HUWELIJKSREIS

Rinie van den Broek, een knappe, blondine uit Monnickendam, ontmoette haar echtgenoot, toen zij net eenentwintig was geworden. Het was liefde op het eerste gezicht voor haar en niet ten onrechte, want die echtgenoot-in-spé, Randy Harberts, een galante, slanke en al wat oudere weduwnaar uit Canterbury, kon zonder meer een lot uit de loterij worden genoemd. Hij was lief, hij was knap, hij was een zachtmoedige, maar ook een gepassioneerde minnaar en hij bleek ook nog eens heel rijk te zijn. Van die rijkdom mocht zij trouwens al heel snel profiteren. Een paar weken, nadat zij met hem in zijn huisje in Broek in Waterland was gaan samenwonen, kocht hij het Durgerdamse café, waar zij als serveerster werkzaam was. Hij stelde haar per omgaande als bedrijfsleidster aan. Het waren twee cadeautjes, waarvoor zij hem heel erg dankbaar was. Het café was de plek, waar ze elkaar hadden ontmoet en zij was ook om die reden zeer aan het café gehecht geraakt.
Ze trouwden op 9 september in het voormalige stadhuis van Broek in Waterland. Het werd een sobere plechtigheid, waarbij slechts een klein aantal gasten aanwezig was. Na een langdurige en overvloedige lunch bij 'Neeltje Pater', het beroemdste restaurant van Broek in Waterland, vertrokken de gasten huiswaarts en nam het bruidspaar voor één nacht zijn intrek in het Victoria Hotel tegenover het Amsterdamse Centraal Station. Het verblijf in dat van alle gemakken voorziene hotel was een opwindende ervaring voor Rinie. Zij genoot van het bad voor het diner, zij genoot van het diner zelf en het sexy ensemble, dat zij na dat diner in de badkamer aantrok, leidde al snel tot een langdurige en nogal heftige vrijpartij, die haar nog heel lang zou heugen.
Een dag later vertrokken ze in alle vroegte naar Denemarken, naar het eiland Langeland om precies te zijn. De treinreis naar Kiel verliep rustig en saai, maar de bootreis van Kiel naar Langeland werd een ietwat spannende aangelegenheid, omdat het weer op de Kieler Bugt nogal te wensen over liet. Bij het vertrek uit Kiel stormde het al hevig en de regen liet niet lang op zich wachten. Het paartje was er niet door geïmponeerd. Ze namen welgemoed in het restaurant plaats en lieten zich de Wiener Schnitzels goed smaken. Het werd dan ook een bijzonder gezellige en sfeervolle overtocht. Ze genoten van elkaars gezelschap, het gekletter van de regen tegen de ramen gaf aan dat samenzijn iets gezelligs mee en de vrolijke, nuchtere manieren van hun Deense ober vormden een aangenaam contrast met de luidruchtige Duitsers onder de rest van de clientèle.
Na hun aankomst in Bagenkop, een lief vissersplaatsje aan de zuidkust van Langeland, waren aangekomen, stapten ze in een rode DSB-bus naar Rudkøbing, de hoofdplaats van Langeland. De bustocht verliep al even plezierig als de boottocht: het was gestopt met regenen, het landschap was glooiend en de dorpjes waren klein en pittoresk. Hetzelfde gold voor Rudkøbing zelf. Het plaatsje had een marktplein, dat in schaalvorm op geen enkele modelspoorbaan zou hebben misstaan en daaromheen lag een spinnenweb van nauwe, bochtige straatjes, waarlangs vele pastelkleurige huisjes waren neergezet.
Het bruidspaar vond aan dat mooie Torvet een geschikt hotel, dat in een geel-zwartgekleurd en uit drie etages bestaand vakwerkhuis was gevestigd. Het hotel, qua interieur eigenlijk meer een typisch, Deense herberg, was in tegenstelling tot het Victoria Hotel van elke luxe gespeend. Ze hadden geen eigen douche of toilet; de kamer was slechts van een bed, een bureau, twee stoelen en een wastafel voorzien en keek uit op een slaperig binnenhofje, waar de tijd scheen te hebben stilgestaan.
