DUEL

Het was een warme zaterdagochtend in mei. Wendy Harberts, blond, knap, mollig en Friezin van geboorte, werd wakker door het dichtslaan van de voordeur van haar Holyslootse huisje en de daaropvolgende stilte in het huis, vertelde haar, dat zij de komende uurtjes weer alleen zou zijn. Dat verbaasde haar niet. Er was hier ook sprake van een vaste familiegewoonte. Sinds de geboorte van de kinderen, Jelle en Yaran, nu iets meer dan twee jaar geleden, had haar man Maarten haar op die zaterdagochtenden regelmatig een paar rustige uurtjes gegund door er voor een poosje met de kinderen op uit te trekken. Soms behelsde dat uitstapje een wandeltochtje over de IJsselmeerdijk, soms trakteerde hij ze op een autotochtje rond het IJsselmeer en soms maakte hij een boottochtje door Waterland met zijn kroost. Wat het vandaag zou worden, wist zij niet precies. Ze zouden in ieder geval in de buurt blijven, want zij hoorde hun auto niet vertrekken, maar uit het langzaam wegstervende gebabbel van Yaran was niet op te maken in welke richting ze liepen.
Na een minuutje kon zij Yaran niet meer horen en ervoer zij meteen een vaag gevoel van gemis. De stilte in huis had opeens iets drukkends gekregen. Vandaag was de dag, waarop Yaran de middag bij Michelle, zijn natuurlijke moeder, zou gaan doorbrengen en zij voelde op die dagen altijd weer de angst, dat Michelle hem niet meer terug zou brengen. Die angst was overigens niet reŽel. Yaran was door Maarten en Wendy geadopteerd en Michelle had over het afstaan van Yaran nooit van enige spijt blijk gegeven. Met die geruststellende gedachte in het achterhoofd gooide zij het dekbed van zich af. Zij trok een kort, wit nachthemd over haar hoofd, verliet de slaapkamer en liep op haar blote voeten naar het toilet op de begane grond.
Tijdens het korte oponthoud aldaar dacht zij na over de manier, waarop zij de komende vrije uurtjes wilde besteden. Een warm bad en een rustig ontbijt, daar zou zij vanzelfsprekend mee beginnen en daarna zou zij maar eens uitgebreid de krant gaan lezen. Gezien de voorspelde hitte zou het geen dag worden om erg actief te zijn, meer een dag om te verlummelen.
Na te hebben doorgetrokken liep zij de aangrenzende, smalle badkamer binnen, waar zij de kranen van het ligbad opendraaide en haar tanden begon te poetsen. Zij zag er wat verfomfaaid uit, maar zij had op haar tweeŽndertigste nog steeds een hele jeugdige uitstraling. Zij had een knap gezichtje met kort, blond haar en ogen, die altijd schenen te lachen. Zij vond zelf ook wel, dat zij er mee door kon, al begreep zij nog steeds niet goed, wat haar knappe en beroemde echtgenoot in haar zag. Een nuffig, bibliothecaresje van gereformeerde komaf en een sexy, charismatische topvoetballer-in-ruste, zij bleef het in haar nuchtere buien een verbijsterende combinatie vinden.
Het bad was inmiddels volgelopen en zij liet er zich giechelend in neerzakken. Zij waste eerst haar haren met de handdouche; daarna zakte zij behaaglijk onderuit. Zij hield van haar werk, zij hield van de weekenden, waarin zij de zorg voor de kinderen van Maarten overnam, maar die paar eenzame uurtjes op de zaterdagochtend, waarin zij noch chef, noch moeder hoefde te zijn, waren haar minstens zo dierbaar.
Buiten was het windstil en de rust in het dorpje werd alleen door het gekwetter van de vogels verstoord. Hoewel zij van huis uit een stadsmens was, was zij zeer aan de landelijke rust van Holysloot gehecht geraakt. Zij woonde er nu drie jaar en zij was er nog geen dag ongelukkig geweest. In tegenstelling tot Sandy, Maartens ex-vriendin, had zij wel aansluiting bij haar dorpsgenoten gezocht. Zij ging elke zondag met de kinderen naar de piepkleine, gereformeerde kerk aan de andere kant van het dorp en was op gezette tijden als vrijwilligster in het plaatselijke peuterspeelzaaltje werkzaam. Zowel het een als het ander had haar binnen de dorpsgemeenschap een grote populariteit bezorgd.
