, je denkt niet na. Je gaat bij die meisje."

Nu boog hij zich voorover en sprak op gedempte toon:

"Maar: Ah! Meisje zwanger. De islam zegt: nee, dat mag niet zo. Je moet recht gaan. Eerst netjes trouwen en dan mag jij doen."

Ik kreeg het gevoel dat we even niet op dezelfde golflengte zaten. Wessel had ook zijn bemerkingen.

"Een vrouw is toch geen ding dat je gaat kopen. Het is geen stofzuiger. Doen gevoelens er niet toe dan?"

Dries lachte minzaam en leunde achterover.

"Meneer Wessel, jij bent nog klein, maar je hoofd is heel groot. Straks ben jij niet meer klein. Misschien heb jij heel veel gelezen. Jij moet veel lezen, wij praten veel, dat is heel goed. Ik ben ook klein geweest. Verliefd, ik weet dat wel. Verliefd is heel mooi. Maar straks ben jij niet meer verliefd, jij vindt die meisje niet mooi meer. Jij vindt een ander meisje mooi. Dat is verliefd. Daarom zegt de islam: het moet netjes."

"Maar ben je dan niet vrij om zelf te kiezen met wie je trouwt?", vroeg ik.

"Ja, natuurlijk, jij bent vrij. Maar wat is vrij? Je moet wel nadenken, koppie koppie. Als jij trouwt met een meisje, jij bent katholiek, zij is moslim; dat is heel moeilijk. Jij gaat varken eten, maar zij wil bidden. Jullie krijgen ruzie. Dan zeggen wij: beter niet zomaar trouwen. Goed luisteren naar de vader en de moeder. Natuurlijk is het vrij kiezen. Mohammed kan trouwen met een katholieke meisje, mag allemaal. Misschien gaat die meisje dan ook bidden, dat is heel mooi. La ilaha illa llah. Maar niet: de moslimse meisje met katholieke jongen. Dat kan niet. Kijk maar: als de papa is geen moslim, dan de kinderen half moslim, half Nederlands. Alleen maar problemen. Daarom zeg ik: koppie koppie. Jij trouwt met moslimmeisje, dan ook moslim worden. Anders kan het niet."

"Maar als dat meisje zelf nu ontzettend verliefd is op een katholiek?", hield ik aan.

"Moet je kijken. Die meisje zegt: ik ben verliefd, ik ga trouwen met jou. Maar morgen: nee, niet trouwen met jou. Ik ga trouwen met meneer Mathieu. Of met meneer Dries. Ze maakt ons allemaal gek. Een ander meisje. Niemand vindt haar mooi. Niemand verliefd. Ze blijft alleen. Niemand zorgt voor haar. De islam zegt: alle mensen is als broertjes, allemaal gelijk, net als democratie. God heeft alles gesorteerd. Er is een land, daar leven duizend mannen. Hoeveel vrouwen leven daar? Ook: duizend. De God, hij zorgt voor alle mensen."

Het eten werd binnengebracht. Er waren ronde platte broden, schaaltjes met olijven en amandelen en een met een soort zoete wortelsalade, die ik erg lekker vond. Daarna kwam een schaal van aardewerk met een mooie berg gele couscous, overdekt met groenten en stukken kip.

"Dit is Marokkaanse tazjien. Wij eten met je handen. Maar wilt u liever lepel? Jamal! Geef mij lepel!"

"Nee, hoor", zei ik royaal."We doen het gewoon op zijn Marokkaans."

Jamal bracht een bordje met twee lepels. Dries schonk hem geen aandacht.

"Eten met de rechterhand. Waarom?", vroeg hij.

Dat wist ik, omdat je met links je gat afveegt. Maar Dries kwam met een andere verklaring:

"De naam van God. Kijk."

Hij hield zijn rechterhand met de rug naar ons toen, strekte zijn vingers en maakte een rondje van zijn duim en wijsvinger.

"Kijk: Laam. En dan: Laam, Laam, Haa. Zie je de letters. Arabische letters. Dat betekent: Allah. De goede hand voor Allah."

Ik had nog nooit couscous gehad. Het was tamelijk droog spul en veel smaak had het niet. Er zaten rozijnen door, dat was wel apart. Wessel sprak van de weeromstuit ook in een vereenvoudigd soort Nederlands.

"U zegt: de islam is democratie. Maar in Iran: die Ayatollahs, is dat democratie?"

"In dat land, dat is anders", meende Dries."Dat is Sji'a. Dat moet u vragen aan geleerde mensen. Maar die Sjah is net als de dollarmensen. Allemaal kapitalisten, maar waarvoor? Ze sparen de aardappels in het zand! De islam zegt je moet delen. Niet de ene man boven de andere, allemaal gelijk. Je moet niet buigen voor de baas, niet voor de Sjah. Alleen voor God. Want wij zijn de kinderen en hij is de pappa. Je ademt in: hij weet het. Je ademt uit: hij weet het. Wacht maar, rustig. Hij zorgt voor je. Altijd. Je moet sadaka geven voor arme mensen. Daar heb je zelf ook wat aan, voor later. Het leven hier op aarde is zo voorbij. Onze koran zegt Noeh is 950 jaar. Wat vindt u van het leven, meneer Noeh? Hij zegt: 'het leven is net een huis. Je gaat door de voordeur naar binnen en je loopt meteen door de achterdeur naar buiten. Je moet denken wat er daarna komt. Dat is voor altijd."

Ik legde mijn afgekloven botje op het bordje. Ik had genoeg gehad.

"Bent u getrouwd, meneer Mathieu?", vroeg Dries.

"Nee", antwoordde ik.

"En u, meneer Wessel?"

Wessel had zijn mond vol en schudde het hoofd.

"En niet trouwen, niet kinderen?"

"Nog niet", zei hij nu.

"Kinderen en geld, dan komen de problemen."verzekerde Dries. Let maar op, echt waar."

Hij zuchtte nog eens. Zijn beproeving was bijna voorbij. Nog pakweg 900 jaar. Dries was een verademing na het echtpaar Lelieveldt. Maar het voelde alsof ik dwaalde over een mijnenveld van taboes en gevoeligheden. Wessel vond hem fantastisch:

"Niets is wat je verwacht bij die man. Hij heeft een volstrekt eigen logica Hij is zò komisch."

"Wessel", zei ik, "Dat bedenkt hij niet zelf. Dat is zijn godsdienst."

****

Inmiddels was een vrij grote groep illegale pensionbewoners omgepraat. Ze wilden nu wel kraken. Het gezelschap bestond voornamelijk uit alleenstaande mannen, bij elkaar een stuk of vijftien deelnemers. Een paar Surinamers, twee broers uit Joegoslavië, een verdwaalde Argentijn en - heel bijzonder - een Russische zeeman. De enige vrouw was Conchita met haar twee dochters. Ze kwam uit de Dominicaanse Republiek. Wat begon als een idee van Wessel werd een project van de hele Iep. De eensgezindheid was ongekend groot, er viel geen onvertogen woord tijdens de nachtelijke vergaderingen waarin we de boel voorbereidden. Mijn studie schoot erbij in: ik zakte tot twee keer toe voor een tentamen, maar dat was het me meer dan waard. Wessel plan was doortimmerd. De enige onzekere factor was de eigenaar van het pand: wat zou het schoolbestuur doen? Willem polste zijn ingangen in de onderwijswereld en het resultaat viel niet mee. De voorzitter bleek een zwaarlijvige hotemetoot met connecties in de bouwwereld, die niet veel op had met krakers. En hij had wel alle begrip voor huiseigenaars die het recht in eigen hand namen. Dat deden de krakers immers ook. Het was een nieuwe trend, knokploegen tegen krakers. Snel, effectief en goedkoper dan de advocaat. De politie keek wel even de andere kant op, het scheelde hun ook een hoop werk. We besloten tot de grootst mogelijke geheimhouding. We zouden werken met vriendengroepen van mensen die elkaar vertrouwden, dan had je minder kans dat iets uitlekte.

"Spijt me wel, hoor", zei Willem, "Maar er lopen hier mensen rond... wat weten we nou van iemand als Cor of Frans? Ik hoor ze nooit, ik weet niet wat ze denken."

Voor Cor was dat het sein om zich meteen terug te trekken. Hij vond het toch al doodeng en was allang blij dat hij eronder uit kon. Frans had sowieso geen interesse. We vormden drie groepen. Een actiegroep zou het pand binnendringen en meteen gaan barricaderen. Tiet stelde een vrouwengroep voor. Dat ontmoedigde gewelddadige tegenacties. Zij kende genoeg betrouwbare meiden. Ik zat bij de materiaalgroep, die zorgde voor het vervoer, de huisraad en ander materiaal. Meteen na binnenkomst moesten we beginnen met inrichten. Het was strategisch belangrijk dat de pensionbewoners zelf vanaf het begin meededen. Wessel zat zelf in coördinatiegroep, die de contacten met de pers onderhield en zonodig de onderhandelingen voerde.

****

Het was een enorme logistieke opgave, maar Wessel had het helemaal uitgedacht. We huurden twee busjes en Tiets vriendinnen kwamen nog met twee personenwagens. Daarmee gingen we de pensions langs om de bewoners en hun persoonlijke bezittingen op te halen. Dat betekende eindeloos op en neer rijden. Alles en iedereen moest naar de Iep, waar we met zijn allen de nacht zouden doorbrengen. Twaalf krakers, inclusief de meiden van Tiet en vijftien pensionbewoners. Die brachten hun huisraad mee. Per persoon was dat niet veel: een matras, wat kleren en keukenspullen, een enkele tv. Maar bij elkaar was het een berg. We waren de hele middag bezig, en ook een deel van de avond. 's Avonds haalden we voor 25 man Chinees. Tijdens het eten hing er een aangename opwinding. De Joegoslaven spraken wat Nederlands en wat Duits. Ik dacht dat ze ook wel Russisch zouden verstaan, maar dat bleek gek genoeg niet het geval. De Rus leerde mij woordjes: Jabloko -Appel. Dom-Huis. Tovaritsj-vriend. De spanning over de dingen die komen zouden sloeg om in een uitgelaten, feestelijke sfeer. We dronken en zongen onszelf tot een Babylonische broederschap. Ook Conchita's dochtertjes sloten vriendschap met Sheila. Vooral de jongste, Zara, babbelde honderduit in het Spaans. Dat niemand er iets van verstond scheen ook niemand te deren. We hadden matrassen op een rij gelegd. Van de dekens maakten ze tentjes waar ze op handen en voeten door kropen. Het werd een korte nacht, waarbij iedereen kris kras door elkaar sliep. Om zes uur was het ochtendappèl. Het was een ochtend met koud licht, er was geen zon te zien. Tiet en haar vriendinnen vertrokken het eerst. Wij volgden met busjes en de bewoners. Om half zeven zetten de dames hun betonschaar in het hek achterom. Daarna reden we tot aan de achterdeur en ook die gaf zich in een mum van tijd gewonnen. Mar ging met de plattegrond in de hand voorop en liet de nieuwe bewoners zien waar ze vanaf die dag zouden wonen. Daarna gingen de busjes terug om meubels, matrassen en keukenspullen op te halen. Alles liep gesmeerd. Bij de tweede rit namen we Conchita en de kinderen mee. Ze keken hun ogen uit. Ze renden door de lange gang, sprongen van het podium, speelden met de gordijnen in de aula en met de klimrekken in de gymzaal. De meiden van de kraakploeg zaten al met een kop koffie in de hand te roken. Ik ging boven kijken, naar de kamers die er al bewoonbaar uit zagen. Het ging te goed, het was te rustig. In de paar minuten die volgden gebeurde er van alles. Het begon met tumult in de gang beneden. Schreeuwende mannen, gillende vrouwen en blaffende honden. Daarna huilende kinderen. Ik rende met Mar naar de trap en keek omlaag. Beneden, tegenover ons in de gang stond Tiet dreigend met een koevoet te zwaaien. Achter haar de verschrikte Conchita en haar dochtertjes. Ik keek op de ruggen van vier mannen die onverstaanbare dingen schreeuwden naar de vrouwen. Ze hadden honkbalknuppels waarmee ze sloegen op de dozen met serviesgoed. En ze hadden twee herdershonden, die hijgend op hun achterpoten hingen aan hun strakgetrokken riemen. Ze blaften om het hardst. Ik hield stil omdat ik niet kon overzien wat ik zag. Mar rende achter me langs, Willem en Wessel stormden omlaag. Een van de mannen keek verrast om en liet de hondenriem schieten. Meteen sprong het beest toe op het meest weerloze slachtoffer, het jongste dochtertje van Conchita. Het gekrijs was huiveringwekkend. De man zonder riem keek verbijsterd toe hoe zijn hond de tanden zette in het linkerbeen van het meisje.

"Af, Tiger. Af!", riep hij vergeefs, maar bleef verder staan waar hij stond.

Conchita greep de riem probeerde het beest weg te trekken terwijl ze hem in het Spaans vervloekte. Het werd er alleen maar erger. De hond rukte de riem los en sleurde het meisje een paar meter verder langs een spoor van bloed en kwijl. Hij liet zich zijn gillende kluif niet afpakken. Bernie liep er op af, maar in plaats van redding te bieden begon de idioot foto's te maken.

Verder stond iedereen als bevroren, tot Tiet naar voren kwam. Ze sloeg wild om zich heen met de koevoet. Ze mikte op de kop van de hond en raakte bijna het meisje. Maar ze trof doel, het beest liet onmiddellijk los en kwam op haar af. Ze mepte om zich heen alsof het breekijzer een golfclub was. Ze sloeg raak, keer op keer, totdat het jankende dier met een bebloede kop afdroop. En opeens waren de mannen weer verdwenen, zo snel als ze gekomen waren. We deden geen poging om ze tegen te houden. Afgezien van de chaos, de scherven, het bloed en het gesnik had het een boze droom kunnen zijn. Ware het niet dat er een meisje van vijf jaar lag te snikken met een grote open wond. Je kon het bot zien liggen. Ze jammerde zacht voor zich uit, beduusd van wat er gebeurd was. Conchita brulde de hele tent bij elkaar en viel Mar in de armen, terwijl ze hemel en hel aanriep. Een van Tiets vriendinnen verbond de wond zo goed en zo kwaad als dat ging en iedereen kreeg water te drinken voor de schrik. We waren allemaal aangeslagen. De hele geoliede machine was tot stilstand gekomen. Je hoorde de bewoners denken: waar zijn we aan begonnen. En wij dachten hetzelfde: waar hadden we ze toe overgehaald. Na een half uur van wonden likken zei Willem:

"Ik denk dat er nu snel nieuwe sloten in moeten."

Daarmee kwam de machinerie weer krakend op gang. Tiet ging met haar meiden aan de slag en Mar reed Conchita met haar dochters naar de eerste hulp. Ondertussen ruimden we de vernielde spullen op en pakten de rest uit. Er volgde een discussie of we geen aangifte moesten doen. Wessel was vóór een aangifte wegens mishandeling en huisvredebreuk.

"Ik zou maar niet meegaan als ik jou was", zei Mar, "Misschien hebben ze voor jou ook nog zo'n aanklacht klaarliggen, Castermans!"

Tiet vond ook dat geweld tegen vrouwen en kinderen altijd aan de kaak moest worden gesteld. Willem was tegen aangifte. Natuurlijk op principiële gronden:

"Je doet toch geen beroep op een rechtssysteem dat je eigenlijk afwijst! De volgende keer komt het geweld van hun kant en op wie doe je dan een beroep?"

Na ruim twee uur kwamen Conchita en Mar terug. Het meisje had een hechting, een tetanusprik en een ballon gekregen. De wond was minder erg dan het op het oog leek, maar Conchita's woede was alleen maar gegroeid. Ze eiste wraak, en daarmee voelden we ons opgelaten. We dachten aan de gevaren waaraan we haar dochters hadden blootgesteld. We wisten niets beter te bedenken dan toch maar aangifte te doen. Daar ging Mar weer, op naar de politie. Wessel bleef op zijn post in de school.

****

Ik ging mee om de busjes terug te brengen. Onderweg waren we nog vol van het heldhaftige optreden van Tiet. Maar eenmaal thuis op de Iep kwamen de vragen. Waar kwamen die mannen vandaan? Iemand had ons verlinkt, dat kon niet anders. Natuurlijk was het Willem die erover begon:

"We moeten de schoft hebben die dat gedaan heeft. Je stuurt toch geen honden op onschuldige kinderen af. Degene die gelekt heeft, die heeft bloed aan z'n handen."

De verdenkingen kwamen los. De werkwijze met de vriendengroepen gold als een waarborg tegen verraad. De verdachtmakingen gingen dan ook in de richting van Iepers met weinig vrienden: Frans en Cor. Frans had zich nergens mee bemoeid en wist niks, dus kwamen we uit bij Cor.

"Hij zal het niet uit overtuiging hebben gedaan", schatte Willem in, "Maar iemand als Cor, die slaat meteen door. Die jongen is gewoon te schijterig. En hij wist van waar en wanneer."

"Cor is een zwakke schakel, okay", beaamde Bernie."Maar wie had interesse daaraan. En hoe kwam hij bij Cor? Dat is niet dowdelijk."

We moesten hem ondervragen. Maar Cor was in geen velden of wegen te bekennen. Tot Ida naar de wc moest. Die was bezet.

"Cor?", vroeg ze.

"Ga weg"zei Cor.

Ida vroeg wat er aan scheelde. Geen antwoord. Willem probeerde het, Bernie praatte op hem in.

"Kom eruit, Cor. Dan kunnen we erover praten "probeerde ik.

Geen reactie. Na een minuut of tien stilte schreeuwde Cor opeens:

"Ik ben geen verrader".

"Niemand noemt jou een verrader", zei Bernie.

"Jawel. Jullie, allemaal. Ik heb het gehoord."

Willem probeerde het overwicht van de schoolmeester.

"Cor, hoe lang dacht je daar te blijven zitten? Je komt er nù uit. Ik tel tot drie. Een.... Twee....".

"Laat me met rust. Ga-weg-ga-weg-ga-weg-ga-weg-ga-weg."

En dat bleef hij scanderen, als een dreinend kind dat niet naar zijn ouders wil luisteren. Na een tijdje viel het stil.

"Cor?", probeerde Ida nog een keer, "Als je wilt stuur ik de anderen weg. Dan kunnen we samen praten. We doen je niets, echt niet."

Het haalde niks uit. Na nog een kwartier doelloos afwachten stelde ik voor om de Wc open te breken.

"Ben je gek", zei Willem", we gaan de boel niet slopen."

"We slopen niks", zei ik, "Truc met de scharnieren!"

Ik haalde de deur moeiteloos uit de sponningen. Daar zat Cor in zijn blote kont, gehurkt, met zijn voeten op de wc-bril. Ineengedoken als een bang vogeltje. Wat was die jongen mager. Ik kon zijn ribben tellen.

"Kom Cor, kom er maar af."

Hij bleef zitten, als versteend, met ogen die in het niets staarden.

"Wat doen we? Je kan die stakker zo niet laten zitten."

Cor was een lijdend voorwerp geworden. We spraken al over hem in de derde persoon. De derde persoon zat te rillen.

"We stoppen hem in bed. Bernie's bed", bedacht Willem.

Dat was het dichtste bij. Samen tilden we hem van de pleerand. Ik raakte onderhand aardig bedreven in het van de pot helpen van volwassen mannen. Misschien was ik toch beter verpleger geworden. Cor gaf niet erg mee, maar hij was niet zwaar. Hij rook in elk geval beter dan Rudy Venema. Eenmaal in bed, deed hij zijn ogen stijf dicht. Ik zou er kramp van krijgen, maar hij hield het heel lang vol. Willem vertrok:

"Ik moet weg, mensen. Sectievergadering op school."

Ik bleef achter met Ida. Wat moesten we nou toch aanvangen met Cor?

"Kunnen we niet iemand bellen? Een psychiater of zo. Ik weet niets van de geestelijke gezondheidszorg."

"Ik ook niet", zei Ida, "Ik ben al blij als ik mezelf overeind kan houden."

We probeerden nog een paar keer om hem aan de praat te krijgen, maar zonder succes. Iemand moest de wacht bij hem houden. Hij kon wel gekke dingen doen, in de toestand waarin hij verkeerde. Wat we verder met hem aan moesten wisten we ook niet. De anderen gingen weer, terug naar de school. Ik bleef alleen achter bij Cor. Hij had geen vin verroerd sinds het moment dat we hem in bed hadden gelegd. Het bleef doodstil tot bij achten, toen Bernie en Wessel binnen kwamen. Plotseling kwam Cor overeind en keek wild om zich heen. Toen hij Wessel zag vloog hij hem om de hals en begon te huilen.

"Ik was zo bang", schokte Cor.

Wessel legde zijn arm om het grote blote kind op zijn schoot. Hij sloeg de deken om, als een vogel die de vleugels om het kuiken slaat. De tranen liepen Cor langs de wangen.

"Ik was bang, Pappa, zo bang."

****

Het ging fout met Cor. De dokter schreef hem iets voor om rustig te worden. Konden wij ervoor garant staan dat er constant iemand bij hem was? Dat konden we niet. Als dit vaker gebeurde, dan moest Cor professionele hulp gaan zoeken, vond hij. En voordat hij wegging, suggereerde hij dat een kraakpand misschien niet de meest rustige omgeving was voor een jongen als Cor.

"We moesten ons rot schamen", vond Wessel, "We springen in de bres voor iedere onderdrukte minderheid: vrouwen, homo's noem maar op. Maar als iemand hier in huis niet zo goed gebekt is, dan walst iedereen daar overheen. Hij mag niet meedoen, maar als het fout gaat krijgt hij wel de schuld. De hele mentaliteit hier valt me zo tegen. Dit is toch ongeveer wel het dieptepunt. Wat doe ik hier eigenlijk nog? Gadverdamme!"

Ikwist niet wat ik moest zeggen.

"Ik ga even langs Glenn", zei ik, "Hebben jullie gegeten?"

Niemand had verder honger. Bij mijn terugkeer was Cor wakker. Ik dacht dat hij voor uren gedrogeerd was, maar Wessel had hem wakker gemaakt. Hij was goed aanspreekbaar.

"Sorry voor alles, Mathieu", piepte hij, "Ik ben zo moe. Ik heb wel raar gedaan, hè? Maar ik heb echt niets losgelaten, tegen niemand. Je gelooft me toch wel, Mathieu?"

Hij had hij me nog nooit bij mijn naam genoemd. Het was sowieso meer tekst dan ik ooit achter elkaar van hem gehoord had.

"De dokter zegt dat je rustig aan moet doen. Doe maar rustig. Wil je ook wat eten?"

Maar hij sliep al weer. Niet lang daarna ging Cor terug naar zijn ouders in Heemskerk. Het was de tweede mislukte poging om op eigen benen te staan. We hebben hem niet meer terug gezien. Dat was het eerste teken dat het op zijn eind liep met de Iep. Er viel één blad van de boom, er zouden er meer vallen.

20 Streetfighting Men

Eigenlijk was de actie een groot succes. Bernies foto's van het huilende meisje met de hondenbeet haalden alle kranten. De wethouder kondigde publiekelijk aan dat de pensions op korte termijn zouden worden gesloten. Alleen was er geen feeststemming toen we gingen evalueren. Mar bleef op haar post in de school, bij Conchita. Verder ontbrak niemand, ook de dames van de kraakploeg niet. Het werd een donderpreek van oudtestamentaire proporties. Wessel was kwaad op zichzelf. Hij was kwaad op ons allemaal en dat liet hij weten ook. Aan de voorbereiding lag het niet en ook niet aan Tiets heldhaftige gedrag. Het lag aan ons. Wij hadden Cor uitgekotst omdat hij nooit zijn mond open deed. Wessel liet een grote massieve woede over ons neerdalen, met stokslagen van verontwaardiging en striemende commentaren op iedereen die het woord durfde te nemen. Hij was zo kwaad, dat het me bijna de adem benam. Willem begon te doen waar hij goed in was: een openbare biecht. Wessel veegde hem aan de kant. Tiet probeerde een tegenaanval maar werd moeiteloos in de hoek gevloekt. Haar vriendinnen hadden geen idee waar het over ging. Ze slopen weg, maar werden teruggecommandeerd. Alle drift die Wessel in zich had kwam naar buiten, samengebald in een grote morele vuistslag. De Iep stond voor niets anders dan het recht van de grootste bek. Hij had het met ons gehad. Daarna werd het stil in huis. Het hart was eruit. De Iepers begonnen het pand te mijden als een plaats van schaamte. Of ze waren bang Wessel tegen het lijf te lopen, dat kan ook. Maar hij liet zich amper zien. De situatie bij de school stabiliseerde snel. Het schoolbestuur beloofde de pensionbewoners ongemoeid te laten, althans tot het pand definitief een andere bestemming kreeg. Ondertussen zou de Gemeentelijke Dienst Herhuisvesting zich inspannen om vervangende woonruimte te vinden.

Mar zat er constant. Ze hielp om de lokalen bewoonbaar te maken. Ze gaf Nederlandse les aan Conchita met haar kinderen. Ze kookte maaltijden voor de hele groep. Zelf was ik vanaf begin april veel te vinden in het Heftige Huis. Dat was een woonwerkpand in de buurt. Ze hadden een eigen drukkerij: de Heftige Pers. Die maakte vooral zeefdruk: affiches en T-shirts. Leuk werk, maar alleen voor beperkte oplagen. De grote man was Gijs, een fanatieke actievoerder met grote plannen. Koninginnedag was in aantocht. Prinses Beatrix zou tot koningin worden gekroond. De kraakbeweging was niet van plan dat zomaar te laten gebeuren. 'Geen woning, geen kroning'werd het motto, en daar hoorde veel Heftig drukwerk bij. Toen Maria een nieuwe offsetmachine kocht voor de drukkerij thuis nam ik de oude Multilith 1850 mee. Die was meer dan welkom bij de Heftige Pers. We probeerden hem zo snel mogelijk operationeel te krijgen en ik leerde iedereen hoe je het ding bedienen moest. En zo had iedereen zijn bezigheden.

****

Bernie leefde feitelijk nog steeds vanuit de rugzak waar hij anderhalf jaar eerder mee gekomen was. Veel zat daar niet in. Wat T-shirts, een slaapzak en de drie spijkerbroeken die hij bij toerbeurt aan had. 's Winters droeg hij een warme jas van Wessel. Verder had hij nauwelijks bezittingen. Hij had ook nauwelijks inkomsten. In het begin had hij nog een soort van visum of vergunning waarmee hij in elk geval via uitzendbureaus aan werk kon komen. Toen de geldigheid daarvan verstreken was, rekende hij op de betalingen van het Canadese tijdschrift dat af en toe iets van hem publiceerde. Dat bracht vrijwel niets op. Maar zijn leven in de Iep was niet duur. We woonden er gratis en hij was aangenaam gezelschap, niemand deed moeilijk als Bernie meeat en meedronk. Er kwam wel eens wat geld van zijn zus uit Bologna en dan trakteerde hij. Het had zo nog jaren door kunnen gaan, maar het was opeens voorbij.

"Mijn zus is klaar met haar studie. Ze gaat terug naar huis, en ik ga mee", liet hij weten, "Ze komt me zaterdag ophalen."

Ik was overdonderd. Bernie was een onvervreemdbaar onderdeel van de Iep. En de Iep was zijn leven. Hij at ons eten, sprak onze woorden, dacht onze gedachten. Hij had verbijsterend snel de taal geleerd en bemoeide zich met alle discussies alsof hij nooit anders gedaan had. Hij was er vanaf het begin en hij was er altijd. Ik had hem zien komen als een naïeve, bijna doorzichtige verschijning met lange spierwitte haren. Ik had hem zien veranderen in een uit de kluiten gewassen jongen met een stoppelbaard. Ons kleine broertje dat volwassen was geworden. We konden hem niet zo maar laten vertrekken. Een afscheidsborrel was wel het minste wat we konden doen. Vrijdagmiddag ging ik met Mar en Giel aan de slag. We haalden drank en we maakten hapjes. Bernie hielp zelf mee. Natuurlijk, dat deed hij altijd. Ida was de eerste die zich afmeldde. Ze ging naar de verjaardag van haar moeder in Veldhoven. Halverwege de middag kwam Tiet om te zeggen dat ze echt niet kon komen die avond. Willem moest al meteen na het eten weg. Pluis lag op haar bank en sliep en Frans liet zich helemaal niet zien. De enige levendigheid kwam van buiten. Giel had het hoogste woord en de twee bewoners van het Heftige Huis die ik had uitgenodigd lieten zich het eten goed smaken. Wessel was wel aanwezig, drie uur lang, van zeven tot tien. Ik denk dat hij welgeteld tien woorden gesproken heeft. Pas toen hij vertrok ontdooide de sfeer iets. Het werd niet laat die avond.

****

Hoe het verhaal in de wereld kwam weet ik niet. Ik was waarschijnlijk een van de laatsten die het hoorde. Pluis kwam ermee:

"Ja, ik weet het niet hoor. Het is toch gek dat hij opeens halsoverkop weg wilde? Waarom zo'n haast... Alsof hij bang was dat we erachter kwamen. Ik vind dat wel verdacht. En ik niet alleen, hoor. Ze zeggen het allemaal."

Opeens leek iedereen zeker te weten wie onze kraakactie verraden had. Maar Bernie was wel de laatste waar ik aan zou denken. Als het om verdenkingen ging, dan wist ik er ook nog wel een paar:

"Bijvoorbeeld iedereen die bij de voorbereiding betrokken was. Jij zou het kunnen hebben verlinkt, ik ook. Het was praktisch Bernies idee om die school te kraken."

"Daarom juist", hield Pluis vol, "Hij wist van alle plannen, vanaf het begin."

"Dan kun je net zo goed Wessel beschuldigen. Die wist wanneer en hoe laat en alles."

Daar reageerde ze niet op. Ze zweeg een beetje ongemakkelijk. Beschuldigen was ook niet haar specialiteit. Ze vertelde ook maar wat ze gehoord had. Willem nam het over:

"Weet je nog die avond dat ik vertelde hoe ik dat schoolbestuur had uitgehoord. Vond je Bernie toen niet overdreven nieuwsgierig? Hij wilde alle details weten. Hij vroeg bijna het telefoonnummer van die vent."

"Dat is toch logisch", zei ik, "Hij moest een veiligheidsplan maken, dat was Bernies taak. Dan zal je toch alle mogelijke risico's moeten kennen."

"En vlak daarop had hij opeens geld. Hij had nooit geld."

Als Willem met stemverheffing sprak, dan kwam het geluid uit zijn neus. Was hij verontwaardigd dan produceerde die neus een onaangename piepende bijklank.

"Dat had hij van zijn zus", hield ik vol.

"Dat zegt hij. Ik geloof hem niet."

De doorleefde kop met het litteken keek me dreigend aan. Ik werd geacht Willem in zijn overtuiging te volgen. Ik begreep al die achterdocht niet:

"O ja? En waarom beginnen jullie daar nu over? Dan had je het meteen moeten zeggen, toen hij er nog was."

"Alsof je daarvoor de kans krijgt, hier in huis", zei Willem ineens een stuk meer bedeesd en hij mompelde er iets achteraan.

"Wát zei je?", vroeg ik.

"Laat maar", zei Willem en hij liep weg.

Ik herhaalde wat ik dacht dat hij zei:

"De dòminee?"

"Zo noemen ze Wessel", zei Pluis.

****

Een paar dagen later belde Maria.

"Hallo, we zijn nu in Eindhoven, we moeten hier overstappen. We zijn rond twaalf uur in Amsterdam. Halen jullie ons op van het station?"

Ik was het glad vergeten. Ze had het er over gehad, dat ze langs wilde komen met moeder. Ze had ook de datum genoemd. Maar ze zou nog bellen om het af te spreken en ik had kunnen weten dat ze dat niet deed. Wessel was bij Mar in de School. Daar was geen telefoon, ik zou erheen moeten fietsen. Natuurlijk wist Wessel ook van niets. Ik viel binnen op een ongelukkig moment. Wat Mar betreft was ik welkom, ze zocht bijval.

"Tjeu. Moet je nou eens even luisteren. Is dat nou normaal? Jij bent een man, misschien snap jij dat. Je broer en ik hebben ruzie, want ik ben dat doodshoofd zat. Ik woon samen met een zombie, weet je dat? Die man ademt, maar hij is dood. Je kunt er niet mee praten, het zegt niks terug. En dat probeert hij goed te maken met een partijtje neuken. Daar heb ik dan even helemaal geen zin in. Als jij je bek niet opentrekt, laat dan de rest ook maar zitten. Dit is toch geen relatie meer, man. Je lijkt wel niet wijs. Leg jij me dat nou eens uit, Mathieu."

Dat kon ik niet. Mars mollige meisjeshoofd liep rood aan en ze sprak met schelle stem. Ze gooide haar armen theatraal in de lucht en toonde de grote zweetplekken onder haar oksels. Ik zag hoe haar BH zich aftekende in het ingesnoerde vlees en ik zag een beginnende onderkin. Nee, dat wie dan ook met haar de liefde wilde bedrijven, dat was een raadsel. Ze zagen er allebei deerniswekkend uit, ook Wessel met zijn kop als een overwoekerde steengroeve. De woeste berg van haar verborg zijn gezicht, maar ik zag genoeg om te weten hoe het met hem ging. Hij was weer terug in de fase van roken, koffie en niet-slapen. Ik kreeg een visioen van een echtpaar op leeftijd, waar jaren van ruzie zich hadden vastgezet in de verzuurde gelaatstrekken. En daar mocht moeder straks getuige van zijn.

"Kun jij me dat eens uitleggen, Mathieu? Hoe komt het toch dat jullie nog kunnen neuken als er verder helemaal niks meer is? Ik begrijp dat werkelijk niet. Jullie kunnen van bil gaan met de vrouw van je broer, of met de eerste de beste hoer van achter een raam. Het maakt allemaal niks uit. Maar gewoon menselijk contact, dat is teveel gevraagd. Ik begrijp dat werkelijk niet."

Dat zei ze over Wessels hoofd heen.

"Mens, drijf toch niet alles op de spits", ontvlamde hij, "Jij wilt altijd maar praten. Ik word daar gek van. Soms weet ik echt niet hoe ik iemand moet vertellen wat er in mij omgaat. Sorry. Dat is gewoon niet zo gemakkelijk. Ik ben nou eenmaal niet zo'n vlotte prater. Maar ik verlang naar je. Lichamelijk, ja. Als dat er niet meer is, wat hebben we dan nog over? Je raakt me zelfs niet meer aan. Moeten we dan celibatair verder?"Daar leek het inderdaad op.

"Ach wat", zei ze schamper, "Als je wilt neuken, dan pik je maar iemand op in de kroeg. Als seks het enige is wat je nog wilt, dan moet je niet bij mij zijn. Daar doe ik het niet voor, dat is me niet genoeg. Dan kan je net zo goed vreemdgaan. Doe niet zo goedkoop, man."

"Nu moet je op houden. Ik ga nooit vreemd. Wat moet ik met een ander?"

Mar was onaangedaan.

"Als je niet meer met me praat, dan zijn we vreemden voor elkaar. Dat is hetzelfde als vreemdgaan."

"Dat is een stomme opmerking. Luister, als jij seks niet belangrijk vind, waar maak jij je dan druk over? Wat kan het jou schelen als een ander naar mij kijkt?"

"Je weet heel goed wat ik bedoel. Het is niet de seks die telt, het gaat om de relatie. Ik wil dat je met me vrijt omdat je om mij gééft, niet omdat je op me geilt. Stomme oen."

"En ik wil dat jij op me geilt", zei Wessel. "Oprechte, eerlijke wellust. Wat is daar mis mee? Een mooie vrijpartij, dat is een spirituele ervaring. Dat kan mijn hele dag goedmaken. Er zijn niet veel dingen die zo troostrijk zijn. En jij noemt dat goedkoop. Jij vertrapt de mooiste dingen, trut. Voor mij hoeft het allang niet meer. Laat maar."

Ze reageerde niet. Ik wachtte af. Wessel liep naar de andere kant van de kamer en stak een sigaret op. Hij ging verder, met zijn rug naar haar toe:

"Voor een goed gesprek kan ik overal terecht. Dat kan ik met Boogaerts of met Mathieu. Voor mijn part met een oud vrouwtje in de tram. Dat kan heel inspirerend zijn, maar dat is niet waar ik naar hunker. Vrijen doe ik niet met iedereen, dat doe ik met jou. Dat is nou net het leuke van neuken."

Dit was nieuw. Hij was dus ook van vlees en bloed. Voor het eerst hoorde ik Wessel over iets wat hij zelf wilde. Maar of dat nu positief was of niet, dat was me niet duidelijk. Mar zei niks en liep weg.

****

We trapten stevig door, op het station werd op ons gewacht.

"Gaat het altijd zo tussen jullie, tegenwoordig?", vroeg ik.

"Het zit niet goed", antwoordde Wessel."Het komt niet door Mar, dat weet ik wel. Het komt door mij. Ik moet meer praten, zegt ze. Maar wat ik probeer te zeggen interesseert haar niet, ze wil alleen haar eigen verhaal kwijt. En daar kan ik mijn aandacht weer niet bij houden. Mij kun je voorlopig beter met rust laten. Misschien moet ik maar niet meer naar de School gaan. Hoe is het op de Iep?"

"Mwa", zei ik, "Chagrijn en gemopper. Daar word je niet gelukkig van."

"Maar daar laten ze me wel met rust", overwoog Wessel.

Ik aaarzelde. Moest ik hem vertellen dat hij niet erg welkom was op het moment? Ik vertelde hoe de stemming jegens hem was gekeerd.

"De dominee."

Wessel herhaalde het woord.

"Dominee."

De aanzet tot een lach bleef hangen in zijn verbazing. Hij begreep het niet, zoals hij ook nooit het ontzag begreep dat de andere Iepers voor hem hadden:

"Maar waarom dan? Je denkt toch niet dat het iemand echt iets kan schelen wat ik van ze vind?"

"Natuurlijk doen ze dat wel", zei ik, "Zo'n donderpreek van vorige maand, dat gaat niemand in zijn koude kleren zitten."

"Dat vind ik dan een erg onvolwassen reactie", zei Wessel, "Wat wij Cor met zijn allen hebben geflikt, dat was een terechtstelling, een soort sociaal vuurpeloton. Of je schaamt daar terecht voor. Of je haalt je schouders op. Maar je sluipt niet door het huis omdat je bang bent dat je mij tegenkomt. Zoveel macht heb ik niet."

"Dat heb je wel, Wessel. Misschien is het charisma, misschien iets anders, ik weet niet hoe je het doet. Maar als jij je in een discussie mengt, dan begint er iets te schuiven. Ik heb mijn eigen gedachten niet meer in de hand. Die bestaan niet meer op zichzelf, alleen nog in relatie tot die van jou. Jouw mening, dat is een monument op een sokkel en daaromheen liggen brokstukken van mijn ideeën. Wat vond ik er ook al weer zelf van? Ik weet dat dan niet meer zo precies. En zo werkt dat niet alleen bij mij, maar ook bij Ida, bij Willem, bij Tiet, bij iedereen."

"Dan moet je nadenken", begreep Wessel, "Dat is niet erg. Dat moet ik ook. Doorlopend."

"Nee, door jou kan ik juist niet meer denken. Ik raak de draad kwijt."

"Dat doe ik toch niet, dat doe je zelf", hield hij vol, "Maar het komt wel door jou. En dat werkt ook zo bij de anderen. Het is iets wat jij teweeg brengt."

"Ach, schei toch uit. Dit wil ik niet. Je denkt maar zelf na. Je gaat geen dingen doen omdat ik ze zeg."

Nu moest ik even achter hem gaan rijden, anders kwamen we tussen de tramrails terecht. Bij het stoplicht reed hij weer naast me. We reden het Museumplein op.

"Maar zo werkt het niet, "zei ik, "Het is iets wat ik niet zelf sturen kan. Luister. Als een buitenlander mij de weg vraagt naar het Rijksmuseum, dan is mijn Engels fantastisch. Behalve bij een Engelsman. Dan sta ik te hakkelen en ik vergeet de simpelste woorden. Zo werkt het. Jij bent nogal dominant, daar wordt een ander klein van."

"Mathieu, ik hoor dit voor het eerst. En ik weet niet wat ik moet zeggen. Je maakt een dictator van mij en dat ben ik niet. Het heeft meer met jullie te maken dan met mij. Jullie voelen je schuldig en je bent bang dat je op je kop krijgt. Dat is een erg kinderlijke reactie. En dan ben ik de boeman. Maar die maken jullie zelf. Dat ben ik niet."

Terwijl hij sprak viel me op hoe zeer hij op vader leek. Dezelfde stem, dezelfde klank. Dezelfde manier van praten ook. Al begon zijn accent minder zuidelijk te worden. Ik vroeg me af hoe Limburgs ik zelf nog klonk.

"Dus het heeft niets met jou te maken?", vroeg ik.

"Helemaal niets. Je hebt helemaal geen idee van mij. Ik trouwens ook niet van jullie. Ik val er buiten. In jullie plaatje ontbreekt een boeman en dan ben ik de boeman. Alle ongerijmdheden horen bij elkaar. Je doet alsof ik overal mijn stempel op druk, maar je hoort of ziet me amper. Je kijkt door me heen, je ziet alleen de achtergrond. Ben ik soms van glas?"

****

Voor het station stond een hele groep aanhangers van de Baghwan, een Indiase goeroe waar bekende Nederlanders nogal mee wegliepen. Die namen dan een Indiase naam aan, droegen rode kleren en ze waren blij. Jo was niet blij.

"Waar bleven jullie nou", mopperde hij, "We staan hier al drie kwartier te wachten."

Ik wist zeker dat Jo alleen maar was meegekomen uit sensatiezucht. Hij wilde graag met zijn eigen ogen zien hoe dat eraan toeging, in zo'n kraakpand.

"Zeg jij nou maar niks", beet ik terug, "Hoe lang woon ik in Amsterdam? Ruim twee jaar. En al die tijd ben je nog niet één keer langs geweest. Dan kan je toch nou ook wel even wachten?"

"Jongens, begin nou niet onmiddellijk weer, hè "suste moeder, "Laten we gaan."

En zo baanden we ons een weg terug door de rode menigte.

"Verrek", zei Wessel, "Als we daar onze Lucas niet hebben. Zo was het toch, Lucas?"

Het was 'm. Hij keek ons lachend aan. Dat was niet persoonlijk bedoeld, onze oude vriend schonk iederéén een royale rode lach. Maar daarna begon het hem toch te dagen.

"Ach ja, het Vondelpark!"

De lach bleef, maar veranderde van kleur. Maria bekeek hem met provinciaal wantrouwen, moeder en Jo liepen door.

"Jullie waren die twee broers. Wat hebben we toen zitten bomen, niet? En die vriend van jullie."

"En nu? Heeft God afgedaan?"vroeg Wessel.

Lucas moest glimlachen om zijn verleden.

"Nu zijn we weer een fase verder. Je moet open staan, blijven groeien. Baghwan heeft me geopend. Die man is echt Amazing. Echt waar. Dat moet je ervaren. Iemand die je kan laten huilen en lachen tegelijk. Ik ben naar hem toe gegaan. Hij kijkt je aan en hij kent je. Die blik alleen al. Hij raakt je, diep van binnen. Het doet er niet toe wie je bent en wat voor shit je met je meedraagt. Laat het los, zegt hij. Gewoon loslaten. We houden ons allemaal krampachtig vast aan ons individuele egootje. Allemaal onzin, zegt Baghwan. Gewoon loslaten. Nou, dat was een enorme bevrijding."

Hij zag er een stuk gelukkiger uit dan toen hij nog in de Here was. De ontvangst bij de Iep was met koffie en inderhaast gekochte appeltaart. Moeder was aangenaam verrast. Het pand zag er schoon uit, en er was zelfs een aparte ruimte voor de meisjes! Jo was lichtelijk teleurgesteld, het was niet de permanente orgie die hij zich had voorgesteld. Er hing alleen een poster met een magere blote griet op een motorfiets. Moeder mam bekeek de foto en sprak ruimdenkend:

"Nou ja, jongens blijven jongens. Zo is de natuur, zeg ik dan maar. Het ziet er in elk geval veel netter uit dan in die vieze studentenflat, Wessel. Daar kon je het vet van de muur krabben."

