AFTER THE DELUGE

Het tafereel in de eerste-klassecoupé had bijzonder veel van een picknick weg. De vrouw en het meisje zaten aan weerskanten van het geheel gedekte tafeltje en deden zich te goed aan een lunch, bestaande uit boterhammen met kaas, gevulde koeken en Coca Cola. De twee vormden een aangenaam ogend contrast. De vrouw, de vierendertigjarige Conny, was nogal mollig en had lange, bruine haren; haar dochter, de negenjarige Trudy, kon niet anders dan tenger worden genoemd en had blonde haren. Hun kleren leken echter wel op elkaar. Beiden droegen een zwart jurkje, met een wit, wollen truitje eroverheen, bruine nylonkousen en lage, zwarte schoenen.
Ze waren op weg naar Zwolle om zich bij Conny's echtgenoot Frans te voegen. Hij logeerde in hotel 'De Harmonie' aan de Grote Markt en hij scheen het daar niet zo naar zijn zin te hebben. Tijdens een telefoongesprek met Conny eerder deze dag had hij haar dringend verzocht om ook naar Zwolle af te reizen. Na enige aarzeling had Conny dat verzoek ingewilligd. Omstreeks het middaguur was zij samen met Trudy uit hun woonplaats Heemskerk vertrokken en daarna waren ze via Beverwijk en Amsterdam naar Zwolle afgereisd. Tot aan Amersfoort hadden ze de coupe met andere passagiers moeten delen, maar na Amersfoort hadden ze het rijk alleen gehad. Die privacy, in combinatie met de smakelijke boterhammen en de schoonheid van het bij vlagen ongerepte landschap van de noordelijke Veluwezoom, had hen een kostelijk half uurtje opgeleverd.
Moeder en dochter waren zeer verknocht aan elkaar. De twee waren door de drukke werkzaamheden van Frans al sinds Trudy's geboorte volledig op elkaar aangewezen. Noch de moeder, noch de dochter ervoer die nauwe band als een belasting. Conny was uitermate trots op haar dochtertje, dat op een half dromerige, half doelbewuste manier door het leven ging en Trudy genoot op haar beurt van de vrijheid, die haar moeder haar in ruime mate toestond.
Het ontbrak hen ook aan niets. Frans boerde goed met zijn aannemersbedrijf en liet zijn gezin overvloedig in zijn welvaart meedelen. De leukste boeken, de mooiste kleren en het beste voedsel, alles konden de twee liefste vrouwen in zijn leven van hem krijgen. En daar bleef het niet bij. Tijdens elke schoolvakantie van Trudy werd Conny's huishoudgeld verdubbeld en kon Conny elke dag met haar dochtertje op stap gaan. In de afgelopen week, het was vandaag de vrijdag van Trudy's paasvakantie, hadden ze alle uithoeken van het land opgezocht. Ze waren in De Koog op Texel geweest, in het Belgische Knokke, in Groningen en Roodeschool en tenslotte in Maastricht en Vaals. Maastricht was hen het best bevallen, om het stedenschoon en het tamelijk omvangrijke winkelaanbod. Conny was een winkelfanate en die winkelmanie was op Trudy overgegaan. Ze konden uren zoekbrengen met het bezoeken van kledingwinkels, met het passen van nieuwe kleren en met het beoordelen van elkaars voorkeuren.
De trein was inmiddels de IJsselbrug gepasseerd en reed nu stapvoets in de richting van het station. Trudy, die haar manteltje al had aangetrokken, keek belangstellend uit het raam.
"Herken je het?", vroeg Conny.
"Nee, niet echt. Maar dat komt natuurlijk ook, omdat we toen met de auto waren."
"Denk je, dat je straks nog een beetje de weg kent?"
"Misschien wel."
"Nou, we zullen wel zien. Ik neem aan, dat Zwolle te klein is om in te verdwalen."
Bij het uitstappen bleek het voor een aprilmiddag nog veel te koud te zijn. Trudy leek er geen last van te hebben, want toen ze het station hadden verlaten en via de Stationsweg en het Burgemeester van Roijensingel naar het centrum liepen, floot zij lustig voor zich heen. Conny leek zich niet aan die vrolijke bui van haar dochter op te kunnen trekken. Haar tred was namelijk niet al te zeker. Het was net, alsof elke stap haar teveel was.
"Gaan we meteen naar het hotel?", vroeg Trudy.
"Ik weet niet, of dat wel zin heeft, kindje. Pappie zal pas omstreeks half zeven in het hotel zijn."
"Wat gaan we dan tot die tijd doen?"
"Wat we altijd doen. We gaan eerst alle leuke kledingwinkels afstruinen. Misschien kan ik nog iets leuks kopen, waarmee ik pappie vanavond kan verrassen."
"O, leuk!"
"Wil jij misschien ook nog wat hebben?"
"Nee, niet echt. Wat ik nu aan heb, is toch ook leuk?"
"Ja, hoor, lieverd! Je ziet er echt snoezig uit, zo."
"Dank u!"
"Je hebt geen koude benen?"
"Nee, hoor!"
"Je had dus niet liever een wollen maillot aangehad?"