Zij stond op uit het bad, greep naar de al gereedliggende badhanddoek en sloeg die voor even om zich heen. Het was al aardig warm geworden. Al voelde de temperatuur in de woonkamer en de keuken in vergelijking met de temperatuur in de badkamer nog weldadig koel aan. Bij het betreden van die woonkamer/annex keuken deed zij een plezierige ontdekking: Maarten had zich voor het weggaan nog zeer verdienstelijk gemaakt door de tafel alvast te dekken en koffie te zetten. Naast haar bord lag zelfs al de Trouw van die dag op haar te wachten.
Zij trok de badhanddoek van haar lichaam, wierp hem baldadig in een stoel en probeerde voor zichzelf uit te maken, welke kleren zij vandaag wilde aantrekken. Eigenlijk wilde zij het liefst helemaal geen kleren aantrekken, maar haar gezond verstand won het van haar hang naar gemak. Zij liep dus terug naar haar slaapkamer, waar zij braaf een witte beha, een wit slipje, een rood T-shirt en een zwart minirokje aantrok.
Eenmaal aan tafel gezeten daalde een sterk gevoel van rust over haar neer. Zij nipte aan haar koffie, bladerde de krant vluchtig door, merkte een paar artikelen op, waaraan zij straks in haar tuinstoel wat meer aandacht wilde besteden en legde de krant weer terzijde. Misschien was het beter om vandaag maar helemaal niets doen. Gewoon maar een beetje zitten en af en toe een beetje nadenken, dat leek haar een veel zinniger tijdsbesteding. Er was overigens niet zo veel om over na te denken. Zij leidde een rustig leventje, zij was gelukkig, haar gezin was compleet, gezond en haar met hart en ziel toegedaan, haar ouders waren nog fit genoeg om haar kinderen te zien opgroeien en zij koesterde de geruststellende gedachte, dat zij verder niets meer te wensen had.
Na het ontbijt ruimde zij de tafel af en begon zij af te wassen. Tijdens die bezigheden vond zij het toch echt te stil in huis. Het was de hoogste tijd voor een toepasselijk achtergrondmuziekje. Zij had haar keus snel gemaakt: het werd Frank Sinatra met 'In the wee small hours', een verzameling van zoete ballads, waaraan zij tot Maartens afgrijzen verslaafd was geraakt. Zij draaide de in 1991 uitgebrachte cd praktisch elke zaterdag- en zondagochtend, het liefst in alle vroegte, en ook nu kon zij de verleiding met geen mogelijkheid weerstaan. De nummers dateerden, op een na, allemaal uit 1955, Maartens geboortejaar. Wat haar het meeste aan de plaat beviel, was niet zozeer de toch wel sublieme zang van Sinatra, maar wel de overdadig georkestreerde arrangementen van Nelson Riddle. De combinatie daarvan had een aantal magistrale songs opgeleverd, die haar telkens weer aan de zonnige, lome zondagen in het Leeuwarden van haar jeugd deden terugdenken.
Na de afwas te hebben gedaan besloot zij om nog wat huishoudelijke klusjes te doen. Dat voornemen bleek, zoals altijd, bijzonder weinig nut te hebben: Maarten was een voorbeeldig huisman en had ook nu het huis in kraakheldere toestand achtergelaten. Haar zoektocht naar verborgen stofnesten bleef dan ook vruchteloos; een ontdekking, waarmee zij bijzonder in haar nopjes was. Zij schonk zichzelf nog een kop koffie in, liep gniffelend haar tuin in, ontvouwde haar parasol en nam op een van haar comfortabele tuinstoelen plaats. Met de kop koffie, een boek en haar mobieltje onder handbereik.
Haar rijkelijk met bloemen bedeelde tuin, waarin haar twee, zeer bejaarde katten lagen te slapen, was tamelijk klein. Zij had echter wel een prachtig uitzicht over de weilanden tussen Holysloot en Ransdorp. Aan de horizon was de stompe kerktoren van Ransdorp duidelijk zichtbaar, evenals de energiecentrale bij Diemen en de flats aan de rand van Amsterdam-Noord. Zij zag zichzelf hier niet meer weggaan. Zij zou hier samen met Maarten oud gaan worden. Ergens in de volgende eeuw zouden ze hier gaan sterven en zouden ze samen een graf vinden op het piepkleine kerkhof, dat op nauwelijks twintig meter van dit tuintje lag.