****

Ergens in de volgende week begon Wessel te lopen. Ik had het niet meteen in de gaten. We zagen hem toch al niet veel bij de Iep en ik zat de helft van de tijd bij Gerrie en Gijs in het Heftige huis. Op een dag kwam ik Boogaerts tegen, op zijn dagelijkse gang naar de krantenwinkel. Hij vroeg wanneer we weer eens langskwamen. Ik zei dat we dat zeker zouden doen. Ik ging er vanuit dat Mar zich weer met hem verzoend had en dan zou hij wel weer in de School zitten. Tot Mar belde dat ze hem zocht. Ik vroeg wat in het rond. Tiet had hem een keer horen thuiskomen, ze was er wakker van geworden. De volgende ochtend bij het ontbijt bleek hij al weer verdwenen. Maar toen ook Pluis vertelde dat ze gesnurk had gehoord uit Wessels kamer, dacht ik er verder niet meer aan. Een paar dagen later keek ik voetbal bij Giel. Sinds het vertrek van Bernie was hij niet meer bij mij geweest.

"Is het nog steeds zo'n dooie boel bij jullie?", vroeg hij terloops, terwijl zijn aandacht uitging naar Simon Tahamata, die tegen de lat schoot.

Ik knikte.

"Een dooie boel", beaamde ik, "Ze knijpen hem allemaal voor Wessel. Terwijl hij nauwelijks thuis komt."

"Buitenspel!", riep Giel, "Zag je dat? Die scheidsrechter heeft stront in zijn ogen!!!"

Ik had het niet gezien. Giel wel, maar die was voor de tegenpartij en dan let je op andere dingen. Ajax scoorde.

"Shit", zei Giel en hij keek mijn kant op.

Even had het spel geen vat op hem.

"Ik dacht dat ik hem van de week zag bij de spoortunnel. Er stond zo'n zwerver in een prullenbak te graaien. Ik fiets langs en ik zie een gezicht, in een flits. Het was net Wessel. Gek hè, dan word zo'n kerel ineens een individu."

Daarna opende Ajax een nieuwe aanval op het vijandelijke doel.

****

De beklemming die Wessel opriep bij de Iepers zakte weg, dankzij zijn voortdurende afwezigheid. Eind april kwam Giel langs met een fles Berenburg. Onze econometrist wilde vieren dat hij het hele derdejaarsprogramma al had afgerond. Dom was hij niet, op zijn manier. Het was een zachte lenteavond en het was drukker op het platje dan het in tijden geweest was. Zelfs Tiet liet zich trakteren. Boven onze hoofden vlogen helikopters af en aan. De conversatie werd steeds weer onderbroken door het geraas van de rotorbladen. Dat luchtruimgeweld maakte deel uit van de uitgebreide veiligheidsmaatregelen rond de kroning van Beatrix. Gijs was er ook. Het militante geweten van het Heftige Huis irriteerde zich mateloos.

"Ze doen het erom", zei hij, "Amsterdam houdt niet van het koningshuis. Daarom willen ze die poppenkast uitgerekend hier. Kan dat niet in Staphorst?"

Ik had moeite met die jongen. Hij had zijn leren jackie hard nodig om indruk te maken, want als hij hem uit deed bleef er niet veel over. Het was een klein opdondertje met een puntneus, met priemende ogen en een vlasbaardje dat niet groeien wilde. Zijn kwaadheid was van een soort waar je niets tegenin durft te brengen. Natuurlijk had hij gelijk, natuurlijk was het allemaal intimidatie en repressie. Gijs had aan zichzelf genoeg, wij waren gereduceerd tot klapvee.

"Het is één grote provocatie. Oranje viert feest en of de bevolking even wil oprotten. Ja, behalve Fentener van Vlissingen, behalve Freddy Heineken. Die zijn welkom. Wij niet. We zijn bezet gebied. Je komt de binnenstad niet in zonder pasje. Bij het Handelsblad kunnen ze de deur niet uit of ze worden gefouilleerd."

Het Handelsblad was een kraakpand vlak achter het koninklijk paleis. Gijs kende een paar van de kunstenaars die er woonden. Hij wachtte even op de zoveelste heli en brieste verder:

"In hun eigen straat. Alsof we hier in Chili zitten. Er staan camera's op de ramen gericht. Er wordt gepatrouilleerd met honden. Ze willen ook scherpschutters op de daken zetten."

"Honden. Dat zou Wessel leuk vinden."

Ik dacht het gesprek een andere kant op te sturen. Dat lukte na een onderbreking door de zoveelste wentelwiek.

"Ik snap niet wat Wessel tegen honden heeft", zei Giel.

"Het gaat over politiehonden, Gilles", verduidelijkte Frans.

"Ik hou van honden. Jullie weten niet wat het is om een hond te hebben."

Tiet beaamde dat.

"Je hebt gelijk. Het zijn schatjes, vraag maar aan Conchita."

"Nee, serieus", probeerde Giel, "Ik had vroeger een boxer. Tarzan, een hartstikke lief beest."

Dichterbij bij een echt gesprek met Tiet was hij nog nooit geweest.

"Reu of een teef?"', wilde Pluis weten.

"Eigenlijk was het een teefje"antwoordde Giel, "Maar dat wist ik niet toen ik hem kreeg."

Tiet hàd het niet meer:

"Een teef en je noemt haar Tarzan, hoe kom je erop!"

"Een hartstikke lief beest", probeerde hij nog eens, "Als ik thuis kwam stond hij bij het hek op me te wachten. Ik hoefde mijn schoenen maar te pakken of hij stond al bij de deur. Hij wilde altijd mee."

Tiet had beet:

"Zo ver heb je het bij de meiden nog niet geschopt, hè Giel. En dan moest je met haar mee om haar te laten poepen."

"Al dat gezeur over hondenpoep. Dat komt omdat jullie uit de stad komen. Jullie zijn niks gewend. Zo'n beest moet poepen, ja! Dat doen alle beesten. We hadden geiten, dus ook geitenkeutels. En koeienvlaaien, kippenstront, paardenvijgen. En dan had je hondenstront. Nou en? Daar wen je aan."

"De geneugten van het boerenleven."

Giel gaf het op. Serieuze medestanders kreeg hij niet. Hij gooide het over een andere boeg.

"Nee, weet je wat lekker is? Dan moet je je sokken uit doen en dan ga je er zo instaan. Dat is lekker, joh. Het moet wel een verse zijn, dat-ie nog warm en zacht is. En dat het dan zo heerlijk tussen je tenen omhoog komt. Moet je eens proberen, zalig."

"Ik weet niet wat ik morgen doe", zei Pluis na de volgende heli, "Ik was eigenlijk van plan om te gaan knippen op de vrijmarkt. Maar dan had ik nou al een plekkie moeten veroveren. Het zal wel druk worden."

"Ga mee naar de demonstratie", stelde Gijs voor.

"Hoe laat is dat dan?"

"Negen uur, bij het standbeeld van Domela."Maar dat leek Pluis toch wel erg vroeg.

***

Voor actievoerders leek het eerst geen bijzonder drukke dag te worden. Een kwartier voor aanvang had een klein groepje belangstellenden zich verzameld bij het standbeeld aan de stadhouderskade. De helft kende elkaar, de andere helft was door hun stadsredactie gestuurd. Om negen uur overlegde Gijs met twee jongens van 'de Vrije', een anarchistisch maandblad dat nog door Domela Nieuwenhuis zelf was opgericht. Ze schenen iets te maken te hebben met de organisatie.

"Nee, ik zweer het je, ze zouden er zijn", zei er één.

"We wachten nog tot kwart over", stelde Gijs voor.

"Anders gaan we er gewoon langs, en dan halen we ze op", zei de ander, "Het is vlakbij."

Er kwam ook nog een gemeenteraadslid aangekuierd. Gijs kende hem:

"Hoi Bob. Rustig, hè?".

"Zeg dat wel", zei Bob, "Zeg dat wel. Gaat er hier nog iets gebeuren? Ik hoorde dat de ME onderweg is naar de Kinkerstraat. Ze gaan ontruimen."

Dat sloeg in.

"Jezus Christus! En wij staan hier te wachten op een stelletje klojo's die niet uit hun nest kunnen komen. Godver!"

Gijs riep naar zijn collega's:

"Kom op, we gaan ze halen. En dan naar de Kinkerstraat."

"En de demonstratie dan?", vroeg het gemeenteraadslid.

"Ga je gang. Niemand houdt je tegen, Bob."

En weg was Gijs.

"Wat doen wij?"vroeg Giel retorisch. We volgden Gijs. Eenmaal op de Haarlemmerweg aangekomen bleken onze medestrijders wakker. De rest van de buurt waarschijnlijk ook. Uit het raam van de eerste verdieping galmde de voorspelbare soundtrack voor een dag als vandaag:

"God save the queen, we mean it man!
There's no future, and England's dreaming!"

Waarschijnlijk liep de hal van het Centraal Station ondertussen vol met dagjesmensen, op weg naar de kermis, de Vrijmarkt en het feestgedruis. Waarschijnlijk speelden twee meisjes met oranje strikken in het haar op dat moment voor de tiende keer het Wilhelmus op hun blokfluit. En elders in de kolkende stad wachtte waarschijnlijk een niet meer zo jonge kroonprinses op de dingen die zouden volgen.

****

Nationale feestdagen. Het kan met urenlange speeches van de grote leider. Het kan met straaljagers, die de vaderlandse driekleur uitsmeren langs het hemelzwerk. Als Nederland feest viert, is het niets van dat al. Geen parades, geen vlagvertoon. Als Nederland feest, dan wordt er gesjacherd. Dan wordt de zolder leeggehaald voor een zinloze rituele kringloop, van jaar in jaar uit dezelfde asbakken, bloemvazen, speelgoed en kinderkleding. En ook de rages waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is: verzamelingen speldjes of buttons, kangoeroestokken en skippyballen; ze wisselen van eigenaar en volgend jaar liggen ze er weer, wachtend op duizenden en nog eens duizenden feestgangers. Die schuifelen voetje voor voetje door de nauwe straatjes van de Jordaan. Soms staat het een paar minuten stil tussen de walmen van de Turkse kebab, de Vietnamese loempia's en de Chileense empanades. Straks, aan het eind van de dag, zouden gastarbeiders en andere armoedzaaiers de straten afschuimen, op zoek naar bruikbare kledingstukken en andere resten. Maar nu nog niet.

We hielden stil bij een winkel met een TV in de etalage. Daar stond de oude Juliana op het balkon van het paleis op de Dam.

"Zojuist", zei ze in een poging om het straatrumoer te overstemmen.

Dat rumoer bereikte zelfs de argeloze TV-kijker in Staphorst of Sint-Gerhardsrade. Het was niet de bedoeling dat het gepeupel de Dam zou bereiken, maar het geluid droeg verder dan de afzetting van de oproerpolitie. Wat zou er zijn gebeurd zonder die afzetting? Wat had er kunnen gebeuren? Er zouden dingen worden geroepen, die niet pasten in het protocol. We zouden een rare indruk maken op de hooggeplaatste buitenlandse gasten. En dat was het dan wel zo'n beetje. In plaats daarvan kwamen charges met wapenstok en traangas, vlogen bakstenen door de lucht en reden de ambulances af en aan. En dat werd wereldwijd live uitgezonden.

"Zojuisssst", probeerde de bejaarde vorstin nog een keer, als een schooljuf voor een te drukke klas.

Waar bleven de toejuichingen, die ze gewend was? Waarom was het volk niet stil als ze wat zei? Het was toch tijd voor de balkonscène? Het geschreeuw zwol aan tot onverstaanbare spreekkoren. Die hoorden we om ons heen. We liepen de Damstraat in. Daar verscheen een cordon oproerpolitie, dat de toegang tot de Dam aan die zijde hermetisch afsloot. We werden ten laatste male gesommeerd te vertrekken. Al hadden we dat gewild, dan konden we geen kant op. Voor ons waren er drommen, achter ons kwamen er steeds meer bij.

"ME, weg ermee"riepen ze.

Die gingen ook al niet weg.

Een eerste steen vloog tegen een wapenschild. Ik probeerde terug te wijken, maar de menigte achter mij wilde naar de Dam. Opeens rukte Giel me uit de stoet een portiek in. Daar stonden we droog, terwijl het vlak voor ons bakstenen hagelde en de wapenstokken striemden.

We stonden klem achter een groepje actievoerders. De man voor me droeg een witte motorjas. 'Support the Police, Beat yourself up!' stond er met viltstift op geschreven. Toen ze opzij gingen, zagen we ME-ers die zich hollend hergroepeerden. Eén van hen werd ingesloten door een groepje punkertjes en mepte angstig om zich heen. Overal lagen glasscherven. De Turkse eigenaar van de snackbar op de hoek was bezig om -in grote haast- houten schotten te plaatsen voor zijn winkelruiten. De volgende charge joeg ons de Bethaniëndwarsstraat in. Maar we waren ze te snel af. Ik kreeg lol in het kat en muisspel. Het ging erom zo dicht mogelijk bij de vuurlinie te komen, om je dan uit de voeten te maken zo gauw de gevechtsmachine zich ontrolde. Ik genoot van mijn eigen lichtvoetigheid. Als een jongetje in de branding, dat voor de golven uitrent. De menigte om me heen bestond allang niet meer alleen uit krakers. Er waren ettertjes van een jaar of 14 bij en zeer agressieve corpsballen. Ook de Hells Angels kwamen uit hun nabijgelegen holen gekropen en stroopten de mouwen op. Giel ontwikkelde grote handigheid in het oprapen en teruggooien van traangasgranaten, maar toch was de lucht na verloop van tijd niet meer te harden. De scherpe, zurige lucht sloeg op mijn keel en mijn ogen brandden bijna uit mijn kop. We trokken ons terug richting Kloveniersburgwal.

Even later stonden we weer voor de etalage.

"Zoals een goed koning schuldig is te doen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig!"zei de nieuwe koningin.

Ze zag er prachtig uit, met zo'n echte hermelijnen mantel. En die kroon, dat zwaard, en al die prachtige uniformen. Precies een sprookje. Ik wist zeker dat ons moeder thuis zat te kijken. Dat ze genoot van het historische ogenblik. Ze zou het jammer vinden dat vader dit niet meer had mee gemaakt. De nieuwe koningin sprak de formule uit met krachtige, heldere stem.

"Nu volgt de plechtige belofte van de Staten Generaal", legde de omfloerste omroeper uit, terwijl de camera langs gekroonde hoofden schreed, "De leden van de eerste en de tweede kamer zullen één voor één trouw zweren aan het nieuwe staatshoofd. Kijkt u ondertussen naar de buitenlandse gasten. U ziet de Engelse koningin, met Prins Phillip aan haar zijde; daar is koning Boudewijn met koningin Fabiola; koning Juan Carlos. Het is bekend dat prinses Beatrix altijd zeer vriendschappelijke relaties heeft onderhouden met het Spaanse vorstenpaar."

****

Dat het een historische moment was ontging Giel. Temidden van al het tumult liep hij nog te emmeren over Tiet. Het gesprek van gisteren had hem op gedachten gebracht.

"Ze houdt niet van honden, ze houdt van katten. Alle vrouwen houden van katten. Weet je waarom? Omdat katten zijn als mannen. Eigenwijs en onafhankelijk. Mannen houden meer van honden, want die geven liefde en ze zijn trouw. Net als vrouwen."

Kromme tenen.

"Luister, Giel. Er klopt geen hout van. Punt één. Tiet houdt misschien van katten, maar niet van mannen. Dat moet je toch een keer tot je door laten dringen. Punt twee. Wessel heeft een hekel aan honden, en die valt echt wel op vrouwen. Punt drie. Wie zegt dat vrouwen trouw zijn?"

Aan de Nieuwmarkt leken we in een andere wereld beland. Mensen zaten rustig een krantje te lezen. Iemand liep het Parool te venten, de speciale extra editie waar ze die middag een paar keer mee uitkwamen. De terrassen zaten vol en er scheen een vredig oranjezonnetje. Verderop langs de Gelderse Kade stonden gepantserde politiebussen. En bij iedere charge gulpte weer een stroom demonstranten uit de nauwe zijstraatjes de Nieuwmarkt op. Om ons heen stonden honderden hoestende en min of meer gehavende demonstranten naar adem te happen. Opeens was daar het gerucht. De toedracht was niet helder: een man of een vrouw, op het Rokin of op de Dam. Er waren verschillende versies, maar dat de oproerpolitie moedwillig iemand had doodgeslagen, daaraan werd niet getwijfeld. We wisten immers waar ze toe in staat waren. Er was een martelaar. Gedreven door een heilige verontwaardiging bewoog een hele meute zich weer richting Dam.

Een helikopter vloog over en blies flarden traangas uiteen. Ik stelde me voor hoe dat eruit zag, van boven; hoe de opgewonden menigte zich op en neer bewoog langs het stratenplan richting Dam. Het was een groot Beest, dat amechtig ademde. De kop lag in de Damstraat en zijn vele tentakels strekten zich uit langs de aansluitende straatjes en stegen van oude grachtengordel. Bij iedere charge ademde het reutelend uit, demonstranten voor zich uitspuwend; bij iedere tegenactie verslikte het zich in de terugtrekkende politiemacht. We hoorden van andere Beesten in de stad. Er lag er een over het Rokin en een enorm Beest op het Waterlooplein. Daar gingen we heen. Onderweg kwamen we langs Het Fort van Sjako, de anarchistische boekenwinkel in de buurt. We vroegen hoe het ervoor stond in de stad. Over dode demonstranten hadden ze niks gehoord, terwijl ze toch al de hele dag luisterden naar de politiezender. De hele dag scheen de zon. Toch herinner ik me het plein onder een inktzwarte hemel. Misschien komt dat door de brandende autobanden en andere rotzooi, misschien door het alom aanwezige geweld. In de Damstraat hadden we nog krijgertje gespeeld met oom agent, maar dit was geen Spielerei meer. Het meeste wapengekletter vond plaats op verharde ondergrond, op het asfalt en tussen de tramrails. Rechts daarvan lag de grote bouwplaats waar vroeger de rommelmarkt lag en het nieuwe stadhuis moest komen. Daar likten groepen demonstranten hun wonden. Het had ook wel iets van carnaval. Bij één van de vuren stond een man met een helm en een gescheurde Nederlandse vlag om zich heen gewikkeld.

Het Waterlooplein deed zijn naam eer aan; zo zal het er hebben uitgezien na de slag bij Quarte Bras. Overal geschreeuw, gewonden en vernielingen. We liepen door het tumult. Plotseling doemde van tussen de rookwolken een paard op. Een onbemand paard met glimmende bruine flanken. Het dier hield vlak voor ons stil, de neusgaten wijd open gesperd. Het keek met grote, verbaasde ogen in mijn richting. Daarna keerde het zich met een ruk om en verdween met grote snelheid in het niets. Op het asfalt vond een bizar ballet plaats. Honderden Rambo's voerden keurig in het gelid een synchrone choreografie uit, daarbij voortdurend gestoord door de rei van relschoppers. Er werd geslagen, geschopt en gescholden.

Geweld maakt partijdig. Bij een soldaat slaan de stoppen door, als zijn maten naast hem worden weggeschoten. Daar kan ik me sinds die dag wel iets bij voorstellen. Vlak bij me stond een meisje van een jaar of zestien. Een ME-er mepte haar zonder aanleiding vol in het gezicht. Ze bloedde flink; het liep in haar ogen, ze struikelde en viel. Haar hoofd sloeg een doffe tik tegen de grond. Ze probeerde overeind te komen, maar iemand ging op haar haren staan. Daarop werd ze verder onder de voet gelopen door de opgejaagde menigte. Ik hield me schuil in het tramhokje en zag voor mijn ogen hoe ze werd vertrapt, keer op keer. Ze schopten tegen haar kin, ze schampten langs haar wang, ze stapten met bebloede schoenen op haar schouders. Nadat de meute was weggevlucht bleef het meisje liggen. Ik kwam uit mijn schuilplaats in een poging haar overeind te helpen. Een ME-er zag me en versperde de weg. Hij stond op een afstand van een meter of vier, met zijn schild losjes langszij. De wapenstok wiebelde speels in zijn handen. Ik hield stil. Vanonder de helm grijnsde de man naar me. Ik probeerde een stap in de richting van het meisje, maar hij haalde bliksemsnel uit met de wapenstok. Ik kreeg een striem over mijn wang. Daarna posteerde zich hij zich tussen mij en zijn prooi in, de stok klaar om weer te slaan. Hij lachte triomfantelijk.

Even wist ik niet goed waar ik heen moest. De man tegenover me reageerde op iedere beweging van mijn kant. Ik had geen idee hoe ze er aan toe was. Wat kon ik doen en ten koste waarvan? Ik ben geen held, daar kom ik eerlijk voor uit. Waar Giel opeens vandaan kwam weet ik niet, er ontgaat je veel in zo'n hectische toestand. Ik hoorde opeens zijn woeste schreeuw:

"Vuile Rat!"

Hij ramde de ME-er in de zij met een steigerpijp. In no-time hadden we een hele horde gezagsdragers achter ons aan. We maakten ons uit de voeten. Hoe het met het meisje is afgelopen weet ik niet. Ik neem aan dat ze door anderen in veiligheid is gebracht, want later was ze weg. Wat mij betreft was het niet amusant meer, het was menens. Toen de politie zich terugtrok gingen we erachteraan, met de rest van de meute. Daar stonden zij, in slagorde opgesteld, op de brug, klaar om weer uit te rukken. Daartegenover stonden wij, getooid met motorhelmen en monddoeken tegen het gas. Kletsnat nadat ze het waterkanon op ons hadden gezet. Sommigen waren tot bloedens geslagen door wapenstokken. Of ze hadden kennisgemaakt met paardenhoeven van de bereden politie. Ze waren teruggekomen, gewapend met stenen en stokken. We lustten ze rauw. Er viel een stilte waarin beide partijen stonden te wachten op de volgende klap. Rechts van de Blauwbrug hing een woonboot zwaar in het water. Op het dak stonden enige tientallen in het nauw gedreven demonstranten. Terwijl het ding leek te bezwijken probeerde de bewoner ze tevergeefs van boord te jagen. Ondertussen voer een schuit langs met een dixielandbandje dat niets vermoedend speelde.

"I scream, you scream, we all scream for ice scream"

De ME kreeg orders voor een nieuwe charge. Ze werkten met een bezemstrategie: ze rukken op in een gesloten lijn om de menigte systematisch terug te dringen. Wij probeerden daar een bres in te slaan en een doorgang te forceren. Een beetje zoals met dammen. Wij speelden met zwart, de politie met blauw, met bont en blauw. Ik heb nog nooit zoveel blauw op straat gezien. Ze speelden ook vals. Tussen de actievoerders liepen undercoverleden van een arrestatie eenheid. Je kon zo door één van je vermeende medestanders in de boeien en vervolgens in elkaar geslagen worden. Er deden verhalen de ronde over provocateurs, die gewelddaden uitlokten en daarna arrestaties verrichtten. Vanuit de ME-busjes werden ook video-opnamen gemaakt. Privacybescherming, waar iedereen altijd zo moeilijk over doet, daarover hoorde je ze niet. Maar onze kant was ook niet mis. Er werden auto's omgekieperd en in brand gestoken. We gooiden met het bouwmateriaal dat klaar lag voor het nieuwe stadhuis. De straat werd opengebroken, sommigen probeerden zelfs met stoeptegels te gooien. Dat valt nog niet mee, die dingen zijn zwaar. Op een gegeven moment zag ik een beer van een vent voor me, die een fiets boven zijn hoofd tilde. En opeens stond Wessel daar. Hij sommeerde de man de fiets terug te zetten.

"Ah, kom op hé, het is oorlog! Dit is landsbelang!", zei de man.

En daarna, enigszins aarzelend:

"Is - ie van jou dan?"

"Nee", zei Wessel, trok de fiets uit zijn handen en liep ermee weg.

Toen hij me passeerde hield hij stil en pakte de baksteen uit mijn hand.

"Niet doen, sukkel", zei hij en verdween.

Het was net alsof ik door ons vader betrapt was. Opeens kwam ik mezelf belachelijk voor. Het hele gedoe verloor zijn betekenis. Ik schaamde me. Giel stond nog opgewonden te schreeuwen terwijl de Mobiele Eenheid zich terug trok voor de zoveelste nieuwe charge. Ik kreeg honger.

"Ga je mee, dan gaan we wat snacken", vroeg ik.

We trokken ons terug naar de Binnen Bantammerstraat. Bij de Chinees was het stil. Van rellen of koninginnedag geen spoor of teken. Ik vond wel even best zo. Later die dag zouden we nog wel gaan kijken hoe het elders in de stad gegaan was. Giel troonde me mee, maar wat mij betreft was het vuur eruit. Opeens.

****

De volgende morgen zat het platje vol en kwamen de verhalen los. Tiet vertelde hoe ze met een groep vriendinnen 's avonds nog naar de Bijlmerbajes was geweest, om de arrestanten toe te schreeuwen.

"Ik weet niet of ze ons hebben gehoord, maar we hebben het in elk geval geprobeerd. Je moest ook maar raden in welke toren ze zaten. Misschien zaten ze daar helemaal niet."

"Gingen jullie weer liedjes zingen?", vroeg Frans meteen.

"Ging het weer van 'Oli oli ola'? Dat vind ik altijd zò indrukwekkend, hè. En dat jullie dat dan zingen! Zat ik daar maar gevangen, denk ik dan altijd."

Frans was geen actievoerder, maar hij was toch in het strijdgewoel beland. Hij had gedacht flink geld te kunnen verdienen bij de studentenvereniging, die hem had ingehuurd als barman. Hij tapte bier op een geïmproviseerd terras langs een van de grachten. Tot alles onder de voet werd gelopen door vluchtende demonstranten. Toen zag hij geen andere optie om toch maar mee te gaan knokken. Net als iedereen om hem heen.

Het telefoontje van moeder kwam uit een andere wereld. Ze was geschokt over alles wat er gebeurd was. Ze had zich ook ongerust gemaakt over mij, bang dat mij iets overkomen was. Gelukkig dat Wessel de hele dag bij haar was geweest. Terwijl ik zeker wist dat ik hem op het Waterlooplein gezien had. Het was Wessel die de baksteen uit mijn hand gepraat had, al ontkende hij dat in alle toonaarden.

21 Catacomben

Ik zie haar niet vaak, minder dan ik eigenlijk zou willen. Als ze belt om iets af te spreken, wimpel ik het af. Waarom ik dat doe weet ik niet. Het is de conversatie, ik ben bang dat ik niet onderhoudend genoeg ben. Het is een soort van verlegenheid, die met de jaren gekomen is. Achteraf is het nergens voor nodig. Ik keer terug naar de mensheid en weet mijn bestaan opnieuw bevestigd, dat is bevredigend en troostrijk. Maar als ze na een paar weken of maanden opnieuw belt, zie ik er weer tegenop. Gelukkig laat ze zich niet afschepen. Ze noemt me een luie hond en sleurt me mee, want ze heeft me nodig om haar lotgevallen te markeren. Dat doet ze bij mij ook, wij zijn de coördinaten van elkaars bestaan. Die ene keer dat de drukkerij onder water stond. Wanneer was dat? Ik weet dat ik het Mar vertelde op dat terras in Naarden. Ze was toen net verhuisd, dan moet het najaar '98 zijn geweest.

Het systeem werkt, omdat geen afspraak met Mar hetzelfde is. We gaan een eind wandelen of naar een theaterstuk. In de stad of ergens buiten. Ze heeft een ander kapsel of ze is gestopt met roken. Ze heeft een nieuwe vlam, of conflicten op haar werk. We lezen het verstrijken van de tijd af aan elkaars gezicht. Marieke zie ik elke dag, als er iets verandert merk ik het niet. Mar zie ik onregelmatig en dan kent de tijd geen genade. Het vel zakt uit. Ronde lijnen maken plaats voor hoekige vormen. Er steken botten naar buiten waaraan het eens zo mollige vlees hangt. Soms valt het tegen, soms valt het mee. Als ze belt dat ze in aantocht is, wacht ik haar op in de hal. Bij binnenkomst heb ik haar eerst niet in de gaten. Ze draagt een grote beige zomerjas, die haar langer maakt dan ze is. Niet het overjarige meisje uit mijn herinnering, maar een mevrouw op hakken. Ze heeft een bril tegenwoordig, die onderstreept hoe bedachtzaam ze geworden is. Maar haar stem blijft hetzelfde, altijd net iets te hard. Ze babbelt levendig over haar laatste exotische reis. Dat is al weer een week of wat geleden, maar we hebben elkaar nog niet gesproken. Het nieuws over Wessel lijkt haar niet zo te raken en dat is eigenlijk wel zo prettig. Als ze hem ziet valt ze toch even stil.

"Weten ze nou al iets meer?", vraagt ze dan.

"Er is hersenactiviteit", zeg ik.

"Dat heb je al verteld. Ik bedoel de politie. Hebben ze hem al gevonden?", vraagt ze, "Die man waar hij mee had afgesproken? Die illegaal."

"Die niet, nee. Zo iemand meldt zich niet, hij kijkt wel uit. En misschien heeft die er wel niks mee te maken. Ze hebben een buurtonderzoek gehouden, daar komen weer andere verdachten uit. En iedereen zegt wat anders. We zouden het hem zelf moeten vragen, maar hij zegt niks, hè Wessel?"

De dekens gaan op en neer, net als de curve op het scherm.

"Hij droomt!", roept Mar uit."Kijk maar, zijn ogen bewegen: rapid eye movements!"

Ik zie niks.

"Praat niet zo hard", zeg ik."Je maakt hem nog wakker".

We kijken allebei naar zijn oogleden. Mar pakt zijn hand vast. Prikkels voor Wessel:

"Nou, zeg het maar. Probeer je eens wat te herinneren. Wie waren het? Waren het die dronken kerels? Was het die Algerijn? Of toch jouw illegale vriend?"

Ik kijk over hem heen naar Mar. Haar handen spelen met zijn vingers.

"Ze hebben sporen ontdekt van sportschoenen", zeg ik,"Iemand heeft eerst in een plas bloed gestaan en is daarna rustig weggewandeld. Dat kunnen ze afleiden uit de sporen. Het waren dure schoentjes, onbetaalbaar voor een illegaal."

Terwijl ik het vertel zie ik het beeld voor me. Wessel die in een plas bloed ligt, zijn belager die het aan zijn nieuwe schoenen heeft. Het is een smerig beeld. Ze haalt haar schouders op.

"Schoenen kun je jatten", oppert ze.

Dat kan natuurlijk. Wessel zwijgt in alle talen. Mar hervat het verhaal over haar reis van Marokko naar Mali door de woestijn.

"Stel je voor, urenlang op die vrachtwagen. Elke keer als we stopten gingen ze bidden aan de ene kant van de wagen en pissen aan de andere kant. En dan weer verder. Ook 's nachts. Geen maan, maar een sterren, ongelooflijk. En dan helemaal stikdonker om je heen. Je vraagt je af hoe ze weten waar ze rijden moeten. Er is geen weg of zo, toch volgen ze wel een route. Goed, we zitten dus achterop die vrachtwagen, ik zit half te dutten, zie ik ineens een stip in de verte. Kilometers ver, een heel klein spikkeltje. Het komt steeds dichterbij, na een tijdje zien we een lichtje en een hele tijd later blijkt daar iemand bij een vuurtje te zitten wachten met een pot thee. Verder niets of niemand te zien, in de verre omtrek niet. Stel je voor, zo iemand die loopt daar ik weet niet hoe lang met een emmer water en gaat dan in de complete duisternis zitten wachten tot er misschien iemand langs komt die hij een kopje thee kan verkopen. Wat een leven, hé."

Ik blijf het voor me zien. Dik bloed dat aan het profiel van die nieuwe schoenen plakt. Ik wil het niet zien, maar het beeld gaat niet weg.

"Met wie was je er eigenlijk?", vraag ik.

Blijf kletsen, Mar. Ze noemt een onbekende naam:

"Ik had niet geweten wat ik zonder hem moest. Hij was mijn tolk. Als je daar geen Frans verstaat, dan ben je nergens. Op televisie, op straat, overal Frans. Je koopt treinkaartjes, niet in het Arabisch, die zijn in het Frans. Ik bedoel, zo lang hebben die Fransen in Marokko gezeten, veertig jaar of zo. Ze zijn ook al weer veertig jaar onafhankelijk en nog steeds is alles op zijn Frans. Ze komen er niet vanaf."

We kijken allebei naar Wessel. Ik zie geen dromende ogen. Hij ligt er rustig bij. Het verband om zijn hoofd valt vandaag minder op. Ze hebben hem keurig verbonden. Het scheelt wie het doet, denk ik. Mar laat zijn hand eindelijk los en legt die in haar schoot. Ze zucht eens.

"Had je wat met die jongen?", vraag ik, om het gesprek gaande te houden.

"Oh, God, nee. Het is een rare. Ik ken hem via internet, normaal kom je zo iemand nooit tegen. Hij is heel slim, ik geloof dat hij wel vier of vijf studies heeft afgerond. Hij heeft rechten gedaan en medicijnen en geschiedenis. Hij spreekt zelfs Japans. Dat is zijn hobby, studeren. Hij is er ooit mee begonnen op school en nou kan hij niet meer stoppen. Niet dat hij daar verder iets mee doet. Alleen maar weetjes spuien, de hele dag."

"Boeiende man", stel ik voor.

"Vermoeiende man", oordeelt Mar.

Ze gaat er niet op door.

Ze kijkt naar Wessels ogen, maar de zon speelt haar parten.

"Als je dat bedenkt", zegt ze tegen het slapende lijf, terwijl ze over hem heen buigt.

Ze aait langs zijn ongeschoren wangen.

"Hoe lang was ik nou met jou, Wessel? Nog geen vier jaar. En dat is onderhand ook al twintig jaar geleden."

"Ik ben net Marokko", zegt ze dan en ze haalt luidruchtig haar neus op, "Ik kom er ook niet vanaf."

Ze kijkt me aan. Heel even denk ik dat ik tranen zie.

****

Ik ga met haar naar beneden. We nemen afscheid en ik rook nog een sigaret. Dan stap ik weer de lege lift in. Ik druk op de knop en verwacht dat we omhoog gaan, maar de lift zakt en brengt mijn maag in de war. Als de deuren opengaan zet ik een stap naar buiten, om te zien waar ik ben. Het is een schaars verlichte gang, rechts staat een rij blauwe containers, links is het duister. Hier heb ik niets te zoeken. Terug in de lift druk ik weer op de knop. Er flikkert iets roods, maar er gebeurt niks. De deuren blijven open staan.

Ik loop weer de gang op en kijk beter om me heen. Het ruikt naar kalk en klam cement. Een buizenstelsel boven mijn hoofd maakt een gorgelend geluid. Mijn ogen wennen aan het schemerduister. Na een meter of tien maakt een van de buizen een bocht naar rechts, in de richting van een vaal schijnsel. Als de lift nog steeds niet in beweging komt, volg ik de gorgelende leiding en sla de hoek om. Aan de muur vertelt een vuil straatnaambordje dat ik sta in de 'Dr. Vosselman-allee'. Om de zoveel meter hangen lampen van gepantserd glas, ze hangen op schouderhoogte en ze branden niet. De gang wordt beschenen door het licht van een trappenhuis aan de andere kant. Een trap, dat is net wat ik nodig heb. Ik loop resoluut naar het licht, maar het trappenhuis blijkt afgesloten. Nu sta ik op een soort kruispunt van brede, goed verlichte gangen. Ik voel er weinig voor om terug te gaan naar de donkere gang waar ik uitkom. Als de lift er nog is heb ik er niets aan en als hij weg is ook niet. De andere gangen zijn lang en ze ogen leeg. Ver weg zie ik weer containers, grijze dit keer. Ergens klinkt het regelmatig snorrende geluid van een machine. Verder is het stil. Als ik op goed geluk één van de gangen in loop klikt vallend metaal, gevolgd door een vloekende mannenstem. De echo rolt twee of drie kanten op. Dan merk ik hoe warm het is. Het ruikt naar de kookwas van mijn oma, vroeger. Ik wil weg. Ik loop door, de lange gang door, langs containers met gele plastic zakken. Aan weerszijden nog meer gangen, de één helder verlicht, de andere donker. Een lift of trappenhuis zie ik nergens meer. Mijn hemd plakt aan mijn huid. Ik sla nog een hoek om en sta ineens oog in oog met een Chinees vrouwtje in een grijze werkjas. Ze staat tussen metershoge rekken met wasgoed. Als ze me ziet schrikt ze en begint te gillen. Ik wil haar kalmeren, begin tegen haar te praten, maar dat werkt averechts. Er komen nog twee Chinese vrouwtjes. Ze zien er precies hetzelfde uit en zijn meteen net zo gealarmeerd. Een van de drie steekt drie vingers van haar rechterhand naar me uit, alsof ze me de ogen wil uitsteken. Ze wil me verjagen. 'chassssaa chassaa ' gromt ze, bang en dreigend tegelijk. Ik keer me om en loop weg. Eén van de andere twee heeft een stok gevonden met een haak. Ze komt me achterna. Ik versnel mijn pas en kijk achterom. Ze blijft bij de hoek van de gang wachten tot ik op veilige afstand ben. Dan laat ze een ijzingwekkende kreet horen, die tegen alle betonmuren kaatst. Ik zet het op een lopen, ik pak de eerste de beste zijweg, sla een hoek om en nog een hoek. Ik ren door een brede schemerige gang. Dan struikel ik en val. Ik krabbel overeind om te zien waarover ik gestruikeld ben. Het is een klodder slecht afgewerkt cement.

Ik moet een uitgang vinden. Terwijl ik mijn schaafwond bekijk hoor ik weer het geluid van een elektromotor, aanzwellend dit keer. Dan zie ik in een flits een karretje dat de gang over steekt. Het geluid sterft af. Ik ren op het geluid af, ik roep om hulp. Het geluid wordt weer sterker, nu klinkt het vlak achter me. Ik draai me om en zie het karretje op me afkomen. Ik gebaar dat hij moet stoppen. In plaats daarvan grijnst de bestuurder naar me, een oudere man met een stoppelbaard en een gebreide muts op. Hij doet de koplampen aan, schijnt me recht in het gezicht en rijdt op me af. Ik druk mezelf net op tijd tegen de muur. Hij toetert hard en rijdt in grote snelheid verder. Ze kunnen alles met me doen, denk ik dan. Niemand die weet waar ik ben, niemand die me te hulp schiet. Ik moet hier weg. En weer zie ik dat bloed aan die schoenen. Ik loop door, ik dwaal verder. Ik verberg me als ik geluiden hoor. Tot ik eindelijk koude lucht voel. Ik open een schuifdeur en ik sta buiten, op een parkeerplaats tussen de vuilcontainers. Ik haal diep adem. Het is een geur van vuilnis, maar hij smaakt naar vrijheid.

22 Persvrijheid

Aanvankelijk was ik bij de Heftige Pers vooral bezig om iedereen in te wijden in de offsettechniek. Na een tijdje bestierde ik samen met Gerrie zo ongeveer de hele boel. Natuurlijk bleef het allemaal behoorlijk lowbudget, maar een beetje zakelijke aanpak kon geen kwaad, leek me. Als ik iemand ergens op aansprak, volgden meteen discussies over zeggenschap, over de macht en solidariteit. Gerrie en ik, we gaven iedereen gelijk en gingen onze eigen gang. Mensen waar we niet op konden rekenen betrokken we nergens meer bij, anderen kregen een grotere rol. De Heftige Pers breidde uit. We maakten geavanceerder drukwerk. We kochten een kopieerapparaat voor de kleinere oplagen en daar maakten we meteen al veel gebruik van. Die aanschaf was de aanleiding voor de eerste heftige botsing. Het ding kostte een paar duizend piek en die moesten wel worden terugverdiend. Maar hoe? Ik stelde voor commerciële opdrachten binnen te halen. Dat nooit, vonden ze. We konden de ideële clubs waarvoor we werkten meer laten betalen. Geen sprake van, zeiden ze. We kwamen er niet uit. Gerrie had een idee: als we allemaal een week zouden gaan werken bij een uitzendbureau, dan hadden we het zo bij elkaar verdiend. Na heel veel discussie ging het collectief daar akkoord mee. Maar de werkloosheid steeg met de dag en niemand zat op ons te wachten. Uiteindelijk mochten we toch op zoek naar betalende klanten, want dat was minder verwerpelijk dan werken als loonslaaf en we konden zelf kiezen wie we als klant wilden. We kregen meteen een aardige opdracht voor een folder van een hervormde stichting die zich met derde wereldlanden bezig hield. Daarna werd het stil en zaten we nog steeds met een groeiend gat in de begroting. We konden geen papier meer kopen en de inkt raakte op. Als er weer eens een actiegroep aanklopte moesten we steeds vaker nee verkopen. Nee, die kleur hadden we niet meer. Nee, dat formaat was ook niet mogelijk. Misschien dat ze zelf iets op de kop konden tikken?

****

Sint-Gerhardsrade bleef altijd zoals je het had achtergelaten. De plaats waar de gesprekken doorliepen in een eeuwige lus. Je wist bij binnenkomst al wat er gezegd was door wie en je deed moeiteloos mee. De stoelen stonden in dezelfde kring als vorig jaar. Tante Helen zat weer in de rookstoel in de hoek, tegenover oom Henri. Ik feliciteerde ze bij binnenkomst, ze vroegen hoe het was en ik antwoordde iets algemeens. Moeder zei dat ze blij was met het cadeautje, dat ze niet uitpakte, en ze zette de bloemen in een vaas. Daarna was het tijd voor de koffie met zelfgebakken appeltaart. Alles met een weldadige vanzelfsprekendheid. Wessel was al een paar dagen eerder gegaan. Sinds vaders dood ging Wessel vaker naar huis, vooral als de onrust hem uit Amsterdam joeg.

"En heb je nog iets gemerkt van die rellen met koninginnedag?", vroeg tante Helene opeens, "Wat een toestand hè. Vreselijk allemaal, wat een losgeslagen bende. Ik heb nog wel aan je gedacht hoor. Gelukkig was Wessel veilig hier, hè."

Ik vroeg me af of ik moeite moest doen om de andere kant van het verhaal te vertellen. Over de spanning die al dagen tevoren in de lucht hing. Over alle intimidatie en de spiraal van geweld. Het zou vergeefse moeite zijn.

"Ach, als je het op de televisie ziet lijkt het allemaal veel erger", relativeerde ik, "Voor de meeste mensen was het gewoon een koninginnedag als ieder jaar. Die hebben er niets van gemerkt. Het wordt een beetje opgeklopt in de pers."

Ik keek naar Wessel die schuin tegenover me zat. Kon ik hem echt gezien hebben op het Waterlooplein? Was het zijn stem die mij 'sukkel' had genoemd? Het leek me opeens erg onwaarschijnlijk. Hij leek zich niet bij het onderwerp betrokken te voelen.

"De media kijken altijd waar de meeste herrie is", zei hij, "En dan moet je zelf de andere kant op kijken. Vlakbij het Waterlooplein ligt de Mozes en Aäronkerk. Daar hield een groep gastarbeiders al een tijd een hongerstaking om een verblijfsvergunning te krijgen. En terwijl iedereen zich druk maakte om die rellen, ging daar een knokploeg naar binnen. Ze zijn die stakkers met stokken en boksbeugels te lijf gegaan. Daar hoor je helemaal niemand over. Alsof de WA weer terug is. Dat vind ik eigenlijk veel erger."

En toen was het opeens stil. Want wat moet je daar nou op zeggen in Sint-Gerhardsrade? Gelukkig viel er op dat moment een klodder slagroom op moeders nieuwe jurk. Ze sprong op en riep naar de keuken, gevolgd door tantes en buurvrouwen met goede adviezen over de beste wijze om de vlek te verwijderen. Oom Henri greep de gelegenheid aan om te informeren naar de schoolprestaties van mijn zusjes. En zo geleidde hij het gesprek behendig terug naar zijn vertrouwde bedding. Later zaten we achterom te roken. Het was goed dat Wessel weer wat aanspreekbaar was, want ik had zijn raad nodig. Wat moest ik aanvangen met de Heftige Pers? Hoe konden we uit de problemen komen? Ik vertelde alles over de financiële tekorten en de eindeloze tegenstand van Gijs en zijn kompanen. Wessel luisterde aandachtig.

"Laten we Maria er even bijroepen", zei hij toen.

Hij had wel een idee.

Wessels plan was dat Maria onze openstaande rekening betaalde. Als tegenprestatie kon zij in piektijden werk bij ons kwijt. Daar had ze wel oren naar. Ze was nu nog teveel afhankelijk van de samenwerking met concurrent Spekholzer.

