BORIS, VOORHEEN AMSTEL, 1999-2013

Op 9 maart 2006 werd ergens in de buurt van de Amstel een zwarte kater onder een auto vandaan getrokken. Hij was mager, niet gecastreerd, niet ontwormd en had ingegroeide teennagels. Het beest kwam een dag later onder de hoede van het kattenasiel in Oostzaan, net over de gemeentegrens tussen Amsterdam en Oostzaan. Drie dagen later onderging de tweejarige kat, die om een voor de hand liggende reden de naam Amstel had toebedeeld gekregen, in de 'Dierenkliniek Osdorp' een intensieve behandeling. Zijn nagels werden geknipt en hij werd er ontwormd, gevaccineerd, gecastreerd en uiteindelijk ook gechipt.
In de maanden daarna werd de kat, die een prachtige, brede, maar ook getekende kop had en een oor, waarvan een stuk was afgebeten, verder gesocialiseerd. Hij kon zich al snel in een zekere populariteit verheugen. Zijn knappe kop trok veel aandacht op de site van het asiel. In de daaropvolgende, veertien maanden kwamen vele mensen voor hem naar het asiel, maar die potentiële baasjes knapten allemaal af op zijn enorme omvang. De voormalige straatkat at in het asiel vermoedelijk veel meer dan hem toekwam en dat was dus niet zonder gevolgen gebleven.
In de weken voor de dood van mijn kat Tum Tum, die sinds vier maanden met nier-en schildklierprobemen kampte, was ik al een paar keer op de site van het kattenasiel geweest. Tum Tum zou niet zo lang meer leven en ik wilde na zijn dood onmiddellijk een nieuwe kat in huis halen. Nog voor 'De Tum' daadwerkelijk was overleden, was mijn keus al op Amstel gevallen. Ik kon op het filmpje van Amstel zien, dat hij een nogal nurkse gelaatsuitdrukking had en tamelijk gezet was, maar hij liet zich rustig door de verzorgster aaien. Het wervende commentaar bij het filmpje klopte dus wel: hij moest inderdaad ook een 'hele lieve lobbes' zijn. Ik wist eigenlijk niet, wat mij had bezield om al op die site naar een opvolger van Tum Tum te gaan zoeken, terwijl Tum Tum nog steeds in mijn huis rondscharrelde. Het was waarschijnlijk de angst voor de komende rouwperiode geweest.
Op 28 april 2007, een dag na de dood van Tum Tum en ruim een jaar na Amstels intrede in het asiel, besloot ik om de eerste stap te zetten. Ik belde naar het asiel en kreeg al snel een medewerkster aan de lijn:
"Met Joke!"
"Ja, hallo, u spreekt met Bert Harberts. Ik eh... wil even doorgeven, dat mijn kat Tum Tum is overleden."
"Ach, dat spijt mij voor u!"
"Ja, ik heb Tum Tum bijna zeven jaar geleden uit uw asiel gehaald en omdat de katten altijd uw eigendom blijven, wilde ik toch even aan u doorgeven, dat hij er niet meer is."
"Was Tum Tum niet die suffige, rood-witte lapjeskat, die van een oude dame was geweest?"
"Ja, dat klopt! Hij deed zijn naam ook echt wel eer aan. Hij werd al bang als ik nieste of als ik aan het stofzuigen was. Hij was echt een doetje."
"O, maar als het die suffige, rood-witte lapjeskat was, dan is hij ook niet echt oud geworden."
"Nee, hij is waarschijnlijk net twaalf geworden."
"Dat is eigenlijk best wel jong."
"Dat is het ook! Ik ben er ook best wel kapot van."
"Dat begrijp ik."
"En ik wil eigenlijk zo snel mogelijk een nieuwe kat hebben."
"Dat is misschien ook wel het beste, hè?"
"Ja, en daar bel ik dus ook voor op. Ik heb al een beetje op uw site rondgekeken en ik heb daarbij mijn oog op Amstel, die dikke, zwarte kater, laten vallen. Is het mogelijk dat ik hem alvast kan bestellen, of zo?"
"Nou, bestellen is niet mogelijk. Als u hem wilt hebben, moet u hem vandaag komen ophalen. Als er straks iemand komt binnenlopen, die hem wil hebben, kan hij, of zij hem meteen meekrijgen. Als u tot morgen wacht, kan hij theoretisch dus al weg zijn."
"O, dan kom ik nu meteen naar u toe!"
"Prima, u hoeft hem trouwens niet meteen mee te nemen. Als u echt voor hem kiest en straks meteen al betaalt, kan hij ook nog wel een paar dagen bij ons blijven. Dat is misschien wel handig voor u, als u in het weekend nog wat dingen wilt opruimen en nog wat nieuwe spullen wilt gaan kopen."
"Okay! Daar zal ik nog even over nadenken, maar ik kom nu in ieder geval meteen naar u toe. Ik wil Amstel namelijk dolgraag hebben en zijn gewicht zal dus echt geen probleem voor mij zijn. Als ik hem vandaag meeneem, zal ik hem morgen echt niet terugbrengen. En ook niet volgende week, volgende maand, of volgend jaar!"
"Prima, dan zien we u straks wel verschijnen."
"O, fantastisch! U heeft mij heel erg geholpen. Dank u wel!" "Graag gedaan, meneer Harberts!"
"Tot straks!"
"Tot straks, meneer Harberts!"
Ik ging niet in mijn eentje naar het asiel. Mijn vriend Frank uit Nijmegen was een dagje over en ik had het plan om eerst samen met hem naar het asiel te gaan en om daarna met hem een tochtje door het Twiske te maken.
Na zijn aankomst – hij had zoals altijd een OV-fiets bij zich – stemde hij daarmee in. We fietsten samen naar het asiel in Oostzaan en dienden ons aan bij Joke. Ik herkende haar onmiddellijk: zij was inderdaad dezelfde medewerkster, die bijna zeven jaar daarvoor Tum Tum bij mij had afgeleverd.
De eerste ontmoeting met mijn nieuwe kat was nogal grappig. Hij bevond zich op een hoge stellage en werd door Joke met enige, zachte dwang naar een lagere stellage geduwd, waar ik hem wat beter kon bekijken. Zo van opzij bezien, leek het met zijn corpulentie eigenlijk wel mee te vallen en ik kon hem zonder problemen over zijn brede kop aaien.
"Hij heeft wel een leuk kunstje op zijn repertoire staan", zei Joke.
"O, ja?", vroeg ik gretig.
"Aai hem maar eens over zijn stuitje. Op het plekje, waar zijn staart begint."
Ik deed het en zag Amstel meteen helemaal opleven. Het leek net, alsof hij de een of andere, zwoele straatpoes uit de Grachtengordel had bestegen en dat hij daarbij de tijd van zijn leven had. Ik was meteen verkocht.
"Ik wil hem hebben!", zei ik, met hoorbare vertedering tegen Joke.
Die was zeer tevreden met die snelle beslissing en de anders zo broodnuchtere Frank leek ook wel de lol van de situatie in te zien. Joke's mededeling, dat Amstel vermoedelijk wel een paar jaar ouder was dan de op de site aangegeven twee jaar en mogelijk zelfs al acht jaar oud was, nam ik daarna voor kennisgeving aan. Dit was mijn kat en ik wilde hem, koste wat het kost, hebben. Toch wilde ik nog wel even bijkomen van de dood van Tum Tum. Ik zou daarom vandaag al de benodigde zeventig euro voor Amstel betalen, maar ik zou hem pas op dinsdag, de dag na Koninginnedag, komen ophalen. Na daadwerkelijk te hebben betaald, vertrok ik met Frank in noordelijke richting.
Gedurende de fietstocht door Oostzaan en het Twiske en het aansluitende etentje in pizzeria 'San Remo' moest ik voortdurend aan mijn nieuwe kat denken. Het leek mij een vrolijke Frans en ik had zo het gevoel, dat de 'Amstel'-periode een leukere periode zou worden dan de o zo stressrijke 'Tum Tum'-periode. Na het vertrek van Frank verdween Amstel voor even uit mijn gedachten en begon ik toch weer om Tum Tum te rouwen.
Ik dacht vooral terug aan zijn voorlaatste bezoek aan de dierenarts, afgelopen maandag, toen hij voor de derde maal een enorme hoeveelheid vocht had toegediend gekregen en ook nog wat meer onderzoeken had moeten ondergaan. Het was een uiterst onplezierige behandeling geweest, maar Tum Tum had het allemaal moedig en lijdzaam ondergaan en was zelfs gaan spinnen, toen ik mijn hand op zijn kop had gelegd. De herinnering aan die malle, doodzieke kater, die zich, gerustgesteld door die hand op zijn kop, ineens behaaglijk ineenrolde, was eigenlijk een beetje teveel voor mij en ik moest in de daaropvolgende dagen regelmatig om het verlies van mijn geliefde kater huilen. Ik schaamde mij niet voor mijn verdriet en wist, dat de nu aangebroken rouwperiode nog zeker zes weken zou gaan duren. Na die zes weken zou die rouwperiode echter wel meteen voorbij zijn. Rouwperiodes om een gestorven huisdier waren zeker zo intens als de rouwperiode om een gestorven dierbare; ze duurden alleen veel korter.