Zij nam haar boek ter hand, een gebonden uitgave van de verzamelde verhalen van Nikolaj Gogol, die zij voor haar verjaardag van een neef van Maarten had gekregen, bladerde er wat in en kreeg toen een aangename verrassing te verwerken. De eerste zinnen van de het eerste verhaal, 'De jaarmarkt van Sorotsjintsy', waren van een adembenemende schoonheid: "Hoe bedwelmend, hoe prachtig is een zomerdag in de OekraÔne! Hoe drukkend warm zijn de uren, als de stille middaglucht van de hitte blikkert, en de onmetelijke blauwe oceaan, die zich als een koepel vol zinnelijkheid over de aarde welft, ingesluimerd en geheel in tederheid gedompeld schijnt te zijn."
Het lezen van die ene alinea, waarop nog veel meer fraaie zinnen volgden, gaf haar een 'happy-attack' zonder weerga. Nooit had zij haar eigen levensgevoel beter omschreven gezien. Het fragment deed ook het sluimerende vitalistje in haar weer ontwaken. Ineens was er weer dat verlangen om te reizen. Om net als vroeger weer op de trein te stappen en op de bonnefooi naar landen als Finland, TsjechiŽ, Ierland en - inderdaad - de OekraÔne te gaan.
Van dat reizen was sinds haar huwelijk en de geboorte van de kinderen niet veel meer terecht gekomen: zij en Maarten hadden zich sindsdien met een aantal vakantieweekjes in een Center Parcs-bungalow tevreden moeten stellen. Die weekjes in die bungalows waren hun doel nooit voorbijgeschoten - zij was er altijd heerlijk uitgerust vandaan gekomen - maar nu wilde zij wel weer eens wat meer avontuur uit haar vakanties gaan halen. Zij wist best, dat het er voorlopig niet van zou komen. De jongens waren simpelweg nog te klein en te afhankelijk voor vakanties, waarbij voortdurend over stoffige landweggetjes moest worden gebanjerd.
Haar overpeinzingen werden op een wat onverwachte manier verstoord: door de rinkelende bel van de voordeur. Zij stond op en sjokte het huis binnen. Voor zij de voordeur opentrok, ging er al een flinke schok door haar heen. Zij had door het ruitje in de deur gezien, dat er een onverwachte en weinig geliefde bezoekster voor de deur stond: Sandy, de ex-vriendin van Maarten, de vrouw met wie hij meer dan twintig jaar het leven had gedeeld. Sandy was een blonde, mollige vrouw van tweeŽnveertig. Zij droeg een zwart mini-jurkje en zwarte schoenen met lage hakken. Zij had slechts een wit-leren handtasje bij zich en zij had haar zwarte damesfiets tegen het iele boompje in de voortuin gezet. Haar gelaatsuitdrukking was vriendelijk, maar Wendy zag er ook iets berekenends in.
"Hoi", zei Wendy, met een schuchterheid, waarover zij onmiddellijk het land had.
"Dag, Wendy!", zei Sandy glimlachend, "Kom ik ongelegen?"
"Nee, hoor! Ik ben alleen thuis en eh... Ik kan dus wel wat aanspraak gebruiken."
"Ah, dat is lief van je. Als je het niet erg vindt, dan wil ik graag even een kwartiertje bij je komen uitrusten. Ik heb al een hele lange fietstocht achter de rug en de cafť's, die ik ben gepasseerd, bleken allemaal nog gesloten te zijn."
"Kom binnen", zei Wendy, met subliem geacteerde hartelijkheid.
Bij het betreden van de woonkamer bleef Sandy verrast stilstaan.
"Jemig, wat is het hier veranderd!", riep zij lachend.
"Ten goede, of ten slechte?", vroeg Wendy pesterig.
"Tja, wat moet ik daar nou op zeggen."
"Hoe lang ben je hier nou niet geweest?"
"Sinds januari 1995. Ruim drie jaar dus."
"I see."
Ze zwegen even. Sandy bleef glimlachend in het rond kijken en Wendy volgde haar blikken met een moeilijk te definiŽren onrust.
"Zullen we even in de tuin gaan zitten?", vroeg zij.
"Dat lijkt mij een prima idee."
Ze liepen naar de tuin en namen op de tuinstoelen plaats. De bevallige manier, waarop Sandy in haar stoel ging zitten, had iets bedreigends voor Wendy. Zij zat zeer met dit ongewenste bezoek in haar maag, maar wist dat toch wel op een redelijke manier te verbergen.