****

"Goed plan", vond Gerrie ook. Het was natuurlijk wel zaak om het bij onze vrijwillige drukkers in te masseren. Maar na het débacle met de betaalde opdrachten lukte dat wel. Zelfs Gijs kon geen realistische alternatieven bedenken. En die ging doorgaans niet snel overstag. Zo redde de Heftige Pers het voorlopig, dankzij Wessels reddingsplan. Maria betaalde onze rekening en toen we niet meer bij haar in het krijt stonden betaalde ze ons ook keurig. Boter bij de vis, zo had vader ons dat geleerd.

****

Op een dag klopte Willem op mijn deur. Ik sprak zelden meer dan twee woorden met hem tegenwoordig.

"Kom jij nog bij de School binnenkort?", vroeg hij, "Er is post voor je broer, van defensie."

Hij trok er een vreemde grimas bij die van alles kon betekenen. Ik nam de brief aan en bekeek hem aan alle kanten. Maar ik maakte hem niet open, het briefgeheim valt onder het fatsoen van de Castermansen. Ik hield hem wel tegen het licht om te zien of ik wat ontwaren kon. Maar defensie gaf niets prijs. De envelop legde ik op de stapel boeken die al tijden onaangeroerd op Wessels tafeltje lag, naast het bed dat al nachten onbeslapen was.

Ik had Wessel niet meer gesproken sinds moeders verjaardag. Ik belde naar Limburg, maar daar was hij niet. De volgende dag ging ik naar Mar. Ook daar kwam ik nog weinig sinds ik mijn tijd verdeelde tussen tentamens en de Heftige Pers. Nog steeds lagen er stukken karton op de grond en liepen voetsporen van witte kalk door het hele gebouw. De stapels Durox blokken stonden nog altijd keurig opgestapeld te wachten langs de betegelde muren.

"Het ligt stil", zei Mar, "Niemand doet wat en in mijn eentje ga ik niet verder. Er is niets, geen verf en geen specie. Bernie is weg en Wessel bemoeit zich nergens meer mee."

Mar liep rond in een kamerjas met een handdoek om het natte haar geknoopt.

"Waar is hij?", vroeg ik, "Er is een brief voor hem van defensie."

"Hij is niet hier", antwoordde ze, "Ga effen zitten, Mathieu. Ik ben zo terug. Even wat aantrekken."

Terwijl ze zich omkleedde slenterde ik wat door de stoffige gang met zijn holle echo. Ik stapte het kamertje in dat van de conciërge moet zijn geweest. Een hok waar ooit de fietspomp stond en waar de laatkomers zich moesten melden. De grote klok stond stil. Aan de overzijde ging een deur open. Anatoli kwam naar buiten, onze Rus. Hij schrok even toen hij me zag, alsof hij niemand verwacht had. Toen besloot hij dat ik recht had op conversatie. Die verliep moeizaam.

"Tovaritsj!", riep hij uit met een onzekere lach.

Maar daarna volgde niets meer. Ik probeerde het met de paar Poolse woorden die ik ooit bij elkaar gesprokkeld had.

"Novy Dom Dobre? Is Good?"

Anatoli keek me welwillend, maar niet begrijpend aan. Hij lachte me nog eens toe en ik ontdekte dat hij twee tanden miste. Dat was me niet eerder opgevallen. Ik lachte terug en besefte dat we elkaar volslagen vreemd waren. Toen kwam Mar terug en verbrak ons zwijgende ongemak. Ze troonde me mee naar de keukentafel.

"Hij zit dus ook niet bij de Iep. Ik ben opgehouden om me daar druk over te maken, het heeft geen zin. Hij zwerft rond en ik weet niet waar. Hij loopt langs de straat, de hele dag. De hele nacht", verklaarde ze.

Ik vroeg waar hij dan sliep, maar dat wist ze niet:

"Ik denk dat hij gewoon rondloopt. Misschien gaat hij op een bank zitten in het park. Ik kan hem niet meer bereiken, Mathieu."

****

Nu wilde ik weten waar hij uithing. In een ingeving besloot ik bij Boogaerts langs te gaan. Die was blij verrast met mijn bezoek.

"Kom maar boven", riep hij, nadat hij aan het touw getrokken had. Kopje thee?"

Toen ik de kamer binnenkwam was een van de gordijnen dicht. Op het Perzische tafelkleed wachtte een pot op het theelichtje. In het half schemer zat Boogaerts aan tafel bij het raam. Hij had zijn pyjamajasje nog aan en was nog niet geschoren. Hij zag bleek. Over de hand die hij me toestak liepen blauwe aders als de nerven van een boomblad. De knokkels van zijn vingers waren dik.

"Ga zitten, ga zitten", zei hij hartelijk als altijd, "Kom je weer eens kijken hoe het staat met de ouderdom? Nou Mathieu, dat is een tijd geleden. Jij bent ook zo'n druk baasje. Maar je moet me niet zolang laten wachten, jongen. Zo veel tijd heb ik niet meer, hè? Nou zal ik eens kijken of we nog koekjes in huis hebben. Hou je van krakelingen?"

Hij stond op en slofte naar de kast bij de schuifdeuren en haalde er een glazen schaal met bitterkoekjes uit.

"Het zijn bitterkoekjes. Is dat ook goed? Wessel lust ze wel. Jij toch ook?"

We wisselden wat beleefdheden uit. Hij vertelde wat over Lelieveldt en Dries. Ik vertelde dat ik op zoek was naar Wessel. Maar waar die uithing wist Boogaerts ook niet.

"Hij komt ongeregeld en dan schaken we. Hij is niet slecht. In het begin won ik vaker dan hij. Maar de laatste tijd zijn we goed aan elkaar gewaagd. Kijk maar."

Hij hield me een schrijfblok voor, waar hij in een ouderwets schuinschrift met lange halen de datum en de stand had opgeschreven. Wessel was er een week geleden nog geweest.

"Hij komt niet zo graag meer in dat kraakpand van jullie, hè" voegde hij eraan toe, "Hij neemt het allemaal zo zwaar. Ik zeg wel eens: 'Waarom ben je toch zo boos de hele tijd? Laat het mopperen over de jeugd nou maar aan mijn generatie over. 'Het is een idealist, hè. Maar dat hou je alleen vol als je een beetje kunt relativeren. De mensen zijn nu eenmaal niet beter dan ze zijn, jongen. Je zult het er mee moeten doen. Maar dat accepteert hij niet. Neem nog maar een koekje."

Ze waren lekker, maar wel wat hard. Ik doopte nog een bitterkoekje in mijn thee.

"Hij zegt dat hij met de anderen overhoop ligt. 'Ik ben nergens thuis' zegt hij. En dan begint hij over de mentaliteit van linkse mensen tegenwoordig: ' Zorg voor jezelf en maak kapot wat jouw kapot maakt.' En over dat er geen solidariteit meer is. Geen opofferingsgezindheid. Hij denkt dat het vroeger allemaal beter was. Net een oude vent, hè. Maar dat mensen aan zichzelf denken, dat is van alle tijden. Dat was vroeger niet anders, hoor."

Ik dacht dat Wessel misschien een punt had:

"Ik denk niet dat je nu nog veel mensen vindt die onderduikers in huis zouden nemen, zoals in de oorlog. Met gevaar voor eigen leven".

"Ja, en toch denk ik, dat dat nu niet anders is", vond Boogaerts, "Dat deden die mensen ook niet allemaal om een hogere zaak te dienen. Dat deden ze gewoon omdat iemand dat vroeg. Omdat het nodig was. En als het nu nodig is, dan gebeurt dat weer. Neem het aan van een oude man, die wat heeft meegemaakt. Het is een slingerbeweging. Maar daar wil Wessel ook niets over horen 'een slingerbeweging, dat betekent dat iedere actie een reactie oproept. En dan is de som van alles nul. Wat heeft het dan voor zin?' Dat zegt hij dan. Hij is zo somber, hè."

Ook Boogaerts doopte zijn koekje in de thee. Hij keek me aan met een grijns en trok zijn wenkbrauwen hoog op. Ik overdacht wat ik hoorde.

"Luister, jongen", zei Boogaerts terwijl hij vooroverboog, "In de oorlog reageerden de Duitsers op iedere verzetsdaad met represailles. Nu vraag ik je: moet je daarom niet in verzet komen? Ze hebben de halve bevolking van Putten gedeporteerd. Wiens verantwoordelijkheid was dat? Die van de Duitsers of van het verzet? Je kunt niet langs de kant blijven staan en niets doen. Je bent verantwoordelijk voor wat je doet en niet voor de reacties van de andere kant."

Hij liet zich met een zucht terugzakken tegen de rugleuning. Toen glimlachte hij om iets wat hij bedacht:

"Het is net schaken. Of je speelt met wit, of je speelt met zwart. Maar niet met allebei."

****

Toen ik terugkwam bij de Iep zat Wessel gewoon op het platje. Alleen, want niemand van de huisgenoten zocht nog zijn gezelschap. Hij zat in de schemering en zei niets. Ik vroeg waar hij vandaan kwam. Hij haalde zijn schouders op.

"Je mag je wel eens scheren", zei ik,"En een douche..."

Ik ging naast hem zitten en vroeg of hij honger had. Hij hoefde niets. Maar de sigaret sloeg hij niet af.

"Mar zegt dat je hele nachten rondzwerft", zei ik.

Hij keek me aan en sloeg zijn ogen neer.

"Ik ben zo moe", zei hij toen.

"Waar slaap je dan?", vroeg ik.

Hij haalde zijn schouders op.

"Hier en daar. Waar ze je laten."

"Waarom, Wessel?", vroeg ik.

"Ik probeer uit te vinden hoe ik verder moet", zei hij, "Hoe het leven is, als je eruit gevallen bent."

Hij nam een ferme trek van de sigaret om daarop in een hoestbui uit te barsten. Het was een hoest die steeds erger werd, alsof bij iedere uithaal een nieuwe reep van zijn longen werd gescheurd. Ik klopte hem op de schouders, maar hij maakte een afwerend gebaar. Voor mijn gevoel hield het minutenlang aan. Hij werd er wel wakker van. Hij hijgde na als een drenkeling op het droge. Toen hij was uitgehoest reageerde hij een stuk alerter. Hij keek me aan. Hij had zich de tranen in de ogen gehoest, maar ik had contact.

"Er is een brief voor je," zei ik, "van Defensie".

"Dus toch", zei Wessel, alsof hij daar op had zitten wachten. Hij kuchte nog wat na en drukte de sigaret uit.

"Goed. Wat moet dat moet", voegde hij berustend toe, "Wat willen ze?"

Dat wist ik niet. Andermans post, die lees je niet. Ik haalde de brief tevoorschijn en overhandigde die. Wessel maakte de envelop open zoals hij dat alleen doet. Hij pulkte keurig de lijmlaag los, zodat de minister hem nog eens kon gebruiken. Toen hij zich naar het licht van de gang boog zag ik pas goed hoe groezelig hij eruit zag.

"Het is een oproep voor eerste oefening. Ik moet in dienst. Ik ga niet", vatte hij samen.

"Wat doe je dan? Gewetensbezwaren? Of totaalweigeren? Dan ga je de bak in."

"Dat is niet erg", zei Wessel, "In de gevangenis was ik rustig. Dat is een goeie plek voor mij. Ik moet nu gaan slapen."

Daarop stond hij op en slofte weg.

****

De andere dag regende het. Ik had een tentamen om half elf, een opkomende hoofdpijn en geen zin om wakker te worden. De herfst kwam vroeg die ochtend en ik wilde niet mee. Op dagen als deze stonk het in huis. Toen ik eindelijk uit bed kwam zat Wessel in zijn ondergoed met een boterham in de hand de krant te lezen, geschoren en opgefrist. Hij keek op toen ik binnenkwam. Hij zag er nog altijd slecht uit.

"Heb jij wat kleren voor me? Een trui? Ik heb het koud", zei hij.

Ik pakte wat hij vroeg. Toen ik terugkwam had hij thee voor me ingeschonken. Hij at langzaam kauwend terwijl hij verder las.

"Je zal wel honger hebben", veronderstelde ik.

Hij reageerde niet.

"Wessel?

"Ja?"

Hij keek op van zijn krant.

"Ik zei dat ik dacht dat je wel honger had."

Het irriteerde me dat hij deed of hij weer thuis was, zonder verdere plichtplegingen. Hij was me op zijn minst een verklaring schuldig, vond ik. Als je er dan eindelijk bent, praat dan ook verdomme.

"Ach, honger...", zei hij, "Eten is een overgewaardeerde bezigheid."

Dat vond ik een onbegrijpelijke opmerking:

"Eten is een bron van troost. En als je niet eet ga je dood."

"Ik ga niet dood. Je kunt best leven op straat, er lopen er meer rond, sommigen al jaren. Als je goed kijkt waar ze heengaan, dan zie je hoe ze in hun behoefte voorzien. Er zijn altijd mogelijkheden. Een plek om je op te warmen. En eten vind je ook wel."

"En slapen?"

"Meestal loop ik gewoon door de stad tot het licht is. En dan ga ik ergens zitten, in de bieb of zo. En dan val ik in slaap."

"Je hebt van die lui die eten uit prullenbakken, dat vind ik toch zo goor."

Dat beaamde Wessel:

"Dan heb je echt geen zelfrespect meer. Maar dat zijn psychiatrische gevallen. Terwijl er genoeg andere plekken zijn. Je kunt kijken tussen de bosjes bij scholen. De kinderen gooien hun brood weg en gaan een frietje kopen. Toch is er niks mis mee, hun moeder heeft het nog dezelfde ochtend voor ze klaar staan maken. Ze eten dan gezonder dan die kinderen."

****

Het tentamen verliep moeiteloos, maar mijn hoofdpijn was uitgegroeid tot een volwassen formaat. Bovendien stond mijn fiets lek, zodat ik lopend terug moest door de stromende regen. Ik was niet in een verdraagzame bui. Wessel zat te slapen op de keukenstoel waar ik hem had achtergelaten. Waarom moest hij slapen terwijl ik me beroerd voelde?

"Wessel! Hé, Wessel!!", riep ik.

Hij was meteen wakker en alert. Misschien dat je leert op straat, om altijd op je hoede te zijn.

"Ik moet in dienst", zei hij zonder te reageren op mijn geschreeuw, "Wat moet ik verdomme daar nou weer mee?"

Hij keek me vragend aan.

"Zeur niet, het is maar vijftien maanden. Het is net de gevangenis, dat beviel je toch ook zo goed?", pestte ik.

Hij zat er ontgoocheld bij en leek uit het lood geslagen. Ik schaamde me meteen voor mijn geïrriteerde opmerking.

"Wessel, wat moet ik nou met jou?", zei ik na een tijdje, "Jij was mijn grote broer, mijn voorbeeld. Hoe moet ik me nou aan je optrekken? Raap jezelf een beetje bij elkaar, man. Doe het voor mij!"

Daar ging hij niet op in. Hij zei dat hij weg wilde, weer de straat op. Terug naar de vrijheid.

"Je wilt terug naar honger, kou en ontbering. Je vlucht weg in een schijnwereld. Ik begrijp jou niet. Jij was nooit ergens bang voor. Waarvoor ga jij nou op de loop?"

"Het is geen schijnwereld. Het is het naakte bestaan en meer niet. Dat is het prettige eraan. Het geeft rust. Alles wat ik meemaak is echt. Niemand heeft iets op te houden."

"Je bent alleen en er is niemand die naar je omkijkt. Dat vind jij prettig."

"Ik ben niet alleen. Ik kom allerlei lotgenoten tegen. Daar zitten mensen bij die hun armoe met je delen. Al is het maar voor het moment, ik voel me daar verbonden mee."

"Ken je die mensen überhaupt? Ze zijn op drift geraakt, ze zijn er vandoor gegaan. Er zit altijd een verhaal achter. Misschien heeft die man waar jij zo broederlijk het brood mee deelt wel iemand vermoord. Dat weet je toch niet ?"

"Nee en daar vraagt niemand naar. Het verleden doet er niet toe en niemand is met morgen bezig. Overleven gaat van uur tot uur. En dat is genoeg."

Ik begreep het nog steeds niet.

"En daar word jij rustig van?"

"De onrust blijft, maar hij is te hebben. En als het te erg wordt ga ik gewoon weer lopen. Ik loop en probeer nergens aan te denken. Ik hoef niets en niemand verwacht iets van me."

"En hoe lang ga je hiermee door?"

"Dat weet ik niet. Dat zeg ik net, ik ben niet bezig met de toekomst. Dat kan ik niet. Dat lukt me niet. Gewoon meelopen, zoals jij, dat kan ik ook niet. Dat stinkt naar de dood. Dat is niet goed voor mij."

***

Tijdens de maandvergadering vroeg Gijs:

"Weet je wat we deze week gedraaid hebben? Kaftjes voor het blaadje van de politiedrumband. En de aanbiedingen van de slager. Limburg op zijn lulligst, en daar moeten wij voor werken. Wat sta ik hier te doen? Wat kunnen jullie veldwachters mij verrotten?"

Ik vroeg Maria om ander werk:

"De jongens doen het vrijwillig, snap je. Het is meer liefdadigheid voor ze. En dat ze dan in hun vrije tijd reclame moeten maken voor een supermarkt, dat valt niet goed", legde ik uit.

Maria was verbaasd:

"Daar betaal ik jullie toch voor?", zei ze.

"Jawel, maar dat gaat in de pot. Daarvoor maken we gratis drukwerk, voor goede doelen die geen geld hebben."

Ze was niet onder de indruk:

"Ja, dat is dan jullie keuze, dat moet je zelf weten. Maar je moet het mij niet opdringen. Luister, ik heb een zaak te runnen. Het is graag of niet."

Ze was pissig. Een goede mix van slijmen en dreigen was geboden:

"Natuurlijk en je houdt je prima aan de afspraken. Daar hebben we geen klagen over. Je hebt ons al geweldig geholpen. Maar je hebt er ook genoeg voordeel aan, geef toe. Je hebt geen enkele verplichting aan ons, je hoeft niemand in dienst te houden als er geen werk is. Als je werk teveel hebt helpen we je snel en goed uit de brand. En we zijn veel goedkoper dan Spekholzer. Dan kun je ons toch wel wat tegemoet komen. Als ze ermee kappen, zit je zelf ook met de gebakken peren."

En zo kwamen de opdrachten daarna van de Vincentiusvereniging en van de Heemkundevereniging Oostelijke Mijnstreek. Maar ja, alleen van de non-profit leven, dat ging niet. Dus zat er ook wel weer eens een brochure bij van een keukenspeciaalzaak of een garagebedrijf. Dat deden ze dan tandenknarsend en er waren jongens die uit principiële gronden geen 'Limburgs Werk' meer deden. Het bleef smeulen. Op een avond belde Gerrie dat er gelazer was.

"Mathieu, je moet onmiddellijk komen. Ze hebben de boel erbij neergegooid. Dat jubileumboekje van de Sint Jozef Mavo, had zaterdag al af moeten zijn. Maar de heren hier vonden dat er een andere klus voor ging. Ik heb je zus gebeld, het kan nog tot morgenavond. Ik denk nog: dan ga ik het desnoods zelf brengen. Maar ze willen de drukplaten eraf halen. De Lucky Luyk gaat voor, zeggen ze. We moeten die Mavo op tijd afhebben, dat heb ik afgesproken."

***

Het Heftige Huis was een prachtig 19e eeuws pand met torentjes en nissen in rode baksteen, afgezet met een speklaag en witte biezen. Het lag een paar straten verderop en was een stuk groter dan de Iep. Ooit was het gebouwd voor een groothandel in koloniale waren. In de hal aan de voorzijde kon je nog geglazuurde tegeltableaus zien, waarop Javaanse matrozen bezig waren met het laden van zakken cacao, rijst en nootmuskaat. In de ruimte waar nu de Heftige Pers zat werd vroeger tabak gekerfd. In de ruimte ernaast was indertijd een koffiebranderij. Een kunstenaar had er nu zijn atelier en een ander maakte er meubels naar eigen ontwerp. Het pand stond te boek als monument. Als ze ergens gingen ontruimen, zou het niet hier zijn. Wat dat betreft zaten we safe.

"Kan me niet schelen wat je zegt, die poster gaat het eerst", kreeg ik meteen bij binnenkomst te horen.

"Maar dan moeten we alle drukplaten eraf halen, de inkt vervangen. Hij is wel met een vierkleurendrukgang bezig", zei Gerrie.

"Nou en?", zei Gijs, "De Lucky Luyk kan ook in vier kleuren. Actie gaat voor commercie."

Ik wist dat het niks uithaalde maar ik probeerde ze te overreden:

"Jongens, ik vind het een rotargument en ik zeg het liever niet: maar actieposters kosten geld en dat geld moeten we verdienen."

'De schoorsteen moet roken', ik hoor het vader nog zo zeggen.

"Met Limburgs Werk!", schamperden ze, "Daar doen we het niet voor. Een ontruiming is belangrijker dan de winst van die kutfamilie van jou. We zijn verdomme niet meer dan het achterdeurtje van de familie Castermans."

Dat was een hele vuile. Rustig blijven, Mathieu, rustig blijven.

"Dankzij dat achterdeurtje draait hier de boel nog", antwoordde ik", Anders hadden we de hele zaak allang kunnen opdoeken. En als dat boekje niet op tijd klaar is, gaan we alsnog op de fles. Als je niet volgens afspraak levert, lopen je klanten weg. Weet je nog hoe het ervoor stond toen we nog geen Limburgs Werk hadden?"

Ze wilden geen argumenten horen.

"Ach flikker toch op met je poen. Als we zo gaan beginnen schei ik er net zo lief meteen mee uit. Eerst de posters en anders niks meer."

Er zat niks anders op. Ze kregen hun zin. We werkten met zijn allen om 1.200 affiches klaar te krijgen. Daarna zwoegden we gevieren om de machine schoon te maken. Ik kreeg het Zilverberggevoel: dat je de afwas van een ander moet doen, voordat je zelf kunt koken. Ik plaatste met Gerrie de drukplaten voor de Sint Jozef terug. Tegen vieren die nacht hielden we het voor gezien. Met een beetje mazzel en weinig slaap moest het de volgende dag alsnog lukken. Als er niet weer een spoedeisende actie tussen kwam.

Gerrie kon direct zijn.

"Klote hè", zei ze, "Ga je nog terug naar de Iep? Je kunt hier pitten."

En toen ik naast haar lag, zei ze:

"Nou je hier toch bent, zullen we neuken? Of heb je geen zin?"

Ja, we zouden ook kunnen gaan scrabbelen. Daar hield ze ook van. Ze schurkte haar lange tanige lijf tegen me aan. Ik streelde aarzelend haar schouders, haar gespierde armen. Waar begonnen we aan? Ik hoorde Annique nog in mijn hoofd: 'Vertrouwen moet je verdienen'. Maar het werd probleemloos neuken met een stevige N. Geen smachtende liefde: geen moeilijke relaties. Warm, diep, aards en zo weer voorbij. Ze kwam luidruchtig klaar. Te oordelen naar de kledder in het bed was het mij ook gelukt, ik had het niet eens gevoeld.

Na een paar uur slaap gingen we weer aan de slag. Tijdens het drukken was ik fitter dan je op grond van de voorgaande nacht zou verwachten. Om drie uur was de klus geklaard. We reden nog dezelfde middag naar het zuiden. Onderweg namen we de jongste crisis door.

"Zo gaat het niet meer, hè", zei Gerrie, "We zouden ze er gewoon uit moeten donderen, niet? Jouw zus heeft ons mooi uit de shit geholpen. Daar denken ze allemaal niet aan."

Er moest iets gebeuren. Ik zou gewoon de Multilith mee kunnen nemen en ergens anders beginnen. Dat vond Gerrie wel wat ver gaan. Maar we konden er natuurlijk wel mee dreigen. De scheiding der geesten was een feit, daar moesten we dan ook maar eens hardop over praten. De problemen kwamen omdat de ideële activiteiten en het Limburgs Werk compleet door elkaar liepen. We zouden dat uit elkaar moeten trekken.

"Laat Gijs met zijn vriendjes lekker doorgaan met de Heftige Pers, wij richten wat anders op. Wie mee wil doen is welkom, maar op onze voorwaarden. We delen de ruimte, wij houden de offset en zij houden de zeefdruk. Ze mogen de Multilith gebruiken als ze het heel lief vragen. En anders niet."

Thuis aten we nog een boterhammetje. Ik vertelde Maria dat we schoon schip gingen maken.

"Als je maar weet waar je aan begint", zei ze, "Ik zal het maar eerlijk zeggen: ik kan jullie nog niet missen. Werk genoeg, maar zonder jullie zet ik het niet weg. We zouden moeten uitbreiden, maar de bank ziet me weer komen. We hebben de Amsterdamse uitweg nog hard nodig."

"Je achterdeurtje", herhaalde ik de woorden van Gijs.

Als ze ons zo hard nodig had, mocht er wat tegenover staan.

"En willen wij dat dan? Dat is meer werk met minder mensen. Ik denk ook niet dat ik gemakkelijk nieuwe vrijwilligers vind. Probeer het maar eens: je komt hier werken voor niks, omdat een mevrouw in Limburg dat fijn vindt. En als het wat oplevert, dan gaat dat naar een stelletje krakers. Zou je er hier in het dorp iemand voor krijgen?"

"Dan betaal ik je meer, dan kun jij die jongens ook wat betalen", zei ze.

Dat was wat ik horen wilde.

"Interessant", zei Gerrie met haar mond vol, "Misschien moeten we daar eens wat over op papier zetten."

Heel goed, Gerrie. Haal het uit de familiesfeer. Ik was wel trots op mijn partner. Ze zag er goed uit. Normaal droeg ze eigenlijk altijd een overall. Behalve bij acties, maar dan keek ik niet naar haar om. Nu droeg ze een spijkerbroek en had ze zowaar lippenstift opgedaan. Het maakte haar veel vrouwelijker. De altijd hitsige Jo bekeek haar met een onderzoekende blik. Haar figuur zette hem meteen op het verkeerde been. Ik herkende dat wel. Haar ronde borsten pasten niet bij het gespierde lichaam, haar hoekige gezicht niet bij die vriendelijke stem. Ze was loyaal bij het volgzame af, maar ook nuchter en zakelijk. Ik was niet verliefd, maar ik had het best wel kunnen zijn.

"Zorg je wel dat je studie er niet onder gaat lijden?", vroeg moeder nog, toen ik mijn jas al aan had.

Het was stil op de weg en we schoten lekker op. Toch was het al bij tweeën dat we terug waren. Zelfs de avondwinkel was al dicht. Het Heftige huis was donker. Gerries kamer lag op een entresol. Ooit zat er het kantoortje van waaruit ze zowel de koffiebranders als de tabakskervers in de gaten konden houden. Je kwam er via een metalen trap. We trokken de schoenen uit om niemand wakker te maken en sliepen een gat in de dag.

***

De muren waren wit geverfd, maar de oude opschriften kwamen er nog doorheen, zodat je kon zien waar de verschillende kwaliteiten tabak vroeger bewaard werden: Flake Virginia, Maryland, Burly. In mijn blote kont liep ik de drukkerij in. De ramen waren van binnenuit dicht geschilderd. De zon deed zijn best om stralen door de kleine barsten in de verf heen te persen. Het gaf een dromerig licht in de stoffige ruimte. Ik voelde de warmte op mijn koude voeten en rook de lucht van olie, drukinkt en groene zeep. Misschien stonk het, maar voor mij was het een spannende geur. Het rook naar de drukkerij vroeger, waar altijd grote werken werden verricht, hoog boven je kinderhoofd. Er kwamen belangrijke mensen, van buiten het dorp. Vader maakte ze belangrijk, want hij verhief hun vluchtige woorden tot gewichtig drukwerk. Zoals nu die grote stapel affiches, die nog altijd lag te wachten op de aangekondigde ontruiming:

Lucky Luik Blijft
Ontruiming is oorlog
Breek de burokraten, Wonen Moet

Het drukwerk zag er bewust achteloos uit, maar was wel in kleuren gedrukt. Straks zouden ze overal hangen in de hele stad. Morgen of misschien over een week pas. We zouden verdeeldheid zaaien en de verontrusting zou toenemen in beide kampen, krakers en ME. We brachten Heftige dingen teweeg. De stad broeide, het pruttelde en het kookte en dit was de keuken. Ik keek in het rond, naar de stapels overgebleven drukwerk. De zeefdrukramen op een rij tegen de vuilwitte muren. De zwarte, rode, witte, blauwe, groene inktsporen op de kasten, op de grond. Ik streelde langs onze kloeke Multilith, langs het koude staal. Er was geen enkele reden voor, maar ik voelde een soort trots dat ik in mijn vaders voetsporen trad. Zonder enig succes, met zware hulp van mijn familie en met onwillige werknemers. Geen collega's, geen vrijwilligers: werknemers! Opeens stond de hele onderneming in een ander licht. De Heftige Pers was altijd een actiemiddel geweest, een afdankertje van thuis, ook. Ik besefte nu dat zo'n drukkerij ook een doel op zichzelf kon zijn. Wat het toch voor vader uiteindelijk ook was geweest. Zo had ik het nog nooit bekeken. Lekker, zo'n lucht.

Ze stond boven aan de trap. Achter haar barstte de zon door de ramen, tekende haar silhouet in alle glorie. De gespierde benen, de lange rug, het vermoeden van borsten.

"Kom je nog even naar bed? Normaal ben ik niet zo'n ochtendneuker. Jij wel? Maar eigenlijk is het toch al bijna middag."

Was ik een ochtendneuker? Mijn ervaring was beperkt, wist ik veel. Gerrie voelde wel voor een vluggertje, maar dan snel, want ze had nog meer te doen en de dag was al half om. Voor verleiding geen tijd, alsof je een koude kroket uit de muur trekt. Nog voor we het bed bereikt hadden gleed ik al tussen haar schaamlippen. Ik stootte naar binnen met een kracht die niet van tussen mijn lendenen leek te komen. Dit had niets met Gerrie of mij te maken, dit was iets tussen haar hunkerende onderlijf en mijn opdringerige lid. Ik nam haar, een andere uitdrukking is er niet voor. Ik nam haar en ze liet zich nemen met een vuur dat ons allebei overrompelde.

"Godallemachtig", hijgde ze verbaasd.

Meer viel er niet te zeggen. Annique, en de lange verdoving die ze had achtergelaten was eindelijk uit mijn lichaam verdwenen.

***

Wessel zat met zijn oproep voor militaire dienst.

"Waarom trouw je niet met Mar?", stelde ik voor, "Dan geld je als kostwinner en dan hoef je niet meer in dienst."

Het leek me een aardige oplossing.

"Kostwinner, ha! En jij denkt dat Mar daar in trapt? Trouwen lijkt me sowieso nicht im Frage op het moment."

Je kon ook een beroep doen op de Wet Gewetensbezwaarden. Dan moest je een verzoekschrift opstellen en je verdedigen tegenover een commissie van deskundigen. Waren ze overtuigd, dan hoefde je niet in het leger. In plaats daarvan moest je twee jaar vervangende dienstplicht doen bij Staatsbosbeheer of het Rijksarchief of zoiets. Willem vond dat maar soft gedoe. Zelf hoefde hij niet in dienst, omdat twee van zijn broers al hadden gediend. Zelf was ik 'buitengewoon dienstplichtig' verklaard, net als alle andere jongens van de lichting 1959. Ze hadden ons niet nodig, Wessel wilden ze.

"Je moet gewoon je oproepkaart terugsturen", vond Willem, "Stel een daad. Zeg nu zelf. Ze beroven je van al je burgerrechten. Ze ontnemen je het recht op je eigen mening. Je wordt een willoze machine, je leert om te doden op commando. En in een oorlogssituatie telt jouw leven minder dan dat van een onschuldige burger. Alsof jij er wel zelf om gevraagd hebt. Als je daar op tegen bent, dan ga je toch niet aan diezelfde lui vragen of ze jouw gewetensbezwaren willen erkennen. Jij moet je niet verantwoorden, dat moeten zij doen."

Dat klonk wel consequent, vond ik. Maar Wessel wilde niets liever dan verantwoording afleggen. Daar draaide zijn hele bestaan zo ongeveer om.

"Moet je horen", zei hij, "Ik woon nu ruim twee jaar in een anarchistisch Walhalla. Iedereen om me heen is zeer militant en geëngageerd bezig met zijn eigen belangetjes. Alles wat een beetje naar organisatie ruikt is hier verdacht. Niemand die bereid is een centimeter op te schuiven voor een ander. Maar we zijn toch godverdomme niet alleen op de wereld. Ik vind individuele belangen ondergeschikt aan die van de gemeenschap. En daar heb je de staat voor. Daar kun je bergen kritiek op hebben, maar zonder kan het niet. Boogaerts zou zeggen: de staat, dat zijn wij met z'n allen. Als ik niet in dienst wil, dan mogen ze mij vragen waarom niet. De gemeenschap mag dat van mij vragen. Ik denk er over na, maar wat is in vredesnaam een geweten?"

***

De tegenpartij kwam met een plan. Dat niet Gijs, maar zijn gematigde broertje Ron ermee kwam was veelbetekenend: ze wilden zaken doen. Of liever: ze wilden juist geen zaken meer doen, daar kwam hun voorstel op neer.

"Geen Limburgs Werk meer, onder geen beding. We willen best meedenken over een manier om de boel draaiend te houden, maar als de commercie de overhand krijgt, dan doen wij niet meer mee. Dan word je vriendelijk verzocht om je apparaatje in te pakken en op te zouten."

Dat noteerde ik: 'Jullie apparaatje'. Daar legden ze dus geen claim op, dat was binnen.

"Hoezo, opzouten? Je praat alsof hier je de baas bent", zei Gerrie, "We waren een collectief, weet je nog? Ik woon hier al langer dan jij en ik heb net zoveel te zeggen als jij. Wie hier woont en wie hier werkt, dat maken we nog altijd met z'n allen uit."

"Dit pand is niet gekraakt om de familie Castermans te spekken."

Dat was Gijs weer, hij kon praten in vette krantenkoppen: naïeve krakers in de greep van listige kapitalisten. Deed hij goed, werd ook genoteerd.

"We hadden hier ooit een principe", ging Gerrie verder, "Wonen en werken in één pand. We maken drukwerk voor mensen die het niet betalen kunnen. We verkopen onbespoten groente aan mensen die een beter milieu willen. Ik weet niet wie hier die groenten koopt. Jij werkt in een kroeg, Gijs. Weet jij wie zich bij jou laat vollopen? Je verdient er wel geld mee. Als je wilt wonen èn werken in een pand, komen er ook klanten. Je kan niet het een wel willen en het andere niet."

Sterk, Gerrie. Al had ze er wel een hoop woorden voor nodig. De bal lag nu mooi voor het doel. Ik moest maar eens gaan scoren.

"Jongens, zo komen we er niet uit. Ik heb een voorstel. Jullie willen geen betaalde opdrachten meer doen. Dat is best. Doen jullie nog uitsluitend het ideële werk. Vind ik goed. Maar dan wil ik wel de vrije hand. Wij zorgen voor het geld, daar hebben jullie geen omkijken meer naar. Maar als we betaalde opdrachten hebben wil ik niet dat er iemand in de weg loopt. We beloven te leveren en we komen onze beloften na. Dat betekent: commercie voor actiegroepen."

"Daar is geen sprake van. Actie gaat voor."

Ron bedoelde het vastberaden, maar zo klonk het niet.

"Kiezen of delen" zei ik, "nders pakken we inderdaad ons apparaatje in en we zijn weg. Dan heb je niks meer. Zoals het nu ging, dat wil ik nooit meer. Dan stap ik eruit, en dat betekent einde offset voor jullie."

"Hoe stel je je dat dan voor?", vroeg Ron.

Ik ontvouwde ons twee-onder-een-dak-plan:

"Zie het als een huwelijk. De liefde is over, maar we blijven samenwonen. Het komt neer op een scheiding en wij betalen de alimentatie. Jullie krijgen terug wat jullie hebben ingebracht en wij ook."

"En die alimentatie?", wilde Gijs weten, "Een vast bedrag, of een percentage van de winst. We zorgen in elk geval dat jullie er niet op achteruit gaan. Als wij hem niet nodig hebben, kun je de Multilith gebruiken. En als het jullie uitkomt lenen we de zeefdruk."

"We willen een percentage van de winst", stelde Ron voor.

De andere jongens vonden dat te ver gaan. Dat kwam door het woord winst. Je gaat niet aan de ene kant te keer tegen het kapitalisme, om er aan de andere kant winst op te eisen. Ik gaf ze gelijk.

"Een vast bedrag dan. Als plafond. Krijgen we geen opdrachten, dan kunnen we ook niks afdragen. Maar krijgen we wel wat binnen, dan storten we desnoods alles in de pot. Maar wel tot een maximum per maand."

"Ja, hé. Waarom een maximum. Waarom niet ook een minimum?" begon Gijs.

"Omdat we er anders niet mee akkoord gaan. En dan is er ook nog de kwestie van het kopieerapparaat. Van wie wordt die uiteindelijk?"

"Die is en blijft van de Heftige Pers."

Ron hield zich flink.

"Waarom?", vroeg ik.

"We hebben ervoor gewerkt, allemaal", zei hij.

Dat was ook redelijk, vond ik.

"We zullen het goed met jullie maken. Bij een scheiding komen de ergste ruzies over de spullen. Dat willen we niet, dus gaan we niet moeilijk doen. Wij betalen en jullie krijgen ook nog het kopieerapparaat. Akkoord?"

Ze wilden onderling nog overleggen, maar in feite waren ze al akkoord. Zij gingen op de oude voet verder. En Gerrie en ik, wij werden onbezoldigd directeur van drukkerij Tegenwerk. Die naam had Ad bedacht. Hij had daar een bedoeling mee, ik niet.

****

Wessel had het altijd over zijn sterfbed. Hij wilde tevreden kunnen terugkijken op wat hij ervan gemaakt had. Maar wanneer kun je tevreden zijn? Pak een krant en zoek de familieberichten. Je ziet een pagina vol rouwadvertenties, allemaal voor één man. Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw, bestuurslid van dit en oprichter van dat. Wij verliezen een toegewijde collega. Is dat dan een leven dat de moeite waard was? Bij de dood van vader zat de kerk vol. Mijn vader, dat was toch wel een heel bijzonder iemand, dacht ik toen. Iemand waar iedereen om gaf. Maar zo is dat natuurlijk niet. Wanneer zit de kerk vol? Bijvoorbeeld als er een kind begraven wordt. Niet bij iemand van 90, of het moet iemand zijn met heel veel nazaten. Maar de dood van een kind, dat werkt. Een blik scholieren is dan geen probleem en ook alle moeders zijn zich rot geschrokken. Die komen allemaal, ook al was hij het grootste ettertje van de hele school. Of een vreselijk ziekbed van een jong iemand, dat spreekt ook tot de verbeelding. Een bloem in volle bloei geknakt. Kanker, Aids, dat komt pijnlijk dichtbij. Een groot netwerk, dat helpt ook. Bij vader was het een dorp vol trouwe kerkgangers. Een ander heeft weer veel connecties in het zakenleven. Of in de onderwereld, dat maakt niet uit. Sociale invloed, dat telt. Bescheiden mensen doen het minder goed dan luidruchtige. Invloed is belangrijker dan goede werken. De dood is niet rechtvaardig, de rouw ook niet.

Boogaerts had een voorbeeldig leven geleid, zoals Wessel dat zelf zou willen. Toch was er maar een handjevol belangstellenden bij de crematie. Zijn beide zoons waren er met wat familie. Eén kwam uit Friesland, de ander uit Zwitserland. De rest kwam uit Amsterdam: Lelieveldt met zijn invalide vrouw, en dan Wessel en ik nog. Ja, en Mar. Dat is opmerkelijk, want Mar ging nooit met Wessel mee, ze wilde geen 'aanhangsel'zijn.

Het werd een sobere plechtigheid, want zo had Boogaerts het gewild. De oudste zoon haalde herinneringen op aan zijn kindertijd, toen hij met vader mee mocht 'de wijk in'. Hij was toen al trots op zijn vader en dat was altijd zo gebleven. De andere zoon vertelde wat een fantastische opa hij was geweest voor de kleinkinderen. Eén van die kinderen las nog een gedichtje voor en dat was het dan. Tijdens het gedichtje kwam zowaar ook een schuchtere Dries binnen zetten. Na de plechtigheid gingen we naar de koffiekamer. Twintig plakjes cake. Mar duwde de rolstoel met de oude vrouw Lelieveldt. Het begon meteen:

"Aardig dat je even duwt, maar je bent er wel wat laat mee."

Han had haar het hele eind moeten duwen, van huis af. Zo'n ouwe man. Er mankeerde toch niks aan ònze jonge benen? En ze had niets gehad om aan te trekken, de cake was te droog, de plechtigheid te kort en de muziek te Engels. Ze vond het maar niks, crematies. Ik hoefde niet eens in de buurt te gaan zitten om het allemaal aan te horen. De oudste zoon kwam bij ons zitten:

"Fijn dat jullie gekomen zijn, dat had hij echt gewaardeerd. Eén van jullie is de schaker, niet? En jij bent?"

We noemden onze namen. Wessel stelde Dries ook voor. Verder zeiden we niet veel. Die zoon praatte net als de oude Boogaerts:

"Gek, hè. Ik heb gisteren zijn vuilniszak buiten gezet. Daar zit zijn vuilnis in, dat heeft hij nog aangeraakt. Ik dacht nog: hij ligt nog opgebaard en we wissen zijn sporen al uit. Maar ja, je kunt toch ook geen vuilniszak gaan bewaren. Dat zou me wat worden."

We waren weg, zo gauw dat met goed fatsoen kon. Buiten nam Dries afscheid met een bemoedigend woord:

"Onze profeet zegt: dood is niet dood. Meneer Boogaerts is een goede man. Als wij goed praten over de mensen, dan zijn ze niet dood. Niet voor altijd dood. Onze koran zegt iedereen heeft een boekje. Jij doet slechte dingen; één engel schrijft in dat boekje. Doe jij goede dingen, dan schrijft de andere engel. Als jij goed praat voor meneer Boogaerts, dat zijn allemaal goede dingen in die boek. En als de tijd voorbij, als de laatste dag, dan leest God dat boekje. Niemand weet wat de God gaat doen. Maar als wij veel praten voor meneer Boogaerts, veel goede dingen bij God."

Dat nam Wessel zich ter harte.

****

Zo zwijgzaam als hij was na de dood van vader, zo spraakzaam was hij nu. De dood maakte de tongen los. Er was woede, ontgoocheling, verdriet en verbittering. En, laten we dat niet vergeten, een heleboel gevloek.

Er was woede. Moeder kwam met het nieuws dat haar neef een lintje kreeg. Het had Hare Majesteit behaagd om Frans Smeets te onderscheiden. De ongekroond koning van de spuitbus had zo zijn relaties. Ik vond het wel om te lachen. Het was toch een zielige ijdeltuit.

Wessel sprong bijna uit zijn vel.

"Dit is toch ongelooflijk. Er is geen gerechtigdheid. We belonen de hufters en we laten fatsoenlijke mensen achter onze rug om doodvallen. Waarom is die smeerlap überhaupt nog in leven? En Boogaerts, die altijd voor iedereen klaar stond, die hielp waar hij maar kon. Zo iemand gaat gewoon de pijp uit, zonder lintje, niks niet. En niemand bij zijn crematie, hè. Die man heeft zijn godganse leven alleen maar aan anderen gedacht. De burgemeester had er godverdomme moeten zijn. De premier. De koningin."

Er was ontgoocheling. Wessel was er de man niet naar om wie dan ook te bewonderen. Mensen die ergens goed in waren hadden geboft, wat hem betreft. Niet iets om jezelf op te laten voorstaan, maar meer een soort extra verantwoordelijkheid. Als je bijzondere kwaliteiten hebt, dan moet je die delen met mensen die minder begiftigd zijn. Maar voor Boogaerts had hij een ongegeneerde bewondering. De man was een bron van inspiratie geweest. Boogaerts had hem laten zien dat hij niet alleen stond in zijn denken. Hij liet hem boeken lezen, van Sal Santen tot Anton Constandse. Hij leerde hem de historische traditie waa hij in stond, zonder het te weten. Nu stond Wessel er weer helemaal alleen voor. Zoals voorheen, zoals altijd. Het verschil was dat hij nu wist wat hij miste.

