DIJKIDYLLE

Randy Harberts, een knappe, slanke, zwartharige man, was tweeŽnveertig jaar oud en afkomstig uit het Engelse Canterbury. Na de dood van zijn Nederlandse vrouw Anneke, in de herfst van 1993, en de daaropvolgende pensionering van zijn butler, had hij gedurende vier jaar een reis door heel Europa gemaakt. Hij had de meeste tijd in een gehuurde bungalow aan het Meer van Lugano doorgebracht, maar op de vierde sterfdag van Anneke was hij in Nederland aangekomen, waar hij uiteindelijk was blijven hangen. Hij had daar ook een huis gekocht. Het huis, een wat onooglijk pand aan De Erven in Broek in Waterland, dat hij sinds oktober 1997 bewoonde, was van alle gemakken voorzien en had een fantastisch uitzicht: zijn woonkamer, met de aangrenzende steiger, keek uit op 't Havenrak en het prachtige, om dat meertje gedrapeerde dorp.
Op een zonnige, niet al te warme ochtend in junidag '98 stapte Randy onder zijn douche vandaan. Hij droogde zich af, kleedde zich aan en daalde de trap af naar zijn keuken op de begane grond, waar hij zijn espresso-apparaat aanzette en zijn ontbijttafel op de steiger begon te dekken. Het daaropvolgende ontbijt was continentaal van karakter. Anneke had hem lang geleden van zijn gewoonte om op zijn Engels te ontbijten afgeholpen en hij had er in het geheel geen behoefte aan om die gewoonte weer op te pakken.
Terwijl hij langzaam aan zijn koffie nipte, dacht hij ineens weer met veel weemoed aan Anneke terug. Die weemoed verpestte zijn vredige ontbijthumeur. Hij at slechts twee boterhammen, dronk slechts ťťn espresso en verliet toen in een gedeprimeerde stemming zijn huis. Even overwoog hij om een wandeling te maken; uiteindelijk gaf hij toch de voorkeur aan een lange fietstocht. Hij pakte zijn fiets, een rasechte Oma-fiets, uit zijn schuurtje en reed op zijn gemak het dorp uit.
Om nog even van de straatjes met de vele monumentale huizen te kunnen genieten, nam hij daarbij een kleine omweg. Via het Roomeinde, het Leeteinde, 't Havenrak en de Dorpstraat fietste hij naar de N 247, die het dorp in tweeŽn sneed, en na het passeren van die N 247 via de fiets- en voetgangerstunnel reed hij via het Zuideinde en de Wagengouw in de richting van Zunderdorp.
Een paar minuten later, toen hij langs de sterk vervuilde Volgermeerpolder peddelde, was Anneke nog steeds niet uit zijn gedachten verdwenen. Vooral het moment van hun eerste ontmoeting in een Zandvoorts cafť bleef hem bezighouden. Anneke, een blonde, langbenige apothekeres, had bij die ontmoeting iets ongelooflijk brutaals en ook iets ongelooflijk geils over zich gehad. Zij had onderuit gezakt op een stoel gezeten, met haar benen op een andere stoel, en zij had een a-modieuze, maar hoogst opwindende outfit gedragen: een strak, roze truitje, zwarte hotpants en beige, tot ver boven haar knieŽn reikende, katoenen kousen.
Bij zijn binnenkomst had zij zijn blik meteen al gevangen en die blik tegelijkertijd op een gepaste manier beantwoord: met de blik van een aimabele, maar hongerige slang, die een lief, jong muisje voor zich uit ziet trippelen. Hij had dan ook geen enkele kans op een ontsnapping gehad. Ze waren in gesprek geraakt en hadden het cafť al snel verlaten om een lange strandwandeling te gaan maken.
De gebeurtenissen op het strand hadden een voorspelbaar verloop gehad. Het hautaine glimlachje, waarmee zij haar kousen had uitgetrokken, de aanblik van haar brede en o zo aanlokkelijke heupen, de opmerkelijke bleekheid van haar huid, die vreemde littekens op die verder zo fraai gevormde schouders, hij kon zich elk detail van dat samenzijn nog moeiteloos voor de geest halen.
