ZUS!

Het was een zwoele zaterdagmiddag, even over halfzes. Bus C reed de hoek om en de zeventienjarige Conny keek door het raam om te zien, of Fritsje bij de eindhalte stond. Fritsje was haar tien jaar jongere buurjongetje op wie zij dit weekend zou passen. Hun ouders waren eerder die dag voor een gezamenlijk vakantietripje naar de camping in Bakkum vertrokken. Hij was door zijn Engelse ziekte heel vaak moe en hij had er de voorkeur aan gegeven om dit weekend bij Conny te blijven. Dat verzorgen van Fritsje zou geen moeilijke opgave voor Conny worden, want zij was dol op hem. Ze hadden na zijn geboorte in het tweede oorlogsjaar veel lief en leed met elkaar gedeeld. Het rustige en vroegwijze ventje, dat aan het einde van de hongerwinter een paar weken op het randje van de dood had gezweefd, kon absoluut geen kwaad bij haar doen.
Fritsje stond inderdaad bij de eindhalte te wachten. Zij zwaaide hem vrolijk toe, maar voelde tegelijkertijd ook wel iets van deernis voor hem. Hij zag er drie jaar na de bevrijding nog steeds heel iel en heel kwetsbaar uit.
Van haar kon bepaald niet hetzelfde worden gezegd. Zij was in die drie jaar tot een mooie, ietwat mollige brunette uitgegroeid. Zij was zelfs een beetje te mollig naar haar zin. Haar verpleegstersuniform zat strak om haar lijf, evenals de beha, de jarretelles en de bruine nylonkousen, die zij onder dat uniform droeg en dat was op deze warme dag bepaald geen pretje geweest.
De bus reed de halte nog even voorbij, maakte een ietwat ellipsvormig rondje over de Nieuwendammerdijk en stopte vervolgens bij de halte. Conny slaakte een zucht van verlichting. Tijdens die lange, vermoeiende werkdag had zij voortdurend naar het komende, rustige avondje met Fritsje uitgekeken. Zij verliet de bus, rende naar hem toe en sloot hem lachend in haar armen.
"Dag, Broer!", zei zij.
"Dag, Zus!", was zijn wedergroet.
"Heb je lang op mij staan wachten?", vroeg zij, hem met enige tegenzin weer loslatend.
"Neuh! Ik sta er net!"
"Dat is mooi! Dan heb ik mij niet voor niets zo gehaast."
Zij nam hem bij de hand en daarna liepen ze samen de Monnickendammerweg op. Hun huizen bevonden zich aan het andere einde van die lommerrijke straat.
"Gaat het?", vroeg zij, "Of moet ik je dragen?"
"Het gaat wel."
Zij keek een beetje bezorgd op hem neer. Zijn antwoord had niet echt overtuigend geklonken.
"Zal ik je toch maar niet liever dragen?", vroeg zij.
"Nee, ik haal het wel!"
Ze staken de straat over en liepen kalm verder. Conny voelde zich een beetje soezerig worden, maar was ineens weer klaarwakker, toen Fritsje haar een nogal pikant vraagje stelde:
"Heb jij nou al verkering, Zus?"
"Nee, lieverd!", antwoordde zij lachend, "Ik heb op het ogenblik wel een beetje sjans met een dokter op mijn werk, maar ik ben niet echt verliefd op hem."
"Hij wel op jou?"
"Ja, dat geloof ik wel."
"Wat mankeert er dan aan hem?"
"Hij is een beetje te knap voor mij. En hij heeft ook een beetje teveel kapsones."
"Wat betekent dat?"
"Dat betekent, dat ik hem niet echt aardig vind."
"Dus hij komt vanavond niet langs?"
"Nee, schatje!", antwoordde zij schaterend, "Vanavond heb je mij helemaal voor jezelf."
Ze waren inmiddels bij haar huis aangekomen. Conny liet Fritsjes hand los en begon met wat binnensmonds gemopper in haar tas naar haar huissleutel te zoeken. Het kostte haar wel wat moeite, maar zij vond hem uiteindelijk toch.
Eenmaal binnen moesten ze even naar adem happen. Het was tamelijk warm en benauwd in het huisje. Conny begon meteen met het opengooien van de ramen in de woonkamer en de twee slaapkamers op de eerste verdieping en gooide ook de keukendeur aan de achterkant van het huis wijd open. Fritsje drentelde tijdens die zwerftocht door het huis dromerig achter haar aan, tot ze uiteindelijk in het piepkleine achtertuintje waren neergestreken.