"Nee, hoor! Deze kousen zijn veel leuker."
"En je vindt het niet vervelend, dat je kousen door die jarretelles worden opgehouden."
"Nee, dat vind ik juist zo leuk."
"Ach, jee!", riep Conny lachend, "Je begint al een echt dametje te worden."
"Dat moet toch ook?"
"Tja, wat moet ik daar nou op zeggen? Ik vind het in ieder geval heel erg leuk."
Trudy leidde haar moeder onderwijl langs de pompeuze, met pilaren ondersteunde achtergevel van het gerechtshof en troonde haar vervolgens mee over de Potgietersingel, een laan in het parkje op de restanten van de zuidelijke stadswal.
"Heb je hier ook met Kitty gelopen?", vroeg zij, doelend op hun Heemskerkse buurmeisje, waarmee Trudy een paar jaar eerder in Zwolle had gelogeerd.
"Ja, elke morgen! We maakten dit wandelingetje altijd als we hadden ontbeten en pappie naar de bouwplaats was gegaan."
"Het was toen best wel een leuk weekje, hè?"
"Ja, en we hebben het toen heel erg gezellig gehad."
"Echt waar?"
"Ja, zij was echt heel erg lief."
"Heeft zij je echt geen enkele keer gepest?", vroeg Conny lachend.
"Nee, geen enkele keer. En zij was ook heel erg aardig tegen pappie."
"Zo mag ik het horen."
Ze liepen via de Sassenpoort en de Sassenstraat naar de Grote Markt en konden daar voor het eerst hun hotel, een zalmkleurig gebouw met een classicistische voorgevel, in ogenschouw nemen. Conny stond daarna even in dubio. Het meest verstandige zou zijn om hun bagage in het hotel achter te laten en om daarna pas te gaan winkelen. Toch kon zij dat vreemd genoeg niet opbrengen, want toen Trudy haar aan de mouw trok, liet zij zich rustig naar de Diezestraat, de belangrijkste winkelstraat van Zwolle, meetronen. Die Diezestraat was een straatje met een smalle rijweg, waar op deze marktdag meer voetgangers dan auto's waren te vinden. Het was er dus bijzonder gezellig. Moeder en dochter gingen dan ook volledig in het drukke gewoel op.
Ze vertoefden een poosje in Gerzon en Maison de Bonneterie, maar bleven uiteindelijk wat langer in Peek & Cloppenburg hangen. Daar slenterden ze langs de voor hen bestemde rekken en keken ze met belangstelling, of er iets van hun gading tussen hing. Het duurde niet lang, voordat ze, allebei met een mogelijke aanwinst in de armen, naar de paskamers liepen. Trudy met een vuurrood nachthemd, dat zij met een opgewekte glimlach voor zich uit hield en Conny met een zwarte, geplisseerde rok. De paskamers waren op één na bezet en Conny liet haar dochtertje dus maar even voorgaan.
Glurend door de kier van het gordijn, zag Conny toe, hoe Trudy zich rustig uitkleedde. Voor haar gevoel leken de vormen van het meisjeslichaam nu al naar volwassenheid te neigen. Terwijl zij vertederd naar dat ranke figuurtje, die lange benen, die mooie kousen en die smalle, kwetsbaar ogende voetjes keek, besefte zij maar al te goed, dat haar dochtertje binnen niet al te lange tijd het subject van begeerte zou gaan worden. Zij ervoer die gedachte, zoals iedere goede moeder dat zou doen: als iets, waaraan niet te ontkomen zou zijn.
Trudy trok het nachthemd aan en bewonderde zichzelf daarna op een voor Conny altijd weer hartveroverende manier. Met de handen op de rug bekeek zij zichzelf in alle standen. Van voren, en profile, en van achteren. Zij gedroeg zich in alle opzichten als een veelbelovend mannequin en leefde zich ook helemaal in die rol in.
"Bevalt het je?", vroeg Conny, op een zoetsappig toontje.
"Ja, heel erg!"
"Wil je het hebben?"
"Ja, als het niet te duur voor u is."
"Nee hoor, schatje! Het is zeker niet te duur en het staat je ook snoezig. Je mag het hebben, maar dan wel onder één voorwaarde."
"Welke dan?"
"Dat je na het eten meteen naar bed gaat. Ik wil vanavond gezellig met pappie op stap gaan. Ik heb het idee, dat hij daar heel veel behoefte aan heeft."
"O, dat is goed. Dan ga ik straks lekker op mijn kamer liggen lezen."
"In je nieuwe nachthemd?"
"Ja, natuurlijk!"
"Goed, schatje, kleed je dan maar weer gauw om. Dan kan ik nog even kijken of deze rok mij ook zo goed zal passen."
Na enige minuten waren de rollen omgedraaid en stond Conny in haar onderjurk, met Trudy als aandachtig toeschouwster. Het aantrekken van de rok ging met een zekere moeite gepaard, hetgeen ook Trudy niet ontging.
"Is die rok niet een beetje te nauw?", vroeg zij argeloos.
"Nee, liefje!", antwoordde Conny lachend, "Die rok is niet te nauw. Ik ben er gewoon te dik voor geworden. Maatje 39 is voor mij voorgoed verleden tijd. Daar kan ik mij nu wel definitief bij neerleggen."
