PICKNICK

Het beloofde een zonnige dag te worden. Een reden voor Conny Böhmermann, een zevendertigjarige brunette uit Heemskerk, om zich voor de op handen zijnde picknick met haar dochter Trudy maar enigszins luchtig aan te kleden. Zij nam op de rand van het bed plaats en begon de knopen van haar robe-manteau één voor één los te maken. Zij deed dat op een ietwat verstrooide manier en daar was een goede reden voor, want toen zij daarnet haar slaapkamer was binnengegaan, was er een vlaag van weemoed door haar heengeschoten.
Die weemoed betrof haar huwelijk met de achtendertigjarige Frans Schouws, dat twee dagen daarvoor met een overigens harmonieus verlopen scheiding was beëindigd. Het woord 'harmonieus' dient men hier letterlijk te nemen: er zou namelijk vrijwel niets veranderen voor haar. Eigenlijk was zij deze week van een echtgenote in een vriendin voor het weekend getransformeerd. Frans had het huis begin deze week weliswaar verlaten, maar Conny en Trudy zouden vanaf nu elke zaterdagavond en elke zondag in zijn andere huis aan de naburige Ravelstraat verblijven.
De andere afspraken met betrekking tot de scheiding betroffen de huisvesting en de kosten van levensonderhoud. Conny en Trudy zouden samen in Frans' huis aan de Gerrit van Assendelftlaan blijven wonen en Frans had zich tot het betalen van een vorstelijke alimentatie verplicht. Zij ervoer het in het geheel niet als een probleem, dat Frans nu het recht had om ook met andere vrouwen om te gaan. Tijdens hun huwelijk had zij hem zijn buitenechtelijke escapades al nooit kwalijk genomen. Waarom zou zij dat nu dan wel doen?
Die zelfs voor de jaren zestig nogal liberale huwelijksmoraal vloeide ook wel een beetje uit het ontbreken van familieleden in haar leven voort. Er was simpelweg niemand aan wie zij verantwoording hoefde af te leggen. Haar ouders waren overleden, zij had geen broers of zusters en de neven en nichten, die zij nog wel had, was zij allang uit het oog verloren. Van haar schoonouders, de enige familieleden, waarmee zij wel een goed contact had, waren al helemaal geen problemen te verwachten. Haar schoonouders schenen haar houding jegens Frans zelfs hooglijk te appreciëren en hadden met Conny hun eigen bezoekregeling getroffen: Conny zou vanaf nu elke vrijdagavond met Trudy bij haar schoonouders komen dineren. Aangezien het vandaag vrijdag was, mocht Conny zich dus op die komende visite in die bungalow even buiten Castricum gaan verheugen. Zij had er alle reden toe: ondanks hun verworven rijkdom waren haar schoonouders lieve en vooral hartelijke mensen gebleven.
Het vooruitzicht op een gezellige avond leek ook het humeur van haar dochter danig op te vrolijken. Vanuit haar kamer aan de andere kant van het huis klonk vrolijk gezang. Conny moest er om lachen. Haar dochter had de perikelen van de scheiding goed doorstaan. Trudy had een rustig, gelijkmoedig karakter. Zo jong als zij was, scheen zij heel goed te beseffen, dat het huwelijk van haar ouders volgens de maatstaven van die tijd niets meer voorstelde en dat de verandering in de verhouding tussen haar ouders een verandering ten goede was. Haar eigen relatie tot haar vader zou ook al vrijwel hetzelfde blijven. Frans had door zijn zakelijke besognes de opvoeding van Trudy voornamelijk aan Conny overgelaten. Gedurende haar hele jeugd had Trudy haar vader meestal alleen op zondag gezien en in dat opzicht zou de scheiding en de ingenieus ontworpen bezoekregeling dus ook voor Trudy een verbetering zijn.
Met die gedachte in haar achterhoofd stond Conny van het bed op. Het was waar: Frans zou nooit meer in dit bed slapen, om van vrijen nog maar te zwijgen, maar daar wilde zij niet meer over treuren. Zij had nu inmiddels de sleutel van zijn huis aan de Ravelstraat en dat zou de plek worden, waar ze hun huwelijksleven op een heel wat opwindender manier zouden gaan voortzetten dan in de laatste jaren het geval was geweest.
Zij trok een wit zomerjurkje aan en liep daarna naar Trudy's slaapkamer, een ruime, vierkanten kamer aan de achterkant van het huis. Die kamer was een perfecte weerspiegeling van Trudy's karakter: hij zag er kraakhelder en zeer opgeruimd uit. De vele boeken, die Trudy in haar nog jonge leventje had verzameld, stonden netjes gerangschikt in de boekenkasten langs de wanden, het bed was keurig door haarzelf opgemaakt en zowel op de vloer als op het bureautje bij het raam was geen papiersnipper te vinden.