Ik besefte tijdens die eerste rouwdagen maar al te goed, dat Amstel geen tweede Tum Tum zou zijn. Zo'n gekke, lieve kater als Tum Tum zou ik ook nooit meer krijgen. Ik herinnerde mij nog heel goed, hoe we tijdens die eerste nacht in mijn huis samen de nacht in mijn huiskamer doorbrachten, ik op een matras en hij in het hoekje achter de tv, en hoe hij tijdens die allereerste nacht zomaar ineens uit zijn hoekje vandaan kroop, naar mij toe liep, mij een kopje gaf en daarna weer heel bedaard naar zijn hoekje terugliep. Het was net alsof dat stomme beest besefte, dat ik op dat moment hevig over de hele recente dood van zijn voorgangster aan het treuren was en dat hij mij even wilde opbeuren. Het was een herinnering, die ik af en toe als een enorme kwelling ervoer.
Ik zag Tum Tum ook voortdurend in mijn huis opduiken, terwijl ik toch heel goed wist, dat zijn lijkje in de koelcel van 'Dierenkliniek Van der Pek' aan de Wingerdweg lag en dat hij daar pas op 1 mei door een destructorbedrijf zou worden weggehaald. Zowel het een als het ander beklemde mij zeer en ik fietste in de daaropvolgende, vrije dagen nog een paar keer langs de dierenkliniek om dat gevoel van beklemming een beetje te kunnen beteugelen.
In de daaropvolgende dagen zag ik hem voortdurend in mijn huis opduiken, terwijl ik toch heel goed wist, dat zijn lijkje in de koelcel van 'Dierenkliniek Van der Pek' aan de Wingerdweg lag en dat hij daar pas op 1 mei door een destructorbedrijf zou worden weggehaald. Zowel het een als het ander beklemde mij zeer.
Op die eerste mei ging ik dan ook met gemengde gevoelens die dierenkliniek binnen. Ik had echter geen andere keus: ik had vlooiendruppels nodig en ik wilde Amstel alvast bij de dierenkliniek inschrijven. Na die plichtplegingen te hebben vervuld, fietste ik naar een dierenwinkel in de Azaleastraat, waar ik voer- en drinkbakjes en een kattenbak kocht. Ik bracht mijn nieuwe aankopen naar huis en begaf mij daarna met een kattenkooi op weg naar het asiel. De eerste kilometer naar Oostzaan liep ik, omdat ik bus 92 naar Zaandam net had gemist, maar aan het begin van de Buiksloterdijk besloot ik op de volgende bus 92 te wachten. Het was een zonnige dag en mijn stemming was daar ook wel naar. De recente herinneringen aan de stervende Tum Tum vervaagden een beetje en ik dacht nu met de nodige voorpret aan die malle kater in het asiel, die nog onkundig was van het feit, dat hij over pakweg een uur een nieuw huis zou hebben.
Op dat moment kwam de bus aanrijden. Ik stapte in en nam plaats op een zitplaats bij de uitgang. Tijdens de rit reden we eerst door Kadoelen, met onder andere het Dierencrematorium aan de Kadoelenweg, en daarna door Oostzanerwerf. Het was natuurlijk een plezierig ritje, omdat elke omwenteling van de wielen mij dichter bij mijn nieuwe kat bracht. Ik stapte bij de halte vlak voor de gemeentegrens uit en wandelde daarna naar het asiel. Binnen een paar minuten had ik mij bij Iny, de eigenaresse van het asiel, aangediend. Iny ging meteen met de kattenkooi naar het kattenverblijf van Amstel om hem op te halen. Het duurde niet lang, voordat Iny met een gevulde kattenkooi terugkwam.
''Hij is een beetje dik, dus hij moet wel op dieet'', zei Iny.
''Dat gaat wel lukken, hoor!'', antwoordde ik.
Ik nam de kooi van Iny over, nam afscheid van haar, verliet het kantoortje en stak met Amstel weer de gemeentegrens over. Ik was er zeker van, dat Amstel hier nooit meer terug zou keren, dus het komende verblijf van Amstel in zijn geboortestad zou een definitief verblijf gaan worden. Tijdens het wachten op de bus ging ik op het bankje zitten en nam ik de kooi op mijn schoot om mij met mijn nieuwe kat te kunnen onderhouden.
''Dag, Amstel!'', zei ik.
Hij gaf geen kik, maar kneep wel even zijn ogen dicht. Het was een teken, dat hij mij en de boel wel vertrouwde en dat gaf mij moed. Ik bleef dus maar tegen hem praten, waarbij ik het zinnetje ''Dag, Amstel!'' af en toe verving door ''Dag, Biertje!'' Hij vond het allemaal prima en ik had het stomme beest al helemaal in mijn hart gesloten. De bus liet niet lang op zich wachten en het busritje naar de Kamperfoelieweg verliep zonder problemen. Hij miauwde niet en hij huilde niet en liet zich rustig door mij toespreken. Bij het passeren van het Dierencrematorium vroeg ik mij af, of ik dit beest te zijner tijd wel een fatsoenlijke begrafenis of crematie zou gunnen. Ik kon op dat moment niet beredeneren, waarom ik dat nu wel een aantrekkelijke gedachte vond, maar een aantal jaren later kon ik dat dus wel.
Ik stapte uit bij de halte bij de Pinksterbloemstraat en liep vol goede moed naar huis. In de keuken maakte ik de kooi open om Amstel los te laten. Dat had voor de hand liggende gevolgen. In tegenstelling tot wat had verwacht, raakte hij, net als Tum Tum zeven jaar geleden, flink in paniek. Hij miauwde luid en probeerde zijn inderdaad hele dikke lijf achter de koelkast te verstoppen. Dat lukte dus voor geen meter. Mijn hart bloedde voor hem, omdat ik hem, ondanks de koddigheid van de situatie, zo zielig vond en ik besloot om hem maar met rust te laten. Uiteindelijk zocht hij zijn toevlucht in de kattenkamer, waar de voer- en drinkbakjes en de kattenbak dus al voor hem klaarstonden. Daar bleef hij de rest van de dag liggen, verscholen achter de deur, met een hele bange gelaatsuitdrukking op zijn mooie kop. Pas toen ik naar bed was gegaan, bleek hij die kamer even te hebben verlaten. Ik hoorde hem huilen, zoals alleen een bange straatkat kon huilen, ging hem zoeken en vond hem op het bed, een eenpersoonsmatras, in mijn logeerkamer. Hij keek mij weer heel angstig aan en ik deed instinctief het enige, wat ik kon doen: ik knielde bij hem neer, nam hem in mijn armen en drukte hem heel even, heel stevig tegen mij aan. Het was genoeg voor hem. Dat non-vocale ''Ik ben er voor je, ik zal er altijd voor je zijn en je hoeft nooit meer ergens bang voor te zijn'' maakte hem rustig, zodat ik zelf uiteindelijk ook kon gaan slapen.
In de daaropvolgende dagen vond Amstel een ander toevluchtsoord: de ruimte onder mijn bed in de slaapkamer. Ik zocht hem elke dag na het werk een aantal keren op. Ik schoof de matras dan een stukje van het bed af, verwijderde een paar loszittende planken van de lattenbodem en begon hem door dat ontstane gat te aaien. Als de nogal speelse Tum Tum op die plek onder dat bed gelegen, had hij mij waarschijnlijk elke keer flink gekrabd, maar Amstel was dus uit een ander hout gesneden. Hij liet zich dat geaai kalm welgevallen en begon elke keer te spinnen. Hij bleek dus echt een hele lieve, hele rustige kater te zijn. Het begon in die dagen ook tot mij door te dringen, dat hij niet zo zeer de opvolger was van Tum Tum, als wel van Tum Tums voorgangster Miepie. De kat, die in september 1980 onder mijn gootsteen was geboren en bijna twintig jaar later in een Dierenambulance was overleden. Ik vond dat geen onplezierige ontdekking. Ik was stapelgek op Miepie geweest en dat ik nu een kat had, die in veel opzichten op haar leek, maakte mij eigenlijk wel gelukkig.
Er was in die week slechts één dag, waarop ik Amstel op een andere plek aantrof. Dat was de dag, waarop mijn broer At met mijn nieuwe huisgenoot kwam kennismaken. At, die tijdens mijn laatste, zeven vakanties op Tum Tum had gepast, was niet zo gecharmeerd van de dikke, zwarte kater, die we op die zaterdagochtend op de vensterbank van de kattenkamer aantroffen. De aversie was wederzijds: Amstel keek mijn oudste broer heel bang aan, ongeveer op de manier, waarop hij mij op zijn eerste dag in mijn huis had aangekeken, toen hij achter de deur van de kattenkamer had gelegen.