"Is dat erg?"
"Nee, hoor! Pappie blijkt het gelukkig wel fijn te vinden en zijn mening is natuurlijk het belangrijkst."
"Dat is waar!"
"En gelukkig vind ik deze rok ook niet zo mooi, dus ik mis er niks aan."
Conny trok de rok weer uit en zag, dat er een ladder in haar linkerkous zat. Zij liet het maar even zo. Als ze in het hotel zouden zijn aangekomen, had zij nog alle tijd om de kous door een nieuw exemplaar te vervangen. Zij betaalde Trudy's aanwinst en daarna verlieten ze de winkel en slenterden ze naar het einde van de Diezestraat.
Eenmaal daar aangekomen keerden ze op hun schreden terug. Ze hadden met de wandeling en het winkelen een uurtje zoekgebracht, maar nu vond Conny het raadzaam om zo langzamerhand naar het hotel te gaan. Tijdens die tweede wandeling over de Diezestraat keek Conny met een wat spottende blik naar haar dochter. Trudy was de hele middag tamelijk levendig geweest; nu echter leek zij weer in een dromerige bui te verkeren. Conny kon er nooit hoogte van krijgen, waar Trudy op die momenten aan dacht. Op vragen in die richting had zij altijd een nietszeggend antwoord gekregen. Ook nu stelde zij voor de hand liggende vraag zonder al te veel illusies over het antwoord te koesteren. Maar ditmaal kreeg zij op haar "Waar denk je nou weer aan?" dus wel een veelbetekenend antwoord.
"Aan later! Aan hoe het zal zijn als ik eenmaal getrouwd ben."
"O, ja?", vroeg Conny verbaasd, "Lijkt je dat dan leuk?"
"Ja, natuurlijk!"
"Hoe denk je, dat het zal zijn als je eenmaal getrouwd bent?"
"O, gewoon! Ik zal natuurlijk heel veel van mijn man houden en hij zal natuurlijk heel veel van mij houden. Ik zal natuurlijk ook heel gelukkig met hem zijn en heel veel mooie reizen met hem gaan maken."
"Waarnaartoe?"
"O, naar Rusland. En Italië. En Zwitserland. Maar ook naar Maastricht en Zwolle, natuurlijk. Naar alle plekken, waar het mooi en gezellig is."
"En je kinderen zul je dan zeker telkens bij mij achterlaten?"
"Nee, die wil ik helemaal niet!"
"O, nee? Wil je geen kinderen?"
"Nee, die vind ik veel te lastig."
Conny schoot in de lach en liet dat schokkende nieuwtje even op zich inwerken, voordat zij met een zekere aarzeling haar volgende vraag stelde:
"Maar wat moet er nou gebeuren als je later met een man zult trouwen, die wel graag kinderen wil hebben?"
"Dat zal niet gebeuren."
"Echt niet?"
"Nee, daar zal ik heus wel voor zorgen."
"Hoe dan?"
"De man met wie ik later zal trouwen, zal helemaal geen kinderen willen!", klonk het beslist.
"O, dat geloof ik graag", zei Conny lachend, "Hij zal aan jou zijn handen meer dan vol hebben."
"Dat denk ik ook wel, ja!"
De Grote Markt doemde alweer voor hen op en Conny vertraagde meteen haar pas. Er was iets in de aanblik van hotel 'De Harmonie', wat haar ronduit beangstigde, maar ditmaal zette zij door. Zij liepen de stoep op, die naar de ingang leidde en gingen het hotel binnen. Het interieur van het gebouw was oud en eerbiedwaardig. De receptie was klein en onder de trap naar de eerste verdieping gevestigd. Daar meldde Conny zich bij de receptioniste, een lange, slanke brunette van Conny's leeftijd, met kort, krullend haar en grote, zwarte wenkbrauwen.
"Goedemiddag", begon Conny aarzelend.
"Dag, mevrouw", zei de receptioniste vriendelijk, "Wat kan ik voor u doen?"
"Ik eh... Ik ben Conny Schouws uit Heemskerk. Ik kom mij bij mijn man voegen. Hij logeert hier al een week en als het goed is, moet hij met ingang van vandaag een extra kamer hebben gereserveerd. Weet u daar iets van?"
"Ja, daar weet ik alles van", antwoordde de receptioniste, ineens wat afgemeten, "Frans, eh... Uw man heeft ons daarover ingelicht. Hij logeert in kamer zeven op de eerste verdieping en uw dochtertje heeft op zijn aandringen kamer negentien gekregen."
"Kamer zeven is een tweepersoonskamer?", vroeg Conny, met een spottend glimlachje.
"Ja, daar heeft uw man de voorkeur aan gegeven", antwoordde de receptioniste, nu hevig blozend.
"Ach, dat is wel zo handig, hè?"
"Ja, ja, dat is bijzonder handig."
"Heeft hij het hier een beetje naar zijn zin gehad?"
"Ik eh... We hebben tot nu toe geen klachten van hem vernomen."
"Prima! Dan zal het ons hier ook wel bevallen."
