CULEMBORG

Door problemen op zijn werk viel Danny's vakantie in 1999 in twee delen uiteen. In augustus en september nam hij op verzoe k van zijn chef slechts twee weken op en in het midden van oktober ging hij er voor een week tussenuit. Hij en zijn vrouw Carry hadden de zomervakantie in hun caravan in Burgerbrug doorgebracht; de herfstvakantie zouden ze echter voornamelijk thuis in Zandvoort gaan doorbrengen.
Op de maandag van die herfstvakantie maakten ze het enige uitstapje van de week: een fietstochtje in de omgeving van Houten, de plaats, waar Media Resultant, Danny's werkgever, was gevestigd. Ze hadden een mooie dag voor hun uitstapje uitgekozen. Er was voor die dag, behalve droog en zonnig weer, een maximumtemperatuur van zeventien graden voorspeld. Ze waren alle twee dan ook luchtig gekleed. Hij droeg een rood T-shirt, een blauwe spijkerbroek, een dik, donkerblauw colbert en een witte sjaal en zij droeg een bruin-leren jackje, een wijd, zwart jurkje en donkerbruine nylonkousen.
Na hun aankomst in Houten liepen ze meteen naar de stalling van 'Anne Arendsen', waar twee van hun eigen fietsen stonden. Danny vond het heel prettig om iets van Carry in Houten te hebben. Bij elk bezoek aan de stalling gaf de aanblik van haar fiets hem een sterk geluksgevoel. De fiets was een soort talisman, die hij in het voorbijgaan altijd even aan kon raken; iets, wat hij dan ook nooit naliet. Ditmaal echter kon hij de fiets voor haar uit het bovenste rek halen en die handeling had toch echt iets feestelijks.
"Waar wil je heen?", vroeg zij, na het verlaten van de stalling.
"Ik wil eerst naar Vreeswijk."
"Ligt dat niet bij Nieuwegein?"
"Dat klopt. Het is een van de oude dorpen, waar Nieuwegein omheen is gebouwd."
"Waarom wil je daarnaartoe?"
"Het schijnt een beschermd dorpsgezicht te hebben."
"Hoever is het hiervandaan?"
"Een kilometertje of vijf."
"O, dat is te doen."
Ze reden over Het Rond, sloegen rechtsaf, reden over Het Onderdoor, sloegen na het passeren van het station, de bibliotheek en het stadhuis nogmaals rechtsaf en peddelden op hun gemak via het wijkje De Weerwolf de stad uit.
Het traject naar Nieuwegein, dat ze redelijk snel aflegden, viel hen nogal tegen. Het liep voornamelijk langs snelwegen en het natuurschoon aan weerszijden van die snelwegen liet veel te wensen over. Nieuwegein zelf had ook maar bitter weinig attracties. De nieuwbouwwijken waren van een tergende saaiheid, het dorp Jutphaas had weinig tot geen monumentale huizen en de weg naar Vreeswijk liep voor een groot deel langs de Hollandse IJssel, waarlangs vele fabrieken waren gevestigd.
Bovendien nam het zoeken naar de oude dorpskern van Vreeswijk nogal wat tijd in beslag; toen ze die eindelijk hadden gevonden, waren ze er ook weer zo doorheen gereden. Een grachtje, een sluis, een paar dijkhuisjes, een paar nauwe straatjes, veel meer was het niet.
"Is dit nou alles?", vroeg zij, een beetje nuffig.
"Ja, sorry!", antwoordde hij aarzelend, "Ik vind er eigenlijk ook geen moer aan."
"Ach, dat is nou ook weer wat te sterk uitgedrukt. Het is een beetje doods, maar als een van die kroegen open was geweest, hadden we hier best een leuk uurtje kunnen zoekbrengen."
"Hm, ik zit op dit moment eigenlijk meer om een fietsenmaker verlegen."
"Waarom?", vroeg zij, wat paniekerig.