Na een kop koffie in het restaurant te hebben gedronken, besloten ze om nog een wandeling door Rudkøbing te maken. Ze verlieten het hotel en liepen de Bredgade in, een steil naar de haven aflopend straatje. Terwijl ze kalm voortstapten, keek Rinie af en toe naar Randy's gezicht. Hij was zonder meer de liefste en de knapste man, die zij ooit had ontmoet en die dodelijke combinatie van innerlijke en uiterlijke charmes was iets, wat haar regelmatig naar adem deed snakken. Hij was werkelijk in alle opzichten de perfecte man voor haar en dat was soms een wat moeilijk te dragen weelde voor haar.
Met die half plezierige, half angstaanjagende gedachte in het achterhoofd gaf zij hem een arm en vlijde zij zich dicht tegen hem aan. Hij keek haar glimlachend aan en hij had daar alle reden toe. Met haar dromerige koppie, en haar stevige figuurtje in dat strakke, zwarte jurkje was zij een lust voor het oog. Ze passeerden onderwijl het busstation en liepen daarna tot haar grote vreugde een kleine, verlaten speeltuin binnen. Zij maakte zich giechelend van hem los, rende als een uitgelaten schoolmeisje naar de schommel toe en nam vervolgens op een wat suggestieve manier op die schommel plaats.
"Geef mij 'es een zetje", zei zij, met een teemstemmetje.
"Goed, liefje!", zei hij lachend.
Hij voegde de daad bij het woord en een paar seconden later zweefde zij zoetjes heen en weer.
"Niet te hard, hoor!", murmelde zij.
"Ik zou niet durven!"
"Dat is maar goed ook."
"Je past er anders maar net in, hè?"
"Hee, hee!", riep zij grinnikend, "Wil jij wel een beetje op je woorden letten?"
"Het is een welgemeend complimentje, hoor! Je hebt het mooiste kontje van zowel het Oostelijk als het Westelijk Halfrond."
"En ook wel het breedste, vrees ik", zei zij, niet zonder zelfspot.
"Jouw kontje kan mij niet breed genoeg zijn!", zei hij galant.
"Ah, dank je!"
Het duurde niet lang, voordat zij genoeg van het schommelen had. Zij plantte haar voeten op de grond en prikte haar wijsvinger in de buik van haar dromerig voor zich uit kijkende echtgenoot.
"Waar denk je aan?"
"Aan de vorige avond, aan vannacht en aan vanochtend. Aan het heerlijke gevoel, dat ik had, toen je gisteravond je mooie, mollige armen om mij heen sloeg, aan de 'Gouden Nacht', die daarop volgde, aan de aanblik van jou, toen ik je vanochtend met je duim in je mond naast mij zag liggen, aan de aanblik van je prachtige billen, die daarbij zo lieflijk onder de dekens vandaan staken..."
"Ach, wat zijn we weer poëtisch, vandaag!", zei zij grinnikend.
"Mag het alsjeblieft? Ik ben net getrouwd en op huwelijksreis."
"Dat mag! Mits je nu met mij meegaat!"
"Waar wil je heen?"
"Ach, ik weet het niet. Ik heb zin om wat te lopen. We hebben de hele dag al gezeten."
"Kunnen we niet beter naar het hotel teruggaan?"
"Nu al?", vroeg zij schijnheilig.
"Ja, ik heb best wel zin om weer naar bed te gaan!"
"Hm, daar heb ik eigenlijk ook wel zin in, maar ik wil eerst nog wat van het stadje zien."
"Er is vast niet veel aan, hoor!"
"Dat kan wel zo zijn!", zei zij, met ondeugend glinsterende ogen, "Maar dat wil ik dan toch wel even graag met mijn eigen ogen zien."
"Hm, nou! Vooruit dan maar!"
"Ha, fijn!"
Tijdens hun wandeling door de kronkelende straatjes van het havenbuurtje floot Randy vrolijk voor zich heen. Rinie was echter geheel in gedachten verzonken geraakt en liet zich na een poosje op slinkse wijze het stadje uitloodsen. Voordat zij besefte, wat haar overkwam, liepen ze over een smal, stoffig landweggetje, langs oude boerderijen en uitgeschoten korenvelden.
"Waar gaan we in godsnaam heen?", vroeg zij.