"Het zal u in de komende dagen werkelijk aan niets ontbreken!", zei de receptioniste, met een aandoenlijk aandoend enthousiasme.
"Kunnen we zometeen ook wat eten?"
"Ja, hoor! Het restaurant is al geopend. U bent daar zometeen van harte welkom."
"Prima!"
Na de ontvangst van de sleutels namen moeder en dochter hun kamers in bezit. Die van Frans en Conny lag aan de voorzijde en bood een fraai uitzicht op de Grote Markt en die van Trudy was een lief, smal zolderkamertje aan de achterkant van het hotel, dat op de omringende huizen en de Onze Lieve Vrouwekerk uitkeek.
Conny was met een vrolijk gezicht op het bed gaan zitten en begon zich met het uitpakken van haar koffertje bezig te houden. Veel had ze niet bij zich: een nachtjapon, schoon ondergoed, twee paar reservenylons en wat toiletartikelen. Meer was ook niet nodig; ze zouden hier maar tot zondagochtend blijven. Morgen zou Frans nog een halve dag op de bouwplaats in het noorden van Zwolle moeten verblijven, maar daarna zou de rest van de zaterdag aan uitstapjes in de omgeving kunnen worden besteed.
Nu zij eenmaal op haar kamer was, was er van een angst voor dit hotel geen sprake meer. Er was overigens wel een goede reden voor die angst te bedenken: in dit hotel was Frans voor het eerst vreemd gegaan. In dat ene weekje in Zwolle, in december 1961, had hij vijf maal met de aanbiddelijke Kitty het bed gedeeld. Dat overspelweekje was in een affaire overgegaan, die tot op de dag van vandaag voortduurde. Het meest opmerkelijke aan die affaire was het volslagen ontbreken van jaloezie bij Conny. Het enige, wat haar verdriet deed, was het feit, dat Frans er, ondanks de aanwezigheid van die jeugdige maîtresse in zijn leven, bepaald niet gelukkiger op was geworden. Hij leed al een poosje aan depressies en hij had in de laatste drie jaar zo mogelijk nog meer op Conny gesteund dan in de periode daarvoor.
Tijdens het uitpakken van haar koffertje probeerde zij voor zichzelf uit te vinden, wat er deze week in deze kamer was gebeurd. Zij wist, dat Kitty in de nacht van maandag op dinsdag bij Frans op bezoek was geweest en in een van de nachten daarna had de receptioniste waarschijnlijk haar voorbeeld gevolgd. Maar was het bij die twee bezoekjes gebleven? En was er in een van die nachten misschien iets vervelends gebeurd? Frans had vanochtend een bijzonder gedeprimeerde indruk gemaakt. Zij had zich al de hele dag ongerust lopen maken. Eigenlijk voelde zij zich nogal verongelijkt daarover. In haar ogen had zij het Frans in de laatste jaren zo makkelijk mogelijk gemaakt. Zij had van zijn huwelijkstrouw afgezien om hem van een last te verlossen, maar uit niets bleek, dat hij haar daarvoor dankbaar was.
Het inperken van die seksuele vrijheid was voor haar echter geen optie meer. En wel om een nogal egoïstische reden: zij vond de huidige status quo bijzonder plezierig. Sinds hij met een zekere regelmaat vreemd ging, leidde zij een volstrekt zorgeloos leventje. In wezen ontbrak het haar ook in immateriële zin aan niets. Zij had Trudy natuurlijk, zij had na de dood van haar ouders een uitgebreide vriendinnenkring opgebouwd en zij genoot zeer van de zaterdagavonden en zondagen als Frans na een week van hard werken weer naar huis was teruggekeerd. Die zaterdagavond met Frans was elke week weer een uitbundig festijn met een uiterst plezierig vervolg; de zondag was elke week weer een feestdag. Zowel voor haar als voor Trudy.
Dit weekend werd er nog een avond en een nacht aan dat weekend vastgeplakt, maar de vreugde daarover werd door haar bezorgdheid over de geestestoestand van Frans nogal getemperd.
Het leven zou werkelijk volmaakt voor haar zijn als Frans niet als zo'n breekbaar poppetje door het leven ging. Om de een of andere reden was hij niet in staat om ten volle van het leven te kunnen genieten. Het bevreemdde haar in hoge mate. Hij had alles in zijn leven mee gehad, hij had nooit gebrek geleden en hoefde zich geen enkele zorgen over de toekomst te maken. Toch leek het voortdurend, alsof hij over de eerste de beste, door het leven opgeworpen barrière zou gaan struikelen. Een grote tegenslag in de nabije of verre toekomst zou hem misschien wel definitief kunnen knakken.
Haar enige zorg was nu juist om dat te voorkomen en om die reden keek zij nu met nauw verholen ongeduld op haar horloge. Het was half zes. Het zou vermoedelijk nog wel een uurtje duren, voordat Frans zou komen opdagen. Tot dat tijdstip zou zij dus nog in spanning blijven zitten. Om de tijd te doden besloot zij om haar kapotte kous te vervangen. Zij maakte de kous los, trok hem uit, peuterde een nieuwe kous uit de verpakking, trok hem met enige moeite aan en slaagde er ook in om de kous aan de twee jarretelles vast te maken.