"Mijn achterband is een beetje zacht."
"Is ie lek?"
"Tja, dat weet ik pas, als ik ergens een fietspomp heb kunnen bemachtigen."
"Heb je die dan niet bij je?"
"Nee."
"God, wat ben je toch een oen!"
"Heb jij er eigenlijk wel een bij je?"
"Nee, want daar heb ik toch zeker een man voor!"
"Dat slaat natuurlijk helemaal nergens op."
"Dat ben ik dus niet met je eens! Mannen behoren fietspompen bij zich te hebben. Die behoren tot de standaarduitrusting, waarmee een man van de eenentwintigste eeuw zich door het leven moet slaan."
"Ach, mens, zeik niet zo!", mompelde hij oneerbiedig.
"Goed, liefje!", was de gelijkmoedige reactie, "Zeg mij dan maar, wat ik moet doen."
"Mij helpen met het zoeken naar een fietsenwinkel dan wel fietsenmaker."
"Okay!"
Zij hadden snel succes. Aan de rand van de oude dorpskern was een fietsenwinkel gevestigd, waar Danny zich een kleine, vuurrode fietspomp aanschafte. Een aanwinst, die door zijn vrouw met gejuich werd begroet. Hij grinnikte, pompte zijn band op, kneep er even in en kwam tot de misschien ietwat voorbarige conclusie, dat de band niet lek was.
"We kunnen verder!", zei hij monter.
"Are you sure?"
"Ja!"
"Waar wil je nu dan heen?"
"Wel, we kunnen de rivier oversteken en even in Vianen gaan rondsnuffelen."
"Heeft dat ook een beschermd dorpsgezicht?"
"Dat dacht ik wel, ja!", antwoordde hij, een beetje wazig.
"Maar je weet het niet zeker."
"Nee, er is maar één ding, dat ik van Vianen zeker weet."
"Wat dan?"
"Dat mijn geliefde chef er met zijn gezin woont."
"Is dat een goede reden om in Vianen rond te gaan kijken?"
"Niet als hij en zijn vrouw op dit moment in Houten aan het werk zijn."
"Dat lijkt mij ook niet."
"Misschien kunnen we beter naar Culemborg gaan."
"Is daar wel wat te beleven?"
"Dat weet ik niet, maar als je liever over dat saaie stuk naar Houten terugrijdt, dan is dat natuurlijk ook goed."
"Nee, alsjeblieft, zeg. Laten we dan in godsnaam maar naar Culemborg gaan."
Na enig gezoek vonden ze een ANWB-bord, dat hen de weg naar Culemborg wees. Het duurde even, voordat ze de bebouwde kom uit waren, maar na het passeren van een steile brug, daalden ze in een polder af, die een hele lieflijke aanblik bood. Ze reden daarna door een typisch rivierenlandschap met mooie boerderijen, rustieke weilanden en twee pittoreske buurtschappen: Tull en 't Waal.
"Wat raar, dat dit ook Houten is!", zei zij, toen ze op hun gemak door Tull en 't Waal peddelden.
"Tja, het is best wel een grote gemeente."
"Denk je, dat ze dit ook zullen gaan bebouwen?"
"Het lijkt mij niet. Ze zijn nu flink naar het zuiden aan het uitbreiden en dat gedeelte, dat tot het Amsterdam-Rijnkanaal loopt, zal echt wel eens bebouwd raken, maar de oversteek zullen ze wel niet meer durven maken."
"Het zou in ieder geval zonde zijn als ze het wel deden."
"Dat Houten-Zuid schijnt anders heel mooi te worden."
"Hoe mooi is mooi?"
"Ze willen daar huizen gaan bouwen, die een klassieke aanblik aan een ultramodern wooncomfort gaan paren."
"Een soort Houtense grachtengordel dus."
"Ja, precies!", zei hij lachend, "Er schijnt ook op korte termijn een station te komen."
"Zou het zin hebben om ons daar in te schrijven?"