Er was verdriet. Mar had er een dagtaak aan om hem te troosten en ze deed dat met graagte. Wessel had afleiding nodig, dus sleepte ze hem naar de film en naar musea en lezingen. Hij werd met verve gepamperd en liet het zich allemaal gebeuren. Ze leefde helemaal op, maar ik kan niet zeggen dat Wessel er echt van opknapte. Ik droeg zelf mijn steentje bij door van tijd tot tijd met hem te schaken. Hij won drie van de vier partijen, maar daar nam hij wel de tijd voor. Had je een zet gedaan, en dan liet-ie je heel lang wachten. Ik heb daar geen geduld voor, eigenlijk. En dan begon hij opeens te praten:

"Boogaerts kon de stukken niet meer vast pakken, dat ging niet meer. 'Mijn paard slaat jouw toren', zei hij bijvoorbeeld. En ik moest zelf alle stukken zetten. Hij kon het niet meer, zijn vingers waren helemaal krom van de reuma. Dat moet ook pijnlijk zijn geweest. Maar daar hoorde je hem niet over."

En verbittering. Volgend jaar wachtte de grote ontruiming van de Iep, zo had de rechter beslist. We hadden gezworen om ons met hand en tand te verzetten. Maar iedereen maakte nu al plannen om te vertrekken. Sheila werd leerplichtig, die moest 's avonds op tijd naar bed. Een geregelder huishouden zou toch beter zijn: Ida ging op zoek naar wat anders. Tiet stak niet onder stoelen of banken dat ze het liefste met haar hele gevolg naar een vrouwenhuis verkassen wilde. Eén voor één zouden ze verdwijnen. Trouweloos vond Wessel ons en het stemde hem bitter.

"Het is de mentaliteit die niet deugt. Zo gauw hun eigen belang in het geding is zijn ze weg. Weet je, iemand als Boogaerts, daar zouden we Godsgruwelijks veel van moeten leren."

En dan zuchtte hij. Gelukkig had Mar het keuzevak rouwtherapie gedaan.

"Het is gewoon verliesverwerking. Je hebt daar altijd verschillende fasen in."

Ze somde ze op:

"Je hebt eerst ontkenning. Je bent verdoofd, je gaat door op de automatische piloot. Daarna word je kwaad. Je denkt: waarom moet mij dat overkomen? En dan de onderhandelingsfase. Je gaat de consequenties onder ogen zien en uiteindelijk krijg je coping. Dat je het aanvaardt omdat het onvermijdelijk is. Je moet nou eenmaal verder, daar leg je je bij neer. Maar het begint met ontkenning. Daar heeft Wessel gewoon ontzettend lang in gezeten. Hij is nu eindelijk toe aan de dood van zijn vader. Hij heeft alle symptomen van ontkenning al gehad: lethargie, jezelf terug trekken en in je schulp kruipen. Je volledig op een studie werpen. Dat hoort er allemaal bij. Het zou best kunnen zijn, dat-ie nou, dus door een nieuwe verlieservaring, door de ontkenning heen breekt. Zou het niet?"

Ze had er zin in. Eindelijk, hij had haar nodig en ze zou er zijn. Ze liep het vuur uit haar sloffen, maar Wessel zat daar niet op te wachten. Mar wilde een feest organiseren om zijn verjaardag te vieren. Maar Wessel wilde niet:

"Laat maar, Mar. Het is lief, maar laat maar. Doe geen moeite."

23 De Elyzeese velden

"Blijf nou even liggen"knorde Gerrie vanuit een roes tussen de dekens. We moesten altijd blijven liggen achteraf. Ik reageerde niet. Ze probeerde het nog eens, nu met een zacht kreunend verwijt:

"Mathieuheu. Ik krijg het koud, hoor. Kom nou effen lekker terug in bed."

Maar ik had de rust niet: ik moest nog langs de Iep, douchen, cadeautje ophalen. Het was al bij achten. Ik had mijn broek aan en zocht mijn schoenen. Ik vond ze onder haar kleren in de hoek.

"Ging je nou nog mee of niet?"

Ze had eigenlijk al beloofd mee te gaan.

"Kweenie. Ik ken daar helemaal niemand", zei ze,

"Ik ken daar ook niemand en ik heb ook geen zin", zei ik.

"Nou dan ga je niet. Blijf toch lekker hier. Mòet je er heen?"

Natuurlijk moest ik erheen.

"Het is mijn beste vriend en hij gaat een jaar weg. Ik kan niet wegblijven. Ga je nou mee of niet?"

Ze was het niet van plan:

"'t Is jouw vriend, niet de mijne."

"Dan niet."

Ik was onverholen pissig. 's Ochtends had ze me nog verweten dat ik nooit tijd voor haar had. Dat beaamde ik, inderdaad, het werk ging voor. Ze moest niet denken dat ze me de hele tijd kon claimen. En toen waren de rapen gaar, natuurlijk. Ik weet het, ik deed haar geen recht. Ze was alles behalve veeleisend, als er iemand was die beter verdiende, dan was het Gerrie wel. We hadden het goed kunnen hebben samen, maar ik moest scherven zien en splinters.

****

Bij mij wilde de studie niet vlotten. Bij Giel wel. Hij lag ver voor op schema en had bijna al zijn vakken afgerond. Nog één stage en hij mocht zich econometrist noemen. Het genie uit Kerkrade kreeg een stageplaats aangeboden in Chicago en zei daar geen nee tegen. Zijn afscheidsfeestje zou mijn leven veranderen, maar achteraf kun je dat van een hoop dingen zeggen. Dat feest vond plaats in een wijkcentrum bij Giel in de buurt. Er waren veel studenten econometrie, met een mengeling van jaloezie en bewondering. De uitgebreide familie was er ook, die pikte je er zo uit. De zware wenkbrauwen, het donkere haar in een scheiding; het lijf, kort en gezet, gestoken in het zwarte zondagse pak. Ik stelde me voor aan de ouders. Giel had het te druk met alle belangstelling, hij zou me nog opzoeken, later op de avond. Voor twaalven kon ik voor mijn fatsoen zeker niet weg. Ik kreeg een biertje en keek met nog tientallen gasten vol verwachting naar de lege dansvloer.

Wat doe je op een feest waar je niemand kent? Je gooit je in de strijd, dat is een mogelijkheid. Nieuwe mensen ontmoeten, wie weet - die ene amoureuze verovering. Daar zat ik niet op te wachten. De andere mogelijkheid: je houdt je afzijdig. Je observeert zo'n feest met de blik van een antropoloog, je kijkt hoe de dansers wachten tot de muziek begint. Er is één moment om de muziek te herkennen en de juiste bewegingen te kiezen. Daarna moet alles soepel golven als één organisme. Let op de gezichten, één met de cadans, ze vergeten alles om zich heen. Dit is plezier. Tot opeens de muziek stopt, of iemand ze een glas aanreikt. Dan valt alles stuk en de illusie is weg. Er zijn culturen waar ze klaagvrouwen betalen om te jammeren op een begrafenis. Alsof ze zelf niet genoeg verdriet hebben. Het zijn wonderlijke rituelen.

Ik keek hoe het spel zich ontrolde. Een lange hippieachtige jongen bewoog als eerste over de dansvloer. Daar is moed voor nodig. Of de anderen volgen weet je niet van tevoren, de kunst is te doen of het je niets uitmaakt. Je houdt nu eenmaal van dansen, alleen of met anderen, dat maakt niet uit. Je kunt het ook thuis doen, maar nu je toch hier bent: waarom niet? Hij danste met wapperende bewegingen en inspireerde niemand tot navolging. Toch ging hij door. Stoppen is riskant, maar te lang doorgaan ook. Degene die besluit mee te dansen neemt ook risico's. Nummer één kan denken dat je toenadering zoekt. De eenzame danser kreeg gezelschap, maar het was de drie meisjes niet om onze held te doen. Don't let me be misunderstood. Ze kletsten elkaar heupwiegend naar het centrum van de aandacht en keurden hem geen blik waardig. De hippie werkte onverstoorbaar voort.

"Dan moet jij de beroemde kraker zijn."

Tegenover me stond een lang meisje met blond haar. Ze keek me brutaal lachend aan. Ze zag er goed uit, een gebruind gezicht met zwarte wimpers en roodgestifte lippen. Met haar linkerhand hield ze zowel een halfvol wijnglas als een brandende sigaret vast. Ze stelde zich voor met een krachtige handdruk. Koude vingers.

"Marieke. Ik ben de ex van René, maar die ken jij natuurlijk niet. Giels grote broer?"

René kende ik niet persoonlijk, maar ik had het hele verhaal gehoord. Hij werkte op Schiphol, zij had een goed betaalde baan in de reclame. Ze hadden een groot huis gekocht in Amstelveen, waren twee jaar bezig geweest met verbouwen en toen alles klaar was liep de relatie op de klippen. Hij zat nu op een flatje in Hoofddorp en zij had zijn deel van het huis erbij gekocht.

"Hoe is dat nou, in zo'n kraakpand vol met luis?", vroeg ze op plagende toon, "Zijn jullie echt allemaal steuntrekkers?"

Wat moest je daar nou op zeggen?

"Allemaal", verzekerde ik, "Je moet eerst je baan opzeggen, anders ben je niet welkom. Jij maakt geen kans, wij hebben het niet zo op huiseigenaren."

Ze bracht haar sigaret met een beslist gebaar naar haar lippen. Snel en beslist. Dat gold voor de manier waarop ze bewoog, haar woordenstroom, de wendingen in het gesprek.

"Oh? Ik dacht anders dat jij ook was overgelopen naar de heersende klasse. Was jij niet directeur geworden van een hele drukkerij? Handige jongen, hoor. Petje af."

Ze moest ergens uit West-Friesland komen, maar ik kon geen bijzonder accent ontdekken.

"Ik zie toch al niet wat je er te zoeken hebt. In dat kraakpand vol met luis, bedoel ik. Lijkt me zo shabby. Ze zien er ook altijd uit alsof het allemaal van het Waterlooplein komt. Geen stijl hè, geen klasse. Maar jou bevalt het wel? Een beetje?"

Een donkergroen mantelpakje, oorbellen, hoge hakjes. Zo zag ik Mar of Pluis er nog niet bij lopen.

"Ach, het heeft zijn langste tijd wel gehad", zei ik, "Ooit was het een hechte groep, maar de een na de ander haakt af. Als ze morgen zouden komen om de boel te ontruimen is er een dikke kans dat er niemand thuis is."

Dat was niet gelogen.

"En how's business?"

Ze doelde kennelijk op de drukkerij.

"Dat is een ander verhaal. Dat loopt goed, heel goed zelfs. We drukten eerst eigenlijk alleen voor actiegroepen. En daar moest dik geld bij. Toen zijn we gaan werken voor de drukkerij van ons thuis, om uit de kosten te komen. Daar kwam ruzie van en nu ben ik voor mezelf begonnen. Drukkerij Tegenwerk."

Ik, zei ik. Het was eruit voor ik het besefte. Noem het enthousiasme. Van de weeromstuit ging ik ook sneller praten.

"Er is een stuk meer mogelijk als je het niet alleen van actiegroepen hebben moet. We maken nu winst. Ik ben de enige in vaste dienst, maar als de zaken blijven lopen zoals het nu gaat, dan zit een tweede vaste kracht er aan te komen."

"Zo! Dat hoor ik niet veel meer. Iedereen houdt juist de hand op de knip, onze orders lopen ook terug. Het is helemaal geen goede tijd om met een nieuw bedrijf te beginnen. Waarom zou dat jou gaan lukken?" Daar had ik wel een antwoord op:

"Onze kosten zijn laag. We zitten in een kraakpand, we betalen geen huur. Onze machines zijn oud, maar afbetaald. En we werken met vrijwilligers. We kunnen dus veel goedkoper werken dan de concurrentie. En je zegt het zelf, bedrijven zijn op zoek naar goedkoop. Ze zijn dus op zoek naar ons. Wat wil je nog meer?"

"Je werkt met vrijwìlligers? Hoe krijg je dat voor elkaar?"

Ze was echt verbaasd.

"Ze doen het uit idealisme. Een deel van onze winst gaat naar diezelfde actiegroepen waar we eerst uitsluitend voor werkten. En ze doen het natuurlijk ook omdat ze geen werk hebben. Het is toch een kans op betaald werk."

Ze analyseerde snel ons groeipotentieel:

"Oké. Bedrijven zitten krap. Misschien dat sommigen uitwijken naar een goedkope oplossing. Maar reken je niet rijk, als de economie aantrekt nemen ze dat risico niet meer. Dan willen ze professionele kwaliteit en geen vrijwilligers. Neem dat nou van mij aan. Je product is betrouwbaarder als het wat kost. Mensen denken al gauw: als het niks kost, dan kan het niks zijn. Ik zou dat zelf ook zeggen. Je komt voorrijden in een mooie auto, je draagt een mooi pak. Dat kost wat, maar het schept vertrouwen. Dan weet de klant: die man weet wat er te koop is in de wereld. Die werkt met de beste mensen, het beste materiaal. Daar mag ik wat van verwachten. Geloof mij nou maar, als je iets wil verdienen, moet je geld laten rollen."

Toch zag ze mogelijkheden in Tegenwerk. Daar moesten we eens over verder praten. Tot mijn verbazing stelde ze meteen een zakenlunch voor, om eens te kijken of we iets voor elkaar konden betekenen. We spraken af voor de komende dinsdag. Het was haar uitnodiging, dus het mocht wat kosten. En ik kreeg haar kaartje: ze was PR-consultant.

****

"Kààl?", vroeg ik.

"Helemaal. Als een kikker", zei Maria, "Zelfs zijn wenkbrauwen. Hij heeft alles eraf gehaald."

Ze zei het rustig, maar ze was niet gerust, dat kon je horen. Het was begin jaren tachtig, bij ons in het dorp droeg men het haar nog lang en Wessel spande de kroon. Hij was voor Sint-Gerhardsrade een rolmodel. Wilde je weten hoe ze erbij liepen in Amsterdam, dan keek je naar Wessel. Haar was een elementair onderdeel van zijn wezen.

"Het is zo gek, je herkent hem niet. Ik bedoel, ergens is het wel zijn gezicht, want het zijn gewoon zijn ogen en zijn mond. Maar dan is het weer net alsof hij op het hoofd van iemand anders is geplakt. En dan die oren! Hij heeft opeens van die flapzeilen! "

"Waarom heeft hij dat gedaan?", vroeg ik,

"Dat weet ik niet, daarom bel ik jou juist. Ik had gedacht dat jij meer wist. Hijzelf zegt er niets over. Wij snappen dat toch niet, zegt hij. Wat bezielt hem toch de laatste tijd? Hij komt en hij gaat zonder iets te zeggen. Soms schrik ik me dood. Dan denk ik dat hij in Amsterdam is, maar dan zit hij opeens hier achter vaders bureau. Hij kan daar uren zitten met een schrijfblok, maar volgens mij schrijft hij niet veel. En hij maakt wandelingen, ook als het regent of 's avonds laat. En dan gaat hij opeens weer zonder iets te zeggen. Zeg, wat denk jij er nou allemaal van. Waarom die kale kop? Het is toch geen studentengrap, een weddenschap of zo. Daar vind ik Wessel niet het type voor. Moeder is ook erg geschrokken. 'Straks snijdt hij ook nog zijn oren af' zegt ze."

"Nee, een weddenschap, dat lijkt me inderdaad niks voor Wessel, " schatte ik, "Werkelijk, ik heb geen idee. Vorig week zag ik hem nog, toen heeft hij er niets over gezegd."

"Maar heb je verder iets raars aan hem gemerkt? Hoe gaat het met hem de laatste tijd?", wilde ze nog weten.

"Tja. Het gaat niet echt geweldig met hem, denk ik. Hij zit wel een beetje met zichzelf in de knoop, dat denk ik wel. Is hij nou nog thuis?"

Hij bleek weer afgereisd. Maria liet me beloven dat ik nog dezelfde dag bij Wessel langs zou gaan, om te zien hoe het met hem was. Dat deed ik. En al was ik gewaarschuwd, ik schrok toch van zijn nieuwe uiterlijk. Hij had eigenlijk een heel lange nek en een klein hoofd. Hij zag bleek, met adertjes bij zijn slapen. Bij het scheren was hij waarschijnlijk een paar keer uitgeschoten, want er zaten rode krasjes op zijn schedeldak.

"Je wilt natuurlijk weten waarom mijn haar eraf is", veronderstelde hij terwijl hij me voorging naar zijn kamer, "Maar dat ga ik je niet vertellen. Het is me teveel, om dat allemaal uit te leggen. Zelfs aan jou."

"Oké, dan vertel je het niet! Ik moet wel even naar je kijken", probeerde ik joviaal.

"Doe wat je niet laten kunt", antwoordde de spookachtige verschijning, die in verte iets van mijn broer weg had, om daar op vlakke toon aan toe te voegen:

"Maria heeft je natuurlijk gestuurd."

Het was alsof ik tegen een vreemde sprak. Niet alleen vanwege dat vreemde hoofd van hem, ook vanwege de afstandelijke, argwanende toon waarmee hij me bejegende. Hij leek er zelf ook moeite mee te hebben om zich een houding te geven.

"Je trekt zeker veel bekijks?", vroeg ik.

"Dat varieert", antwoordde hij, "Meestal draag ik een petje, dan zien ze je haren toch niet. Je zou eens moeten horen wat je anders naar je hoofd geslingerd krijgt. De mensen zijn zo origineel. Ik heb in één uur 27 keer 'Kojak' geteld."

"En hoe vind je dat dan?"

"Nou, laten we zeggen dat het een interessante ervaring is."

Hij sprak als iemand die moet leren omgaan met een rolstoel of een blindengeleide hond.

***

De zakenlunch met Marieke liet langer op zich wachten dan gepland. Tot twee keer toe zei ze de afspraak af, in verband met 'ontwikkelingen' waarop ze niet vooruit wilde lopen. Maar dinsdag zou ik er meer van horen. En, voor het geval dàt, moest ik dan de rest van de middag ook maar even vrijhouden. Ik was dus voorbereid op verrassingen, toen ik rond enen het eetcafé binnenliep. Meteen bij binnenkomst zag ik haar. Ze stak net een sigaret op en gebaarde naar een ober die kwam aansnellen met een asbak. Daarna knipoogde ze naar mij. Ze had me al gezien.

"Ga zitten", sprak ze, "Je ziet er goed uit. Doe de volgende keer een jasje aan, wil je."

Ze zag er zelf ook goed uit. Een leren rokje, stoer maar ook chique. Het truitje iets gewaagd, maar daaroverheen een keurig jasje. Op tafel lag een klein tasje dat er duur uitzag, maar waarschijnlijk gewoon van C&A kwam. Ze reikte me de menukaart aan.

"Neem wat je wilt, maar gèèn alcohol en gèèn vis. Daar ga je naar ruiken."

Dat vond ik een rare opmerking.

"Nou en? Je bent toch niet gekomen om aan me te snuffelen?"

Ze commandeerde verder:

"En ook geen knoflook. Ik wil weten of we zaken kunnen doen, jij en ik. En daarom gaan wij twee vanmiddag langs bij een klant. Maar voor we dat doen, wil ik weten of jij kunt leveren wat hij nodig heeft. Zo niet, dan ga je toch gewoon mee. Kun je vast kijken hoe het er aan toegaat. Dan besteden we het drukwerk wel uit."

Alles had ze al uitgedacht. Ze goochelde met percentages en kosten, met marges en voorwaarden. Ze maakte me enthousiast voor ik het in de gaten had. Het ging om het 100-jarig bestaan van een handelshuis. Ze waren binnengekomen met het idee om een herdenkingsbrochure te laten drukken. Ze waren eigenlijk al in zee gegaan met een ander bureau, maar dat was om de een of andere reden afgeketst. En nu zaten ze met een probleem. Wat overbleef waren wat ideeën, maar er was nog geen tekst en geen schrijver. Wat ze met het boekje van plan waren was ook nog niet uitgewerkt. Wat er wel was: een werkbudget.

"Als we het slim spelen, is dat hele budget voor ons. We bieden ze een totaalpakket voor één prijs, waarmee ze zich kunnen profileren als een oud, respectabel bedrijf. Ze hebben de eeuwen getrotseerd, dankzij hun degelijke kwaliteit. Maar ook dat ze zich altijd vernieuwd hebben, dat ze nog altijd even modern en dynamisch zijn. Dat contrast moeten we benadrukken. Dat maken we onderdeel van de hele strategie waarin het bedrijf zich presenteert. Met een feestelijke jubileumbijeenkomst, waarop het boekje gepresenteerd wordt. Leuke dingetjes voor de klant en voor het personeel. Met een publiciteitscampagne, die het bedrijf opnieuw in de markt zet. Zo'n jubileum heeft attentiewaarde, dat moet je maximaal gebruiken. Met pay-offs, waar je in de komende jaren op door kunt gaan. Met een beetje mazzel pakken we ook de huisstijl aan. Nieuwe Logo's, nieuw briefpapier. Nieuwe inrichting van het hoofdkantoor. Ik ken een jongen die daar heel handig in is. Die ontwerpt glazen deuren waar hij je beeldmerk in laat graveren. Of tweekleurig zeil, waarin dat beeldmerk wordt uitgesneden en ingelegd. Die jongen huren we desnoods in. Dus...."

Ik was onder de indruk van haar tempo en haar dadendrang.

"Vandaag laten we ze vooral wennen aan het idee. Over geld praten we niet, maar we moeten tussen de regels door zien uit te vinden wat ze te besteden hebben. Waar het vooral om gaat is urgentie: ze moeten het gevoel geven dat ze niet om ons heen kunnen. We moeten ze met een veel groter idee achterlaten dan ze hadden. Gedurfder en spectaculairder. We nemen ze bovendien al het werk uit handen. En we doen dat ook nog tegen een prettige prijs. Kortom, het moet vanzelfsprekend zijn dat ze ons kiezen. De indruk die we vanmiddag maken is bepalend. En dan kunnen kleine dingetjes behoorlijk storend zijn. Bijvoorbeeld als de grafisch specialist naar zalm stinkt."

"Oké, geen vis."

Ze lachte triomfantelijk.

"Mathieu."

Ze boog zich voorover en keek me broeierig aan.

"Ben jij de man die ik zoek, kun jij me geven wat ik nodig heb?"

"Ik kan je alles geven wat je begeert. En meer!", grijnsde ik.

"Ook als ik je vraag om een boekje in vierkleurendruk, kaft in luxe karton, scheidbladen van vloeipapier, oplage 5.000 stuks, levertijd een week?"

"No problem. Misschien dat we het buitenwerk in Limburg moeten doen. Maar dat moet ook geen probleem zijn."

Marieke legde beide handen plat voor zich op tafel en leunde achterover.

"Oké!"

Het onderwerp was afgerond en nu wilde ze bestellen. Ze keek in de richting van de bar en knikte. Meteen was daar de ober weer, alsof hij maar één klant had.

"Mogelijk hebben ze haast", hernam ze bij de koffie, "Waarschijnlijk hebben ze al de nodige achterstand in de planning. Dit is een gouden kans, Castermans. Als we dit binnenslepen, dan zijn we in business, jij en ik. Dan kunnen er nog mooie dingen volgen."

***

De afspraak met het jubilerende handelshuis was dezelfde middag in hun hoofdgebouw. Een kantoorflat uit de jaren '60 met uitzicht over het IJ en - in de verte - het westelijk havengebied. Het Noordzeekanaal, waar het bedrijf zijn bestaan aan dankte, kon je niet zien. Een juffrouw beneden bij de balie meldde onze komst."Mijnheer Eerbeek komt zo bij u. Neemt u even plaats, als u wilt?" Tegenover de zithoek hing een tegeltableau, aangeboden door het personeel ter gelegenheid van het 80-jarig jubileum. We zagen hoe de oude van Vollenhoven -zwart pak, bakkenbaarden - rond 1880 de basis legde, met de opslag van graan, ertsen en kolen. Hoe handelsmaatschappij Minerva dankzij de industrialisatie begon te bloeien, met handelscontacten van Danzig tot Manchester en Liverpool. En verder: New York, Boston, Halifax. Benarde tijden tijdens het interbellum. En na de oorlog kwam nieuwe groei dankzij het Amsterdam-Rijnkanaal en het moderne containervervoer.

"Wat denk je daar van", fluisterde ik met een hoofdknik, "Jouw concept hebben ze jaren geleden al zelf bedacht. We hebben ze niets nieuws te bieden."

"Ik zou zeggen: precies goed ingeschat. Minerva is een oude respectabele firma. Maar ook dynamisch en modern. Dat willen ze. Dat krijgen ze. Ze willen modern zijn, een trendsetter. En niets verandert zo snel als de trend. Daar leeft de hele PR-wereld van."

Marieke kreeg gelijk. Eerbeek ging ons voor naar het kantoor, waar de jongste telg van Vollenhoven de scepter zwaaide. Een dikke, kalende man met een groen overhemd en bruine stropdas troonde achter een imposant bureau. Achter hem lag, in de diepte, de Amsterdamse binnenstad. Het kantoor - de gecapitonneerde muren, de teakhouten tafels, de spiegelwand - getuigde van een opvatting van luxe die je nauwkeurig kon dateren: 1963. Kijk naar James Bond, From Russia with Love. Hij gebaarde dat we konden gaan zitten. Eerbeek nam het woord en vertelde waar de gedachten naar uit gingen. Hij liet voorbeelden zien van andere bedrijven en noemde data. Van Vollenhoven zei niets. Daarna was de beurt aan ons.

Marieke informeerde rustig of we goed begrepen hadden dat .... En of het misschien de bedoeling was om .... Onderwijl vatte ze het hele verhaal dat haar voor ogen stond samen in het vocabulaire dat Eerbeek gebruikt had. 'Respectabele oude firma' werd 'een gevestigde naam'; dynamisch en modern' werd 'voorop bij nieuwe uitdagingen'. En zijn 'continuïteit in een veranderende wereld' liet ze ook een paar keer terugkomen. Eerbeek knikte instemmend. Dan begon ze vragen te stellen. Niet aan Eerbeek, maar aan van Vollenhoven zelf. Hoe de onderneming de presentatie van het boekje zag. Hoe wilde men de relaties bij de festiviteiten betrekken? En het personeel? Wat waren de plannen voor de komende jaren, na dit hoogtepunt? Het zou toch zonde zijn om nu zoveel tijd en geld - we hadden het toch al gauw over pakweg 10, 20 mille nietwaar?- dat het zonde zou zijn als het alleen om dit ene moment ging. Het jubileum was een mooie aanleiding, daar kon je publiciteit op organiseren. Maar je zou de aandacht ook in de komende jaren moeten vasthouden. Hoe zag de directie dat voor zich? Van Vollenhoven kwam met aarzelende, zoekende antwoorden. Marieke prees hem om zijn gedurfde visie. Hij bleef haar antwoorden schuldig, ze deed hem ideeën aan de hand. En aan het einde vatte ze alles geestdriftig samen:"....en dat allemaal het liefste in één samenhangend communicatieplan. Alles in één hand, zodat u er niet teveel naar hoeft om te kijken. Als ik dan nog even zou mogen informeren naar de financiële ruimte?"

Van Vollenhoven lachte geamuseerd, alsof hij wist dat hij werd ingepakt:

"Juffrouw Besselaar. Ik stel me zo voor dat u het idee verder uitwerkt en u geeft daar een prijsindicatie bij. Dan komende we daar volgende week op terug. Zullen we zeggen, zelfde tijd, zelfde dag? En dan kijken we of op de korte termijn overeenstemming kunnen bereiken."

Eerbeek deed ons uitgeleide.

"Hij ziet het wel zitten met jullie", zei hij tevreden, terwijl hij Marieke in haar jas hielp. Over het budget zou ik maar niet inzitten, daarover worden we het wel eens."

Marieke was opgetogen.

"Dit gaat ons lukken, Castermans. Dit wordt een hele vette. Minerva is echt zo'n familiebedrijf. Als die ouwe iets wil, dan gebeurt het. En die gaat happen. Die jongen vindt het allang best dat we hem het werk uit handen nemen. Ik zal je eens wat vertellen. Ik ga deze opdracht binnenhalen voor eigen rekening, buiten het bureau om. Per slot van rekening ben ik ze niets schuldig. Ik heb het contact gelegd op mijn eigen naam. Met jouw drukkerij achter me kan het niet misgaan. We strijken de hele buit op, jij en ik."

Ze haakte haar arm door de mijne en voerde me mee naar een duur terras. We spraken af dat ik de offerte zoveel mogelijk van mijn kant in elkaar zou zetten. Ik zou een specificatie maken voor het drukwerk, zij zou de tekstschrijver polsen, kijken naar de ruimte voor de presentatie, de catering. Ze zou ook de optionele posten op papier zetten: een promofilmpje; een nieuw logo en de publiciteitscampagne die zich over drie jaar moest uitstrekken. Voor het personeel een gedenkkrantje en een feestavond met bekende artiest, ook onder de optionele kosten. Ze dacht dat ze zo'n 40.000 hadden uitgetrokken voor het jubileum en dat er aan optionele kosten gemakkelijk nog eens 40.000 viel los te praten. Vrijdag zou ze bij mij komen eten, en dan zouden we alles rondmaken. De aangeklede offerte kon dan maandagochtend bij van Vollenhoven op het kolossale bureau liggen.

****

Die vrijdag zeek het van de regen. Ze had haar auto bij het ziekenhuis gezet en was van daar komen lopen, zonder jas. Terwijl er om de hoek bij het Paroolgebouw plaats genoeg was. Nu droop ze, maar daar maalde ze niet om. Niets kreeg haar klein. Die brutale blik, de vanzelfsprekendheid dat het haar allemaal zou lukken, de lol, de energie die ze in de onderneming stak. Het was allemaal spel en ze speelde het met aanstekelijk enthousiasme.Ik wilde deze vrouw veroveren en daarin zou ik hoe dan ook slagen, beloofde ik mezelf. Er waren niet veel Iepers waar ik haar aan kon voorstellen. Tiet was thuis en Willem ook. Die liet zich gewillig inpalmen door haar plagerige commentaar op de Beweging.

"Jullie nemen zoveel hooi op je vork", fleemde Marieke, "De woningnood bestrijden, vrouwen bevrijden, de wereld verbeteren. Er gaat een hoop tijd in zitten en zie je nou veel resultaat? Eerlijk zeggen. Je ontzegt jezelf een hoop, maar waarvoor doe je het eigenlijk?"

"Je krijgt er ook een hoop voor terug", zei Willem.

"Wat dan?", wilde ze weten.

"Nou, woonruimte. En ook interessante ontwikkelingen, die je van dichtbij meemaakt. Boeiende mensen. Kameraadschap."

"Dat klinkt nou net als die advertentie waar ik ooit op solliciteerde. Leuke baan aan overgehouden, leuke contacten ook. En het schuift goed", zei ze tevreden, "Ik hou het liever praktisch. De wereld verbeteren, laten we zeggen: dat is niet mijn kopje thee. Maar verder prima hoor, ik vind het allemaal heel kleurrijk wat jullie doen. Daar wil ik graag mijn torenhoge sociale premies voor betalen. Het geeft sjeu aan de stad, zo'n kraakpandje."

Tiet liet zich niet paaien:

"Jij hebt zo'n leuke, goed betaalde baan. Besef je wel dat je die tien jaar geleden niet gehad had? Daar heeft de vrouwenbeweging hard voor geknokt."

Dat beaamde Marieke.

"Ja. En daar ben ik jullie ook erg dankbaar voor. Ik denk alleen dat iedereen haar eigen steentje moet bijdragen, op d'r eigen manier. Wat heeft het voor zin dat vrouwen kansen krijgen, als niemand daarvan gebruik maakt? Jullie hebben gedemonstreerd en gekraakt en bezet en wat al niet, om te zorgen dat vrouwen kunnen werken. Maar als dan alleen de mannen carrière kunnen maken dan is het nog voor niks. Ik laat jullie niet in de steek, daarom wil ik werken en ook hogerop. Zo draag ik mijn steentje bij. Dat is toch heel solidair van mij, niet?"

En daar had zelfs Tiet geen verweer op.

Na het eten trokken we ons terug om over zaken te praten. Ze was ingenomen met mijn deel van de offerte. Ze vond alleen wel dat ik te laag zat met mijn kosten.

"We kunnen twee dingen doen, Castermans. Of je gaat mee als volledige partner. Dan deel je 50-50 in de winst maar draag je ook het risico voor de helft. Of je beperkt je tot jouw deel van het verhaal. Dan lever je aan mij en ben je een soort onderaannemer. Je garandeert dan, dat je levert tegen een van tevoren overeengekomen bedrag. Daar maken we dan een contractje voor. Je blijft binnen jouw prijs, de rest is mijn hoofdpijn. Ik bied je liever 50-50, daar zal ik duidelijk in zijn. Maar je kunt het nooit doen voor dat geld en ik heb geen zin om jouw risico met je te delen. Je moet hoger gaan zitten met je prijs, je bent te goedkoop."

"Dat lukt me wel. Ik heb weinig kosten, weet je nog?"

"Heb je aan de BTW gedacht?"

Nee, dat had ik niet:

"Doe ik nooit. Geen haan die er naar kraait. We zijn nog altijd een drukkerij van krakers."

Daar had ze meteen een antwoord op.

"In dat geval wil ik je liever als onderaannemer. Als je tegen de lamp loopt, weet ik van niks. En maak dan voor mij wel een rekening mèt BTW. Reken maar terug van het eindbedrag. En ga toch wat hoger zitten, man. Doen die vrijwilligers van je het echt allemaal voor noppes? Ook als ze weten wat het oplevert?"

"Ze krijgen hun aandeel van de winst, voor de actiepot. Met een maximum van 4.000."

Marieke had een praktische suggestie:

"Doe dan voor dit keer een extra bonus, gewoon om ze een lol te doen. Dat werkt. En dan leg je gewoon een paar duizend extra op het eindbedrag. Van Vollenhoven heeft geld."

Voordat we gingen wilde ze de Heftige Pers nog zien. Toen we binnenkwamen waren ze bezig voor een solidariteitsactie voor Ierse hongerstakers. Ad en Gerrie waren druk in de weer met zeefdrukramen. Marieke stelde allerlei vragen over het procédé en kreeg uitvoerig uitleg, alsof de koningin op werkbezoek kwam. Ik probeerde zowel tegenover Marieke als tegenover Gerrie een neutrale houding aan te nemen. Ze hoefden beiden niet te weten wat ik met de ander had of wilde hebben. Dat lukte heel aardig.

Ad was bewust baanloos. Hij vond dat je mensen niet moest dwingen om werk te doen waar ze niet voor gemotiveerd waren. Als er niet genoeg werk voor iedereen was, dan moest je het juist waarderen dat mensen vrijwillig afstand deden van hun recht op een baan. Desalniettemin werkte hij keihard en zijn inzet was mateloos. Hij was het die de naam Tegenwerk bedacht had. Voor we weggingen klampte Gerrie me aan met een vraag.

"Moet je horen, Ad heeft een idee, maar we hebben niet genoeg geld in de actiepot. Nu vroeg ik me af of Tegenwerk het kan voorschieten. Ik weet niet of dat volgens de afspraak is, maar het gaat om een buitenkansje. Vertel het maar, Ad."

Hij kon aan een buttonapparaat komen. Bijna niet gebruikt, en je kon er buttons mee maken in allerlei verschillende formaten. Daar was zonder meer behoefte aan in de actiewereld. Maar het apparaat moest 1.200 gulden kosten.

"Ik weet het goed gemaakt", zei ik, "Tegenwerk leent je het geld voor dat apparaat. Ik ben met Marieke Besselaar bezig om een grote commerciële opdracht binnen te halen. Als die opdracht afkomt, zetten we de lening om in een eenmalige gift. Goed idee?"

"Tof, man."

We liepen door naar haar auto. Marieke was tevreden.

"Dat deed je handig, Castermans. Je zult zien, voorlopig vliegt die jongen voor je. Je hebt toegewijde mensen rondlopen, daar moet je zuinig op zijn. Dat blijft je zwakke plek. Als jouw mensen niet willen, heb je helemaal niks om ze te dwingen. Dat gaat een keer fout, vroeg of laat. En dat meisje, eerlijk zeggen: dòe je het met haar?"

Ik zei niks. Ik voelde me zo waar betrapt.

"Dat dacht ik al. Het is wel een raar model. Maar misschien is ze heel lief. Geef je om haar?"

"Niks serieus. We hebben geen verhouding of zo."

Dat vond ze niet genoeg.

"Dat zeg jij, dat zegt zij. En jij denkt dat zij dat ook meent. Misschien denkt zij dat nu ook nog wel. Maar pas op, het is een tijdbom onder je bedrijf."

Ze hield me staande.

"Castermans, ik heb plannen met jou. Met een beetje geluk bouwen we die drukkerij van jou uit tot een echte onderneming. Als jij dat wilt, natuurlijk. Maar jij en ik, we hebben wat samen. Dat hoef ik je niet te zeggen. Alleen dat gedoe met die krakers, dat wordt niks. Het is schilderachtig, het is romantisch, maar er zit geen toekomst in. Ik haal jou hieruit, jongen. Je moet het wel willen, voor de volle mep. Je moet weten wanneer je moet toeslaan, niemand komt het je nadragen. Kansen maak je zelf. Maak duidelijk wat je wilt, en laat er geen twijfel over bestaan dat het lukken gaat. That's the game."

Ze lachte me toe:

"Denk erover. Dag jochie."

Haar dadendrang was adembenemend. Dat is iets wat ik vanaf het begin in haar bewonderd heb. Begint ze iets nieuws, dan stort ze zich er volledig op. Daar zit geen aarzeling of twijfel bij. Als ze kwaad is, dan is die woede compleet. Ook liefhebben deed ze vol overgave, dat zou ik gauw genoeg merken. Wat ze doet is voor 100%. Onversneden. Geen water bij de wijn. Ze is volledig wie ze is. De meeste mensen raken dat kwijt als ze volwassen worden. Marieke niet. Ze zocht in haar tasje naar de sleutel van haar auto. Ik nam haar bij haar schouders en draaide haar naar me toe. Haar mond wachtte al op me, dat sprak vanzelf.

"Nou, jij leert snel, jongen", zei ze.

Ze liet het warme lome gewicht van haar lijf in mijn armen rusten. Ze was een en al zoen, zonder enige terughoudendheid. Mijn hand schoof onder haar T-shirt en aaide haar rug. Ze liet het zich welgevallen, tot ik aan het bandje van haar bh begon.

"Ho", besliste ze, "Tot hier, niet verder. Er valt nog niets te vieren. Dag Castermans, tot dinsdag. En denk eraan, jasje-dasje!"

*****

Ik verscheen in gevechtstenue, jasje-dasje. Marieke kleedde zich ook strategisch. Ze droeg een halflange rok en truttige pumpschoenen. Maar ook een laag uitgesneden hemdje. Onze offerte moest overtuigen, maar het oog wil ook wat. De andere partij had geen tijd voor powerdressing. Eerbeek handelde het alleen af: "Mijnheer van Vollenhoven laat zich verexcuseren, maar ik heb alles met hem doorgepraat."

Eerbeeks kantoor was veel bescheidener dan dat van de grote man, maar niet zo hopeloos ouderwets. Het lag aan de andere kant van het gebouw, met uitzicht op het IJ. Ik dacht zelfs een puntje te kunnen zien van het pakhuis van Robbie.

"Ik zei het vorige week al, hij is ingenomen met jullie aanpak. In grote lijnen gaan we akkoord. Maar..."

Het kwam erop neer dat ze ook een rol wilden voor de personeelsvereniging en er waren nog wat dingen die hij wilde uitzoeken.

"We kunnen nu een principe overeenkomst afsluiten en daar de begroting op aanpassen. Wat zeg je daarop?"

"In het algemeen zijn we geen voorstander van clausules met een open eind", antwoordde Marieke meteen, "We leveren een goede kwaliteit voor een mooie prijs. Maar om dat te kunnen doen moeten we tijdig capaciteit kunnen inplannen, ook bij toeleveranciers en dergelijke."

"Dan gaan we akkoord met het genoemde bedrag, maar wat jullie daarvoor leveren staat nog open. Misschien doen wij meer zelf, dat is dan jullie voordeel. Maar leg je er op toe, dan is dat jullie risico."

Dat klonk redelijk.

"We leggen de afspraken nog even vast in een formele opdracht en ik laat van Vollenhoven deze week nog ondertekenen. En dan is er nog iets, mevrouw van Besselaar. Hij was nogal onder de indruk van uw kordate aanpak en zou graag zien dat u de presentatie op de avond voor de klanten doet."

Eerbeek vroeg niet om een gunst, hij verleende er een. Hij keek er gul bij. Marieke keek terug, recht in zijn ogen. Zijn blik gleed weg.

"Dat is buitengewoon vleiend, mijnheer Eerbeek "zei ze zuinig, "Maar dat komt bovenop alles waar ik me toch al mee moet bezighouden. Zelf zou ik het liever uitbesteden. We hebben dames of heren die dat prima kunnen en die minder in rekening brengen dan ik zelf zal moeten doen. Maar als de heer van Vollenhoven erop staat?"

"Hij staat erop", zei Eerbeek.

"Dan komt daar mijn persoonlijke honorarium boven op. Dat is een bruto uurtarief van ƒ 165,30. Er gaat al gauw 12 uur in zitten, dat zou dan op een kleine 2.000 komen, exclusief."

Dat had ze snel uitgerekend. Eerbeek had nergens problemen mee.

"Maar we moeten nu wel tot een afronding komen, ik heb zo een nieuwe afspraak. Loopt u nog even bij mijnheer van Vollenhoven langs. Hij zal u graag nog even persoonlijk begroeten."

****

Eerbeek was hoofd voorlichting, maar tot het echte Panthéon van Minerva was hij niet doorgedrongen. Op de vijfde etage lag tapijt in plaats van linoleum. Geen foto's aan de wand, maar gesigneerde kunst uit de jaren zestig. We liepen langs receptieruimten met tropische planten en vloeren van parket. De goden werden steeds hoger en de kamers steeds groter. De god van het bulkvervoer, de god van Europa en de god van Transatlantis. Ze waren niet thuis. In de vergaderzaal van de raad van bestuur was een huishoudelijke dame bezig om de vloer te schrobben. We zagen marmer, getint glas en een dakterras met bomen. We sloegen de hoek om. Daar, bovenop de Olympus, zetelde van Vollenhoven. Marieke klopte op de poort. Het bleef stil. Ze opende zachtjes de deur. De hof was leeg. We keerden om en liepen terug naar de lift. Onderweg maakte Marieke de balans op.

"Het ging me toch te gemakkelijk", vond Marieke, "er was meer uit te halen geweest."

"Je wilt het onderste uit de kan. Terwijl je meer hebt binnengehaald dan waar je op gehoopt had."

Je moest ook tevreden kunnen zijn. Maar dat was ze niet snel.

"Het moet op het scherp staan, dat hoort bij het spel. Het ging te soepel, ze hadden best meer willen betalen."

Marieke speelde graag en dat nam ze heel serieus. Ik vond het spannend genoeg, maar zij had nog iets gemist. Wachtend op de lift, vouwde ik mijn armen om de hare en kuste haar nek.

"Dat spel hebben we gewonnen. We hebben iets te vieren", fluisterde ik."Laten we naar de Iep gaan."

Zo is dat. Maak duidelijk wat je wilt en dat dat ook gebeuren gaat. Ze draaide zich om en nipte aan mijn lippen.

"Als we iets vieren, dan wel op niveau. Van Vollenhovens kantoor!", zei ze triomfantelijk, "En die schoonmaakster dan?"

Daarin zag ze geen probleem:

"Wij komen hier werken. Weet zo'n mens veel. En ze is voorlopig nog wel even bezig hiernaast. We doen gewoon de deur op slot."

Ik draaide de deur op slot. Mijn hart bonkte in mijn keel. Ze drukte me tegen de spiegelwand en knoopte mijn overhemd los met die koude vingers van d'r.

"Weet je", zei ze, "Winnen maakt me ontzettend geil."

Ze stortte zich in mijn armen. Mijn handen zochten een weg over haar rug en ik maakte het bandje los. Ze vlijde haar borsten tegen me aan en kamde met haar vingers door mijn haar.

"Stap eens naar achteren", zei ik, "Ik wil je zien."

Ze deed drie stappen achteruit en stond tegenover me als een verlegen schoolmeisje. Even wist ze zich geen houding te geven. Die degelijke rok en die keurige damesschoenen. En dan opeens die borsten, naakter dan naakt, losgebroken uit hun ketens. Een triomfantelijke, complete schoonheid. Ik hapte naar adem. Ze was zo mooi, dat ze er zelf geen raad mee wist. Toen, eindelijk, liep ik op haar toe. Al was het maar om de impasse te doorbreken, opdat we weer mensen werden van vlees en bloed. Ze lachte en deinsde terug. Ik kuste haar voor me uit, naar dat belachelijke grote bureau, groot als een tweepersoonsbed. Van Vollenhoven was een ordelijk man, de schrijftafel was keurig opgeruimd. Ze omarmde me met haar dijen en liet zich achterover zakken.

