DE FIETSTOCHT

De eerste week van Danny's vakantie in de nazomer van 1999 was heel warm. Het kon hem weinig schelen. Hij en zijn vrouw Carry vierden hun vakantie in hun caravan in het Noordhollandse Burgerbrug en hij was al snel aan het luie leventje in de caravan gewend geraakt. Hoewel hij vrijwel geen steek uitvoerde, zorgde hij er wel voor, dat zijn gewicht en conditie op peil bleven. Hij jogde elke ochtend vijf kilometer, hij at met mate, hij dronk bij voorkeur de hele dag Liptonice Light en kon uren zoet brengen met het spelen op zijn gitaar. Voor de rest luierde hij maar een beetje en als hij zich verveelde, lokte hij Carry de caravan en het bed in.
Het ontbrak hen ook aan niets. Ze deden elke ochtend boodschappen in het buurtwinkeltje in Burgerbrug, aten elke avond in het café aldaar en besloten de dag altijd met een theevisite bij tante Marie, hun hoogbejaarde hospita. Hij was wel gesteld op die visites. Het was meestal een wat weemoedig uurtje voor hem, omdat de oude vrouw het vrijwel elke avond over zijn recentelijk overleden moeder had. Carry vond dat niet zo prettig, maar zelf dacht hij daar anders over. In het afgelopen maanden had hij zijn verdriet over zijn moeders dood verdrongen door zich voluit op zijn werk te storten en nu dat door zijn hospita weer wat werd rechtgetrokken, ervoer hij dat als heel positief.
Op de zondag van de tweede week reisden ze in alle vroegte naar Amsterdam af. Twee weken daarvoor hadden ze in de fietsenstalling onder het Centraal Station twee oude fietsen gekocht, waarmee ze op deze snoeihete zondag naar het Utrechtse Houten wilden gaan fietsen. Ze hadden er tot op het laatste moment over lopen twijfelen; uiteindelijk had Danny de knoop doorgehakt. Hij werkte al een poosje in Houten en na zijn vakantie had hij daar, hoe dan ook, een fiets nodig. Het kantoor, waar hij zou gaan werken, lag op twee kilometer afstand van het station en die afstand was voor één keer wel lopend te overbruggen, maar niet elke dag. Er moest dus echt minimaal één fiets naar Houten worden gebracht.
Ze vertrokken om acht uur vanuit de fietsenstalling en reden welgemoed via de Geldersekade, de Jodenbreestraat, het Weesperplein naar de Wibautstraat, waar ze eerst langs de Amsterdamse gebouwen van Danny's werkgever reden en vervolgens het spoorwegviaduct over die Wibautstraat passeerden. Ze zouden die spoorlijn vermoedelijk nog vaak tegenkomen; hij had het plan om die spoorlijn zo veel mogelijk te volgen.
Hij zag wel een beetje tegen de lange fietstocht op. Niet zozeer omdat hij het lichamelijk misschien niet zou kunnen bolwerken, maar wel omdat hij bang voor een lekke band was. Hij had uit luiheid namelijk nooit geleerd, hoe hij een fietsband moest plakken en voor Carry gold hetzelfde. Toch zou een lekke band niet echt een ramp zijn. Op bijna het hele traject was de afstand naar een station minder dan vijf kilometer. Alleen tussen Abcoude en Breukelen zouden ze bij een lekke band wat verder moeten lopen. De kans daarop was echter klein; de twee fietsen hadden gloednieuwe banden.
Ze hadden niet veel proviand bij zich, vier witte broodjes om precies te zijn, wel veel frisdrank. In Danny's fietstas zaten vier blikjes Cola Light en vier blikjes Red Bull Light. Ze hadden zich voorgenomen om die proviand pas te nuttigen als ze zich op de helft van de reis bevonden en aangezien het middelpunt van die reis zich ongeveer ten hoogte van Nieuwersluis bevond, hadden ze dus nog een fiks traject voorvakann de boeg.
Dat traject voerde hen eerst door de Bijlmermeer en Gaasperdam en na het passeren van het Academisch Medisch Centrum lag de stad eindelijk achter hen. Tijdens de korte tocht door 'De Hoge Dijk', het nog wat maagdelijk ogende recreatiegebied tussen Amsterdam-Zuidoost en Abcoude, liet hij een welgevallig oog op zijn vrouw rusten. Zij droeg het korte, witte zomerjurkje, dat hij haar zo graag zag dragen en de aanblik van haar stevige, gebruinde dijen deed hem zeer veel deugd. Het ontging haar niet.