"Ik heb geen idee", antwoordde hij, na een korte aarzeling, "Ik ben natuurlijk economisch gebonden en we zouden misschien wel een goeie kans kunnen maken, maarre..."
"Je durft het niet echt aan, he?"
"Nee, het bedrijf staat er niet bepaald florissant voor."
"Goed, liefje, dan wachten we er nog even mee."
Ze reden Tull en 't Waal uit en fietsten verder in de richting van Schalkwijk. Dat bleek een uitermate mooi dorp te zijn. Het had een ouderwets dorpsplein, compleet met kerk, pastorie en dorpspomp, en vele dwarshuisboerderijen, die stuk voor stuk een plaatsje op de monumentenlijst verdienden en waarvan de meesten die vermoedelijk ook wel hadden.
"Ik heb zo het idee, dat dit een typisch 1999-beeld zal gaan worden", zei hij, na het passeren van het dorpsplein.
"Hoe bedoel je?"
"Ik denk, dat ik later, als ik aan het laatste kwartaal van 1999 terugdenk, het beeld van dit pittoreske dorpje voor ogen zal hebben. Dit is echt zo'n beeld, dat ik mij over dertig jaar nog wel zal herinneren."
"O, jee! Ben jij nou ook al door dat malle millenniumvirus aangestoken?"
"Ja, ik geloof het wel. Ik vind het een mooi getal, dat 2000, en ik acht mij heel bevoorrecht, dat ik straks in een geheel nieuwe eeuw en een geheel nieuw millennium mag leven. Dat is toch niet iets, wat ieder mens in zijn leven meemaakt."
"Hm, ik blijf het een rare hype vinden."
"Het is een rasechte hype, dat is zeker waar. Maar ik ben mij er dus toch wel sterk van bewust, dat we over een paar maanden in een andere eeuw zullen leven. En wat belangrijker is: dat we de eeuw, waarin mijn moeder heeft geleefd, zullen gaan afsluiten."
"Vind je dat vervelend?"
"Ja, toch wel! Het idee, dat ik over een paar maanden tegen mijzelf moet zeggen, dat mijn moeder in de vorige eeuw heeft geleefd, vind ik toch een beetje cru. Dan lijkt het net alsof zij al jaren dood is, in plaats van een jaar."
"Hm, daar kan ik mij wel iets bij voorstellen."
Eenmaal aan het einde van het langgerekte lintdorp gekomen, sloegen ze rechtsaf en reden ze via een paar smalle weggetjes in de richting van de Lekdijk. Danny genoot van het tochtje en liet dat ook heel duidelijk blijken.
"Je ziet er tevreden uit", zei zij glimlachend.
"Dat ben ik ook."
"Hoe komt dat zo?"
"Omdat ik op het ogenblik eigenlijk niets meer te wensen heb."
"Echt niet?"
"Nee, ik heb tot nu toe een fantastisch en zinvol leven geleid, ik heb jou, ik heb tot driemaal toe een mensenleven gered, waaronder dat van een heel klein jochie, ik heb mij in artistiek opzicht volkomen ontplooid, ik heb op mijn werk het een ander gepresteerd en ik kan tegen mijzelf zeggen, dat ik nog nooit iemand een loer heb gedraaid en dat ik op geen enkel mensenleven een kwalijke invloed heb uitgeoefend. Dat is een verdraaid goede balans."
"En je hebt geen verdriet meer over je moeders dood?"
"Nog wel een beetje, maar het is niet zo erg meer. Ik mis haar nog natuurlijk nog steeds, maar die pijn is draaglijk en eigenlijk ook wel een beetje prettig."
"Waarom?"