Trudy was nu twaalf jaar. Zij had een knap gezichtje, half lang, blond haar en een tenger lichaampje. Zij droeg een eenvoudig, zwart jurkje zonder tierelantijnen en zij zat op de rand van het bed om wat gemakkelijker de nagels van haar tenen te kunnen lakken. Conny zag het lachend aan. Iets in de manier, waarop Trudy bezig was, vertelde haar, dat haar dochter toch wel iets meer dan een bekoorlijk boekenwurmpje beloofde te worden. In haar houding en in de trefzekere gebaartjes, waarmee zij de lak aanbracht, zat nu al iets uitdagends. De kiem van iets, wat zij zowel in zichzelf als in Frans herkende: de sterke, nietsontziende drang tot bekoren.
Conny stond op het punt om daar een opmerking over te maken, maar op dat moment werd er gebeld. Zij daalde de trap af, trok de voordeur open en stond toen oog in oog met een knulletje van een jaar of twaalf. Een zwartharig prinsje, met een vlotte manier van doen en een dito manier van praten:
"Dag, mevrouw Schouws. Ik ben Joris. Ik kom voor Trudy, we zitten in dezelfde klas en ik wilde haar vragen of zij met mee wil gaan. Ik wil een eindje gaan fietsen en ik wil dat liever niet alleen doen."
"Wel, Joris!", zei zij lachend, "Trudy en ik hadden eigenlijk andere plannen, maar ik zal eens vragen, of zij misschien liever met jou mee wil."
"Dank u."
Zij besteeg de trap, denkend aan de scene, die aan Joris' komst was voorafgegaan en was razend benieuwd naar Trudy's reactie. Die overtrof haar stoutste verwachtingen.
"Stuur hem weg!", siste Trudy, nog voordat Conny haar vraag had kunnen stellen, "Ik kan dat stomme joch niet uitstaan!"
"Waarom dan niet, liefje?", vroeg Conny plagend, "Het lijkt mij anders best wel een geschikt ventje."
"Stuur hem weg!", riep zij, zonder zich om de eventuele toehoorder te bekommeren, "Of anders doe ik het! Ik haat hem! Hij loopt mij op school ook al zo achterna! Ik word er helemaal gek van!"
"Rustig, kindje. Maak je maar niet druk. Ik zal hem wel wegsturen."
Zij liep de trap weer af, met een mengeling van opluchting en verbazing en merkte eenmaal beneden, dat Trudy's harde boodschap inmiddels al tot Joris was doorgedrongen. Hij stond er namelijk niet meer.
"Och, dat arme wurm!", zei zij, met oprecht mededogen.
Zij deed de deur dicht en haalde daarna de picknickmand uit de keuken. Op dat moment werd zij door de telefoon gestoord. Zij ging de huiskamer binnen en nam met een zwierig gebaar de hoorn van de haak.
"Met Conny Schouws!", zei zij vrolijk.
"Ja, hoi! Met Frans."
"Hoi, lieverd! Hoe is het nou met je?"
Het duurde even, voordat haar ex-echtgenoot de juiste woorden wist te vinden, maar het lukte hem uiteindelijk wel.
"Och, het gaat wel", brabbelde hij, "Hoe gaat het met jullie?"
"Prima, we staan op het punt om te gaan picknicken."
"O... Nou, in dat geval zal ik jullie natuurlijk niet langer ophouden."
"Ach, doe niet zo gek! Je houdt ons toch nooit op!"
"Echt niet?"
"Nee, natuurlijk niet, idioot!"
"Ah... O... Nou, in dat geval..."
Weer bleef het even stil op de lijn.
"Waarom belde je eigenlijk?", vroeg Conny vriendelijk.
"Ik wilde naar je toe komen. Ik wilde zeker weten, of je..."
"Of ik wat."
"Of je nog steeds mijn vrouw bent."
"Ik zal altijd je vrouw blijven! Dat weet je toch?"
"Echt?"
"Ja, lieverd! En als we morgen bij je zijn, dan zal ik je dat bewijzen ook."
"Ah."
"Ben je zo tevreden?"
"Ja, en meer dan dat. Het zou alleen nog plezieriger zijn als je dat vanmiddag al zou willen bewijzen."
"Wat bedoel je?"
"Ach, ik wil gewoon een uurtje met je vrijen."
"Bij wijze van voorproefje?"
"Ja, precies."
"Het klinkt heel verleidelijk, maar dat wordt dus toch wel een beetje moeilijk..."
"Om die picknick met Trudy?"
"Ja, en ook om het etentje met je ouders, dat daarna zal plaatsvinden. Zou je tot vanavond kunnen wachten?"
"Ja... Ja, ik denk het wel!"
"Moet ik eigenlijk naar je toe komen? Of kom je liever hiernaartoe?"
"Ik wil liever naar jou toe komen."
"Waarom?"
"Omdat ik, als je naar mij toe komt, op je moet wachten en dat kan ik op dit moment niet."
"Waarom niet?"
"Omdat ik een beetje bang ben."
"Waarvoor?", vroeg zij, enigszins ongerust.
