JARIG

Rinie zat naakt op de bank, zoals zij dat wel vaker deed als zij vrij had. Haar man Randy zat op de bank tegenover haar, drinkend van zijn koffie en zonder al teveel aandacht aan zijn naakte vrouw te besteden. Zij was vandaag jarig. Hij had daarnet haar verjaardagscadeau aan haar overhandigd en hij genoot nog even na van het effect, dat die peperdure, gouden armband op haar had gehad. Zij had de armband inmiddels omgedaan en zij keek nu heel dromerig uit het raam.
Eigenlijk was hij helemaal niet zo tevreden met die armband. Hij had haar iets heel anders en ook iets veel duurders willen geven: de opbrengst van de verkoop van zijn huis in Canterbury. Hoewel hij het al heel lang van plan was, was hij er nog steeds niet toe gekomen om ook daadwerkelijk tot de verkoop van het huis over te gaan. Hij zou daarvoor natuurlijk zelf naar Canterbury moeten gaan en dat was nu precies de reden, waarom hij het huis nog niet had verkocht. De bitterzoete herinneringen aan Canterbury, zijn geboorteplaats en ook de plaats, waar zijn eerste vrouw Anneke lag begraven, hielden hem al jaren uit Engeland weg. De tiende sterfdag van Anneke naderde echter en daarmee werd ook de aandrang sterker om nu eindelijk eens schoon schip te gaan maken
"Waar denk je aan?", vroeg Rinie, zonder haar ogen van het meertje naast hun huis af te wenden.
"Aan het fijne feit dat jij nu zesentwintig bent!"
"Heuglijke!"
"Sorry?"
"Het is een heuglijk feit, dat ik nu zesentwintig ben, stomme Engelsman!" riep zij, met een gemene grijns, "Het is heuglijk en niet fijn!"
"Ik vind het anders heel fijn!"
"Waarom?"
"Omdat Anneke ook zesentwintig was, toen ik haar ontmoette."
"Ah, ik dacht al, dat je aan Anneke aan het denken was", zei zij grinnikend.
"Waarom lach je daar om?"
"Omdat zij lekker dood is en ik niet! Ik krijg al jaren mooie armbanden, mooie kleren en mooie, ouwe cafe's van haar lieve weduwnaar. Zij krijgt lekker niks meer en alleen maar omdat zij zo stom is geweest om zichzelf tien jaar geleden van kant te maken!"
Hij schoot in de lach. Dat vrolijke cynisme van zijn tweede vrouw jegens zijn eerste vrouw had altijd een verkwikkende uitwerking op hem.
"Zij is ook niets meer dan een verzameling botjes, hŤ?", zei hij.
"Precies!"
"Terwijl zij vroeger toch van die sappige billen en dijen had."
"Hihihi, als zij nu nog had geleefd, was zij vast een tonnetje geweest!"
"Tonnetje?"
"Dik, stomme Engelsman! 'Tonnetje' betekent dik! Of eigenlijk: moddervet!"
"Besef je eigenlijk wel, dat je over eh... zevenentwintig jaar misschien ook wel een tonnetje zult zijn. Je bent namelijk net zo mollig als zij."
"O, dat zien we dan wel weer!"
Ze vielen even stil en Randy bekeek zijn naakte eega ineens met wat meer belangstelling. Zij was inderdaad een tikje aan de mollige kant, maar dat minieme buikje en die lovehandles langs haar heupen maakten haar in zijn ogen alleen maar aantrekkelijker.
"Heb ik je al vandaag al gezegd, dat je heel mooi bent?", vroeg hij.
"Jawel!"
"Wanneer dan?"
"Toen je mij vanochtend wakker kuste en mij mijn ontbijt op bed overhandigde."
"Ach, wat jammer nou!"
"Waarom?"
"Nou moet ik mijn liefde voor jou op een andere manier gaan bewijzen."
"Hoe dan?"
"Hm, ik weet het eigenlijk niet. Ik heb nog steeds heel veel zin om een echte miljonaire van jou te maken. Maar dan wel op een hele speciale manier!"
"Hoe dan?"
"Door je een mooi, duur huis te geven, dat je mag gaan verkopen."
"Waarom een huis?"
