VOOROUDERS

Mijn vrouw en ik stapten zonder enige haast huiswaarts. Het had geregend tijdens de kerkdienst en ik geleidde haar zorgzaam over de gladde klinkers. Eigenlijk hoefden we helemaal niet te lopen. Ik bezat, behalve een grachtenhuis, ook een mooi kalesje, maar Cathy had erop gestaan om te voet naar de Amstelkerk te gaan en ik was, zoals in ons huwelijk gebruikelijk was, niet in staat geweest om haar wens te negeren.
We waren sinds twee jaar getrouwd en woonden in een huis op de hoek van de Prinsen- en de Spiegelgracht. Het leven in dat vrij nieuwe grachtenhuis verliep rustig en aangenaam. Ik had, dankzij de ruime toelage van mijn vader, een heel goed inkomen, maar wenste daar zeker niet naar te leven. Cathy hoefde dus geen huishouding te voeren en kon zich ongestoord in al haar hobby's uitleven.
We kwamen bij ons huis aan en werden door Jacob, onze sombere, maar hondstrouwe huisknecht, binnengelaten. Na onze hoeden en onze jassen aan hem te hebben afgegeven, bestegen we de trap naar de eerste verdieping, waar zich Cathy's rommelkamer bevond. Dat vertrek gaf Cathy's karakter tamelijk goed weer. Haar harp was achteloos in een hoek gezet, haar boeken in de boekenkast langs de linkermuur lagen schots en scheef door elkaar en op de sofa's langs de vensters lag een bonte verzameling van bloempotten, verftubetjes, jurken, kousen en schoentjes. De kamer werd elke avond door Jacob opgeruimd en schoongemaakt. Hij deed dat nauwgezet en gewetensvol, maar van het resultaat van die werkzaamheden mocht hij, iedere dag weer, slechts tot de volgende ochtend voldoening hebben: Cathy had 's morgens nooit meer dan vijf minuten nodig om de kamer opnieuw in een liederlijke puinhoop te veranderen. Ik zag die voortdurende transformatie van Cathy's heiligdom geamuseerd aan en vond het volstrekt niet nodig om haar tot een wat minder chaotische manier van leven aan te sporen. Voor mij was z ij volmaakt, zoals zij was. Zij was een lieve en snoezige echtgenote voor mij, een schattige en zeer attente schoondochter voor mijn ouders en een vrolijke en speelse tante voor de zeven kinderen van mijn broer Hendrik. Elke verandering in haar karakter en haar doen en laten zou dus zeker een verandering ten slechte zijn. We hadden de door het haardvuur verwarmde rommelkamer inmiddels betreden en Cathy keek opgetogen in het rond, alsof zij de kamer voor het eerst zag.
"Het licht is precies goed!", zei zij monter.
"Wil je er echt mee doorgaan?", vroeg ik aarzelend.
"Ja, Danny, dat wil ik echt!"
"Maar ik zie er zo tegenop!"
"Dat is toch helemaal nergens voor nodig, malle jongen. Ik ben de enige, die je kan zien. En voor mij hoef je toch niet bang te zijn?"
"En wat moeten we doen, als Jacob onverwacht binnenkomt?"
"Jacob komt voorlopig helemaal niet binnen. Die heeft het veel te druk met koken. Dat weet je best!"
"Ja, dat kan wel zo zijn, maar waarom wil je het met alle geweld vandaag doen?"
"Omdat ik het met de kerst aan je vader cadeau wil doen. En als ik er nu niet aan begin, is het nooit op tijd klaar."
Zij verzamelde al haar verfgerei, plaatste een nieuw linnen op haar schildersezel en begon zich daarna kalm uit te kleden. Hetgeen mijn agitatie nog beduidend deed toenemen. Vooral toen ik na enige minuten tot de ontdekking kwam, dat het hier geen gewone verkleedpartij betrof.
"Wat doe je nou?", vroeg ik.
"Dat zie je toch wel, malle jongen. Ik kleed mij uit."
"Waarom?"
"Te eerste omdat dit mijn zondagse kleren zijn en ten tweede om het je wat makkelijker te maken."
"Maar... Maar..."
"Ja, Danny?"
"Ja, Jezus, dat is toch wel het toppunt! Dat je met alle geweld een portret van mij wilt schilderen is nog tot daaraan toe, maar dat je daarbij verwacht, dat we ons allebei daarvoor uitkleden, is toch echt te zot voor woorden."
