GENOEGDOENING


Conny stapte onder de douche vandaan, draaide de kranen dicht en begon zich zorgvuldig af te drogen. Zij was een mooie, mollige meid van achttien. Haar knappe, door lange, donkerbruine haren omlijste gezichtje was regelmatig van vorm, haar borsten waren vol, haar heupen waren breed, haar benen waren lang en stevig en haar voeten waren in verhouding tot die lange benen tamelijk klein.
Ondanks die adembenemende schoonheid van haar gezicht, haar lijf en haar leden was zij op deze mooie, zwoele zondagavond in september helemaal alleen. Zij had nog geen vriendje en haar ouders vertoefden dit weekend, zoals op bijna elk weekend, met hun buren op Bakkum, de camping bij Castricum. Soms werd zij op die ouderloze zaterdag- en zondagavonden door haar buurjongen Fritsje vergezeld, maar omdat zij dit weekend moest werken, was hij ditmaal wel met hun ouders naar Bakkum meegegaan.
Ergens was zij wel blij, dat zij vandaag alleen thuis was. Het was vandaag precies een jaar geleden, dat een andere buurjongen van haar was verongelukt en daar liep zij al de hele dag over te piekeren. Die buurjongen, Pieter genaamd, was op tragische wijze van een redelijk grote hoogte op zijn achterhoofd gevallen, toen hij op die al even zwoele zaterdagavond dit huis had proberen binnen te dringen.
Het beeld van zijn dode gezicht, met die wijd opengesperde ogen, in die steeds groter wordende bloedplas, stond nog steeds op haar netvlies gegrift. Zijn dood was op zich al heel schokkend geweest, maar de vondst van een groot mes in zijn jaszak had zij eigenlijk minstens zo schokkend gevonden. Zij had ook een goede reden om aan te nemen, dat hij dat mes tegen haar had willen gebruiken als hij erin was geslaagd om eerst het huis en vervolgens haar slaapkamer binnen te dringen: hij had haar in de weken voor zijn dood regelmatig lastiggevallen.
Zij wierp de handdoek in de wasmand en liep naar de huiskamer, waar een nachthemd, een jarretellegordeltje en een paar schone kousen voor haar klaar lagen. Hoewel zij best wel moe was, had zij nog geen zin om naar bed te gaan. Zij wilde eerst nog een beetje gaan luieren en misschien nog wat lezen. Dus plukte zij eerst het nachthemd van de bank en trok zij het vervolgens met de nodige tegenzin over haar hoofd. De warme douche had haar namelijk een beetje geil gemaakt. Dat was vanzelfsprekend geen naar gevoel, al ontbrak het haar op dit moment dus nog steeds aan een metgezel, met wie zij dat gevoel op een gepaste manier zou kunnen delen.
Het verlangen naar een vriendje werd de laatste maanden wel steeds sterker. Haar kieskeurigheid zat haar daarbij een beetje in de weg. Alle mannelijke medewerkers van het Wilhelmina Gasthuis, waar zij sinds een jaar als leerling-verpleegster werkte, waren smoorverliefd op haar en zaten ook met een zekere verbetenheid achter haar aan, maar tot nu toe had zij al hun avances genegeerd. Zij wachtte op iets speciaals: een lieve, knappe vent, die zij helemaal in haar macht zou kunnen hebben en voor wie zij iets meer dan een lief huisvrouwtje zou kunnen zijn.
Zij stapte in haar jarretellegordeltje, drapeerde het rond haar heupen en ging op de bank voor het raam zitten om haar kousen op te rollen. Het was een secuur klusje, waarvoor zij altijd de tijd nam. Zij was ook heel zuinig op haar kousen, hoewel daar op dit ogenblik geen echte reden voor was. In de wasmand lagen haar vuile, maar ladderloze kousen en op de bovenste plank in haar klerenkast lagen zelfs vier nieuwe exemplaren. Een ladder in een van deze kousen zou dus geen ramp zijn. Zij genoot onderwijl van elk moment van het kousenritueel: van het oprollen, van het aantrekken, van het afrollen, van het straktrekken en van het vastmaken aan de jarretelles. Een controle van de kousen, waarbij zij ook de naden zoveel mogelijk recht trok, leerde haar, dat ook deze kousen nog helemaal intact waren.
Het kousenritueel had haar echter nog wat geiler gemaakt dan zij al was en zij besefte, dat zij daar misschien toch iets aan zou moeten doen. Het irriteerde haar, dat zij juist op deze avond ineens zo geil was. Dit was de avond, waarop zij de dood van Pieter zou moeten gedenken en dit was geen avond, waarop zij aan zichzelf zou moeten 'frunniken'.