"We gaan op zoek naar de eerste de beste hooiberg, die we kunnen vinden en als we die eenmaal hebben gevonden, gaan we de vorige avond nog eens lekker over doen."
"Waarom in een hooiberg?", vroeg zij lachend.
"Om jou natuurlijk. Jij bent bij uitstek de vrouw met wie een man eens in zijn leven in een hooiberg moet hebben gelegen."
"Goed, liefje. Als we zometeen een hooiberg vinden, ben ik van de partij."
"Ik ben blij dat te horen."
Het begon onderwijl al aardig donker worden. Ze sloegen rechtsaf, liepen over een paadje, dat door een korenveld leidde en vonden toen midden in dat korenveld een eivormige, lege ruimte, waar zich enige overblijfselen van een picknick bevonden. Het was een prima plekje om even uit te rusten. Zij plofte op de platgetreden, maar droge halmen neer en hij volgde zonder enige aarzeling haar voorbeeld. Hij bekeek haar daarbij met een onmiskenbare hunkering, hetgeen haar bepaald niet ontging. Zij trok haar schoenen uit en wachtte met een vaag gevoel van verwachting de komende ontwikkelingen af.
"Je bent mooi!", zei hij monter.
"Vind je?", vroeg zij gevleid.
"Ja, toen we daarnet nog in Rudkøbing liepen, had ik je het liefst een portiek in willen sleuren!"
"Het is goed, dat je dat hebt nagelaten."
"Waarom?"
"Omdat het niet netjes zou zijn geweest."
"Nou, zeg! We zijn nu toch getrouwd?"
"Dan nog zou het niet netjes zijn geweest."
"Da's waar."
"Wil je zometeen wel wat ondeugends gaan doen?"
"Ik weet het eigenlijk niet."
"Waarom weet je dat dan niet, malle jongen?"
"Ik weet het gewoon niet. Ik ben er ook niet zeker van, of jij dat wel wilt."
"Ik heb er best wel zin in, maar het is misschien verstandiger om te wachten, tot we in het hotel terug zijn. Dat lijkt mij toch wel wat comfortabeler en als we het hier gaan doen, worden we misschien wel door de boer gestoord."
"Je hebt gelijk."
Zij ging liggen en trok hem daarbij met zachte hand over zich heen. Hij maakte ineens weer een tamelijk afwezige indruk, maar hij scheen zich haar kalme liefkozingen toch met veel genoegen te laten welgevallen.
"Waar denk je aan?", vroeg zij.
"Aan Anneke!", antwoordde hij, doelend op zijn overleden vrouw, "Het is vandaag vijf jaar geleden, dat zij stierf."
"Had je hier liever met haar gelegen?", vroeg zij, met een iel stemmetje.
"Nee, natuurlijk niet, suffie! Als zij nog had geleefd, dan was ik hier helemaal niet geweest. Dan waren Anneke en ik misschien wel druk bezig geweest met de voorbereidingen van onze cocktailparty."
"Cocktailparty?"
"Ja, ja, we behoorden tot de upperclass van Canterbury!", antwoordde hij grinnikend, "Of althans tot de groep van rijke patsers, die zich als zodanig zag. En omdat ik veruit de rijkste patser van de hele stad was, moest ik regelmatig een cocktailparty geven en ook altijd komen opdraven als een van die andere rijke patsers weer zo nodig een feestje wilde vieren."
"Wat vond Anneke daarvan?"
"Die vond het leuk! Die leefde er elke keer weer met veel plezier naar toe."
"Vond je dat erg?"
"Nee, want zij is mij altijd trouw gebleven. Er zwierven tijdens die feestjes altijd heel veel mannen om haar heen, maar als ik aangaf, dat ik naar huis wilde, ging zij altijd zonder morren met mij mee. Zij was mij altijd dankbaar, dat ik haar op die feestjes de ster van de avond liet zijn en zij gaf mij daar, als we eenmaal weer thuis waren, ook heel veel voor terug. De avonden waren altijd verschrikkelijk; de nachten waren altijd hemels."
"Echt waar?"