Op dat moment hoorde zij de deur opengaan. Zij had gehoopt, dat het Frans was, maar het bleek Trudy te zijn. Van teleurstelling daarover was echter geen sprake. Zij trok haar mooie dochtertje op schoot en sloeg zuchtend haar armen om haar heen.
"Vind je het leuk, dat je weer in Zwolle terug bent?", vroeg Conny.
"Ja, heel erg!", antwoordde Trudy glunderend, "Ik heb ook weer hetzelfde kamertje"
"Echt waar? En is deze kamer ook dezelfde als toen?"
"Ja, hier heeft Pappie toen met Kitty geslapen."
"Oh, wat leuk!", riep Conny lachend.
"Ja, hè? Maar ik vind het wel fijner, dat u hier nou slaapt en niet die malle Kitty."
"Wat hoor ik nou? Malle Kitty? Ik dacht altijd, dat zij je grote heldin was."
"Dat is zij nog! Maar u bent een nog veel grotere heldin."
"Waarom dan?"
"Omdat u altijd vrolijk en opgewekt bent en Kitty niet. Die is soms wel eens een beetje..."
"Somber?"
"Ja, precies."
"Was zij toen ook..."
"Eén keertje maar."
"Wanneer dan?"
"Toen ik 's nachts een keertje een nachtmerrie had gehad en hier naar binnen was gelopen om mij door pappie te laten troosten."
"Was zij toen een beetje somber?"
"Ja, maar zij was ook wel lief, hoor! Zij heeft mij naar mijn bed teruggedragen en zij is bij mij gebleven, tot ik weer sliep."
"Ja, dat was toch wel lief van haar, hè?"
"Ja, hè?"
Conny trok Trudy nog wat dichter tegen zich aan en slaakte opnieuw een diepe zucht.
"Bent u moe?", vroeg Trudy lachend.
"Nee, lieverd. Ik verlang alleen maar heel erg naar pappie."
"Die komt toch zo?"
"Da's waar, lieverd. Ik wou alleen maar, dat hij er nu al was."
"Ik snap het."
"Afijn, het heeft nog niet zo mogen wezen. Misschien kunnen we beter nog maar wat gaan eten. Als jij tenminste honger hebt."
"Ik lust nog wel wat."
"Hm, ik eigenlijk niet. Ik heb vanmiddag een beetje te veel gesnoept. Maar dat is natuurlijk geen reden om jou honger te laten lijden."
"Nee, hè?"
"Nee, precies. Laten we dan maar gauw naar beneden gaan."
Ze gingen naar beneden, betraden het restaurant en wisten een plaatsje bij het raam te bemachtigen. Buiten begonnen de marktkooplieden hun kraampjes af te breken; beetje bij beetje begon het op straat wat rustiger te worden. Binnen echter laaiden de emoties ineens hoog op. Uit de nurkse manier, waarop de blonde en bijzonder voluptueuze serveerster hun bestelling opnam, kon Conny opmaken, dat Frans wel een bijzonder vermoeiende week achter de rug had gehad. Zij was er verre van kwaad om. Zij bestelde slechts uit balorigheid twee kindermenu's en liet zich de in een ijltempo aangevoerde patates frites en kroketten toch wel goed smaken.
Tijdens de koffie kwam zij door de nabije aanwezigheid van haar dochtertje langzaam tot rust. Ze waren weliswaar de hele dag al samen geweest, maar nu ze samen in het hotel vertoefden, besefte zij pas goed, hoe afhankelijk zij van Trudy was. Zonder haar had zij nooit op zo'n nuchtere manier met Frans' ontrouw hebben kunnen omgaan. Alles wat hier in dit hotel rondom hem was gebeurd, werd ook door Trudy's aanwezigheid teniet gedaan. Het was de aanblik van haar onschuld, die het beeld van die ontuchtige taferelen neutraliseerde tot iets banaals, waarover hartelijk kon worden gelachen. De aanblik van Trudy leek zelfs de serveerster tot bedaren te brengen. Na elke blik in de richting van het zoetjes voor zich uit starende meisje verloor haar tred iets van het jachtige van een poosje daarvoor.
Tussen Conny en Trudy werd verder niets meer gezegd. Ze waren moe van de treinreis, de wandeling en het winkelen en geheel verzadigd van de snel opeenvolgende maaltijden van deze middag. Ze hadden hun schoenen uitgetrokken en Trudy liet haar voetjes op die van Conny rusten. Het gaf Conny een behaaglijk gevoel. Het leek net alsof haar dochtertje haar daarmee verder tot kalmte probeerde te manen.
Beiden waren zozeer in hun gedachten verdiept, dat ze de komst van Frans niet eens opmerkten. Ze zagen hem pas, toen hij met een strak gezicht naast Conny ging zitten.
"Pappie!", riep Trudy vrolijk.
Zij stond op en vloog hem giechelend in de armen. Conny's reactie was van dezelfde, naar extase neigende aard, maar het scheen hem allemaal niet veel goed te doen. Zijn gezicht was lijkbleek en zijn handen trilden in hevige mate. Het ontging Conny niet.
"Trudy?", vroeg zij, met een betekenisvolle blik.