"Het is goed om te lijden aan iets, wat heel wezenlijk is. Tot haar dood heb ik alleen maar geleden aan banale dingen als liefdesverdriet, of de angst om ontslagen te worden. In die zin is haar dood zelfs een zegen voor mij geweest. Als zij nog had geleefd, had ik misschien wel veel erger in mijn rats gezeten over dat gedoe op mijn werk. Nu heb ik iets, waarmee ik dat allemaal kan relativeren. Het is absoluut niet leuk om voor een afdeling en een bedrijf te werken, die voortdurend ter discussie staan, maar dat valt allemaal in het niet bij het definitieve verlies van een van je ouders."
"Dat is zeker waar."
Ze reden de Lekdijk op, daalden die even verderop ook weer af en kwamen net op tijd om met het veer naar Culemborg mee te kunnen varen. De overtocht was meteen het hoogtepunt van de tocht. Het uitzicht op de wijde rivier en de stad aan de overkant was fenomenaal. Om het op koers te houden was het veer aan drie stevige roeiboten vastgeketend en de veerman was daardoor in staat om op zijn dooie gemak de veergelden te innen. Dat veergeld bleek zeer schappelijk te zijn: een gulden de man.
Helaas had het overtochtje ook een schaduwzijde voor hen in petto. Schuin boven de Lekbrug was ineens een enorme, donkergrijze wolk verschenen.
"Shit!", riep zij, "Zie je dat?"
"Ik zie het."
"Je bent er nogal rustig onder."
"Ja, raar, he?"
"Besef je eigenlijk wel, dat we geen regenkleding bij ons hebben en dat we op zo'n slordige, dertien kilometer van Houten zitten?"
"Ja, dat is zo! Maar het gaat vast niet regenen."
"Zo! En waar maak je dat uit op?"
"Uit de windrichting. Er waait een zacht briesje uit het oosten. Die is niet sterk genoeg om die wolk te verdrijven, maar hij is vast wel sterk genoeg om hem uit de buurt van Culemborg te houden."
"En wat doen we als de wind omslaat?"
"Dan fietsen we naar het station. En dan reizen we met fiets en al terug naar Houten."
"Wat een briljante oplossing!"
"Of we zoeken een oud, pittoresk, sfeervol hotelletje in het centrum, waar we de rest van de dag op een nog aangenamere manier kunnen doorbrengen.
"Dat is een nog briljantere oplossing!"
Ze reden de Veerkade op en sloegen rechtsaf de Veerweg in. Het was een alleszins plezierige manier om de stad binnen te rijden. Rechts van hen stond een rij van verweerde, grijze dijkhuisjes, waarvan de aanblik Anton Pieck tot vervoering had kunnen brengen en links van hen bevond zich de jachthaven van de stad.
Een paar honderd meter verder lag het begin van de oude stad. Uit veel meer dan drie hoofdstraten bestond die oude stad niet, maar die hoofdstraten waren rijk aan bezienswaardigheden. Ze bewonderden de pietepeuterige Vishal, het laatgotische stadhuis, de Binnenpoort en de doorkijkjes op de slootjes rond de voormalige stadswallen en fietsen nog een rondje om het centrum via de Achterstraat, de Herenstraat, de Everwijnstraat, de Oostersingel, de Elizabethdreef, de Voorburg en de Slotstraat.
Daarmee hadden ze alle bezienswaardigheden wel zo'n beetje gezien. Het enige, wat aan het stadje leek te ontbreken, was een hotel, hetgeen ze beiden zeer betreurden. Op een terrasje van een croissanterie aan de Everwijnstraat troostten ze zichzelf met een espresso en twee broodjes kaas. Het was nog steeds droog en omdat het terrasje aan drie kanten door huizen was omringd, was het er best wel uit te houden. Danny keek met een vage glimlach naar zijn vrouw en liet zijn vingers liefdevol over haar rechterkous glijden. Zij was in de afgelopen maanden een beetje afgeslankt en zij zag er, behalve uitermate lief, ook heel begerenswaardig uit. Hij kon aan haar zien, dat de liefkozing in goede aarde bij haar viel en nam haar rechterdij in een onwrikbare houdgreep.