"Ja, echt. Het was echt een genot om eindeloos met haar te kunnen vrijen, om urenlang met haar heerlijke lichaam te kunnen stoeien. Vooral de laatste jaren zijn een feest voor mij geweest. Het is heel wrang om het te moeten constateren, maar juist die laatste drie jaren van ons huwelijk zijn voor mij verreweg de beste 'Anneke-jaren' geweest."
"Waarom is dat zo wrang?"
"Omdat het met haarzelf in die periode zo slecht ging, omdat haar depressies steeds sterker werden en zij uiteindelijk niet eens meer de straat op durfde."
"Waarom zijn die laatste jaren voor jou dan wel de beste jaren van jullie huwelijk geweest?"
"Omdat ik haar eindelijk helemaal voor mijzelf had. Omdat zij ineens zo lief en ook zo ongelooflijk kwetsbaar was. Omdat zij ineens heel erg op mij begon te steunen in plaats van andersom, omdat zij alleen nog maar veilig thuis wilde blijven om overdag met een mooi boek naast de knapperende open haard te kunnen blijven zitten en om 's avonds en 's nachts in mijn armen te kunnen vluchten."
"Is zij in die laatste jaren echt niet meer de straat op gegaan?"
"Nee, zij kon het niet meer. Zij kon het maar net verdragen, dat ik zelf nog wel eens de straat opging en zij maakte zich altijd doodongerust als ik dan langer dan een uur wegbleef. Als je er goed over nadenkt, moet je tot de conclusie komen, dat zij een hele trieste ontwikkeling heeft doorgemaakt. Veertien jaar lang had haar ster in alle mogelijke richtingen gestraald. Veertien jaar lang was zij met afstand de meest geliefde en meest bewonderde inwoonster van Canterbury geweest en ineens was dat allemaal afgelopen. Ineens was er alleen nog maar een heel lief, maar ook heel bang vrouwtje, dat nooit meer verder kwam dan het kringetje tussen de huiskamer, de slaapkamer en de badkamer."
"O, wat verschrikkelijk!"
"Ja, hè? Maar toch hebben we het in die laatste jaren echt vreselijk gezellig gehad en tot een week voor haar dood heb ik nog heerlijk met haar kunnen vrijen."
"Echt waar?"
"Ja, als we eenmaal in bed lagen, schenen al haar zorgen en angsten van haar af te vallen, dan kon zij weer de vrolijke, ondeugende Anneke uit haar jonge jaren zijn. Toen zij stierf, waren we verknochter aan elkaar dan in het begin van ons huwelijk. Daarom is haar zelfmoord ook zo'n verschrikkelijke klap voor mij geweest."
"Ben je nooit razend op haar geweest? Zij moest toch hebben geweten, wat zij jou daarmee zou gaan aandoen."
"Nee, ik ben nooit kwaad op haar geweest. Ik heb na haar dood alleen maar vreselijk veel medelijden met haar gehad. Toen ik eenmaal wist, waarom zij het had gedaan, besefte ik ook maar al te goed door wat voor een hel zij moest zijn gegaan. Het heeft haar tijdens ons huwelijk echt aan niets ontbroken en ik hoef mijzelf ook niets te verwijten, want ik heb haar alles gegeven, wat ik haar te bieden had, maar zij moet in de zeventien jaren van ons huwelijk toch verschrikkelijk eenzaam zijn geweest."
"Waarom heeft zij het eigenlijk gedaan?"
"Wil je dat echt weten?"
"Ja, ik sta erop! Je bent er tot nu toe nogal vaag over geweest, maar ik wil het nu toch echt absoluut weten."
"Wel, zij heeft voor mij een vriendje gehad met wie zij een soort van sado-masochistische verhouding had en dat is na een poosje een beetje uit de hand gelopen."
"Hoezo?"
"Zij heeft hem vermoord, toen hij op een keer een beetje te ver was gegaan."
"Dat meen je niet!"
"Dat meen ik wel."
"Wanneer is dat dan gebeurd?
"In 1976. Drie maanden, voordat zij mij ontmoette."
"Is zij er dan nooit voor gepakt?"
"Nee, zij schijnt het op een hele slimme manier te hebben gedaan", antwoordde hij, met iets wat verdacht veel op trots leek, "Maar haar steeds sterker wordende schuldgevoelens over die daad hebben er uiteindelijk wel toe geleid, dat zij zelfmoord heeft gepleegd."
