BEVRIJDING

Het driekamerflatje in Zandvoort, dat Carry sinds anderhalf jaar bezat, werd doordeweeks alleen door haar bewoond. Haar vriend Danny woonde van maandagavond tot vrijdagochtend in zijn Amsterdamse huis, samen met Tanja, zijn andere vriendin. Voor Carry was er weinig vreemds aan die situatie; zij was er de afgelopen tweeënhalf jaar wel aan gewend geraakt. Er was zelfs even een derde vrouw in het spel geweest. Danny had die zomer een heuse vakantieromance met een vrouw uit Stockholm gehad. Tot iets blijvends was het echter niet gekomen. Voor zijn terugkeer naar Nederland had het tweetal hun kortstondige relatie al in een levenslange vriendschap omgezet en na zijn terugkeer had Carry hem weer met open armen ontvangen, zonder ook maar één woord van verwijt te uiten.
Een paar weken daarna had het Zweedse vrouwtje, die Suzanne heette en van Nederlandse afkomst was, een weekend bij Carry gelogeerd. De dames hadden onmiddellijk vriendschap met elkaar gesloten en waren het tijdens hun vele gesprekjes over veel dingen eens geworden. Over de onweerstaanbaarheid van Danny's charmes bijvoorbeeld, over de plicht om hem nooit in de steek te laten en vooral over de wenselijkheid om over een aantal jaren met zijn drieën in één huis te gaan wonen. Wanneer dat laatste zou gaan gebeuren en in welk land wisten de dames nog niet precies, maar dat het eens zou gaan gebeuren, stond voor hen vast. Suzanne had er overigens geen enkele twijfel over laten bestaan, dat Danny geheel aan Carry toebehoorde. Zij had vlak voor haar vertrek ook op een huwelijk tussen Danny en Carry aangedrongen. Of dat huwelijk snel zou komen, was echter zeer de vraag. Tanja liet nog steeds haar rechten op Danny gelden en greep ook elk middel aan om dat huwelijk te voorkomen.
Na dat weekend was de relatie tussen Suzanne en Carry even goed als die met haar andere, twee boezemvriendinnen. De vriendschappen met die beide dames, Trudy Harberts en Jenny Schaaij, stonden geheel in het teken van de regelmaat. Trudy zag zij elke eerste zondag van de maand; Jenny zag zij elke donderdagavond. Carry en Jenny hadden er een gewoonte van gemaakt om die avond samen te dineren. Soms met de echtgenoten erbij, soms ook niet, soms in Jenny's huis aan het Amsterdamse Meerpad, soms bij Carry, of soms in een restaurant.
De beide dames leken op elkaar. Niet alleen qua uiterlijk, maar ook qua karakter. Ze waren allebei knap en mollig; ze waren allebei rustig en de zachtmoedigheid zelve en ze waren allebei met een moederlijke uitstraling gezegend. Alleen in hun haar en hun kleding was een verschil te bespeuren. Jenny had zwart haar en tooide zich vrijwel altijd in de mooiste jurken of rokken, de blonde Carry had een voorraad jeans en andere broeken tot haar beschikking, waar zij elke morgen een niet altijd beredeneerde keus uit maakte.
Toch zou daar op een dag verandering in komen en wel op 24 december 1992, om precies te zijn. Die dag begon voor Carry met een telefoongesprek met Tanja, waarin haar rivale haar op montere toon vertelde, dat zij dat weekend voorgoed uit Danny's huis zou weggaan. Over de oorzaken van die breuk met Danny had Tanja haar medeminnares niet in het ongewisse gelaten: zij had de komst van Suzanne in Danny's leven met lede ogen aangezien en zij was om die reden dan ook voor de charmes van een 'mooi, jong ventje' gezwicht. Tanja had schijnbaar in één keer schoon schip willen maken, want zij verbrak ook maar meteen het contact met Carry. Carry hoorde het relaas verbijsterd aan, niet wetend, of zij blij, of bedroefd over het nieuws moest zijn. Waar het haarzelf betrof, was zij uitermate blij om Tanja's capitulatie, maar zij was er niet helemaal zeker van, of dat ook voor Danny gold.
Jenny ontpopte zich uiteindelijk als de reddende engel. Na haar aankomst in Zandvoort hoorde zij het hele verhaal met een geamuseerd glimlachje aan en wist zij haar vriendin daarna moeiteloos voor een depressie te behoeden. Volgens haar had Tanja met haar vertrek de brave, monogaam ingestelde Danny een heel groot plezier gedaan. Danny had nooit echt de behoefte aan een maîtresse zoals Tanja gehad en zou de breuk met haar dus zeker niet als een verlies opvatten. Het enige, waar het Carry in vergelijking met Tanja eigenlijk aan ontbrak, was een wat ondeugender ogende garderobe. Als zij die eenmaal in huis had, zou Danny helemaal in de zevende hemel verkeren en zou Tanja heel snel in de vergetelheid raken.
Carry scheen het maar half met haar eens te zijn, maar fleurde tijdens het winkelen in de boetiekjes van Zandvoort toch wel op. De voor het winkeluurtje opgenomen vijfhonderd gulden werd dan ook in zijn geheel besteed: aan een respectabel aantal bloesjes, rokjes, jurkjes, babydolls, jarretellegordeltjes en nylonkousen. Tot slot van het winkeluurtje dronken ze in het restaurantje van de HEMA nog een kop koffie; daarna liepen ze snel naar Carry's huis terug.