"Ik heb het gevoel, dat je eigenlijk heel ergens anders wilt zijn", zei zij, op montere toon.
"O, dat is niet waar", riep hij lachend.
"Dat valt mij dan heel erg van je tegen!"
"Hoezo?"
"Ik heb speciaal dit nietsverhullende jurkje aangetrokken om jou snel mogelijk tot afstappen te bewegen."
"O, wat een gemeen, doortrapt loeder ben je toch!"
"Ja, hè? Bij het vertrek uit Burgerbrug had ik al hemelse visioenen van een lekker, zwoel middagje in een Abcoudense hotelkamer."
"Ha, dat middagje kun je op je buik schrijven! Voor mij geen bezemwagen vandaag. Ik wil vandaag Houten halen. Al moet ik er dood bij neervallen."
"Je bent een mispunt!"
Ze waren inmiddels bij het Abcoudermeer aangekomen en staken de gemeente- en provinciegrens over. In zijn vrijgezellentijd was Abcoude altijd zijn eerste reisdoel geweest als hij zijn jaarlijkse fietstochtje langs het Gein had gemaakt, maar na zijn huwelijk en zijn verhuizing naar Zandvoort waren de fietstochtjes in de omgeving van Amsterdam achterwege gebleven. Er bleek overigens weinig in Abcoude veranderd te zijn, zowel in het vriendelijke buitenwijkje als in het tamelijk pittoreske dorpscentrum. Dat dorpscentrum leverde wel de eerste tegenvaller van het tochtje op: Café 'De Eendracht' was nog niet open. Het was een hard gelag voor hem. Hij had zo langzamerhand wel trek in een kop koffie en een stuk appelgebak met slagroom.
Ze reden dus verder in de richting van Baambrugge, door een mooi, zonovergoten weidelandschap, waarin kapitale boerderijen en kleine, monumentale landhuizen elkaar afwisselden. Vanaf dit punt was het landschap nieuw voor hem en hij begon ineens veel plezier in deze 'onzinnige onderneming' te krijgen. Juist op dat moment moesten ze remmen voor een knap, blond meisje van een jaar of zeventien, dat onverwacht overstak. Als dank daarvoor schonk zij Danny een stralende glimlach, waarmee hij diep in zijn hart toch wel verguld was. Carry dacht daar heel anders over. Zij keek over haar schouder en wierp het meisje een misprijzende blik toe.
"Kijk niet zo boos!", zei hij plagend.
"Dat maak ik zelf wel uit", riep zij verontwaardigd.
"Daar heb je echt helemaal geen reden toe."
"Daar heb ik wel een reden toe! Eerst bijna onder mijn fiets lopen en daarna mijn man een beetje lopen opgeilen. Dat zijn twee hele goede redenen om heel erg boos te worden."
"Eén zo'n glimlach is toch geen reden om boos te worden?"
"Tuurlijk wel! Iets, wat met een glimlach begint, kan altijd op een echtscheiding uitdraaien."
"Ach, welnee! Wat zou ik nou met zo'n jong grietje moeten doen?"
"Ik denk, dat er een heleboel mannen zijn, die daarop een veelzeggend antwoord kunnen geven."
"Nou, en wat dan nog? Je kunt er lekker mee neuken, dat is waar. Maar daar is toch alles mee gezegd?"
"En dat is niet genoeg voor je?"
"Nee, natuurlijk niet! Ik ben nog nooit in mijn leven zomaar met een vrouw naar bed geweest. Er kwam bij mij altijd wel een sterke liefde of een hevige verliefdheid aan te pas."
"Is dat wel zo?"
"Ja, dat is zo!"
"Volgens mij heb je tijdens je eerste, Scandinavische vakantie wel degelijk twee one night stands gehad. En als het niet zo is, heb je een keer flink tegen mij gelogen."
"Hm, dat is waar. Maar zelfs op die twee was ik dus wel degelijk verliefd."
"Waarom ben je dan niet wat langer bij ze gebleven?"
"Omdat ik geen geld meer had en omdat ik daardoor eerder naar huis moest."
