ZONDAGOCHTEND

In de laatste week van februari had Carry een stevige griep. Haar man Danny verpleegde haar in de avonduren met een zorgzaamheid, die hem heel gemakkelijk afging en liet overdag een buurvrouw een oogje in het zeil houden. Hij en zijn buurvrouw hadden eer van hun werk, want naarmate de week vorderde, ging Carry er zienderogen op vooruit. Op vrijdagochtend stond zij voor het eerst weer op en op zondagochtend was zij vrijwel beter. Dat kwam goed uit, want ze hadden vanaf die dag een week vrij. Aanstaande woensdag, 1 maart, was de dag, waarop ze elkaar tien jaar kenden en ze waren van plan om dat heuglijke feit langdurig en op luisterrijke wijze te vieren
Hij werd die zondagochtend wakker, toen zij zich op de rand van het bed zat aan te kleden. Hij zag, hoe zij een witte beha, een wit slipje, een wit jarretellegordeltje, een zwart jurkje en donkerbruine nylonkousen aantrok en aan de kalme, uitdagende manier, waarop zij dat deed, kon hij zien, dat zij weer helemaal de oude was. Hij genoot ervan en voelde zich bevoorrecht en ook wonderlijk gelukkig.
"Ben je echt weer helemaal beter?", vroeg hij.
"Ja, hoor!'', antwoordde zij, terwijl zij de laatste jarretelle aan de tweede kous vastmaakte, ''Ik ben weer zo fit als een hoentje!"
"Dat is mooi."
"Sta je ook op?"
"Vanzelfsprekend."
"Of wil je liever eerst iets anders doen?"
"Neuh."
"Echt niet?", vroeg zij lachend, "Je staat per slot van rekening al een week droog."
"Hm, maak eerst maar eens een lekker ontbijtje voor mij klaar."
"Goed, liefje."
Zij stond van het bed op en liep naar de keuken. Hij keek haar lachend na. Het was goed om haar weer helemaal gezond te zien. Hij gooide het dekbed van zich af, zwaaide zijn benen over de rand van het bed, stond op en liep naar de badkamer.
Vijf minuten later zat hij, verkwikt door een warme douche, aan de ontbijttafel, waar zij hem met een wat peinzend gezicht van een fikse uitsmijter en een kopje instant espresso voorzag.
"Waar denk je aan?", vroeg hij.
"Aan jou, natuurlijk!"
"Is daar een reden voor?"
"Ja", antwoordde zij, met een doodernstig gezichtje, "Want soms ben je gewoon te mooi om waar te zijn."
"Meen je dat nou?"
"Ja, dat meen ik! Ik geloof ook echt, dat ik gek zou worden als je ooit bij mij weg zou gaan."
"Maar daar hoef je toch helemaal niet bang voor te zijn!"
"Dat weet ik wel, maar de angst om je te verliezen kan mij soms toch..."
Verder ging zij niet. Hij greep haar bij de arm en trok haar op schoot.
"Wat kan ik doen om die angst weg te halen?", vroeg hij.
"Dat kun je niet, lieverd."
"Echt niet?"
"Nee, echt niet!"
"Zou je je wat zekerder van mij voelen als we voor de kerk zouden gaan trouwen?", vroeg hij, een beetje lacherig.
"Tja, misschien wel", antwoordde zij grinnikend.
"Maar dan moeten we ons wel eerst als lid bij een gezellig Samen op Weg-kerkje gaan aanmelden."
"Zou je dat echt willen?"
"Op termijn misschien wel. Misschien zou het wel goed zijn om ons wereldje wat te vergroten. Als Pa en jouw ouders straks dood zijn, hebben we, behalve je zusters en die paar rare vrienden van ons, eigenlijk helemaal niemand meer."
"Dat is zo."
"Aan de andere kant heb ik de kerk helemaal niet nodig als ik met God wil communiceren en heb ik gedurende mijn hele leven een verschrikkelijke hekel aan bindingen en verenigingen gehad. Dus eh..."
"Ach, we zien wel."
Zij gleed van zijn schoot af en ging tegenover hem zitten. Terwijl hij zijn uitsmijter opat, droomde zij weer helemaal weg.
"Waar denk je aan?", vroeg hij.
"Aan datgene, wat er op 1 maart 1990 is gebeurd."
"Ha! En zijn dat plezierige gedachten?"
"Ja, natuurlijk zijn dat plezierige gedachten! Al besef ik nu pas, dat het echt een groot wonder is, dat we elkaar op die dag ùberhaupt hebben ontmoet."
"Waarom?"