Na Ats vertrek vluchtte Amstel weer onder het bed, maar een paar dagen later kwam hij dan toch de huiskamer binnenlopen. Hij bromde, zoals alleen een dikke kater kan brommen, en had de slepende, bijna patserige tred van een straatkat, die het klappen van de zweep inmiddels wel kent en de tijd nu rijp achtte om zijn nieuwe behuizing te bezichtigen. Ik was dolblij met zijn onverwachte verschijning en maakte vol trots de eerste, vier foto's van hem. Van die vier foto's heb ik er twee bewaard; op beide foto's is een enorme, zwarte kater te zien, die zijn ogen heeft gesloten en zeer op zijn gemak lijkt te zijn. De laatste foto is een portretfoto, waarop zijn gehavende kop en het ontbrekende topje van zijn rechteroor dus heel goed te zien is. Ik werd mij er door die foto terdege van bewust, dat hij een uiterst moeilijk leven achter de rug had en ik nam mij voor om de rest van zijn jaren kalm en rimpelloos te laten verlopen. Ik zou hem elke vorm van stress gaan besparen. Ook de stress, die mijn afwezigheid zou gaan veroorzaken. Het was dus afgelopen met de vierdaagse tripjes naar oorden zoals Praag, Freiburg en Basel. Kortom: zolang Amstel nog leefde, zou ik niet meer op vakantie gaan.
In de daaropvolgende maanden nam het leven weer zijn normale loop. Amstel groeide tot een typische, gesocialiseerde straatkat uit. Met andere woorden: hij ontwikkelde zich tot een echte kameraad. Hij deed geen kunstjes, op dat ene kunstje na, was niet echt sociaal ingesteld en zat nooit op mijn schoot, maar hij kon wel urenlang naast mijn stoel zitten. Meer en meer begon ik te beseffen, dat hij de kat was, die van al mijn katten het beste mij paste en in wie ook iets van mijzelf herkende. Hij was, net als ik, een knappe, charismatische loner met een moeilijk, zelfs problematisch verleden, die in zijn latere leven kracht aan zachtmoedigheid bleek te kunnen paren. Hij mocht dan onder de liefhebbende handen van de asielmedewerksters tot een hele lieve lobbes zijn uitgegroeid, hij was tegelijkertijd ook een hele lieve lobbes met lef en zoals later zou blijken: een hele lieve lobbes met een schier ontembare levenswil.
In de eerste jaren bracht hij zijn meeste uren slapend onder het bed door. Ik vond dat geen probleem, want hij was ook regelmatig in de rest van het huis te vinden. Elke morgen zat hij in de deuropening van de slaapkamer op mij te wachten en hij zat ook vaak in dezelfde deuropening als ik achter mijn pc zat te werken. Na elke werkdag zat hij mij bovenaan de trap op te wachten, waarbij ik de meeste keren toch echt een kopje van hem kreeg, zodra mijn hoofd zich op gelijke hoogte met zijn kop bevond. Hij was eigenlijk wel een levensgenieter. Hij hield bijvoorbeeld tamelijk veel van zonnen. 's Ochtends deed hij dat meestal in de huiskamer, 's middags deed hij dat in de keuken. Hij had ook al snel een bed voor zichzelf uitgezocht: het bed in mijn logeerkamer. Het was in die eerste jaren de plek, waar ik hem af en toe ongeneerd kon knuffelen. Hij kon dat wel waarderen, mits dat geknuffel niet te lang duurde. Later verhuisde die knuffelplek naar een hoek in de slaapkamer en weer later naar zijn 'mandje' in de huiskamer.
Hij was niet zo speels als Tum Tum was geweest. In de beginjaren placht hij nog wel eens met draadjes, zoals los slingerend garen, te spelen, maar zijn voornaamste hobby bleek, zoals te verwachten was, eten te zijn. Hij bromde altijd op een instemmende manier als ik hem zijn eten gaf en het eten zelf ging altijd met een luidruchtig gespin gepaard. Ik slaagde er al snel in om hem flink af te laten slanken. Dat was een heus huzarenstukje, want ik gaf hem meestal toch wel twee keer per dag te eten, en dan zowel zacht voer als harde brokjes. Een speciale traktatie waren de stukjes kip, die hij van mij kreeg als ik bami bij de Chinees had gehaald. Hij zat dan beurtelings op het salontafeltje en de rechterleuning van mijn stoel en liet mij, luid miauwend, weten, dat hij absoluut met mij mee wilde eten. Hoewel het in ruime mate gebeurde, ging dat meeëten soms niet snel genoeg naar zijn zin. Als het wachten op het volgende stukje kip te lang duurde, tikte hij telkens met zijn rechterpootje op mijn onderarm. Ik heb die subtiele smeekbedes van hem nooit kunnen weerstaan en gaf hem tijdens die gelegenheden waarschijnlijk meer kippenvlees dan goed voor hem was. Hij placht meestal ook mijn bord schoon te likken als ik zo dom was geweest om dat bord na het eten op het salontafeltje te laten staan. Ik accepteerde dat van hem, zoals ik dat ook altijd van Miepie had geaccepteerd.
Hij had zich door mijn solitaire levensstijl al snel helemaal op mij gericht. Als ik visite kreeg of als er werd aangebeld, verdween hij meestal naar zolder en hij kwam altijd pas naar beneden als de visite al lang en breed was opgehoepeld. Die eenkennigheid sterkte mij in mijn voornemen om niet meer op vakantie te gaan. Dat afzien van het reizen werd mij door vele mensen afgeraden, maar ik was daar heel stellig in. Als je door je levensstijl zo'n beest dwong om zich alleen maar op jou te richten, moest je daarvoor altijd de consequenties dragen en je dan niet voor een paar weken of zelfs maar voor een paar dagen aan de verzorging van dat beest onttrekken.
Soms huilde hij nog wel eens als ik naar bed was gegaan. In de eerste jaren placht ik dan een luidkeels ''Houd je kop!'' naar zijn kop te slingeren; in de latere jaren bleek daar een betere remedie voor te bestaan. Soms bromde hij als ik hem tijdens een van zijn schoonheidsslaapjes aanraakte. Hij deed dat altijd op een goedmoedige manier, alsof hij wilde zeggen: ''Hou je poten nou eens thuis, eikel!'' Soms wist hij dat malle geknuffel van mij te ontlopen door even onder het bed te vluchten. Meestal kwam hij daar dan meteen weer onder vandaan, met een wat melige gelaatsuitdrukking, alsof hij zich voor zijn eigen, onzinnige vluchtgedrag geneerde.
Mensen konden weinig kwaad bij hem doen. Voor honden gold dat niet: hij bleek zelfs een enorme afkeer van honden te hebben. Dat merkte ik pas op een zaterdagmiddag in november 2007, toen hij een blaffende hond in het portiek voor mijn huis hoorde en vervolgens zelf begon te grommen. Ik nam hem meteen in mijn armen en liep met hem naar het raam. Ik wilde wel eens weten, wat voor een uitwerking de aanblik van die hond op Amstel zou hebben, maar dat zou ik helaas nooit te weten komen: de hond was namelijk al verdwenen. Sindsdien ging ik er maar vanuit, dat een hond verantwoordelijk voor zijn toegetakelde rechteroor moest zijn geweest. Mijn kat had zijn mannetje dus wel gestaan in zijn straatjaren en ik was daar tamelijk trots op. Het zou ook best kunnen, dat er door zijn late castratie nog een aantal nazaten van hem in de binnenstad rondliepen en ook dat was vanzelfsprekend een reden om trots op te zijn.
Over zijn gezondheid mochten hij en ik niet klagen. In 2007 moest ik wel tot tweemaal toe zijn nagels laten afknippen. Bij de laatste keer was ik daar te laat mee en had hij, stoïcijns als altijd, weer een poosje met een ingegroeide teennagel rondgelopen. In het begin van 2008 begon hij opeens te vermageren en begon ik te vrezen voor wéér een nierpatiëntje in huis. Het bleek loos alarm, want hij knokte zich er weer bovenop. Volgens mijn ex-chef Peter de Ruijter moest een kat, die zonder hulp van een dierenarts een ziekte overwon, over een ijzeren gestel beschikken en dat was een conclusie, die ik graag onderschreef. Ik had jaren met de niet zo gezonde Tum Tum lopen sukkelen en ik ervoer het als een verademing, dat er nu wel een gezonde kat in huis rondliep. In september van dat jaar onderging hij door toedoen van een overijverige dierenarts toch een nieronderzoek. Tijdens het nagelknippen had de dierenarts door de slechte adem van Amstel het idee gekregen, dat Amstel wel degelijk nierproblemen had. Het bleek opnieuw loos alarm: hij verkeerde toch echt in een blakende gezondheid.