"O, mijn god! Wat een drama!"
"Dat kun je wel stellen, ja."
"Wist je van die moord af, toen je met haar trouwde?"
"Nee", antwoordde hij, met een wat droevige glimlach, "Zij heeft mij het pas in haar afscheidsbrief verteld. Ik heb het er heel lang, heel moeilijk mee gehad, maar het is nu wel een beetje weggesleten."
"Heb je het aan de politie verteld?"
"Ja, ze hebben mijn verklaring opgetekend en het dossier gesloten. Ik heb zelfs nog een dankbrief van de nabestaanden van die man gehad."
"Wat vind je er nu zelf van?"
"Ik weet het niet. Die moord is op geen enkele manier goed te praten, maar ik kan er toch niet omheen, dat ik heel veel van haar heb gehouden."
"Is dat echt zo?"
"Ja, dat is zo. Ik ben echt heel lang, heel erg gelukkig met haar geweest."
"Zal ik ooit met die lieve, mooie Anneke kunnen concurreren?"
"Hoe bedoel je dat?"
"Zal ik je ooit hetzelfde gevoel kunnen geven, dat Anneke je heeft gegeven?"
"Dat doe je al, liefje! En wees maar niet bang: je bent tien keer zo mooi als zij en zeker twintig keer zo lief."
"Meen je dat echt?"
"Ja, dat meen ik echt! Je bent echt een ongelooflijk, lekker wijf en je hoeft je in geen enkel opzicht de mindere van Anneke te voelen. Alles wat Anneke met mij kon doen, kun jij veel beter."
"Geef eens een voorbeeld!"
"Toen ik jou gisteravond in dat luchtige niemendalletje en je mooie kousen voor dat bed zag staan, voelde ik iets, wat ik sinds lang niet meer had gevoeld."
"Wat dan?"
"Ik voelde mij weer even als het lieve, onschuldige jochie, dat op het punt stond om ontmaagd te worden."
"Je reactie op dat luchtige niemendalletje van mij was anders helemaal niet zo onschuldig!", zei zij plagend.
"Ik weet het! Ik heb mij daarna als een beest gedragen en ik heb er nog niet eens genoeg aan gehad."
"Dat staat je mooi."
Het was nu vrijwel helemaal donker geworden. Zij overwoog om zich gewoon maar uit te kleden en hem weer lekker zijn gang te laten gaan, maar zij wilde toch nog één ding van hem weten:
"Denk je nog steeds zo vaak aan Anneke en jullie leven in Canterbury terug?"
"Ja, maar het wordt gelukkig wel steeds minder. Anneke en Canterbury beginnen steeds meer tot mijn verleden te behoren. En ik heb daarnet een verstandig besluit genomen om dat proces een beetje te versnellen."
"Welk besluit?"
"Ik heb net besloten om over een paar weken haar graf in Canterbury te bezoeken en als ik dat achter de rug heb, zal ik nooit meer naar Canterbury terugkeren."
"En je huis dan?"
"Dat gaat de verkoop in. Volgens mijn makelaar kan ik er een fantastische prijs voor krijgen."
"Wil je het huis dan echt kwijt?"
"Ja, de herinneringen aan Anneke zijn te pijnlijk. Als ik het huis aanhoud, zal het mij toch nog te veel aan haar binden. En ik wil ook helemaal opnieuw beginnen. Met jou, met het huis in Broek in Waterland..."
"En met het café?"
"Precies!"
"Het zal anders hard werken worden."
"Dat vind ik juist prettig. Ik heb in de eerste helft van mijn leven nog geen uur gewerkt. Het wordt dus de hoogste tijd, dat ik in de tweede helft van mijn leven wat nuttigs ga doen."
"Als barkeeper?", vroeg zij lachend.
"Ja, wat mankeert er aan het beroep van barkeeper? Het is een van de meest eerzame beroepen, volgens mij. En ik geloof ook echt, dat het mij goed af zal gaan. Slap ouwehoeren heb ik op die feestjes wel geleerd en van drank heb ik inmiddels ook wel het nodige verstand."