"Ach, dat is niet waar!"
"Niet waar? Niet waar? Dat is wel waar! Ik heb... Ik heb..."
De reden van mijn stokkende tirade lag voor de hand: Cathy's rokken waren één voor één op een stoel neergevallen en de portretschilderes-in-spé droeg niet veel meer dan een onderbroekje. De aanblik van haar welgevulde figuurtje bezorgde mij een reden temeer om in mijn verzet tegen de komende schilderssessie te volharden.
"Ik wil dit niet!", blaatte ik.
"En ik wil het wel!", riep zij stampvoetend.
Ik zuchtte diep en begon mijn das los te maken. Ik bleef het op voorhand een krankzinnige vertoning vinden, maar ik had niet de moed om de kamer uit te lopen. De aantrekkingskracht, die Cathy op mij uitoefende, was toch echt te sterk voor mij. Dus kleedde ik mij onder haar goedkeurende blikken eigenlijk wel heel snel uit.
"Je begint een beetje dik te worden!", zei zij pestend.
"Volgens mij vind je dat best wel lekker!"
"Ach, wat moet ik daar nou op zeggen?"
"Niets! Vertel mij maar liever tot hoever ik mij moet uitkleden!"
"Alles moet uit!"
"Ook mijn onderbroek?"
"Ja!"
"Waarom?"
"Omdat ik dat wil!"
"En wat gebeurt er als ik het niet doe?"
"Dan kleed ik mij meteen weer aan!"
"Ach, wat ben je toch weer wreed, vandaag!"
Ik trok uiteindelijk ook mijn onderbroek uit en Cathy bekeek mij daarna met een welgevallen, dat zelfs voor een ruimdenkend man zoals ik iets buitengemeen stuitends had.
"Is het zo naar je zin?", vroeg ik koeltjes.
"Ja, het overtreft mijn stoutste verwachtingen! Je bent nog poezeliger dan ik al dacht. Je doet mij toch wel heel erg aan een lief, snoezig biggetje denken."
"Dank je!"
Zij giechelde even, reikte mij een doek aan, waarmee ik mijn edele delen maar net kon bedekken en duwde mij zonder pardon op de sofa bij de haard neer. Ik had mij inmiddels geheel bij mijn dwaze lot neergelegd, maar toen zij, staande aan de andere kant van de haard, eenmaal aan de opzet van het schilderij was begonnen, kon ik het niet nalaten om een plaagstootje te uit te delen:
"Zou je mij overigens kunnen vertellen, waarom jij wel je onderbroekje hebt aangehouden?"
"Uit voorzorg, natuurlijk!"
"Waarom?"
"Om de verleiding niet al te sterk te laten worden."
"Hm, dus ik mag de kans, dat ik hiervoor op gepaste wijze zal worden beloond, als nihil beschouwen?"
Zij wist meteen, waar ik op doelde en reageerde, zoals ik al vreesde: met een verontwaardiging, die mij door de ziel sneed:
"Nee, Danny! Dat kan echt niet. Het is nog lang niet veilig. En dat weet je best."
"Je durft het niet nu al te wagen?"
"Je bedoelt..."
"Ja."
"Nee, dat durf ik niet! En je mag ook niet meer zo gemeen zijn om het voor te stellen! Je weet best, dat we hebben afgesproken om met kinderen te wachten, tot ik wat sterker ben geworden."
Ik wist, dat de ziekte, die mijn schoonzuster Agnes aan haar laatste kraambed had overgehouden, haar nog steeds heel erg bezighield en haalde onmiddellijk bakzeil.
"Goed, lieveling!", suste ik, "Je hebt gelijk! En ik zal het je ook niet meer vragen."
"Echt niet?", vroeg zij, met een teemstemmetje.
"Erewoord. Het is ook veel beter zo. Neurotische malloten zoals ik behoren zich helemaal niet voort te planten. Om van opvoeden nog maar te zwijgen."
"Ik ben blij dat te horen", zei zij voldaan, "Maar je hoeft niet meer zo heel lang te wachten, hoor. Op de dag voor kerstmis zal het dus wel veilig zijn."
"Ha!", sprak ik gretig, "En zul je je dan weer helemaal uitkleden?"
"Ja, natuurlijk!", antwoordde zij, met een wat venijnig glimlachje, "En dan zul je het dus echt niet bij gluren hoeven laten."