In december van dat jaar overleed At tijdens zijn vakantie in Oklahoma. Ik hoorde het nieuws laat in de avond van de drieëntwintigste en ik zou, om de schok een beetje te kunnen verwerken, tot diep in de nacht opblijven. Om twee uur liep Amstel de huiskamer binnen. Hij miauwde om eten en omdat ik niet wilde, dat ik daarover geïrriteerd zou raken en de schok over de dood van mijn broer op hem zou afreageren, gaf ik hem gewoon maar te eten. Hij kreeg die nacht dus een extra dagrantsoen en hij liet zijn voldoening daarover wel blijken. Wat er die nacht gebeurde, was eigenlijk wel exemplarisch voor wat er in de daaropvolgende jaren plaatsvond. Er gebeurden in die jaren heel veel nare dingen in mijn leven, zoals een afzichtelijke ruzie in de familie, een serie van zenuwslopende reorganisaties op mijn werk en een hardnekkige maagkwaal, maar de rustgevende aanwezigheid van mijn trotse straatkat, die mij nooit beet en mij nooit krabde, gaf mij toch altijd iets om op terug te vallen. Hij was in die klotejaren de enige vaste waarde in mijn leven en dat deed mijn verknochtheid aan hem nog danig toenemen.
Ergens in 2010 veranderde hij ineens van naam. Kijkend naar een herhaling van 'James Herriot', met Amstel aan mijn zijde, zag ik ineens een zwarte kat, de wilde Boris van Mrs. Bond, die sprekend op hem leek.
''Hee, Boris!'', zei ik tegen Amstel.
Amstel reageerde er meteen op en vanaf dat moment sprak ik hem maar met Boris aan. Ik vermoedde, dat zijn vorige baasje, die hij waarschijnlijk dus nooit had gehad, hem Boris had genoemd en het leek mij wel leuk om die band met zijn verleden te herstellen.
Aan het einde van 2010, toen de ruzies in de familie voorlopig waren bijgelegd, mijn maag was genezen en ik – wonder boven wonder – nog steeds een baan bleek te hebben, begon Boris toch te sukkelen. Hij begon steeds vaker over te geven. Na lang aarzelen belde ik op 30 november de dierenarts. De dienstdoende assistente, een aardig mens van Scandinavische afkomst, raadde mij aan om hem de volgende dag toch even door de dierenarts te laten onderzoeken. Ik stemde toe, zij het met de nodige tegenzin, want de diagnose van de nierziekte van Tum Tum was ook op een 1 december, die van 2006, gesteld en ik zag daar een, op zijn minst ongunstig voorteken in.
Toch bracht ik Boris de volgende dag naar 'Dierenkliniek Van der Pek'. Boris was, zoals altijd heel gedwee bij de dierenarts. Hij liet zich kalm onderzoeken en tijdens het wachten op de uitslag van het onderzoek ging hij voor het eerst uit zichzelf op mijn schoot zitten. Ik was er zeer door vertederd en voelde mij daarna ook redelijk opgewekt. De dierenarts had het niet zo somber ingezien; de kans, dat het probleem van Boris aan zijn nieren lag, leek hem niet zo groot. Een aantal minuten later keerde de dierenarts terug bij ons. Boris begroette hem met een hevig geblaas, hetgeen mij zeer verbaasde. Hij had de behandeling dus bepaald niet geapprecieërd, maar ik werd al snel van dat geblaas afgeleid, want de uitslag van het onderzoek bleek niet zo gunstig te zijn. Een van Boris' nieren werkte niet meer zo goed. Hoewel het gelukkig geen doodvonnis was – hij zou met een nierdieet nog jaren kunnen leven - schrok ik er dus wel van. Ik stopte Boris weer in zijn kooi, betaalde bij de balie en liep in gedachten verzonken naar de halte van bus 38. Tum Tum had na het onderzoek van vier jaar geleden nog maar vijf maanden geleefd, omdat hij het nierdieet niet had gepruimd en ik vroeg mij af, of Boris misschien dezelfde kant op zou gaan. Er hing, hoe je het ook wendde of keerde, weer een Zwaard van Damocles boven mijn hoofd en dat was een uiterst onplezierige gewaarwording.
Boris pruimde het nierdieet dus wel. Ik betwijfel zelfs, of hij het verschil wel merkte, want ik merkte helemaal niets aan zijn eetgedrag en ik zag hem tot mijn verbijstering zelfs dikker en dikker worden. In de dagen na de diagnose had ik op internet naar artikelen over het verloop van een nierziekte bij katten gezocht, maar dat had mij niet veel wijzer gemaakt. Op een van de bezochte sites had ik een verhaal gelezen over een kat, die na de diagnose nog zes jaar had geleefd. Een paar weken later had ik echter op een andere site gelezen, dat de gemiddelde, resterende leeftijd na een diagnose van een nierziekte slechts negentien maanden bedroeg, en dat was natuurlijk een flinke domper geweest. Na het lezen van het laatste artikel begon ik mij eigenlijk al een beetje op het afscheid van Boris voor te bereiden.
Inmiddels had ik toch mijn ontslag aangezegd gekregen: op 31 maart 2011 stopte ik met werken. Een van de voordelen van dat ontslag was natuurlijk, dat ik veel meer uren met Boris kon gaan doorbrengen. Toch zag ik hem in die eerste maanden niet zo vaak. Hij lag nog steeds regelmatig onder het bed in de slaapkamer en hij bracht nog steeds zijn nachten op het logeerbed door. Ik bleef hem wel regelmatig knuffelen, hetgeen hij door de jaren heen steeds meer leek te waarderen. Als ik hem, met zijn nauwelijks waarneembare instemming, voor zo'n korte knuffel optilde, drukte hij altijd even zijn kop tegen mijn wang en tijdens zo'n knuffel werd er ook altijd oorverdovend gespind. In die periode ontdekte ik, dat het gehuil in de late avonduren een schreeuw om aandacht was. Elke keer als hij huilde, stond ik dus maar weer op en liep ik naar hem toe om hem zijn 'Welterusten'-knuffel te geven. Die knuffel werd elke keer weer in dank aanvaard en ik kreeg hem daarmee altijd weer stil.
Aan het einde van het jaar zakte ik door mijn bed heen. Het had ook voor Boris verstrekkende gevolgen. Ik verhuisde de tweepersoonsmatras naar mijn geboortekamer en de eenpersoonsmatras naar mijn oude slaapkamer. Een paar weken later sloopte mijn broer Piet het bed zelf en was Boris dus in één klap zijn vaste stekkie en zijn slaapplaats kwijt. Hij nam het een en ander filosofisch op. Hij installeerde zich vanaf dat moment voorgoed voor de radiator in de huiskamer. Om hem schadeloos te stellen voor alle veranderingen, legde ik een handdoek voor die radiator, waarop hij kon gaan liggen en vanaf dat moment had hij dus een 'mandje'. Dat mandje 'stond' soms naast mijn stoel, soms schuin tegenover die stoel. Van het logeerbed, de eenpersoonsmatras in mijn voormalige slaapkamer, maakte hij na de sloop van het bed nooit meer gebruik. Ik heb hem één keer op de tweepersoonsmatras aangetroffen en hij heeft één keer een halfuurtje naast mij en zelfs naast mijn hoofdkussen geslapen, maar voor de rest had hij genoeg aan zijn mandje.
In februari 2012 kreeg mijn broer Willem een forse beroerte en ik moest mij in de maanden daarna als een heuse mantelzorger ontpoppen. De bezoekjes aan Willem in revalidatiekliniek Reade aan de Overtoom, in combinatie met mijn recentelijk opgestarte vrijwilligersactiviteiten voor 'Vreugdehof', een verpleeghuis in Buitenveldert, zorgden ervoor, dat ik Boris minder vaak zag. Dat hinderde mij wel een beetje. Boris dacht daar echter anders over. Hij ging nog steeds met een zekere onverschilligheid door het leven. Hij vond het leuk als ik er was, maar als ik er niet was, was het ook goed. In die periode zat hij ook steeds vaker op mijn zeer rommelige zolder. Na het slopen van het bed kon hij in mijn huis eigenlijk zijn twee levensperiodes gaan combineren. Op die uiterst stoffige zolder kon hij zich de straatkat wanen, die hij in zijn jeugdjaren was geweest; beneden kon hij de goed verzorgde en met mate vertroetelde huiskat uit zijn latere jaren zijn.
Van zijn nierziekte was in de eerste twee jaar na de diagnose weinig te merken geweest. Van tijd tot tijd raakte hij uitgekeken op zijn brokjes en dan at hij gewoon niet. Ik wisselde dus telkens van merk en kreeg daar al snel een zekere handigheid in. Hoewel hij af en teo overgaf, leek dat niet iets om je zorgen over te maken. Zijn nieren bleven de strijd tegen zijn ziekte stug volhouden en ik had al snel de idiote gewoonte ontwikkeld om tijdens het knuffelen, behalve Boris, ook zijn nieren bemoedigend toe te spreken. Het is goed, dat niemand mij ooit tijdens die nierconversaties heeft aangehoord, maar het was toch echt een probaat middeltje om mijn angst voor het verlies van Boris in toom te houden.