Tijdens die korte wandeling brak Carry zich het hoofd, hoe zij haar vriend het nieuws zou moeten overbrengen en zij was daardoor zozeer in gedachten verzonken geraakt, dat zij bij het oversteken van de Jacob van Heemskerckstraat onder een auto dreigde te lopen. Zover kwam het echter niet. Jenny kon haar bij de pols grijpen en haar nog net op tijd voor de auto wegtrekken. Het getoeter van de gebelgde automobilist bleef niet lang in hun oren naklinken, want zij werden daarna vrijwel onmiddellijk door een paar andere geluiden opgeschrikt: de geluiden van gierende autoremmen, een angstkreet en een onheilspellend klinkende, doffe klap. Ze keken om en zagen, hoe een door een andere auto aangereden voetganger weer moeizaam overeind krabbelde. De opluchting bij de beide vrouwen duurde slechts kort. De voetganger, een rijzige, zwartharige jongeman, bleef even staan, maar zakte daarna langzaam in elkaar. De beide dames keken het even aan, staken toen met de nodige voorzichtigheid de straat over en renden zo snel mogelijk naar Carry's huis om daar de politie en het ziekenhuis te kunnen bellen.
Na hun terugkeer in Carry's huis liepen ze snel naar het venster in de huiskamer. Hun haast bleek onnodig te zijn geweest. De politie was al gearriveerd en een van de agenten paste eerste hulp op het slachtoffer toe. Het leek weinig te helpen; de jongeman scheen niet meer bij bewustzijn te komen. Carry was intussen heel bleek geworden en werd door Jenny met zachte hand van het venster weggetrokken.
"Kom, Carry!", zei Jenny fluisterend, "We kunnen toch niets meer doen."
"O, shit! Wat ben ik daar van geschrokken!"
"Ik ook, liefje, ik ook. Maar we moeten die arme jongen uit ons hoofd zetten. En jij helemaal. Over een half uur staat Danny voor ons neus. En voor die tijd moet jij je omgekleed en opgetut hebben. Je moet nu echt even alleen maar aan Danny denken en aan wat je hem zometeen mag gaan zeggen."
"Goed, je hebt gelijk. Welke kleren zal ik aantrekken?"
"Wat dacht je van dat rode truitje en dat korte, zwart-leren rokje? En met daaronder een paar gitzwarte nylonkousen, natuurlijk!"
"Is dat niet een beetje teveel van het goede?"
"Helemaal niet!", zei Jenny lachend, "Als hij je eenmaal ziet, moet Tanja in één klap uit zijn geheugen zijn weggevaagd."
"Goed, dan zal ik dat maar doen, hè?"
"Prima!"
"Maar dan ga ik eerst even een bad nemen."
"Goed, kindje. Doe dat maar."
Carry knikte vaag voor zich heen en trok zich daarna met haar nieuwe kleren in haar badkamer terug. Het moment, waarop zij zich in het water liet zakken, viel samen met de komst van Danny. Zij hoorde de voordeur opengaan en luisterde met een steeds sterker wordend geluksgevoel naar het gemurmel tijdens de begroeting tussen Danny en Jenny. Het was echter onmogelijk voor haar om rustig in het bad te blijven zitten. Zij glipte de badkuip weer uit, droogde zich snel af en rende met de kledingtas in de hand haar slaapkamer binnen.
Er was haar wel enig respijt vergund. Jenny, die in de jaren tachtig een langdurige relatie met Danny had gehad, zou hem nog wel aan de praat kunnen houden. Het aankleden geschiedde dan ook in een bijzonder laag tempo. De meeste tijd trok zij uit voor de kousen. Een half uur daarvoor had zij van Jenny een cursus in het omgaan met jarretelles gehad, maar het aantrekken en het vastmaken van de kousen ging toch nog tamelijk moeizaam. Met het resultaat van haar inspanningen was zij uiteindelijk wel tevreden. De poezelige kousevoetjes met die grappige, kleine teen- en hielstukjes, de mollige kuiten en de al even mollige dijen met die strakgespannen kousen eromheen, de brede, enigszins verfrommelde kouseboorden, de jarretelles met de zwarte elastiekjes, die een diep spoor door haar bovendijen trokken, het geheel had toch echt wel iets spannends.
Met het resultaat van haar inspanningen was zij uiteindelijk wel tevreden. De mollige dijen met die strakgespannen kousen eromheen, de brede, enigszins verfrommelde kouseboorden, de jarretelles met de zwarte elastiekjes, die een diep spoor door haar bovendijen trokken, het geheel had toch echt wel iets spannends.
Na een laatste aarzeling besloot zij het er maar op te wagen en drentelde zij op kousevoeten en met een zorgelijke gelaatsuitdrukking de huiskamer binnen. Voor die ongerustheid bleek in het geheel geen reden te zijn. Jenny zei meteen al, dat zij er schattig uitzag en Danny scheen het helemaal met haar eens te zijn, vooral toen Carry zonder veel omhaal bij hem op schoot kroop.
"Moet ik even weggaan?", vroeg Jenny, met een wat geniepig glimlachje.