"Hee, laat dat nou een keer!", riep zij grinnikend.
"Wat?", vroeg hij schijnheilig.
"Dat geflikflooi aan mijn benen in het openbaar."
"Waarom zou ik dat moeten laten?"
"Omdat je mij daarmee telkens weer in verlegenheid brengt."
"Ik ben nu eenmaal een benenman!", zei hij, terwijl hij die benen toch maar even losliet, "Geef mij twee mooie vrouwenbenen als de jouwe en ik kan er uren mee zoet zijn."
"Ja, dat weet ik! En ik wil je daarbij altijd heel graag ter wille zijn, maar liever niet in het openbaar."
"Meen je dat nou werkelijk?"
Zij zuchtte diep, dacht even na en kwam toen met een antwoord, dat hem als muziek in de oren klonk:
"Nee, natuurlijk niet, idioot! Je weet net zo goed als ik, dat ik die openbare liefdesbetuigingen van jou veel te lekker vind."
"Lekker?"
"Ja, lekker! Je kunt, wat mij betreft, ook nooit ver genoeg gaan."
"Nooit ver genoeg?"
"Ja, je stopt altijd precies op het moment, waarop het onwelvoeglijk dreigt te worden en soms heb ik daar danig de smoor over in."
"Dus ik moet jouw 'Laat dat!' in het vervolg als 'Ga alsjeblieft door!" interpreteren."
"Ja, natuurlijk! Het is ook mijn liefste wens om een keer in het openbaar een orgasme te hebben."
"Zoiets als Meg Ryan in 'When Harry met Sally'."
"Nee, dat wil ik dus helemaal niet! Ik wil geen fake-orgasme: ik wil een echt orgasme! En als het even kan onopgemerkt."
"Tja, dat is natuurlijk wel mooi en aardig, maar aan de uitvoering van die wens zitten natuurlijk wel een paar haken en ogen."
"Hm, wat dacht je van een rumoerig café, of een rustig terrasje zoals dit?"
"Dat zou kunnen, natuurlijk."
"Of een houseparty?"
"Ga je mond spoelen!", riep hij, ineens diep verontwaardigd.
"Wat heb jij toch tegen houseparty's?"
"Ik heb niets tegen houseparty's. Ze hebben iets tegen mij."
"Wat dan?"
"Eigenlijk alles! Mijn leeftijd, mijn haardracht, mijn kleding, mijn muziekvoorkeur en bovenal mijn diepgewortelde afkeer van alles, wat met dansen te maken heeft. Mij naar een houseparty meenemen staat gelijk aan een monnik naar een bordeel meenemen. Het is in ieder geval net zo wreed."
"Je zou er toch niet hoeven dansen?"
Daar gaf hij geen antwoord op. Hij deed opnieuw een greep naar haar dijen en ditmaal liet zij hem zonder commentaar zijn gang gaan. Tijdens dat niet-geheel-welvoeglijke tijdverdrijf, waarbij zij hem alleen voor de vorm tweemaal op de vingers tikte, keek zij een beetje dromerig voor zich uit.
"Zullen we zometeen toch maar op de trein stappen?", vroeg zij.
"Wil je dat echt?"
"Ja, ik wil eigenlijk zo snel mogelijk naar huis. En jij, geloof ik, ook, he?"
"Hm, ik wil wel graag naar huis, maar aan de andere kant wil ik toch ook wel graag de fietstocht afmaken."
"Meen je dat nou?"
"Ja, ik hou er niet van om half werk af te leveren. Fietstochten moeten worden afgemaakt. Als we nu op de trein stappen, zal ik het gevoel hebben, dat ik niet echt met de fiets in Culemborg ben geweest."
"Je bent gek! Al begrijp ik, geloof ik, wel wat je bedoelt."
"Dat is mooi!"