"Omdat je een gift in geld niet wilt accepteren."
"En waarom zou ik een huis dan wel accepteren?"
"Omdat je dat huis dan eventueel tot een hotel of een cafť zou kunnen ombouwen."
"O, wat slim van je! Dan laat je mij dus de keus tussen cashen of verder carriŤre maken."
"Yep!"
Hij twijfelde even over de vraag of hij haar moest verklappen, dat hij haar de opbrengst van de verkoop van het huis in Canterbury wilde gaan geven en besloot om dat voorlopig maar even na te laten. Het had bij nader inzien ook geen haast.
Rinie reikte onderwijl naar haar kleren, die naast haar op de bank lagen, en begon zich aan te kleden. In een ietwat bedaagd tempo trok zij een wit bloesje, een zwart slipje en een zwart rokje aan. Zij liet de beha vandaag achterwege, maar daar had Randy vanzelfsprekend geen enkel bezwaar tegen. Het ensemble viel dan ook zeer in de smaak bij hem.
"Wat wil je vandaag gaan doen?", vroeg hij.
"Ik wil zometeen eerst even naar het 'Boven 't IJ' gaan!", antwoordde zij, doelend op het winkelcentrum in Amsterdam-Noord.
"Waarom?"
"Omdat ik daar een hele tijd niet ben geweest en ik er een beetje heimwee naar heb. Voor ik jou kende, in de tijd dus, dat ik nog niet zo ontzettend veel geld tot mijn beschikking had, mocht ik daar heel graag winkelen."
"Wat een leuk idee!"
"Ja, hŤ?"
"Wil je met de auto of met de fiets gaan?"
"Euh... Laten we maar met de fiets gaan!"
"Leuk!"
"Wel, laten we maar gauw gaan, dan!"
Ze stonden op, liepen naar het schuurtje naast de voordeur en duwden hun fietsen naar buiten. Randy keek toe, hoe Rinie de voordeur en deur van het schuurtje op slot draaide. Hij dacht daarbij even aan de ietwat morbide conversatie van daarnet en probeerde zich voor te stellen, hoe hij er zou voorstaan als de dood opnieuw zou toeslaan en ook Rinie over een paar jaar niets meer dan een 'verzameling botjes' zou zijn. Hij had daar niet zoveel illusies over. Voor een tweede zelfmoord zoals met Anneke behoefde hij weliswaar niet bevreesd te zijn. Daar was Rinie te vrolijk en te evenwichtig voor, maar een verkeersongeluk zou elke dag kunnen gebeuren. Dat ongeluk was, gezien haar ruige, onbehouwen rijstijl in de auto, zelfs een reŽele mogelijkheid.
Rinie liet haar mp3-spelertje in het borstzakje van haar blouse glijden, bracht haar fiets in beweging, ging op het zadel zitten en reed het smalle, welig begroeide straatje in. Hij volgde haar voorbeeld, nog steeds in een wat sombere stemming. Eigenlijk was hij veel te oud voor haar; ze scheelden maar liefst tweeŽntwintig jaar in leeftijd. Hij mocht misschien dan wel de grote liefde van haar leven zijn, maar hij zou naar alle waarschijnlijkheid niet haar laatste liefde zijn. Als hij zeventig zou worden, zou zij nog jong genoeg zijn om een andere man te vinden. Hij had haar te leen, niet meer en niet minder dan dat.
Ze peddelden onderwijl op hun gemak door het dorp heen. Het was tamelijk druk in de mooie, pittoreske straatjes, die voornamelijk door toeristen werden bevolkt. Rinie trok tamelijk veel bekijks van de mannelijke voetgangers. Een feit, dat Randy met een rustig gemoed registreerde.
"Wil jij niet even voorop gaan rijden?", vroeg zij, terwijl zij lachend over haar schouder keek.
"Nee! Waarom zou ik?"
"Omdat iedere man, die we tegenkomen, likkebaardend onder mijn rokje kijkt."
"Dan had je maar niet dat korte rokje moeten aantrekken", was de hardvochtige repliek.
"Ben je niet jaloers?"
"Nee, ik heb liever, dat ze van voren onder je rokje kijken dan dat ze je van achteren aanrijden."
"Ach, wat ben je toch een lieve moederkloek!"