"Zo, nou kan het lekker een beetje doortochten!", zei zij.
"Ja", beaamde Fritsje, met een wat gewichtig aandoende hoofdknik.
Hij zat tegenover haar, op het grasveldje. Conny zelf zat op een oud tuinstoeltje, met de handen op haar schoot.
"Wil je een boterham?", vroeg zij.
"Neuh! Ik heb geen trek in eten!"
"Nee, dat kan niet, Broer!", zei zij streng, "Je moet eten, anders blijf je de rest van je leven net zo'n zwak poppetje als je nu bent."
"Ik ben helemaal geen zwak poppetje!", zei hij, een beetje stuurs.
"Je bent wel een zwak poppetje! En ik ga dus nu twee bruine boterhammen met bruine suiker voor je klaarmaken."
"Nou, goed dan..."
Conny stond lachend op en liep weer de keuken binnen. Zij haalde de broodplank met het brood en het broodmes, het botervlootje met de ietwat te zachte boter, de pot met de bruine suiker en een bord uit de kast en begon neurind twee flinke boterhammen af te snijden. Fritsje kwam onderwijl ook de keuken binnensjokken.
"Niet zo dik!", mopperde hij, terwijl hij zuchtend zijn armen rond haar benen sloeg en zijn hoofd tegen haar rechterzij legde.
"Bemoei je d'r niet mee!", riep zij grinnikend.
"Hm, je bent vandaag helemaal niet lief voor mij."
"Nee, h? Ik ben vandaag een echte etterbak voor je!"
"Ja, dat vind ik ook!"
"En pas je op, dat je geen ladders in mijn mooie nylons maakt?"
"Is dit dan je enige paar, Etterbak Conny?"
"Nee, Etterbak Fritsje!" antwoordde zij lachend, "Natuurlijk is dit niet mijn enige paar. Er liggen nog vier paar kousen in mijn klerenkast. En dat is maar goed ook."
"Waarom?"
"Omdat mijn bazin zegt, dat ik ze elke dag op het werk moet dragen. Elke verpleegster behoort tijdens haar dienst namelijk altijd bruine kousen te dragen."
"Wat raar!"
"Dat is helemaal niet raar, Etterbak Fritsje! Soldaten dragen toch ook allemaal een uniform? En wat hun uniformen betreft, zijn verpleegsters toch net soldaten?"
"Dat is waar."
Zij legde de boterhammen op het bordje, besmeerde de boterhammen onderwijl met flink veel boter en strooide er vervolgens flink veel suiker overheen.
"Meer, meer!", riep Fritsje, ineens heel enthousiast.
"Ha! Jij wilt twee gebakjes in plaats van twee boterhammetjes! Nou vooruit, dan strooi ik er nog wat meer suiker overheen."
Zij voegde de daad bij het woord en mengde de boter en de suiker zo goed mogelijk door elkaar.
"Zo, dat zijn dus de boterhamgebakjes", zei zij, "En nu moeten we het nog even over het drinken hebben. Wat dacht je van..."
"Een glaasje Ranja!"
"Hm, ik dacht eigenlijk meer aan een glas melk of karnemelk. Dat is veel beter voor die arme, zwakke botjes van jou! Die moeten namelijk nog een stuk sterker worden."
"Ja, maar Ranja is veel lekkerder!"
"Ja, maar die wil ik eigenlijk liever voor vanavond en morgen bewaren. En je zou mij een heel groot plezier doen als je nu een glaasje melk of karnemelk neemt."
"Mag ik dan alsjeblieft een glaasje karnemelk!"
"Natuurlijk mag je dat, Etterbak Fritsje! Natuurlijk mag je dat!"
Zij haalde de karnemelk uit de kast onder de gootsteen en het glas uit het kastje boven de gootsteen en goot het glas op een wat slordige manier vol.
"Je morst, Etterbak Conny!", riep hij gniffelend.
"Ik zie het, Etterbak Fritsje!"
Zij veegde de melkvlek met een doekje weg, zette de karnemelk weer terug in het keukenkastje en overhandigde het bordje met de boterhammen en het glas karnemelk aan Fritsje.
"Hier!", riep zij jolig, "Vreten, kreng!"
"Eten!"
"Nou, goed! Eten dan..."