"Omdat ik mij, toen ik die ochtend wakker werd, door de naweeën van die Ziekte van Pfeiffer nog zo slapjes voelde, dat ik helemaal niet het bed uit had willen komen en al helemaal niet het huis had willen verlaten. Ik ben toen alleen maar naar de Bijenkorf gegaan, omdat ik door mijn leesvoer heen was."
"Ha, maar je wens is na onze ontmoeting toch nog verhoord?"
"Dat is waar."
"Volgens mij ben ik zelf alleen het bed uit geweest om condooms te kopen en ook het eten is er toen helemaal bij ingeschoten. Ik kan mij zelfs niet herinneren, dat ik die dag naar de wc ben geweest."
"Tja, het is inderdaad een fantastisch dagje geworden. Ik heb mij in de maanden voor onze ontmoeting zeer ziek, zeer eenzaam en zeer ongelukkig gevoeld, maar die ene wilde vrijdag aan het einde van die periode maakte alles in één klap goed."
"Ja, het was inderdaad een wild vrijdagje. Buiten was het grijs, miezerig en somber, maar binnen..."
"Werd een lief, onzeker meisje voor het eerst in haar leven helemaal sufgeneukt."
"Dat is, geloof ik, wel de goede uitdrukking, hè?", mompelde hij grinnikend.
"Dat denk ik ook wel, ja."
"Ik heb de uitdrukking 'een vrouw bezitten' altijd een verwerpelijke uitdrukking gevonden, maar ik besef nu, dat ik die uitdrukking toen voor het eerst zelf in de praktijk heb gebracht. Enne...ik moet toegeven, dat ik dat een uiterst plezierige bezigheid vond."
"Dat was goed te merken!", zei zij droogjes.
"Het was overigens uit nood geboren, hoor."
"Waarom?"
"Ik was zo fel en zo hanerig, omdat ik bang was, dat je het bij een one night stand wilde houden."
"Waarom was je daar bang voor?", vroeg zij verbaasd.
"Omdat je in mijn ogen veel te behoedzaam en veel te aardig reageerde, toen ik je vertelde, dat ik Tanja nog had. Ik was heel bang, dat je uiteindelijk medelijden met haar zou krijgen en mij de bons zou geven."
"Ha, daar had je dus helemaal niet bang voor hoeven zijn. Ik had vijf minuten na onze eerste ontmoeting al helemaal uitgekiend, hoe ik jou van haar zou gaan losweken."
"Tja, dat heb ik later ook wel beseft, maar toen wist ik dat nog niet en dus..."
"Moest ik er dat weekend flink aan geloven."
"Tja, daar heb je geen woord teveel mee gezegd."
Zij stond op en zette nog wat water op het gasfornuis voor de koffie na het ontbijt. Hij maakte onderwijl nog een boterham met kaas voor zichzelf klaar: hij pulkte een plakje Maasland-kaas los, legde die op een witte boterham en begon welgemoed te eten. Carry wist daarna meteen weer zijn aandacht te vangen. Terwijl zij wachtte op het moment, waarop het water zou gaan koken, inspecteerde zij de jarretelles van haar linkerkous. Zij deed dat grondig en met een vrolijke grijns op haar gezicht.
"Het is goed, dat je vorig jaar niet zwanger bent geworden", zei hij kalm.
"Waarom niet?"
"Nou, gewoon!"
"Hm, dat kan ik met de beste wil van de wereld geen duidelijk antwoord noemen."
"Omdat het niet bij je past. Omdat je nog zo mooi bent."
"Dank je!"
"En omdat ik in dat geval nu met een poepluier in de weer was geweest."
"En dat had je niet prettig gevonden?"
"Neuh, als het niet hoeft, wil ik toch liever niet met poepluiers in de weer zijn."
Zij ging weer tegenover hem zitten en wierp hem een wat meewarige blik toe. Een blik, die hij overigens met flair weerstond.
"Ik meen het, hoor!", zei hij, "Het is goed om geen bindingen te hebben en op een luie zondag als vandaag helemaal niets te hoeven doen. Ik heb nu ook weer zo'n heerlijk 'Zondag-in-Zandvoort'-gevoel."
"Wat bedoel je daarmee?"
"Ik ben simpelweg gelukkig. Ik verheug mij op het lummelen tussen het ontbijt en de lunch, op het lummelen na de lunch, op het treinreisje naar Amsterdam-Noord, op het etentje bij de Chinees, op de terugreis, op het kijken naar 'Peter R. de Vries', op het naar bed gaan en op het neuken. En morgen begint het feest dan weer van voren af aan. Ik heb jou de hele dag om mij heen, ik mag de hele dag aan je voeten zitten en ik mag je de hele dag bewonderen en liefkozen. Waarom zou ik dan in godsnaam een kind moeten hebben?"
"Hou maar op, liefje!", riep zij lachend, "Je hebt mij al vele jaren geleden van je gelijk overtuigd!"