"Maar als we straks op het fietspad naast de autoweg rijden, kom ik wel naast je rijden, hoor."
"Ja, maar ik heb helemaal geen zin om over die saaie N247 te rijden!"
"Wil je liever langs de vaart en het kanaal fietsen?"
"Yep!", zei zij, terwijl zij de oorknopjes van haar mp3-spelertje in haar oren propte.
"Wel, dan blijf ik toch achter je rijden."
"O, wat ben je toch een saaie piet!"
"Ik ben een saaie Randy, geen saaie Pete!"
"Je bent wel een saaie piet! En ook een enorme ouwehoer."
Ze hadden het einde van de Dorpsstraat inmiddels bereikt en draaiden het fietspad naast de N247 op. De zon scheen uitbundig; het tuinfeestje, dat ze voor vanavond hadden gepland, zou zeker doorgaan. Veel gasten zouden er overigens niet komen. Haar ouders, een paar van haar vriendinnen en een paar van zijn vrienden plus hun aanhang. Toch moesten ze nog wel het een en ander voor het feestje in huis halen. Ze zouden dus niet zo heel lang in Amsterdam-Noord kunnen blijven.
Voorbij de brug over de vaart sloeg Rinie rechtsaf en vanaf dat punt reden ze verder over de smalle Broekermeerdijk. Het was inderdaad een plezieriger en mooiere route dan het fietspad langs de N247, maar de Broekermeerdijk werd, in zijn hoedanigheid van sluiproute, ook vaak door te snel rijdende auto's gebruikt. Rinie scheen zelf ook door dat snelheidsvirus te zijn besmet, want nu ze de wind in de rug hadden, fietste zij met een hele soepele pedaaltred van hem weg.
"Niet zo hard!", riep hij.
Zij negeerde die noodkreet, zodat hij de grootst mogelijke moeite moest doen om haar bij te benen. Al ploeterend schoot het in een flits door hem heen, dat dit fietstochtje hun huwelijksleven op een nogal treffende manier symboliseerde. Hun huwelijk was een hoogst curieuze samensmelting tussen een bedaagde man van middelbare leeftijd, wiens muzieksmaak in de jaren zeventig was gevormd en die een stiekeme voorkeur voor de muziek van The Moody Blues had, en een energieke meid van zesentwintig, die van hiphop hield en elk jaar in augustus met de bovengenoemde vriendinnen naar Dance Valley ging. Toch was zij zielsgelukkig met hem, ondanks dat overduidelijke verschil in leeftijd en levenstempo, en hij wist zeker, dat zij echt van hem hield en dat zij absoluut niet op zijn geld uit was. Zij zou ook zeker tot zijn dood bij hem blijven; daar had hij geen enkele twijfel over.
Op dat moment zag hij twee snel rijdende auto's naderen. De chauffeur van de achterste auto deed verwoede pogingen om de voorste auto in het halen en hij scheen daarbij over het hoofd te zien, dat hij met die manoeuvre twee fietsers in gevaar bracht. Rinie leek het gevaar ook niet te zien. Zij werd, behalve door de muziek uit haar mp3-spelertje, ook even afgeleid door een kapitaal motorjacht, dat op dat moment voorbijvoer en Randy moest haar met een geschreeuwd 'Pas op!' weer bij de les brengen.
Het ging toch nog mis. De wegpiraat zette zijn inhaalmanoeuvre door, waardoor Rinie de berm moest inrijden. Even leek het erop, dat zij haar evenwicht kon bewaren, maar daarna gleed zij alsnog met fiets en al het water in. Randy, die de auto wat makkelijker had kunnen ontwijken, schrok hevig. Hij stopte, slingerde zijn fiets de berm in en schoot Rinie te hulp.
Gelet op de half geschokte, half guitige grijns op haar gezicht mankeerde zij echter niets. Randy wist haar dan ook zonder moeite uit het water te trekken. Zij was, zoals te verwachten was, drijf- en drijfnat. Haar nettebloesje was in een heus doorkijkbloesje veranderd en haar schoenen waren in het water achtergebleven, maar haar humeur had er dus niet onder geleden. Zij ging op het gras zitten en schoot vervolgens onbedaarlijk in de lach.
