OMMEKEER

Trudy slofte op haar kousevoeten naar de openstaande verandadeur van haar flatje, dat uitkeek op het station van Heemskerk. Haar man Dennis zat op de veranda te ontbijten en zij stond op het punt om zich bij hem te voegen. Voor een vrouw, die over vijf maanden negenenveertig zou worden, zag zij er buitengewoon goed uit. Haar lange haren hadden tot op de dag van vandaag hun goudblonde kleur behouden, de huid van haar hals en borst zag er nog steeds bijzonder glad uit, haar figuurtje kon nog steeds ‘ietwat naar mollig neigend slank’ worden genoemd en haar benen waren stevig, maar welgevormd. Zij was luchtig gekleed: zij droeg een wit nachthemd met een bloemetjesmotief, een wit tangaslipje, een wit jarretellegordeltje en bruine nylonkousen.
Haar gelaatsuitdrukking was effen, al schemerde er wel een vleugje droefheid doorheen. Negen weken daarvoor was haar moeder op drieenzeventigjarige leeftijd overleden en zij kon dat verlies tot haar eigen verbazing maar nauwelijks dragen. Haar moeder lag hier in Heemskerk begraven. Trudy was blij met haar besluit om haar moeder in Heemskerk te laten begraven. Het was prettig om haar moeder zo dichtbij te hebben en het was ook een plezierig idee, dat haar overleden ouders nu samen een graf deelden.
Zij had ook wel het gevoel, dat haar moeder ook op een andere manier nog heel dichtbij was. Zij en Dennis converseerden ook met haar, zij het op een hele aparte manier. Dennis had op hun website een soort van in memoriam-pagina voor haar moeder gemaakt, waarin ze hun gedachten over haar moeders dood met haar moeder deelden. Elke neergeschreven gedachte werd door een vast aanspreekzinnetje voorafgegaan. Dennis gebruikte het ietwat oneerbiedige "Dag, lief, oud paard!", Trudy volstond met het simpele "Dag, mam!". Ze waren er op de dag na de begrafenis mee begonnen en dat kleine, digitale monumentje was Trudy heel dierbaar geworden.
Gisteren hadden ze haar moeders huurhuis in Amsterdam-Noord leeggeruimd. De neven van Dennis hadden Dennis bij het zwaardere werk geholpen, zodat zij zelf de klus had kunnen klaren, waar het echt om had gedraaid: het opruimen van haar moeders kleren en andere persoonlijke bezittingen. Zij had dat geheel in de geest van de overledene gedaan: door heel weinig te bewaren. De foto's van haar moeder, de bescheiden verzameling juwelen en haar moeders, tamelijk omvangrijke kousenvoorraad had zij in een grote boodschappentas gestopt, die ze later die dag zouden meenemen; de rest van haar moeders spullen had zij bij het grof vuil neergezet. Laat in de middag was de vrachtwagen van de stadsreiniging langsgekomen en hadden zij en Dennis zwijgend toegekeken, hoe de spullen van haar moeder werden ingeladen. Het moment, waarop de vrachtwagen was weggereden, was heel emotioneel geweest.
"Dag, mam!", had zij gemompeld.
Daarna hadden ze nog even door het lege huis gelopen. Voor een allerlaatste afscheid van het huis, waarin haar moeder de laatste, tweeëndertig jaar van haar leven had gesleten. Trudy had er nog uren rond kunnen dwalen, maar uiteindelijk hadden zij en Dennis het huis toch verlaten. Zij had de woning afgesloten en de sleutel van het huis in een voorbeschreven, voor de woningbouwvereniging bestemde envelop gestopt en na enig talmen had zij zich door Dennis naar de brievenbus aan de Ribesstraat laten meetronen.
Op het moment, dat zij de brief in de brievenbus had laten glijden, was het meteen tot haar doorgedrongen, dat zij haar moeders leven daarmee definitief had afgesloten. Het huis was leeggeruimd, haar spullen waren uitgezocht en voor het overgrote deel weggehaald en de sleutel van het huis was nu op weg naar de woningbouwvereniging. Aan het mooie, redelijk gelukkige leven, dat op 6 maart 1931 in het Amsterdamse Binnengasthuis was begonnen, was nu toch echt een einde gekomen. Wat restte, waren een graf, een paar mooie juwelen, een flinke kousenvoorraad en ontelbare, prachtige herinneringen.
Met die weemoedige gedachte in het achterhoofd liep zij de veranda op. Zij zag, dat Dennis in een boek zat te lezen, maar hij sloeg het boek meteen dicht, toen hij haar zag verschijnen.
"O, shit!", riep hij, met een ietwat schuldige gelaatsuitdrukking.
"Wat is er?", vroeg zij, terwijl zij zich naar hem over boog en hem een zoen gaf.
"Dit is het boek, dat ik kocht, toen je arme mama overleed."
"Daar zal het oude paard daarboven echt geen probleem van maken, hoor!", zei zij, met een zweem van een glimlach.
"En jij ook niet?"
"Nee, lieverd, ik zal er ook geen probleem van maken, hoor!"
"Ha! Ik geloof, dat mijn lieve, nuchtere meisje weer een beetje de oude aan het worden is."
"Nou, dat zal nog wel even duren, vrees ik."
Zij ging tegenover Dennis aan het tafeltje zitten en schonk zichzelf een glas jus d’orange in. Dennis zag dat bezorgd aan.
"Eet je niks?", vroeg hij, met een lichte trilling in zijn stem.