Dat was nu, bijna tweeŽntwintig jaar later, geen onverdeeld genoegen voor hem. Door de herinneringen aan die nacht ging hij steeds sneller rijden en die snelheid, waarmee hij over de smalle, bochtige fietspaden reed, was niet geheel van risico ontbloot. Uiteindelijk zou hij heelhuids in Zunderdorp aankomen. Hij sloeg linksaf de Kerklaan in, reed het dorp door en draaide daarna de Nieuwe Gouw op.
Tijdens zijn tocht door dat eeuwenoude weidelandschap tussen Zunderdorp en Ransdorp gingen zijn gedachten naar zijn huwelijksjaren terug. Het ietwat late verlies van zijn onschuld op dat strand in Zandvoort had namelijk een voorspelbaar gevolg gehad. Zij was een paar dagen later met hem mee naar Canterbury gegaan en zij was in de daaropvolgende zeventien jaar niet meer van zijn zijde geweken.
Hun kinderloze huwelijk was voor het grootste deel wel gelukkig geweest. Zij was vijf jaar ouder geweest dan hij en zij had in hun huwelijk zonder meer de lakens uitgedeeld. Hij was haar daarvoor tot op de dag vandaag dankbaar gebleven; zij had hem met zachte, en heel soms, ook met harde hand naar zijn volwassenheid geleid.
De laatste drie jaar van hun huwelijk waren voor haar heel wat minder plezierig geweest. Zij had steeds vaker last van depressies gekregen en die depressies hadden uiteindelijk tot haar zelfmoord geleid. In haar afscheidsbrief had zij hem verteld, wat daarvan de oorzaak was geweest: haar schuldgevoelens over een door haar gepleegde moord op een ex-vriendje uit Great Yarmouth. Een moord, waarvoor zij nooit was gestraft, maar die haar uiteindelijk dus toch noodlottig was geworden. Zij had met zichzelf gedaan, wat zij ook met haar ex-vriendje had gedaan: zij had zichzelf op een tergend langzame manier vergiftigd. Haar zelfopgelegde doodstrijd had een maand geduurd en van de herinneringen aan die maand zou Randy nooit meer los kunnen komen.
Hij reed Ransdorp binnen en genoot van de landelijke rust, die het uitstraalde. Het klinkerstraatje, de brede sloot daarnaast, de huisjes, de oude muziektent en het silhouet van de stompe kerktoren, alles was even charmant en pittoresk. Bij het passeren van het kerkje en het piepkleine kerkhof gleed er even een grimas over zijn gezicht. Hij dacht aan de woorden, waarmee Toergenjew eens over een dode geliefde had geschreven - 'die dierbare trekken, die ogen, dat haar, in een nauwe kist, in de vochtige, onderaardse duisternis' - en voelde opnieuw de kracht van het verlies, dat hij vijf jaar daarvoor had geleden.
Terwijl hij verder fietste, vroeg hij zich af, hoe hij later op zijn weduwnaarjaren zou terugkijken. Het waren vooral eenzame jaren geweest. De wetenschap, dat hij zeventien jaar met een moordenares was getrouwd geweest, had hem in zijn relaties tot het zwakke geslacht wat kopschuw gemaakt en hij had in al die jaren geen enkele relatie gehad. Pas in de laatste maanden begon hij in dit opzicht weer wat te ontdooien. In zijn stamkroeg, een cafť in Durgerdam, was een heel lief meisje werkzaam, dat hem langzaam maar zeker aan het inpalmen was. Hij was er zeer door gevleid, maar hij wist zich er toch niet goed raad mee.
Hij fietste Ransdorp uit en in de verte zag hij Durgerdam al liggen. Tijdens die laatste etappe van zijn fietstochtje zag hij het bekoorlijke serveerstertje in volle glorie voor zijn geestesoog verschijnen. Veel wist hij niet van haar. Hij wist alleen maar, dat zij Rinie heette en hij had het sterke vermoeden, dat zij geen vriendje had. Drie maanden geleden had hij haar op een steiger aan de voet van de Uitdammerdijk met een jongen zien vrijen, maar die jongen was sindsdien uit het beeld verdwenen. Ondanks haar aandoenlijke avances dubde Randy al weken over de vraag, of hij nou wel de meest geschikte opvolger van dat vriendje was. Hij was naar alle waarschijnlijkheid zeker twee keer zo oud als zij en hij bleef dat verschil van twintig jaar als een groot probleem ervaren.