"Nee!", zei Carry, naar haar omkijkend, "Het moeilijkste komt immers nog."
"Nou, dat denk ik niet."
"Wat bedoel je daarmee?", vroeg Carry hoopvol.
"Toen ik hem daarnet over je bijna-ongeluk had ingelicht, heb ik hem een beetje uitgehoord en ik kan daaruit maar één conclusie trekken."
"En die is?"
"Dat je hem met het nieuwtje heel erg gelukkig zult maken."
"Oh, meen je dat?"
"Ja, liefje, dat meen ik. En zeg het maar gauw, want hij begint nu wel erg rood aan te lopen."
Carry nam Danny's gezicht in haar handen en verloste hem op een bruuske manier uit zijn lijden:
"Tanja is er met haar gigolo vandoor!"
"Haar wat?"
"Haar gigolo. Zij heeft zich laten inpalmen door een heel jong ventje, dat in die strandtent van haar werkt."
"Inpalmen?"
"Ja, inpalmen! En met inpalmen bedoel ik ook inpalmen. Het is dankzij hem helemaal uit tussen jou en haar."
Danny liet het nieuws langzaam op zich inwerken. Hij was een beetje bleek geworden en streelde Carry onophoudelijk over haar benen.
"Zij wil echt niets meer van mij weten?", vroeg hij voorzichtig.
"Nee, en ook niets meer van mij. Zij wenst al haar banden met ons te verbreken en zij wenst ons nooit meer te zien. Zij is op dit moment al met de verhuizing bezig. Samen met haar nieuwe vriend."
"Oh, meen je dat?", vroeg hij, met een van gelukzaligheid doordrenkte stem.
"Ja, schatje, dat meen ik. En dat betekent dus, dat je met onmiddellijke ingang bij mij in kunt trekken."
"Dat is mooi."
"Zul je het mij ooit kunnen vergeven?"
"Vergeven?", vroeg hij hijgend, "Vergeven? Wat zou ik je in godsnaam moeten vergeven?"
"Dat ik je twee jaar geleden niet meteen uit de klauwen van Tanja heb bevrijd."
"O, dat! Nou, dat is je dan hierbij vergeven."
"Echt?"
"Ja, maar dan wel op twee voorwaarden."
"Welke dan?"
"De eerste is, dat we nu eindelijk eens een trouwdatum gaan vaststellen."
"Dat is goed!", zei Carry lachend, "En wat is de tweede voorwaarde?"
"Dat we aanstaande maandag eerst een paar verlovingsringen gaan aanschaffen."
"Dat lijkt mij ook een prima idee! En wat is de laatste voorwaarde?"
"Dat we na het bezoek aan de juwelier meteen in ondertrouw gaan."
"Dat is ook goed, hoor!"
"Dat is mooi."
"Heb je al een trouwdatum in gedachten?"
"Ja, hoor!"
"Welke dan?"
"Wat dacht je van acht maart?"
"Maar dat is mijn verjaardag!"
"Ja, precies! Dat betekent, dat we voortaan twee feesten in één kunnen gaan vieren."
"En dat vind je prettig?"
"Ja, ten eerste, omdat ik, zoals je weet, een gruwelijke hekel aan feesten heb en ten tweede, omdat we dan vanaf nu op elke achtste maart twee cadeaus van onze vrienden krijgen. En dat terwijl we ze dan maar één keer op drank, lekkernijen en een etentje hoeven te trakteren."
"O, dank je wel!", riep Jenny spottend.
"Oh, wat een inhalig kreng ben je toch!", mopperde Carry.
"Ja, nou!", zei Jenny, "Ik vind niet, dat ik dat hoef te pikken."
"Dat hoef je ook niet!", zei Carry ferm, "En om hem duidelijk te maken, dat we dat soort geintjes niet van hem accepteren, moet hij vanavond ons eten betalen."
"Dat lijkt mij een prima les voor hem."
"Hoe laat komt Hans eigenlijk?", vroeg Carry, doelend op Jenny's vriend.
"Dat weet ik niet precies. Hij heeft nog een vergadering op school, dus we hoeven niet met eten op hem te wachten."
"Prima, dan kunnen we nu wel meteen naar de cafetaria gaan. Dan ben ik tenminste even van Danny's graaiende vingers verlost."
"Nou, zeg, mag ik effe?", zei hij, op een sullige toon, "Ik heb daarnet te horen gekregen, dat een vijf jaar durende liefdesrelatie op de klippen is gelopen. Ik heb dus echt wel een beetje afleiding nodig."
"O, wat een smerige huichelaar, hè?", riep Carry tegen Jenny.
"Ja, nou!"
"Ik ben helemaal geen huichelaar. Mijn hele wereld is ingestort. Ik heb eigenlijk nergens meer zin in. Ik wil alleen nog maar, dat jij mij uitgebreid en langdurig gaat liggen troosten."
Carry was echter onverbiddelijk en gleed lenig van zijn schoot af. Dat leek hij niet zo plezierig te vinden. Zijn gezicht betrok en zij zag, dat hij vervolgens met een nogal hongerige blik naar haar rokje en haar benen keek.
"Kom op, druiloor!", zei zij, "Na het eten zal ik je langer gaan liggen troosten dan je lief is."