"Ik heb geen trek."
"Ik eh… begin een beetje bang te worden."
"Voor mij?"
"Niet voor jou, maar om jou!"
"Waarom?"
"Omdat je veels te weinig eet en omdat je in negen weken al zes kilo bent afgevallen. Als dit zo doorgaat, blijft er niks van je over!"
"Ik zit nu op mijn streefgewicht."
"Je zit er al een kilo onder!"
"Ik voel mij ook zo klote om mama’s dood!"
Zij durfde hem niet aan te kijken, na die toch zo voor de hand liggende onthulling, maar toen zij dat toch deed, schrok zij van zijn geschokte gelaatsuitdrukking.
"Wat is er?", vroeg zij schuldbewust.
"Ik zit vreselijk in mijn rats over jou!"
"Dat hoeft niet!"
"Maar het is toch zo! Ik heb het gevoel dat je helemaal aan het wegkwijnen bent."
"Als dat echt zo was, zouden we niet elke avond zo lekker liggen te vrijen."
"Wat heb ik aan een dagelijkse vrijpartij als ik op elk moment van de dag, dus ook op die momenten, het gevoel heb, dat je jezelf aan het doodhongeren bent?"
"Dat doe ik helemaal niet! Althans niet bewust."
"Jezus! Ik weet even niet meer, wat ik moet zeggen."
Nu was het haar beurt om bezorgd te kijken. Hij had haar sinds het overlijden van haar moeder op alle mogelijke manieren ondersteund en dat hij nu onder die last leek te gaan bezwijken, schokte haar zeer.
"Wat wil je, dat ik doe?", vroeg zij zacht.
"Ik wil in de eerste plaats dat je dat volstrekt, irreële schuldgevoel over je moeders dood van je af gaat zetten."
"Ik weet niet, of dat zo irreëel is. Misschien had zij nog wel geleefd als we niet zo vlak na onze vakantie naar Maastricht waren vertrokken."
"Dat is onzin! Als we niet naar Maastricht waren gegaan, had zij dat fatale hartinfarct hier, of in de theesalon in het dorp gehad."
"Ik weet het."
‘Waarom blijf je er dan over door piekeren?"
"Ik weet het niet. Dat gaat vanzelf, vrees ik."
Hij haalde een boterham uit het boterhammenzakje en begon die boterham nogal overdadig te besmeren: eerst met veel cholesterolverlagende Becel en daarna met een flinke hoeveelheid, vetarme pindakaas. Zij keek er gebiologeerd naar en begon opneens trek te krijgen. Dat kwam goed uit, want toen hij klaar was met smeren, bood hij haar de boterham aan. Zij nam de boterham zwijgend aan en begon hem bedaard op te eten.
"Nou, was dat nou zo moeilijk?", vroeg hij, met een kort, onzeker klinkend lachje.
"Ja, lieverd, dat was heel moeilijk! Maar hij smaakt heel lekker, hoor!"
"Dat is mooi!"
Ze at kalm verder en keek even naar het station. De trein naar Uitgeest zette zich snel in beweging. Het was een vrijwel lege Sprinter. Zij besefte opeens, dat ze Heemskerk al sinds negen weken niet meer hadden verlaten. Het was eigenlijk wel weer de hoogste tijd om een beetje te gaan reizen. Misschien zouden ze wel een paar dagen naar Praag kunnen gaan. Eén blik op Tum Tum, hun rood-witte kater, die naast haar stoel was gaan zitten, deed die hoop echter weer vervagen. Haar moeder was namelijk altijd hun vaste kattenoppas geweest.
"O, verdikkie!", prevelde zij voor zich heen.
"Wat is er?", vroeg hij, met een ineens weer heel angstig gezicht.
"Ik had opeens zo’n zin om weer naar Praag te gaan, maar toen drong het meteen weer tot mij door, dat we niemand meer hebben, die op Tum Tum kan passen."
"Daar heb ik een paar jaar geleden al een oplossing voor bedacht!"
"Welke dan?"
"Ik heb nog twee mobiele, oudere broers! Eentje van vijfenzestig en eentje van drieënzestig en ik acht ze alle twee zeer geschikt als kattenoppas."
"O, ja, daar hebben we het in Zutphen een keer over gehad!", riep zij lachend, "Maar zouden Arie en Peter hier echt willen komen slapen om op Tum Tum te passen?"
"Ik denk, dat ze er om zouden willen vechten. Dan hebben ze een mooie flat met een gezellige kat tot hun beschikking en tevens een landhuisje op fietsafstand, waar het ook heel plezierig toeven is."
"Dat is waar!"
"We zouden er ook over kunnen denken om ons nieuwe flatje aan een van hen te verhuren. Dan hebben we onze kattenoppas altijd onder handbereik."
Hij doelde op het flatje, dat zij enige maanden daarvoor voor haar moeder had gekocht en even, heel even voelde zij een steek door haar hart gaan. Toch kon ook zijn verhuurplan haar goedkeuring wel wegdragen.
"Wie heb je op het oog?", vroeg zij, met een langzaam doorbrekende glimlach.
"Dat mag jij bepalen, mijn lief! Het is jouw huis."
"Maar het zijn jouw broers! Wie zou jij het liefste de hele dag om je heen willen hebben? Arie of Peter?"
"Geen van beiden! En daar zijn ze godzijdank ook niet het type voor."
"Dat is een schandalige opmerking! Voor straf moet je nog een boterham met pindakaas voor mij klaarmaken."