"Voor mijn ouders. Ik heb zo het vermoeden, dat ze je vanavond zullen gaan bewerken."
"Bewerken?"
"Ja, volgens mij willen ze je zover krijgen, dat je definitief met mij breekt."
"O, daar geloof ik niets van! Dat zullen ze echt niet doen! En als ze het wel zouden doen, zou het ze toch niet lukken."
"Echt niet?"
"Nee, natuurlijk niet, idioot! Maar goed... Als je vanavond liever hiernaartoe wilt komen, dan moet je dat gewoon maar doen."
"Ah, prima! Hoe laat zal ik komen?"
"Kom maar om half tien. Tegen die tijd is Trudy wel naar bed."
"Goed, liefje, ik zal er zijn."
"Prima!"
"Hoe... Hoe gaat het nou met Trudy?"
"Goed, hoor! Zij is heel lief, heel stilletjes, zoals zij altijd is. Alleen daarnet was zij een beetje luidruchtig."
"Waarom?"
"Om haar eerste, stille aanbidder!"
"Wat?"
"Ja, leuk, hè? Maar je hoeft je geen zorgen te maken, hoor! Zij heeft hem afgewezen en zij heeft dat ook op een manier gedaan, die het arme wurm een levenslange frustratie moet hebben bezorgd."
"Is het soms die enge Joris?"
"Ken je hem dan?"
"Nee, ik ken dat ettertje niet van gezicht en dat is maar goed ook! Maar zij heeft mij wel het een en ander over hem verteld."
"Zo, heeft zij dat?", vroeg Conny, met onverholen ironie.
"Ja, ik ben ook heel blij, dat zij mijn advies om hem luidkeels zijn vet te geven, heeft opgevolgd."
"Zo, ben je dat?"
"Ja, want als zij dat niet had gedaan, had ik zelf in actie moeten komen. Dan had ik dat ettertje een pak rammel moeten verkopen. En geloof mij: dat had hem pas echt een levenslange frustratie bezorgd."
Conny schoot in de lach, maar besloot om niet met hem in discussie te gaan.
"Waar gaan jullie eigenlijk picknicken?", vroeg Frans, met een wat droevige stem.
"Op de weide bij 'Geversduin'."
"Ah."
"Heb je ook zo'n trek?"
"Wil je... Wil je, dat ik kom?"
"Ja, ik heb heel veel behoefte aan je gezelschap en ik ben zeker niet de enige in dit huis."
"Goed, liefje!", zei hij, na een korte aarzeling, "Als je het echt fijn vindt, dat ik kom, dan kom ik."
"Ik zal het echt heel fijn vinden."
"Zal ik meteen naar 'Geversduin' komen? Of zal ik nog een half uurtje wachten?"
"Doe dat laatste maar. Dat zal het leukste effect geven."
"Prima! Ik verheug mij er nu al op."
"Goed, maar dan hang ik nu op, hoor!"
"Goed, liefje. Ik zal er heel snel zijn."
"Ik verwacht niet anders!"
Ze hingen gelijktijdig op. Trudy was inmiddels naar beneden gekomen en vlijde zich met een diepe zucht tegen haar moeder aan.
"Is alles goed met je?", vroeg Conny, terwijl zij haar dochter kalm over haar haren streelde.
"Ja, hoor, mam!"
"Heb je nog steeds zin in de picknick?"
"Ja, heel erg!"
"Goed, liefje, ga dan je fiets maar uit de schuur pakken."
"Goed, mam."
"En doe het snel! Voordat die enge Joris weer terugkomt."
"Ik ga al!"
Vijf minuten later reden moeder en dochter via de Gerrit van Assendelftlaan en de Marquetteweg de bebouwde kom van Heemskerk uit. Ze vormden een mooi koppeltje. Conny mollig en opgewekt, Trudy, tenger en dromerig, beiden genoten op hun manier van het fietstochtje naar hun favoriete picknickplekje. Na alle emoties van de afgelopen dagen voelden ze zich weer helemaal op hun gemak.
Via de bossen van het landgoed Marquette reden ze in de richting van Noorddorp. Na het passeren van dat buurtschap duurde het niet lang, voordat ze hun reisdoel hadden bereikt: een mooie weide, in de buurt van camping 'Geversduin', op de grens tussen het bos en de duinen. Daar maakten moeder en dochter het zich gemakkelijk. Conny begon kalmpjes met het uitpakken van de picknickmand; Trudy rolde zich op haar buik en begon in 'Schoolidyllen' van Top Naeff te lezen.
"Is het een leuk boek?", vroeg Conny, met een wat geniepig lachje.
"Ja, nou!"
"Volgens oma lijk je een beetje op de 'Jeanne' in het boek."
"Ja, dat is zo!"
"Vind je dat leuk?"
"Ja, het is een heel leuk meisje. Zij doet alleen een beetje dom met jongens. Als ik later verliefd ben, dan zal ik dat toch wel een beetje anders aanpakken."