"Nou, goed dan."
Ze trokken hun jassen aan, verlieten het huis en liepen in een giechelige stemming naar de cafetaria aan de Boulevard Barnaart, waar ze op deze avond de enige klanten waren. Het zitgedeelte van de cafetaria was rond van vorm en bood van drie kanten een mooi uitzicht op de zee. De inrichting daarentegen was wat aan de sjofele kant. Die bestond uit een viertal, witte keukentafels van een bijzonder groot formaat en een zestiental bijpassende stoelen. Terzijde van de uitgang stond een frisdrankenautomaat en in de vensterbanken stonden een paar triest ogende planten.
De eigenaar van de cafetaria was ome Arie, een oude, bebrilde en tamelijk mollige man van vierenzeventig, die op het moment van hun binnenkomst achter een tafel zat, waarop hij zijn wat slordig-ogende administratie had uitgespreid. Na de binnenkomst van het drietal stond hij echter onmiddellijk op. De bestelling, drie Wiener Schnitzels en drie flesjes bier, was snel geplaatst. Het tweede deel daarvan werd onmiddellijk aangereikt en Danny leverde de flesjes met enige zwier bij de dames af. Het wachten op de Wiener Schnitzels duurde ook niet lang. Binnen een kwartier stond de tafel vol met Wiener Schnitzels, sla, doperwten, patat, appelmoes en griesmeelpuddinkjes.
Tijdens de maaltijd keek Carry met steeds kortere tussenpozen naar haar aanstaande echtgenoot. Zij had daar veel plezier van: hij leek volkomen rustig en ook volkomen tevreden te zijn. Zijn linkerhand lag al een poosje op haar rechterdij en hoewel hij verder zich geen ontuchtige vrijheden veroorloofde, was het gebaar op zich al veelzeggend genoeg. Zij vroeg zich af, hoe deze avond verder zou gaan verlopen. Een rustige avond zou het niet worden. In de komende uurtjes zou zij het bed zeker niet meer mogen verlaten en zij wist maar al te goed, wat er in dat bed zou gaan gebeuren.
Dat vooruitzicht stond haar bepaald niet tegen. Nu zij na bijna drie jaar eindelijk haar doel had bereikt en voor eeuwig van die afschuwelijke Tanja was verlost, zou dat zalige, wilde neuken ditmaal ook iets bevrijdends hebben. Ditmaal zou er van een melancholische ondertoon geen sprake zijn, ditmaal zou hij nooit meer bij haar weggaan. Wat haar op dit moment nog het meeste bezighield, was het verloop van Danny's laatste uren met Tanja. Zij zag, dat hij zijn vork neerlegde en zijn mond met zijn servet afveegde en zij besloot om hem onmiddellijk aan een soort kruisverhoor te onderwerpen.
"Zeg, Danny?", vroeg zij.
"Ja, schat?"
"Hoe was het eigenlijk in die laatste dagen met Tanja?"
"Ach, er is in wezen niets spannends over te melden. Zij was best wel lief voor mij, zij het dan wel op een wat afwezige manier."
"Hoe bedoel je dat?"
"Precies zoals ik het zeg. In de afgelopen twee jaar heeft zij mij regelmatig nog voor het eten de slaapkamer ingesleurd, maar dat is de laatste weken niet meer voorgekomen. In de afgelopen week hadden we de avonden alleen maar met televisie kijken doorgebracht. Met niets meer en met niets minder."
"En hoe was de seks?"
"Lekker! Zoals altijd. Al moest ik, zoals de laatste maanden steeds het geval is geweest, wel een condoom dragen."
"Waarom? Zij was toch aan de pil?"
"Nee, niet meer. Die kon zij de laatste tijd niet meer zo goed verdragen."
"Meen je dat?"
"Ja."
"En denk je, dat zij daarover de waarheid sprak?"
"Nee, dat denk ik niet", antwoordde Danny, met een wat vage glimlach, "Ik denk, dat zij nog steeds aan de pil is en dat die condooms alleen maar voor mijn gemoedsrust waren bestemd. Zij weet, dat ik als de dood voor aids ben en zij moet dus ook hebben geweten, dat ik mij niet zo prettig zou hebben gevoeld als ik eenmaal te weten was gekomen, dat zij het in de laatste maanden ook met een ander had gedaan."
"Ja, dat kan, natuurlijk!", zei Jenny.
"En hoe was het afscheid deze morgen?", vroeg Carry.
"Gewoon", antwoordde Danny, "Het gebeurde zonder enige nare emotie of wanklank. Integendeel zelfs: we hebben in het gangetje bij de voordeur nog een poosje staan vrijen."
"Vrijen?"
"Ja, vrijen!"
"In de meest ruime zin van het woord?"
"Hm, dat kun je wel stellen, ja!"
"En daarna?"
"Hebben we afscheid genomen en heeft zij mij uitgezwaaid, tot ik de hoek van de straat was omgeslagen. Zoals zij dat altijd heeft gedaan."
"Zij houdt nog steeds van je!", zei Carry, met een wat dof stemmetje, "Zoals al je exen. Met je samenleven kan zij niet meer, maar haar gevoelens voor jou zijn niet veranderd. Daar kunnen we nog heel wat..."
