DE STEIGER

Conny lag op de steiger te zonnen. Het licht van de fel schijnende zon weerkaatste in het water van de Zuiderzee en dwong haar om haar ogen gesloten te houden. Zij had haar lange, rode jurk tot haar heupen opgetrokken. Haar sandalen stonden links van haar; rechts van haar zat Juultje, haar vijf jaar jongere buurmeisje, met wie zij een fietstochtje naar Marken maakte. Zij en Juultje kenden elkaar sinds Juultjes geboorte; Conny fungeerde al sinds haar kleuterjaren als een tweede moedertje voor alle kinderen in het Noordamsterdamse buurtje, waar zij woonde en de stille, maar intelligente Juultje was een van de vele kinderen geweest, waarover zij zich had ontfermd.
Dat had zij vanochtend dus ook gedaan. Zij was eerst alleen op pad gegaan, maar toen zij Juultje in de buurt van Schellingwoude was tegengekomen, had Conny haar zonder veel moeite kunnen overhalen om met haar mee naar Marken te gaan. De kans, dat ze vandaag Marken zouden halen, was overigens niet groot. Het was eigenlijk veel te warm naar haar zin. Zij en Juultje hadden de hitte getrotseerd, tot Conny zich, bij het passeren van de camping bij het Kinselmeer, het bestaan van deze steiger had herinnerd. Ze waren meteen van hun fietsen gestapt, de dijk opgeklommen en vervolgens naar deze lange, smalle steiger afgedaald.
Nu lagen ze al een poosje op het uiterste puntje van die steiger en was Conny kalmpjes aan het mijmeren. Zij had redenen te over om zich daarbij gelukkig te voelen. De oorlog lag alweer drie jaar achter haar, zij was jong, gezond en mooi, haar ouders, familie en vriendinnen waren dol op haar, zij was een week geleden met vlag en wimpel voor haar mulo-diploma geslaagd en over een paar maanden zou zij in het Wilhelmina Gasthuis aan haar verpleegstersopleiding beginnen.
Zij verheugde zich ook op de komende zomer. Het zou een heerlijke luierzomer gaan worden, waarin zij alleen op de zaterdagen verplichtingen zou hebben: dan werkte zij namelijk in een bakkerswinkel op het Purmerplein. De gedachte aan die drukke zaterdagen bedrukte haar niet. Zij hield daar namelijk een leuk zakcentje aan over, waarvan zij af en toe leuke kleren kon kopen.
Binnenkort zou zij van dat zakcentje ook haar eerste nylons gaan kopen. Dat had zij vandaag eigenlijk al willen doen. Zij was ook eerst van plan geweest om deze middag naar de HEMA in het centrum van Amsterdam te fietsen, maar de warmte had haar dus al na honderd meter voor een fietstochtje langs de Zuiderzeedijk doen kiezen. Daar was zij bij nader inzien wel blij om. Het was nu toch te warm om kousen te dragen, zelfs als het van die mooie nylonkousen waren.
"Verveel je je eigenlijk niet?", vroeg zij, zonder haar ogen te openen, aan haar vriendinnetje.
"Nee, het is mooi hier! En het is hier ook een beetje koeler dan aan de andere kant van de dijk."
"Dus je wilt niet verder fietsen?"
"Nee."
"Dat is mooi, want ik wil hier eigenlijk niet meer weg."
"Ik wil hier ook wel de hele dag blijven."
"Dat zullen we dan maar doen, hè? Dat Marken zal er morgen ook nog wel zijn."
Zij ging daarna weer rustig verder met mijmeren. Juultje liet haar handje onderwijl even over Conny's rechterdij glijden. Conny reageerde daar niet op.
"Hebben jullie al wat van Pieter gehoord?", vroeg zij, doelend op Juultjes, oudere broertje, die sinds kort in een vakantiekolonie zat.
"Ja, we hebben gisteren een ansichtkaart van hem gehad. Hij vindt het, geloof ik, wel leuk daar in Lunteren."
"Hoe lang moet hij in dat enge koloniehuis blijven?"
"Hij komt ergens in juli terug."
"O, die arme jongen! Bijna twee maanden weg van huis! Dat is toch eigenlijk veels te lang?"
"Ja, hij heeft ook wel een beetje heimwee en mama mist hem ook wel."
"Jij ook?"
"Ik ook wel een beetje."
"Mooi zo!"
"Weet je trouwens, dat hij heel erg verliefd op je is?"
"Ja, dat weet ik, lieverd! Maar ik ben helaas niet verliefd op hem. Ik ben ook veels te oud voor hem, hè? Hij moet toch heus een meisje van zijn eigen leeftijd gaat zoeken. Misschien vindt hij daar in Lunteren wel een leuk vriendinnetje! Zeg hem dat maar als je hem daar over een paar weken op gaat zoeken."
"Ik zal het doen!"