De mogelijkheid van het-helemaal-opnieuw-kunnen-beginnen had natuurlijk ook wel zijn leuke kanten. Het vooruitzicht om elke ochtend samen met Rinie op zijn steiger te kunnen ontbijten was zonder meer aantrekkelijk; de gedachte aan wat er dan telkens in de nachten voorafgaand aan dat ontbijt zou kunnen gebeuren, had zelfs iets hemels. Toch dwong hij zichzelf tot nuchterheid. Zijn ego was niet al te sterk en hij schatte zijn kansen op succes dus niet zo hoog in.
Met die verstandige instelling fietste hij Durgerdam binnen. Het in het zonlicht badende dijkdorpje lag er uitermate bekoorlijk bij en hij genoot met volle teugen van het magistrale uitzicht over de Durgerdammer Die. Tijdens zijn omzwervingen van de laatste jaren had hij vele idyllische plekjes bezocht, maar nergens had hij zich zo thuis gevoeld als hier in Durgerdam.
Luttele minuten later stopte hij voor het cafť. Hij duwde zijn fiets de dijk op en plaatste hem in het fietsenrek. Terwijl hij het hangslot ter hand nam, verscheen er een lief figuurtje in de deuropening van het cafť. Het was Rinie. Zij had een knap gezichtje, met regelmatige gelaatstrekken en korte, donkerblonde haren, zij was stevig gebouwd en zij droeg een blauw truitje en een zwart minirokje. Haar kousloze benen waren stevig en gebruind; haar voeten waren in sandalen gehuld.
Zij ging aan een van de tafeltjes zitten en sloeg op een nogal uitdagende manier haar benen over elkaar. Het ontging Randy niet. Zijn hart sloeg een paar keer over en zijn pogingen om zijn voorwiel van het hangslot te voorzien gingen hem ineens heel moeizaam af. Zij bekeek zijn gepruts met een toegeeflijk glimlachje. Uiteindelijk lukte het hem om zijn fiets op slot te zetten. Hij drentelde langzaam naar haar toe en schoof met ware doodsverachting bij haar aan. Dat leek haar bijzonder veel genoegen te doen.
"Wat kom je doen?", vroeg zij liefjes.
Hij keek haar peinzend aan en kwam tot zijn eigen verbijstering met een idioot, maar zeer passend antwoord:
"Ik ben hiernaartoe gekomen om je langdurig en uitgebreid te bewonderen."
Zij hapte even naar adem en scheen even niet te weten, hoe zij daarop moest reageren.
"Oh, ja?", murmelde zij voor zich uit.
"Ja, natuurlijk!"
"Mag ik je vragen, wat daarvan de reden is?"
"Kan ik dan iets anders doen?", was zijn wedervraag.
"Hoe bedoel je?"
Hij zocht even naar woorden, maar hief toen in het Engels toch echt een heuse lofzang aan:
"Ik ben al een hele tijd heel erg verliefd op je, ik zou om die reden heel graag met je naar bed willen, ik zou om die reden heel graag met je willen trouwen en ik zou om die reden minstens drie kinderen van je willen hebben. Dat weet ik al weken, maar ik vraag mij ook al weken af, of die verlangens reeŽl zijn? Kan een man, die al een half leven achter de rug heeft, van een jong meisje verwachten, dat zij verliefd op hem wordt en al zijn verlangens een voor een werkelijkheid laat worden? Mag een man dat ook verwachten? Ook als hij weet, dat hij dat meisje best wel het een ander te bieden heeft? Want ik zie er best wel goed uit voor mijn leeftijd en ik kan je de garantie geven, dat ik altijd van je zal blijven houden, dat ik tot aan mijn dood heel erg verliefd op je zal blijven, dat ik je mijn hele verdere leven trouw zal blijven en dat ik nooit meer naar een andere vrouw zal omzien. Kortom: ik zal voor de rest van mijn leven zowel een trouw echtgenoot als een gepassioneerde minnaar voor je kunnen zijn. Dat zijn allemaal dingen, die je niet zonder slag of stoot van een leeftijdsgenoot kunt verwachten. Je kunt er op hopen, maar zekerheid? Nee, die zul je nooit kunnen krijgen. Van mij kun je die zekerheid wel krijgen, maar op mijn beurt weet ik dus niet, of die zekerheid voor jou voldoende is om het pleit in mijn voordeel te beslechten. En die twijfels daarover, tja, die twijfels, die kunnen alleen door jou uit de wereld worden geholpen."