Haar betoog werd op een enigszins ruwe manier verstoord. Eerst door een "Verdomme!" van ome Arie, daarna door een ferme klap en tenslotte door een gesmoord gereutel. De drie gasten keken verschrikt op en hadden al snel door, dat ome Arie bijna het slachtoffer van een roofoverval was geworden. Het woord 'bijna' is hier niet misplaatst. Ome Arie had zich van zijn moedige kant getoond, want de junk, die achter de toonbank was geglipt om een greep in de kassa te doen, had die daad met een klap van ome Arie's koekenpan moeten bekopen. Die klap was hem niet echt goed bekomen: hij was vrijwel onmiddellijk met de handen op zijn achterhoofd ineengezakt.
"Wat was dat?", riepen Carry en Jenny in koor.
"Een rover", antwoordde ome Arie laconiek.
De gasten stonden gehaast op en wierpen een blik achter de toonbank. De junk lag er niet echt florissant bij.
"Tja", zei Danny lachend, "Het is inderdaad een rover. Een zieltogende rover weliswaar, maar toch onmiskenbaar een rover."
"O, nee!", riep Carry, "Wat moeten we doen?"
"Wel", sprak ome Arie, "Als een van de dames nou even de politie wil bellen en de jonge vriend hier een oogje op de rover wil houden, dan kan ik even de afwas afmaken."
"Ik bel wel even!", zei Jenny gehaast.
Zij voegde meteen de daad bij het woord en liep naar de telefoon in een hoekje bij de toiletten. Ome Arie bleef zich onderwijl met de vuile schalen en borden bezighouden; Danny en Carry begaven zich achter de toonbank, waar Danny op een omgekeerd en leeg mayonaiseblik plaatsnam en Carry naast hem op haar knieën ging zitten. De gelaatsuitdrukking van de junk had iets vredigs, maar voor de zekerheid nam Danny toch maar de koekenpan ter hand. Zo bleven ze zitten, totdat Jenny terugkeerde.
"Ze komen eraan!", zei zij.
"Dank je wel, jongedame!", riep ome Arie galant.
"Is hij al bijgekomen?"
"Nee, jammer genoeg niet", antwoordde Danny, met een somber gezicht, "Want dan had ik hem ook een dreun kunnen geven."
"Hm, ik denk niet, dat hij die dreun nog nodig heeft", bromde ome Arie, "Ik heb hem daarnet flink te pakken genomen."
"Gelukkig maar", verzuchtte Carry, met onmiskenbare opluchting.
"Zou je niet eens opstaan, Carry?", vroeg Jenny lachend, "Als je zo blijft zitten, zijn je mooie kousen geen lang leven beschoren."
"Ja, doe dat maar, liefje!", zei Danny, "Als die hufter onverhoopt toch zijn ogen open doet, zijn je benen het eerste, wat hij ziet. En dat voorrecht gun ik hem niet."
"Goed dan."
Zij stond op, sloeg het stof van haar knieën en ging naast Jenny staan. Zij was de enige in het gezelschap, die enigszins geschokt scheen te zijn. De rest van de aanwezigen wachtte in alle rust de komst van de politie af.
Die liet niet lang op zich wachten: een paar minuten later betraden twee dienders van verschillende kunne en van verschillend formaat de cafetaria. De één was een forse, blonde vrouw van begin dertig, de ander was een iel mannetje van een jaar of vijftig. Ze hurkten bij de junk neer en bekeken hem met een ietwat sceptische blik in hun ogen.
"Wat gaan jullie met hem doen?", vroeg Danny, met een ietwat dubbelzinnige belangstelling.
"We nemen hem mee", zei de agente, "We gaan eerst even kijken, of hij iets aan ome Arie's traktatie heeft overgehouden en als dat niet het geval blijkt te zijn, gaat hij het cachot in. En hopelijk kan het zodanig worden geregeld, dat hij daar een poosje blijft."
"Tja, dat hoop ik ook", murmelde Carry voor zich heen.
"Heeft u ons eigenlijk nog nodig?", vroeg Jenny, met een minzaam glimlachje.
"Nee, hoor! Ik denk, dat we wel genoeg aan ome Arie's verklaring zullen hebben. Als hij over een uurtje naar het bureau komt, dan zullen we met hem wel het papierwerk kunnen afhandelen."
"Ah, prima!", zei Jenny lachend.
"We hebben daarnet ook nog een ongeluk zien gebeuren", merkte Carry op, "Weet u daar misschien iets van?"
"Ja", antwoordde de agent, "Daar zijn we ook bij geweest, maar dat is minder goed afgelopen. Die arme jongen is dood. Hij is per helicopter naar het 'St. Elisabeth's Gasthuis' in Haarlem vervoerd, maar daar is hij een half uur geleden overleden."
"O, wat verschrikkelijk!"
"Tja, wat doe je eraan?", zei de agent somber.
"Niets", zei de agente, "En het enige nuttige, wat we nu kunnen doen, is ome Arie zo snel mogelijk van zijn belager verlossen. Dus als jij hem nou effe bij zijn voeten grijpt, dan pak ik hem wel bij zijn schouders."
"Dat lijkt mij een uitstekend plan", zei de agent, met een wat zure glimlach.
Ze wisten hem zonder moeite op te tillen en droegen hem snel en efficiënt de cafetaria uit. Gadegeslagen door Danny, die de deur grinnikend voor hen openhield en ook weer achter hen sloot.