Zij stond op en liep naar de keuken aan de achterkant van het huis, waar zij voor het raam van de keukendeur ging staan om naar de plek te kijken, waar een jaar daarvoor Pieter was overleden. Er was niets meer te zien van de bloedvlek; zijzelf had de dag erna het bloed vakkundig weggeboend. Zij bekeek de plek nu zonder enige angst te voelen. Daarnet had zij tijdens het douchen het gevoel gehad, dat zij Pieter weer zou zien liggen als zij naar de onheilsplek zou kijken, maar daar was dus geen sprake van: zij zag niets anders dan een rijtje straattegels.
Zij opende de deur, wandelde de piepkleine tuin in en ging op een van de tuinstoelen zitten. Schuin aan de overzijde stond het huis, waar Pieter met zijn ouders en zijn jongere zusje Juultje had gewoond. Zijn ouders en zijn zusje woonden er inmiddels niet meer. Een paar maanden na de dood van Pieter waren ze naar de Kinkerbuurt in Amsterdam-West verhuisd. Conny had daarna geen contact meer met hen gezocht.
Daar was ook wel een goede reden voor. Pieters vader haatte haar namelijk. Volgens hem had zij eerder hebben moeten aangeven, dat Pieter haar al een poosje lastig viel. Als zij dat had gedaan, dan had hij kunnen ingrijpen en dan had Pieter nu nog geleefd. Die stellingname, waarop eigenlijk niet zo veel was af te dingen, deed haar nog steeds heel veel pijn. Zij had niet tegenover hem over Pieters gedrag geklaagd, omdat zij dat zo zielig voor hem zou hebben gevonden en ook omdat zij steeds de hoop had gehad, dat hij uit zichzelf wel zou bijdraaien.
Zij keek naar de hemel en had het sterke gevoel, dat Pieter op dit moment naar haar keek. Zij koesterde dat gevoel. In het afgelopen jaar had zij regelmatig over een levende Pieter gedroomd, een Pieter met wie zij op een kalme, haast poëtische manier aan het vrijen was. Als hij nog had geleefd, dan had zij hem nu dus wel zijn zin gegeven: dan had hij als vijftienjarige blaag met zijn mooie, achttienjarige buurmeisje naar bed mogen gaan.
Het begon nu toch een beetje koud te worden en het leek haar beter om maar weer naar binnen te gaan. Dat deed zij dan ook maar. Voor zij de keukendeur sloot, keek zij nog even naar de plek, waar Pieter vorig jaar was overleden; daarna sloot zij de deur en draaide zij de deur op slot. Tijdens die laatste handeling ging de bel van de voordeur. Zij schrok ervan. Haar eerste gedachte was, dat er iets met haar ouders was gebeurd en dat de politie voor de deur stond om haar daarvan in kennis te stellen. De werkelijkheid was echter veel schokkender: door het raampje van de deur was het gezicht van Pieters vader te zien.
Zij drentelde naar het portaal en de voordeur en was door de gelaatsuitdrukking van de man al een beetje gerustgesteld. Die gelaatsuitdrukking was vooral verdrietig; er was geen spoortje van woede op te zien. De man, die veel knapper was dan zijn zoon ooit had kunnen worden, slaagde er ook in om een vage glimlach te produceren, toen hij haar naar de deur zag lopen. Conny controleerde haar kousen onderwijl nog maar een keer op ladders, verstelde op het laatste moment nog iets aan een jarretelle van haar linkerkous en opende daarna zonder enige aarzeling de deur.
"Dag, meneer Dietz!", zei zij vriendelijk.
"Dag, Conny!", zei hij, "Het spijt mij, dat ik jullie zo laat lastig val en je hoeft mij ook niet binnen te laten, maar ik moet echt iets aan je kwijt."
"En dat is?"
"Ik eh.. Ach, eigenlijk wil ik alleen maar mijn excuses aan je aanbieden."
"Waarvoor?"
"Voor al die stomme verwijten, die ik je gemaakt heb na Pieters dood."
"Dat is niet nodig, hoor!"
"Dat is wel nodig! Je hebt echt nooit iets fouts gedaan jegens Pieter! Je bent altijd heel lief en heel aardig voor hem geweest en ik vind het verschrikkelijk, dat ik jou heel lang de schuld van zijn dood heb gegeven."
"Wilt u even binnenkomen? Dan kunnen we er even rustig over praten. Volgens mij staat er nog wel ergens een flesje bier in de keuken. Dat is weliswaar voor papa bestemd, maar hij is er nu niet en hij zal het vast niet erg vinden als ik hem vertel, dat u het hebt leeggedronken."
"Zijn je ouders er dan niet?"
"Nee, die zitten in Bakkum."
"O, wel, dan sla ik je aanbod toch maar liever af."
"Echt?"