"En ik blijf bedrijfsleidster?"
"Ja, jij hebt de papieren en jij bepaalt dus in alle opzichten de gang van zaken en dus ook, wat ik moet gaan doen. Eigenlijk wil ik het café het liefst op jouw naam over laten schrijven."
"Nee, doe dat maar niet!", zei zij, wat paniekerig.
"Waarom niet?"
"Ik wil eerst zeker weten, of ik het wel kan. Als we in de komende jaren wat meer winst gaan maken, zal ik je aanbod graag aannemen, maar nu lijkt het mij veiliger, dat jij nog even de eigenaar blijft."
"Goed, liefje, wat je wilt."
"Hm, maar heb je dan echt geen zin om nog wat andere dingen met je geld te doen?"
"Zoals wat?"
"In Zuid-Frankrijk of Italië gaan wonen, een wereldreis maken, of in grotere zaken gaan."
"Nee, ik heb de laatste jaren al genoeg gereisd en van zaken doen heb ik volgens mij geen verstand. Ik heb behoefte aan rust, aan een eigen huisje, aan een leuk baantje en aan jou natuurlijk."
"Ah, prima!"
"Kun je daarmee leven?", vroeg hij liefjes.
"Jazeker! Maar ik ben de laatste maanden wel een beetje bang geweest, dat je uiteindelijk niet genoeg aan mij, het huis en het café zult hebben. Je hebt per slot rekening geld genoeg om je leven in Cannes of Saint-Tropez en dus in luxe te slijten."
"Ja, dat is zo! Maar ik heb dus wel genoeg aan jou, het huis en het café. Ik ben echt gek op het leven, dat we nu leiden. Ik vind het heerlijk om 's morgens in Broek in Waterland het ontbijt voor je klaar te maken, ik vind het heerlijk om dat samen met jou te nuttigen, ik vind het heerlijk om elke ochtend met jou naar Durgerdam te rijden, ik vind het heerlijk om vlak voor openingstijd nog een beetje met je te kunnen rotzooien, ik vind het heerlijk om de hele dag in het café rond te klooien, ik vind het heerlijk om toe te zien, hoe jij met vaste hand de tent runt en ik geniet zelfs van het opruimen en het schoonmaken na sluitingstijd. Ik heb altijd al willen leven, zoals dat vrolijke, eeuwig neukende echtpaar uit de film 'Local Hero' heeft geleefd, en nu het zover is, geniet ik daar echt met volle teugen van."
"En hoe zie je onze toekomst?"
"Ach, ik hoop nog veertig, gezonde en dus leuke jaren voor de boeg te hebben. We gaan zoveel mogelijk leven van het geld, dat het café opbrengt en van tijd tot tijd springen we voor de afwisseling uit de band en brengen we een avondje en een nachtje in het Victoria Hotel door. Daarmee gaan we door tot ik dood ben. En daarna erf jij alles en kun je op je zestigste alsnog een heleboel andere, leuke dingen doen. Dan kun je alsnog in Frankrijk of Italië gaan wonen, dan kun je alsnog een wereldreis gaan maken."
"O, aan die tijd wil ik nog helemaal niet denken."
"Dat hoeft ook niet, liefje! Als je maar weet, dat het je nooit meer ergens aan zal ontbreken. Liefde, geld, een mooi huis, een leuke baan, je hebt het en je zult het nooit meer kwijtraken."
"Dat is een mooi lijstje, lieverd!", zei zij, tamelijk ontroerd.
"Ja, hè?"
"En een beloning voor dat lijstje mag natuurlijk niet achterwege blijven, hè?"
"Wat bedoel je daarmee?", vroeg hij, met een ietwat schijnheilige gelaatsuitdrukking.
"Dat ik niet meer met vrijen wil wachten, tot we in het hotel terug zijn."
"En daarnet wilde je dat wel!", riep hij lachend.
"Ik ben een vrouw, lieverd. En vrouwen kunnen soms heel inconsequent zijn."
Hij scheen niet helemaal zeker van zijn zaak te zijn, maar toen hij met een slinkse beweging de zoom van haar jurkje omhoog schoof, liet zij in niets van enige afkeuring blijken.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 1 september 1999. © Bert Harberts