"Dus niet zoals met Joris?"
"Nee, natuurlijk niet! Joris is een stom joch!"
"Hoe is het eigenlijk om zo'n jongen zomaar een blauwtje te laten lopen?"
"Lekker!", was het venijnige antwoord, "Ik wil hem ook nooit meer zien!"
"Waarom nou? Het was best wel een leuk kereltje."
"Er moet echt wel een leukere zijn."
"Waar?"
"Dat weet ik toch nog niet, mam! Daar ben ik toch nog veel te jong voor."
"Och, lief, dom meisje van mij", prevelde Conny, met iets in haar stem, wat verdacht veel op blijdschap leek.
"Waarom ben ik nou weer dom, mam?"
"Ach, ik weet het niet. Ik voel mij gewoon een beetje droevig. Je bent eigenlijk alles, wat ik nog heb. Maar ik weet ook, dat je al bijna dertien bent en dat over twee, drie jaar de jongens voor je in de rij zullen staan."
"Maar dat wil ik helemaal niet!"
"Wat niet?"
"Dat er zoveel jongens voor mij in de rij zullen staan."
"Echt niet?"
"Nee, ik wil ook maar één man later! Met wie ik altijd getrouwd zal blijven."
Conny schrok van die laatste woorden, waarin overigens geen spoor van verwijt te horen was geweest.
"Ben je erg boos op pappie en...", begon zij.
"Nee, ik ben helemaal niet boos op hem, maar ik wil later niet met een man trouwen, die op hem lijkt."
Die woorden sloegen Conny met stomheid. Haar volgende vraag was om die reden ook een tikje aan de dwaze kant:
"Op wie moet hij dan wel lijken?"
"Hm... Hij hoeft niet zo heel erg knap en heel erg breed te zijn, maar hij moet wel goudblonde haren hebben en natuurlijk heel erg lief voor mij zijn."
"En denk je, dat je die ook zult vinden?"
"Ja, ik denk het wel!"
"En denk je, dat hij dan ook verliefd op je zal worden?"
"O, ja!", antwoordde zij, met een ineens heel dromerig gezichtje, "Als ik hem eenmaal heb gevonden, zal hij zeker verliefd op mij worden."
"Ik geloof het graag!"
Na het uitpakken en het uitstallen van de boterhammen, de thermosfles met koffie, de fles Cola, de glazen en de fles champagne moest Conny ineens heel nodig plassen.
"Ik ben zo terug, Trudy", zei zij, terwijl zij opstond en naar het bos liep, "Ik moet ineens heel erg nodig."
"Goed, mam."
Conny's afwezigheid verliep nogal onplezierig voor Trudy. Tijdens haar verblijf in het bos zag Conny, dat haar dochter door een groepje van opgeschoten schooljongens werd lastig gevallen. Trudy liet hun spottende opmerkingen gelaten over zich heen komen, maar haalde uiterst doeltreffend uit, toen een van de jongens haar bij de rechtervoet greep.
De klap tegen de wang van de jongen bracht grote hilariteit bij zijn kameraadjes teweeg en natuurlijk ook een flinke dosis agressie bij het slachtoffer zelf. Hij boog zich met een gebalde vuist over Trudy heen en het had er niet al te best voor haar uitgezien als Conny niet tussenbeide was gekomen. De strenge gelaatsuitdrukking, waarmee zij naar Trudy en het groepje toe liep, deed namelijk wonderen: de jongens liepen onmiddellijk door. Terwijl ze langzaam uit het zicht verdwenen, keek Conny aandachtig naar haar dochters gezicht.
"Je bent vandaag wel bezig, hè?", zei zij lachend, "Eerst stuur je die arme Joris voor eeuwig het bos in en nou ransel je die arme jongen af. Zo ken ik je helemaal niet. Je bent anders zo lief en zachtmoedig."
"Ik kan er niet tegen als ze aan mij zitten."
"Echt niet?"
"Nee, ik word altijd heel erg kwaad als zij dat doen. Ik sla er ook altijd meteen op los."
"Echt?"
"Ja, ik doe het op school ook altijd."
"En helpt het?"
"Ja, nou! Ik geloof, dat de meeste jongens op school al een beetje bang voor mij zijn..."
"Hm, ik merk het al: ik hoef mij over jou voorlopig geen zorgen te maken. En jij dus ook niet, Frans!"
"Frans?", vroeg Trudy onzeker.
"Ja, je lieve papa komt eraan. Kijk maar!"
Trudy keerde zich op haar rug en zag inderdaad, dat haar vader, een knappe, forsgebouwde man met donkerbruin krulhaar, naar hen toe kwam lopen. Zijn tred was aarzelend, maar zijn mogelijke twijfels over de aard van zijn ontvangst werden door Trudy onvervaard de bodem ingeslagen. Zij kwam overeind, stormde op hem af en vloog hem om de hals op een manier, die Conny tamelijk ontroerde.
"Dag, Snoepie!", prevelde Frans.