Zij schopte haar schoenen uit, duwde Fritsje weer de tuin in en ging weer op haar stoeltje zitten. Op dat moment zag zij tot haar grote verdriet, dat zij weer eens werd begluurd: door Pieter, de puisterige, veertienjarige jongen, die in het huis rechts naast haar overburen woonde. Zij haatte die knul. Om de onbeschaamdheid waarmee hij elke avond vanuit zijn slaapkamerraam naar haar gluurde, om de opdringerige manier waarop hij haar bejegende als ze elkaar op straat tegenkwamen. Nu kon zij hem nog afweren door hem af en toe een 'gigantische knal voor zijn lelijke rotkop' te geven, maar zij keek met angst en beven uit naar de periode, waarin hij tot een potige jongeman van achttien zou zijn uitgegroeid.
Het was op dat moment, waarop zij de gedachte aan de avances van Hendrik, de knappe, jonge dokter van haar werk, ineens als iets positiefs ervoer. Er was dus wel degelijk een mogelijkheid om aan de ongewenste aandacht van Pieter te ontsnappen en die ontsnappingsroute hield meteen ook een ontsnapping uit haar eenvoudige milieu in. Toch stond die laatste gedachte haar meteen alweer flink tegen. Zij wilde helemaal niet loskomen van haar ouders en al helemaal niet van Fritsje. Hij at nu kalmpjes zijn boterhammen op. Hij had een grassprietje uit de grond getrokken en streek daarmee over de wreef van haar rechtervoet.
"Wat zullen we zometeen gaan doen?", vroeg zij.
"Kweenie..."
"We kunnen natuurlijk een spelletje gaan doen. Of naar de radio gaan luisteren. Maar we kunnen ook een stukkie gaan fietsen."
"Kunnen we niet gewoon in de tuin blijven zitten?"
"Nee, dat wil ik liever niet."
"Waarom niet?"
"Omdat Pieter van de overburen weer naar mij zit te gluren!"
Zij zag zijn gezicht onmiddellijk betrekken. Hij keek om en wierp de gluurder een hele boze blik toe.
"Laten we dan maar gaan fietsen", zei hij, met een benepen stemmetje.
"Ah, dat is lief van je!"
"Maar dan mag ik wel bij jou achterop, h?"
"Natuurlijk, schatje! Ik weet heus wel, dat je nog niet sterk genoeg bent om zelf te fietsen. Maar eet eerst maar even je boterhammen op."
"Goed."
Ze vielen weer stil. Nu zij zeker wist, dat zij ook vanavond weer aan Pieters gegluur zou kunnen ontsnappen, kon zij dat gegluur ineens veel beter velen. Dat liet zij hem ook duidelijk hem merken. Zij trok de zoom van haar uniform een flink stuk omhoog, strekte haar mooie, lange kousebenen en wierp hem een uitdagende blik toe.
"Kijk maar, jongen!", dacht zij, "Kijk er maar goed naar, want al dat moois is echt niet voor jou bestemd."
Fritsje had inmiddels zijn brood opgegeten. Hij dronk in n teug zijn karnemelk op en liet zijn vingertjes met een wat dromerige blik over haar rechterbeen glijden. Het vertederde haar. Dit was weer een van die dagen, waarop hij voortdurend met haar benen wilde spelen. Zij liet ook toe, dat hij even met de jarretelles speelde. Het kriebelde een beetje, maar het kwam niet in haar hoofd op om het hem te verbieden.
"Wil jij later niet met mij trouwen, Fritsje?", vroeg zij lachend.
"Ja, natuurlijk wil ik later met je trouwen!"
"Dat moeten we dan maar doen, h? Dan heb ik tenminste iemand, die mij later tegen die nare Pieter kan beschermen."
"Afgesproken!"
"Prima! En laten we nu maar gauw gaan! Ik heb wel weer genoeg van die nare Pieter gezien!"
"Goed."
Ze stonden op en gingen het huis weer binnen. Conny sloot de deur achter hen.
"Wacht hier maar even, Fritsje", zei zij, toen ze in het kleine portaal stonden, "Ik ga eerst weer even alle ramen dichtdoen."
"Goed."
Zij begon met de ramen in de woonkamer en daarna rende zij op haar kousevoeten de trap op om de ramen in de slaapkamers te sluiten. Het eerste raam, dat zij sloot, was het raam van de slaapkamer van haar ouders; het laatste, dat van haar eigen slaapkamer aan de straatzijde. Bij het sluiten van het laatste raam besefte zij, dat zij beter haar uniform voor een jurkje kon verwisselen. Dus begon zij maar snel haar uniform los te knopen. Zij liep onderwijl naar haar klerenkast, opende die en maakte vervolgens een snelle keuze: voor een wijd, wit jurkje. Op het moment, dat zij haar uniform op haar enige stoel legde, kwam Fritsje de kamer binnensjokken.