In dezelfde periode werd het rustige leventje van Boris heel even bedreigd. Mijn schoonzusje, wier naam ik niet wil noemen, maar die vermoedelijk door de Prince of Darkness himself was verwekt, wilde met alle geweld, dat ik haar twee zwerfkatten in huis zou nemen. Dat had ik haar weliswaar al in 2011 beloofd, maar dan wel onder één voorwaarde: ik zou die katten pas in huis nemen als Boris dood zou zijn. Ik wilde Boris in zijn mogelijk laatste levensjaar namelijk niet met twee nieuwe huisgenoten opschepen. Die reden was nu niet meer relevant voor haar. Het wachten op de dood van Boris duurde haar veel te lang en ik moest de katten dus nu maar in huis nemen. Als ik dat niet zou doen, zou zij de katten naar het asiel brengen en zij vroeg mij ook, of ik haar in dat geval zou willen helpen, omdat zij door haar zwakke rug geen zware dingen kon dragen. Ik deed noch het een, noch het ander en toen de kleinzoon van de Prince of Darkness mij schreef, dat hij zijn overleden vader, At dus, nog steeds haatte, was de maat vol. Ik brak met het tweetal en sloeg daarmee twee vliegen in één klap: ik had de bezoedeling van de nagedachtenis van mijn overleden broer op de enig juiste manier bestraft en Boris kon zijn kalme levensavond ongestoord voortzetten.
Er waren in dat jaar wel tekenen, die erop wezen, dat het einde van die levensavond zo langzamerhand in zicht kwam. Vlak voor Pasen stopte hij ineens met eten. Ik wist niet, of het zoveelste eetstaking was, of dat zijn nierziekte in de laatste fase was gekomen, maar ik begon toch al een beetje afscheid van hem te nemen. Op Paaszaterdag begon hij echter toch weer te eten en in de weken daarna werd hij zelfs weer een stuk dikker. Het tweede teken was vermoedelijk geen loos alarm. In het najaar begon hij steeds vaker en ook steeds meer te plassen. Het had op zijn omvang in het geheel geen uitwerking. Hij bleef vooralsnog een tamelijk mollige kat.
Aan het einde van november was er weer een kleine crisis. Gedurende een paar dagen at hij niet en weer was er die twijfel: was hij weer uitgekeken op zijn huidige voer, of was hij stervende? Omdat ik in die dagen zelf ziek was, duurde het even, voordat ik ander voer voor hem kon kopen. Dat andere voer, gewoon blikvoer van Sanimed en harde brokjes van K/D, bleek toch uitkomst te bieden. Hij at er met smaak van en de 'Grote Brokjescrisis' was daarmee ten einde. Helaas was 'Dierenkliniek Van der Pek' daarna niet erg behulpzaam bij het op tijd bestellen van het vereiste blikvoer, dus wisselde ik maar van dierenarts. Vanaf begin december betrok ik het voer voor Boris bij 'Dierenkliniek De Meteoor' op het Zonneplein in Tuindorp Oostzaan.
De zorgen om Willem, die in juli een tweede beroerte en in september een epilepsie-aanval had gehad, en daarna de zorgen om Piet, mijn middelste broer, die op 5 december ook al een beroerte kreeg, deden mij met nog meer verbazing naar Boris kijken. Die malle kat, die als kitten waarschijnlijk op straat was beland en op dat moment een overlevingskans van twintig procent moet hebben gehad, had op een haar na al mijn broers overleefd. Toch had ik vlak voor de jaarwisseling een naar voorgevoel over Boris. De kans, dat hij in 2013 zou gaan sterven, leek mij eigenlijk wel vrij groot. Dat voorgevoel van zijn naderende dood was het sterkst, toen ik na de jaarwisseling – ik had die jaarwisseling bij Willem in Reade gevierd – thuiskwam en even later Boris van de zolder zag komen. Bij zijn binnenkomst in de huiskamer voelde ik een vlaag van weemoed door mij heen gaan en het voorgevoel over zijn naderende dood leek op dat moment tot een zekerheid uit te groeien. Die vlaag van weemoed was de enige emotie, die ik in de eerste maanden van 2013 over zijn mogelijke dood voelde. Ik stond er in die maanden ook in het geheel niet bij stil, dat ik na de dood van Miepie en Tum Tum zes weken had gerouwd.
In de eerste drie maanden van 2013 was er, op dat vele plassen na, helemaal niets van zijn ziekte te merken. Hij at weer goed en hij woog zeker vijf kilo; op alle foto's, die ik in dat eerste kwartaal van hem heb genomen, is een hele dikke kat te zien. Er was zelfs een moment, waarop ik het gevoel had, dat ik als eerste dood zou gaan. In de nacht van 13 op 14 maart kreeg ik in mijn slaap een verstikkingsaanval. Na het wakker worden liep ik in paniek naar de huiskamer, waar ik mijn huisgenootje met mijn amechtige naar adem happen enige angst aanjoeg. De verstikkingsaanval, veroorzaakt door opkomend maagzuur na het nuttigen van een veel te vette pizza, ging uiteindelijk voorbij, zonder dat ik er iets ernstigs aan overhield.
Een maand later, op 19 en 20 april, waren de rollen omgedraaid. Op de eerste dag ontdekte ik, dat de botten van Boris en met name zijn ruggengraat aan het afkalven waren. Het was het tweede teken van het voortschrijden van zijn ziekte. Het derde teken kwam al de volgende dag: hij had moeite met lopen, omdat hij door die afkalvende botten af en toe door zijn achterpoten zakte. Hoewel ik het een afschuwelijke aanblik vond, leek Boris niet echt onder de indruk van zijn haperende motoriek te zijn. Hij leek gelukkig ook geen pijn te hebben. Dezelfde dag deed ik nog een alarmerende ontdekking: er zaten een paar kattenbakkorrels tussen de kussentjes van zijn pootjes vastgeklemd en ook rond zijn achterste zaten een paar kattenbakkorrels vastgekoekt. Ik verwijderde de kattenbakkorrels met een bezwaard gemoed en op dat moment kwamen de emoties over de naderende dood van Boris ineens wel los. Een paar minuten later barstte ik zelfs even in huilen uit, maar ik wist mij gelukkig snel te vermannen.
Ik ging de daaropvolgende dagen, waarin hij toch weer wat opknapte, naar vermogen met dat naderende afscheid van Boris om. Ik probeerde mijn emoties zoveel mogelijk voor hem verborgen te houden en zijn leven tegelijkertijd zo aangenaam mogelijk te maken. Ik legde een tweede badhanddoek en een oude, door ex-schoonzusje Riet gebreide trui in zijn mandje en had onmiddellijk eer van mijn werk: hij was in de weken daarna niet meer van zijn mandje weg te slaan. Ik bleef ook elke dag de kattenbakkorrels verwijderen, tot hij zich opeens weer wat beter begon te verzorgen en dat niet meer nodig was en ik kamde hem minimaal één keer per week op het logeerbed. Om dat ontklitten wat plezieriger voor hem te maken, nam ik hem nu telkens in een soort houdgreep om hem het idee te geven, dat ik hem aan het knuffelen was. Dat accepteerde hij en tijdens het kammen begroef hij telkens weer zijn kop in de kuil van mijn rechterelleboog. Dat wegschuilen in mijn elleboog deed hij ook als ik hem heel sporadisch op schoot nam. Hij bleef dan meestal even zitten, tot hij weer zijn oude, onafhankelijke zelf werd en van mijn schoot sprong.
Ik had meer last van zijn naderende dood dan in dezelfde periode met Tum Tum. Volgens Peter de Ruijter was dat een teken van ouderdom. Met het stijgen der jaren wordt een mens sentimenteler in dit soort aangelegenheden, omdat dan ook de eigen dood dichterbij komt. Ik vond dat een geruststellende gedachte en liet mijn emoties af en toe ook maar de vrije loop. In dezelfde periode besloot ik om Boris na zijn dood te laten cremeren. Het idee, waarmee ik toen in bus 92 had gespeeld, zou dus werkelijkheid gaan worden. Nu zijn dood nabij was, kon ik de gedachte, dat hij na zijn dood bij een destructorbedrijf terecht zou komen, niet meer verdragen. De voormalige straatkat verdiende het niet om na zijn dood op een soort vuilnisbelt terecht te komen. Die cirkel mocht niet worden gesloten. Ik bezocht de website van het Dierencrematorium in Noord en deed daar een geruststellende ontdekking: een algemene crematie, een crematie met meerdere dieren, zou maar eenenzeventig euro gaan kosten. Dat had ik wel voor hem over.