Het meisje begreep de hint, gaf haar vader een laatste kus op de wang en liep daarna, zonder een spoor van irritatie te tonen, naar haar kamer. Van de achterblijvers leek geen van beiden in staat om de conversatie te hervatten. Conny had Frans' handen in de hare genomen en Frans zelf keek onderwijl met een onzekere blik naar de serveerster, hetgeen Conny op de een of andere manier toch wel deugd deed.
"Wil je hier weg?", vroeg zij.
"Ja, dat is goed", antwoordde hij dankbaar, "We kunnen wel even op het terrasje naast de ingang gaan zitten."
"Komt zij daar dan niet?"
"Nee, dat is niet haar wijk."
Eenmaal buiten op het terras was het leed voor Frans snel geleden. Met een pilsje in de ene hand en met Conny's handje in de andere begon hij zich zichtbaar te ontspannen.
"Zou je willen vertellen, wat er deze week allemaal met je is gebeurd?", vroeg Conny voorzichtig.
"Heb je het eerste gedeelte nog niet van Kitty gehoord?"
"Nee, eh... Ik heb haar deze week nog niet gesproken. Zij heeft het op dit ogenblik te druk met de voorbereidingen voor dat verlovingsfeestje van haar."
"Ah, nou om te beginnen heeft zij het dus uitgemaakt!"
"Met Ronny?", riep Conny, doelend op Kitty's verloofde.
"Nee!", antwoordde Frans, met een bevrijdende lach, "Met mij!"
"Nee, dat meen je niet?"
"Ik meen het wel! Zij heeft mij, zoals zij het zelf uitdrukte, 'mijn vrijheid weer teruggegeven.'"
"Maar... maar... Waarom dan?"
"Tja, dat is nogal wiedes, hè?"
"Ik begrijp je niet."
"Nou, het is voor mij anders duidelijk genoeg: ik denk, dat Ronny met het huwelijk in zicht eindelijk op zijn strepen is gaan staan. En dat werd natuurlijk ook wel tijd. Die druiloor heeft wel heel lang de andere kant op staan kijken."
"Maar wanneer heeft zij het dan uitgemaakt?"
"Dinsdagochtend. Tijdens het ontbijt. Het is ook bijna mijn dood geworden, want ik was er zo door verrast, dat ik mij pardoes in mijn brood verslikte."
"Maar zij heeft in de nacht daarvoor dus nog wel bij je geslapen?"
"Eh, ja... Dat wel! Dat loeder was wel zo slim om met haar nieuwtje tot de ochtend te wachten. Als zij het de avond daarvoor had gezegd, had het mij een vermoeiend nachtje kunnen besparen."
Conny keek hem met open mond aan. Er was iets aan het gezicht van haar man, wat haar mateloos intrigeerde. Het kwam haar voor, alsof er een grote last van zijn schouders was gevallen.
"Weet je, wat het enige vervelende aan haar mededeling was?", vervolgde hij, op montere toon.
"Nou?"
"Dat was het feit, dat zij het allemaal hardop zei. Of althans hard genoeg om het die mollige serveerster te laten horen."
"Oh, zieltje!", zei Conny, met milde ironie.
"Ja, zeg dat wel! Die trut stond dus nog dezelfde avond voor mijn deur."
"En je hebt haar dus wel binnengelaten, neem ik aan."
"Binnengelaten is niet het goede woord."
"O, nee?"
"Nee."
"Wat is er dan wel het goede woord voor?"
"Daar kan ik even niet opkomen. Binnengelaten is in ieder geval dus niet het goede woord. Zij kwam die nacht op een dusdanige manier mijn kamer binnen, dat er van een ontsnapping mijnerzijds in het geheel geen sprake meer kon zijn."
"Was het wat?", vroeg Conny lachend.
"Ach, wat zal ik ervan zeggen. Zij was beter dan Kitty, dat kan ik je er wel van vertellen."
"Zij is ook wel een beetje dikker."
"Ja, maar zij was in ieder geval wel een stuk liever voor mij. Toen het karwei was geklaard, heeft zij mij zoetjes in slaap geknuffeld."
"En daar had je behoefte aan?"
"Ja, in haar armen voelde ik tenminste een beetje veilig en geborgen. En dat was er bij Kitty nooit bij."
Conny keek hem wat onzeker aan. Hij merkte het niet. Het vervolg van zijn biecht veranderde noch van toon, noch van inhoud:
"En de avond daarna stond ineens de receptioniste voor mijn deur."
"Ah, dat vermoedde ik al."
"Die was trouwens ook wel lief voor mij."
"Je meent het?"
"Ja, met haar heb ik tot diep in de nacht over Trudy gepraat."
"Wat heb je over haar dan allemaal gezegd?", klonk het koel.
"Over hoeveel ik van haar hou, over de zorgen, die ik mij om haar maak, over het gevoel, dat ik mijzelf misschien wel van kant moet maken als zij volwassen begint te worden."
"Wat?"
"O, dat heb ik je nooit verteld, hè?", vroeg hij geschrokken.
"Nee, dat hoor ik voor het eerst!", antwoordde Conny verontwaardigd.