"Ik zal hem gezwind voor je smeren."
Hij voegde de daad bij het woord en zij keek grinnikend toe, hoe hij een tweede boterham met Becel en pindakaas besmeerde. Haar vrolijke stemming werd nog wat sterker. Zij had zin om naar hun weekendhuisje in Noorddorp te gaan. Zij was het eigenlijk ook aan zichzelf verplicht om weer van het leven te gaan genieten, vond zij. De dood van haar moeder, met wie zij de lichaamsbouw en de levensstijl had gedeeld, had haar eigen dood namelijk een stuk reëler gemaakt. De perceptie, dat zij dankzij haar rustige en gezonde levensstijl minstens tachtig zou kunnen worden, had negen weken geleden veel van haar geloofwaardigheid verloren.
"Waar denk je aan?", vroeg hij, terwijl hij haar de tweede boterham aanreikte.
"Aan mijn eigen levensverwacting!", antwoordde zij, terwijl zij meteen een hap uit de boterham nam, "En aan de mogelijkheid, dat jij mij ruimschoots gaat overleven."
"Omdat je moeder maar drieënzeventig is geworden?"
"Ja."
"Besef je eigenlijk wel, dat mijn ouders respectievelijk negenendertig en vierenzestig zijn geworden?"
"Ja, maar het zou kunnen, dat je moeder zelfmoord heeft gepleegd en we weten allebei maar al te goed, wat voor een ongezonde levensstijl je vader er op na hield."
"Wat mijn vader betreft, heb je gelijk, maar het zou ook kunnen dat mijn moeder tijdens een astma-aanval is gestikt."
"Wat wil je daarmee zeggen?"
"Dat de kans, dat ik eerder doodga dan jij, nog steeds veel groter is."
"Ik vind dat geen plezierig vooruitzicht!", zei zij kleintjes.
"Het omgekeerde is voor mij ook geen plezierig vooruitzicht, hoor!"
"Hm, zo komen we niet verder, hè? We moeten de komende dagen maar eens nagaan, of er manieren zijn, waardoor we nog gezonder kunnen gaan leven." "Dat lijkt mij een goed plan! Ik sta echt open voor alles, wat jouw levensverwachting kan verlengen!" "Ah, dat is lief van je!" Ze wisselden een wat weemoedige blik met elkaar uit en Trudy vroeg zich daarbij af, waarom zij zich, ondanks de niet al te vrolijke aard van de conversatie, toch wel tamelijk opgewekt voelde. In de laatste minuten was er toch echt iets wezenlijks in haar veranderd.
"Wat wil je vandaag gaan doen?", vroeg zij, terwijl zij zelf een nieuwe boterham besmeerde.
"Ik wil zometeen eerst een afspraak met de dokter gaan maken", antwoordde hij grinnikend.
"Waarom? Ben je ziek?"
"Nee, en het is ook niet alleen voor mijzelf."
"Maar ik ben ook niet ziek!"
"Ik wil, dat we allebei onze bloeddruk laten meten en dat we daarna een bloedonderzoek ondergaan. Onder andere om het cholesterolgehalte in ons bloed te bepalen."
"Wil je dat echt?"
"Ja, je moeder is altijd heel laks in die dingen geweest en ik wil niet, dat jij dezelfde fout maakt."
"Je bent dus vooral benieuwd naar mijn bloeddruk en het cholesterolgehalte van mijn bloed", zei zij, toch wel een tikje geroerd.
"Ja, maar ik wil het van mijzelf natuurlijk ook weten."
"Goed, lieverd! Bel zo meteen de dokter maar. Het kan volgens mij geen kwaad als we ons een keertje binnenstebuiten laten keren."
"Okidokie!"
Zij at ook de derde boterham helemaal op en keek onderwijl lachend toe, hoe hij zich opnieuw in zijn boek begon te verdiepen. Zij kende het boek wel: het was 'De zebra' van Alexandre Jardin, een door en door romantische ode aan de eeuwigdurende verliefdheid, zoals die ook al eens door Nikolaj Gogol, in diens ‘Ouderwetse landeigenaren’, was uitgebeeld. De uitwerking van het thema was in ‘De zebra’ echter heel anders dan in ‘Ouderwetse landeigenaren’. In ‘De zebra’ was een bij vlagen hilarische aanklacht tegen de sleur in een langzaam voortkabbelend huwelijk verwerkt; in ‘Ouderwetse landeigenaren' werd die sleur juist op een uiterst poëtische manier bewierookt.
Haar eigen huwelijk met Dennis was min of meer een mix van die twee huwelijken. De sfeer tijdens dit ontbijt op de veranda had wel iets weg van een maaltijd van die twee oudjes in het verhaal van Gogol, maar de seksuele aantrekkingskracht, die de twee echtelieden na een huwelijk van zevenentwintig jaar en een relatie van drieëndertig jaar op elkaar bleven uitoefenen, zou zeer tot de verbeelding van de hoofdpersoon van ‘De zebra’ hebben gesproken.