Nu zijn dagen waren geteld, vond ik het steeds moeilijker om bij hem weg te gaan. Het afscheid nemen voor het weggaan duurde altijd heel lang. Het was, evenals het naar bed gaan, een handeling, waaraan een flink aantal knuffels vooraf moest gaan. Het liefste bleef ik gewoon maar de hele dag bij hem. Omdat ik dagelijks voor mijn vrijwilligers- en mantelzorgactiviteiten het huis verliet, kwam dat er vrijwel nooit van, maar als ik wel thuis was en naar de televisie keek, genoot ik met volle teugen van de aanblik van die malle, zwarte kat in zijn mandje naast mijn stoel. Met hem aan mijn zijde heb ik al mijn films bekeken, plus alle afleveringen van 'Monty Python' en van 'James Herriot', dus ook de afleveringen met de wilde Boris, en tenslotte in de niet al te plezierige mei-maand ook al mijn afleveringen van 'Rail Away'.
In de maand mei zag ik hem langzaam verder aftakelen. Hij was heel moe en hij bracht zijn dagen dus vooral slapende door. De aanwezigheid van een oud en zielig ogend muisje, dat ik in de eerste week van mei tot drie keer toe in mijn keuken aantrof, ging volledig langs hem heen. In zijn vorige leven had hij waarschijnlijk meedogenloos toegeslagen en had hij het muisje met huid en haar opgevreten; nu bleef mijn oude, zieke kat rustig op zijn mandje liggen en liet hij het muisje ongemoeid. Op de dertiende probeerde hij in het hoekje tussen mijn stoel en mijn voetenbankje te kruipen, een teken, dat de laatste fase van zijn ziekte begon te naderen, en op de negentiende ontdekte ik wat bloed in zijn urine en zijn ontlasting. In een paar weken tijd was hij zeker twee kilo afgevallen en hij begon ook langzaam uit te drogen. Ik merkte dat laatste aan de smakkende geluidjes, die hij af en toe maakte, en aan zijn werkelijk kurkdroge neus. Ik ontdekte die uitdroging een beetje te laat, maar na die ontdekking wreef ik regelmatig wat water over zijn bek en zijn neus.
Eind april was er dus een crisis geweest en eind mei ook en ik had hem beide keren eigenlijk al opgegeven, maar hij knokte zich telkens weer door elke crisis heen. De vechtlust, die hem door zijn straatjaren moest hebben heengeholpen, kwam hem ook nu weer van pas: zijn lijf in het algemeen en zijn nieren in het bijzonder wensten ook deze strijd simpelweg niet op te geven. Zolang hij nog elke dag at, was het stadium, waarin ik hem moest laten inslapen, ook nog niet aangebroken. Ik had inmiddels al met Marjon, de dierenarts van 'Dierenkliniek De Meteoor', afgesproken, dat ik hem niet zou laten behandelen als dat laatste stadium zou zijn aangebroken en dat gaf mij wel wat rust. Boris zou een lijdensweg, zoals Tum Tum die had meegemaakt, bespaard blijven.
In de eerste week van juni merkte ik al, dat hij verder achteruitging. Zowel het overeind komen als het zich neerzetten ging moeizamer en moeizamer en als ik hem had opgetild en weer neerzette, hield ik altijd even zijn achterpoten vast, omdat hij anders omviel. Als ik hem eten gaf en het voer naar zijn eetschoteltje in de huiskamer bracht, liep hij nu heel langzaam met mij mee. Voor die tijd was het altijd een race naar het schoteltje geweest; nu scharrelde hij tijdens die wandeling naar het schoteltje voortdurend rond mijn voeten en moest ik elke keer weer oppassen, dat ik niet op een van zijn pootjes ging staan. Hij liep ook niet meer weg als ik aan het stofzuigen was. Zijn dood kwam dus steeds dichterbij en de knuffels, die ik hem dagelijks gaf, duurden langer en langer. Soms bleef ik zeker voor een volle minuut met mijn wang tegen zijn soms wat koortsige lijf liggen. Sommige dingen veranderden niet in de laatste, tien dagen van zijn leven. Hij zat elke ochtend in de deuropening van mijn slaapkamer op zijn eten te wachten en hij kwam in die laatste tien dagen zelfs een paar keer naast mijn bed zitten om mij wat sneller te laten opstaan. Op de zevende was hij ineens heel actief, ook al een teken van die naderende, laatste fase, en zat hij ook nog even op de veranda.
De zaterdagavond voor zijn dood bracht ik samen met hem door. Normaal gesproken had ik aan een uitje voor de vrijwilligers van 'Vreugdehof' moeten deelnemen, maar ik kon Boris simpelweg niet alleen laten. Die avond keek ik voor de tweede keer naar een recentelijk aangeschafte dvd met een documentaire over en een concert van The Eagles en vertoefde ik voor een poosje, in gedachten althans, in betere en vrolijker tijden. Ik bleef op tot middernacht en gaf Boris daarna zijn 'Welterusten'-knuffel. Het was een schokkende ervaring: hij was magerder dan ooit en zijn koorts leek ook wat hoger te zijn. Even had ik het gevoel, dat het in de nu aangebroken week wel eens afgelopen met hem zou kunnen zijn, maar dat gevoel kon ik redelijk snel van mij af zetten. Mijn prognose, waar het zijn komende overlijden betrof, was nog steeds eind augustus. Af en toe had ik een beeld van zijn crematie en de verstrooing van zijn as voor ogen en die twee plechtigheden speelden zich altijd op een stralende zomerdag af.
De volgende dag moest hij 's ochtends vroeg overgeven. Ik schrok ervan, maar toen hij even later met smaak van zijn harde brokjes zat te eten, schonk ik er verder geen aandacht aan. Vlak voordat hij had overgegeven, had hij heel brutaal op mijn salontafeltje gezeten en ik vermoedde, dat hij wat broodkruimels van mijn bord had gepikt. Toch had ik wel wat zorgen over hem. Hij had de laatste dagen niet meer zo goed gegeten. Ik schreef het toe aan het voer; hij was vermoedelijk weer uitgekeken op de zachte Sanimed-brokjes. Morgen zou ik weer K/D-brokjes gaan aanschaffen en dan zou hij hopelijk wel weer flink gaan eten.
Een dag later had ik, na de aankoop van acht maaltijdzakjes van K/D, een indringend gesprek met Marjon, de al eerder genoemde dierenarts van 'Dierenkliniek De Meteoor'. Zij vertelde mij, dat ik vanaf nu heel goed moest opletten. Als Boris niet meer at, en alleen nog de jus van de brokjes opslobberde, moest ik haar bellen. Het was eigenlijk wel een plezierig gesprek, zij het met één kleine wanklank. Zij suggeerde namelijk ook, dat Boris in deze fase toch wel eens baat zou kunnen hebben bij een waterinfuus. Het zou hem weliswaar niet genezen, maar het zou hem misschien wel wat kunnen oppeppen. Dat had zij mij in de mail, die ik tien dagen daarvoor van haar gehad, dus niet verteld. Later die avond moest Boris opnieuw overgeven. De nieuwe brokjes van K/D, waarop ik al mijn hoop had gevestigd, deden dus niet, wat ze moesten doen en ik ging ditmaal met een bezwaard gemoed naar bed.
De volgende ochtend zag ik opnieuw dat smalle silhouet in de deuropening van mijn slaapkamer. Ik stond snel op en gaf Boris wat zachte brokjes. Ze kwamen er na een paar minuten weer uit en weer wat later gaf hij nog een keer over, waarbij er eigenlijk alleen wat slijm loskwam. Ik schoof hem met een gebaar opzij en ruimde de rotzooi op. Dit was de zoveelste eetcrisis en vermoedelijk ook de definitieve eetcrisis. Ik twijfelde over de vraag, of ik nu al de dierenarts zou moeten bellen, of nog een dagje zou moeten wachten, maar die beslissing schoof ik maar even voor mij uit.
Een uurtje later gaf ik Boris nogmaals te eten. Het resultaat daarvan was alarmerend: hij negeerde de brokjes en slobberde alleen de jus op. Dat was het teken: ik zou vandaag nog de dierenarts moeten bellen. Voor ik dat deed, belde ik even met de man, die inmiddels mijn beste vriend was geworden: Peter de Ruijter. Ik vertelde hem, dat Boris vermoedelijk stervende was en hij drukte mij op het hart om vandaag de dierenarts te bellen en om, als dat mogelijk was, Boris vandaag nog in te laten slapen.
Om echt helemaal zeker van mijn zaak te zijn, gaf ik Boris nogmaals wat zachte brokjes. Het resultaat was hetzelfde als daarnet: hij slobberde alleen maar de jus op, at met zichtbare tegenzin één brokje op en ging daarna weer in zijn mandje zitten. Er was simpelweg niet aan te ontkomen: ik moest de dierenarts bellen. Ik deed het en kreeg Bea, de aardige assistente van 'Dierenkliniek De Meteoor', aan de lijn. Ik legde uit, wat er aan de hand was en het gesprek had uiteindelijk een voorspelbare afloop: ik zou vanmiddag om kwart over vier met Boris naar de praktijk komen om hem in te laten slapen.