"Wanneer was dat dan?"
"Eigenlijk sinds de eerste dagen, dat je hier woont. Toen je mij duidelijk maakte, dat je liever geen kinderen wilde."
"Je hebt er anders jarenlang over lopen zeuren."
"Dat was om je te pesten, liefje! Dat zul je nu toch wel begrepen hebben?"
"Dat is inmiddels wel tot mij doorgedrongen, ja!"
"Dat is wel een beetje laat, hè?"
"Tja, ik ben een 'beminnelijke, maar verstrooide slaapwandelaar in de porseleinkast des levens' en sommige dingen kunnen mij wel eens ontgaan."
"Jeetje! Wat een briljante omschrijving van jezelf!"
"Dank je! Maar hij is niet van mijzelf, hoor. Hij komt van de boekomslag van een leuk boek."
"Van welk boek?"
"'Malle mensen' van P.G. Wodehouse."
"Waar gaat dat boek over?"
"Over een zekere Bill Dawlish, en over de problemen, die hij in de liefde ondervindt. Als het boek begint, is hij namelijk met een bloedmooie, maar super-egoïstische actrice verloofd, maar als het boek wat verder is gevorderd, ontmoet hij ineens een vrouwelijke imker, die Elisabeth heet en die zich dan als zijn echte, grote liefde ontpopt."
"De Grote Ene, waar Paul Dehoes het altijd over had?"
"Precies! Hij ontmoet die Grote Ene, met wie hij, na een heleboel misverstanden en verwikkelingen, uiteindelijk vreselijk gelukkig wordt."
"Dat klinkt mij allemaal nogal bekend in de oren."
"Ja, hè? Ik heb in de afgelopen twintig jaar heel vaak het gevoel gehad, dat ik in een roman van Wodehouse was verzeild geraakt."
"Ik denk, dat je daarin ook wel gelijk hebt."
"Ja, hè? In de romans van Wodehouse stikt het van de mannen, die vastzitten aan vrouwen, die zij niet, of niet meer kunnen uitstaan. Ik heb dat zelf ook wel gehad. Loes, Gabriëlle, Jenny, ze waren het allemaal net niet en tijdens de relaties met hen kwam ik altijd wel iemand tegen, die veel en veel geschikter voor mij was. Maar altijd was mijn loyaliteit jegens mijn vriendinnen sterker dan het gevoel, dat die andere meiden in mij opriepen."
"Ik snap het, lieverd."
"En wat het natuurlijk allemaal des te ergerlijker maakte, dat die trutjes die loyaliteit nooit, maar dan ook nooit met gelijke munt terugbetaalden."
"Je vindt het toch niet vervelend, als ik je zeg, dat ik dat helemaal niet erg vindt?"
"Nee, hoor! Want stel je voor, dat ik aan een van die domme trutjes was blijven hangen!"
"Precies!"
"Nu ik erover nadenk, moet ik mijzelf toch wel één ding nageven."
"Wat dan?"
"Ik ben, als de breuk er eenmaal was, altijd wel in staat geweest om redelijk snel een punt achter die moeizame relaties te zetten."
"Dat is nogal wiedes, hè? Je hebt net gezegd, dat er altijd wel weer een stoet van vervangsters voor je klaar stond."
"Ja, jemig! Kan ik het helpen, dat ik zo'n lief, geil ventje ben?"
"Nee, dat is waar!", antwoordde zij, met een parelend lachje, "En daarom ben ik er ook zeker van, dat al je exen tot op de dag van vandaag nog steeds om je treuren."
"Hm, ik weet niet, of ik dat nou zo'n vrolijke gedachte vind."
"O, maak je daar maar niet druk om! Ik ben al tevreden als ik het een vrolijke gedachte mag vinden."
"Dat mag je!"
"Dank je! Maar nu heb je lang genoeg geouwehoerd. Ik wil, dat je nu even ophoepelt, want dan kan ik hier even opruimen en even afwassen."
"En een tweede kop koffie inschenken?", vroeg hij, terwijl hij lachend van zijn stoel opstond.
"Als je nu weggaat, wel."
Hij verliet de kamer en liep naar de huiskamer, waar hij op de bank bij het raam plaatsnam en even zijn gitaar ter hand nam. Hij had echter niet veel inspiratie en legde de gitaar onmiddellijk terzijde, toen Carry met een dienblad de kamer kwam binnenlopen. Zij gaf hem zijn koffie en een gevulde koek aan en nam glimlachend op de andere bank plaats.
"Ik heb trouwens een leuk nieuwtje voor je!", zei zij, onderwijl een Donald Duck ter hand nemend.
"Wat dan?"