In de daaropvolgende minuten dacht Conny met enige weemoed aan de broertjes en zusjes, die zij zelf nooit had gehad. Het was haar nog steeds niet helemaal duidelijk, waarom haar ouders het na haar geboorte bij één kind hadden gehouden. Haar moeder had haar laatst verteld, dat de bevalling van Conny heel zwaar voor haar was geweest en dat zij en Conny die bevalling bijna niet hadden overleefd, maar of het alleen daaraan had gelegen, wist Conny niet helemaal zeker. De moeilijke crisisjaren in de periode na Conny's geboorte, waarin Conny's vader ook enige tijd werkloos was geweest, hadden misschien ook wel een rol gespeeld.
"Heb ik je wel eens verteld, dat ik bij mijn geboorte bijna ben doodgegaan?", vroeg zij.
"Nee!", antwoordde Juultje, hoorbaar geschrokken.
"Mijn moeder vertelde het mij een paar weken geleden. Er waren allerlei complicaties tijdens de bevalling en het heeft echt heel weinig gescheeld, of we waren allebei het hoekje om gegaan."
"O, wat erg!"
"Ja, raar idee, hè? Als de dokters en de verpleegsters mij en mijn moeder niet zo goed hadden geholpen bij de bevalling, waren we nu allebei dood geweest."
"Dan had ik je nooit gekend!"
"Ach, dan was er misschien wel een andere Conny in je leven gekomen", zei zij, met een enigszins misplaatste luchtigheid.
"Nee, dat geloof ik niet. Als ik jou niet had gekend, dan..."
"Laten we er maar niet meer over praten, lieverd. Ik heb het overleefd en ik ga vast heel oud worden!"
"Ik hoop het!"
“Nee, ik meen het echt, hoor! Ik wil in ieder geval tot het einde van deze eeuw blijven doorleven.”
Ze vielen stil en Conny dacht even aan niets. Zij voelde zich ook wat soezerig worden.
"Ik heb een beetje slaap!", zei zij.
"Nou, dan ga je toch lekker slapen! Ik zal wel op je letten."
"Ah, dat is lief van je! En wil je dan ook op mijn tasje met mijn portemonnee letten? Er zit namelijk best wel veel geld in mijn portemonnee."
"Ik zal ook op je tasje en je portemonnee letten."
"Je bent een brave meid! En als je toch aan het opletten bent: wil je dan ook op voorbijvarende bootjes letten?"
"Waarom?"
"Omdat ik bijna in mijn blote kont lig, suffie!"
"O, ja!"
"Precies! Nou vind ik het niet erg, dat jij dat ziet, maar ik zal het niet leuk vinden als ik zometeen door voorbijvarende vissers word begluurd."
"Ik zal ook op de voorbijvarende vissers letten."
"Mooi zo! En dan ga ik nu een beetje maffen."
"Slaap lekker!"
"Dank je wel!"
Beetje bij beetje werd Conny door de slaap overmand, maar voor zij daadwerkelijk in slaap viel, trok zij haar onderbroekje uit en ging zij op haar buik liggen om ook haar billen nog wat zonlicht te gunnen.
"Je hebt hele mooie billen!", riep Juultje lachend.
"Dank je, lieverd!"
"O, wat zal Pieter jaloers zijn als hij over een paar weken hoort, dat ik jou in je mooie, blote billen op een steiger heb zien liggen!"
"Nee, dat mag je niet tegen hem zeggen, hoor!", zei Conny resoluut, "Dat zou ik echt heel erg zielig voor hem vinden."
"Nou, ik doe het lekker toch. Hij heeft mij al vaak genoeg gepest."
"Je bent een heel gemeen meisje!", murmelde Conny.
"En hij is soms een hele gemene jongen. Hij zegt soms ook hele gemene en ook hele rare dingen over jou."
"Zoals wat?"
"Dat je een lekker lijf hebt bijvoorbeeld, en dat hij je heel graag een keer naakt wil zien. Hij fantaseert er vaak over, dat hij je op een dag, als je ouders niet thuis zijn, gevangen zal nemen, en dat hij je dan zal vastbinden, zodat je dan helemaal in zijn macht zult zijn."
"Hm, als hij dat allemaal dan echt zo graag met mij wil gaan doen, moet je hem maar vertellen, dat ik binnenkort van die mooie, opwindende nylonkousen ga dragen."
"Echt?"
"Ja, joh! Ik had ze vandaag al bijna gekocht, maar ik had geen zin om in deze hitte naar de HEMA te fietsen."
"O, wat leuk! O, ze zullen je vast heel mooi staan!"
"Ik denk het ook wel."
"Ga je dan ook van die rare jarretelles dragen?"
"Ja, natuurlijk, suffie! Zonder jarretelles kun je toch geen kousen dragen?"
"Oh, dat ga ik echt tegen Pieter zeggen als ik hem in Lunteren zie! Hij wordt vast helemaal gek! Ik zie het al helemaal voor mij."
Daar reageerde Conny niet meer op. De warmte en de slaap wonnen het van de drang tot het uitspreken van een verstandig weerwoord. Twee maanden later zou zij dat hevig gaan betreuren.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 21 juli 2007. © Bert Harberts