Deze dag, de eerste warme en zonnige dag van 2013, kwam toch nog te vroeg voor mij. Ik had ten onrechte het gevoel gehad, dat Boris het nog wel tot augustus zou kunnen volhouden. Hoewel ik bij vlagen nogal emotioneel was, probeerde ik toch maar om er zoveel mogelijk een normale dag van te maken. Ik maakte een laatste, prachtige foto van Boris, deed nog even wat boodschappen, ruimde een beetje op en stofzuigde nog maar een keertje, waarbij Boris toch nog even in het hoekje achter de televisie ging liggen. Na het stofzuigen keerde hij echter weer snel naar zijn mandje terug.
Om een uur of twaalf legde ik twee kussens naast zijn mandje en ben ik gewoon maar naast hem gaan liggen. Ik heb hem zo vaak mogelijk geaaid en geknuffeld, ik heb hem zo vaak mogelijk gezegd, dat ik van hem hield, ik heb hem nog één keer gekamd (en heb de haren bewaard) en ik heb regelmatig zijn bek en zijn neus met water bevochtigd. De hele dag heb ik, tegen beter weten in, op een teken gehoopt, dat hij ook deze crisis zou gaan overwinnen. Ik had de dierenarts nog af kunnen bellen als hij nog een beetje actief was geworden, of als hij nog wel iets had gegeten, maar noch het een, noch het ander gebeurde. Hij at niet meer, ook de harde brokjes niet, die ik hem op het laatst nog probeerde te voeren, hij bleef gedurende die drie uur rustig in zijn mandje liggen en hij liet zich mijn geklets en mijn geknuffel rustig welgevallen, tot het half vier was en het dus tijd was om naar de dierenarts te gaan.
Hij protesteerde niet, toen ik hem van zijn mandje tilde en na een laatste knuffel in de kooi stopte: hij toonde zich alleen maar een beetje verbaasd. Ik pakte de kooi op en hoorde meteen, dat hij omviel en dus niet meer op zijn poten kon staan. Dat was tot dusver het meest pijnlijke moment van de dag, maar ik voelde geen aarzeling over datgene, wat ik moest gaan doen. Ik verliet het huis en liep met een niet al te vaste tred naar de bushalte bij de Pinksterbloemstraat. Toch had ik mijzelf aardig onder controle. Ik was er helemaal op gericht om de stress voor Boris zo laag mogelijk te houden en ik dwong mijzelf om mij niet door mijn emoties te laten meeslepen. Boris zelf leek in een opperbest humeur te zijn, want toen ik bij de bushalte op een bankje zat en ik hem met "Hoi, Boris!" aansprak, kneep hij weer even zijn ogen dicht. Het herinnerde mij meteen aan hetzelfde tafereel van zes jaar geleden bij de bushalte op de grens van Oostzaan.
De bus liet even op zich wachten. Ik keek naar zijn kleine poten en kon aan zijn gekantelde linkervoorpootje zien, dat een van de nagels een beetje lang was. Misschien wel te lang en hij moest zijn bestaan als huiskat misschien wel beëindigen, zoals dat was begonnen: met één of meerdere, ingegroeide teennagels. Ondanks al dat vertroetel, ondanks dat vele gekam, ondanks dat regelmatige verwijderen van die kattenbakkorrels van zijn pootjes en zijn achterste, had ik toch één kwaaltje over het hoofd gezien. Het bedrukte mij, maar veel tijd om er over te na te denken had ik niet meer. Bus 35 kwam aanrijden en ik stapte snel in.
Tijdens de busrit naar Tuindorp Oostzaan aaide ik Boris door de tralies van het kooideurtje over zijn kop. Ik heb sindsdien veel aan die busrit teruggedacht, maar het enige, wat ik mij er echt van kan herinneren, is dat geaai over zijn kop. Ik bleef daarmee ook doorgaan, tot ik op de Meteorenweg was uitgestapt. Daarna liep ik via een wat andere route dan gewoonlijk naar het Zonneplein en na mijn aankomst aldaar wist Boris op de valreep nog een voorbijlopend meisje te bekoren.
"Oh, wat een schatje!", riep zij uit.
Bij de dierenkliniek aangekomen - het was inmiddels vier uur - werd ik door Bea met een wat bedrukt gezichtje verwelkomd. Er bleek nog een klant in de spreekkamer te zitten en er zaten ook nog een moeder en een dochter in de wachtkamer, ook al met een kat in een kleine kooi. Ik ging op een bank zitten, opende het deurtje van de kooi van Boris en begon hem met mijn hele hand over zijn kop te aaien. Het viel de moeder meteen op.
"Oude kat?", vroeg zij, waarschijnlijk doelend op de openstaande kooi.
Ik kon helaas niet anders doen dan die vraag te beamen. Boris bleef onderwijl heel rustig en iedere keer, dat hij toch ergens van schrok, zoals de nogal actieve hond, die na kwartiertje uit de spreekkamer kwam, wist ik hem te kalmeren. Omdat hij ook in dat laatste uurtje zo ongelooflijk lief en eigenlijk ook zo vief en zo monter was, koesterde ik opeens de vage hoop, dat Marjon zometeen zou voorstellen om hem toch een waterinfuus te geven, zodat hij toch nog een paar weken of zelfs een paar maanden zou kunnen leven. Ondanks mijn vaste voornemen om hem in dit stadium niet meer te laten behandelen, zou ik er nu onmiddellijk mee instemmen.
Nadat de moeder en de dochter met hun kat de spreekkamer waren binnengegaan, dacht ik na over het leven, dat Boris had geleid. Ik dacht aan de kracht, die hem door zijn moeilijke straatjaren had heen geholpen, aan het geluk, dat hij had gehad, toen hij onder die auto vandaan werd getrokken, aan de keren, dat ik hem had gered, eerst door hem op tijd uit het asiel te halen en daarna door op tijd met hem naar de dierenarts te gaan, aan de zachtmoedigheid, waarmee hij mij altijd had bejegend en aan de vechtlust en die ontembare levenswil, waarmee hij zijn ziekte had bestreden. Hij had, met wat hulp van een aantal mensen, echt alles uit zijn leven gehaald, wat er in had gezeten en ik hoopte vurig, dat ik hetzelfde tegen mijzelf zou kunnen zeggen als ik op mijn sterfbed zou liggen.
Om halfvijf kon ik bij Marjon, de dierenarts, naar binnen gaan. Ook haar wist Boris nog te bekoren: het was ''Lieverd!'' voor en ''Lieverd!'' na bij haar. Ik haalde hem onderwijl een beetje moeizaam uit de kooi. Dat was niet, wat hij graag wilde en hij deed een wat sullige poging om weer terug in de kooi te kruipen. Mijn pogingen om dat tegen te houden en om vervolgens de, aan zijn nagels vastzittende handdoek van die nagels te halen waren al even sullig, maar dat laatste hoefde gelukkig helemaal niet van Marjon.
"Laat die handdoek maar liggen", zei zij, "Dan heeft hij iets, wat naar hemzelf ruikt."
Boris liet zich daarna heel lijdzaam op de tafel en de handdoek neerdrukken en ik legde Marjon uit, wat er aan de hand was. De diagnose was daarna snel gesteld. Het niet meer willen eten en het spugen van de laatste dagen waren de eerste tekenen, die er op wezen, dat hij stervende was. Hij had op dit moment nog geen pijn, maar dat stervensproces zou nog weken kunnen duren en zou steeds vervelender voor hem gaan worden en het sterven zelf zou wel heel pijnlijk gaan worden.
Op dat moment viel alle druk van mij af. Ik was er dus precies op tijd bij.
''Hij is echt de liefste kat van de wereld'', zei ik, ineens heel geëmotioneerd, ''En ik zal nooit meer zo'n lieve kat krijgen als hij, maar ik wil niet, dat hij langer lijdt dan strikt noodzakelijk is.''
''Ik begrijp het. Het is echt veel beter om hem nu in te laten slapen.''
''Ja.''
''Hoe voel je je daaronder?''
''Afschuwelijk! Ik heb ook echt een afschuwelijke dag gehad.''
''Je moet de deze dag vooral vanuit zijn standpunt bezien. Voor ons is het heel naar om dit mee te moeten maken, maar hij beseft dus niet, dat hij op dit moment stervende is en hij zal dus ook nooit weten, dat hij zometeen zal gaan sterven.''
Die laatste opmerkingen zouden in de weken daarna heel waardevol voor mij blijken te zijn.
Zij wees mij ook op de toestand van zijn beenderen. Ik zei haar, dat hij pas sinds een paar weken zo mager was. Volgens haar was dat een bekend verschijnsel. De nieren konden het, als ze eenmaal ziek waren, jarenlang volhouden, maar als ze de strijd eenmaal opgaven, kon het daarna ook heel snel gaan. Dat was dus een reden temeer om hem juist nu in te laten slapen. Zij vertelde mij vervolgens, hoe het verder zou gaan: zij zou Boris onder narcose brengen en hij zou dan in mijn armen in slaap gaan vallen. Ik zou er dus niet bij zijn als zij hem de laatste, levensbeëindigende injectie zou toedienen. Mijn laatste herinneringen aan Boris zouden, net als bij Tum Tum, de herinneringen aan een levende Boris zijn.