In de verte, achter Marieke's blonde haar, stond de flat van de Nederlandse Bank. Links daarvan zag je de torens van de Mozes en Aäronkerk. Daarachter ergens moest de Iep liggen. En ertussenin de eeuwenoude stad. Er gingen kleine bootjes door de grachten en minifietsertjes over de bruggen. De stad waar minuscule junkies bedelden om geld en toeristjes de weg vroegen naar het Rembrandthuis. En al die schepsels blikten van tijd tot tijd omhoog en zagen tussen de wolken door het Minervagebouw. En geen van hen had ook maar een idee van wat zich afspeelde in ons godenverblijf. Marieke wist wat ik er in mij omging.

"Draai je om", hijgde ze, "Ik wil de wereld aan mijn voeten als ik kom."

We draaiden ons allebei om. In de spiegel achter ons zag ik niet meer dan de strakblauwe novemberlucht. Ik sloot mijn ogen.

****

Buiten was het fris geworden. Marieke kroop in haar warme auto. Ik knoopte mijn jasje dicht en fietste de kou in. Toen ik nog even naar haar omkeek zakte zon weg achter de Minervatoren. Als Eerbeek nu uit het raam keek zag hij beneden zich de directeur van de drukkerij wegfietsen in zijn chique jasje, bedacht ik en moest om mezelf lachen. Thuis was er niemand om te delen in feestvreugde, noch Wessel, noch Giel om mijn triomfen aan te horen. Ik overwoog net om Mar op te zoeken in de School, toen ik het briefje zag liggen. Of ik wilde terugbellen naar Wilco Steenhuis. De naam zei me niets. Toen ik belde werd er opgenomen door de Hulp Voor Onbehuisden. Was ik de broer van Wessel Castermans? Ik moest maar niet schrikken, maar hij lag bij hun op de slaapzaal en hij was lelijk toegetakeld. Was ik in de gelegenheid om even langs te komen aan de Weesperzijde? De Weesperzijde was vlakbij, ik nam niet de moeite iets warmers aan te trekken. Waar was Wessel nou weer in terecht gekomen? Kon die stommeling niet meer voor zichzelf zorgen? 'Lelijk toegetakeld', wat wilde dat zeggen? Als het ernstig was, waarom lag hij dan niet in het ziekenhuis? En als het niet zo ernstig was, waarom liet hij dan een ander voor zich bellen? Waarom kwam hij dan niet gewoon naar huis?

Ik was wel eens bij de IJsbreker geweest, maar verder kende ik de Weesperzijde niet. Het bleek een heel eind verderop. Ik wist waar ik zijn moest, door het publiek dat voor de poort rondhing. Was dit nu het volk waar Wessel graag mee optrok Die mannen met mutsen over hun vettige haren en plukken shag in hun baard, mannen met te korte winterjassen en handschoenen met gaten? In de goot lagen platgetrapte bierblikjes en lege flessen. Twee Surinamers waren in de beschutting van de toegangspoort ongegeneerd bezig om iets op een lepel te smelten boven een aansteker. Een jong meisje in een roze bodywarmer liep rusteloos op en neer alsof ze op iemand stond te wachten. Ze kwam op me toegelopen toen ik mijn fiets op slot zette en vroeg een sigaret. Nadat ik haar die gegeven had wilde ze ook een rijksdaalder. Ik weigerde en liep naar binnen.

In een rokerig zaaltje zaten twee mannen luidruchtig te kaarten. Ze smeten hun troeven op het formica tafelblad en probeerden elkaar te imponeren met woeste kreten. Ik vroeg naar Steenhuis. Een van de twee wees met zijn duim naar de deur achter hem, zonder het spel uit het oog te verliezen. Achter de deur was een kantoorruimte, waar iemand in een grijze pull-over achter een typemachine zat. Het was een nette jongeheer met kleine krulletjes. Omdat hij zat en ik stond zag ik de diepe inhammen in zijn haarlijn. Hij zou vroeg kaal worden, maar nu moest hij nog alles uit de kast halen om voor vol te worden aangezien. Een dun snorretje en een keurig ringbaardje gaven wat gewicht aan een al te jeugdig gezicht. Hij stond beleefd op en reikte me de hand.

"Gaat u zitten", zei hij met een hoge stem.

Op het bureaublad lag Wessels schrift met de verkeersborden, wat meer verfomfaaid dan voorheen. Hij had zijn eigen naam opgeschreven, met daaronder mijn naam en ons telefoonnummer. Geschreven met vaste hand, onmiskenbaar de hand van Wessel.

"Wat er precies gebeurd is weten we niet", zei Steenhuis, "We hebben hem zo goed en zo kwaad als gaat weer opgelapt. Maar zijn oog zit dicht en hij ziet er niet uit. Dat duurt nog wel even voor hij weer toonbaar is. Hij ligt hier op een bed apart, maar hij kan hier niet blijven. We zijn per slot van rekening geen ziekenhuis, het is hier bedoeld als nachtopvang.

"Is het ernstig?"

"Het lijkt erger dan het is. Een hoofdwond ziet er meteen dramatisch uit. Maar dat komt wel goed, zegt de dokter. Hij heeft wat zwellingen en blauwe plekken en hij klaagt wel over hoofdpijn. Praten gaat moeilijk vanwege de hechtingen. We gaan zo naar hem toe. Stel maar hem niet te veel vragen. Hij moet kunnen uitzieken op een plaats waar het rustig is en iemand naar hem omkijkt. Kunt u daarvoor zorgen?"

De het-komt-wel-goed toon waarmee Steenhuis sprak contrasteerde met hulpeloze blauwe kinderogen en de hoge stem. Hij stelde me niet gerust.

"Maar wie heeft dat gedaan? Is dat hier normaal?", vroeg ik.

Ik werd overstemd door het rumoer van de kaartspelers. Steenhuis deed de deur open en vroeg om stilte. Dat hielp ogenblikkelijk.

"Normaal is het niet, maar er gaat wel eens iemand door het lint. Ja, wat is er gebeurd? Een jongen had het aan stok met een andere vaste klant. Die hebben ze geprobeerd om in brand te steken, maar dat lukte niet erg."

"In brand te steken?"

Steenhuis kon alles laten klinken als een alledaags akkevietje.

"Ja, ze hebben staan knoeien met thinner of peut. Ze wilden de deken waar die jongen onder lag te slapen aansteken, maar dat lukte niet. En toen uw broer ze in de gaten kreeg is hij er bovenop gedoken. Toen keerden ze zich allemaal tegen hem. Dat is link. Er zijn er, die echt niet meer weten wat ze doen, als ze iets gebruikt hebben. Dan slaan de stoppen door, hè. En hij trekt toch al de aandacht met dat kale hoofd. Je kunt je maar beter gedeisd houden als ze zo zijn." Steenhuis zou zich zelf wel gedeisd hebben gehouden. Of zou hij hebben ingegrepen? Misschien had hij alleen de brandweer gebeld.

"Meneer", vroeg hij daarop, "waarom komt uw broer hier?"

Hij vroeg me bijna ter verantwoording.

"Ja, waarom?" echode ik verbaasd.

"Kijkt u eens, we hebben ze hier in alle soorten en maten. Soms zelfs zakenlui die tonnen hebben verdiend. Maar dat zijn de witte raven. Er is altijd wel iets waardoor ze zijn vastgelopen. Een scheiding, een faillissement, meestal schulden en drank of drugs. Ze hebben vaak een verhaal waar ze liever niet aan worden herinnerd. Maar de meesten zijn geen professor geworden en dat is niet voor niets. Uw broer heeft een goed stel hersens, hij drinkt niet, hij gebruikt niets voor zover ik weet. Wat is er mis met hem?"

Het begon steeds meer te lijken alsof ik het was die hem met een probleem had opgezadeld.

"Hoe moet ik dat weten? Heeft u het hem zelf gevraagd?"

Dat had hij wel:

"Maar hij vertelt niet veel over zichzelf. Dat doen de meesten niet. We proberen wel wat aan de weet te komen over onze vaste klanten, maar daar is tijd voor nodig. Uw broer komt hier nog niet zo lang. Eerst dachten we dat aan een student met onderzoeksplannen. We hebben er wel eens een gehad die als het ware 'undercover' ging. Zou dat kunnen?"

"Het lijkt me erg onwaarschijnlijk dat hij op dit moment überhaupt een plan heeft", antwoordde ik, "In dat geval zou ik toch maar eens een hulpverlener voor hem zoeken. Bent u met de wagen?"

Ik zei dat ik met de fiets was.

"Belt u dan een taxi, dan lijkt me beter".

Ik deed wat hij me opdroeg.

24 Ceteris Paribus

Ik liet de taxi langs de school rijden en trof Mar thuis. Ze kwam meteen mee en zette zich bijna handwrijvend aan de taak om voor de weerloze Wessel te zorgen. Die liet zich zonder protest aan Mars niet geringe boezem drukken. Je hebt niet zoveel te willen als je amper praten kunt en uitsluitend soep en pap eet omdat je lippen zijn opgezwollen en je hechtingen pijn doen. Wessel trok met zijn been en zijn hand was gekneusd. Zijn actieradius was beperkt tot de nabijheid van Mar of mij. Maar de gedwongen rustkuur deed hem goed. Hij overdacht zijn leven van de laatste maanden en werd zowaar aanspreekbaar. Hij reageerde tenminste op vragen die tot dan toe onbeantwoord bleven.

"Wessel wat is er met je aan de hand? Waarom slaap je zo slecht, waarom zwerf je rond, vanwaar die kale kop? Hoe komt dat nou toch? Kijk naar je leven: je bent kerngezond, je hebt een goed stel hersenen, meestal haal je je tentamens en je hebt Mar. Wat is er toch met jou?"

Het praten ging nog een beetje ongemakkelijk, maar de woorden stroomden naar buiten.

"Er is iets mis met me, dat weet ik wel. Ik ben gewoon altijd opgefokt. Permanent het gevoel dat alles uit de hand loopt, en dat ik iets moet ondernemen om het te doen stoppen. Snap je dat? Het is precies wat je zegt, ik heb alles mee, ik lijd geen gebrek, het mankeert me aan niks. Waar heb ik dat allemaal aan verdiend? Tweederde van de mensheid lijdt honger of zit in een oorlog. Ik zit hier en ik doe niks. Ik heb nog mijn hele leven te besteden, daar moet ik iets mee kunnen doen. Maar wat? Ik zit al jaren in de wachtkamer. En mijn leven suddert door."

"Waar maak je je toch druk om, jongen?", verzuchtte ik, "Het lukt je al niet om een normaal leven te leiden, dus waarom leg je de lat zo hoog. Daar word je niet gelukkig van."

"Mathieu, ik weet het gewoon niet meer. Ik voel me rot. Ik voel me altijd rot. Snap je dat?"

Ik had met hem te doen.

"Nee, ik snap het niet. Maar ik heb daar wel over zitten denken. Moet je horen: jij weet niet wat je met je leven aanmoet en daarom voel jij je rot. Wat nou als je het eens omdraait? Misschien begint het ermee, dat je je rot voelt en ga je daardoor zitten piekeren. Dan wordt de vraag niet: wat moet je met je leven, maar: hoe kom je van dat rotgevoel af."

Dat liet Wessel even op zich inwerken. Daarna zei hij:

"Ik wou dat ik het wist. Ik slaap slecht, ik heb de hele tijd hartkloppingen, weet je dat? Vader was 49. Er zijn ook mensen van 25 die een hartaanval krijgen, denk ik dan. Maar ik weet ik dat ik mezelf gek maak om niks."

Meer wilde hij op dat moment niet kwijt.

****

Het was adembenemend om met Marieke te werken, maar na verloop van tijd kwam ik werkelijk adem tekort. De drukkerij liep als een trein en ik werkte mezelf bijna over de kop. Ik was het niet gewend om een bedrijf te runnen en beslissingen te nemen die niet alleen voor mezelf van belang zijn, maar ook voor de betalende klanten en mijn personeel. Ik lag er wakker van. Gelukkig kon ik bouwen op de twee vrouwen. Als er beslissingen moesten worden genomen leunde ik zwaar op Marieke en voor de uitvoering kon ik blindelings vertrouwen op Gerrie. Mijn succes stoelde op twee tegenpolen. Dat kon niet lang goed gaan. En als het fout ging kwam het alleen op mij terecht. Dat besef drukte zwaar. Ik sliep er slecht van en ik was hondsmoe. Ik voelde me al een tijd behoorlijk gammel en bleef op de been met Paracetamol. Op zulke momenten was ik chagrijnig en daar had Marieke geen geduld voor. Ik irriteerde haar en dat was wederzijds. Dadendrang is leuk, maar je kunt het ook overdrijven. Marieke zat zichzelf in de weg met al die energie. Als ze niet kon overgaan tot actie werd ze prikkelbaar. Gerrie moest het ontgelden.

"Ik zie toch hoe ze naar je kijkt", zei ze, "Dat je dat niet merkt. Bèn je zo dom of doe je alsof? Niets zo verraderlijk als een vrouw die aan de kant is gezet, neem dat van mij aan. Die flikt ons vandaag of morgen wat, let maar op. En dan is het haar niet om jou te doen. Als ze kan, dan flikt ze mij wat. Let maar op."

Gerrie was de ideale werknemer. Iemand die meedacht, die nooit 'nee'zei en nergens moeilijk over deed. Ze was nooit ziek en loyaal tot op het bot. Je kon de hele winkel desnoods aan haar overlaten, en dan had je alleen maar tevreden klanten. Nee, ze zou ons nooit wat flikken. Ik was niet degene die deed of ze dom was. 's Ochtends stapte ik bij Marieke uit bed met een hoofd vol snot en een beginnende koppijn. Ze had de sinaasappels al geperst en de koffie gezet. Ik sleepte mijn lijf naar de ontbijttafel en deed een bruistablet in een glas. Marieke was oogverblindend en de zon straalde me spottend tegemoet. Ik was niet welkom in deze wereld.

"Ik begrijp sowieso niet wat je in dat kind trok", begon ze bij wijze van goedemorgen. "Het ziet er niet uit, allemaal. Weet zich niet te kleden. Geen figuur en of dat er ooit nog aangroeit? Ze zal toch ook al een eind in de twintig zijn, niet? Ach, misschien was ze heel lief voor je. Dat snap ik best hoor."

Ik zei niets.

"Maar het zegt iets over jouw smaak. En dat is niet vleiend voor mij, begrijp je wel?"

Mijn koppijn bonkte nu in volle hevigheid en ik besloot maar weer een tijdje op de Iep te bivakkeren.

****

De dokter had gelijk, Wessel genas voorspoedig. Dat was mede het werk van Mar. Die zag erop toe dat hij fatsoenlijk at, met veel fruit, en dat hij op tijd naar bed ging. Het resultaat was dat hij er weer als een mens begon uit te zien. Er groeiden stoppels op zijn hoofd, hij kreeg weer wat kleur en de ingevallen wangen maakten plaats voor een verjongde Wessel. Hij werkte loyaal en gehoorzaam mee met het herstelprogramma, zij het met een zekere matheid. En verder las hij alleen maar. Mar was niet tevreden.

"Als hij nou maar iets om handen had. Hij komt niet in beweging", zei ze.

"Hij kan toch gaan klussen in de School", leek mij.

Dat leek Mar geen goed idee.

"Daar draait hij dan alleen voor op, want er is niemand die meedoet. Ik wil dat hij onder de mensen komt. Hij gaat een paar keer per week de uitzendbureaus langs, maar er is geen werk. Als hij de deur uitgaat vraag ik me af of hij weer de straat opgaat. Ik laat hem iedere keer beloven dat hij terugkomt."

We namen hem mee naar evenementen en sociale gebeurtenissen en dan volgde hij gewillig, maar ook hier zonder geestdrift. Het leek me wel aardig om hem mee te vragen bij de aanbieding van het gedenkboek van Minerva. Op de receptie stelde ik hem voor aan enkele dames van de personeelsvereniging, waar ik veel mee had samengewerkt. Eén van hen vroeg of hij ook bij Tegenwerk werkte.

"Nee", zei Wessel. Wat of hij dan wel deed?

"Ik studeer", zei Wessel.

"En wat?", vroeg ze.

"Psychologie", zei Wessel, "Filosofie."

"Allebei?", zei ze, "Goh, wat boeiend."

Daarna viel er een stilte, waarop Wessel vroeg:

"En wat doet u? Of moet ik jij zeggen? Of toch U?"

Zijn gesprekspartner begon te vertellen over haar werkzaamheden op de administratie, maar midden in het verhaal liep Wessel weg zonder iets te zeggen. Ik zag hem naar buiten lopen.

Daar stond hij verwoed te roken met een gezicht op onweer. Zo gauw hij me zag stak hij van wal.

"Doe me dat niet weer aan, Mathieu. Vraag me nooit meer mee. Mensen die ik niet ken en die me vragen wat ik dòe. Ik doe helemaal niks en het interesseert ze geen bal. En wat zij doen, dat interesseert mij ook niet. Het zijn nietszeggende formules. Ik kom mezelf belachelijk voor, ik sta gewoon te huichelen. Het lukt me niet, ik geloof er niet in. Iedereen staat te doen alsof. Dat is kranig van ze, maar ik hou het niet vol. Niet meer doen, hoor je?"

****

Ik hoorde gestommel beneden. Ik keek op de wekker, het was half vier en besloot tot een toiletbezoek. Aan de keukentafel zat Wessel en las.

"Slapeloos?", vroeg ik,

"Altijd", zei hij.

"Het uur van de wolf. Zo tegen vieren ben ik wakker en dan lukt het niet meer. Ik kan niet meer slapen, alleen maar denken. Ik heb er geen vat op, ik wòrd gedacht. En alles wat ik denk is een probleem. Er is een onbestemde dreiging die al mijn gedachten vergiftigd. Soms heb ik een explosie van nieuwe ideeën en sommige zijn ook heel bruikbaar. Maar altijd met een gevoel van paniek. Het enige wat dan helpt is opstaan."

"Ik slaap ook niet meer zo lekker", zei ik, "Teveel aan mijn kop".

Ik nam een glas melk en ging bij hem zitten.

"Weet je nog vroeger, op zaterdagochtend. Dan hoefde je niet naar school. Dan kon ik ook niet meer slapen, maar dat was van opwinding. De hele dag vrij, en ik kon niet wachten om eraan te beginnen. Nu zijn het verplichtingen en spannende dingen. Niet onaangenaam, maar de onbevangenheid is weg."

"Pas maar op", zei hij, "Zo begint het. Geleidelijk aan vreet het zich in je vast, het wordt een gewoonte om je druk te maken. En als het even niet hoeft, dan begint de onrust. Het is een kanker."

Weet je", zei ik, "Ik zou er wat voor geven om terug te kunnen in de tijd. Naar vroeger, thuis, toen vader nog leefde. Spelen op het landje, de hut. De vrijheid."

"Ik hoopte dat Wessel hetzelfde voelde. Ik wilde dat we ons samen konden warmen aan de nostalgie naar onze kinderjaren.

Om een of andere idiote reden denkt ieder kind weer dat de toekomst een groot feest wordt en dat hij zelf het feestvarken is", zei Wessel, "Ik ook. En dat hele project komt niet van de grond. Ik zou alles anders doen. Mooi niet."

"Nou Wessel, alles anders doen, dat is je wel gelukt," zei ik.

Hij reageerde niet op mij. Hij was toe aan het afleggen van verklaringen.

"Ik wilde onafhankelijk zijn. En ik wilde weten hoe ik dat voor elkaar kan krijgen. Ik heb me verdiept in psychologie, in godsdienst, in erfelijkheid, het marxisme en wat er nog meer aan rimram bestaat. Dat heb je allemaal zien langskomen. Ik wilde weten wat mijn vrijheid in de weg stond. Ik wilde zin en onzin scheiden. Wat maakt dat je bent wie je bent, je opvoeding, de biologische aanleg, de economische omstandigheden. Dat deed ik omdat ik vond dat ik de wereld iets te bieden had. Zo begon het. Maar nu is het alleen nog omdat ik wil weten wat er met me mis is. Ik probeer mijn eigen bestaan te ontleden. Ik kijk hoe het is samengesteld en waar het spaak loopt."

"En hoe doe je dat dan?", vroeg ik.

"Nou, ik experimenteer. Ik probeer de invloed van alle afzonderlijke factoren vast te stellen. Wat gebeurt er als ik stop met studeren. Of als ik een andere studie begin. En wat als ik helemaal niets doe? Alleen wonen of met een groep anderen? Wel een relatie, geen relatie? Me overal mee bemoeien of me juist terugtrekken? Het enige wat even verschil maakte was Bologna. Dat was effectiever dan de breuk met Mar. Alles achter je laten, een vreemde omgeving, alleen maar vreemden om je heen. Dat werkte wel. Maar na twee weken vloog Bologna me ook naar de keel. Binnen de kortste keren zat ik weer vast in de gewoonten en verwachtingen. Daarom ben ik die gaan ontregelen. Ik zocht mensen op die niets verwachten, ik ging de straat op. En dat werkte nog het beste, echt waar. Totdat ze me ook daar dachten te kennen, die student met dat lange haar. Je moet blijven ontregelen. Maar nu hebben ze mij wel hardhandig ontregeld, niet?"

Hij lacht er zuur bij.

Het drong nu pas goed tot me door hoe gek Wessel geworden was. Hij was ver heen, ik werd er nijdig van:

"Wessel luister. Zo mag je niet met jezelf omgaan en ook niet met de mensen om je heen. Als je een zaklamp hebt die het niet doet, dan ligt het aan de batterijen of aan het lampje. Wat doe je? Je haalt de batterijen uit een lamp die het wel doet. Helpt dat niet, dan kun je het lampje nog proberen. Maar jij bent geen zaklamp en je leven is geen lampje. Ik ben geen onderdeel van een psychologisch experiment en Mar ook niet. Geen ceteris paribus, je moet hiermee ophouden. Dat leidt helemaal tot niks."

"Goed. Ik zal ermee ophouden", antwoordde hij tot mijn verbazing, "Zeg jij maar wat ik dan moet doen."

Ik wist het ook niet:

"Maakt niet uit wat, maar begin ergens aan. Iets waar regelmaat en continuïteit in zit."

En zo kwam het dat Wessel besloot te beginnen aan het verzoekschrift om te worden erkend als gewetensbezwaarde. Hij ging dienstweigeren.

***

Met Gerrie in de buurt gedroeg ik me ongemakkelijk en dat was wederzijds. Maar dat kwam niet door versmade liefde, het waren de gewijzigde verhoudingen. Eerst waren we strijdmakkers, nu was ik de directeur en zij voerde mijn opdrachten uit. Ze was toegewijd als altijd, maar het was veranderd. En dat viel niet meer terug te draaien, wat ik ook probeerde. Ik gedroeg me veel aardiger tegen haar dan ik vroeger deed. En zij accepteerde alles, ze legde zich zonder protest neer bij de nieuwe situatie. Toch voelde ik me een hufter. Op een dag was Gerrie weg. Ze wilde weer eens wat anders dan een geregelde baan, had ze volgens Marieke gezegd. Ze was nu voor onbepaalde tijd de stad uit. Ze deed mij de groeten en zou wel weer eens aanwippen. Marieke ontkende in alle toonaarden dat zij zelf er de hand in had gehad. Integendeel:

"Ze laat ons mooi zitten", zei ze, "Het is ook verdomme altijd wat met die vrijwilligers. Hoe moet je daar nou een bedrijf draaiend mee houden? Vandaag beginnen ze aan een klus, morgen schijnt de zon en zijn ze vertrokken."

"Over Gerrie hebben we anders nooit te klagen gehad", wierp ik tegen.

"Geen kwaad woord over je liefje, hè. Pas maar op, jongen, ik accepteer geen tweede plaats. Ik kan heel slecht tegen mijn verlies."

Op zo'n moment kon ik haar wel wat aandoen.

Wessel voelde met me mee, maar Mar trok partij voor Marieke.

"Ik zou dat ook niet moeten, hoor, als ik dag in dag uit de ex van mijn man om me heen had. En jij ook niet, dat maak je mij niet wijs. Stel je nou eens voor dat het anders was gelopen met Annique en jou, en dat die Tom er steeds gezellig bij kwam zitten. Hoe zou je dat hebben gevonden?"

Daar moest ik haar gelijk in geven. Het vertrek van Gerrie kwam natuurlijk verschrikkelijk ongelegen. Er zat niets anders op, ik stopte met studeren en wijdde me vanaf nu full-time aan de drukkerij. Ik maakte meteen dagen van tien uur aan een stuk.

****

De procedure om erkend te worden als 'gewetensbezwaarde militaire dienst' vergde ook een soort examen, een commissie beproefde de kwaliteit van de bezwaren met vragen als: 'Stel je voor: het is 1942, je krijgt de kans om Adolf Hitler neer te schieten. Ben je dan nog principieel tegen geweld?' Van wat ik ervan begreep, was het vooral een oefening in spitsvondigheid. Toen de grote dag naderde, werd Wessel zowaar zenuwachtig. Er hing natuurlijk ook wel wat van af. Werd je erkend, dan kreeg je anderhalf jaar vervangende dienstplicht. Dat kon van alles zijn. Je kon met bejaarden gaan werken of met moeilijk opvoedbare kinderen; voor natuurbehoud of met derde wereldorganisaties. Hij zou in elk geval iets totaal anders moeten gaan doen. Wessel kreeg een oproep om voor de commissie te verschijnen, bij het ministerie van Defensie in Den Haag. Mar had meteen plannen om er een dagje aan vast te knopen: het panorama van Mesdag, uitwaaien op het strand, ze konden de Tweede Kamer gaan bezoeken. Wessel wilde niet. Hij wilde naar de commissie en meteen weer naar huis. Daarop bedacht Mar iets anders. Het werd een huisje in een bungalowpark bij Wassenaar. Het was vlakbij de duinen en bij goed weer konden ze toch nog naar het strand. Bij slecht weer was er zelfs een overdekt zwembad. Wessel ging akkoord, al leek een week hem wel wat lang. Hij dacht nog wat te kunnen studeren en nam zijn boeken mee. Als ik er wat voor voelde, was ik ook welkom. Dat hadden ze allebei gezegd, onafhankelijk van elkaar, en ik vermoedde dat ik wist waarom. Het huisje was te klein voor een week lang met zijn tweeën. Maar met mij erbij was het ruim genoeg.

Ik meldde me op woensdagavond bij de receptie van 'Het Helmduin' . Ik kreeg een plattegrondje van het terrein en het verzoek om de auto achter te laten op het parkeerterrein. Ze stuurden me letterlijk het bos in. Eerst kwam ik op een hoofdweg met de telefooncellen, een supermarkt en een soort pizzeria. Daarachter begon iets wat in de schemering leek op een donker bos. Dichterbij zag ik bomen, met daartussen een groepje huisjes. Ergens moest ik linksaf. Nog meer bomen en struiken, dan weer een blok huisjes. Rechtsaf nog meer groen, nog meer huisjes. Het leek allemaal op elkaar. Op een gegeven moment dacht ik weer terug te zijn bij de supermarkt, maar het was een ander pleintje. Dit keer met een snackbar, een ander restaurant en een tennisbaan. Dat klopte, daar hadden ze het over gehad. Ik ging onder een lantaarnpaal staan en keek op het kaartje. Het begon zachtjes te regenen. Een luidspreker hield er de moed in. Una Paloma Blanca. Ik moest de tennisbaan voorbij, doorlopen tot aan bosvak D, bij het zwembad rechtsaf en dan was het aan de rand van het wandelbos, de Pluvier 315. Simpel. En de hele weg bleef George Baker gezellig bij me in de buurt. Het begon harder te regenen. Toen ik het eindelijk gevonden had was het donker. Ze waren blij dat ik er was. Alleen om mij te behagen haalden ze alle weelde uit de kast die het reservaat te bieden had. Wessel legde zijn boek weg en gooide een blok geperst hout in de open haard. Mar schonk de wijn in en bood aan om het bad te laten vollopen. Ik voelde me er bijna thuis. Elke bungalow had een glazen schuifpui van waaruit je zo de natuur in keek. Je was er alleen op de wereld, totdat je naar buiten liep en vanaf je eigen terras bij de buren links en rechts naar binnen keek. Maar voor dat terras was het nu toch geen weer.

****

"Hoe ging het bij de commissie?", informeerde ik toen ik mijn bord leeg had.

Wessel ging er eens goed voor zitten.

"Pittig gesprek, dat was meer dan ik verwachtte. Ze namen het erg serieus."

"Waarom zouden ze dat niet doen?", vroeg ik.

"Nou ja, ze zien natuurlijk honderden jongens langskomen. Er zijn er die de antwoorden uit het hoofd leren", antwoordde Wessel.

"Maar jij niet!", zei Mar.

"Nee, wat dacht je. Ze begrepen niet goed wat ze met mijn verhaal aan moesten."

"Daar stuur je toch ook op aan? Als je maar anders bent dan de rest, daar gaat het jou om."

Wessel negeerde haar:

"Ze zitten daar om gewetensbezwaren te beoordelen. En ik zeg dat ik daar niet in geloof. Want wat is nou een geweten? Dat is toch apekool, een soort religieus overblijfsel. Een innerlijke stem, die je zegt wat mag en wat niet. En daar gehoorzaam je aan. In wezen gaat het dus om gehoorzaamheid. Net als bij de sergeant die zegt dat je moet schieten. Dat vind ik onlogisch. En wat is het verschil tussen een geweten en een psychopaat die gehoorzaamt aan de stemmen in zijn hoofd? Ik wil niet leren om te doden. Ik wil geen deel uitmaken van een bedrijf dat handelt in angst en dood. Daar leen ik me niet voor. Dat is mijn keuze, daar wil ik zelf de verantwoordelijkheid voor dragen."

"Het gaat nou eenmaal om gewetensbezwaren, daar draait het spel toch om? Anders kom je er natuurlijk nooit mee weg", zei Mar.

Ik kreeg de indruk dat hij nog nooit met haar over zijn bezwaarschrift had gesproken.

"Waarom kom ik daar niet mee weg?", vroeg Wessel.

"Nou, 'mijn keuze', dat kan iedereen wel zeggen. Halen jullie de kastanjes uit het vuur. Nogal gemakkelijk."

Maar Wessel maakt het zich nooit gemakkelijk:

"Ik heb ze uitgelegd dat je de keuze tussen goed en kwaad niet moet overlaten aan een ander, of dat nu de regering is of je godsdienst of wat dan ook. Je kiest voor een manier om je leven te leiden. En die probeer je consequent toe te passen in nieuwe situaties. Je begint niet met kiezen op het moment dat je in militaire dienst moet. Als het goed is maak je dat soort afwegingen je leven lang, en daar zit een ontwikkeling in. Dat kun je laten zien en dat heb ik gedaan. En verder alsjeblieft geen morele autoriteiten om je achter te verschuilen. Mijn bezwaren volgen niet uit mijn geweten maar uit de aard van het militaire bedrijf."

"En hoe omschrijft zo'n commissie het geweten dan?" wilde ik weten.

"Wat ze je willen horen zeggen, is dat er iets is wat jou verbiedt om de wapens op te nemen. Dat iets kan van godsdienstige aard zijn, maar het mag ook een diepe overtuiging zijn van maatschappelijke aard. Als het maar iets buiten je zelf is, iets hogers. Als je zegt: ik ben van de Jehova's, ik mag niet van mijn geloof, dan zijn ze snel klaar. Bij mij kwamen ze er niet uit, al waren ze wel overtuigd dat ik oprecht was. Uiteindelijk stelden ze voor om die persoonlijke ontwikkeling, waar ik het over had, om die dan toch maar geweten te noemen. Nou, voor mijn part, denk ik dan. Als je het niet wil snappen, dan maar niet."

"En nu ben je erkend, of weet je dat nog niet?"

"Ik ben erkend, maar dat is over een paar weken pas officieel. Ik moet trouwens niet zo lullig over ze doen. Ik heb een hele boeiende discussie gehad. Er zat een man bij die vroeger heeft geweigerd naar Indië te gaan. Toen ging dat allemaal nog niet zo gemakkelijk, je draaide zo de bak in. Hij wees me erop dat ik in mijn verzoekschrift voorbeelden noem die neerkomen op gevoelsbezwaren. In zijn tijd was dat een heet hangijzer. Een gevoelsbezwaar is bijvoorbeeld als je zegt: ik ben in Oost Berlijn geweest, ik heb daar vrienden gemaakt. Als er oorlog komt moet ik tegen ze gaan vechten en dat wil ik niet. Dan zeg je eigenlijk, dat het onacceptabel is om tegen vrienden te vechten. Alsof het niet uitmaakt als het vreemden zijn. Of dat je kernwapens bezwaarlijk vindt, omdat er dan wel erg veel mensen bij omkomen. Dat hoort niets uit te maken. Als je het doden van een medemens principieel afwijst, dan is de dood van één vijand net zo erg als van honderd vrienden."

De commissie deed me denken aan Wessels verjaardagsfeestjes van vroeger. Hij had het echt naar zijn zin gehad.

"Dus het is gelukt. Nou, gefeliciteerd dan. En hoe gaat het nu verder?"

"Ik moet gaan solliciteren. Ik ben vanmiddag meteen naar Rijswijk gegaan, het Ministerie van Sociale Zaken. Afdeling Tewerkstelling Erkend Gewetensbezwaarden: daar staat een kaartenbak met instellingen die om dienstweigeraars vragen. Eigenlijk moest ik wachten tot ik mijn officiële papieren had, maar ze lieten me toch binnen."

"Hij is gek", zei Mar, "Alsof het allemaal op stel en sprong moet. We hadden ook nog iets leuks kunnen gaan doen, maar we moesten met alle geweld de halve dag op zoek naar een betonnen kantoorflat. Ik zit me hier al twee dagen te vervelen."

Aha, kwam daar de geïrriteerde toon vandaan?

"Ik ben alleen de stad in gegaan. Moet je zien wat ik gekocht heb?"

Ze had een leren broek gekocht en een kort zomerjackje. Dat jackje hield ze tegen zich aan.

"Eerlijk zeggen wat je ervan vindt."

"Wil je het eerlijk horen? Ik kan ook zeggen dat hij je leuk staat. Dat-ie je zo slank afkleedt."

Wat een valse opmerking eigenlijk. Er hingen negatieve vibraties in de lucht.

"Lul", zei ze, maar ze moest wel om me lachen.

Ze haalde de jeneverfles tevoorschijn.

"Toch ben ik blij dat je er bent. Die lange zit alleen maar te studeren. Moet je horen, ik loop daar in Den Haag rond. Staat daar op een muur: If That's A Happy Marriage, I Prefer To Be Unhappy'. Komisch, niet? Maar morgen ga ik en dan mag jij verder voor hem zorgen. Zullen we toepen?"

De rest van de avond verdreven we de irritaties met kaarten. De volgende ochtend ging Mar weer. Ik liep met haar mee naar het begin van het terrein, kon ik meteen boodschappen doen.

"Kijk maar eens of je hem mee krijgt naar het zwembad", adviseerde ze, "Ik kreeg hem niet achter zijn boeken vandaan. Hij heeft helemaal toegeleefd naar die commissie van hem. Maar nou zakt het weer in. Misschien heeft-ie het wel gehad met mij. Hij zegt van niet, maar enig enthousiasme zit er niet meer bij"

Ze klonk berustend. Ik denk dat ze het zorgen moe was.

"Hebben jullie al spaghetti gehad deze week?", vroeg ik.

"Maandag al."

Ze gaf me een zoen.

"Geniet een beetje, dag knul."

Ik had gehoopt dat de verandering van omgeving wat warmte in de relatie zou terug brengen. Maar het vuur wilde niet meer branden. Mar was de enige die vonkte. Het was nu eenmaal niet anders. Ik vond het sneu voor d'r.

****

Zwemmen, daar had hij ook geen zin in, maar ik liet Wessel beloven om die middag met mij de duinen in te gaan. Het was een prachtig natuurgebied. Vlak achter 'Het Helmduin' liep een zandpad omlaag naar de voet van een beboste heuvel. Bovenop die heuvel hadden we een breed uitzicht over de duinvallei. De zon scheen aarzelend, de wind blies overtuigend. Zwartblauwe wolken trokken scherpe schaduwen over het landschap. Verderop flitsten vijf berken op tegen een achtergrond van dennengroen. De zon scheen streepsgewijs tussen de takken door. Eiken toonden hun prille knoppen, de lichtgroene blaadjes om zo in te bijten. De lente stond op uitbreken. Het was er gewoon mooi. Eigenlijk was ik niet zo thuis in de duinen. Ik vond het een on-Nederlands landschap. Ik wist niet hoe afwisselend en dramatisch dat kon zijn. De melancholie van de zon met onheilspellende wolken was alsof je door de Schotse Highlands liep. Eerst kreeg je bos, meer naar de kust toe werd het heuvelachtiger en maakten de bomen plaats voor doornige struiken en woeste zandheuvels. Er groeiden braamstruiken, wilde tijm en allerlei heesters. Wilde rozenstruiken met kleine bruine bottels. Duindoornstruiken, ritselend in de wind, van groen naar stoffig grijs. Je rook de zoute zeelucht, je hoorde de meeuwen schreeuwen. Hier en daar een duinmeertje, met rietstruiken erom heen. Daarin zagen we kleine kikkervisjes zwemmen. Het wemelde er ook van de vogels. Ik kon me opeens voorstellen dat mensen de natuur beleven als een religieuze ervaring. De gewijde sfeer ontging Wessel volledig. Het kostte me moeite om een gesprek gaande te houden en in die overmaat van stilte voelde ik hem steeds weer wegglijden in neerslachtig gepeins. Aan de andere kant van het meertje was een vogelhut. Toen het hard begon te regenen gingen we daar heen om te schuilen.

"Zat er iets bij, in die kaartenbak?"

Ik pikte de draad maar weer op van het gesprek van gisteren.

"Wat voor banen hadden ze dan wel?"

" Een bibliotheek of een museum."

"Is dat niks dan?"

"Nee".

De regen kletterde neer en sloeg duizend grote bellen in het meer.

"En waar, maakt dat nog uit? Zoek je iets in Amsterdam?"

"Wat heb ik in Amsterdam? De studie, de Iep, Mar. En niets loopt zoals het moet. Het is allemaal een doodlopende weg. Ik weet niet waar ik heen moet."

"Als het je toch niks uitmaakt, dan ga je toch boeken stempelen in de bieb", opperde ik.

Maar hij wilde niet. Het gesprek van de voorgaande dag slingerde nog rond in mijn gedachten.

"Wessel, waarom wil jij je nooit ergens op vastleggen? Daar zouden we mee stoppen, weet je nog? Neem nou die commissie. Je wil ze te slim af zijn. Jij bent liever de gewetenloze weigeraar, die nergens aan gehoorzaamt."

Het regende niet meer, we liepen verder.

"Het gaat om verantwoordelijkheid. Ik wil worden aangesproken op mijn keuzes."

" Ook goed. En wat maakt het allemaal uit, als je toch niet weet wat je wilt? Wat heb je daar eigenlijk aan? Jij hebt jezelf losgedacht van een god, het noodlot of weet ik wat. Je hebt gezien wat dat je gebracht heeft. Jouw zwaar bevochten vrijheid is een grote zak met geld. Je loopt winkel in, winkel uit en je koopt nooit iets. Want dan ben jij je grote zak met geld kwijt. Maar als je toch nooit iets koopt dan heb je er helemaal niks aan. Jouw kapitaal is waardeloos. Vrijheid is alleen wat waard als je hem opoffert."

Wessel hield stil en hij keek me aan met een blik die maakte dat ik mijn mond hield. Toen zei hij langzaam:

"Dat is hèt argument"

En pookte daarbij zes keer met zijn wijsvinger tussen mijn ribben. Ik deed een stap naar achteren en keek hem vragend aan.

"Dat is het ontbrekende argument, waar ze daar niet opkwamen. Jij hebt helemaal gelijk. Ze hadden me moeten vragen naar de consequenties."

Ik had onverwacht enig enthousiasme gewekt. Alsof hij eindelijk het laatste woord van de cryptogram zag.

"Verklaar je nader, consequenties?"

"Nou, ze hadden me niet moeten blijven vragen naar de dingen die ik weiger te doen als gevolg van dat geweten dat ik weiger te erkennen. Ze hadden me moeten vragen naar de dingen waar ik dan wel voor kies. De consequenties van mijn keuzes."

"En wat had je dan gezegd?"

"Daar had ik dan geen antwoord op gehad", zuchtte Wessel.

De teneergeslagen toon keerde terug, maar nu kwam er een woordenstroom.

"Ik zou me ergens volledig in moeten storten, "zei hij, "Maar wat dan? Ik maak nooit ergens deel van uit. Ik ben de zonderling van het dorp of de man met de gezaghebbende mening. Maar altijd de buitenstaander, nooit one of the boys, zoals jij. Dat lukt me gewoon niet. Zoals jij je op die drukkerijbusiness werpt."

"Is niks mis mee, toch?", onderbrak ik argwanend.

"Ik vind dat helemaal niks, maar jij hecht daar belang aan. Dat lukt je. Of zo'n Lucas. Het is een idioot, maar hij kan wel ergens in opgaan. Ach, misschien is een geloof zo gek nog niet", verzuchtte hij, "De Iep had wat bijzonders moeten zijn. Maar wat ik bij jullie miste is idealisme. Het hangt van de vrijblijvendheid aan elkaar. Jullie hebben idealen die niks kosten. Precies wat die vent in de commissie zei. Het is gemakkelijk om op te komen voor je vriendjes. Solidariteit, dat is opkomen voor onbekenden, waar je absoluut niks mee gemeen hebt. Dàt is een ideaal."

"De barmhartige Samaritaan."

"Precies. Maar ik hou ermee op. Het werkt niet, zo niet. Misschien moet ik zelf een geloofje in elkaar knutselen. Neem dat verhaal van Dries met zijn engeltjes en zijn boeken en de dag des oordeels. Dan krijg je bonuspunten voor goed gedrag en strafpunten voor iedere zonde. De eindscore geeft recht op de hemel of de hel. Een simpel, doeltreffend systeem. Gewoon conditioneren, mensen zijn ratten. En ze hebben ook die ramadan. Dat is goed, dat je leert om jezelf dingen te ontzeggen, dat je moeite moet doen voor je overtuiging. Dat zou ik erin houden. En ze zijn erg voor gelijkheid, dat is ook mooi. Dries zegt: of je een koning bent of een bedelaar, op de dag des oordeels ben je alleen. Ieder schaap hangt bij de slacht aan zijn eigen poten. Alleen zou ik dat slachtfeest weer niet van ze overnemen."

Wessel ging zitten op een houten bank langs het duinpad. De bank was nat, maar dat scheen hem niet te deren. Ik ging naast hem zitten.

"Meen je dat nou?", vroeg ik, "Straffen en belonen, dat is toch niet wat jij wilt. Als je je nu goed gedraagt, krijg je straks een beloning. Dat is een soort uitgesteld egoïsme. Een religieus pensioen."

"Dat is zo. Dan laten we de bonuspunten vallen. Je moet gewoon het goede doen uit jezelf, uit overtuiging, omdat je dat goed vindt. Weet je, zo'n Boogaerts, dat was een ouwe communist. Die geloofde in een betere wereld, ook al wist hij natuurlijk ook wel dat die er nooit kwam. Maar hij handelde daar wel naar. Zonder te wachten op een dankjewel, zonder te kijken wat er voor hemzelf aan zit. Dat is gewoon goed. Dat kan mij nou heftig ontroeren, snap je dat? Ik weet het wel, dat is niet van deze tijd. Maar dat zal me verder worst wezen, ik vind dat mooi."

Ik stak een sigaret op. Dat had ik de hele wandeling nog niet gedaan, omdat het voelde alsof ik het ongerepte duinlandschap bezoedelde. Nu de stilte eindelijk had plaatsgemaakt voor Wessels begeestering kon het wel weer.