"Het is niet iets nieuws. Ik loop met dat idee al heel lang rond."
"Sinds wanneer?"
"Eigenlijk al sinds de avond, dat je moeder stierf. Toen Trudy bij de buurtjes sliep en ik bij haar bed waakte en Kitty mij vervolgens in haar netten wist te lokken."
"Maar... Maar waarom wil je dan dood? En waarom om Trudy?"
"Ach, ik weet het niet. Ik ben gewoon bang, dat ik als vader ernstig tekort ga schieten als zij eenmaal... als zij eenmaal geslachtsrijp is."
"Je zou het liefst willen, dat zij altijd klein blijft?"
"Ja, dat is het precies. Ik kan het idee, dat zij eens zal gaan trouwen maar heel moeilijk verdragen. En dat idee zal mij natuurlijk meer en meer gaan kwellen, naarmate zij ouder wordt."
"Je bent gewoon jaloers op haar latere man!", zei zij, met een wat benepen glimlachje.
"Ja, dat is zo! Maar op een andere manier dan je denkt. Ik wil echt niet, dat zij altijd bij ons blijft wonen en dat zij in een klooster gaat wonen als we eenmaal dood zijn. Zo ziekelijk zijn mijn vadergevoelens nu ook weer niet. Ik wil echt, dat zij later een schat van een man treft. Iemand, die haar verafgoodt, iemand, die haar alles geeft, waar zij recht op heeft. Iemand, die haar totaal en onvoorwaardelijk is toegewijd en die haar ziels- en zielsgelukkig zal gaan maken. Ik ben er alleen niet helemaal zeker van, of ik dat allemaal nog wel wil meemaken."
"Je bent gek!"
"Misschien! Maar ik voel het nu eenmaal zo. Het draait natuurlijk allemaal om het feit, dat ik haar door het werk veel te weinig zie. Ik mis gewoon te veel van haar. Haar jeugdjaren zullen voorbij zijn, voordat ik het goed en wel zal beseffen."
"Daar zit misschien best wel iets in."
"Ja, hè? Ik ben echt heel bang, dat ik later daardoor helemaal zal doordraaien en haar het leven tot een hel zal gaan maken. En dat wil ik niet, daarvoor hou ik teveel van haar."
"Vandaar dus die zelfmoordgedachte?"
"Ja, al heeft die zelfmoordgedachte overigens ook wel met het leven zelf te maken. Het leven, zoals ik dat nu leid, is op zichzelf natuurlijk al slopend genoeg. Er zijn van die momenten, dat ik mij zo moe en mij zo gedeprimeerd voel, dat ik het eigenlijk wel genoeg vind, dat ik de dood als een verlossing beschouw in plaats van iets, waarvoor je bang behoort te zijn."
De verborgen boodschap in die laatste mededeling zou pas later tot Conny doordringen. Nu vond zij het echter raadzaam om van gespreksonderwerp te veranderen.
"Wie is er vannacht eigenlijk bij je blijven slapen?", vroeg zij lachend, "De serveerster of de receptioniste?"
Frans trok een vies gezicht, maar hield de waarheid niet voor haar verborgen:
"Allebei."
"Hè?"
"Allebei", herhaalde hij loom.
"Eerst de een en dan de ander?"
"Nee, tegelijkertijd."
"O, ja?", vroeg Conny, met een parelend lachje.
"Ja."
"Hoe was dat?"
"Vermoeiend! Ik was gebroken, toen ik vanochtend opstond!"
"Maar het was wel lekker?"
"Nee, het was vermoeiend!", riep hij diep verontwaardigd, "Seksmachines waren het! Alle twee! Seksmachines, die met geen mogelijkheid tot stoppen waren te brengen. Ik was vanochtend ook echt de wanhoop nabij. Ik wist echt niet meer, waar ik het zoeken moest."
"Heb je mij daarom gebeld?"
"Ja, natuurlijk! Je denkt toch niet, dat ik nog zo'n nacht zou hebben overleefd? Als je niet was gekomen, was ik deze nacht waarschijnlijk dood gebleven."
"En nu ik wel ben gekomen..."
"Zal ik er alleen nog maar een poosje nachtmerries van hebben."
Conny kon haar gezicht met veel moeite in de plooi houden. Zij nam zijn verontwaardiging niet helemaal serieus, maar zij voelde zich toch wel gevleid.
"Wat kan ik eigenlijk vannacht van je verwachten?", vroeg zij, met een milde spot in haar stem, "Ben je uitgeput van je bedbelevenissen van deze week, of zit er ook nog iets voor mij in het vat?"
"O, wees daar niet bang voor!", sprak hij luchtig, "Toen je eenmaal had beloofd, dat jullie zouden komen, heb ik het er een beetje van genomen."
"Hoe bedoel je dat?"
"Ik heb vandaag een paar uurtjes in de bouwkeet liggen pitten. En dat tukje heeft mij erg veel goed gedaan."
"En het werk heeft daar niet onder geleden?"
"Nee, de jongens zijn aardig hun best blijven doen."
"Oh, wat lief!"
"Ja, hè? En ik zou het zeer op prijs stellen als je in hun geest wilt handelen door nu onmiddellijk met mij naar bed te gaan."