"Dag, pappie!", was de vrolijke reactie.
"Hoe is het nou met jou?"
"Goed! En met u?"
"Slecht, ik heb jou en mammie vreselijk gemist, de laatste dagen. Ik heb geen oog dicht gedaan."
"O, wat zielig voor je!", zei Conny, met gepaste ironie.
Frans legde Trudy op haar plekje bij het tafellaken neer, aarzelde daarna even en liet zich tenslotte naast Conny neervallen.
"Krijg ik geen kus van je?", vroeg zij lachend.
"Maar natuurlijk", mompelde hij.
Hij scheen even te twijfelen tussen een kus op de wang of een kus op de mond en koos uiteindelijk voor de laatste mogelijkheid.
"Is alles goed met jullie?", vroeg hij zacht.
"Het kan niet beter!", antwoordde Conny.
"Echt?"
"Ja, ik voel mij heel gelukkig!"
"Meen je dat?", vroeg hij aarzelend.
"Ja, natuurlijk! Waarom zou ik niet heel gelukkig kunnen zijn?"
"Vrouwen, die net twee dagen gescheiden zijn, behoren niet heel gelukkig te zijn", was het sombere antwoord.
"Wel als ze alles hebben, wat hun hartje begeert."
"En heb je dat?"
"Ja, natuurlijk!"
"Dat meen je niet!"
"Zal ik mijn zegeningen dan maar even opsommen?"
"Ja, doe dat maar."
"Ik heb een mooi huis, waarvoor ik geen huur hoef te betalen, een heel mooi inkomen, waarvoor ik niets hoef te doen, een hele knappe minnaar, jij dus, die volledig naar mijn pijpen danst en een heel lief en een heel mooi dochtertje, waar ik niets dan plezier van heb en een heleboel, lieve vriendinnen. Ik weet echt niet, waar ik nog meer naar moet verlangen."
"Tja, als je het zo bekijkt."
"Is er dan een andere manier?"
"Ja, natuurlijk!"
"Welke dan?"
"Dat is de manier, waarop mijn ouders er tegen aan kijken."
"Hoe kijken zij er dan tegen aan?"
"Zoals ieder normaal mens dat zal doen. Ik ben met je getrouwd, ik heb een kind bij je verwekt, ik heb je voortdurend bedrogen, ik heb uiteindelijk zelf de echtscheiding aangevraagd en ik vertik het daarbij ook nog eens om je los te laten."
"Denk je nou echt, dat ik dat wil?", riep zij, met welgemeende verbazing.
"Waarom zou je dat niet willen? Ach, je weet best, wat ik bedoel."
"Nee, dat weet ik niet! Wat bedoel je eigenlijk?"
"Ik heb je van de beste jaren van je leven beroofd. Ik kan het echt niet anders zien."
"Beste jaren beroofd? Ach, schatje, je bent gek! De beste jaren van mijn leven waren de eerste tien jaar van ons huwelijk, waar toen echt helemaal niets aan mankeerde. Daar zal ik ook mijn hele leven op kunnen blijven teren, wat er in de toekomst ook tussen ons zal gebeuren."
Met woorden kon zij hem niet overtuigen - hij bleef nukkig voor zich uit staren - zodat zij uiteindelijk maar tot daden overging. Zij sloeg haar arm rond zijn hals en trok hem naar zich toe. Het was het enige, waaraan hij behoefte bleek te hebben: met het hoofd op haar schoot scheen hij eindelijk weer wat tot rust te komen. Trudy zag het even aan, met een wat gemeen glimlachje om haar mond, maar las daarna onverstoorbaar verder.
"Ben je echt zo bang voor vanavond?", vroeg Conny.
"Ja! Die twee zijn razend op mij!"
"Wat kunnen ze dan doen? Je onterven? En alles aan Trudy nalaten?"
"Was het maar waar! Daar zou ik niet eens problemen mee hebben."
"Ook niet nu het zo slecht gaat met de zaak?"
"Ach, welnee! Dat is toch maar tijdelijk?"
"Maar wat kunnen ze dan doen?"
"Ach, ik weet het niet, liefje! Ik weet het echt niet! Ik weet alleen maar, dat ze tot alles in staat zijn. Ze zouden je, geloof ik, nog het liefst aan iemand anders willen koppelen."
"Nou, zeg!", zei Conny lachend, "Daar ben ik zelf dan toch ook nog bij?"
"Ja, dat is wel zo, maar..."
"En daarbij denk ik ook niet, dat je dochter een nieuwe vader zal willen hebben."
"Nee, dat wil ik niet, hoor!", beaamde Trudy.
"Nee, één zo'n pappie is wel genoeg, hè?", vroeg Conny, met een uitgestreken gezicht.
"Ja, nou!"
Moeder en dochter barstten in een schaterlach uit, hetgeen hun slachtoffer bepaald geen goed deed.
"Hou op!", riep hij.
"Ach, jochie!", zei Conny, "Stel je niet zo aan! We pesten je toch alleen maar een beetje. Dat weet je toch?"