"Zal ik een geloofje beginnen? Niet in mijn eentje, da's niks. Doe jij mee? Dan moeten we ook een gezamenlijk ritueel hebben. Iets dat je geregeld met zijn allen doet, zodat je een reden hebt om bij elkaar te komen. Zoals bij een demonstratie, dat je ziet dat al die duizenden mensen er net zo over denken als jij. Dat is bemoedigend. En ook wat mythologie. Meeslepende verhalen over schurken en helden, zodat je weet waar het bij ons geloofje om draait. Welk kwaad je moet bestrijden en wat het doel is waarnaar wij streven. Boogaerts had boeken, over Rosa Luxemburg, Emma Goldman, Domela Nieuwenhuis. Eigenlijk allemaal goeie ouderwetse heiligenlevens. Met een simpel ideaal, dat de sterken de lasten dragen en dat wat zwak is beschermd wordt. Zo'n geloof zou ik geen moeite mee hebben."

"Ik doe mee", zei ik, "Prachtig. Maar ik ben bang dat je toch een paar eeuwen te laat bent. Er is geen markt meer voor een nieuwe religie."

"Dat weet ik ook wel. De mensen zijn verwend en gemakzuchtig. Trekken we ons niks van aan. We beginnen gewoon met een eigen geloofje. We krijgen allicht wat volgelingen. Zo'n Lucas, die zal toch onderhand wel zijn uitgekeken op de Baghwan, denk je niet?"

Toen we terugliepen werden we overvallen door een nieuwe bui. Ik probeerde te schuilen onder de bomen aan de bosrand. Wessel liep door. Hij maakte zijn rits los, hield zijn jas wijd open en liet zich helemaal natregenen. Als een offer aan de weergoden.

"Het is lekker, Mathieu", riep hij.

Het water droop hem in natte slierten langs zijn gezicht. Hij begon te joelen en schopte in de lucht. Er gutste water uit zijn schoenen. Toen rende hij terug naar de bosrand, sloeg zijn arm om me heen en duwde me de regen in. We renden de duinen door, tegen de wind in, tot we weer bij het huisje kwamen. De regen stroomde me nog langs de billen toen ik binnen zat.

****

Harrie was geen mooie man. Hij was vrij klein van stuk: een gedrongen, pezige gestalte. Hij had een grove kop, met kleine oren en een beetje kromme neus. Hij had iets van een Rus, dat kwam door zijn uitstekende jukbeenderen. Geen mooie man, maar vrouwen keken om als ze hem zagen. Het was zijn manier van lopen, hij danste als hij liep. Het lag ook aan de manier waarop hij zich kleedde: eenvoudig, maar met smaak. Uit vrije wil zou hij niet gauw een boek pakken, maar dom was hij niet. Hij sprak heel nadrukkelijk, iets te langzaam en een beetje plat. Hij had het onbestemde Noord-Hollandse accent dat je van Haarlem tot Texel horen kunt. Zijn grote kracht was dat hij een vrouw het gevoel gaf dat ze bijzonder was. Dat kon hij erg goed, hij overlaadde Mar met attenties en was altijd vol aandacht.

De woestijn in het noorden van Namibië is een droge hete zandvlakte, zonder een spoor van plantengroei, met uitzondering van enkele oases. Soms verstrijken er jaren zonder een druppel neerslag. Er groeit dan ook helemaal niets. Maar àls er regen valt, dan zijn het zeer zware buien. Zaden ontkiemen in recordtijd, overal schieten planten uit de grond en duizenden felgekleurde bloemen komen tot bloei. Mar viel voor Harrie als een blok.

25 Naar Rotterdam vertrokken

Het vertrek van Mar maakte weinig los bij Wessel. Hij was te zeer in beslaggenomen door zijn nieuwe leven. Al met al kostte het hem drie maanden om een geschikte plek te vinden voor zijn vervangende dienstplicht. Hij zou aan de slag gaan bij een kerkelijke organisatie in Rotterdam, die zich bezig hield met goede werken. Hij kreeg zolang een kamer bij één van de leden van de kerkbestuur, ergens in Krimpen aan de IJssel. Niet ideaal, maar hij dacht na een tijdje wel iets anders te vinden, dichter bij het centrum van de stad. Bij de verhuizing floot Wessel. Dat had ik nog nooit gehoord. Hij was verlaten door Mar. Hij was onverwachts gezakt voor zijn kandidaats filosofie. Maar Wessel floot, krachtig, met kunstige trillers, zoals vader dat kon. Alsof die hier met dozen boeken liep te sjouwen: 'Droomland' floot hij, en 'Aan de Amsterdamse grachten'.

"Moet je zien wat een kennis allemaal", zei hij, "Allemaal Juristen, Psychologen en Filosofen. En dat allemaal nog niet genoeg om er één studie van te maken. Sommige mensen maken nooit iets af."

Hij knipoogde. Daarna zag ik hem maandenlang niet meer.

****

Harrie verdiende de kost met het restaureren van monumentale gebouwen. Dat deed hij als kleine zelfstandige, zijn hulp werd ingeroepen als er een vakman nodig was. Waar zijn ambacht precies uit bestond weet ik niet. Hij restaureerde fresco's of schrijnwerk. Ik weet wel dat hij goed was. Hij had geregeld opdrachten in Duitsland of Italië. Als hij weg was belde Mar op en dan gingen we naar de kroeg. Het begon voor haar als een grote grap. Ze ging niet de strijd met hem aan, zoals ze gewoon was te doen bij een eerste ontmoeting. Misschien was ze wel moegestreden. Hij was er ook de man niet naar, in principe maakte hij liever geen ruzie. Hij had dan ook geen principes. Rituelen had hij wel. Iedere vrijdag naar de kapper, de schoenen altijd keurig gepoetst en hij kwam nooit bij Mar zonder een bos bloemen of een doos bonbons. Harrie kwam uit wereld waarvan Mar dacht dat hij niet meer bestond. Een wereld waar degelijke omgangsvormen en een vouw in je broek belangrijk waren. Een wereld waar mannen zich als een heer gedroegen tegenover een dame. Ze vond hem komisch en ontwapenend. Voor Harrie was Mar een meesterwerk, dat hij op een stoffige zolder had gevonden. Het moest afgestoft en opgeknapt, maar hij was vast van plan om er iets mooi van te maken. Hij zou haar bijbrengen wat klasse was. Daarom troonde hij haar mee naar restaurants met zwartgerokte obers, naar concerten van Frank Sinatra of Gilbert Bécaud, waar het publiek verscheen in smokings en galajurken en 80 gulden betaalde voor een toegangskaartje. Harrie geloofde dat vrouwen veroverd moesten worden met Franse chansons en parfum. En hij had geld, daar schaamde hij zich niet voor. Mar liet het zich welgevallen, maar nooit te lang achter elkaar. Gelukkig hielden de perioden dat hij in het buitenland zat de spanning erin.

"Straks komt hij weer terug met cadeautjes. Ongelooflijk, die man is zo aandoenlijk", vertelde ze dan, "Soms weet ik me geen houding te geven. Staat hij weer voor me te schutteren met zijn cadeautje. Heeft hij een ring of een kettinkje voor me gekocht. Ik kan het toch niet maken om die niet te dragen, vind je niet?"

Vroeger sprak ik na het werk nog wel eens met haar af om wat te gaan drinken, maar na Gerries vertrek was het te druk. Het was altijd Mar die belde. Harrie liet zijn sporen na. Iedere keer als ik haar zag was er weer iets veranderd. Ze droeg jurken, waar ze spijkerbroeken eerst genoeg vond. Ze begon getailleerde jasjes te dragen, lipstick zelfs. Misschien had ze het na Wessel even gehad met de zware gesprekken en de emancipatie. Met Harrie voerde ze geen gesprekken. Ze ging met hem winkelen. Ze ging mee naar de feestjes als er weer een restauratie werd opgeleverd. Ze gingen uit eten, ze gingen naar het strand, ze gingen naar fitness. Dat laatste verbaasde me misschien nog het meest. Mar raakte zichtbaar kilo's kwijt. De metamorfose van een mollig overjarig meisje naar een volwassen vrouw pakte goed uit. Maar verder dan de buitenkant reikte Harries invloed niet. Zijn culturele belangstelling vond ze onder de maat en zijn politieke en filosofische inzichten raakten kant nog wal wat haar betrof. In gezelschap dreef ze daar graag de spot mee, bij voorkeur waar hij bij was.

"Al is hij best lekker in bed", zei ze er troostend bij.

En daar konden haar vriendinnen wel weer om lachen. Harrie bloosde, maar liet het verder gelaten over zich heen komen. Zo dierbaar waren zijn gedachten hem nou ook weer niet. Ik vond het een aardige man, zonder meer.

***

Op de vijfde gedenkdag van de dood van vader maakte Marieke haar entree in Limburg. Moeder had rond vaders verjaardag eind augustus een familietreffen als traditie in het leven geroepen."Ik wil met mijn eigen ogen zien dat iedereen weer veilig terug is van vakantie" zei ze. Voor moeder was de wereld buiten Sint-Gerhardsrade vol gevaren. Het feit dat het noodlot vader om de hoek had getroffen deed daar verder niets aan af. Toen we aankwamen bakte moeder appeltaart en waren de meisjes druk bezig met het bouwen van tentjes. Marieke wilde niet kamperen en we namen onze intrek in de logeerkamer. Bij de plek waar ooit de hut had gestaan laaide het kampvuur op. Tegen de tijd dat het donker inviel nam Wessel zijn glansrol van quizmaster op. Het principe van zijn quiz was simpel. Je kreeg een vraag. Wist je het antwoord, dan kreeg je een punt en een nieuwe vraag. Wist je hem niet, dan ging de beurt over naar het koppel rechts van je. Ik speelde met Leo, het vriendje van mijn jongste zus. Hij wist veel. Hij wist wat een Wankelmotor was en welke planeet het dichtst bij de zon stond (Mercurius). We wisten niet welke Romeinse godheid gelijk stond aan de Germaanse Wodan (ook Mercurius). Maar dat wist niemand.

"Oké", zei Wessel, "En dan nu een vraag voor Jo en Marieke. Luister goed. Hoeveel groeven heeft een singletje, hoeveel een EP en hoeveel een LP?"

Marieke was aan Jo gekoppeld, maar ze deelde zijn fanatisme niet. Ik wist niet eens of de vraag wel tot haar doordrong. Jo wist het antwoord niet:

"Een singletje is 45, een LP 33 en een EP... ?"

Wessel was streng doch rechtvaardig:

"Als je hem niet weet gaat de vraag weer door naar Mathieu en Leo."

"Eén!", riep Leo, "Ze hebben alledrie één groef."

Hij keek Jo met een pesterige glimlach aan een draaide zijn vinger in de lucht.

"Weer een punt!", zei Wessel, "Dat brengt de stand op 14 punten. Het team van Mathieu loopt uit. Kom op mensen, doe je best. Luister: 'Welk land telde tot 1950 de meeste moslims ter wereld?"

We wisten het niet. Het rumoer nam toe.

"Hallo, even stil!", zei Wessel, "Nog een keer: het land met de meeste moslims? Let op het jaartal: 1950!"

De vraag ging het hele kampvuur rond, maar niemand wist het. Tot moeder zei:

"Mag ik het zeggen?"

Ze keek gloriërend in het rond:

"Het is Nederland. In 1950 werd Oost-Indië onafhankelijk, maar tot die tijd hoorde het bij Nederland. Dat waren allemaal Mohammedanen, miljoenen en miljoenen."

"En het antwoord is.......goed!", juichte Wessel ons voor.

Hoe laat het ook werd, 's ochtends zaten we om half tien in de kerkbank bij de oude Raaijmakers. Marieke zag met name op tegen de zaterdagmiddag. Het was warm, we hingen landerig rond, dronken bier en haalden herinneringen op. We speurden de hemel af naar dreigend onweer, maar er was geen wolkje in het blauw te vinden. Wat restte was een loom kabbelende ledigheid, waarin niets hoeft en alles goed is. Mits je je daaraan kunt overgeven. Marieke kan dat niet, overgave ligt haar niet. Maar het is ook een gemis aan familiegevoel. Het besef dat alles blijft zoals het is, wat er ook gebeurt. Je huis kan afbranden, je bedrijf kan op de fles gaan of je huwelijk loopt op de klippen, het maakt allemaal niet uit. Je hebt altijd nog de familie en die staat voor je klaar. Misschien word je daar wel lui van, misschien heeft Marieke daarom zoveel energie.

"Ik ga naar boven, even liggen", zei ze.

Maar vijf minuten later was ze weer terug.

"Kon je niet slapen?", vroeg Wessel.

"Nee," zei ze hulpeloos, "Ik moet iets dóen."

"Aha", begreep Wessel, "Dan gaan we iets dóen. Luister. Zie je die boom daar? Daarachter ligt een sloot. Er ligt een plank, maar je kunt ook springen. Daarna loop je de heuvel op, langs die boerderij en dan kom je bij een kruispunt. Bij dat ANWB-bord, zie je? Je gaat rechtsaf, dan kom je op de hoofdweg. Dan daal je of tot bij het gele gebouw, 'Sursum Corda'."

"'Omhoog de harten' !"zei Maria werktuiglijk.

"Oké. Daar ren je langs, je gaat rechtsaf, dan gaat de weg omlaag. Tot bij de voordeur. Je rent naar binnen, door de gang en door de keuken. Daar zit ons moeder en die zet een streepje bij je naam. En dan ga je weer naar buiten, richting boom."

"Gaan we rondjes doen?", riep Jo en sprong op.

"We gaan rondjes doen!", sprak Wessel.

Het rondje was veel korter dan ik me herinnerde, maar mijn persoonlijk record haalde ik bij lange na niet meer. Na een uur gaf ook Leo er de brui aan. We reikten bekertjes water uit. Na anderhalf uur had Wiel al 43 rondjes op zijn naam, Marieke nog maar 39. Maar haar tempo was constant, terwijl de vermoeidheid bij Wiel begon toe te slaan. Hij maakte de 50 vol en kapte ermee.

"Een rondje," hijgde hij, "is 300 meter. Dat maakt 15 kilometer. Knappe meid als ze me klopt."

Marieke is onbetwist een knappe meid. Ze ging door: 46, 47, 48. Pas bij 55 liep ze me in de armen, stormachtig toegejuicht door het halve dorp. Winnen is haar favoriete manier om het ijs te breken. Daar moest op gedronken worden. Gulpener Dort, rosé, witte wijn, ach wat, alles door elkaar. We besloten nog maar een nachtje te blijven.

Ik was blij dat Marieke het naar haar zin had. Ze maakte snaakse opmerkingen tegen Jo en aaide hem over zijn krullenbol, zodat hij als een kwijlende hond achter haar aan liep. Ze hoorde mijn kleine zusjes uit over hun vriendjes en nam danspasjes met ze door. Ze was in haar element. Iedereen was in zijn element. Dit was thuis. Alles een toonbeeld van harmonie en saamhorigheid. Dit was zoals de schepper het bedoeld moet hebben. Wessel schoof bij me aan en duwde me een glas in de hand.

"Witte wijn, toch? En hoe is het met de Drukke Drukker? Kom je nog een beetje aan jezelf toe?"

"Het is goed", zei ik voldaan, "Als je het op een ander moment vraagt, dan zeg ik je dat het me boven het hoofd groeit. Teveel werk en altijd onderweg. Maar nu niet, nu is alles goed."

"En wat zou je gaan doen als wel je meer tijd had? Is er iets groots wat je altijd al hebt willen doen? Diepzeeduiken, naar de Himalaya? Je studie afmaken?"

"Ik weet het niet", gaf ik toe."Meer van hetzelfde ben ik bang. Ik zou meer gaan werken en vaker op reis. Misschien zou ik eens naar Amerika gaan, naar Giel. Dat mis ik wel. Gewoon, ongecompliceerd rondhangen bij een krat bier. Samen naar voetbal kijken, dat soort dingen. Niet aan morgen denken."

"Weet je", zei Wessel, "Eigenlijk zien we zien elkaar te weinig. Je moet eens naar Rotterdam komen."

***

Thuis sprak ik Wessel weinig en dat had allerlei redenen. Neem bijvoorbeeld de manier waarop een groot gezin zich ontwikkelt. Dat groeit en krijgt allerlei vertakkingen. Je hebt nooit iets met iedereen tegelijkertijd. Teveel mensen, teveel verschil in leeftijd en belangstelling. Het is als een rioolstelsel met één hoofdader en een weefsel van onderlinge zijkanalen. Zaten we met zijn allen bij elkaar, dan liep de conversatie via ons vader en moeder. Die hoofdader bleef, ook jaren na vaders dood, ook toen we allang onze eigen levens hadden opgebouwd. Aan tafel was het woord aan moeder: over het wel en wee van ooms en tantes en natuurlijk over de Zaak. Haar woorden vloeiden eeuwig voort, maar de rest droogde geleidelijk aan op. Niet dat er een stilte viel, dat niet. We wisselden algemeenheden uit. We waren individuen, we werden categorieën. De vrouwen spraken over de kinderen, schonken koffie in of wasten de kopjes af. Bij de mannen waren de rubrieken sport, auto's en de verbouwing van huizen. Dat is goed, dat houdt de boel bij elkaar. Maar het contact werd steeds minder persoonlijk, zelfs met Wessel. Naar ik begreep had hij zijn draai wel gevonden in Rotterdam. Hij was na een paar maanden al verhuisd uit Krimpen en woonde nu zolang bij een collega in Zuid, een theoloog. Het leek me een lange oude man in een donker pak.

Ik beloofde telkens dat ik eens bij hem langs zou gaan en dat deed ik dan weer niet. Daarvan gaf ik Rotterdam de schuld. Rotterdam is de tweede stad van het land, met een wereldhaven en een half miljoen inwoners. En toch hoorden ze er niet bij, op de een of andere manier. Een stad van containers en van Feyenoord. Verder hadden ze sinds Eramus niets of niemand meer voortgebracht, voor zover ik wist. En ik kende ook niemand die er voor de lol heen ging. Waarom zou je? Geen historische binnenstad, geen mooie gebouwen en er gebeurde nooit wat. Geen regen, geen zon en altijd wind. Kon je er onderuit, dan ging je niet naar Rotterdam. Zelfs de koningin kwam er nooit, dus waarom ik? En àls ik er was, dan verbaasde het me steeds dat ze er gewoon Nederlands spraken. Ik dacht altijd in Keulen te zijn of in Frankfurt. De stad had niets gemeen met de rest van het land. Rotterdam had genoeg aan zichzelf. Ik kwam er niet graag. Maar na een maand of wat ging ik toch.

****

Het huisje van de theoloog stond midden in een rommelige rij woningen en bedrijfspanden van verschillende datum en oorsprong. Zelf bleek ze een kleine, tengere vrouw te zijn, een meisje eigenlijk, en even onaanzienlijk als het huisje waar ze woonde. Ze bestond voornamelijk uit twee spillebenen onder een dikke groene trui. Achter Wessels gespierde rug leek ze helemaal te verdwijnen. Bij binnenkomst keek ik mijn broer eens aan, hij oogde vitaal. Een beetje moe misschien, maar dat had geen weerslag op zijn humeur. Hij begroette me vrolijk en stelde me voor aan zijn huisgenote.

"Karin", zei ze met een stem van een Zeeuws meisje.

Ze greep mijn hand met beide handen vast.

"Nou zie ik eindelijk eens wat van de familie, eh. Kom binnen, heb je het gemakkelijk kunnen vinden?"

De woning was veel ruimer dan je van buitenaf verwachten zou. De kamer liep diep door naar achteren, met een planken vloer die gezellig kraakte. Een ingenieuze dakconstructie liet verrassend veel licht binnen en de hoeveelheid hout gaf me het gevoel dat ik in een enorme kist zat. Er stond een merkwaardig soort buffetkast, ook van blank hout. Aan de muur hingen grote rode pluchen gordijnen, die tot aan de grond reikten. Op de vloer stond een bak met speelgoed en een pot met een grote varen erin. En dan die zeer royale tafel. Zo'n tafel waar je rustig met de hele familie aan kunt eten, zonder dat je eerst je spullen aan de kant hoeft te schuiven. Heerlijk leek me dat. Het was apart allemaal. Wat minder postmodern design dan bij Marieke en mij in huis, maar daar had ze het geld ook niet voor, denk ik. Karin was niet alleen theologe, ze was ook meubelmaakster. De tafel had ze zelf gemaakt, de kast ook, de vloer zelf gelegd, geschuurd en gebeitst, zelf het glas-in-lood van de schuifdeuren gerepareerd. Ze leidde me rond en liet met zekere trots zien wat ze bij elkaar had getimmerd. Achter de bijkeuken was een logeervertrek, boven nog een en daarnaast een werkkamer. Haar eigen slaapkamer had een groot tweepersoonsbed en een paar grote kasten, allemaal zelf gemaakt. In één van die kasten hingen de kleren van Wessel. Toen drong het pas tot me door. Dat was nou echt weer iets voor Wessel. Hij ging zo discreet om met zijn liefdesleven dat je er per ongeluk over moest struikelen.

"Mijn relatie met Wessel is erg privé, zelf merk ik er ook weinig van", zei Mar ooit.

Bij de thee bracht Karin het gesprek op Tegenwerk. Ik werkte bij een drukkerij voor actiegroepen, zoveel had ze begrepen. Ze zei het met enige bewondering en ik geneerde me bijna voor de winst die we maakten.

"Actiegroepen, dat is niet meer de hoofdmoot, nee. Maar we zijn niet gezwicht voor het grote geld, hoor. Niet helemaal, tenminste. Alleen, met enkel mooie doelen kom je er niet. Marieke is daar heel stellig in. Ik dacht altijd dat ik wel wat zakelijk talent had, maar zij weet pas echt hoe je geld binnenhaalt. En dat is toch nodig."

"Natuurlijk", zei ze meteen vergoelijkend.

Van de drukkerij kwamen we op Amsterdam en van daar op onze kindertijd in Gerhardsrade. De ene anekdote maakte plaats voor de volgende. Karin luisterde meer dan dat ze sprak. Toch maakte ze indruk op me. Het was een klank in haar stem, een blik waarmee ze je aankeek. Op straat zou ik haar voorbijlopen zonder om te kijken, maar ze boeide me. Er ging iets verleidelijks schuil in die dikke groene trui. Niet dat ze zelf de aandacht op zich vestigde, dat niet. Het was op een achteloze manier, als iets wat over haar was uitgesneeuwd en bleef plakken zonder dat ze er erg in had. Het was een verleiding zonder lichaam. Dat lichaam bleef dominee.

****

Tegenwerk verhuisde naar Diemen, waar we ruimte hadden om uit te breiden. Marieke had becijferd dat we vier mensen betaald in dienst konden nemen. Die zouden dan wel meer uren moeten gaan draaien dan ze nu deden. Van de overgebleven vrijwilligers konden we dan beter afscheid nemen.

"Ga het ze zelf maar vertellen", reageerde ik gebeten, "Ik doe het niet, het is jouw plannetje, jij hebt het berekend en ik wil geen gelazer meer."

"Dus je bent akkoord", zei ze vrolijk."Laat maar aan mij over."

Onze trouwe Ad wilden we in elk geval in dienst houden. Dat juist de grootste weerstand van hem kwam was ook te verwachten. Het druiste in tegen zijn overtuiging. Ad vond dat iedereen een basisinkomen verdiende, daar hoorde geen prestatie tegenover te staan. Het feit dat je geboren was volstond. Wel was hij voorlopig bereid om zijn bijstandsuitkering te accepteren als basisinkomen. Dat neemt niet weg dat hij werkte als een paard. Vrijwillig, dus. Marieke bedacht een ingewikkelde constructie met een nog op te richten goede doelenfonds, waar hij dan het salaris in kon laten storten dat hij zelf niet wilde hebben. Ze bood aan dat we zelf ook maandelijks een bedrag zouden doneren. Daar kon hij mee leven. Waar hij dan weer wel moeite mee had, was het feit dat we de mensen die afvielen in de procedure zelfs niet meer vrijwillig wilden hebben. Dat was louter een principekwestie, want het waren twee jongens die maar een paar uur in de week kwamen en dan weinig werk verzetten. Gelukkig hadden die er uiteindelijk zelf geen zin meer in. Onze aanpak ging hen al een tijdje te snel. Daarmee was de zaak weer rond. De manier waarop Marieke Ad inpakte met het goede doelenfonds was klasse. Ze dacht met hem mee, zag zijn probleem en bedacht er een creatieve oplossing voor. Er viel geen onvertogen woord.

Marieke verlegde het strijdtoneel naar het huishouden. De boodschappen.

"Waarom heb ik geen bleekwater meer? Als je iets opmaakt, zet je het op de lijst!"

Mijn tegenwerping, dat ik nooit bleekwater gebruikte maakte de zaak alleen maar erger:

"Dat had ik kunnen weten. Waarom maak jij niet schoon zoals het hoort? Fifty-fifty was de afspraak, maar ik doe driekwart van het werk. En jij vergeet iedere keer de boodschappen als het jouw beurt is."

"Dat is gewoon niet waar. Ik ga alleen niet iedere dag. Ik ga een keer per week en dan haal ik bergen in huis. Kijk maar in de vriezer. Ik doe veel meer boodschappen dan jij, je komt er juist goedkoop van af.

Ik kocht wekelijks voor meer dan honderd gulden spullen. Dat was veel voor een tweepersoonshuishouden.

"Oh ja? En alle keren dat ik extra naar de winkel moet, omdat er weer geen kaas is en geen bleekmiddel?"

"Dan moet je die zelf op het lijstje zetten."

Die zat. Vanaf dat moment hield ik in mijn agenda bij wie wanneer boodschappen deed en wat dat me gekost had. Ik bewaarde de bonnen. Even later deed ook de poets haar intrede, waarmee verdere ruzies over mijn huishoudelijke capaciteiten in de kiem werden gesmoord. En die betaalden we weer keurig fifty-fifty.

****

Op een middag kwam Mar eens kijken in Amstelveen. Ik was gewend aan een andere look, elk keer als ik haar zag. Toch was er nu iets waar ik de vinger niet op kon leggen. Had ze d'r haar geverfd misschien? Opeens zag ik het. Ze droeg geen make-up. Geen lippenstift, geen eyeliner. Ze leek op de oer-Mar zoals ik haar jaren geleden had leren kennen. Maar dan beduidend slanker, dat nog wel. Ze graaide, al haar gezonde leefregels ten spijt, gretig naar mijn sigaretten.

"Jij rookte toch niet meer?"

"Ach jongen, je moest eens weten! Om je de waarheid te zeggen... Nee wacht. Ik moet je eerst nog wat anders vertellen. Ik kreeg een kaartje van Annique. Die is geslaagd, ze is nu basisarts. Ik heb haar meteen gebeld. Ze wil doorgaan voor gynaecoloog. Ze moet daar wel weer een plek voor vinden, maar dat schijnt in België minder moeilijk te zijn dan hier.

"Annique", echode ik.

Het deed me niet zoveel om haar naam te horen. Minder dan ik verwacht zou hebben.

"Gynaecologie", ging Mar verder, "Dat is nogal een mannenwereld. En dan zo'n jong grietje. Het blijft een dappere meid, toch?"

Dat ze dat vond wist ik al.

"Maar dat is voor jou natuurlijk alleen maar zout in de wonden" hernam Mar, "Hoe is het met de wervelwind?"

Dat sloeg op Marieke.

"Ach, goed, wat zal ik zeggen. Op het moment is alles koek en ei. 'She's the Sweetest Thing' zou Giel zeggen. Maar weet je wat het is: ze zuigt alles uit me weg. Ik bedenk niks meer, want zij heeft het al bedacht. Ik heb geen dromen meer, we zijn allebei te druk met die van haar. En die worden een succes hoor, we groeien en bloeien. Maar ik kom er niet eens meer aan toe om te bedenken wat ik daar nou eigenlijk van vind. Soms denk ik: heb ik hier dan ooit voor gekozen. Wanneer dan, heb ik even niet opgelet of zo?"

Ik kreeg niet de indruk dat Mar erg luisterde. Er brandde haar nog iets op de lippen.

"Ja Mathieu, soms moet je keuzes maken. Wat denk je? Ik heb gebroken met Harry."

Dus dat was het. Dit verklaarde alles: de sigaretten en haar uiterlijk. Dit was het grote nieuws waarvoor ze gekomen was."

Hij kwam weer eens langs met oorbellen en hij wilde dat ik mee uit eten ging met zijn vrienden. Harry heeft veel vrienden. Hij koopt ze gewoon. Harry geeft rondjes, Harry deelt cadeautjes uit, Harry regelt dingen voor je. Als je hem in ruil daarvoor maar aardig vindt. Opeens had ik er geen zin meer in en dat zei ik ook: 'Sorry Harry, geen zin. Geen zin in oorbellen, geen zin in vrienden van Harry, geen zin in Harry. Dag Harry'. En ik deed gewoon de deur dicht. Ik was wel bot, maar het was alsof ik 20 kilo lichter was. Het voelde gewoon goed. Zo goed, dat ik al zijn cadeautjes bij elkaar heb gezocht en die de volgende dag bij hem langs heb gebracht. Dat was wel erg, hoor: mijn hart brak toen ik hem daar zo zag staan. Hij begreep het niet en ik kon het hem niet uitleggen. 'Wat heb ik dan fout gedaan?', vroeg hij de hele tijd. Maar gaat niet om wat je fout doet, het gaat om wie je bent. Of nee, om wie je zijn wilt. Harry denkt dat hij alles voor elkaar krijgt als hij er hard voor werkt. Hij denkt dat hij mij kan krijgen als hij er veel voor doet. Dat is alleen niet genoeg. Erger: het is teveel, snap je? Ik bedoel... ja, wat bedoel ik? Weet je, Harry vraagt aandacht. Daar draait alles om. Hij wil mij zijn belangrijke vrienden laten zien. En dat zijn me ook hoge omes, hoor. De een is een pief in de bouwwereld, een ander is iets hoogs bij het ministerie, weer een ander is museumdirecteur. Hij spaart ze. Hij heeft ook professoren en archeologen. Die stelt hij aan me voor en hij hoopt dat ik hem daardoor bijzonder vind. Hij neemt me mee naar zijn sportschool, zodat ik zijn spieren kan bewonderen. Daar heeft hij dan ook weer vrienden. En hij wil dat ik me optut, zodat al die hoge omes en die sportschooljongens weer zien wat een interessante vriendin hij heeft. Dat gaat heel subtiel, hoor. Hij is de bescheidenheid zelve. Maar ondertussen is hij daar de hele tijd mee bezig. Hij regisseert het allemaal, de grote Harryshow. Op het moment dat je dat doorkrijgt, heb je er heel snel genoeg van. Het is net een grote kleuter, die de hele tijd komt laten zien wat hij nou weer gemaakt heeft. Kijk mama, mijn tekening. Kijk mama, zonder handen. Kijk eens mama wat ik kan?"

Ze hapte even naar adem, maar voor ik kon reageren ging ze weer verder:

"Weet je wat het is? Ik had als een gek lopen moederen voor Wessel en die was daar helemaal niet van gediend. En dan komt er zo'n kerel van een andere planeet en die wil dat mama trots op hem is. Hij trof me op het juiste moment. Maar dat moment heeft lang genoeg geduurd, ik ben er nou wel heel erg op uitgekeken. Altijd: kijk mij eens! Kijk mij eens! Ja, leuk; maar kijk nou maar eens om naar een ander. Ach weet je, ik ben nog altijd niet los van Wessel."

"Zo, dat is er uit", zei ik, "Je had wel een lange aanloop nodig."

"Ja, joh. We zitten eigenlijk nog steeds in de schaduw van onze grote liefde, jij en ik. Eigenlijk hebben we toch wel veel gemeen, hè? Misschien had het toch wat moeten worden tussen ons, toen."

Maar hoe graag ik het ook wilde, ik kon niet met haar meevoelen. Zij leefde misschien in de schaduw van haar grote liefde, maar waar ik me bevond wist ik niet. Geen schaduw, geen zon, geen regen. Alleen dreigende luchten.

****

Ik ging nu vaker naar Rotterdam, altijd alleen en altijd met de trein. Ik reisde eerste klas en de treinreis zelf was al een genoegen. Onderweg keek ik uit het raam, ik luisterde naar muziek of ik las wat. In Rotterdam leerde ik stukje bij beetje Wessels nieuwe wereld kennen. Hij nam me mee op een excursie door zijn buurt. Dat was een allegaartje van morsige achterafstraatjes, flatgebouwen, garages en braakliggend land. Alles doorkruist door verkeersbanen en aangeblazen door de havenwind.

"Je ziet het er niet meteen", vertelde Wessel, "De oorlog heeft hier nogal huisgehouden, maar het is nog altijd een aparte buurt. Allemaal Zeeuwen. Honderd jaar geleden kwamen ze overal vandaan naar Rotterdam, want hier was werk. En wat doe je in den vreemde? Je kruipt bij elkaar. Met je eigen kerk en je eigen school. Allemaal gereformeerd natuurlijk en die trouwen ook niet met andersdenkenden. Tegenwoordig wonen hier gewoon Turken en Joegoslaven, maar de oudere generatie, dat is nog steeds Klein Walcheren."

"Zeg Wessel?", vroeg ik."Wat doe je hier nou eigenlijk? Ik bedoel, je doet iets met die kerk. Maar waar bestaat je werk nou uit. Je staat 's ochtends op. En wat ga je dan doen? Hoe ziet je dag eruit?"

"Tja. Dat varieert. Ik ben begonnen om contacten te leggen in de buurt. Ik ga overal een praatje maken. Mijn opdracht is om inhoud geven aan de bijbeltekst: 'Wat gij aan de minste der mijnen doet, heeft ge aan mij gedaan'. Ik word dus geacht om namens de kerk verschoppelingen op te zoeken en ze bij te staan in hun nood. Hoe ik dat doe, dat kan ik zelf invullen. Dat ik geen christen ben vonden ze zelfs geen probleem. Dat is opmerkelijk hè? Als ik er maar een overtuigend verhaal bij heb. Ik kan me zelfs met criminelen bezighouden of junkies of hoeren. Mijn voorganger ging in de ploegendienst werken, als arbeider tussen de arbeiders. Maar daar heb ik niets mee, die lui verdienen meer dan jij of ik. Nou ja, wat jij verdient weet ik natuurlijk niet. Maakt niet uit."

We hielden stil. Wessel keek naar de Nieuwe Maas tegenover ons en strekte zijn beide handen uit naar de bewolkte hemel:

"Nou, vind je dit geen overweldigend gezicht? Het is wel een stukje roeien, maar dan kun je zo de zee op, de wijde wereld in. Dat gevoel had ik nooit bij het IJ."

De watervlakte was inderdaad imposant. We zwoegden verder, tegen de wind in door de tochtige straten. Een oudere vrouw op een fietst kwam ons met een opbollende regenjas tegemoet. Ze groette Wessel als een oude bekende en hij groette terug.

Achteraan een braakliggend stuk land lag een oud fabrieksgebouw. Wessel duwde de deur open. Binnen was een schaars verlichte hoge gang met vergeelde tegeltjes. Halverwege kwamen we door een blauwgeverfde deur binnen in een ruimte met tafels en asbakken. Aan de muur naast de deur hingen twee foto's, een van de koningin en een van een man met strak achterovergekamd haar. Een Turksbesnorde man was in de weer met een grote theekan achter een soort bar. Verder was de zaal verlaten. Wessel bestelde thee en gingen aan een tafeltje zitten. Aan de muur hing een soort wandkleed met de kaart van Turkije erop. Er was een vitrine met voetbalbekers, een televisie en een tafelvoetbalspel.

"Het zijn moslims hé. Ze hebben hier ook een grote zaal, aan het einde van de gang", zei Wessel, "Daar gaan ze bidden of zo. Toen het zo koud was hebben ze de deuren opengegooid voor de zwervers. Dan konden die zich wat opwarmen. Ze schonken thee en soep. En mensen die helemaal nergens heen konden, die mochten er slapen. Goed hè? Daar krijg ik nou echt een kick van."

Dat verbaasde me.

"Je denkt toch dat die mensen nogal op hun eigen groep gericht zijn. Ik zie dat een Nederlandse kerk nog niet zo snel doen."

"Toch wel hoor. Als je het vraagt, dan zijn mensen tot van alles bereid. Maar iemand moet de eerste stap zetten. Bij het kerkje van Karin is een soort parochiegebouw, daar doen ze nou niks mee. Ik heb wat mensen bij elkaar gezocht en ik wil er een ontmoetingsruimte van maken. En plek waar je de krant kunt lezen, waar je terecht kunt voor een kop koffie en een praatje. Er is een podium: we zouden er 's avonds een buurttheater van kunnen maken, met toneeluitvoeringen en film. Dat kan gaan lukken, weet ik zeker. Mensen willen echt wel wat, maar je moet ze op een idee brengen. En ideeën, die heb ik genoeg."

Ik wist me niet goed raad met Wessels geestdrift. Natuurlijk was het een verademing, na al die jaren dat ik hem zwijgend en zwervend zag wegzakken in een moeras van vertwijfeling. Hij had zijn oude dromen hervonden. Hij leek weer op de dromer uit Sint-Gerhardsrade, die me een nieuwe wereld liet zien. En weer was er de verleiding om me daarin te laten meevoeren. Maar ik was geen zestien meer, ik had mijn reserves, het ging me te gemakkelijk. Alsof het volstond om Wessel buiten de werking van de vloek van Amsterdam te brengen. Hoe hoog ging hij dit keer en hoe diep kon hij vallen?

"Wessel", vroeg ik, "Een jaar geleden was het diepe ellende met jou. En nu is daar geen spoor meer van te vinden. Hoe komt dat nou? Lag het aan Amsterdam, lag het aan Mar of aan de Iep? Ligt het aan Karin?"

"Het ligt aan al die dingen. Ik ben er mee gestopt om mezelf te analyseren. Ik dacht: ik maak een nieuwe start en ik stort me erin zonder me nog iets af te vragen. Dat kostte me verschrikkelijk veel moeite, tot dat ik Karin leerde kennen. Die heeft me geweldig geholpen. Maar jij ook, Mathieu, jij ook. De dingen die je tegen me zei toen in de duinen, in Wassenaar. Dat was een doorbraak, geloof me."

Ik geloofde hem niet. Het klonk te mooi om waar te zijn.

****

Karin was een bijzonder iemand. Met haar korte zwarte krullen en haar ronde gezicht kon ze voor Italiaans doorgaan, ook al ging haar Zeeuwse afstamming terug tot de vijftiende eeuw. Voor het oog was ze een onwaarschijnlijke dominee, niet iemand die Gods kudde met vaste hand naar het rechte pad leek te leiden. Haar kleine, jongensachtige gestalte maakte geen indruk, zeker niet naast Wessel. Voor het oor lag dat anders. Haar heldere alt trok de aandacht. Ze was spaarzaam met haar woorden, sprak altijd zonder stemverheffing en met een onverstoorbare rust. En als vanzelf paste je je stem daarbij aan. Haar preken waren geen vermaningen, maar een uitnodiging om het eens van een andere kant te bekijken. Ze oordeelde niet, ze toonde compassie. Zo sprak ze van de kansel en zo sprak ze ook privé. Met haar donkere ogen vol belangstelling, alsof ze je op voorhand dankbaar was voor wat je haar wilde vertellen.

"Wat Karin doet", zei Wessel, "is mensen ontdooien. De conducteur in de trein, het meisje achter de kassa, de telefoniste. Ze maakt een grapje, een onverwachte opmerking en de automatische piloot gaat eraf. Ze laat iedereen weer even voelen dat hij van vlees en bloed is, dat kan ze als geen ander. Ze geeft een knipoog van God, zo noemt ze dat."

Karin kreeg een kleur alsof ze betrapt was en veranderde van onderwerp:

"Hoe is het met Marieke? Je bent nu echt in Amstelveen gaan wonen, he. We moeten toch maar eens gaan kijken."

"Wat moet ik zeggen? Marieke is onstuimig, enerverend. Ze stimuleert me heel erg. Altijd nieuwe projecten, altijd even enthousiast. Ze kan heel overtuigend zijn."

"En hoe is het om met haar samen te leven?", vroeg Wessel.

"Karin en ik moesten behoorlijk wennen aan elkaar. Ik bedoel, zij heeft haar hele huisouden op orde en dan kom jij er opeens bij."

"Ja. Je moet je allebei aanpassen", beaamde ik,"Marieke heeft haar ideeën over stijl, over kleding. Dat interesseert me niet. Wil zij dat ik jasjes draag, dan draag ik jasjes. Maar ik ga niet winkel in winkel uit om ze te kopen. Gelukkig doet zij niks liever. God, zoals die griet kopen kan, dat is niet normaal meer. Ze koopt kleren die ze nooit draagt. Dat stuit me tegen de borst, weet je dat? Zo achteloos moet je niet met geld omgaan. Ik weet het wel, het is haar geld en ze moet doen wat ze niet laten kan. Ik ben daar te krenterig voor. Maar ik heb ook mijn grenzen. Ik ga bijvoorbeeld niet steeds alles opruimen omdat zij vindt dat stapels papier niet bij haar interieur passen. Weet je dat ze helemaal geen kranten leest? Die wil ze ook niet in de kamer hebben. Nou, daar zal ze toch aan moeten wennen."

"Nou, jullie zijn het niet bepaald altijd eens", zei Wessel.

"Maar dat is geen punt. Je hoeft niet over alles hetzelfde te denken, vind ik. Het gaat om je gedrag, dat moet kloppen. Seksueel voelen we elkaar bijvoorbeeld feilloos aan. Maar ook je gewoonten, je tempo. Als de één altijd vroeg naar bed wil en de ander laat opblijft. Als de één alles wil plannen en de ander gelooft het wel. Dat zijn zaken die gaan schuren, daar loopt het op stuk. Ik weet niet of dat psychologisch allemaal klopt, maar zo kijk ik er tegenaan."

Terug in de trein dommelde ik langzaam in slaap en droomde. Ik kwam in een hoge kamer in een oud gebouw en ik had haast. Ik zocht naar een tas met iets belangrijks erin, maar die kon ik niet vinden. Buiten riep Marieke dat ze geen uren de tijd had. Ik ging de kamer uit, een lange trap op. Boven wist ik even niet welke kant ik op moest. Het was een statig gebouw, zoals een bibliotheek of een museum. Aan het eind van de stoffige gang was een schemerig licht. Daar liep ik heen, op goed geluk. Ik kwam in een kleine kamer vol papieren. Hier moest het zijn. Tussen de papieren lag overal troep: etensresten, lege blikjes, peuken. Ik begon te zoeken achter de televisie, tussen de oude kranten. Meer licht, ik moest meer licht hebben. Ik schoof het schot voor het raam weg. Nu kon ik goed om me heen kijken. Op tafel stond iemand met een grote gele deken omgeslagen, het was Annique. Ze leek in de war, alsof ze ook niet wist hoe ze daar opeens verzeild was. Toen ze mij zag keek ze onaangenaam verrast. Verbolgen. Ik wist niet wat te zeggen. Daarop liet ze met onverholen tegenzin de deken vallen. Ze spreidde haar handen en keek me aan of ze zeggen wou: 'heb je nou je zin?'Ik keek naar haar naakte lijf en geneerde me. Het gevoel van schaamte bleef de rest van de dag hangen.

****

Op de ochtend van de dag dat Wessel en Karin langs kwamen liep ik rusteloos door het huis. Ik haalde de afwasmachine leeg, zette de vuilniszak in de garage en gaf de planten water. Ik hoefde me nergens druk over te maken. We hadden lekkere hapjes in huis gehaald en er stonden bloeiende bloesemtakken op tafel. Alles in orde en toch die onrust. Ik wist waarom: het was vanwege Karin. Ik wist ook dat het eigenlijk niet deugde. Wat had ik toch altijd met de liefdes van mijn broer? Maar ook Marieke was onrustig. Ze is geen familiemens, nooit geweest. Als enig kind is dat misschien maar beter ook. Haar moeder zagen we twee keer per jaar op de wederzijdse verjaardagen. Mijn familie? Maria is een zakenpartner, daar kon ze het meteen goed mee vinden. De rest, dat waren meer attributen van mijn achternaam. Ook Karin was zo'n attribuut wat haar betreft. Ze had amper ooit een woord met haar gewisseld. Alleen Wessel, dat lag anders. Op grond van een paar vluchtige ontmoetingen had ze haar oordeel klaar: 'Een smakelijke man. Zeer smakelijk.' Dat klonk alsof ze daar werk van wilde maken. In die ietwat overspellende sfeer ging de bel. Karin ging dit keer schuil achter een grote bos gele rozen. Marieke nam ze in ontvangst en gaf ze meteen door aan mij, zodat ze haar handen vrij had om Wessel naar binnen te zoenen.