"Wil je dat echt?"
"Ja! Ik heb de hele dag de wildste dromen over je gehad en die wil ik allemaal laten uitkomen."
"Allemaal?"
"Ja! Alle zestien! Geen enkele uitgezonderd. Ik wil mij dusdanig voor je gaan uitsloven, dat, telkens als je klaarkomt, je geschreeuw door het hele hotel te horen is."
"Tot aan de receptie en het restaurant aan toe?"
"Minstens!"
Conny aarzelde nog even met haar antwoord, maar liet door de manier, waarop zij met haar vingers langs haar kuit streek, al wel het een en ander blijken.
"Hm", begon zij, "Ik had voor vanavond eigenlijk een rustavond voor je gepland, maar als je inderdaad niet zo moe bent als je lijkt..."
"Ik ben helemaal niet moe! Ik ben weer zo fris als een hoentje."
"Goed, schatje! Kom dan maar mee."
Ze keerden terug in het hotel, haalden bij de zichtbaar gedeprimeerde receptioniste hun sleutel op en bestegen de trap naar de eerste verdieping.
"Zullen we eerst nog even bij Trudy langsgaan?", opperde Conny, "Zij zal het misschien wel fijn vinden als zij weet, dat we vanavond in het hotel zullen blijven."
"Goed, kindje."
Ze stonden al heel snel voor de deur van kamer negentien, maar hun dochter bleek die deur al op slot te hebben gedaan. Het antwoord op die voor Trudy zo onverwacht bewegende deurkruk klonk vinnig en was geheel van angst gespeend:
"Wie is daar?"
"Wij zijn het, lieverd!", antwoordde Conny, een beetje beschaamd, "We komen je alleen maar even welterusten zeggen."
"O, dan is het goed!"
Er klonk enig gestommel, voordat de deur van het slot ging en met enig aplomb werd opengetrokken. Het meisje had zich al helemaal voor de nacht gereedgemaakt. Zij had haar haren in een kort paardenstaartje bijeengebonden, zij had haar nieuwe nachthemd aangetrokken en haar blote voetjes staken lieflijk onder de zoom van dat nachthemd vandaan.
"Dag!", riep zij vrolijk, "Komt u afscheid van mij nemen?"
"Nee, Snoepie", antwoordde Frans, met een niet al te vaste stem, "We komen je juist zeggen, dat we vanavond lekker in het hotel blijven en dat je dus echt nog niet naar bed hoeft te gaan."
"Ja, lieverd", vulde Conny aan, "Als je het leuk vindt, kunnen we wel met z'n drietjes in de lounge naar de televisie gaan kijken."
Trudy keek haar ouders enigszins spottend aan, maar toonde zich toch de wijste van het gezelschap:
"Nee, als u het niet erg vindt, blijf ik liever hier. Ik ben een beetje moe. Ik heb ook niet zo veel zin om mij weer aan te kleden en ik was net zo lekker aan het lezen."
"Weet je het zeker?", vroeg Frans.
"Heel zeker! Gaat u nou maar naar de lounge en denk maar niet aan mij. Ik zal het hier echt veel prettiger vinden."
Haar ouders gingen overstag, gaven hun dochtertje de laatste knuffel van die dag en liepen geheel in verwarring verkerend naar hun kamer.
"Het gaat echt snel, hè?", mompelde Frans.
"Ja, je hebt volkomen gelijk. We moeten in de komende jaren nog maar heel veel van haar genieten."
"Ja, dat moeten we zeker!"
Eenmaal op hun kamer aangekomen duurde het niet lang, voordat ze op hun bed lagen en op een haast schuchtere wijze tegen elkaar aan kropen.
"En hoe zit het nou met jou?", murmelde Frans, "Denk je, dat jouw verkering met Kitty wel stand zal houden?"
"Ik weet het niet, liefje! Ik denk, dat de tijd het wel zal leren. Zij heeft mij laatst gezegd, dat zij het nooit zal uitmaken met mij. Ook niet als zij eenmaal getrouwd zal zijn. Maar of zij haar woord zal houden? Ik weet het echt niet."
"Ik snap het."
"Je hebt er geen problemen mee als het tussen ons wel aan blijft?"
"Nee, natuurlijk niet! Zolang ik geen manier weet te vinden om al die stomme vrouwen van mij af te schudden, kan ik van jou niet verlangen, dat je mij wel trouw blijft. Ik ben er zelfs wel blij mee. Jouw relatie met Kitty verlost mij voor een groot deel van mijn schuldgevoelens over al die idiote escapades van mij."
"Ik snap het, schatje. Dat geeft mij ook wel een prettig gevoel. Telkens als ik met haar aan het vrijen ben, heb ik het gevoel, dat ik ons huwelijk aan het redden ben. En dat geeft aan het genot, dat we dan met elkaar hebben, toch wel een heel aparte dimensie."
"Maar ik ben toch wel je enige man, hè?", vroeg hij kleintjes.
"Ja, lieverd, dat ben je!"
"En dat zal ik altijd blijven, hè?"
* Zij knikte en trok hem met zachte hand over zich heen.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 28 maart 1996. © Bert Harberts