Na die kortstondige portiersfunctie met verve te hebben vervuld, liep hij naar de dames terug. Er stonden inmiddels drie dampende koffiekopjes op de tafel.
"Moeten we eigenlijk niet naar huis?", vroeg hij, na een korte aarzeling.
"Waarom?", vroeg Carry.
"Om Hans. De arme stakker is misschien al aangekomen en staat misschien al een halfuur voor de deur te blauwbekken."
"Dat is wel eens goed voor hem", riep Jenny hardvochtig.
"Ach, wat ben je toch weer wreed voor hem!", riep Danny lachend.
"Helemaal niet! Het kan niet alle dagen rozengeur en maneschijn zijn."
"Tot hoe laat willen jullie eigenlijk blijven?"
"Waarom wil je dat zo graag weten?", was de wat lacherige wedervraag.
"Omdat ik graag zo snel mogelijk met Carry naar bed wil."
"O, wees maar niet bang! We zullen echt niet zo lang blijven. Als Carry tenminste ook wil, dat we snel ophoepelen."
"Hoe eerder ik in Danny's armen lig, des te liever het mij is", zei Carry, met een ietwat doffe stem.
"Ah, dat is mooi", zei Danny gevleid, "Maar je zegt het helaas op een toon, die niet erg enthousiast klinkt."
"Ik ben een beetje down, maar dat is niet om jou, lieverd!", zei zij, naar zijn hand grijpend, "Het is om die arme jongen, die nu in die Haarlemse koelcel ligt."
"Waarom dan?"
"Ik blijf maar denken, dat het gedeeltelijk mijn schuld is."
"Wat een onzin!", riep Jenny.
"Misschien", zei Carry, "Maar ik kan het gevoel niet van mij af zetten, dat hij door mijn bijna-ongeluk dusdanig is afgeleid, dat hij die auto helemaal niet heeft gezien."
"Dat is niet zo", zei Jenny kalm, "En als het wel zo zijn, is er van schuld jouwerzijds echt geen sprake. Iedereen, die om wat voor reden dan ook, zonder op te letten, van de stoep stapt en de weg oploopt, moet daar zelf de verantwoordelijkheid voor dragen."
"Jenny heeft gelijk, liefje", zei Danny, met een ineens wat gepijnigde gelaatsuitdrukking, "En je moet maar eens bedenken, wat het voor mij had betekend als jij nu in die Haarlemse koelcel had gelegen."
"O, nee!", riep Carry verschrikt.
"Ik denk niet, dat ik dan de kerst had gehaald", zei hij peinzend.
"O, nee! Hou op! Ik wil er niets meer over horen."
"Einde onderwerp dus", zei Jenny voldaan, "We laten vanaf nu het verleden rusten en gaan het nu even over de nabije toekomst en de komende, hete zomer hebben."
"Hoe bedoel je?", vroeg Danny.
"Gaan we de komende zomer die rottent van die rot-Tanja boycotten? Of blijven we elke donderdag bij haar dineren?"
"Jezus, je hebt gelijk!", zei Carry, "Dat wordt misschien nog wel een probleempje."
"Nee, hoor", zei Danny luchtig, "We gaan die rottent van die rot-Tanja boycotten en we gaan vanaf nu elke zondag bij haar buurman dineren. En tijdens dat diner gaan we ons dan uitgebreid verkneukelen aan de aanblik van een Tanja, die zich samen met haar nieuwe vlam de pleuris moet werken."
"Afgesproken!", riep Jenny lachend.
"Zul je die rottent echt niet een beetje gaan missen?", vroeg Carry schuchter.
"Nee! En de eigenaresse ook niet!"
"Echt niet? Je hebt het heel vaak gehad over die hemelse avonden en nachten, die je met haar in die rottent hebt doorgebracht."
"Tja, dat is waar."
"En er zijn ook wel best wel een hoop dingen, die je nu toch moet gaan missen."
"Zoals wat?"
"Wat dacht je van die heerlijke pilsjes bij die mooie zonsondergangen en dat zalige neuken als de kas eenmaal was opgemaakt en het personeel was vertrokken? Vanaf nu zul je dat allemaal moeten missen. En dat geldt ook voor dat mooie, roodblonde haar van haar. Dat haar, dat zo mooi in het zonlicht kon glinsteren. En om van haar mooie, bruine dijen, waar de blonde haartjes zo mooi tegen afstaken, maar te zwijgen."
"Tja, het is een mooie tijd geweest, maar ik beloof je hierbij plechtig, dat ik al dat moois moeiteloos zal kunnen missen."
"Ik kan het eigenlijk maar moeilijk geloven."
"Toch is het zo. Ik kan van die heerlijke pilsjes bij die mooie zonsondergangen ook op jouw balkon genieten en bij jou zal ik niet hoeven helpen bij het opmaken van de kas, bij jou zal het zalige neuken al meteen kunnen beginnen. En jouw goudblonde haar en jouw heerlijke, lelieblanke dijen zijn mij oneindig veel dierbaarder dan het haar en de dijen van Tanja. Dat is sinds die eerste maart van het jaar 1990 altijd zo geweest en zo zal het ook altijd blijven."