"Nee, dat weet ik niet! Ik weet trouwens helemaal niets meer! Behalve dat ik schoon genoeg heb van alles en vooral van mijzelf. Ik zou er net zo lief meteen al een eind aan willen maken."
Conny schrok hevig. Zij stond meteen op aan en trok daarbij ook Frans overeind. Dat scheen hem nogal te verbazen.
"Wat is er?", vroeg hij.
"We gaan met zijn tweeën even een wandelingetje door het bos maken."
"En Trudy dan?"
"Trudy kan zich wel even in haar eentje vermaken."
"Ja, dat zal wel lukken, hoor!", zei Trudy, zonder van haar boek op te kijken.
Conny nam Frans bij de arm en begon hem, toen zij hem een stukje het bos in had geleid, onmiddellijk aan de tand te voelen:
"Zo, ventje! Biecht nou maar eens op!"
"Ach, het is niets, liefje! Ik heb vanmorgen even met het plan rondgelopen om mijzelf te verdrinken. Maar nu wil ik dat dus niet meer."
"Echt niet?"
"Nee, en daar ben jij verantwoordelijk voor. Toen ik hoorde, dat je je via de telefoon nog steeds met 'Conny Schouws' bekend maakt, was al het leed eigenlijk al geleden. Je kunt ook wel stellen, dat je daarmee mijn leven hebt gered."
Er gleed een blos over haar gezicht, maar zij ging niet op die laatste opmerking in.
"Maar waarom wilde je...", begon zij.
"Ach, waarom zou ik dat niet willen? Je weet toch zelf wel, wat voor een puinhoop ik heb aangericht?"
"O, Frans! Hoe kun je..."
"Is het dan niet zo? Heb ik jullie dan niet voortdurend tekort gedaan?"
"Dat heb je niet! Ik voel het tenminste niet als zodanig. En aangezien hetzelfde voor Trudy geldt, hoef jij het dus ook niet zo te voelen."
"Dat jij er zo over denkt, dat weet ik nu zo langzamerhand wel", murmelde hij, "Maar hoe zal Trudy er over een paar jaar over denken? Wat voor een voorbeeld geven we haar eigenlijk? En hoe zal dat haar verdere leven gaan beïnvloeden?"
"Zij is de wijste van ons drieën", antwoordde Conny lachend, "Zij houdt zielsveel van ons, maar is niet blind voor onze tekortkomingen. Zij weet, dat we volgens normale maatstaven een idioot leven leiden, maar past zich toch heel soepeltjes bij ons aan. En dat kan zij ook, omdat zij in haar achterhoofd heel zeker weet, dat zij het later, als zij zelf volwassen is, toch echt wel een heel stuk beter zal gaan doen."
"Dat heb je wel vaker gezegd", zei hij, met een vage glimlach.
"Ja, dat is waar. Maar ik heb daarnet toch maar mooi gelijk gekregen."
"Omdat zij dat ettertje heeft afgewezen?"
"Ja, precies!", antwoordde zij, met een wat dubbelzinnig lachje, "En als zij nu al niet op de avances van een knappe praatjesmaker ingaat, waarom zou zij dat later dan wel doen?"
"Ja, dat is waar!", antwoordde hij lachend.
"Precies! Er is dus geen enkele reden voor ons om ons schuldig te voelen tegenover haar. En dat geldt ook voor al jouw schuldgevoelens tegenover mij. Ik wil je gewoon niet anders hebben dan je bent."
"Maar die andere vrouwen..."
"Moet ik mij echt jaloers voelen als jij op een doordeweekse dag de hele avond in je eentje in een hotelkamer zit en tenslotte toch maar even de serveerster of de receptioniste het bed in trekt?"
"Iedere andere vrouw zou het wel zijn."
"Ook als het iemand is, die je na een uur alweer vergeten bent?"
"Ach, ik weet het niet..."
"Nou, ik weet het dus wel! Ik kan om die slippertjes niet kwaad worden. Ik weet, dat je vreselijk veel van mij houdt, maar ik weet ook, dat ik je de kans en de vrijheid moet geven om flink uit te razen. Daarom heb ik ook in de scheiding toegestemd. Je moet mij voortaan ontrouw kunnen zijn, zonder je daarover schuldig te voelen. En ik kan je die vrijheid ook geven, omdat ik weet, dat we later, als we oud en grijs zijn, toch wel weer bij elkaar zullen kruipen."
"Ja, dat geloof ik ook", beaamde hij gretig.
"Ja, hè? En er zal dus misschien ook wel weer een dag komen, waarop we opnieuw voor de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand zullen verschijnen."
"Denk je?"
"Ik weet het zeker!"
"Zou Trudy dat eigenlijk wel goed vinden?", vroeg hij, met komisch gemimeerde nadruk.
"Tja, daar zeg je mij wat! Nou, ja, het spreekt natuurlijk vanzelf, dat zij en haar toekomstige man over deze kwestie het laatste woord mogen hebben."