Ik schoot in de lach, verschikte iets aan de witte doek en besloot om verder maar te zwijgen.
Naarmate de minuten verstreken, begon ik mij steeds meer op mijn gemak te voelen. Cathy was een lust voor het oog en de haast kinderlijke toewijding, waarmee zij aan het schilderen was geslagen, ontroerde mij in hevige mate.
"Heb je het een beetje naar je zin?", vroeg zij.
"Ja, heel erg!", antwoordde ik, zonder een spoor van ironie.
"Echt waar?
"Ja, want ik besef nu pas, hoe mooi je bent."
"Wat vind je dan zo mooi aan mij?"
"Alles! Je mooie koppie, je ranke hals, je tengere schoudertjes, je volle borsten, je brede heupen, je stevige dijen en kuiten, je snoezige voetjes. Je... Je... Nou, ja! Alles dus!"
Die opsomming scheen haar enigszins uit haar evenwicht te brengen. Zij hield even op met schilderen en zij keek mij daarna heel onzeker aan.
"Wat is er?", vroeg ik lachend.
"Ik heb ineens heel veel zin om dit penseel erbij neer te gooien en bij je op schoot te kruipen."
"Dat eh... kun je beter niet doen!", zei ik eerlijkheidshalve.
"Waarom niet?"
"Omdat ik dan echt niet voor mijzelf kan instaan."
"Dat zal mij dan echt helemaal niets meer kunnen schelen."
"Ga nu eerst maar even verder met schilderen!", zei ik, met kalme, maar huichelachtig klinkende overreding.
"Wil je dat echt?"
"Nee, dat wil ik helemaal niet. Maar ik wil ook niet, dat we nu iets gaan doen, waarvan je over een uurtje misschien al heel veel spijt zult hebben. Dus eh... denk er eerst maar even goed over na."
Zij twijfelde gedurende een paar hele lange minuten, tot tweemaal toe legde zij het penseel neer en tot tweemaal toe nam zij dat verdomde ding ook weer ter hand. Uiteindelijk ging zij door met schilderen, al scheen het heilig vuur van daarnet geheel te zijn verdwenen.
"Gaat het nog een beetje?", vroeg ik, na een poosje.
"Nee, we moeten het toch maar gaan doen!"
"Meen je dat echt?"
"Ja, ik ben al te ver heen. Nog een paar penseelstreekjes en dan kom ik naar je toe."
"Goed, liefje."
Die laatste woorden vielen samen met een klop op de deur. Een kwartier daarvoor had die interruptie mij nog danig van streek kunnen maken, maar nu was mijn gevoel van welbehagen over de laatste ontwikkelingen zo sterk, dat ik die klop op de deur met een vrolijk "Binnen!" beantwoordde. Jacob trad onmiddellijk de kamer binnen, maakte een buiging naar Cathy en naar mij en liep vervolgens naar mij toe.
"Dag, meneer", zei hij, "Het spijt mij verschrikkelijk, dat ik u moet storen, maar er is daarnet een briefje voor u bezorgd."
"Van wie?"
"Van uw broer, meneer."
"Geef maar hier, Jacob!", zei ik, terwijl ik even naar de ineens wat bleek wordende Cathy keek.
Jacob overhandigde mij het briefje, maakte opnieuw zijn buigingen naar zowel mij als Cathy en verliet de kamer, zonder een spier in zijn gezicht te vertrekken.
Tijdens het openvouwen van het briefje wist ik eigenlijk al, wat de inhoud ervan was, maar het berichtje schokte mij toch: "Agnes daarnet overleden. Kom alsjeblieft naar mij toe."
Ik liet de boodschap langzaam op mij inwerken en zocht intussen naar de juiste manier, waarop ik deze boodschap aan Cathy zou kunnen overbrengen. Dat zou verre van gemakkelijk zijn. We waren allebei zeer op Agnes gesteld en hadden veel aan haar te danken gehad.
"Is er iets met Agnes?", vroeg Cathy, met verstikte stem.
"Ja."
"Is er iets ernstigs aan de hand?"
"Ja, ik ben bang van wel."
"Is zij dood?"
"Ja, Hendrik vraagt of ik naar hem toe wil komen", antwoordde ik, terwijl ik naar mijn ondergoed greep, "Dat vind je toch niet erg, hè?"
Een antwoord bleef achterwege. Zij rende naar mij toe en kroop huilend bij mij op schoot.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 7 oktober 1995. © Bert Harberts