Even later, nadat ik op een wat dwaze manier een paar kussen op de kop van Boris had gedrukt, diende Marjon hem de narcose-injectie toe.
''Hier zal hij wel even op reageren'', zei zij.
Tot haar grote verbazing reageerde Boris in het geheel niet op die injectie. Daarna nam zij hem op een hele liefdevolle manier in haar armen en leidde zij mij en Boris naar een andere kamer.
''Neem hem maar in je armen'', zei zij.
Ik nam hem van haar over en ging op een stoel zitten. Boris, die waarschijnlijk al een beetje slaperig begon te worden, begroef meteen zijn kop in de kuil van mijn rechterelleboog.
''Het kan nog wel even duren, voordat hij helemaal onder narcose is'', zei zij, ''Zijn ogen blijven open en het kan ook zijn, dat zijn tongetje straks uit zijn bek gaat hangen.''
''Ik snap het.''
Daarna liet zij ons alleen. In de minuten daarna bleef ik Boris voortdurend aaien en toespreken. Dat leek hem wel goed te doen. Een paar keer zag ik zijn staart heen en weer bewegen. Ik ervoer de aanblik van die kwispelende staart meteen al als een groots geschenk. Ik besefte, dat hij zich op dat moment al niet meer ziek voelde en dat hij mij tijdens zijn laatste, bewuste momenten nog even liet weten, dat hij het fijn vond, dat ik bij hem was en dat hij op mijn schoot zat.
Na een paar minuten hing zijn staart echter stil. Ik bleef hem toch maar aaien en ik bleef toch maar tegen hem praten. Ik zei hem voor de zoveelste keer, dat ik veel van hem hield, ik bedankte hem nogmaals voor zijn gezelschap in de afgelopen zes jaar, ik bedankte, zoals zo vaak, ook zijn moedige nieren, en ditmaal ook zijn moedige hart, dat nog steeds bleef kloppen en nu misschien wel veel kalmer dan de laatste dagen het geval was geweest. Ik was op dat moment niet verdrietig; ik was, ondanks mijn malle gebabbel met Boris, heel nuchter en zelfs heel blij met de rustige manier, waarop ik afscheid van hem kon nemen.
Ik liet hem op mijn schoot zitten, tot het bijna vijf uur was. Daarna legde ik hem op de tafel neer, die naast de deur stond en wilde ik op zoek gaan naar Marjon. Die kwam echter juist op dat moment de kamer binnenlopen.
''Ah, zij is al helemaal onder narcose'', zei zij glimlachend.
''Ja.''
''Ik bedoelde natuurlijk 'hij'. Ik noemde hem 'zij', omdat hij zo klein is geworden.''
''Ik snap het.''
We hadden het daarna nog even over zijn crematie, die door Bea zou worden geregeld, en tenslotte bedankte ik haar voor de mooie en serene manier, waarop ik afscheid van Boris had kunnen nemen. Zij wenste mij sterkte toe en we verlieten de kamer met de bewusteloze Boris. Staande in de deuropening aaide ik hem toch nog even voor de allerlaatste keer over zijn buik. Het was het definitieve afscheid, maar ook dat definitieve afscheid maakte mij niet verdrietig. Ik had gedaan, wat ik moest doen – Boris had door mijn toedoen een prachtige, tweede levenshelft en een pijnloos en vrijwel stressloos levenseinde gehad – en ik voelde mij daar zeer voldaan over.
Ik brak uiteindelijk toch, toen ik in de avonduren die ene mooie, en allerlaatste foto van Boris op Facebook had gezet. Mijn nichtje Daniëlle wist mij voor even te kalmeren door met mij te chatten en ik dronk daarna in snel tempo drie biertjes op om die bedrieglijke gemoedsrust nog even in stand te kunnen houden. Ik stak ook een paar kaarsen aan, waarvan er een op een mysterieuze manier uitging en niet meer kon worden aangestoken, en ik bleef uiteindelijk op, tot het middernacht was en ik de 'Dag van het inslapen van Boris' eindelijk kon afsluiten.
Ik sliep slecht die nacht, ondanks de drie biertjes van de vorige avond. De halve valium, die ik meestal innam als ik niet kon slapen, hielp mij ook al niet en dus ging ik om half drie maar wandelen. Mijn stemming was breekbaar. Het zinde mij niet, dat ik nog maar één keer had gehuild. Ik liep anderhalve kilometer in de richting van Kadoelen en keerde daarna om. Op de terugweg keek ik een paar keer in de richting van Tuindorp Oostzaan en nam ik misschien wel voor de laatste keer afscheid van Boris, die daar ergens in de koelruimte van de dierenpraktijk moest liggen. Het "Dag, lieve jongen!" lag daarbij voortdurend op mijn lippen bestorven. Na mijn thuiskomst duurde het toch nog even, voordat ik insliep, maar het lukte mij uiteindelijk wel.
Ik werd na drie uur alweer wakker en zette de pc aan. Er waren berichtjes van Frank en mijn schoonzuster Ina. Ik huilde even, toen ik naar de laatste foto van Boris keek, die ik inmiddels op mijn desktop had gezet en huilde daarna nog een keer. Ik zocht een poosje naar vacatures, las de aantekeningen, die ik over Boris' leven had gemaakt, gooide zijn voeding- en waterbakjes en ook zijn kattenbak weg en voelde mij nog steeds heel breekbaar.
Na een kortstondig bezoek aan Willem werd ik op de pont door het crematorium gebeld: Boris was bij het crematorium afgeleverd. Hij zou de volgende dag worden gecremeerd. Ik besloot om dezelfde avond nog naar het crematorium te lopen, dat op twee kilometer van mijn huis lag, en, als het even kon, de volgende ochtend weer. Ik voegde de daad bij het woord en ging na de wandeling meteen naar bed. Ik was weliswaar blij, dat ik het afscheid nemen nog even kon rekken, maar tegelijkertijd bleef ik het idee, dat zijn lijkje op loopafstand in een koelcel lag, heel onplezierig vinden. Geheel tegen mijn verwachting in viel ik om een uur of tien in slaap.
De volgende dag werd ik om vier uur wakker en voelde ik mij redelijk fit. Ik stond op, at wat en liep voor de laatste keer naar het crematorium. Ik maakte vanaf de dijk wat foto's van de boerderij, waar Boris op dat moment nog lag, en arriveerde om een uur of zes bij de ingang van het crematorium. Er brandde al licht in de boerderij. Ik hield even stil voor de ingang van het crematorium, prevelde weer ''Dag, lieve jongen!'' voor mij heen en liep weer weg. Op de terugweg schoot ik vol, toen ik voor het laatst in de richting van het crematorium keek en opnieuw ''Dag, lieve jongen!'' zei. Het was dan ook het allerlaatste en definitieve afscheid. Ik vermoedde, dat Boris al in de vroege ochtenduren zou worden gecremeerd.
's Middags, na het dagelijkse bezoek aan Willem, keerde ik weer naar huis terug. De eerste aanblik van Amsterdam-Noord deprimeerde mij echter niet. Het lijkje van Boris lag er weliswaar niet meer, maar zijn zieltje waarde voor mijn gevoel nog steeds in mijn huis rond en zou daar nooit meer weggaan. Het was een gedachte, die mij veel troost zou geven in de daaropvolgende dagen, weken, maanden en jaren.
Na mijn thuiskomst liep ik nog eenmaal naar het crematorium, maar ook toen was er van beklemming geen sprake meer. Er stond een straffe zuidenwind: de as van Boris was waarschijnlijk al over heel Waterland uitgestrooid. Het crematorium zou dus geen 'bedevaartsoord' voor mij gaan worden. Eenmaal bij het crematorium aangekomen zag ik geen rook uit de schoorsteen komen en ik keerde daarom snel op mijn schreden terug. Naderhand zou blijken, dat Boris pas in de avonduren was gecremeerd, ongeveer op het tijdstip, dat ik naar huis terugliep.
In de dagen daarna drong het pas goed tot mij door, dat de schoonheid van het afscheid de kracht van het verdriet alleen maar zou gaan versterken en dat ik dus nog een paar hele moeilijke weken voor de boeg had. Maar in die periode begon ik ook te beseffen, dat die laatste minuten met Boris misschien wel de meest essentiële minuten van mijn leven waren geweest, dat die laatste minuten met Boris mijn leven echt zin hadden gegeven. Alleen al om die o zo waardevolle minuten met die malle, stervende kat in mijn armen was het goed om te hebben geleefd. Dat besef zou het verdriet uiteindelijk teniet gaan doen. Wat zou blijven, was de weemoed over de leegte, die mijn moedige, zwarte straatkat in mijn leven had achtergelaten. Een leegte, die nooit meer helemaal zou worden opgevuld.

Voor Boris, voorheen Amstel natuurlijk! En voor iedereen, die zich in Nederland met zwerfkatten bezighoudt...

BERT HARBERTS