Zijn greep op haar benen verslapte en hij dacht even na over de manier, waarop hij de conversatie wilde voortzetten. Hij wilde het namelijk nog een keer over een mogelijke zwangerschap en een daarvoor noodzakelijke operatie hebben. Sinds zij hem tijdens de vorige vakantie had verteld, dat zij al een half jaar geleden met de pil was gestopt, hadden ze het onderwerp niet meer ter sprake gebracht, maar nu moest het er toch maar een keer van komen.
"Heb je nog over die mogelijke ingreep nagedacht?", vroeg hij.
"Nee, schatje, dat heb ik niet!", antwoordde zij glimlachend.
"Echt niet?"
"Nee, ik hoef er ook niet meer over na te denken. Het is waar, dat ik in de eerste jaren van ons huwelijk af en toe naar een kind heb verlangd, maar als ik naar het pedagogische gepruts van mijn oudere zusjes kijk en de problemen, die zij met hun kinderen hebben, vind ik het eigenlijk wel goed zo. Die ingreep geeft ook helemaal geen garantie op een snel succes. Er zouden misschien meerdere ingrepen moeten volgen en uiteindelijk zou er wel eens vijf jaar overheen kunnen gaan, voordat het eindelijk raak zou zijn."
"En dan ben je dus veertig."
"En dus een beetje te oud. Nee, het zit er echt niet meer in voor mij."
"Ik snap het, liefje!"
"Dit definitieve 'Nee' is geen teleurstelling voor je?"
"Nee, maar ik voel mij er dus wel een beetje schuldig over."
"Omdat je het zo lang hebt tegengehouden?"
"Ja, ik heb je ontmoet, toen je vijfentwintig was en toen had je dus nog tijd in overvloed om zwanger te raken."
"O, maar daar hoef je je dus echt niet schuldig over te voelen, malle jongen."
"Echt niet?"
"Nee, want als mijn moederinstincten wat sterker waren geweest, had ik mijn wil heus wel doorgedrukt. Ik denk juist, dat ik je heel dankbaar moet zijn. Je hebt mij met je remmende invloed voor een heleboel heisa aan mijn lichaam behoed. En ik ben er de laatste weken echt wel van overtuigd geraakt, dat ik met een kind niet gelukkiger zou zijn geweest."
"Ah, wat een opluchting!"
"Oh, arme jongen! Heb je daar echt over ingezeten?"
"Ach, ik had al wel een beetje door, hoe de vork in de steel zat, maar ik vind het toch wel heel fijn om het nu ook daadwerkelijk uit je mond te horen."
Zij woelde even door zijn haren, nam zijn gezicht in haar handen en gaf hem een kus.
"Weet je zeker, dat je naar Houten terug wilt fietsen?", vroeg zij lachend.
"Ja, toch wel."
"Dat is een beetje jammer. Want ik wil je namelijk heel graag en heel snel belonen voor het feit, dat de afgelopen tien jaar met jou de gelukkigste jaren van mijn leven zijn geweest."
"In natura?", vroeg hij, een tikje overbodig.
"Ja, natuurlijk!"
"O, in dat geval zouden we misschien kunnen overwegen om vannacht in Houten te gaan slapen."
"Kan dat dan?"
"Ja, hoor! Er is een echt hotel daar. Hotel 'De Roskam' heet het. Ik zit daar wel eens met de collega's op het terras, als we onze vrijdagse borrel hebben."
"Wel, dat lijkt mij een prima idee! Maar als we daarnaartoe gaan, denk ik niet, dat je vanavond en vannacht aan slapen toekomt."
"What the heck!", riep hij vrolijk, "We hebben toch vakantie!"
"Zo is het maar net!"
Ze brachten het serviesgoed naar binnen, stapten op hun fietsen en reden naar het veer terug. Tijdens de overtocht zagen ze de immense, donkergrijze wolk nog steeds boven de brug hangen, maar uiteindelijk besloten ze het er toch maar op te wagen.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 1 mei 2002. © Bert Harberts