"En daar hebben we Etterbak Fritsje weer!", zei zij lachend, terwijl zij het jurkje uit de kast haalde.
"Pieter is nog steeds aan het gluren!", zei hij.
"Echt waar?"
"Ja, hij hangt nog steeds uit het raam!"
"O, verdorie!", zei zij, "Ik weet echt niet meer, wat ik met dat rotjoch aanmoet!"
Zij zeeg met het jurkje in haar handen op het bed neer en keek ineens heel droevig voor zich uit. Fritsje zag het bedremmeld aan.
"Als ik later groot ben, sla ik hem helemaal lens!", riep hij ineens uit.
Die opmerking bracht weer een glimlach op Conny's gezicht teweeg. Zij greep zijn arm en trok hem naar zich toe.
"Je bent lief!", zei zij, terwijl zij hem opnieuw in een ferme houdgreep nam.
"Ik vind jou ook lief!"
Hij liet zijn armen langs zijn lichaam vallen en zijn vingertjes gleden daarbij weer even langs haar kousen. Conny voelde zich ineens doodmoe worden. Eigenlijk wilde zij het liefst voor een paar uurtjes gaan slapen.
"Zullen we maar even hier blijven?", vroeg zij, "Hier hebben we tenminste geen last van die enge gluurder!"
"Dat is goed."
Zij liet hem los, wierp het jurkje op de stoel naast het bed en ging op het bed liggen. Fritsje volgde haar voorbeeld. Hij kroop het bed op en nestelde zich weer in haar armen. Met zijn hoofd op haar borst gevlijd viel hij daarna meteen in slaap. Dat deed haar aan de oorlogsjaren terugdenken. In die oorlogsjaren was hij regelmatig in haar armen in slaap gevallen, vooral op die dagen, dat de honger hem al te zeer had gekweld.
Conny streelde hem gedachteloos over zijn haren. Zij vroeg zich af, hoe ze er over tien jaar aan toe zouden zijn. Vermoedelijk zou zij dan al getrouwd zijn en een kind hebben en hij zou waarschijnlijk nog op school zitten, of er net vanaf zijn. Hij zou wel een HBS'er gaan worden, vermoedde zij. Hij had er in ieder geval de intelligentie voor.
Zij vroeg zich ook af, hoe het zou zijn om de vrouw van een rijke, of goedverdienende man te zijn. Zij was knap genoeg om er een aan de haak te slaan, maar of zij met die rijke, of goedverdienende man ook gelukkig zou kunnen worden, was voor haar nog maar de vraag. Eigenlijk zou zij het liefst n een man n een baan willen hebben. Zij vond het heerlijk om zelf haar geld te verdienen en omdat zij dat geld van haar goege en liefhebbende ouders mocht houden, gaf haar dat een zalig gevoel van vrijheid. Haar klerenkast was dan ook wat voller dan die van haar vriendinnen en dat er inderdaad vier paar nylonkousen in dezelfde kast lagen, was in deze tijd van schaarste ook wel vrij uniek.
Zij wilde in ieder geval niet trouwen, voordat zij haar verpleegstersopleiding zou hebben afgerond. Dat papiertje wilde zij, koste wat het kost, hebben en wie weet zou haar toekomstige man er helemaal geen bezwaar tegen hebben als zij daarna gewoon maar een poosje door bleef werken. Misschien was het niet eens zo'n vreemde gedachte om gewoon maar op Fritsje te wachten. Hem zou zij gemakkelijk om haar vingers kunnen winden. Hij zou er zeker geen bezwaar tegen hebben als zij na hun huwelijk zou blijven doorwerken.
Met die hoopvolle gedachte in het achterhoofd dommelde zij langzaam in. Er was haar echter geen rust vergund, want vlak voordat zij daadwerkelijk in slaap viel, hoorde zij iets, wat verdacht veel op voetstappen leek. Zij besefte meteen, dat zij was vergeten om de keukendeur op slot te doen. Zij liet Fritsje heel voorzichtig van zich afglijden, stapte het bed uit en liep op haar tenen naar de trap.
Tot haar eigen verbazing was zij helemaal niet bang voor de insluiper: zij was vast van plan om hem zelf, goedschiks of kwaadschiks, het huis uit te werken. Zij daalde de trap af, zonder geluid te maken. De insluiper bevond zich nog steeds in de keuken. Zij hoorde, dat de waterkraan openstond en zij hoorde ook, hoe de insluiper zich op een nogal luidruchtige manier aan dat water tegoed deed. Eigenlijk wist zij op dat moment al, wie het was. Een paar seconden later, toen zij op de begane grond was aangekomen, bleek zij gelijk te hebben: het was Pieter. Zij ontstak in woede en stormde op hem af.