"Vond je dat niet jammer?"
"Ja, maar ik heb met een van hen nog wel heel lang gecorrespondeerd." "Had je haar adres dan?" "Ja, ik heb dat adres pas weggegooid, toen ik jou had ontmoet."
"O, God! Wat heb je toch een heerlijk, ingewikkeld liefdesleven geleid!"
"Ja, hè? Het is nu godzijdank een stuk overzichtelijker en normaler."
"Tja, dat kun je wel stellen. Hoewel het natuurlijk niet normaal is, dat een man twee reservevrouwen heeft."
"Twee reservevrouwen? Ik weet nu van Jenny, dat zij nog steeds tamelijk verkikkerd op mij is, maar..."
"Wat dacht je van Suzanne?", vroeg zij, doelend op een in Stockholm wonende vriendin van hen.
"Loopt die zich ook al warm?", was zijn ietwat wanhopige wedervraag.
"Natuurlijk doet zij dat, liefje. Je hebt je toen in '92 toch echt als de grote liefde voor haar ontpopt. Als ik ooit voortijdig kom te overlijden, zal zij dus ook voor je deur staan."
"Jemig!"
"En het gaat bij haar nog een stuk dieper dan bij Jenny, want zij is dus echt alleen. En zij is alleen, omdat zij het gevoel heeft, dat er toch geen enkele man is, die aan jou kan tippen. En als jij nooit meer alleen komt te staan, zal zij de rest van haar leven dus ook echt alleen blijven."
"Ik weet niet, wat ik daarop moet zeggen."
"Daar hoef je ook niets op te zeggen, liefje. Als je maar weet, dat ik de rest van mijn leven bij je zal blijven en dat ik iedereen, die jou voor mijn dood van mij af wil pikken, de ogen uit zal krabben."
"Dat is een geruststellende gedachte", zei hij opgelucht.
"Ja, hè? Zou je het trouwens leuk vinden als we Suzanne weer eens uitnodigden? Het is alweer een half jaar geleden, dat we haar hebben gezien."
"Ja, dat lijkt mij wel leuk."
"Dat klinkt niet erg enthousiast."
"Dat is maar schijn", zei hij glimlachend, "Ik wil haar dolgraag weer eens zien en dat geldt ook voor dat lieve, schattige dochtertje van haar."
"Geldt dat ook voor dat vervelende, Hollandse vriendje van Britta?"
"Ja, hoor! Die mag ook meekomen!"
"Je bent niet meer jaloers op Menno?"
"Ik ben helemaal niet jaloers op Menno en ik ben dat ook nooit geweest. Ik vind wel, dat die meid iets veel beters verdient dan die halvegare, politiek-correcte minkukel. Maar als zij echt van die hufter houdt, dan hoop ik ook echt, dat zij heel erg gelukkig met hem wordt."
"Ach, misschien is het alweer uit tussen die twee."
"O, maak mij niet gek!"
"O, mijn god!", riep zij schaterend, "Je hebt echt vaderinstincten, waar het Britta betreft."
"Ja, natuurlijk!", zei hij, met een zeker bezittersair, "Ik heb altijd al een dochter willen hebben en Britta heeft in de afgelopen jaren prima in die eerste levensbehoefte voorzien."
"Toch vind ik het gek, dat je zo de pest aan Mennootje hebt."
"Hm", gromde hij, een beetje humeurig, "Ik heb nu eenmaal een aangeboren hekel aan dat soort types."
"Dat is toch wel een beetje vreemd. Ik vind hem namelijk heel aardig. Hij is lief, attent, sociaal-betrokken, hij maakt zich zorgen over het milieu, hij is lid van Amnesty International en Greenpeace...."
"Tja, dat is Jackson Browne allemaal ook, maar die sloeg zijn vriendin wel het ziekenhuis in, toen zij bij hem wegging."
"Denk je nou echt, dat Menno dat ook bij Britta zou doen?"
"Dat weet ik niet! En dat wil ik ook niet beweren. Ik wil alleen maar zeggen, dat een man, die een sterke, sociale betrokkenheid toont, niet per definitie een goede man of echtgenoot behoeft te zijn."
"Wat voor eigenschappen moet Britta's toekomstige man dan wel hebben?"