Op dat moment ging de bel van de voordeur en Dennis stond op om de deur open te doen. Tijdens zijn afwezigheid maakte Trudy een aantal knopen van haar nachthemd los: de twee bovenste en de twee onderste om precies te zijn. Haar linkerborst kwam daardoor vrijwel helemaal bloot te liggen, evenals een groot deel van haar dijen. Dat was ook de bedoeling, want zij had ineens heel veel zin in seks. Zij hoopte, dat de komende vrijpartij een stuk plezieriger zou zijn dan de vrijpartijen in de afgelopen negen weken en dat het schuldgevoel jegens haar moeder, dat haar na het klaar komen telkens had overvallen, ditmaal achterwege zou blijven. Zij zakte behaaglijk onderuit, met een minzaam, ietwat gemeen glimlachje rond de lippen. Hun flatje keek uit op het station van Heemskerk en ze had zo het gevoel, dat haar dagelijkse verschijning op de veranda regelmatig de aandacht van mannelijke treinreizigers trok. Elke morgen zat zij, als het weer ook maar even meezat, in haar nachthemd op de veranda en elke morgen droeg zij daaronder de meestal donkerbruine nylons, waarin haar lange, stevige benen nog mooier leken dan ze al waren.
Dennis liep de veranda weer op en wierp met een brede grijns een pakketje op haar schoot. Het was een pakketje van het postorderbedrijf, waar zij al sinds jaar en dag haar nylonkousen bestelde.
"Ha, nog meer kousen!", kraaide zij uit.
"Zijn het weer van die malle fully-fashioned nylons?"
"Ja, het zijn er tien! Vijf bruine en vijf zwarte exemplaren."
"A raison van hoeveel ook al weer?"
"Drieëndertig euro per paar."
"Jezus!"
"Ja, ja! Het is maar goed, dat we een mooi erfenisje in het verschiet hebben."
Hij keek haar verbluft aan, waardoor zij in de lach schoot. Zij was zelf trouwens ook wel verbaasd over het grapje. Het was net, alsof zij met de mond van iemand anders had gesproken.
"Het was verdorie net, alsof ik je moeder hoorde!", zei hij, terwijl hij nog steeds naar adem hapte.
"Verdomd!", riep zij lachend, " Je hebt gelijk! Zij heeft bezit van mij genomen."
"Het lijkt er wel op, hè?"
"Oh, arme Dennis! Nou moet je voor de rest van je leven elke avond met je schoonmoeder naar bed! Lijkt je dat niet vreselijk?"
"Nee, oud paard, dat vind ik helemaal niet vreselijk. Het karakter van die vervelende Trudy kan mij na die dertig jaar eigenlijk wel gestolen worden. Het is mij al die jaren toch alleen maar om dat lekkere lijf van haar te doen geweest."
"Oooooo… Wat ben je toch een mispunt!"
"Ja, hè?"
Hij begon de tafel af te ruimen en Trudy keek even naar het kleine plantsoen tussen hun flat en het station. Daar had zij een goede reden voor. In dat plantsoen stond namelijk een bewonderaar: een knappe, blonde jongen van een jaar of zestien. Zij zag, dat hij zijn ogen niet van haar af kon houden. Het ontroerde haar. Nu was zij nog heel mooi in zijn ogen, maar over vijf, zes jaar zou zij drie- of vierenvijftig zijn en zou zij de overgang al achter de rug hebben. Het was een gedachte, die vanzelfsprekend tot weemoed stemde.
"Je hebt sjans!", zei Dennis, terwijl hij weer de veranda opwandelde.
"Ja, ik merk het! En wat moet ik daar nu weer mee?"
"Laat maar rustig kijken!", zei hij, terwijl hij het tafeltje dichtklapte en tegen de muur zette, "Laat hem maar van je goddelijke stelten genieten! En geniet er zelf ook van! Beeld je maar in, dat je de hospita uit het gelijknamige verhaal van Guy de Maupassant bent. Je hebt daar nu echt het lijf voor!"
"Als we nu met zijn drietjes op een terrasje zouden hebben gezeten, had je wel anders gepiept."
"Niet waar! Alles wat jou afleidt van de dood van je moeder kan niet slecht zijn. Dus als jij straks ervan geniet, dat die goddelijke stelten van jou de aandacht van een stel hitsige pubers trekken, zal ik daar heus niet over mekkeren."
"Hm, zijn we opeens niet jaloers meer?"
"Ik vind het nu even wat belangrijker, dat jij er weer helemaal bovenop komt."
"Ik ben er weer helemaal bovenop! Ik eet weer! Ik wil weer gaan reizen! Ik heb weer zin in wilde seks! Ik vind het weer heerlijk, dat er door ondeugende jongens naar mijn benen wordt gegluurd! Wat wil je nog meer?"
"Niets meer! Al is die omslag wel erg onverwacht gekomen."
"Dat is niet zo raar, want zo is het na papa’s dood ook gegaan! Toen gebeurde het, toen ik jou langs mijn huis zag lopen en jou zo verlangend naar het raam van mijn slaapkamer zag kijken. En heb je het dus weer geflikt! Gewoon door even je wanhoop en je onmacht te tonen."
"Da’s mooi, liefje!"
"En nu wil ik dus gaan vrijen!"
"Mag ik eerst nog even afwassen?", vroeg hij droogjes, "De afwas van gisteren staat er namelijk nog."
"Heb je die dan nog niet gedaan?"
"Nee, ik had er gisteravond de fut niet voor!"
"Omdat je zo down over mijn depressie was?"
"Yeah!"
"Och, arme jongen van mij! Heb je je dan echt zo druk gemaakt over mij?"
"Yeah!"
"Hm, ik geloof, dat ik mijn arme jongen maar eens flink moet gaan verwennen."
"Dat vind ik ook!", zei hij grinnikend, "Maar ik ga eerst maar eens afwassen."