"Vind je dat echt?"
"Ja, natuurlijk! Want, zoals ik al zei: zij is de wijste van ons drieën. En zij zal in samenspraak met haar vermoedelijk al even wijze man wel de juiste beslissing voor ons kunnen nemen."
"Nou, vooruit dan maar."
"Zou je het eigenlijk prettig vinden als we vannacht al bij je blijven slapen?"
"Wil je dat echt?"
"Ja, je moet ons vanavond maar ophalen! Tenzij je andere plannen hebt, natuurlijk."
"Ik heb geen andere plannen en ik wil niets liever dan dat jullie bij mij komen. Maar dan natuurlijk wel voor het hele weekend. Als jullie zondagochtend alweer weggaan, heb ik er natuurlijk helemaal niets aan."
"Dat is goed, liefje. Dan blijven we het hele weekend gewoon gezellig bij elkaar."
"Ah, prima."
"Waarom ga je vanavond niet mee als Trudy en ik naar je ouders gaan?"
"Ik weet niet, of ze dat wel op prijs zullen stellen", antwoordde hij kleintjes.
"Ah, doe nou niet gek! Ze zullen je heus niet de deur wijzen!"
"Denk je?"
"Ik weet het wel zeker."
"Dan ga ik mee!", zei hij resoluut, "Ik zal misschien een rotavond hebben, zij zullen mij misschien het vuur na aan de schenen leggen, maar als ik dat niet doe, heb ik sowieso een rotavond. Dan zal ik de hele avond bang zijn, dat jullie mij niet meer willen zien."
"Goed, lieverd. Misschien kunnen we - als we samen zijn - die oudjes wel van ons gelijk overtuigen."
Zij ging zitten en trok zijn hoofd weer op haar schoot. Het deed hem goed; na een poosje verscheen er zelfs een glimlach op zijn gezicht.
"Is alles weer goed?", vroeg zij fluisterend.
"Ja, nu weer wel."
"Geen zelfmoordplannen meer?"
"Nee, integendeel!"
"Hè?"
"Ach, laat maar!"
"Nee, ik wil precies weten, wat je bedoelt."
"Ik eh... Ik wil over een paar jaar weer een kind van je."
"Wat?"
"Ja, en ik wil het ditmaal niet alleen verwekken: ik wil mij ditmaal dus ook met de opvoeding gaan bezighouden."
"Meen je dat echt?"
"Ja."
"Maar waarom dan?"
"Om een hele simpele reden."
"Welke dan?"
"Omdat ik te weinig van Trudy's jeugdjaren heb genoten. Ik heb teveel en te hard gewerkt in de afgelopen tien jaar en de schade, die ik daarmee heb opgelopen, wil ik na mijn veertigste gaan inhalen."
"Hoe stel je je dat dan voor? Wil je dan al gaan stoppen met werken?"
"Ja, ik ben van plan om in de komende twee jaar dusdanig rijk te worden, dat ik in 1970 inderdaad met werken kan stoppen en als het eenmaal zover is, zal ik alle tijd hebben om mij met Trudy's broertje of zusje bezig te gaan houden."
"En het bedrijf van je vader dan?"
"Dat zal ik na zijn dood voor heel veel geld gaan verkopen. Ik heb er totaal geen interesse meer in."
"Heb je hem dat al gezegd?"
"Nee, en ik denk niet, dat ik daar ooit de moed voor zal hebben. Ik zal het geld, dat ik na zijn dood met de verkoop zal verdienen, overigens meteen op Trudy's naam zetten. Ik wil er zelf niets van hebben."
Zij streelde hem over zijn voorhoofd, maar liet niets blijken, wat op instemming of afkeuring leek. Frans lette er niet op en had daar ook een hele goede reden voor: zijn dochter leek namelijk opnieuw belaagd te zullen worden. Ditmaal door een lange, tanige man van middelbare leeftijd, met zwart haar en een grote bril, die komend vanuit de duinen uiterst behoedzaam naar haar toe liep. Conny zag hem nu ook en besefte onmiddellijk, wat er dreigde te gebeuren.
"O, nee!", zei zij, "Dat niet!"
Beiden leken van schrik verlamd te zijn, maar toen de man zijn armen naar Trudy uitstrekte, klonk opeens de schreeuw van een kind:
"Heeeee!!!"
De man schrok zichtbaar. Hij keerde zich meteen op zijn schreden terug en liep weer terug in de richting van de zee. Frans wilde onmiddellijk de achtervolging op hem inzetten; een pleziertje, dat Conny hem echter ontzegde. Zij wist hem bij de benen te grijpen en kon hem vervolgens met veel moeite in bedwang houden.
"Niet doen!", beet zij hem toe.
"Ik vermoord hem!"
"Nee! Als je hem ten overstaan van haar iets doet, weet zij meteen, dat er iets naars aan de hand is geweest. En dat wil ik haar besparen!"