"Eigenschappen zijn niet belangrijk. Hij moet in ieder geval vreselijk veel van haar houden en hij moet haar tot aan haar dood ongelooflijk gelukkig maken. En dat laatste moet hij ook als zijn enige, echte levenstaak zien. En dan is het echt niet belangrijk of haar toekomstige man een ruwe havenarbeider of een bekakt diplomatenzoontje zoals Menno zal gaan worden."
"Is dat niet een beetje naïef?", vroeg zij, toch een tikje aangedaan.
"Dat is heel erg naïef!", antwoordde hij grijnzend, "Maar zo denk ik er dus wel over."
"Maar zolang jij erin blijft slagen om je theorieën tegenover mij in de praktijk te brengen, heb je natuurlijk wel recht van spreken."
"Dank je!", zei hij zacht, "Ik doe mijn best en zal dat blijven doen."
Ze reden door Baambrugge heen en fietsten verder naar Loenersloot. De weg met het fietspad ernaast was bochtig en zeer pittoresk. Dat laatste gold ook voor Loenersloot zelf, dat zelfs een heus kasteel herbergde.
Een paar minuten later passeerden ze de hoge brug over het Amsterdam-Rijnkanaal. Ze hadden vanaf Abcoude de ANWB-paddenstoelen gevolgd en hij besloot zijn plan om langs het kanaal te rijden maar op te geven. De paddenstoelen zouden hen naar alle waarschijnlijkheid door een mooier landschap gaan heenloodsen. Dat voorgevoel kwam snel uit. Na Loenen, een mooi plaatsje, waar ze betrekkelijk weinig van zagen, reden ze verder langs de Vecht, door een van de mooiste cultuurlandschappen van Nederland.
Eenmaal in Nieuwersluis, zoals al eerder gememoreerd het middelpunt van de reis, keken ze naarstig uit naar een terrasje. Ze hadden geen geluk; er was nog geen enkel café open.
"Jezus!", riep Carry, na het passeren van het laatste café, "Wat is dit voor een achterlijke streek?"
"Kalm, kalm! We hebben toch drinken genoeg bij ons?"
"Ja, maar ik heb zo'n trek in koffie!"
"Ach, mens!", riep hij grinnikend, "Zeur toch niet zo! We rijden door een van de mooiste streken van Nederland en jij zit om koffie te zeuren."
"Ja, maar ik ben ook een beetje moe!", zei zij, met een teemstemmetje.
"O, gossie! Zullen we dan maar ergens een leuk plekje gaan zoeken, waar we even kunnen gaan uitrusten?"
"Ja! Ja! Ja!"
"Hm, het valt mij trouwens wel een beetje van je tegen, hoor!"
"Ja, jeetje! Jij hebt makkelijk praten! Jij jogt elke dag!"
"Dat zou jou niks moeten uitmaken."
"Waarom niet?"
"Omdat je dijen de omvang van die van Leontien van Moorsel hebben."
"Is dat een compliment?"
"Ja, natuurlijk is dat een compliment!"
"O, dan word je bedankt! Al slaat dat natuurlijk helemaal nergens op."
"Waarom niet?"
"Mijn dijen hebben een iets andere samenstelling van die van Leontien."
"Iets minder spieren, iets meer vet?"
"Ik denk, dat je dat 'iets' bij dat 'iets minder' en 'dat iets meer' wel weg kunt halen."
"Hm, ik zou jouw dijen anders niet voor die van Leontien willen ruilen, hoor!", zei hij kleintjes.
"Dank je, lieverd! Dat is wel een lief compliment."
"Graag gedaan!"
"O, verdorie! Besef je eigenlijk wel, dat we nu lekker op onze gerieflijke en o zo veerkrachtige caravanbed hadden kunnen liggen?"
"Ja, maar we zijn er nu toch bijna?"
"We zijn pas op de helft, imbeciel!"
"Ja, maar als we eenmaal gerust en gedronken hebben, jassen we dat laatste stuk er in ijltempo doorheen."
"Ik help het je hopen."
Toch bleek het niet zo gemakkelijk te zijn om een leuk plekje aan de Vecht te vinden; het lukte hen pas na Breukelen, toen ze even voorbij kasteel Nijenrode een steiger zagen, die al lang in onbruik scheen te zijn geraakt. Ze stopten, stapten af en gingen in de brandende zon op de steiger zitten.