"Dit was dus absoluut de wraak van Anneke!", riep zij.
"Hoe bedoel je?"
"Haar geest heeft daarnet even bezit genomen van die eikel in die auto."
"Denk je?"
"Ik weet het wel zeker! Ik zal ook nooit meer van die nare dingen over haar zeggen."
Hij was niet in staat om daarop te reageren, althans niet in woorden. Hij ging naast haar zitten, sloeg zijn rechterarm om haar middel heen en drukte een kus op haar natte haren.
"Ben je erg geschrokken?" vroeg zij, terwijl zij hem even over zijn haar streelde.
"Ja, natuurlijk! Ik dacht echt, dat je er geweest was."
"Als jij niet had gegild, dan was ik waarschijnlijk ook wel dood geweest.Ē
"Echt?"
"Ja, ik was ineens hartstikke afgeleid door dat mooie bootje, dat voorbij voer. Ik hoorde die auto's niet eens aankomen. Je hebt daarnet dus echt mijn leven gered!"
Randy hoorde haar relaas glimlachend aan en voelde een warme gloed door zijn lijf gegaan. Het leven had ineens een uitermate plezierige wending had genomen. Hij had zijn eerste vrouw niet van haar zelfmoord kunnen weerhouden, maar hij had haar levenslustige opvolgster dus wel voor de dood kunnen behoeden.
Rinie scheen onderwijl niet door te hebben, wat er door haar man heen ging. Zij maakte zich van hem los en gleed het water weer in om haar fiets, waarvan het zadel nog net boven het wateroppervlak uitstak, uit de prut te trekken. Zij slaagde daar wonderwel in.
"Waarom laat je mij dat niet doen, malle meid?", vroeg hij.
"Ik ben al nat! Jij niet! En ik ben ook veel sterker dan jij."
Zij reikte hem de fiets aan en liet zich daarna voor de tweede maal door hem uit het water trekken.
"Ik zou eigenlijk ook even achter mijn schoenen aan moeten gaan", zei zij.
"Laat die schoenen maar zitten."
"Maar ze zijn hartstikke duur geweest!"
"Die schoenen zijn nu toch voorgoed bedorven. Morgen krijg je drie paar nieuwe en ook een nieuw mp3-spelertje van mij, maar we gaan nu dus heel snel naar huis!"
"Hm, dat is wel beter, hŤ? Ik heb eigenlijk wel behoefte aan een bad."
"Maar voor we gaan, moet je eerst maar even mijn regenjack aantrekken", zei hij, terwijl hij dat regenjack van zijn bagagedrager haalde.
"Ben je nou helemaal betoeterd? Als ik dat aantrek, loop ik voor gek!"
"Dat kan mij niet schelen! Het is wel niet zo ver naar huis, maar we hebben zometeen wel de wind tegen en ik wil niet, dat je kou vat!"
Zij wilde nog iets tegenwerpen, maar iets in zijn gezicht weerhield haar daarvan. Zij pakte het blauwe regenjack van hem aan en hing het over haar schouders. Daar nam hij echter geen genoegen mee.
"Nee, aantrekken!", zei hij gebiedend, "En dan helemaal dichtknopen!"
"Jezus!", riep zij verontwaardigd, "Wat ben jij ineens een enge despoot geworden."
Toch gehoorzaamde zij wel. Het regenjack reikte bijna tot haar knieŽn, hetgeen hem even in de lach deed schieten. De aanblik van haar kletsnatte voetjes op het warme asfalt had eigenlijk ook wel iets grappigs.
"Lach maar!", riep zij humeurig, "Ik neem zometeen wel wraak op je."
"Dat is goed, liefje! Maar stap nu maar op. Als we thuis zijn, zal ik zelf het bad voor je laten vollopen."
"Daar hou ik je aan."
Randy liep naar zijn fiets toe en raapte hem op. Toen hij opstapte, zag hij, dat ook haar fiets niets ernstigs aan het ongelukje had overgehouden. Zij reed hem met grote snelheid voorbij en hij moest opnieuw flink zijn best doen om haar in te halen. Ditmaal leek die inspanning hem echter geen enkele moeite meer te kosten.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 6 juli 2007. © Bert Harberts