Zijn trefzekere en zonder een spoor van een hapering uitgesproken betoog had een ontredderende uitwerking op Rinie. Zij keek hem met wijd opengesperde ogen aan en zij kwam pas na een halve minuut met een wat zwakke reactie.
"Ik weet niet, wat ik moet zeggen...", stamelde zij.
"Geef mij nou eerst maar eens een kop koffie", zei hij gemoedelijk.
"Dat wil ik wel doen, maar ik heb helemaal geen dienst..."
"Geen dienst?"
"Ik heb eigenlijk vrij, vandaag."
"Maar wat doe je hier dan?", vroeg hij grijnzend.
"Ik weet het niet!", murmelde zij voor zich heen, "Ik moest hiernaartoe gaan. Ik moest je zien."
"Wel, dat komt dan goed uit, hŤ?"
Ze vielen stil en beetje bij beetje begon het tot Randy door te dringen, dat hij het pleit daadwerkelijk in zijn voordeel had beslecht. Die gewaarwording bracht hem danig in verwarring, temeer omdat hij in het geheel niet wist, hoe hij nu verder moest gaan. Gelukkig voor hem wist Rinie dat wel. Zij boog zich naar hem over, greep zijn hand en stelde hem een vraag, die hij als een ware verlossing ervoer:
"Zullen we gaan?"
"Waarnaartoe?", vroeg hij sullig.
"Dat kan mij niet schelen! Ik wil in ieder geval ergens anders heen."
"Waarom?"
"Omdat ik ontzettend veel zin heb om bij je op schoot te kruipen. En als ik dat hier doe, word ik gegarandeerd ontslagen."
"Je bent je er wel van bewust, dat je daarmee bepaalde verwachtingen bij mij wekt?"
"Ja, en ik ben vast van plan om die in de komende uren, dagen, weken, maanden, jaren en decennia allemaal in te gaan lossen.""
"Meen je dat?"
"Ja, dat meen ik!", antwoordde zij ferm. "En daarom wil ik hier ook als de sodemieter weg."
"Wil je lopen? Of wil je met mijn fiets?"
"Met je fiets maar, hoe sneller we hier weg zijn, des te liever het mij is."
"Goed, liefje. Laten we dan maar snel gaan."
Hij stond bruusk op en liep met vervaarlijk trillende benen naar zijn fiets. Rinie volgde hem op de voet, met de handen op de rug en met een zegevierend glimlachje om de lippen en ging, toen hij de fiets van de dijk had getrokken en was opgestapt, onmiddellijk op de bagagedrager zitten. Het duurde even, voordat hij daadwerkelijk fietste, maar haar mollige armen, die zij om zijn middel had geslagen, schenen hem bijzonder veel kracht te geven.
"Zit je goed?", vroeg hij lachend.
"Nee!"
"Nee?"
"Nee, ik zit helemaal niet goed, maar dat is niet erg, hoor. Want we stappen zometeen toch weer af."
"Weet je al waar?"
"Ja, ik heb een leuk, intiem plekje in gedachten. Maar fiets nou maar door. Ik zal je de weg wel wijzen."
"Okay!"
Onder een stilzwijgen, dat eigenlijk wel als beloftevol kon worden omschreven, reden ze het dorpje uit. Pas toen zij had gezegd, dat hij de Uitdammerdijk op moest rijden, besefte hij, waar zij heen wilde gaan: de steiger, waar hij haar met haar voormalige vriendje had gezien. Hij schoot in de lach en voelde zich ineens heel erg gelukkig worden.

BERT HARBERTS

Voor Louisa en Cassandra


Terug


Amsterdam, 25 juni 1999. © Bert Harberts