Ze dronken ieder twee blikjes Red Bull Light en bleven een poosje zwijgend voor zich uitkijken. Carry had haar sandalen uitgetrokken en haar voeten in het water laten zakken; Danny zat in kleermakerszit naast haar.Ze bleven zwijgen, tot ze weer aanstalten maakten om te vertrekken.
"Je ziet er vandaag toch wel weer vreselijk lekker uit", zei hij opgewekt.
"Dank je!", zei zij, met een lief glimlachje.
"Ik bedoel er verder niets mee, hoor!"
"Hè, wat jammer nou!"
"Jammer?"
"Ja, ik heb nog steeds wel zin om een beetje te vrijen."
"Hm, ik denk toch niet, dat deze steiger een geschikte plek daarvoor is."
"Ha, als ik nylons had gedragen, had je wel anders gepiept."
"Misschien wel, ja!", zei hij lachend.
"Ik weet het wel zeker."
Zij trok haar benen uit het water, stond op en veegde met een stalen gezicht haar voeten aan zijn jeans af.
"Hee, laat dat!", brulde hij, "Stom loeder, dat je bent!"
"Dat is je straf!", zei zij, terwijl zij gierend van het lachend haar sandalen aantrok, "Dan had je mij maar niet op een snikhete dag van Burgerbrug naar Breukelen moeten slepen."
Zij wilde langs hem heen lopen, maar hij greep haar bij de pols en trok haar zonder pardon in zijn armen. Het was een drieste manoeuvre, waardoor ze bijna van de steiger tuimelden.
"O, jee!", zei zij, zichtbaar gevleid, "Moet ik er nou toch aan geloven?"
"Hm, ik heb eigenlijk best wel zin om je een geweldige beurt te geven."
"Ha! Zo mag ik het horen!"
"Het is alleen jammer, dat daar in de verte een kapitaal jacht komt aanvaren."
"Om van die regelmatig langsrijdende auto's en fietsers nog maar te zwijgen."
"Daarom lijkt het mij beter om toch maar even verder te fietsen."
"Maar ik hou het vandaag nog wel van je te goed?"
"Natuurlijk, kindje! Natuurlijk!"
Ze stonden op, liepen naar hun fietsen terug en vervolgden hun tocht naar Maarssen. Het was het laatste, mooie stukje van het traject. Eenmaal in Maarssen bleek de weg hen om het centrum van Maarssen heen te leiden.
"Zullen we nog een omweggetje door het centrum maken?", vroeg hij.
"Nee, ik kan geen kasteel of buitenplaats meer zien. Laten we maar lekker doorrijden."
"Heb je dan geen trek meer in koffie?"
"Ja, dat wel, maar die kunnen we in Utrecht ook wel krijgen."
"O, dat is ook goed."
Na Maarssen was er van een mooi landschap geen sprake meer. Ze reden nu wel vlak langs het Amsterdam-Rijnkanaal en aan de overkant van dat kanaal waren de industrieterreinen te zien, die hij op elke werkdag vanuit de trein zag. Het was een weinig aantrekkelijke aanblik, waar zelfs iets bedreigends vanuit ging.
"Wat dacht je van een eindsprint tot de meet?", vroeg hij.
"Wat bedoel je?"
"Ik wil graag een lichte tempoverhoging doorvoeren, tot we de gemeentegrens van Utrecht hebben overschreden."
"Als je dat maar laat, imbeciel!", riep zij verontwaardigd, "Ik kan nu al nauwelijks meer vooruitkomen."
Toch gaf zij hem stilzwijgend zijn zin, toen hij inderdaad wat sneller begon te rijden en het overschrijden van die Utrechtse gemeentegrens voltrok zich dan ook in een straf tempo. Dat overschrijden gaf hem een voldaan gevoel. Ze hadden er veel korter over gedaan dan hij had verwacht. Het was pas elf uur en ze hadden dus tijd genoeg om nog iets leuks in Utrecht te gaan doen.
"Wat wil je?", vroeg hij, "Meteen doorrijden naar Houten en dan zo snel mogelijk naar huis gaan? Of mag ik je in het centrum van Utrecht eerst nog op een gigantische uitsmijter gaan trakteren."