Hij ging weer naar binnen en Trudy sloot even haar ogen. Een paar seconden later hoorde zij, hoe Dennis via de telefoon een afspraak met hun nieuwe dokter maakte. Zij was blij met dat doktersinitiatief. Ze moesten weten, hoe het met hun gezondheid was gesteld en of hun gezondheid mogelijk door iets werd bedreigd. Het was vooral haar hart, dat haar zorgen baarde. Zowel haar grootmoeder als haar moeder was aan een hartkwaal overleden. Het enige verschil zat in de leeftijd, waarop ze waren gestorven: haar grootmoeder was al op eenenzestigjarige leeftijd overleden. Veel hoop bood de progressie van haar moeder haar eigenlijk niet. Haar moeder was, net als zijzelf, een mollige, maar niet overmatig, dikke vrouw en ook een niet-rookster en een matig drinkster geweest.Zij vermoedde, dat zij na de komende overgangsjaren net zo zwaar als haar moeder zou zijn, dus daar moest zij echt wel iets aan gaan doen.
Zij opende haar ogen weer, zag, dat de jongen nog steeds in het plantsoentje stond, in vrijwel dezelfde houding als daarnet, en begon met lome, maar trefzekere gebaartjes haar kousen los te maken. Het leek haar het beste om hem maar gewoon te negeren. Als hij naar haar wilde gluren en daarbij een beetje over haar wilde fantaseren, dan moest hij dat maar doen. Zij had het inderdaad meestal wel leuk gevonden om begluurd te worden, of dat nou door mannen, of door vrouwen gebeurde. Het was haar nooit ontgaan, maar dat had zij tegenover de gluurders nooit laten merken. Ze mochten onder haar rokje, jurkje of nachthemd gluren, zoveel als ze wilden, zolang ze maar niet de illusie koesterden, dat er voor hen iets meer in het vat zat.
Zij zag, dat de jongen zich intussen in de richting van de veranda had bewogen. Hij stond nu half achter een boom verscholen, die schuin tegenover de veranda stond. Vanaf die plek kon hij vermoedelijk ook daadwerkelijk onder haar nachthemd gluren. Dat schokte haar niet. Integendeel: om hem een plezier te doen, spreidde zij haar benen zelfs een beetje. Van enige schaamte was geen sprake bij haar, wel van opwinding. Haar kousevoetjes gleden een paar keer over het ruw aanvoelende beton van de veranda en zij streek ook een paar keer over die o zo mooie dijen. Zij besefte maar al goed, wat er met haar zou gebeuren als zij echt de hospita van de jongen zou zijn, of als zij samen met hem in haar landhuisje in Noorddorp zouden verblijven; dan zou haar ongetwijfeld hetzelfde lot wachten als de hospita uit het verhaal van De Maupassant.
Uiteindelijk trok zij haar kousen weer wat strakker om haar benen om ze daarna, tergend langzaam en met veel vertoon van been, weer aan de jarretelles vast te kunnen maken. Pas toen viel het haar op, dat de kousen, die zij daarnet uit de kousenvoorraad van haar moeder had geplukt, onmiskenbaar naar het parfum van haar moeder roken. Zij vond dat wel een plezierige ontdekking. De kousen vielen ook om een andere reden zeer in de smaak bij haar. Het waren ouderwetse, crêpe nylons met een brede boord. De eenvoudige hiel- en teenstukjes hadden iets liefs in haar ogen; deze kousen leken veel beter bij haar te passen dan de fully-fashioned nylons, die zij meestal droeg.
Onderwijl begon zij beetje bij beetje te beseffen, dat zij met het gluurspelletje misschien wat te ver was gegaan en zij besloot om er meteen een einde aan te maken. Zij stond abrupt op, knikte de jongen vriendelijk toe, hetgeen hem aangenaam leek te verrassen, en liep de huiskamer binnen. Dennis was inmiddels in de inbouwkeuken aan de afwas begonnen. Hij schonk haar een nogal blijmoedige glimlach. Het was hem aan te zien, dat hij de laatste ontwikkelingen rond zijn echtgenote heel erg plezierig vond.
"Ik ben zo klaar!", zei hij.
"Dat is mooi! Heb je net de dokter gebeld?"
"Ja, we hebben voor maandagochtend een afspraak. Ik heb aan die assistente uitgelegd, dat we door de dood van je moeder een beetje ongerust over onze eigen gezondheid zijn geworden en dat we in ieder geval een bloedonderzoek willen ondergaan."
"Dat is mooi!"
Zij ging op een nogal demonstratieve manier op de bank zitten, trok haar nachthemd en haar slipje uit en wierp de twee kledingstukken naast zich op de bank neer. Dennis zag dat een beetje spottend aan.
"Vanwaar deze snelle striptease?", vroeg hij.
"Ik wil effe lekker vrijen!", antwoordde zij, zonder de opwinding in haar stem te verbergen, "Een vluggertje dit keer."
"Waarom een vluggertje?"
"Ik wil zo snel mogelijk klaar komen om zeker te weten, dat ik niet weer anderhalf jaar in zak en as zal zitten."
"Hoe bedoel je dat?"
"Ik voelde mij in de afgelopen weken heel erg schuldig en heel erg verdrietig als we seks hadden gehad. Als dat schuldgevoel en dat verdriet nu weg blijft, weet ik zeker, dat ik het lek boven heb."
"Nou, zeg! Het is toch niet verboden om nog een poosje over de dood van je moeder te blijven treuren?"