"O, nee! Dat kan ik niet! Ik moet die hufter te grazen nemen. Ik moet! Ik kan niet anders!"
"Nee, dat doe je niet! Ik wil het niet! Hoor je? Kijk naar haar! Zie je dan niet, hoe rustig zij is blijven doorlezen? Zij heeft nergens iets van gemerkt. Niet van die man en niet van die schreeuw. Als jij nu stampij gaat maken, dan zal ik haar toch echt moeten gaan uitleggen, waarom je dat doet. En dat wil ik niet! Zij heeft al die door ons veroorzaakte toestanden van de afgelopen weken heel goed doorstaan, maar als ik haar straks moet zeggen, dat zij daarnet bijna is aangerand, dan zal dat zeker net iets teveel van het goede voor haar zijn. Dan zullen we een lief, evenwichtig meisje veranderen in een zenuwpeesje, dat elke nacht de ergste nachtmerries heeft!"
Hij liet zich vermurwen en ging, met de handen voor het gelaat geslagen, op een boomstronk zitten.
"O, god!", kreunde hij, "Nou was het dan toch bijna gebeurd. Voor dit soort situaties ben ik altijd zo verschrikkelijk bang geweest."
Conny wist, waar hij op doelde en moest nu zelf ook een paar keer slikken. Zij had zichzelf weer redelijk onder controle, maar hield bij elk woord, dat zij uitsprak, haar ogen angstvallig op haar dochter gericht.
"Maar het is niet gebeurd", zei zij, "Een reden temeer voor jou om je weer aan het leven te gaan hechten. Je zult toch echt moeten blijven leven om haar tegen dit soort ervaringen te kunnen behoeden."
Hij knikte, maar scheen zijn zenuwen met geen mogelijkheid onder controle te kunnen brengen.
"Wat moeten we nu doen?", mompelde hij uiteindelijk.
"Eerst even bijkomen van alle emoties. En daarna lopen we heel rustig naar haar terug. En dan doen we alsof er helemaal niets aan de hand is geweest."
"En wat doen we als die vent terugkomt als we straks gezellig aan het picknicken zijn?"
"Zo brutaal zal hij toch niet zijn?"
"Ik weet het nog zo net niet. Misschien moet hij wel terugkomen. Het is misschien wel iemand, die op de camping verblijft."
"Dat kan natuurlijk. Nou, goed... Als hij echt terugkomt, dan wacht je met afscheid nemen, tot hij is voorbijgelopen en dan mag je daarna achter hem aan gaan. En wat je dan doet, mag je zelf weten..."
"Ah, dank je! In dat geval zal ik ook precies weten, wat mij te doen staat."
"Ik geloof het graag!"
Ze schoten in de lach en liepen daarna hand in hand naar Trudy terug. Die had inderdaad niets van alle commotie gemerkt. Met het hoofd steunend op haar handen bleef zij stug doorlezen, ook toen haar ouders zich weer aan de andere kant van het laken hadden neergezet. Conny wisselde een blik van verstandhouding met Frans uit en reikte hem een fles champagne uit de picknickmand aan. Een paar seconden later ontdeed Frans de fles van de kurk. Hij schonk zichzelf en Conny twee glazen in en voorzag Trudy van een glas Cola.
Daarna begonnen ze zwijgend aan hun maaltijd. Trudy bleef al etend volledig in 'Schoolidyllen' opgaan, Conny kon haar ogen geen moment van haar afhouden en Frans keek met zekere tussenpozen in de richting van de duinen. Ze hadden de weide overigens niet meer voor zich alleen: ze hadden gezelschap gekregen van een oudere man, die samen met twee jongens aan het vliegeren was. Het was in zekere zin een aandoenlijk tafereeltje. De kleinste jongen, een mollig, roodharig ventje, bleek duidelijk de favoriet van de man te zijn. De man bleef de jongen met engelengeduld de fijne kneepjes van het vliegeren bijbrengen, maar naar de grotere jongen, een tenger ventje met blond haar, keek hij vrijwel niet om.
Het blonde jongetje, een leeftijdsgenootje van Trudy, leek echter niet onder die onverschillige houding gebukt te gaan. Hij lag op de grond en keek, net als Frans, voortdurend in de richting van de duinen. Die oplettende houding viel alleen Conny op. Zij vermoedde, dat hij het was geweest, die Trudy's belager op de vlucht had gejaagd en wilde daar dolgraag zekerheid over hebben. Even overwoog zij om hem te roepen en om hem aan hun picknick te laten deelnemen, maar zover zou het niet meer komen: haar ex-echtgenoot had ineens alle schroom van zich afgeworpen en had haar in een veelbelovende houdgreep genomen. Tijdens de daaropvolgende worsteling moest zij alle zeilen bijzetten om hem in toom te houden, zodat het blonde jongetje, dat was voorbestemd om negen jaar later haar schoonzoon te worden, snel uit haar gedachten verdween.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 20 augustus 1994. © Bert Harberts