"Wat een prachtig huis", zei Karin toen ze haar jas had weggehangen.

"Straks de rondleiding", besliste Marieke, "Maar ga eerst even zitten."

Ze schonk Karin alle aandacht. Ze stelde vragen die ze al die tijd verzuimd had te stellen en ze luisterde met al dan niet geveinsde interesse. Was het de routine van gastvrouw, wilde ze de concurrentie peilen? Na een tijdje wist ik het niet meer zo goed. Ze ging nooit mee naar Rotterdam en ze luisterde nooit als ik thuiskwam met verhalen over Wessel en Karin. Maar nu was ze een en al aandacht. Het leek er op dat Karin bezig was haar in te palmen zoals ze mij had ingepalmd, onbewust en ongemerkt. Met die blik en die klank in haar stem.

"Je bent dominee. En je doet toch ook iets met moeilijke jongeren? Ik vind het knap hoor, al die dingen", opende Marieke.

Karin verontschuldigde zich bijna:

"Nou, ja. Er logeert soms iemand bij ons, die nergens anders terecht kan. Dat komt een beetje van via de kerk."

Marieke was verbaasd.

"Daar zijn toch instellingen voor. Er lopen hordes goedbetaalde hulpverleners rond."

"Zo simpel is het niet", zei Wessel, "Er is een bureaucratie. Er zijn zelfs wachttijden bij de crisisopvang."

"Ja, en die kinderen werken zelf ook niet altijd mee, eh.., vulde Karin aan, "Sommigen hebben hun halve leven in tehuizen gezeten. Die geven je niet snel hun vertrouwen. Het zijn verkreukte mensen."

"Dat doe je vrijwillig. Wat goèd van je"

Marieke is wat achterdochtig als het gaat om onbetaald werk. Ze zocht een nieuwe opening.

"En die meubelen, die ontwerp je zelf? Hoe moet ik me dat nou voorstellen? Is het in een bepaalde stijl?"

"Geen idee. Ik maak wat schetsen en ik begin gewoon. De linkerkant moet natuurlijk wel op de rechterkant lijken, maar vaak klopt het toch weer niet. Dan bedenk ik een oplossing. Maar of je dat een stijl moet noemen?"

"Nou", vond Marieke, "met een beetje mazzel is het postmodern. Antidesign. Deconstructivisme. Heb je wel eens van Memphis gehoord? Dat is het helemaal op het moment."

"Dan zal het wel geen Memphis zijn", zei Karin lachend.

"Maar dat is leuk spul, joh. Dat peper en zoutstel van Sottsass? Ken je dat?"

Karin haalde haar schouders op en keek haar vragend aan. Waarom zou iemand zich kunnen interesseren voor een peper en zoutstel? Marieke zag er werk aan de winkel was. Ze stak van wal.

"Memphis, dat is een groep architecten uit Milaan, die zich op industrieel ontwerp hebben gestort. Meubels, huishoudelijke apparaten. Alessi, Castiglione, Mendini. Onthoud die namen. Leuke dingen man. Ik koop me suf."

Na de koffie begon Marieke met de rondleiding door het huis. Ze legde kameraadschappelijk haar linkerarm om Karins schouders en stak tegelijkertijd haar rechterhand uit naar Wessel, die gehoorzaam overeind kwam. Hij liet zich aan de hand meevoeren. Soms vind ik die schoolmeisjesachtige vrijpostigheid onweerstaanbaar.

"Kom je mee, schat?", vroeg ze ook mij, over haar schouder.

Ik kwam mee. Bij alles wat Marieke vertelde richtte ze zich uitsluitend tot Karin. Over de vloerverwarming, de keuze van de plavuizen en over de ruzies met de aannemer. Ik kon haar gemoed lezen als een beduimeld boek. Voor Wessel waren de lachjes, de gebaartjes, de quasi-onopvallende strelingen. Het was een beproefde flirtroutine, maar ze was er met haar hart niet bij. Haar aandacht ging uit naar Karin, de onpeilbare.

We gingen naar buiten. Onze Japanse tuin mocht er zijn. Het was een aangename plek, met veel rotan, waterpartijen en rotssegmenten. Ik mocht graag vanaf de brugleuning staren naar de karpers. We gingen zitten op een zithoek op de vlonder aan het water.

"De tuin is echt een project van Mathieu en mij samen, dat betalen we sam-sam. Je moet weten dat we het allebei erg druk hebben. En die tuin, daar gaat zoveel rust vanuit. We hebben daar een echte Jap voor in de arm genomen, Makoto. Die jongen heeft wonderen verricht. Het allemaal volgens een klassiek schema. We staan nou in de natte tuin. Daar horen vijvers bij en een houten brug naar een eiland. Eigenlijk moet daar ook nog een theepaviljoen komen, maar zover zijn we nog niet. In het water zwemmen Japanse karpers, langs de kant groenblijvende planten. Varens, rotan, veel mos als bodembedekker: Haarmos, rimpelmos. Dat vergt nog veel onderhoud. Maar dat doet Makoto dus. Groen moet blijven overheersen. Er mag wel af en toe iets anders bloeien, maar alleen als een kleuraccent. De Japanse kers die stond hier al en die bloeit tegelijk met de blauwe regen. Dat mag eigenlijk niet. Ja, hij is streng hoor, Makoto. Op het eiland hoort nog zo'n stenen lantaarn te staan, die komt nog. En dan gaan we zo naar de Karensansui, de droge tuin. Komen jullie ook mee, mannen?"

Ze had gelijk dat ze trots was op die tuin. Ik zat er graag.

Na de rondleiding gingen we terug naar het eiland, waar we koele witte wijn schonken. Marieke had avocado's en artisjokken klaargemaakt met een vinaigrette.

"Wonderlijk land hoor, Japan. Ze werken keihard, alles voor de zaak. En dan toch ook die rust, die spiritualiteit. Boeiende combinatie, vind je niet? Maar jij bent dominee. Spiritualiteit, daar weet jij alles van natuurlijk."

Nu nam ik het gesprek over:

"Ja, ik blijf dat toch grappig vinden, Karin", zei ik, "Je had Wessel vroeger moeten meemaken. Dan kwamen er Jehova's aan de deur, daar liet hij geen spaan van heel. Die konden opkrassen, met bijbel en al. En jij verdient daar dan je brood mee. Komisch, niet?"

Ze glimlachte en zei niets.

"Karin is pastor, dan is het wel handig als je er ook een beetje in gelooft", zei Wessel, "Als je lid van de club bent, dan moet je je ook aan de spelregels houden. Ik geloof er niet in, maar als alle christenen nou zo waren als Karin, dan zou ik daar geen moeite mee hebben."

"Dat zeg je wel, maar dat meen je niet", lachte Karin.

"Uiteindelijk gaat het er niet om wat je gelooft, maar wat je doet" stelde Wessel vast. "Het is toch mooi als je iets hebt waardoor je niet alleen aan jezelf denkt. Iets wat je uitdaagt om groter te zijn dan je eigenlijk bent."

"Iedereen koffie? Dan maak ik cappuccino", zei Marieke en weg was ze.

Groter zijn dan je eigenlijk bent, daar zag Marieke niet zoveel in.

Ze kreeg geen vat op Karin. Ik zag het aan haar. Ze voelde zich groot en grof in haar nabijheid. Maar ze was ook haar controle op de situatie kwijt. Ze wilde zich meten met iemand die zelf geen meetlat nodig had. Het was een regiefout, ze stonden op hetzelfde toneel, maar allebei in een ander stuk. Toen Wessel en Karin weg waren -uitbundig gezoend en uitgewuifd - zakte Marieke op de rode bank. Ze deed zonder iets te zeggen de Tv aan. Ik ruimde de glazen af en ging naast haar zitten.

"Wat ben je stil", zei ik.

Ze zei nog steeds niets.

"Wat is er, vond je het niet gezellig?"

Er school een verwijt in haar zwijgzaamheid.

"Jawel hoor."

"Maar niet wat je verwachtte?", vroeg ik door.

"Och."

En daarna zweeg ze weer. Stilte en Marieke, dat is een vreemde combinatie.

"Ik ben bekaf, ik ga naar bed", zei ze, stond op en liep de kamer uit.

Het was duidelijk niet de bedoeling dat ik haar volgde. De stilte bleef zwaar om me heen hangen. Ik zette de Tv uit, trok mijn colbertje aan en schoof de schuifpui open. Op het tafeltje aan de andere kant van de brug stond nog een glas witte wijn. Vanaf het eilandje keek ik naar het huis dat er vredig uit zag, met het licht van de slaapkamer weerspiegelend in het water.

Rust. Ik nam een haal van mijn sigaret en blies de rook langzaam uit. Voor me lag de nacht. Ik kon naar bed gaan, ik kon opblijven. Het maakte me niet uit. Aan de volgende ochtend wilde ik niet denken. Een zachte melancholie maakte zich van me meester. Het was half een. Een maanloze nacht, geen licht, geen geluid en niemand in de verre omtrek. Flarden van de drukte hingen nog boven het water. De echo's en nabeelden. Verkreukelde jongeren. Een peper en zoutstel van Sottsass. Marieke naast Karin op de brug. Dat vanzelfsprekende idealisme van Karin. Liep ik nog ergens warm voor? We hadden een goede doelenfonds, maar wat deden we daar eigenlijk mee? Aan de overzijde deed Marieke het licht uit. Ik mikte mijn peuk in het water en liet hem daar liggen.

****

"Man, ik heb wel duizend plannen", zei Wessel aan de telefoon, "Dit is niet het parochiegebouw, dat gaat niet door. Nee, dit wordt een daklozenhotel. Stel je voor: een eenvoudig hotel op een centraal gelegen plek, waar je voordelig kunt overnachten en ontbijten. Eenvoudig, maar keurig onderhouden. Buurtbewoners kunnen ook gewoon komen ontbijten. Van de lounge maken we tegelijketijd een huiskamer voor de buurt. Daar kun je dan terecht voor een praatje of om de krant te lezen. En het wordt geheel gerund door daklozen. Twee vliegen in één klap, ze krijgen zelf huisvesting en ze hebben een baan. Voor de ruimte heb ik de handen al op elkaar, maar het moet opgeknapt. Ik heb een projectplan gemaakt voor het bestuur, ik stuur je wel een kopie. Als ze akkoord gaan kunnen we in het voorjaar al van start. Het wordt fantastisch."

Wessels voorstel was aantrekkelijk. Hij wilde dat ik kwam helpen bij het opknappen van de ruimte. We zouden elektra moeten aanleggen, muurtjes slopen en bouwen, timmeren en schilderen. Het leek me heerlijk. Lekker fysiek bezig zijn, nergens over na te hoeven denken. De kameraadschap. Hard werken, het simpele genoegen dat je gezamenlijk een klus klaart. Ik dacht terug aan Sint-Gerhardsrade en aan de begindagen van de Iep en werd bevangen door een golf van nostalgie. Misschien wilde Ad wel mee als het werk het toeliet.

"Wat ben je toch een heerlijks romanticus, Castermans", zei Marieke toen ik erover begon. "Hoe kòm je erop. Boy will be boys, hé. Klussen met zijn allen!"

Ze grinnikte vertederd.

"Lekker ding!"

Twee dagen later kwam Wessels plan met de post. Hij had er een citaat van Berthold Brecht boven gezet: 'Und man seht nur die im Lichten, den im Dunklen seht man nicht'. Zoals Wessel betaamt liet hij het geheel voorafgaan door een cultuurfilosofische verhandeling. Hij schetste de verhalen waarmee we waren opgegroeid: Brave New World, 1984: verhalen van totalitaire systemen waarin het individu niet meer meetelt. De helden uit onze jeugdjaren waren dan ook individuen in de marge, die zich aan het systeem onttrokken: Dorus, Pipo en Swiebertje:. En hij constateerde dat de daklozen tegenwoordig niet langer golden als romantische vrijbuiters, maar als een bron van overlast waar de maatschappij liever de ogen voor sloot. Dat deed hij niet onaardig. Ik liet het plan zien aan Marieke.

Die zondag sliep ik uit, toen Marieke de slaapkamer binnen stormde en een stapel papier op mijn bed wierp. 'Opzet Daklozenhotel/buurtcafé' stond erboven. Ze had een compleet bedrijfsplan uitgewerkt. Een plan in drie onderdelen, zoals ze met al haar offertes deed: A. de opzet voor een haalbaarheidsonderzoek, verkenning van het 'voedingsgebied'en de behoefte aan nieuwe recreatieve voorzieningen. B. een begroting, uitgaande van twee varianten. Eén waarbij de buurt zoveel mogelijk zelf deed, de andere waarbij werkzaamheden werden uitbesteed. C. een dekkingsplan voor beide varianten, met als centrale elementen een starterslening bij de bank, het werven van donaties van serviceclubs als de Lions' en de Rotary en een comité van aanbeveling met daarin bekende Nederlanders met een naam op het gebied van huisvesting, woninginrichting en de amusementswereld. Voor het haalbaarheidonderzoek en voor de borgstelling bij de bank kon een beroep worden gedaan op ons goede doelenfonds, waar nog nooit een cent van was uitgekeerd. Ze had me volkomen verrast, ik was trots op haar.

****

We hadden de hele Bloemenbuurt gehad en we reden over het Vliegwielpad naar de Batterijstraat.

"Ik vind het een vieze stad", zei Marieke, "Amsterdam is ook een vieze stad. Maar daar ken ik tenminste de weg. Vraag eens aan die donkere man waar het is."

"Die donkere?"

Er was bijna niemand op straat.

"Nou ja, die zwarte. Die neger daar. Kom op, vragen."

De donkere man legde me uit dat we vlak in de buurt waren. Tien minuten. En daarna hadden we zeker nog een kwartier nodig om een parkeerplek te vinden.

"Ik haal wel de autoradio eruit", zei ze nog.

Ze was de hele dag al in een jolige stemming. De ingrediënten van die joligheid: één deel bedenkelijke gevoelens voor een smakelijke man en twee delen verkoopzin. Ze had een goed plan gemaakt. Mij had ze overtuigd en Wessel zou volgen. Je moet geloven in je product en dat overdragen op de klant. Karin was niet thuis, niets om haar af te leiden. Ze kwam meteen ter zake. Ik zocht een vaas voor de bloemen die we hadden meegenomen en zette die op tafel naast de papieren die ze al had uitgespreid.

"Hè, Mathieu, doe dat nou niet. We zijn hier bezig", klaagde Marieke.

Ze legde net omstandig uit wat het belang was van een comité van aanbeveling.

"Je moet zorgen dat je bekende namen meekrijgt. Iemand als Jan des Bouvrie, die vindt het vast wel chique om iets voor daklozen te doen. Dat verhoogt het aanzien van het project, maar het is ook weer goed voor zijn reputatie. Naar dat soort combinaties gaan we op zoek. Dan gaan de knikkers rollen."

Mijn inbreng was volkomen overbodig. Ik besloot buiten een sigaretje te roken. Opeens verhieven zich de stemmen in de kamer.

"Maar zo kom je nergens!", riep Marieke uit, "Pak dat nou eens professioneel aan man!"

Ik haastte me weer naar binnen.

"Mathieu, zeg jij eens wat. Hij vindt het hele plan niks."

Wessel legde zijn bezwaren uit:

"Het hele project staat of valt met het de buurt. Als die het gevoel krijgen dat het niet meer van hun is, dan zakt de hele boel als een pudding in elkaar. Als jouw plan werkt, dan maken bekende Nederlanders er goeie sier mee en dat levert geld op. Maar ik wil de buutbewoners erbij betrekken. Het moet iets van henzelf zijn. Heus, ik waardeer het heel erg, wat je er voor gedaan hebt, maar het is geen goed plan."

"Geen goed plan, geen goed plan. Wat weet jij daar nou van?"

Marieke was witheet.

"Heb jij ooit in je leven iets tot stand gebracht dan? Ik run een bloeiend bedrijf, ik weet wat daarbij komt kijken. Jij hebt een hele reeks mislukte studies achter je rug en verder niks. En jij gaat mij vertellen dat mijn plan niet deugt? Waar haal je het vandaan, man? Je hebt gewoon niet het lef om iets aan te pakken. Jij bent er zo een die liever niet zijn kop boven het maaiveld uitsteekt. Ik geef je verdomme de kans om nou eens voor een keer, voor een keer in je leven iets tot een succes te maken. En daar haal je je neus voor op. De arrogantie!"

Op de terugweg was Marieke niet te genieten.

"Het is dat het je broer is, normaal neem ik echt geen tijd voor zo'n kneus. Die jongen boeit me niet. Die is in de seventies blijven hangen. Wat een loser!"

Ik nam het voor Wessel op:

"Hij heeft zijn eigen ideeën. Nou en? Mag hij alsjeblieft, of moet alles op jouw manier?"

"Is het een goed plan of niet?"

"Het is een goed plan, maar..."

"Nou dan!", riep ze uit, "In wat voor een nest ben ik terechtgekomen? Je mag hem hebben. Het is jouw patiënt, niet de mijne."Zij vond hem een versteende geitenwollen sok. Ik noemde hààr een snob die achter elke mode aan liep en zij noemde mij een karakterloze dikzak. We zijn het dus niet altijd eens, Marieke en ik. But we have great sex.

***

Wessels plan werd goedgekeurd. Het daklozenhotel kreeg een fraaie mysterieuze titel: Het Verloren Land. Iedere maand ging ik een dag helpen bij verbouwing. Meer tijd kon ik niet vrij maken, maar ik genoot er met volle teugen van. Om negen 's ochtends was ik al van de partij en ik bleef tot na het avondeten. Dat was altijd een gezamenlijke maaltijd van alle klussers aan een lange tafel met soep met brood. Ik kon er wekenlang naar uitkijken. In het begin waren er flink wat mensen die meededen, maar na verloop van tijd zakte de animo en het tempo. Toch was Wessel niet ontevreden.

"Dat krijg je als je het de mensen zelf laat doen. Of hadden we dan toch Mariekes plan moeten volgen?" zei hij pesterig.

"Ze bedoelde het echt goed, ze wou je helpen. Ze was gewoon teleurgesteld. En ze kan het niet goed hebben als ze haar zin niet krijgt. Ik vond het ook een goed plan, trouwens."

"Ik twijfel niet aan haar goede bedoelingen, maar ze maakt in het wilde weg plannen, zonder dat ze weet waar wij mee bezig zijn. Dan moet je niet gek opkijken als dat niet helemaal lekker valt."

"Je zult wel gelijk hebben."

Ik wilde voor Marieke in de bres springen, maar ik kon noch de argumenten, noch de energie vinden.

Opeens vroeg Wessel:

"Gaat het wel goed tussen jullie? Ik denk soms van niet".

Dat was nogal direct, ik schrok:

"Wel nee. Nee, het gaat goed, echt wel. Ach, er is altijd wel eens wat. We zijn geen binnenvetters. Wat er dwars zit moet eruit. Zoals jij en Karin het doen, dat ligt ons niet. Een kwestie van temperament, denk ik."

Het was geen goed antwoord en dat merkte Wessel ook.

"Interessant. Ik dacht dat je mij altijd zo'n driftkop vond. En nou heb ik geen temperament. En jij en Marieke hebben dat wel. Nou gefeliciteerd, dan?"

Dreef hij nou de spot met me? Het ging hem geen reet aan hoe het tussen Marieke en mij ging.

"Wil je weten waarom ik denk dat het tussen jullie niet goed gaat?", vroeg hij nog eens.

"Nee."

Ik wilde er niet over nadenken.

"Ook goed. Je zult het beter weten dan ik", zei Wessel.

Hij ging verder met schuren en maakte een hels kabaal. Mijn gedachten namen hun eigen loop. Waarom schrok ik zo van Wessels vraag. Ik kwam juist klussen om me nou eens niet druk te maken over lastige zaken. Hij morrelde aan mijn gemoedsrust. Toen hij klaar was met schuren ging hij tegenover me op de grond zitten. Ik keek op van mijn schilderwerk.

"Mathieu.... Mathieu, er is iets. En je gaat me nu vertellen wàt. Ik luister", beval Wessel.

"Waarom zou er iets zijn, hoe kom je daarbij?"

Ik had meteen spijt. Ik gaf hem een opening die ik niet had willen geven.

"Ik weet niet waarom, Mathieu, maar jij hebt altijd iets gehad met bazige vrouwen. Marieke is geen uitzondering. Ze is altijd klaar voor de strijd. Jij niet. En toch ga je er iedere keer op in en je haalt steeds bakzeil. Dat hou je niet vol. Als je verder met haar wil, dan moet je dat anders aanpakken."

"En jij weet dan wel hoe, natuurlijk", schamperde ik.

"Ik heb een idee. Of je leert hoe je van haar wint, of je weigert de strijd aan te gaan. En ik denk dat jij niet van haar moet proberen te winnen. Daar is zij beter in dan jij en als ze toch verliest is ze vernietigend. Dat krijg je weer dubbel terug. Kijk, Marieke is een landmijn, die altijd op scherp staat. Als je haar d'r gang laat gaan is alles een wedstrijd, die ze kan winnen of verliezen. Neem nou die ruzies van jullie over het huishouden. Ze is voortdurend bezig met de vraag of zij er niet bij inschiet. Daar moet je gewoon niet aan meedoen, het sop is de kool niet waard. Het is niet belangrijk. Belangrijk is dat zij wat relaxter in het leven staat. Dat kun jij haar leren. Je geeft haar gewoon gelijk, ruimhartig en zonder ironie. En je probeert het volgende keer beter te doen. Desnoods doe je veel meer dan zij doet, kan jou het schelen. Dat kost je minder energie dan die eeuwige ruzies. Misschien dat ze dan van lieverlee wat minder opgefokt wordt."

Dat moest ik even tot me door laten dringen. Ik wilde alles ontkennen wat hij zei. We hadden helemaal geen eindeloze ruzies. Hoe haalde hij het in zijn hoofd dat ik op bazige vrouwen viel? En hoe durfde hij Marieke een landmijn te noemen? Het was onbeschoft. Ik zou zo nooit over Karin praten. En waarom moest ik het conflict uit de weg gaan. Wat voor pantoffelheld dacht hij dat ik was?

"Waarom zeg je dit allemaal? Wat heb je tegen Marieke? Waar bemoei je je mee?"

"Geloof mij, ik heb niks tegen haar. Ik herken meer van mezelf in Marieke dan jij denkt. Maar ik zie dat jullie elkaar ongelukkig maken, en dat is nergens voor nodig. Neem nou dat eeuwige gehannes met die portemonnees van jullie. Wie er nog hoeveel van wie krijgt."

Kregen we dàt weer:"

Dat heb ik je al eens uitgelegd. We zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd. Dat moet je doen als je een zaak hebt. Marieke hecht ook erg aan haar economische onafhankelijkheid. Het is een geëmancipeerde vrouw. Ik dacht dat jij dat wel begreep."

"Dit heeft niks met emancipatie te maken. Het is gestoord gedrag. Als je elkaar zo weinig vertrouwt, dan moet je geen relatie aangaan. Ze weigert echt te kiezen voor jou. Eigenlijk wil ze helemaal niet kiezen, ze wil alle mogelijkheden open houden. Ze wil vrij en onafhankelijk blijven. En aan dat soort vrijheid heb je helemaal niks. Vrijheid krijgt pas betekenis als je hem opgeeft. Dat heb jij me geleerd, Mathieu. Daar ben ik je nog iedere dag dankbaar voor. Doe nou zelf ook wat met die wetenschap. Als je kiest, en dan ben je afhankelijk. Marieke durft dat niet aan. Ze is jou in een hele hoop opzichten de baas, maar er is iets waar jij beter in bent. Jij bent een dweper. Je kunt onvoorwaardelijk van iemand houden. Dat is misschien niet altijd terecht, maar het is veel waard. Jij kan geven zonder iets terug te verlangen. Marieke kan dat niet, daarom is ze op haar hoede. Dat is een overlevingsstrategie. Jij moet haar leren dat er helemaal geen dreiging is. Daar wordt zij gelukkiger van, daar word jij gelukkiger van."

"Hoe dan?"

"Door wat ik net zei. Ga gewoon de strijd niet aan. En laat haar in haar waarde als zij het wel doet. Als er iets betaald moet worden, betaal jij en je vraagt het nooit terug. Als zij betaalt, en ze wil dat jij jouw deel terugbetaalt, dan doe je dat ruimhartig en zonder morren. Zorg dat ze er nooit om hoeft te vragen. Dat kost je uiteindelijk minder, neem dat van me aan. Dit is een heel economisch advies."

Hij had gelijk. Mijn relatie met Marieke ging linea recta richting afgrond en ik werkte daar volop aan mee, zonder het te zien. Je went aan alles. Als het sein lang genoeg op rood staat word je kleurenblind.

26 Rust en regelmaat

De paniek van de eerste week is geweken. Als ik de routine er maar in houd. Dat geeft houvast. Ik sta om half negen op, ik scheer me, ik douche en ik ontbijt in het hotel. Dan naar het ziekenhuis. Ik vraag aan de dienstdoende verpleegster hoe de nacht is geweest. Ik ken ze allemaal, maar het contact is routineus, iedere dag dezelfde vraag, iedere dag hetzelfde antwoord. Zo wil ik het ook, geen verrassingen. Ik mijd de televisie en ik kijk niet in de krant, nieuwe dingen hoef ik niet te horen. Marieke belt niet meer. Eerst belde ze iedere dag. Nu zijn toestand naar verluid stabiel is, zou ik naar huis kunnen gaan. Waarom ik blijf begrijpt ze niet. Ik kan het ook niet uitleggen.

Stilte is goed. Niets dringt zich aan me op, geen gedachte en geen gevoel. Het is een vorm van meditatie, Je moet je leeg maken, nergens aan denken. Concentreer je op je ademhaling. Of op zijn ademhaling. En denk aan niets. Dat gaat niet vanzelf, het is hard werken. Maar ik raak er bedreven in. En als het me echt niet lukt, dan neem ik mijn toevlucht tot Sudokus. Ik heb er al honderden gemaakt.

Hier aan zijn bed, bij de vredige curve op het scherm is het nog te doen. Het ergste zijn de randen van de nacht, de ochtend en 's avonds als ik in het donker lig te wachten. Dat zijn riskante momenten. Om in slaap te komen moet ik mijn verdediging laten zakken. Niets denken werkt dan niet, daarom bedenk ik zinloze zaken. Een alfabet van hoofdsteden: Athene, Berlijn, Cairo, Dublin. Als het goed gaat neemt mijn aandacht af en glijd ik uit mijn bewustzijn weg. Maar soms ben ik opeens in Amstelveen, in de drukkerij en bij Marieke en raak ik in paniek. Of ik denk aan mijn laatste woordenwisseling met Wessel en ik voel me schuldig. En ik ben weer klaar wakker. Als het niet meer te harden is neem ik een half tabletje en slaap een droomloze slaap. 's Ochtends begint het opnieuw. Ik word te vroeg wakker, met een besef van mislukking in alles wat ik doe. Ik lig te zweten in mijn bed en ik voel me verlaten en alleen. Dan slaat de fantasie op hol. Ik zie Wessel liggen met zijn schedel half open, sportschoenen onder het bloed. Andere beelden dringen zich aan me op. Messteken, ingewanden die uit zijn buikwand zakken, ogen die in de oogkas worden gedrukt. Dat is helemaal niet gebeurd. Ik ben het zelf, die dit doet, ik moet er mee ophouden. Ik roep mezelf tot de orde en de beelden verdwijnen. Waarom doe ik dit iedere keer? Dan ga ik uit bed, ik loop het balkon op en kijk naar stad die ontwaakt. Ik wacht tot ik het koud krijg. Dat is het enige dat helpt. Als ik daarna weer in mijn hotelbed stap lukt het soms weer met de slaap. Om half negen sta ik op, ook al ben ik hondsmoe. Regelmaat is me heel veel waard.

Iedere middag om half drie neem ik een kopje thee met een voorverpakt koekje. Dan is het stil in het ziekenhuis, de patiënten worden geacht te rusten. Dat moment is me vertrouwd als een middagdutje voor een kleuter. Ik geef me daar wel aan over en dat is dan altijd een verkwikkende, troostrijke slaap. Dan heb ik er vrede mee dat hij hier ligt en dat ik hier zit. Ik wil dat alles blijft zoals het is. Hij hoeft niet beter te worden, hij hoeft niet te sterven en ik hoef niet verder te gaan met mijn leven. Soms lijkt dat op geluk.

Aan het einde van de dag maak ik mijn gang naar de pizzeria of naar de snackbar. Of ik haal nasi bij de afhaalchinees en schrok die naar binnen op een bank aan de rivier. De beweging doet me goed, maar het ritme van de dingen mag niet worden verstoord. Ik ga ook niet meer naar het café, ik moet me concentreren.

****

Als ik aan het begin van de avond weer het ziekenhuis binnenloop staat bij de balie een pater franciscaan, in bruine pij met een wit koord. Hij lijkt weggelopen uit een andere tijd, een man met grijs haar en een oude bril met een enorm montuur. Een bril met vergrootglazen. De drukte van het bezoekuur gaat langs hem heen. Patiënten lopen in hun kamerjas met een infuus op wieltjes, of laten zich voortduwen in een rolstoel. Familieleden met bloemen verdringen zich voor de lift. Niemand lijkt hem te zien. Zelf ziet hij het met grote ogen aan.

De man achter de balie legt zijn hand op de hoorn van de telefoon en vraagt of het de Sint Jozef stichting is. De pater schudt zijn hoofd en zegt:

"Het is zo stom. Ik kan er niet op komen. Normaal zeg ik het zo. Ik ben daar al twee jaar. Maar u helpt me wel, hè."

De man achter de balie lacht een McDonaldslach en breekt zijn gesprek af. Dan kijkt hij op zijn scherm en zoekt verder. Opdat het schaap terugkeert tot de kudde.

Terug bij Wessel op de kamer lukt het me niet meer. Een demente pater is genoeg om het ritme te verstoren. Daarna maak ik onoplosbare fouten in mijn Sudoku en ik heb de nacht nog voor me. De stilte vliegt me aan.

27 De danser, niet de dans

Als ik terugdacht aan Annique, dan was dat niet langer met spijt. Ze behoorde nu tot een ander leven, dat achter me lag. Wel trakteerde ik mezelf af en toe op een warm golfje nostalgie en laafde me aan herinneringen. De eerste ontmoeting, in de lift op de Zilverberg. De tien dagen in het pakhuis van Robbie. Maar het liefst dacht ik terug aan de fietstocht door de polder bij Amsterdam Noord. Hoe we zwommen en zongen, de stilte met de vogels, de warmte, mijn schuchtere opwinding om een rokje met een stel blote meisjesbillen. Ze was zo gemakkelijk om mee te praten, zo mooi om te zien.

Het geheugen is een raar ding, het haalt beelden en sferen naar boven die lijken op het origineel, maar ze zijn gefotoshopt. Ze zijn geheiligd door de tijd die sindsdien verstreken is. Ik beduvel mezelf, maar ik doe het graag: Annique is een ideaalbeeld geworden. Marieke is de werkelijkheid en daar moest ik me toe verhouden. Ik heb Wessels advies opgevolgd en ben de strijd niet meer aangegaan. De effect was werkelijk verbijsterend. Uit vrije wil nam ik in het vervolg iedere zaterdag de tijdrovende klus van de boodschappen op me. Ik reed naar het winkelcentrum en sloeg voor de hele week spullen in. Die betaalde ik zonder ooit met Marieke af te rekenen. Als ze vroeg hoeveel het was, zei ik: 'laat maar zitten, schat.' Na een week of zes stelde ze zelf voor om in het vervolg een gezamenlijke rekening te voeren.

Als ze onverhoopt vond dat ik de verkeerde dingen had gekocht gaf ik haar zonder meer gelijk en als ze wilde dat ik de WC poetste dan deed ik dat met overgave. Ik was verbaasd hoe gemakkelijk me dat af ging, zonder dat we in voortdurend gekibbel verzeilden. De sfeer in huis was meer ontspannen dan ooit. Natuurlijk, de werkdruk bleef en Marieke zou Marieke niet zijn als ze niet van tijd tot tijd briesend door het huis liep en met een gezicht op onweer tegenover me op de bank plofte. Maar ik ging de strijd niet meer aan. Als ze zich weer eens moest afreageren zette ik mijn tanden op elkaar en wachtte tot ze klaar was. Dan sloeg ik mijn arm om haar heen of ik masseerde haar hoofdhuid. Daar had ze geen enkel verweer tegen, ik was de situatie geheel meester. Natuurlijk wilde ik ook gelijk krijgen, of op zijn minst mijn zin. Maar ik gaf me op voorhand gewonnen, dat was de prijs die ik er voor over had. Mijn irritaties zette ik aan de kant en deed alsof het me niet zo kon schelen. Na een tijd was dat ook werkelijk zo. Het was me de inspanning niet meer waard. Het heeft iets onoprechts, ik weet het. Het is niet ideaal, maar mijn idealen zijn kitsch. Dat is Annique en dit is het echte leven.

****

Marieke volgde trainingen met titels als 'Effectief Onderhandelen' en 'Innovatief Denken'. Het zei me niet veel, het leken me allemaal variaties op 'Hoe word ik miljonair in vijf stappen?' Na de training 'Succesvol Ondernemen' was ze begeesterd:

"Die man vanmiddag, die was zo inspirerend. Je had hem moeten horen. Hij is dus op zijn twintigste een bedrijf begonnen in sales en marketing. Dat heeft hij vijf jaar later voor miljoenen van de hand gedaan. Daarna is hij een uitzendbureau begonnen, binnen een paar jaar was dat een keten. Die heeft hij ook verkocht en nu is hij een restaurant begonnen. Hij zegt dat je iedere zeven jaar opnieuw moet beginnen, helemaal vanaf nul. Je verkoopt het huis, je laat alles en iedereen achter. Dan ga je naar Frankrijk of naar Londen en dan begin je helemaal opnieuw."

"Ik moet er niet aan denken", zei ik, "En je moet iedereen achterlaten, je vrienden, je familie?"

"Hij begint iedere keer weer alleen, met helemaal niks. Nou zal hij wel wat geld achter de hand hebben, maar de uitdaging is er niet minder om. Hij zegt dat je je nergens aan moet hechten. Je moet jezelf steeds opnieuw uitvinden. Dan blijf je scherp."

"Dus laat hij iedere zeven jaar zijn vriendin vallen en hij neemt de kuierlatten. Lekkere jongen is dat. Volgens mij is dit een recept voor een neurotische aandoening. Het lijkt me niet gezond."

Marieke besloot het roer om te gooien. Ze was ervan overtuigd dat er goud zat in trainingen voor het bedrijfsleven. Ze begon een opleiding tot 'motivator'.

****

Op een zondagochtend, nadat we uitgebreid op bed hadden ontbeten, nestelde ze zich in mijn armen.

"Mathieu", zei zij op liefkozende toon, "Waarom ben je zo'n slappe zak geworden?"

"Hoe bedoel je?", reageerde ik loom, meer op de toon dan op haar woorden.

"Ik raak mijn vechtersbaasje kwijt", zei ze, "Daar moet je wat aan doen, anders ga ik me bij je vervelen."

"Jij wil helemaal geen vechtersbaas, dat ben je zelf al. Jij wilt iemand die jou opraapt als je uit de ring vliegt."

Ik wist wat mijn kwaliteiten waren.

"Goed. Maar jij, wat wil jij?", vroeg Marieke. "Wat wil jij nou van je leven maken. Heb je fantasieën die je wilt verwezenlijken, een droomproject? Ik hoor je daar nooit over."

Ze schoof mijn arm van haar schouders en kroop over de ontbijtboel naar de andere kant van het bed. Ze keek me pesterig aan.

"Wil je doorgaan tot we binnen zijn en dan een wereldreis maken? Wil je stiekem toch kinderen? Wat wil je eigenlijk, Mathieu Castermans?"

Ze pakte een appel van de schaal en een mesje en begon aan een dunne lange schil. Ik bedacht wat ik zou willen. Rondtrekken door de States, een huisje in Frankrijk. Misschien moest ik een keer motorrijles nemen. Maar ik kreeg de indruk dat ze iets meer meeslepends verwachtte. Ik moest ambitie tonen.

"Laat ik het dichterbij huis houden", ging ze door."Wat wil je van onze relatie. Wat wil je van mij?"

"Ik vind dat we het eigenlijk erg lekker gaat, dat laatste tijd", zei ik naar waarheid. "Hebben we ooit nog ruzie tegenwoordig?"

"Nee", beaamde ze, "Je bent allerliefst tegenwoordig. Geen klagen over. Maar wat wìl je nou. Ik zal je vertellen wat ik wil. Ik wil geen partner die alles best vindt. Dat is gaap gaap saai. Ik wil iemand die me uitdaagt, die me verrast. Iemand met een heilig moeten, iemand met een drang. Heb jij geen verborgen verlangens?"

"Seksueel bedoel je?"

"Seksueel, zakelijk, vrije tijd, whatever. Weet je wat, ik geef je twee weken. Verras me eens, zet me voor het blok. Neem het risico dat je op je bek gaat, maar daag me uit. Doe dat nou eens."

Het klonk als een commando, een noodkreet en belofte tegelijk. Ze bracht me heftig in verwarring. Was dit een oorlogsverklaring? Zei ze eenzijdig het staakt-het-vuren op, waar ik als enige de prijs voor had betaald? Was dit het begin van het einde? Of was het een poging om mij uit mijn schulp te halen en het vuur terug te brengen in de relatie? Ze trok haar pyjama uit en pakte de handdoek.

"Niet schrikken, Tarzan", zei ze in het voorbijgaan, "Jane wil je niet kwijt, ze wil juist meer van je zien."

Daarna kuste ze me op mijn kruin en liep naar de douche.

****

Naarmate de dagen verstreken raakte ik in de ban van dezelfde opwinding die me ooit in Mariekes armen gedreven had. De opwinding van een spel met een hoge inzet, een kans op grote winst en groot verlies. Leven op het scherpst, zoals Marieke het noemde. Ik zon op grootse plannen om haar te overdonderen. Ik zocht uit tot hoeveel geld we konden lenen met de drukkerij als onderpand en bedacht megalomane projecten om dat te besteden. Het zou iets moeten zijn waar geld mee te verdienen was, maar wat ook met mij te maken had. Ik heb serieus zitten denken om een snackbar te openen. Maar ik bedacht ook een romantisch lang weekend in New York voor ons tweeën, tot ik erachter kwam dat we de komende maanden geen enkel weekend samen vrij hadden. Marieke stuurde ansichtkaarten met het opschrift 'Jane wacht', gericht aan 'Tarzan Castermans'. Ze vroeg me bij het ontbijt of ik ons kapitaal er al doorheen gejaagd had. Ik bedacht dat ik het niet zo moeilijk moest maken, 'lef op de schaal van Castermans' moest goed genoeg zijn. Als het maar iets was waar ik mijn passie in toonde.

De volgende zaterdag hadden we een barbecue bij John van Mechelen, een belangrijke nieuwe klant. John was een makelaar die in korte tijd een kapitaal vergaard had met een serie slimme transacties in onroerend goed. Het was een joviale kerel van rond de dertig, die altijd goed gekleed ging en nooit om een woord verlegen zat. Het type van de ideale schoonzoon, ware het niet dat hij voorlopig liever de handen vrij hield voor losse contacten. Daar maakte hij geen geheim van. John was een playboy. Maar wel een aardige playboy. De barbecue was bij hem thuis in een vrijstaande villa in het Gooi. We werden geacht 'casual' gekleed te gaan.

Dit was de dag, vandaag zou het gebeuren. Marieke hield het simpel met een T-shirt, een zomerrok en een jasje voor de regen, maar ze zag er bloedstollend uit. We reden erheen in haar rode Fiat Spider. Onderweg vroeg ik haar om de wagen te parkeren bij een bosrand en met me mee te komen. Ik liep het bos in tot we uit het zicht van de weg waren. Ze volgde nieuwsgierig en geamuseerd. Ik trok haar mee van het pad af en nam haar in mijn armen. Ze onderging mijn kussen met welbehagen. Ik schoof haar rok omhoog en haar slipje omlaag. Ze liet me begaan.

"Goed", zei ik en hield op met haar te kussen, "Wat ik wil. We gaan naar de barbecue en als iedereen zit te eten zoeken wij een stille plek in Villa van Mechelen."

"Een stille plek", herhaalde Marieke, "En dan?"

"Daar neem ik jou", zei ik zwoel. "Als ik me laat nemen. Hoe krijg je mij zo gek?", vroeg ze, als in een onderhandeling.

"Jij laat je nemen, want dat vind jij uitdagend. Bovendien..."

Ik tilde haar op, zodat haar slipje nu over haar voeten gleed en stak het in mijn binnenzak. Ze pruttelde een protest."Bovendien krijg je deze pas terug na afloop"

Ze lachte en fatsoeneerde haar rok.

"We zullen zien, we zullen zien. Ga je mee?"

Overdreven heupwiegend liep ze voor me uit naar de Spider terug.

Tijdens de barbecue week ik geen moment van haar zijde. Ze had het hoogste woord en liet zich door John voorstellen aan al zijn zakenrelaties. Af en toe knipoogde ze plagerig mijn kant op. Ik nam haar apart en wilde haar meetronen naar binnen, maar ze zei hardop dat ze nog even een hapje wilde eten. Een tweede poging mislukte toen John haar na het eten ten dans vroeg en ik moest aanzien hoe hij zijn handen liet dwalen over haar rok, als om te verifiëren wat alleen zij en ik wisten. Na haar derde whisky begon ze een verhaal over een jong stel dat er een sport van maakte om op klaarlichte dag binnen te sluipen in vreemde woningen, om daar de lakens te bevlekken. Uiteindelijk reed ik haar onverrichterzake terug naar huis. Onderweg deed ik mijn beklag. Ze zei dat ik geen enkele reden had om me te beklagen, ze had zich keurig gedragen.

"Je zat openlijk met die vent te flirten. En hij zat aan je gat."

"Ho, ho. Ik heb gewoon met de gastheer gedanst. En hij zat niet aan mijn gat. Dat jij me mijn ondergoed uittrekt als ik bij vreemde kerels op bezoek ga, dat kan hij niet weten. Kick je daar eigenlijk op, of zo?"

"Je zat wel degelijk te flirten."

"So what, ik zat te flirten. Jij wil dat niet, maar je laat het gewoon gebeuren. Je wordt niet kwaad, je zegt er niks van. Wat ik allemaal niet moet doen voordat jij een keer ho zegt. Je had er iets van kunnen zeggen. Je had een scène kunnen maken, maar dat durf je niet."

"Je weet dat ik niet wil dat je gaat zitten flirten."

"Wat jij wilt, daar moet ik naar raden. Maar zeg dan op zijn minst wat je nìet wilt. Geef mij mijn onderbroek terug."

Ik deed wat ze vroeg en voelde me verslagen. Marieke speelt altijd en ze speelt altijd met macht.

"Mathieu, zeg eens iets", zei ze na tijdje, "Ik ga me schuldig voelen."

"Dat mag. Als je dat niet te saai vindt", antwoordde ik. "Ik ben niet lief geweest, sorry. Ik vond het best een geil idee, hoor. We hadden het eigenlijk moeten doen. Waar ging het nou mis, hè."

"Je werkte niet mee."

"Nee, maar hoe komt dat nou. Laten we eens analyseren. Jij wilt mij jouw wil opleggen en ik werk niet mee. En wat doe jij? Je wacht af, je neemt geen enkel initiatief."

"Hoe wou je het anders dan?"

"Ik wil zien dat je er moeite voor doet, echt moeite doet. Weet je wat jou moeite kost? Conflicten. Jij wilt graag aardig gevonden worden. Daar is niets mis mee, maar het kan nou eenmaal niet altijd. Als je iets wilt, moet je ervoor vechten Je zou eens vaker dingen moeten doen die anderen buitengewoon onaardig van je vinden. Je moet jouw ding doen en je niets aantrekken van wat anderen er wel niet van zullen vinden. Daar moet je jezelf in trainen. Ik ga je nog een keer uitdagen. Bedenk nou eens iets wat je moeilijk vindt en doe het. Iets waar je geen vrienden mee maakt."

Ze had gelijk, ik ga de moeilijkheden uit de weg. Ik doe de dingen die toevallig op mijn pad komen, ik kies nooit ergens bewust voor. Ik doe maar wat. Een oefening in wilskracht was hard nodig. Maar deze uitdaging was nog moeilijker dan de eerste. Ik moest niet alleen op zoek naar een doel om te verwezenlijken, het moest ook nog iets zijn dat ik alleen bereiken kon door onaardig te zijn. Dat doel kiezen lukte me al niet. En onaardig zijn zonder doel, dat werkt helemaal niet. Ik kwam er niet uit. Dit keer wachtte ik geen week, ik zei dat de volgende dag al dat ik niets bedenken kon.