"Niet op de manier, zoals ik dat de afgelopen negen weken heb gedaan. En helemaal niet als ik jou daarmee de stuipen op het lijf jaag! En bovendien…"
"Bovendien wat?"
"Ben ik toch wel een beetje geil geworden door dat gegluur van die jongen."
"En nu mag ik het karwei dus afmaken."
"Ja, en ik zal heel hard gaan schreeuwen, dit keer. Misschien jagen we hem daarmee wel weg."
Dennis ging onderwijl hoofdschuddend verder met de afwas. Hij maakte ook niet de indruk de afwas te willen afraffelen, hetgeen haar zowel intrigeerde als irriteerde. Zij wist, dat de aanblik van haar naakte lijf en die mooie kousen hem nog steeds mateloos opwond, maar hij maakte er de laatste weken weer een sport van om daarvan zo weinig mogelijk te laten blijken.
Tum Tum liep nu ook de kamer binnen. Trudy zag het enprobeerde om hem naar zich toe te lokken. De altijd goedgemutste kater ging meteen op haar avances in. Hij sprong op haar schoot, ging zitten en begon oorverdovend te spinnen. Trudy voelde zich daarbij wat minder op haar gemak, want hij liet de nagels van zijn voorpoten vrijwel onmiddellijk in haar linkerkous en linkerbovendij zakken.
"Au!", zei zij, met gedempte stem, om hem niet te laten schrikken.
"Nog een man, die geen weerstand aan je kan bieden!", zei Dennis, met een ietwat sardonische grijns.
"Spot er maar mee!"
Zij aaide de kater over zijn rug, met een onmiskenbaar gevoel van trots. Toen ze hem vier jaar geleden in huis hadden gehaald, was hij heel dik geweest; nu was hij, dankzij een door Dennis uitgedokterd dieet, een mooie, slanke kater.
"Staat hij bij jou ook op één?", vroeg Dennis lachend.
"Wat bedoel je?"
"Staat hij bij jou ook op één in je persoonlijke Katten-Top-4?"
"Ja, eigenlijk is hij een stuk leuker dan Miepie, hè?", antwoordde zij, doelend op hun vorige kat.
"Ja, het zit hem in dat speelse van hem. In dat gekke rennen door het huis en de jolige manier, waarop hij voortdurend de afstandsbediening te lijf gaat."
"En in dat verontwaardigde weglopen van hem als een van ons niest!"
"Ja, dat is misschien nog wel zijn leukste tic! Maar we hebben de laatste weken echt heel veel aan hem gehad, hè?"
"Ja, hij is vreselijk lief voor ons geweest!"
"Ik blijf het iets heel wonderlijks vinden, dat die stomme beesten het zo goed merken als hun baasjes in de put zitten."
"Katten zijn geen stomme beesten!", riep zij verontwaardigd, "En Tum Tum al helemaal niet!"
"Je hebt gelijk, lieverd! Alle katten hebben iets magisch. Alle katten zijn wereldbeesten en Tum Tum is de koning onder die magische wereldbeesten."
"Zo is het maar net!"
Op dat moment werd er weer gebeld. Trudy schrok ervan. Haar eerste opwelling was om Tum Tum op de vloer te zetten en haar nachthemd weer aan te trekken, maar misschien zou dat niet nodig zijn.
"Dat zal die lul van een Pieter wel weer zijn!", zei Dennis grinnikend, doelend op hun buurman.
"Zou het? Misschien is het Arie of Peter wel!"
"Die bellen toch altijd eerst, voor ze komen?"
"Doe nou maar open! Als het iemand is, die je binnen moet laten, trek ik wel snel mijn ochtendjas aan."
"Goed!"
Hij wierp de theedoek op de gootsteen en verliet de woonkamer, op de voet gevolgd door Tum Tum, die lenig van Trudy’s schoot sprong. Een paar seconden later had Dennis de deur al opengetrokken en werd het Trudy al snel duidelijk,wie er voor de deur stond: het was inderdaad Pieter. Hij kon haar net niet zien, maar als hij twee stappen naar voren zou doen, of als zij zelf zou opstaan, zou dat wel het geval zijn. Dat idee wond haar nogal op en wel dusdanig, dat zij haar benen instinctief tegen elkaar drukte.
De heren waren onderwijl in een geanimeerd gesprek over voetbal verwikkeld geraakt, waarbij ze het vooral over de voorbije Champions League-finale tussen FC Porto en AS Monaco hadden. Trudy hoorde het geklets, waarvan zij lang niet alles verstond, met verbazing aan. Zij had zo het idee, dat Dennis wel door had, dat de situatie nogal op haar verbeelding werkte en dat hij zich daarom aan zo’n levendige leuterpartij overgaf. Het gesprek werd zelfs nog wat levendiger, toen Eva, de vrouw van Pieter, zich bij het kletsende tweetal voegde.
"Gaat het weer een beetje met Trudy?", vroeg zij met haar wat donkere stem aan Dennis.
"Ja, hoor!", antwoordde hij, op een voor zijn doen luide toon, "Zij was gisteravond voor het slapen gaan ineens een stuk vrolijker! En daar was ik dus heel erg blij mee, want zij is echt heel erg down geweest over haar moeders dood. Zij slaapt overigens nog steeds."
"Laat haar dan maar lekker slapen. Pieter en ik moeten er toch vandoor."