"Ik wil een uitsmijter!", riep zij, met hetzelfde gekmakende teemstemmetje van daarnet.
"Goed, lieverd. Ik heb zelf ook wel trek."
Het was half twaalf, toen ze langs Muziekcentrum Vredenburg reden. Ze stopten voor het terrasje van het poffertjerestaurant, dat daarnaast stond, waar ze, in plaats van een uitsmijter, twee pannenkoeken en een pot koffie bestelden. Die bestelling werd al vrij snel geserveerd en ze zetten zich onmiddellijk aan het eten.
"Is het lekker?", vroeg zij.
"Ja, hoor! Hoewel ik eigenlijk nog steeds meer trek in jou heb."
"Jeetjemina! Het lijkt wel, of het steeds erger met jou wordt."
"Ja, maar dat komt natuurlijk, omdat je mij de laatste tien jaar ook zo vreselijk hebt verwend."
"O, mijn god! Je hebt gelijk. We zijn inderdaad al bijna tien jaar bij elkaar."
"Ja, op 1 maart aanstaande is het zo ver."
"Eigenlijk moeten we daar iets speciaals mee gaan doen."
"Wat dan?"
"Gewoon! Lekker vrij nemen, op de dag zelf en op de dagen daaromheen en dan maar gewoon een paar dagen lekker in bed blijven liggen."
"Dat lijkt mij een perfect plan! Maar dan moeten we op de zaterdag daarvoor wel een heleboel boodschappen in huis halen."
"Dat is toch geen probleem? Misschien kan ik dan ook nog een leuk, ondeugend nachthempje kopen."
"Nee, dat wil ik niet!"
"Waarom niet?", vroeg zij, een tikje verbaasd.
"Omdat ik je dan wil hebben, zoals je tien jaar geleden was."
"Maar toen was ik alleen maar naakt?"
"Precies! En daar had ik toen meer dan genoeg aan."
"Mag ik dan ook geen nylons aan?"
"Op de dag zelf niet! Op die dag moet alles gaan, zoals het toen ging."
"Ja, Jezus! Dan moeten we eerst naar Amsterdam gaan en onze eerste ontmoeting in 'De Bijenkorf' gaan naspelen."
"O, nee, dat kan natuurlijk niet. Nou, dan weet ik het goed gemaakt: dan moet alles hetzelfde gaan, vanaf het moment, dat we toen samen op bed vielen."
"Hm, ik geloof, dat ik daar wel genoegen mee kan nemen."
"Echt waar?"
"Ja, we zijn de laatste jaren heel inventief geworden, waar het ons seksleven betreft, maar als ik die eerste vier keren nog eens kan overdoen, dan zal ik daar zeer tevreden mee zijn."
"Hebben we op die dag echt maar vier keer geneukt?", vroeg hij grijnzend.
"Ja, Danny, we hebben op die dag echt maar vier keer geneukt! En ik weet tot op de dag van vandaag nog steeds niet, hoe ik die vier keren heb overleefd."
De maaltijd smaakte hen onderwijl voortreffelijk en na die maaltijd begonnen ze vol goede moed aan het laatste stuk naar Houten. Ze hielden een flink tempo aan, tot ze de bebouwde kom van Utrecht hadden verlaten en het viaduct onder de A12 naderden.
"We zijn er", riep hij uitgelaten, "Als we dat viaduct zijn gepasseerd, rijden we de gemeente Houten binnen."
"Dat is mooi! Het is alleen jammer, dat ik ineens heel nodig moet plassen."
"O, shit! Dat had je nou niet moeten zeggen."
"Waarom niet?"
"Omdat ik ineens ook heel erg moet plassen."
"Tja, dan moeten we maar even een geschikt struikje uitzoeken."
Uiteindelijk besloten ze om het viaduct maar als toilet te gebruiken. Na die plaspauze konden ze opnieuw volop van het landschap genieten. De Oud Wulfseweg, het kronkelende weggetje naar Oud-Wulven en Houten, voerde hen langs boerderijen, boomgaarden en korenvelden en was bijzonder pittoresk.