"Dan bedenk ik iets. Luister, je stapt naar Ad en je laat hem kiezen. Of hij komt gewoon in loondienst, of je ontslaat hem op staande voet. Die rare constructie met dat goede doelenfonds, dat slaat nergens op. En als ze er ooit achter komen dat hij hier werkt met een uitkering dan hangen we. Ontsla die knul."

We hadden het er al vaker over gehad, voorzichtig. Maar Ad wilde van geen officieel dienstverband weten en ik wilde hem niet kwijt. De toewijding die hij aan de dag legde was zeldzaam, als hij nou maar niet van die onpraktische principes had. Ik raapte al mijn moed bij elkaar en deed meteen wat er gedaan moest worden. Ad was overrompeld. Ik deed wat ik al veel eerder had moeten doen. Ik zei dat het zo niet langer kon. En dat kon hij zelf ook inzien als hij niet zo eigenwijs was. We waren goed voor hem geweest, hij had een prima baan kunnen krijgen. Wat hij deed was in feite frauderen. Daar bracht hij ons ook mee in gevaar. Achteraf bezien ging ik te lang door met het noemen van argumenten. Ik had niet tevoren bedacht hoe ik het gesprek moest afronden en hij ging maar niet weg. Maar al met al was ik niet ontevreden. Het begin was er.

****

In oktober 1987 kelderde de beurs. Erg vervelend voor een hoop mensen, maar dat hoort erbij. Banken geven je graag het idee dat er voortdurend geld bijkomt. En dat is allemaal voor jou, als je met ze meespeelt. Maar dat geld komt ook ergens vandaan. Geen winnaars zonder verliezers. Resultaten uit het verleden bieden nu eenmaal geen garantie. Alles is een kwestie van timing, het is net de weersvoorspelling. De beurscrisis leek mij een mooie kans. Ik kocht behoorlijk wat in bij verschillende fondsen en het kostte allemaal niks. Meteen daarop trok de economie weer aan. Crisis? What Crisis? Ik realiseerde me dat ik wel degelijk dromen koesterde. Het werd tijd om die te verwezenlijken. We gingen op zoek naar iets leuks in Frankrijk en dat vonden we in de Cevennes. Een groot oud huis met zwembad, prachtige omgeving en altijd goed weer. In het begin was het alle dagen feest. We werkten twee, drie weken keihard aan één stuk, zeven dagen per week. En dan zakten we voor een week af naar het zuiden. Het was een bijzonder gevoel. Je kon donderdags in de stromende regen nog in de file staan, vrijdagavond nog tot laat met klanten rond de tafel zitten. Maar zondags zwom je wel in je eigen zwembad, terwijl een koel glas klaar stond op je eigen terras. Uitzicht op bergweiden vol tijm en lavendel, zinderende vrijpartijen in de ondergaande zon. Kan het leven leuker zijn? Maar hoe gaan die dingen, na verloop van tijd gaat de glans er vanaf. Vanaf juni kwam de bonte stoet van bekenden en familie. Dat was ook deel van de droom. We gaven zwemfeesten bij volle maan, we ontbeten met champagne en we ouwehoerden tot 's ochtends vroeg bij het kampvuur met oude en nieuwe vrienden. De streekwijn stroomde non-stop en geen hoogstandje van de Franse keuken ontbrak aan onze tafel. Opeens komt het moment dat je even geen volk over de vloer wilt. En toch staan ze voor de deur, en in je agenda staan er nog meer. Ze hebben allemaal vakantie en jij werkt je een slag in de rondte. Met het najaar kwamen de regens, de wind en de gebreken. De verwarming - nooit nodig gehad - bleek niet te werken. Het oude leien dak waaide stuk. Het houten schuurtje bezweek. De buitenboel had een lik verf nodig: veel buitenboel, veel verf. Wat doe je? Je doet het zelf wel, daar draai je je hand niet voor om. Even later ga je toch maar de lokale aannemers af. Je maakt afspraken die niet worden nagekomen. Alles duurt langer, alles is duurder dan beloofd. Collega-buitenlanders geven je raad: je moet er met je neus bovenop staan, dat helpt. Maar dat is het wel lastig als je 1.500 km verderop naar je werk moet. Op een gegeven moment realiseer je je dat je meer tijd in de auto doorbrengt dan bij je vrouw. En dan is de droom voorbij.

Uiteindelijk hebben we het laten verbouwen tot appartementen. Een bedrijf in Eindhoven exploiteert het nu voor ons. Dat doen ze goed, het levert maandelijks een paar centen op en we hebben er nauwelijks omkijken naar. Het geld van de Cevennes hebben we weer in een beleggingsfonds gestoken en daar hebben we een huisje in Houffalize van kunnen kopen. Wat kleiner, maar in zeer goede staat. Centraal in de Ardennen in een bosrijke omgeving. Je kunt er abseilen, raften, er zijn grotten. Bij voldoende sneeuw kun je langlaufen. Het weer is minder dan in Zuid Frankrijk, maar je zit wel in drie uur rijden weer thuis. Ideaal. En ook omgekeerd: thuis in Amstelveen heb je bij het ontbijt nog geen vermoeden van winter, bij de lunch zit je in de sneeuw. Het is ook luxe, maar dan wat aangepast.

****

Houffalize. Wessel kwam er graag. We maakten wandelingen die altijd eindigden in de kroeg. Dan dronk Wessel steevast één glas Chimay, waar hij erg lang over deed. Dankzij Wessel leerde ik de omgeving kennen, want in mijn eentje zocht ik het niet te gaan wandelen en Marieke was te druk. Ze had veel succes met trainingen voor managers en leidinggevenden. Ze liep met serieuze plannen rond om ergens in de nabijheid een wat luxer trainingscentrum op te zetten. De Ardennen boden lucratieve mogelijkheden. Ze was in onderhandeling met een bedrijfje dat aan teambuilding deed, met survivalachtige activiteiten. Zelf deed ze motivatietrainingen, waarbij ze de deelnemers leerde om op zoek te gaan naar spirituele bronnen in zichzelf. Marieke hielp mensen om verder te komen met hun leven en dat vond ik wel mooi van haar. Uiteindelijk word je daar toch gelukkiger van, leek me.

Ik hield van het glooiende landschap, de rotsen en de beekjes. We hadden uitzicht over heuvels met bossen die in het najaar geel, groen en rood kleurden. Zo lang de zon wilde schijnen gaf dat de melancholieke sfeer van een whiskyreclame. Maar als de regens kwamen bleven die dagenlang hangen in het dal. Dan kwam er een muffe lucht van zwammen en beschimmelde muren omhoog, een lucht die me verlamde. Ik zou in een paar uur thuis kunnen zijn, maar ik bleef er wachten, alleen en ellendig, niet in staat om me los te rukken uit een eindeloze mistroostigheid. Terug in Amstelveen was ik dan altijd gek genoeg bevangen door een ongekende dadendrang. Dat was de invloed van Marieke, wist ik. Zonder haar energie zou er van mijn leven niets terecht komen.

Met Wessel verkende ik de omgeving en we voerden lange gesprekken, die over alles en niets konden gaan. Over de zwangerschap van Karin of de trouwplannen van onze zus Maria. Over Wessels vele projecten en natuurlijk over de drukkerij. Mariekes trainingen eisten al haar aandacht op, met de drukkerij bemoeide ze zich steeds minder. Aan Wessel had ik veel steun.

"Het is dat eeuwige gezeur op de werkvloer", zuchtte ik, "Ze weten het altijd beter en als het er op aan komt is niemand verantwoordelijk. Je krijgt altijd commentaar, de mannen zetten een grote muil op en de vrouwen doen het achter je rug. Je kunt het nooit goed doen. Als je een bedrijf hebt, moet je ook een dikke huid hebben."

Wessel luisterde en ik vertelde waar ik mee zat. Ik had connecties met een drukkerij in Tsjechië. Het waren vaklui, ze werkten met oude machines, maar ze leverden goed werk en ze waren spotgoedkoop. We zouden een deel van onze orders kunnen uitbesteden en hier kunnen investeren in nieuwe machines. Het idee was niet nieuw, eigenlijk zouden de Tsjechen voor Tegenwerk precies doen wat de Heftige Pers destijds voor Maria had gedaan. Dat had haar ook geen windeieren gelegd. Maar de jongens wilden er niet aan, ze waren bang voor hun baan. Ik kon ze voorrekenen dat het ons alleen maar groei zou brengen, maar ze geloofden me niet. Ze zagen geen kansen, alleen maar beren op de weg.

"Laten we zo even gaan zitten", zei ik."Zo meteen komt er een bankje."

We volgden een rotspad, dat steil omhoog liep naar een richel van waarachter flarden nevel opstegen. In de uitgesleten stenen stond een laagje water. Voorzichtig, om niet uit te glijden trokken we ons op aan een kabel, die met ijzeren haken in de rotswand verankerd zat. Boven stond het beloofde bankje te wachten.

"En wat zegt Marieke ervan?", vroeg Wessel.

"Die legt het helemaal bij mij neer. Het is mijn verantwoordelijkheid, zegt ze. Ze wil niet mij voor de voeten lopen. Weet je wat het is, als ik kansen zie, dan word ik enthousiast. Dan krijg ik hele creatieve ideeën. Maar als het gesputter begint zakt de moed me in de schoenen. Dan geloof ik er niet meer in. Het kan me allemaal niks schelen en ik heb er geen lol meer in."

"Moet je groeien?", vroeg Wessel, "En ten koste waarvan? Misschien is het een slecht voorbeeld, maar kijk naar de politiek. Je had de PvdA, de partij van de gewone man. Die werden groot, ze wilden nog groter. Ze moesten de middengroepen aanspreken. Daarom wilden ze hun ideologisch veren kwijt, ze gingen schuiven. Maar je kunt het niet iedereen naar de zin maken. Niemand vertrouwt een allemansvriend. De traditionele achterban, die hadden ze toch wel in hun zak, dachten ze. Dat zijn de mensen bij mij in de buurt. Die haken nu allemaal af. Dat krijg je dan. Ik zou maar lekker klein blijven. Laat die jongens zien dat ze het hart van het bedrijf zijn. Waardeer ze."

"Wessel, we moeten groeien, anders kunnen we de rekeningen niet betalen en dan moeten er mensen uit. Dat is ook geen optie. Ik ben niet de enige die naar het Oostblok kijkt. Als ik mijn slag niet sla doet een ander het."

"Als dat zo duidelijk ligt, dan moet je zorgen dat ze daar zelf achter komen. Neem ze mee. Luister, je gooit de tent een paar dagen dicht, je huurt een bus en je rijdt met het voltallige personeel naar Tsjechië. Dan kunnen ze met eigen ogen zien waar je over praat. Je laat ze een pint drinken met die Tsjechen. Je geeft ze alle informatie en je vraagt ze om een plan. Maar je zegt wel van tevoren wat dat plan moet opleveren. Als het goed is komen ze tot dezelfde slotsom als jij, maar dan doen ze niet moeilijk meer. En als ze met een andere conclusie komen, zou ik daar maar eens goed over nadenken. Is dat wat?"

Van een bergtop ziet het er beneden overzichtelijk uit. De zon brak door de nevel heen.

****

Wessel loste mijn problemen op in een handomdraai. Zijn eigen problemen vroegen om meer volharding, meer de klasse van Marieke en hemzelf. Het daklozenhotel 'Het Verloren Land' was in het begin een succes, uit een maatschappelijk oogpunt. Tientallen daklozen vonden er in de loop der jaren onderdak en emplooi. Voor een aantal daarvan was het de beslissende stap naar een normaal, geregeld bestaan. In het begin kon het initiatief ook rekenen op de steun van een behoorlijk aantal buurtbewoners. Zakelijk gezien was het een ander verhaal. In de zomer ging het niet slecht. De kosten waren laag en een bescheiden maar aanhoudende stroom hotelgasten zorgde dat die ook betaald konden worden. 's Winters waren er geen gasten en ook geen inkomsten die de energierekening konden betalen. Gelukkig voor Wessel sprong het kerkbestuur bij. Misschien kwam het door de oorlog op de Balkan, door de spanningen in het Midden Oosten of de stammenstrijd in Oost-Afrika. Maar na verloop van tijd zochten steeds meer vluchtelingen hun heil in de havenstad. En ze ontdekten het goedkope hotel nabij het centraal van de stad. Ze kwamen en ze bleven, ook als ze geen geld meer hadden om hun kamer te betalen. Daarmee werden de gerespecteerde klanten steeds vaker ongewenste gasten met een openstaande rekening. Hun voorland was de straat, die het gedienstige personeel nu juist achter zich probeerde te laten. De woelingen onderaan de laagste sport van de sociale ladder kon niet zonder gevolgen blijven. Hoewel Wessel bleef hameren op onderling respect en een minimum aan decorum werd de toestand onhoudbaar. Hij had een dagtaak aan het beslechten van ruzies. Dat deed hij effectief, maar niet zachtzinnig. Hij sprak Godverdomme in negen talen, alsof een gevallen heilige geest over hem vaardig was geworden. Dat hij een kop groter was dan de meesten en een handgemeen niet uit de weg ging hielp een hoop.

Maar de buurbewoners bleven weg en het ' Verloren Land' werd op last van de burgemeester voor een periode van drie maanden gesloten. Vervolgens trad een nieuw kerkbestuur aan, dat als een van zijn eerste daden besloot om iedere betrekking met het initiatief te verbreken. In de tussenliggende tijd beijverde Wessel zich om noodopvang te zoeken voor de clientèle. Die vond hij vaker niet dan wel, maar een aantal vond onderdak in asielzoekerscentra, kraakpanden of kwam onder de hoede van kerkelijke groeperingen. Na drie maanden was de rust in de buurt teruggekeerd en maakte Wessel plannen voor de heropening. Een zakelijker aanpak was geboden. Zoals het nu ging werd het ene maatschappelijk doel, de resocialisatie van daklozen, onder de voet gelopen door een ander, de opvang van dakloze vluchtelingen. Het idee was om de tarieven voor een overnachting fors te verhogen en er moest vooruit betaald worden. Een ander probleem was de steun onder de omwonenden. Die bestond niet meer. Toen het gerucht de ronde deed dat Het Verloren Land zou worden heropend kwam de buurt in verweer. Eerst ging dat met een goed gesprek, daarna volgde een handtekeningenactie en tot slot een informatiebijeenkomst in de lounge van het hotel. Ik was erbij om Wessel een hart onder de riem te steken. Ik heb zelden een avond meegemaakt met zoveel geschreeuw, zulke scheldpartijen en openlijke bedreigingen. Die nacht brandde het 'Verloren Land' tot de grond toe af. Dat er geen doden bij gevallen zijn was een klein wonder. De volgende avond maakte Wessel plannen voor het 'Herwonnen Land'.

****

De trekken van vader vervaagden. Ik kon me hem niet meer zelf voor de geest halen. Als ik het probeerde, zag ik alleen beelden van de foto's. En ook die vervaagden, de kleuren van de jaren '70 gingen steeds meer op in een oranje gloed. Soms herkende ik vaders trekken in mijn eigen gezicht en steeds vaker in dat van Wessel. Ik droomde de twee soms door elkaar. Dat was niet uniek, ik verwisselde ook Maria en Marieke, of Jo en Giel. Aan het begin was het de één, halverwege was het de ander en de droom ging ongehinderd voort. De scheiding naar seksen bleef altijd wel gehandhaafd, Marieke zou nooit overgaan in Giel. De enige die de grens tussen generaties overschreed was Wessel.

****

Tussen Marieke en Wessel is een soort van verstandhouding gegroeid, maar vrienden zijn het nooit geworden. Daarvoor waren het teveel dezelfde karakters. Ze liepen allebei over van de dadendrang, ik vond ze daarom ook allebei stimulerende gezelschap. Zelf zagen ze dat niet zo.

"Jouw broer", zei Marieke, "Jouw broer is een loser die alleen maar omgaat met andere losers. En dan heb ik het niet over Karin, begrijp me goed. Daar heb ik respect voor. Maar dat geldt niet voor al die uitvreters en armoedzaaiers waar hij zich mee bezighoudt. Hij doet het allemaal met de beste bedoelingen en het is allemaal vreselijk politiek correct, maar het is een bodemloze put. Er zijn nu eenmaal mensen die je het beste helpt met een schop onder hun kont. Maar hij speelt de wijkzuster, het lijkt wel of hij er van geniet. Die jongen spoort toch niet? Get a life!"

Dat zei ze dan tegen mij, maar niet tegen Wessel zelf. Want ze wist dat ze het in een discussie tegen hem zou afleggen. Als ze zo'n bui had zei ik maar niets.

Wessel zei soms dat hij zichzelf herkende in Marieke, maar erg veel gemeenschappelijks zag hij niet.

"Voor Marieke heeft het universum zin", beweerde hij, "Want het doel van alles is dat Marieke wint. Ze kent geen twijfel, haar richting is duidelijk en haar overgave compleet. Dat kan ik niet. Uiteindelijk heb ik meer met jou gemeen dan met haar. Jij wilt niets en ik ben geneigd aan alles te twijfelen. Het is die genadeloze, altijd observerende blik. Jij en ik, Mathieu wij hebben het boze oog."

Ik wist wat hij bedoelde. Ik zie de danser en niet de dans. En als je de danser ziet, in al zijn beklagenswaardigheid, dan kun je niet meer dansen. Wessel voelde zich geroepen me te waarschuwen.

"Het boze oog. Het is een vloek, een cynische blik die alles doodt wat het leven de moeite waard maakt. Kijk daar in vredesnaam mee uit. Weet je nog, die keer in de duinen. Toen heb jij me gered van de grote vertwijfeling. En nu zie ik jou dezelfde kant opgaan. Kijk uit, Mathieu. Ik zie het aan je, hoe jouw droefenis rijpt als een stinkende overrijpe vrucht, als een etterende puist. Kijk daar mee uit."

****

Ik vertrok voor twee weken naar de VS. Giel had me al zo vaak uitgenodigd en ik had het er al zo lang over dat het er een keer van komen moest. Ik ging alleen. Marieke had geen zin in haar voormalige zwager en ze had nog genoeg te doen. Amerika was goed voor Giel. Hij was getrouwd, had een goeie baan en een fraaie woning in Elmhurst, niet ver van Chicago. Niet ver voor Amerikaanse begrippen,want ze zagen er geen been in om twee uur te rijden naar dat ene lekkere visrestaurant aan de oevers van Lake Michigan. Als Europeaan had Giel daar net dat vleugje aantrekkingskracht dat hij in Nederland ontbeerde. En zelfs in de mannenwereld van economen waren er nog vrouwen te vinden die gevoelig bleken voor zijn exotische charmes. Zijn vrouw was een kordate dame met een mannelijk soort hartelijkheid. Meer iemand die je op de schouders slaat en begint over de baseball wedstrijd dan iemand die vraagt hoe het met de kinderen is. Het was geen schoonheid, maar wel uitgerust met alle attributen waar Giel jarenlang van gedroomd had. Hij was gelukkig en daar liet hij me royaal in delen. We bezochten de Sears Towers en de rotsformaties van Starved Rock en hij nam me een weekend mee naar New York. Daarna moest hij weer aan de slag, maar ik kreeg een wagen mee en ben op eigen houtje nog naar Canada geweest. Het weerzien was een groot feest, en we besloten het snel weer te doen.

****

Toen ik terugkwam bleek Wessel druk bezig met een of andere Rotterdams kunstproject, een vriend die filmde vroeg hem om mee te werken aan een videoproductie. Wessel was opgetogen over het resultaat, hij kwam zelfs met de videoband naar Amstelveen om hem te laten zien. Het begon met een close-up van iets wat op een rattenstaart leek. Daarna werd uitgezoomd naar een vloer, die werd overspoeld met ratten. Een stem - de stem van Wessel - sprak:

"De maakbare samenleving is voorbij. De problemen blijven. Gelukkig is er nu het Plan."

In een volgende scène liepen twee witte laboratoriumratjes snuffelend door hun doolhof.

"Mensen zijn ratten", zei de stem, "Ratten kun je straffen..."

Een vinger duwde op een rode knop, een wit ratje kromp ineen.

"En belonen."

Een brokje rolde in een bakje. Een wit ratje nam het gretig in de voorpootjes.

"Wij van het Plan, wij zeggen: bestraf wat we niet willen."

Een vrouwenstem sprak:

"We willen geen werklozen."

Opnieuw het shot van de vinger aan de knop.

"We willen geen daklozen."

Het witte ratje kromp weer ineen.

"We willen geen junkies."

Het ratje maakte spastische bewegingen.

"We willen geen vreemden."

Het ratje sprong krampachtig op en bleef liggen.

"Maar wij zeggen ook: beloon wat we willen. Wij van het Plan, wij willen gezonde, welvarende mensen die voor zichzelf kunnen zorgen. En die gaan we belonen."

Het bakje werd gevuld met brokjes. De witte ratjes knabbelden beeldvullend.

Onder op het scherm verscheen de slagzin: 'Steun het Plan. Want mensen zijn ratten.'

****

"Goed hè", zei Wessel, op een toon die geen ruimte liet voor een andere mening, "Ik ben er zo tevreden over. Het moest iets satirisch worden. We hebben een hele avond zitten brainstormen over de politiek en het regeringsbeleid. Opeens schoot me een filmpje te binnen over rattenproefjes. Toen was het idee er zo. Om het filmpje te vinden, dat duurde wat langer.

"Het is toch wel een bestaand filmpje, hè", vroeg ik.

"Dat hopen we maar. Ze zeggen van wel", antwoordde Wessel, "Hij is goed, hè."

Ik vroeg wat hij er eigenlijk mee wilde zeggen. Hij legde uit dat ze de mensen aan het denken wilden zetten over de filosofie van de terugtredende overheid.

"Het lijkt wel of niemand het ziet, maar wat er op dit moment gebeurt, dat is een grote uitverkoop van alles wat we in 100 jaar met moeite hebben opgebouwd. De boodschap is: hier heb je je geld terug, doe het maar lekker zelf. Dit was uw regering. Ze roepen dat de samenleving niet maakbaar is, maar ze denken dat ze wel ideale burgers kunnen maken. Alleen maar met bonussen en boetes."

Ik zag het inderdaad niet:

"Volgens mij doen ze het zo gek nog niet. De tijden zijn veranderd. Mensen zijn best in staat om zelf keuzes te maken. Je kan gedrag stimuleren. Dat werkt beter dan een standaard oplossing van een overheid die alles voor je bepaalt."

Dat was Wessel niet met me eens.

"De staat hoort er vooral te zijn voor mensen die het niet op eigen kracht redden en dat zijn er steeds meer. Die zitten niet bij jou in Amstelveen, die zitten bij mij in Rotterdam. Die moeten kunnen rekenen op de overheid, maar die verdomt het. Wat heb je aan een regering die niet meer wil regeren? Ze hoort beslissingen te nemen die de partijen overstijgen. Ook pijnlijke beslissingen. Daarvoor wordt ze door ons gekozen en daar ontleent ze haar gezag aan. In plaats daarvan ligt de overheid op zijn knieën om burgers te vragen of ze zich alsjeblieft, alsjeblieft fatsoenlijk willen gedragen. Vroeger was een goede overheid als een goede vader. Iemand met gezag, die zorg had voor zijn kinderen. Nu moet de burger worden verleid tot normaal gedrag. Verleid! De staat gedraagt zich niet als een zorgzame vader, maar als een hoer. En ik weet niet hoe het met jou zit, ik wil niet worden aangesproken alsof ik een hoerenloper ben."

Tegen zoveel verbaal vuurwerk kon ik niet op. Ik zweeg, hij ging door:

"Luister Mathieu. We hebben het over een overheid die burgers niet alleen nog aanspreekt op hun portemonnee. Dan krijg je burgers die alleen nog in hun portemonnee geïnteresseerd zijn. Als je mensen behandelt als ratten, dan worden het ratten. Mensen die uitsluitend nog bezig zijn met hun eigen belang. Ben je jong in de jaren '90, dan wil je een BMW onder je kont en een goed aandelenpakket - sorry Mathieu, niet persoonlijk bedoeld - en als je op tijd je internetbedrijf van de hand kunt doen, dan kun je op je dertigste gaan golven. Dat is kicken. Natuurlijk zijn er sukkels die ambtenaartje spelen op het gemeentehuis of die voor de klas staan. Lui die het allemaal niet goed in de gaten hebben. De ITC, de beurs, het bedrijfsleven, dat is sexy. Ik ben bang dat we een heel naar land worden. Een land van patjepeeërs die zichzelf geweldig vinden omdat de poen van hun vingers druipt. Mensen die het doodnormaal vinden dat een ander de kastanjes uit het vuur haalt. Daar betalen ze immers belasting voor, al beschouwen ze iedereen die van hun belastinggeld betaald wordt als een zakkenvuller. Maar ik voorspel het je: straks is er niemand meer te vinden die onze kinderen les wil geven, niemand die de boeven vangt die jouw autoradio jatten en niemand die de jouw billen wast als je dat zelf niet meer kan."

Ik was blij dat Marieke niet thuis was, want het was geheid uitgelopen op oorlog.

****

Enkele weken later vertrokken we van de Ardennen terug naar huis. Marieke stuurde haar cabrio in een opgewekt tempo naar de randstad, ze haalde in wie ze maar voor haar wielen kreeg. De aanhoudende hitte had de heuvels geel gedroogd. We reden langs een veld vol zonnebloemen als een menigte dwangarbeiders met gebogen hoofden. De zomer was nog geen maand oud, maar bomen kleurden al bruin en lieten voortijdig hun blad vallen. Ik was moe en het vooruitzicht van Amstelveen, van de drukkerij in Diemen maakte het er niet beter op. Misschien moest het maar eens flink gaan plenzen.

"Bah. Ik wil niet. Ik heb geen zin", zei ik, "We leven om te werken, dat is toch zonde van de tijd."

Ze reageerde niet.

"Wat zou jij doen als je meer tijd had?", vroeg ik.

"Hoe bedoel je?"

Ze vond het een rare vraag:

"Er is altijd evenveel tijd. Als je ergens niet aan toekomt, dan is dat omdat je andere dingen belangrijker vindt. Heb jij dat dan, dat je iets anders wilt dan je nu doet?"

"Ja. Ik wil iets anders dan alleen maar werken", zei ik.

Maar wat, dat kon ik ook niet zeggen.

"Oh? Ik vind mijn werk anders het leukste wat er is. Wat wil je dan?"

"Dat weet ik niet. Ik wil wel weer eens normale contacten. Gewoon, dat je iets voor iemand anders betekent."

Het klonk als een postbus 51 advertentie. Niet als iets waar een normaal mens naar hunkert.

"Ik bedoel... hoeveel mensen kennen wij", probeerde ik nog eens, "Laat ik het anders zeggen. Met bijna iedereen die ik ken heb ik een zakelijke contact."

We reden achter een vrachtwagen, die steeds meer vaart verloor naarmate we meer heuvel op gingen. Marieke wilde er langs, maar ze kreeg de kans niet, omdat we zelf ook steeds meer vaart verloren.

"Na die witte Golf kun je", zei ik behulpzaam.

Die Golf kwam met grote snelheid langszij. Marieke gaf aan dat ze naar links wilde en keek over haar schouder. Opeens schoof de Golf tussen de vrachtwagen en ons in.

Toen ik bijkwam lag ik met een ontwrichte schouder en een kop in het verband in een ziekenhuis in Eindhoven. Een dokter vertelde dat mijn vrouw niets mankeerde en dat ik ook van geluk mocht spreken. Ik was half uit de auto geslingerd en hangend in de riemen met mijn hoofd tegen de vangrail gestuiterd.

"Wel jammer van uw auto", zei de man nog.

De Fiat Spider was Mariekes trots. Maar hij was 12 jaar oud, daar had de verzekering weinig meer voor over.

***

Voorlopig werd er niet gewerkt, en van klussen in Rotterdam kwam ook niets terecht. De schouder was na twee weken nog niet over en ik bleef last houden van hoofdpijn. Tot overmaat van ramp regende het dagen aan een stuk. Ik verviel in een zwartgalligheid waar geen eind aan kwam. Die probeerde ik te bestrijden met aanzienlijke hoeveelheden chips, pinda's, kaas en worst. Marieke was allerliefst. Ze sleepte lekkere hapjes aan, kwam met video's van mijn favoriete films en probeerde zoveel mogelijk de avonden thuis door te brengen. Ik wist dat ik dat moest waarderen, maar het lukte me niet. Toen het herstel eindelijk inzette kwam ook het moment naderbij dat ik weer aan de slag zou moeten. En hoewel mijn dagen van sombere ledigheid niet om dóór te komen waren, keek ik daar toch niet naar uit. Ik kwam nog amper het bed uit en zwolg in zelfmedelijden.Op een middag kwam Mar eens kijken hoe het stond met de eenzame patiënt.

"Asjeblieft", zei ze, "Sinaasappelsap voor de vitaminen en jenever voor de troost."

De geschenken werden meteen geschonken en gedronken.

"Straks over mij, eerst over jou", zei ze raadselachtig.

"Hoe ben je er aan toe? Eigenlijk niet eerlijk hè. Marieke geen schrammetje, die vent ook niet en jij helemaal in de kreukels. Veel pijn?"

"Dat gaat, dat gaat. Ik ben er nog best genadig van afgekomen. Alleen verveel ik me rot. Ik heb niks te doen, maar ik heb ook nergens zin in."

"Komt er niemand langs dan? Ja, iedereen is op vakantie, natuurlijk. Daar heb je dan vrienden voor, hè."

"Ben je gek? Ik heb geen vrienden meer. Alleen jij, Wessel en Giel, maar die woont ook niet om de hoek. Ik ben hartstikke blij dat je er bent."

Dat was oprecht gemeend. Mar is altijd erg prettig gezelschap. Toch nam ik zelf nooit het initiatief. Ook in vriendschappen ben ik lui. Zij was het altijd die langskwam of me opbelde om naar de kroeg te gaan.

"Dank je wel. Maar... hoezo geen vrienden?"

"Ik werk. Punt."

"En je wilt weer aan het werk, dan?"

"Nee, eigenlijk ook niet. Het is meer - algeheel onbehagen. Sinds het ongeluk is mijn bestaan een beetje ontregeld. Ik sta er buiten en wat ik zie bevalt me niet meer. Het boze oog noemt Wessel dat."

"Dat is normaal. Posttraumatische stress. Dat slijt wel. Het is niet dat je een oorlog hebt meegemaakt of zo. Schrik je van onverwachte dingen? Raak je in paniek, als je de snelweg op rijdt?"

"Natuurlijk niet. Ik ben de deur niet uitgeweest. Ik kan toch niet rijden met die schouder."

Ik was zielig, dat moest ze wel respecteren."Ik zou toch maar eens met iemand een stuk gaan rijden, kijken hoe je je daarbij voelt. Ga terug naar de plek waar het gebeurd is."

"Lieve Mar, laat het gepsychologiseer maar. Het is goed. Zorg liever voor wat afleiding. Hoe is het met jou? Vertel eens wat nieuws. Ik maak niks mee. Jij wel."

Ze vertelde over van alles en nog wat. Zolang ze sprak hield ze me in haar ban en had ik deel aan iets wat op een leven leek. Toen ze ging vloog de stilte weer tegen me aan. Het boze oog deed zijn werk. Wessel had gelijk, mijn droefenis was rijp en barstte open. Uit arren moede zette ik de televisie aan. Daar sprak een kale man in een streepjespak.

****

Als Wessel langs kwam zorgde Marieke dat ze er niet was en dat was eigenlijk maar goed ook. Ik vond het fijn als hij er was, maar hij slaagde er niet in om mijn allesverzengende lethargie te doorbreken. Hij probeerde het wel, hij probeerde mijn gemoed te raken met de verontrustende zaken die hij om zich heen zag gebeuren. Maar ik kon zijn woede niet delen, hoe hij ook zijn best deed. Het was me allemaal hetzelfde. Op een avond kwam hij langs. De Tv stond aan. De kale man in het streepjespak was weer aan het woord op het tweede net. Trouwens ook op het eerste net en op een van de commerciële kanalen. De afstandsbediening lag niet binnen handbereik.

"Als je hem harder wil zetten, moet je het zelf even doen", zei ik.

Wessel reageerde niet direct, maar luisterde even naar de man. Het was een fenomeen, iemand die met veel flair en zonder ontzag voor heilige huisjes een nieuwe orde aankondigde. Vooral zijn ongezouten standpunten over allochtonen en ambtenaren gingen erin als koek. Marieke was van hem gecharmeerd, vooral vanwege diens vernieuwende elan en de belofte van lagere belastingen.

Hij zette de Tv uit.

"Wat vind jij nou van hem?", vroeg ik om Wessel aan het praten te krijgen.

"Geen mening", antwoordde hij, "De hele wereld komt me de laatste jaren zo merkwaardig voor. Alsof we met zijn allen in een raar stripverhaal terecht zijn gekomen. De Amerikaanse president die een stagiaire opgeilt met een sigaar. Ranzige porno is het. Een verhalenverteller die in Engeland moet onderduiken omdat een godsdienstfanaat in Iran zijn dood eist. Dat had je vroeger niet verzonnen, toch. Vliegtuigen die zich midden in New York in een torenflat boren als in een derderangs B-film. De tijd van de grote ideologieën is voorbij, we hebben alleen nog pulp om ons aan te spiegelen. Het wachten is tot Superman of de Messias ons komt redden. Dus, ja, waarom hij niet?"

"Maar wat vind je nou serieus van die man?"

"Wil je het echt weten? Ik vind het helemaal niks. Ik vrees dat we krijgen waar het volk om vraagt. We zijn een samenleving in ontbinding", zei Wessel.

"Hij kaart toch dingen aan die goed mis zijn. De wachtlijsten in de zorg, de bureaucratie, de belastingdruk, de kloof tussen de burger en de politiek. En hij gaat geen taboes uit de weg", wierp ik tegen.

"Een samenleving die nog functioneert kent ook taboes. Zaken waar je het fatsoenshalve niet over hebt. In zo'n samenleving hebben de mensen een minimaal besef van een collectief belang. Het idee dat er belangrijkere zaken zijn dan die van de individuele burger. Nou, dat is er niet meer. Het is net de Ziedende Iep in zijn donkerste dagen.

"Het is een tegengeluid. Dat is toch op zich waardevol?" Jij hebt me ooit uitgelegd dat de objectieve waarheid volgens jou niet bestond. En dat vond je maar goed ook, want als we er allemaal hetzelfde tegenaan keken, dat was de dood in de pot. Dan had je geen verschil van mening meer, dan stond alles stil. We zouden alleen maar in een zinloze herhaling doorgaan tot het einde. Zoiets. Of heb ik jou verkeerd begrepen?"

"Oh. God, ja. Nee, dat klopt wel. Dat vond ik toen. Ik ben veranderd, denk ik. Vroeger stond ik in mijn eentje tegenover de wereld, en die wilde ik naar mijn hand zetten. Nu maak ik er deel vanuit. En dan blijkt dat de werkelijkheid wel degelijk bestaat, en hij is weerbarstiger dan ik toen dacht."

"Toch een objectieve waarheid?"

Wessel die spijt had van zijn ferme meningen, dat werd interessant. Hij dacht na.

"Waarheidsvinding is belangrijk. Dat is een heilige taak voor rechters, journalisten en wetenschappers. Doen ze dat niet, dan krijg je een samenleving waar willekeur de overhand krijgt. En dat is precies wat er nu gebeurt. Niemand is nog in de waarheid geïnteresseerd. Weet je wat het is? De werkelijkheid is geprivatiseerd. Daarom komen journalisten niet meer met feiten, maar met human interest. Het nieuws als grote soap. Neem de onafhankelijke rechter, die moet zorgen dat in gelijke gevallen gelijk recht geldt. Die is tegenwoordig bereid om in de strafmaat mee te wegen, dat het rechtsgevoel is geschokt. Daarmee bedoelen ze dat de zaak commotie veroorzaakt. Dus als je al door de media gelyncht wordt, dan kan de rechter niet achterblijven. Onze generatie studenten vond de objectieve, waardevrije wetenschap verdacht. Het moest maatschappelijk relevant zijn. En we hebben gekregen wat we wilden. Alleen, wie maakt nog uit wat maatschappelijk relevant is? De markt. Degene die het meest biedt krijgt zijn zin. De wetenschap, de journalistiek hebben niet langer de taak om mythes door te prikken en onwaarheid te ontmaskeren. Ze willen slechts behagen. We willen vermaakt worden. We hebben liever onze eigen comfortabele waarheid."

"Oké, oké. Rustig maar. Ik bedoelde alleen dat het een tegengeluid is en dat is altijd welkom, toch? Dat collectieve belang waar je het over had. Daar heeft die man ideeën over. Minder bureaucratie, efficiënt omgaan met belastinggeld. Daar voel ik wel voor. Kijk. ik vind het helemaal niet erg om belasting te betalen, maar het wordt wel veel", mokte ik, "Het is dat Marieke er heel handig in is, anders betaalden we ons blauw. We werken allebei hard, maar het word je bijna onmogelijk gemaakt om wat centen te verdienen."

Nu werd Wessel link:

"Ik wil niet horen hoeveel belasting je betaalt. Ik hoor Marieke ieder jaar opnieuw over de slimmigheidjes die ze nu weer heeft bedacht om nog minder te betalen. Wat je allemaal kunt aftrekken, je tweede hypotheek. En nog betalen jullie teveel belasting. Zo kan ik ook wel beginnen. Moet je horen. Ik woon in een straat met huurhuizen. Daar wonen uitkeringstrekkers, arbeiders, mensen met een pensioentje. Wij betalen ook allemaal belasting. Daar betalen wij jouw hypotheekaftrek mee. Wij betalen ook de chique zakenetentjes die jij van de belasting aftrekt. En je grijze kenteken en je lease bak en je beroepskostenaftrek. Gek hè, dat hoor je nooit. Iemand die de belasting tilt is voor jullie een held. Maar dat betekent wel dat iemand anders het moet ophoesten. Waar het om gaat is dat wij met zijn allen hebben afgesproken dat wij een aantal zaken uit de gezamenlijke pot betalen. En dat we daar allemaal naar draagkracht mee betalen. Maar jullie proberen je te drukken. Ik hoor Marieke nog zeggen dat ze geen dief was van haar eigen portemonnee. Voor haar zijn uitkeringstrekkers zwartwerkers en uitvreters. Behalve dat mannetje dat zo goedkoop die dakkapel op jullie huis had gezet. Zwart."

Natuurlijk, hij had gelijk, alweer gelijk, altijd gelijk. Maar zou hij zich nooit hebben afgevraagd wat die zedenpreken doen met een gewoon mens? Hij had toch psychologie gestudeerd. Het begint er mee dat je je schuldig voelt. Het eindigt ermee dat je een hekel krijgt aan de predikant. Ik had er even genoeg van. Gewoon, genoeg. Genoeg braafheid, genoeg solidariteit. Genoeg maatschappijkritiek en genoeg intellectuele hoogstandjes. Hoeveel fatsoen kan een mens verdragen?

Dat was de laatste keer dat ik Wessel sprak.

28 De weg naar Hamelen

Naar Marieke ga ik niet terug. We zouden alleen maar op elkaars zenuwen werken. Ik moet ontdekken wat dit betekent, hoe ik nu verder moet. En daarvoor moet ik hier zijn. En Marieke moet werkeloos toekijken, het is niet anders. Dat kan ze beter thuis doen.

De recherche nodigt Karin en mij uit voor een verslag van hun onderzoek. De illegale kennis van Wessel is terecht. Het telefoontje op die bewuste avond kwam vanuit een politiebureau aan de andere kant van de stad. Hij had alleen gezegd dat het dringend was, dat hij was opgepakt had hij niet verteld. De man zit nog steeds in vreemdelingendetentie en kan het niet gedaan hebben. Het buurtonderzoek is ook afgerond, maar dat levert niet veel op. Drie verklaringen over een groep dronken jongelui die op de bewuste avond schreeuwend en lallend door de straat gingen. Volgens één waren het er twee, volgens de ander vijf; volgens de één waren het blanke Rotterdammers, de anderen kunnen dat niet bevestigen. Over het tijdstip lopen de meningen uiteen en een signalement ontbreekt. De eerste uren zijn essentieel, daarna valt er weinig meer te rechercheren, zegt de man. Hij vertelt wel met trots dat de eigenaar van de bebloede sportschoenen is opgespoord. Het is een Algerijnse jongen van vijftien, een kind nog. Volgens zijn verklaring lag Wessel daar al, hij had alleen diens portemonnee meegenomen. Het sporenonderzoek geeft hem gelijk, de plas bloed was al bijna gestold toen hij er doorheen gelopen was. Hem wordt beroving ten laste gelegd. Mocht Wessel overlijden, dan kan het ook nog dood door nalatigheid worden. Dat is het, meer kan de politie niet voor ons doen. Maar hij raadt ons wel aan contact op te nemen met slachtofferhulp.

Ik begrijp dat het nooit zal worden opgelost. Wessel is het slachtoffer van een anonieme dader en een anonieme stad. Als we naar buiten lopen vertel ik Karin wat ik die morgen gehoord heb. Het medische team overweegt om Wessel langs kunstmatige weg uit zijn coma te halen. Ze is al op de hoogte:"Wat ik er van begrijp is dat ze iets door zijn infuus doen. Het is niet zonder risico, maar als hij nog langer zo doorgaat is er ook een grotere kans op blijvend functieverlies. En nu is er nog hersenactiviteit, dat schijnt gunstig te zijn."

Ze heeft al een afspraak gemaakt met de specialist en vraagt of ik ook mee kom, maandag. Natuurlijk ga ik mee. Karin heeft zich hernomen. Ze weegt de informatie, schat kansen in en blijft rustig. Ze kan zich ook geen paniek permitteren, ze heeft Judith om voor te zorgen. Die moet ze nu van school halen.

"Nou, dag Mathieu. Moed houden, hè."

Ze kust me haastig op mijn wang.

"Ja, jij ook", zeg ik als ze wegfietst.

****

Ik ga een kroketje trekken. In de buurt van het Coolsingel wordt het steeds drukker. Voor ik het weet sta ik midden in de opgewonden menigte. Natuurlijk zijn de gemoederen verhit. Ik weet wat er gebeurd is, maar ik heb het niet echt gevolgd. De sfeer is geladen. Uit de verte klinkt applaus, de golf zwelt aan tot iedereen om me heen ook in de handen klapt voor de kale man in het streepjespak. Een limousine met de witte kist rijdt langs. Dan sterft het geluid weer weg. Een witte volgwagen met politici rijdt langs. Een jonge vent in een poloshirt staat voor me en spuugt naar de premier. Ook de minister van binnenlandse zaken moet het ontgelden. Een nette oude mevrouw met een handtas zet in met overslaande stem: 'Moordenaars! Moordenaars!' en iedereen brult mee. Om me heen staan een verongelijkte massa van uitkeringstrekkers, bouwvakkers, voetbalfanaten, scholieren, winkeliers, bejaarden, vastgoedspeculanten, moeders met kinderen, kleine zelfstandigen, schoonheidspecialisten, automobilisten, aannemers, sportschooljongens, kleine beleggers, lezeressen van de bladen en belastingbetalers. Ze zijn één in hun heilige verontwaardiging. Ze zijn kwaad op de media, kwaad op de overheid, kwaad op de intellectuelen en de wereldverbeteraars.

Ik was altijd een kuddedier. Ik versmolt moeiteloos met de meute, voelde wat iedereen voelde, dacht wat iedereen dacht. Ik kan het niet meer, misschien is het mijn boze oog. Deze massa is mij een raadsel. Er gaat een dreiging vanuit, die ik niet begrijp. Het borrelt op van onder het plaveisel, van achter de struiken en de auto's. Ik kan het niet pakken. Het hele land houdt de adem in. Zo moet het voelen na een staatsgreep. Ik ben een bang kind dat de hand zoekt van zijn grote broer. De broer met de zes gebroken ribben, de drie gebroken middenhandsbeentjes. Met een coma van 12 dagen en een barst van 35 cm in zijn schedel. Misschien komt hij nooit meer bij bewustzijn. Misschien is het goed dat dit hem bespaard blijft.


Nijmegen, januari 2010, Frank Kemper - 's-Gravensandestraat 18 6533NT Nijmegen

Mailedres van:

Frank Kemper