"Nou, Carry, dat moet toch genoeg voor je zijn!", zei Jenny streng.
"Dat is het ook."
"Echt?"
"Ja, echt!"
De impact van zijn woorden was inderdaad groot; zij zou dit moment voor een hele lange tijd als het gelukkigste moment van haar leven blijven beschouwen.
"Zullen we dan maar meteen naar huis gaan?", vroeg zij met een iel stemmetje.
"En dan zeker meteen naar bed, hè?", vulde Jenny grijnzend aan.
"Ja, en dan gaan we meteen naar bed!", murmelde Carry.
"Goed, kindje! Hans zal het wel begrijpen als ik hem vertel, waarom we meteen weer weggaan."
"Okay, dan!", zei Danny, met onmiskenbare gretigheid, "Dan zal ik eerst maar eens gaan afrekenen."
Hij stond op en vroeg ome Arie, die na gedane zaken een beetje in zijn stoel zat te suffen, om de rekening. Die bleek niet meer dan vijfenzestig gulden te bedragen. Danny gaf hem vijfenzeventig gulden, met de mededeling dat 'het zo wel goed was' en hield na de uitgebreide dankbetuigingen van hun gastheer de deur voor de dames open.
Het wandelingetje naar Carry's huis verliep vervolgens in een serene stemming. Danny stapte rustig voort, Carry hing, met haar hoofd tegen zijn schouder, aan zijn arm en Jenny volgde het tweetal met een wijsgerig glimlachje om de lippen.
Eenmaal bij Carry thuis, waar Hans nog niet was gearriveerd, verdween Danny in de badkamer, teneinde daar een lang en verkwikkend bad te nemen en liep Carry na een laatste, met veel gegiechel doorspekte, krijgsraad met Jenny haar slaapkamer binnen.
Daar begon zij aan een kalme, zij het wat halfslachtige striptease. Het truitje en het rokje gingen uit en een zwarte babydoll kwam ervoor in de plaats. Het resultaat, zoals zij dat in de kastspiegel kon bekijken, viel haar bepaald niet tegen. Haar vreugde daarover werd na enkele seconden op een wat irritante manier getemperd: door het gerinkel van de telefoon. Zij schrok, wilde de telefoon eerst laten rinkelen, maar nam uiteindelijk toch de hoorn van de haak.
"Met Carry", zei zij.
"Goddank, dat jij het bent!", zei een kalme stem.
"Hans! Waar zit je nou? Jenny en ik zitten al uren op je te wachten!"
"Dat doet er nu niet toe. Ik wil eerst weten, of je vrijuit kunt praten."
"Dat kan ik. Ik zit in mijn eentje in de slaapkamer, Jenny kijkt tv in de woonkamer en Danny zit in bad."
"Ah, prima! Want wat ik je te vertellen heb, moet je wel aan Jenny, maar nog even niet aan Danny vertellen."
"Hans, wat is er aan de hand?"
"Eh, je moet niet schrikken, maar ik bel vanuit een ziekenhuis."
"Wat?!?"
"Ssst, stil maar! Ik zit hier niet voor mijzelf, maar voor iemand anders."
"Voor wie dan?"
"Eh, ja! Dat is een beetje moeilijk uit te leggen. Ik ken die luilebol niet eens."
"Hans! Nogmaals: wat is er aan de hand? En waar zit je in godsnaam?"
"Eh, ik zit in Haarlem! In het 'St. Elisabeth's Gasthuis'."
"O, shit!", kreunde Carry, met een angstig voorgevoel.
"En ik ben hier dus niet alleen."
"Met wie ben je er dan?"
"Met Tanja."
"O, mijn god!"
"Stil maar, kindje! Het klinkt misschien een beetje vreemd, maar ik kan het je in een paar zinnen uitleggen."
"Wil je dat dan snel doen?"
"Nou, ik ben een uurtje geleden op school gebeld door Tanja, die mij huilend mededeelde, dat haar nieuwe vriend in Zandvoort een ernstig ongeluk had gehad en dat zij iemand nodig had om haar zo snel mogelijk naar het ziekenhuis in Haarlem te brengen."
Carry hapte door het schokkende nieuws even naar adem, maar de mededeling van Hans maakte haar zo razend, dat zij haar spraakvermogen weer tamelijk snel terugkreeg:
"Waarom in de naam van de heilige Jezus Christus heeft die stomme trut jou nou gebeld? Zij heeft toch ook nog een familie?"
"Ja, dat klopt, maar die hele familie is vandaag op wintersport gegaan. En de familie van die jongen kende zij nog niet zo goed, omdat ze nog maar een paar weken met die jongen omging."
""O, god! Nou begrijp ik het. Zij had dus echt niemand anders. Zij heeft geen autorijdende vriendjes of vriendinnetjes, Danny en ik vielen sinds vanochtend ook al af, waardoor alleen jij en Jenny overbleven."
"Ja, precies."
"O, Hans, wat een verschrikking!"
"Dat is wel het goede woord, ja."
"En voor ons helemaal: Jenny en ik hebben het ongeluk namelijk zien gebeuren."
"Dat meen je niet!"
"Ja, het gebeurde hier vlak voor de deur en geloof mij: het had weinig gescheeld, of ik was degene geweest, die was verongelukt."
"O, mijn god!"