"Ja, liefje, het is heel lief van je om mij een biertje aan te bieden, maar ik ben getrouwd en getrouwde mannen behoren niet bij knappe, achttienjarige meisjes op visite te gaan als zij alleen thuis zijn. Dus ik ga er maar weer vandoor."
"Dat hoeft echt niet, hoor!"
"Jawel, liefje, dat hoeft wel", zei hij, met dezelfde trieste glimlach van daarnet, "Ik wil je alleen maar zeggen, dat ik je niet meer haat en dat je je niet schuldig hoeft te voelen over Pieters dood. Het is echt zijn eigen stomme schuld geweest. Jij kunt er niks aan doen, dat je een hele knappe meid bent. Dat hij daar niet mee om heeft kunnen gaan, is heel jammer voor hem en ook heel jammer voor ons, maar dat hoef jij je dus niet te verwijten!"
Conny keek de man ontroerd aan. De gedachte om hem gewoon maar bij de hand te nemen en hem het huis in te trekken, kwam even in haar op, maar zij liet die gedachte ook snel weer varen. Een misplaatste verleidingspoging zou alles weer teniet hebben gedaan.
"Weet u zeker, dat u niet even binnen wilt komen?", vroeg zij, met een iel stemmetje.
"Heel zeker! Ik wil je alleen nog maar een heel gelukkig leven toewensen. Ik wens je echt het allerbeste toe."
"Dank u wel! Ik wens u en mevrouw Dietz en Juultje ook het allerbeste toe. En u moet ze ook de groeten van mij doen, hoor!"
"Dat zal ik doen, maar nu ga ik toch echt weg! Voordat ik mijn zelfbeheersing verlies..."
Hij keerde zich abrupt van haar af en zij zag met enige spijt, hoe hij met een nogal wankele tred naar zijn fiets liep. Zij had echt dolgraag met hem naar bed gewild, vooral omdat zij op dit moment al heel goed besefte, dat hij haar door zijn excuses aan te bieden voor een groot deel van haar schuldgevoelens over Pieters dood had verlost.
"Wilt u misschien een keer op visite komen als papa en mama er wel zijn?", vroeg zij, "Volgende week zaterdag of zo? Dan zijn ze namelijk wel thuis en dan ben ik ook vrij."
"Dat is goed!", antwoordde hij, na een korte aarzeling, "Maar dan neem ik wel mevrouw Dietz en Juultje mee!"
"O, dat zou fantastisch zijn!", riep zij opgetogen, "Ik zal het echt heerlijk vinden om Juultje weer eens te zien!"
"Zij zal het ook heerlijk vinden om jou weer eens te zien. Zij heeft het nog heel vaak over je."
"Ah, dat is lief van haar!"
Hij stapte op zijn fiets en maakte aanstalten om de stoep af te rijden. Nog één keer keek hij haar aan, waarbij hij onwillekeurig ook een korte, verlangende blik op haar prachtige benen wierp.
"Dag, meneer Dietz!", riep zij, zichtbaar gevleid door die blik, "Heel erg bedankt voor uw komst en ook heel erg bedankt voor al die lieve dingen, die u daarnet hebt gezegd!"
"Jij ook bedankt, dat je mij hebt willen aanhoren!"
"En vergeet u niet om de groeten aan mevrouw Dietz en Juultje te doen?"
"Ik zal het niet vergeten!", antwoordde hij, terwijl hij de fiets in beweging zette, "En vergeet jij niet om de groeten aan je ouders te doen?"
"Ik zal het ook niet vergeten, hoor!"
Zij zwaaide hem vrolijk toe en zij was er zich daarbij terdege van bewust, wat voor indruk zij daarmee op hem moest maken. Hij zwaaide één keer terug; daarna keek hij niet meer naar haar om. Zij bleef hem echter nakijken, tot hij uit het zicht was verdwenen.
Na het sluiten van de deur liep zij juichend de trap op naar de eerste verdieping, waar zich de slaapkamers bevonden. Dit was met afstand het meest gelukkige moment van haar nog zo jonge leven en daar wilde zij zo intens mogelijk van genieten. Eenmaal in haar slaapkamer trok zij meteen haar nachthemd uit. Even, heel even keek zij in de spiegel van haar kastdeur om zich aan haar mooie lijf en haar mooie kousen te kunnen verlustigen; daarna ging zij op bed liggen en rolde zichzelf uiteindelijk in een foetushouding op, met haar rechterhand tussen haar forse bovendijen geklemd.
Een paar minuten later werd er opnieuw gebeld. Zij schrok er ditmaal niet van; zij besefte maar al te goed, wie het was en wat er zometeen zou gaan gebeuren. Het moest ook gaan gebeuren. Het was de enig mogelijke beloning voor dat prachtige geschenk, dat zij daarnet van hem had gekregen.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 26 november 2011. © Bert Harberts