Om half een reden ze Houten binnen, via de wijk De Weerwolf, de buurt waar hij binnenkort dagelijks doorheen zou fietsen. Het was niet moeilijk om de weg naar het station te vinden. Vijf minuten na hun aankomst in Houten konden ze met een zucht van verlichting hun fietsen in de overdekte fietsenstalling van 'Anne Arendsen' zetten. Ze zetten hun fiets op slot, verlieten de fietsenstalling en liepen het perron op. Daar voelde Danny ineens, hoe moe hij was. Hij ging op de trap naast het overdekte schuilhok zitten en Carry zette zich zwijgend naast hem neer. Haar gezicht had een wat peinzende gelaatsuitdrukking gekregen, hetgeen hem enigszins onrustig maakte.
"Waar denk je aan?", vroeg hij.
"Aan jou natuurlijk."
"O, wat aardig! Is daar een speciale reden voor?"
"Ja, ik moet je iets vertellen, maar ik weet eigenlijk niet, of dat wel verstandig is."
"O, jee!", zei hij, ineens zeer ongerust, "Maar nou moet je het mij natuurlijk wel zeggen. Anders heb ik natuurlijk geen leven meer."
"Wil je het echt weten?"
"Ja, vertel het mij maar."
"Ik eh... ben al een hele tijd geleden met de pil gestopt."
"Oh, meen je dat?"
"Ja."
"Sinds wanneer?"
"Sinds februari."
"Meen je dat nou echt? Of maak je een grapje?"
"Nee, ik meen het echt. Ik eh... had in de weken daarvoor het sterke gevoel gekregen, dat jij helemaal niet meer zo afwijzend tegen een mogelijke zwangerschap van mij stond."
"Dat klopt wel een beetje, ja", zei hij zacht.
"En omdat ik op dat moment al bijna vierendertig was, had ik een gevoel van 'Nu of nooit'."
"En dus..."
"Ben ik heel stiekem met de pil gestopt."
"En..."
"Zonder resultaat", zei zij, met een ineens heel somber gezicht.
Hij schrok hevig en wist even niet, wat hij moest zeggen, maar uiteindelijk deed hij wel datgene, wat hij kon en moest doen: zijn arm om haar schouders slaan en haar wat dichter tegen zich aan trekken.
"Daar heb ik een poosje over na lopen denken", vervolgde zij, met een doffe stem, "En daarna ben ik toch maar een keer bij de huisarts langs gegaan. En die heeft mij weer doorverwezen naar een specialist en die heeft twee weken geleden dus het vonnis over mij geveld."
"En dat vonnis is?"
"Dat ik - om het in zijn woorden uit te drukken - een 'mankementje' heb, dat mogelijk wel met een operatie gerepareerd kan worden, maar misschien ook wel niet."
"Ach, jee!"
"En nu is het de vraag, of jij dat wilt."
"Nee, dat is dus niet de goede vraag! Het is de vraag, of jij dat wilt."
"Ja, dat kan wel zo zijn, maar ik weet het dus niet."
"Nou, dan doe je het toch lekker niet!", zei hij gemoedelijk.
"Ja, maar..."
"Het is jouw lichaam, lieverd. Als jij er niet zeker van bent of, je die operatie, of ingreep wilt ondergaan, dan moet je er gewoon niet aan beginnen."
"Wat zou jij doen in mijn plaats?"
"Ik zou er in de eerste plaats nog maar eens goed over na gaan denken. Ik zou nadenken over de vraag, of je eigenlijk wel echt een kind wilt. Ik zou nadenken over je al wat oudere en niet altijd even evenwichtige echtgenoot met wie je dat kind zou moeten gaan opvoeden. Ik zou nadenken over je leeftijd en over de mogelijkheid, dat die risicovolle zwangerschap en bevalling misschien wel na je vijfendertigste verjaardag zouden gaan plaatsvinden. Ik zou nadenken over het heerlijke, luie leventje, dat je nu leidt. En ik denk.... Nee, ik weet wel zeker, dat ik dan uiteindelijk een hele lange neus tegen die specialist zou gaan trekken en zou zeggen: 'Nee, toch maar liever niet."
Daar reageerde zij niet meteen op. Althans niet in woorden. Wel kroop zij nog wat dichter tegen hem aan en vlijde zij glimlachend haar hoofd tegen zijn schouder. Dat zei hem voorlopig genoeg. Haar onthulling had hem echter zeer geschokt en over de consequenties van die onthulling zou hij nog wel een paar weken blijven piekeren.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 30 april 2002. © Bert Harberts