"Wendy is sinds twee maanden in verwachting", antwoordde zij, doelend op de vrouw van zijn neef Maarten.
"Jemig! Meen je dat?"
"Ja, en het wordt een echte Millennium-baby!"
"Waarom?"
"Het is hoogstwaarschijnlijk in het eerste uur van dit jaar verwekt."
"Op de keukentafel?", vroeg hij grinnikend.
"Ik neem aan van wel, ja", antwoordde zij droogjes, "Maar hoe het ook zij: zij is dus in verwachting en zij is er vreselijk blij mee."
"En Maarten?"
"Die schijnt er zo mogelijk nog blijer mee te zijn."
"Jemig! En het wordt zijn derde al!"
"Jaloers?", vroeg zij zacht.
"Nee, hoor! Het is maar zeer de vraag, of ik net zo goed met mijn kinderen had kunnen omgaan als hij met de zijne. Als ik hem was, zou ik er zeker nog een paar bijnemen."
"Wendy denkt er, geloof ik, ook zo over."
"Meen je dat?"
"Ja, joh! Dat mens zwelgt echt in haar moederschap. Er is volgens mij geen enkele vrouw te vinden, die zo in haar zwangerschappen opgaat als zij."
"Dit is toch haar tweede pas?"
"Ja, maar ik weet eigenlijk wel zeker, dat het niet bij twee keer blijft. Zij heeft nu ook weer haar zin doorgedrukt."
"Och, arme Maarten!"
"Ach, welnee! Ik weet zeker, dat hij er diep in zijn hart dolgelukkig mee is."
"Dat is natuurlijk wel zo, maar ik vind het toch wel gemeen, dat die stomme Maarten al aan zijn derde kind toe is en dat wij er nog steeds geen een hebben."
"Ja, dat vind ik ook!"
"Zullen we aan ze vragen, of wij dit kind mogen hebben?"
"Jaaaaah! En misschien wil zij er dan nog wel één voor ons baren!"
"Dat lijkt mij een goed plan. We charteren haar voor de komende jaren gewoon als draagmoedertje."
"Voor hoelang?"
"Voor een jaar of tien. Ik heb altijd al een groot gezin willen hebben."
"Wiens zaad gebruiken we? Dat van jou of Maarten?"
"Dat van Maarten natuurlijk. Het is zijn vrouw! Bovendien heeft hij er dan ook een beetje lol van."
"Goed zo!"
Zij sloeg haar benen over elkaar, waardoor haar kousen even langs elkaar heen schuurden en onder de zoom van haar jurkje waren een brede, donkerbruine kouseboord, een witte jarretelle en een bloot stukje bovendij zichtbaar werden. Hij vond het een plezierige aanblik, hetgeen haar niet leek te ontgaan.
"Ik heb anders best wel zin om het ook een keer op de keukentafel te doen", zei hij, terwijl hij van de bank afgleed en naar haar toe kroop.
"Tja", zei zij, met een zegevierend glimlachje, "Dat hebben we inderdaad nog nooit gedaan."
"Hm, dan wordt het nu toch wel de hoogste tijd, dat we dat verzuim een keer gaan goedmaken."
"Vergeet het maar! Ik wil eerst mijn Donald Duckie uitlezen en daarna moet ik ook nog even gaan strijken."
Die tegenwerping bleek niet echt gemeend te zijn, want toen hij haar zonder al te teveel moeite van de bank en over zijn schouder had gehesen, was er van een verder protest of verzet totaal geen sprake meer. Hij had overigens niet anders verwacht en liep monter en met de armen ferm om haar benen geslagen naar de keuken.
"O, jee!", riep zij lachend, "Wil je het echt op de keukentafel gaan doen?"
"Ja, wat die hufter van een Maarten kan, kan ik ook."
"O, wat leuk!"
Hij deponeerde haar zonder veel omhaal op de keukentafel en liep vervolgens met een wat geagiteerde tred naar de koelkast.
"Hebben we eigenlijk nog champagne in huis?", vroeg hij, de koelkast openend.
"Nee, natuurlijk niet, idioot! Die hebben we met Nieuwjaar al opgedronken."
"Wel, dan doe ik het wel een 'Duveltje'!"
Hij nam een flesje uit de koelkast, ontdeed het flesje van zijn dop en liep naar haar toe.
"Hee, zeg!", riep zij, een tikje verbijsterd, "Wat ben jij van plan?"
"Als je je nu uitkleedt, zul je het heel snel merken."
"Hm.... Nou, vooruit dan maar."
Hij keek toe, hoe zij op haar gemak haar jurkje begon los te knopen en grijnsde daarbij van oor tot oor. Dit was een van die niet eens zo zeldzame dagen, waarop het leven toch echt volmaakt was.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 30 april 2002. © Bert Harberts