Pieter mengde zich weer in het gesprek, maar Trudy kon niet verstaan, wat hij zei. Opnieuw voelde zij haar opwinding langzaam groeien. Voor haar gevoel werd zij van twee kanten belaagd, van de ene kant door hun buurtjes en van de andere kant door het jongen in het plantsoen. De aanvechting om zich op de een of andere manier aan die belagers te vertonen werd sterker en sterker.
Op dat moment was het gesprek bij de voordeur ineens afgelopen. Dennis nam afscheid van het echtpaar, sloot de voordeur en drentelde de woonkamer weer binnen.
"Jezus!", riep hij uit, "Wat zie jij er verhit uit!"
"Ik was en ben een beetje opgewonden!", gaf zij ruiterlijk toe.
"Omdat je naakt was en ze je net niet konden zien?"
"Ja, ik vrees, dat ik een rasechte exhibitioniste begin te worden. Ik vond het daarnet ook heel lekker, dat die jongen in het plantsoen onder mijn nachthemd kon gluren."
"Ik kan het mij levendig voorstellen, maar er zijn ergere dingen in de wereld, hoor!", zei hij grinnikend.
Hij ging de keuken weer binnen en ging verder met de afwas. Trudy zag dat een beetje misprijzend aan.
"Zou je niet eens opschieten?", vroeg zij.
"Waarom zou ik opschieten?"
"Omdat ik heel erg op hele kolen zit."
"Ik wil helegaar niet opschieten!"
"Waarom niet?"
"Omdat ik het veels te leuk vind om stiekem naar je te gluren."
"Dus je geniet daar wel van?"
"Natuurlijk geniet ik daarvan, liefje! En zeker nu ik weet, dat ik dat nog heel lang mag blijven doen."
"Ah, dat is lief van je!"
"Ja, hè?"
"En het stoort je niet, dat ik nu een paar kousen van mama draag?"
"Nee, natuurlijk niet, malle meid!"
"Dat is helemaal niet 'natuurlijk'! Het zou best kunnen, dat mama deze kousen een paar dagen voor haar dood heeft gedragen."
"Dan nog vind ik het niet erg! Als jij vindt, dat je haar kousen moet gaan dragen, tot ze tot op de draad zijn versleten, dan moet je dat gewoon doen."
"Ah, dat is lief van je! Want ze geven mij toch wel een beetje troost, hoor! Ik voelde mij gisteren heel naar, toen de envelop met die sleutel in de brievenbus viel en de gedachte aan die twintig paar kousen hield mij toen echt een beetje op de been."
"Omdat je door het dragen van die kousen het definitieve afscheid toch nog even kunt uitstellen!"
"Ja, precies!"
"Misschien moet je ze in de komende weken dan niet allemaal gaan dragen en een paar kousen of misschien wel twee paar kousen bewaren."
"Misschien doe ik dat ook wel. Ik zal er in ieder geval heel zuinig op zijn."
"Dat is goed, liefje."
"Ik zit er ook over te denken om zelf een heleboel van deze kousen te kopen, zodat ik ze met die van mama kan gaan 'vermengen'. Dan zal ik nooit weten, wanneer ik de laatste kousen van mama zal hebben gedragen."
"O, wat slim van je! Dan zul je dus ook tot aan je dood kunnen blijven denken, dat je misschien wel een paar kousen van je moeder draagt!"
"Ja, precies!"
Op dat moment viel haar oog op een foto van haar moeder. Het was een door haar vader gemaakte portretfoto uit de zomer van 1957, die recht tegenover haar op het wandmeubel stond. Het portret van haar toen zesentwintigjarige moeder was goed getroffen. Haar gelaatsuitdrukking was vrolijk en ook een beetje spottend en ondeugend. Trudy besefte ineens weer, hoe mooi haar moeder was geweest. Dat lange, dikke, donkerbruine haar, die grote, bruine ogen, dat mooie, regelmatige gezichtje, dat wipneusje, die mooie, sierlijk gevormde mond, dat grappige kinnetje met dat kuiltje erin. Zij was echt een wolk van een meid geweest. Toch had zij, voor zover Trudy het kon nagaan, maar heel weinig mannen in haar leven gehad. Het hadden er veel meer kunnen zijn geweest als zij niet in een langdurige en eigenlijk niet gewenste lesbische verhouding was verwikkeld geraakt en op dit moment betreurde Trudy het zeer, dat haar moeder die lesbische verhouding zo lang had laten voortduren.
Nu was haar moeder al negen weken dood en balanceerde Trudy weer even op het randje van dat peilloze verdriet, waaraan zij zich in de afgelopen weken zo volledig had overgeven. Zij herpakte zich echter, nog voordat Dennis door had, wat er door haar heen ging. Hij was inmiddels klaar met de afwas en drentelde nu met een vrolijke grijns naar haar toe.
"Zo, ben je daar eindelijk?", vroeg zij lachend.
"Ja, en ik sta geheel tot je beschikking!"
"Dat is mooi! Maar ik wil het eigenlijk liever niet op de bank doen, hoor!"
"Waarom niet?"
"Omdat mama mij zo gemeen zit aan te grijnzen. En omdat zij op die foto veel knapper is, dan ik nu ben."
Hij schoot in de lach en wierp even een blik op de foto. Het was maar een korte blik, daarna had hij alleen nog oog voor zijn vrijwel naakte vrouw.
"Zou je…", begon zij.
"Zou ik wat?"