"Ja, zeg dat wel. Jenny kon mij op het laatste moment nog terugtrekken, maar door het kabaal, dat die automobilist daarna maakte, was die arme jongen zo afgeleid, dat hij pardoes zelf onder een auto liep."
"Jezus! Dus als Jenny er niet was geweest, dan..."
"Ja, precies!"
"Wel, daar moeten we maar niet te lang bij stilstaan."
"Nee, hè?"
"Nee, want het probleem, waar we nu mee zitten, vergt al genoeg van onze aandacht. Wat moeten we in godsnaam met Tanja doen? We kunnen haar niet laten stikken. Dat kan ik echt niet over mijn hart verkrijgen."
"Hoe is zij er nu aan toe?"
"Wel, toen we hier met de taxi uit Amsterdam aankwamen en te horen kregen, dat die jongen was overleden, kreeg zij eerst een zenuwtoeval en begon zij daarna om de komst van Danny te smeken. Maar nu is zij gelukkig wel een beetje bijgedraaid."
"Vraagt zij nog steeds om Danny?"
"Nee, niet meer. Ik heb haar er wel van weten te overtuigen, dat Danny een gesloten boek voor haar is. Dat zij nu beter even kan uithuilen en daarna helemaal opnieuw moet gaan beginnen."
"O, wat goed van je!"
"Dank je! Ik was bijzonder welsprekend, daarnet. Maar of het beklijft, is natuurlijk nog niet zeker."
"Nee, dat is zo, maar we moeten in ieder geval alles op alles moeten zetten om te voorkomen, dat zij weer van mening verandert."
"Dat spreekt vanzelf. Maar zelfs als dat ons lukt, dan blijft er in ieder geval toch nog een praktisch probleem voor ons over."
"En dat is?"
"De huisvesting voor de komende dagen. Zij was van plan om vandaag bij die jongen in te trekken en dat gaat nu dus mooi niet meer door."
"Shit, dat is waar ook!"
"En ik heb absoluut geen zin om haar bij ons te laten logeren."
"Nee, daar moet je ook niet aan beginnen!", zei zij, met een gemeen glimlachje, "Als jullie haar jullie huis binnenhalen, krijgen jullie haar misschien nooit meer weg."
"Ja, precies!"
"Maar wat moeten we dan doen?"
"Ik denk, dat Jenny hiernaartoe moet komen en dat we haar dan samen naar Danny's huis moeten terugbrengen. Al is het maar voor het weekend en de kerst."
"Ja, natuurlijk! Dat is de oplossing! We hebben daarnet al besloten, dat Danny vanaf nu hier komt wonen en dat betekent dus, dat Tanja nog wel een paar dagen in Danny's huis kan blijven wonen."
"Prima! Misschien moeten Jenny en ik vannacht en in de komende dagen maar bij haar in Danny's huis blijven slapen."
"Zou je dat echt willen doen?"
"Ja, kindje, dat wil ik wel doen. Ik denk zelfs, dat we het wel moeten doen. Niet zozeer voor Tanja, maar wel voor jou en Danny. We moeten, koste wat het kost, voorkomen, dat Tanja zichzelf iets aandoet, of weer naar Danny teruggaat. En daarop kunnen we alleen maar invloed uitoefenen als we haar door de komende dagen heen helpen. Het is ook maar voor een paar dagen. Als haar familie eenmaal terug is, zal ze daar wel terecht kunnen."
"O, als jullie dat willen doen, zal ik jullie echt vreselijk dankbaar zijn."
"Dat hoeft niet, kindje. We zijn het gewoon aan Danny verplicht. Die stomme hufter verdient het om nu eindelijk een keer helemaal gelukkig te worden."
"Ja, hè?"
"Goed, dat is dus geregeld! Maar wil je dan nu als sodemieter Jenny hiernaartoe sturen?"
"Ja, ik zal haar meteen op pad sturen."
"O, prima! Want ik vind het namelijk maar een zenuwslopende bedoening. Het heeft iets heel vreemds om bij een lijkbaar te staan, waar een volslagen onbekend lijk op ligt."
"Goed, Hans! Ik hang nu de telefoon op en stuur haar meteen naar je toe!"
"Ah, prima. Maar zeg haar wel, dat zij voorzichtig moet rijden!"
"Ik zal het doen, hoor!", zei zij glimlachend.
Zij hing op en liep onmiddellijk de slaapkamer uit. Op de gang botste zij bijna tegen een likkebaardende Danny op, maar zij moest hem tot haar spijt nog heel even afweren.
"Nee, niet doen!", zei zij, terwijl zij lachend zijn handen wegduwde.
"Waarom niet?"
"Omdat ik Jenny nog even moet spreken."
"En waarom dan wel?"
"Ik moet haar even zeggen, dat Hans niet komt."
"Wat is er dan met die hufter aan de hand?"
"Hij heeft een hevige aanval van migraine gekregen en Jenny moet dus echt heel snel naar hem toe."
"O, dan is het goed."
"Ga maar vast naar bed! Ik kom er echt ook zo aan."
Hij knikte afwezig en liep met een stralend gezicht de slaapkamer binnen. De ware reden van Jenny's overhaaste vertrek zou hem pas drie maanden later worden onthuld.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 2 december 1995. © Bert Harberts