"Nee, niet doen!", schreeuwde hij.
Het was tevergeefs: zij had hem al te pakken en zij gaf hem vervolgens een flink pak slaag, waarbij zij hem zonder al teveel moeite ook nog eens de keuken en het huis wist uit te werken.
"Als ik je nog een keer hier in huis zie, bel ik de politie!", riep zij, terwijl zij de deur achter hem sloot en op slot draaide.
"Wacht maar!", riep hij woedend terug, "Over een paar jaar kom ik terug! En dan... dan... maak ik je helemaal af!"
Dat dreigement, een bevestiging van die al weken sluimerende angst, wekte een heuse moordlust in haar op. Even overwoog zij om hem achterna te gaan en het karwei af te maken, maar zij wist zich met veel moeite te beheersen.
Na het dichtschuiven van het gordijnen inspecteerde zij zichzelf op sporen van de tamelijk ongelijke vechtpartij. Die waren er vrijwel niet. Een van de jarretelles van haar linkerkous hing los en Pieters klauwende vingers hadden ook een fikse ladder in die kous veroorzaakt. Zij schudde haar hoofd over die opgelopen schade. Zij haatte dat rotjoch met nog meer kracht dan daarnet en zij hoopte vurig, dat hij heel snel een dodelijk ongeluk zou krijgen.
Hijgend en toch wel tamelijk overstuur keerde zij weer naar haar slaapkamer terug. Eenmaal daar was de aanblik van de slapende Fritsje genoeg om haar weer een beetje te kalmeren. Hij was er gelukkig ook nog. Hij zou haar in de nabije toekomst weliswaar niet tegen een wraakzuchtige Pieter kunnen beschermen, maar dat hoefde ook niet: die andere en veel sterkere beschermers waren er al. Zij zou het voorval morgen aan haar en Pieters vader melden en die zouden wel raad met hem weten.
Op dat moment hoorde zij weer een verdacht geluid. Een geluid, dat ditmaal niet uit de keuken, maar uit de slaapkamer van haar ouders kwam. Het bleef ook niet bij dat ene geluid. Het volgende, wat zij hoorde, was een ijselijke gil; vrijwel meteen gevolgd door een doffe klap.
Zij rende naar de slaapkamer van haar ouders, schoof het raam open en schrok zich vervolgens wezenloos. Beneden op het tuinpad lag een bewegingloze Pieter. Zij dreigde even in paniek te raken, maar Pieters escapades waren gelukkig niet onopgemerkt gebleven. Zij zag, dat haar overbuurman, een rijzige, grijsharige vijftiger, naar hem toe rende en die merkte op het laatste moment ook Conny op.
"Wat is er gebeurd?", vroeg zij, met een bibberende stem.
"Dat stomme huftertje probeerde bij jullie naar binnen te klimmen. Ik heb het zien gebeuren. Ik heb ook gezien en gehoord, dat je hem daarnet al naar buiten werkte en daarna zag ik dus ook, dat hij daarna meteen aan zijn klauterpartij begon. Enne... ik heb daarna dus ook gezien, dat hij, toen hij het raam probeerde te openen, zijn evenwicht verloor en naar beneden sodemieterde."
"O, mijn God!"
De buurman knielde bij Pieter neer en veerde vrijwel meteen weer op.
"Wat is er?", vroeg Conny.
"Volgens mij is het goed mis met hem, lieverd! Hij is keihard op zijn achterhoofd gevallen. Ik eh... ga meteen de dokter bellen, want hij heeft echt heel snel hulp nodig. Als jij nu even naar beneden komt en bij hem blijft, dan ren ik nu snel naar de telefooncel om de hoek."
"Goed, ik kom eraan."
Zij rende de kamer uit en de trap af, trok haar regenjas van de kapstok, trok hem aan en liep met knikkende knien via de keuken naar de tuin. Bij het openen van de deur zag zij al, dat het inderdaad 'goed mis' was met Pieter, want n blik op die wijd opengesperde ogen en die steeds groter wordende bloedplas op de straatstenen zei haar al genoeg. De dokter zou te laat komen: de jongen had zijn laatste streek met de dood moeten bekopen.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 11 januari 2007. © Bert Harberts