"Nee, laat ik het anders formuleren: als ik niet de dochter van mama, maar de moeder van mama zou zijn geweest, zou jij dan…"
"Heel erg verliefd op haar geworden zijn?"
"Ja."
"Wat denk je zelf?"
"Ik denk van wel!"
"Daar heb je dan wel gelijk in, ja!"
"Echt?"
"Ja, en ik zou nooit, maar dan ook nooit…"
Hij stokte en beet op zijn lippen. Hij had er bijna iets heel pijnlijks uitgeflapt, maar Trudy had het al begrepen.
"Je zou haar nooit hebben bedrogen, zoals papa dat heeft gedaan!", zei zij lachend.
"Ja!"
"Daar hoef je niet zo schuldig om te kijken, hoor! Dat pleit alleen maar voor je!"
Hij ging op zijn knieën zitten, sloeg zijn armen rond haar middel en vlijde zijn hoofd op haar borst. Zij begreep niet meteen, wat daar de bedoeling van was. Het kon zijn, dat hij bescherming bij haar zocht, maar het kon ook zijn, dat hij haar die bescherming wilde geven.
"O, God!" mompelde hij, met een verstikte stem, "Ik ben de laatste weken zo vreselijk bang om jou geweest!"
"Dat is niet meer nodig, malle jongen!", zei zij, terwijl zij hem even over zijn haardos streelde, "Ik heb mijzelf weer helemaal onder controle, hoor!"
"Ik was echt gek geworden als ik jou dit jaar ook had moeten begraven."
"Ssst… Stil maar! Dat zal echt niet gebeuren."
"Je moet echt heel erg oud worden, hoor!", mompelde hij, "En heel erg rimpelig en heel erg uitgezakt, want het idee, dat dat knappe koppie en dat heerlijke lijf van jou ooit in een kil, donker graf zal verdwijnen, is absoluut onverdraaglijk voor mij."
"Ik beloof je, dat ik heel oud en heel lelijk zal zijn, als ik eenmaal dood ga. En ik heb nog steeds 20 mei 2038 als streefdatum in mijn hoofd zitten. En dat duurt dus nog zeker vierendertig jaar."
"Denk je, dat het zal lukken?"
"Ja, dat denk ik! Vanaf nu ga ik namelijk een echte gezondheidsfreak worden. Vanaf nu ga ik heel erg letten op wat ik eet en ik ga ook wat meer sporten."
Hij liet haar los en ging in kleermakerszit op de vloer zitten. Trudy schrok, want zij had opeens het gevoel dat hij op het punt stond om in een geweldige huilbui los te barsten. Dat gevoel bleek juist te zijn. De aanblik van die huilende echtgenoot schokte haar zeer. Na een korte aarzeling liet zij zich ook op de vloer zakken en nam zij hem opnieuw in haar armen.
"Wat is er, lieverd?", vroeg zij.
"Ik mis haar zo!", bracht hij er met horten en stoten uit.
"Ik ook, lieverd. Maar we hebben elkaar tenminste nog! En je broers zijn er nog en je neven en je nichtjes. Je bent niet alleen en wij zijn niet alleen. We hebben nog steeds heel veel mensen om ons heen, die heel veel van ons houden."
"Ik weet het, maar ik mis haar toch!", zei hij, nog steeds snikkend, "Zij was ook echt de liefste, de mooiste en de gekste schoonmoeder van de hele wereld!"
"Ja, dat was zij. Zoals zij voor mij de liefste, de mooiste en de gekste moeder van de hele wereld was."
"Ja, zulke moeders en schoonmoeders worden tegenwoordig niet meer gemaakt, hè?"
"Zo is het maar net! En we zullen haar ook altijd in ere houden, hoor!"
"Yeah! Dat moeten we ook, want eigenlijk heeft zij alles goedgemaakt."
"Wat, lieverd?"
"De dood of zelfmoord van mijn moeder, het vertrek van mijn tweede en derde moeder en het komen en gaan van al die huishoudsters daartussen. Iedereen ging maar weg als ik mij eenmaal aan ze gehecht had, maar zij kwam en zij bleef. En nou is zij verdomme dood!"
"Volgens mij ben jij de enige man in de hele wereld, die zijn schoonmoeder heeft verafgood!"
"En daar heeft zij ook alle aanleiding toe gegeven."
"Ik weet het, lieverd!"
Zij droogde zijn tranen en drukte een kus op zijn voorhoofd. Zijn uitbarsting van verdriet had haar zeer ontroerd, maar zij wist even niet, wat zij nu moest doen.
"Ik denk dat ik maar weer even naar bed ga", zei hij, op een wat mismoedige toon.
"Wil je dat echt?"
"Ja, ik voel mij ineens hartstikke moe! Ik wil effe een uurtje gaan pitten."
"Dat is goed, lieverd!"
Zij stond op en trok hem overeind. Hij stond daarna even op zijn benen te wankelen.
"Oh, je bent echt heel moe, hè?", zei zij, opnieuw ontroerd, "Je moet echt heel snel naar bed!"
"Ga je met mij mee?"
"Ja, lieverd! En ik blijf net zo lang naast je liggen, tot je weer wakker wordt!"
"Ah, dat is lief van je!"
"En als je weer wakker bent, gaan we heel rustig praten over alles, wat we moeten gaan doen om toch samen de drieëntachtig te halen."
"Afgesproken!"
Zij greep hem bij de arm en leidde hem, glimlachend en met vaste hand, naar de slaapkamer.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 16 december 2007. © Bert Harberts