"Wil je koffie?", vroeg zij.
"Alleen als je hebt."
"Ik heb nog een halve pot staan. Al zal hij waarschijnlijk niet meer zo heel vers zijn."
"Dat geeft niet, hoor! Als de koffie nog een beetje warm is, zal hij er nog best wel in gaan."
"Goed."
Wendy pakte een mok uit het keukenkastje, schonk de mok vol en bedacht, dat het misschien toch wel aardig zou zijn als zij haar voorgangster op iets lekkers zou trakteren. De keus viel op een mousseline, waarop zij na enig aarzelen ook maar een toefje slagroom spoot. Die traktatie viel bij haar bezoekster zeer in de smaak.
"O, wat lief van je!", riep Sandy bij het aanpakken van de mousseline, "Dat is precies, wat ik nodig heb."
Wendy ging tegenover haar zitten en dronk het laatste restje van haar eigen koffie op. De kofie was inmiddels koud geworden, maar zij had geen zin om nog een kop koffie voor zichzelf in te schenken.
"Ben je al de hele ochtend aan het fietsen?", vroeg zij.
"Sinds vanmorgen vroeg, ja."
"Waar ben je geweest?"
"Ik ben langs de IJsselmeerdijk naar Marken gefietst en daarna ben ik over dezelfde weg teruggereden."
"Dat is een hele mooie route."
"Ja, maar wel een hele mooie route, die niet echt van pleisterplaatsen is voorzien. Ik was net iets te vroeg in Marken om daar een cafť aan te treffen, dat open was. En dat kroegje in Uitdam was ook nog gesloten."
"Vervelend."
"Ja, hŤ?"
"Woon je nog steeds in Middelburg?"
"Nee, het is begin dit jaar uitgegaan met mijn vriend en omdat ik in Middelburg daarna niets meer had te zoeken, ben ik maar weer naar Amsterdam verhuisd."
"Waar woon je nu?"
"In de Derde Vogelstraat in Amsterdam-Noord."
"In dat buurtje met die kleine huisjes bij het Vliegenbos?"
"Ja, precies. Het is alweer mijn tweede huis in Amsterdam. Ik zat eerst op een duur flatje in de Bijlmermeer, maar omdat een collegaatje van mij is gaan samenwonen, heb ik haar huisje voor onbepaalde tijd in onderhuur kunnen krijgen."
Die reeks van onthullingen schokte Wendy meer dan haar lief was.
"Wat voor werk doe je?", vroeg zij, met een wat geknepen stemmetje.
"Ik werk als receptioniste bij Het Parool."
"Wat leuk!"
"Ja, het is mijn eerste baantje", gniffelde Sandy.
"Meen je dat?"
"Ja, erg, hŤ? Dat een vrouw tweeŽnveertig heeft moeten worden om voor het eerst haar eigen brood te kunnen verdienen."
"Was er een financiŽle noodzaak voor?"
"Nee, hoor! De erfenis van mijn ouders is al die jaren intact gebleven, dankzij de goede gaven van Maarten en mijn ex-vriend, maar toen ik alleen op mijn flatje in de Bijlmermeer zat, voelde ik voor het eerst in mijn leven de behoefte om wat meer tussen de mensen te komen. En dit was eigenlijk het eerste baantje, dat op mijn weg kwam."
"Bevalt het?"
"Ja, jŰh! Het is vreselijk gezellig. Je komt elke dag de vreemdste mensen tegen en geen dag is hetzelfde. En nu ik dat lieve huisje in die gezellige volkswijk heb, is dat thuiskomen ook niet meer zo'n tegenvaller. Omdat ik het overdag nu zo druk heb, vind ik het nu zelfs wel prettig om alleen te wonen. En dat is maar goed ook, want ik kan mij niet voorstellen, dat er ooit nog een man zal zijn, die zich in mijn netten zal laten vangen."
"Waarom is het eigenlijk uitgegaan met je laatste vriend?", vroeg Wendy zacht.
"Ach, ik heb nooit gedacht, dat het iets blijvends zou zijn. Ik ben tweeŽnveertig, hij is achtentwintig, dat leeftijdsverschil zegt eigenlijk al genoeg. Hij hield veel van mij en hij doet dat nog steeds, en ik ben een paar jaar heel erg gelukkig met hem geweest, maar ik heb hem na lang nadenken toch maar weer zijn vrijheid teruggegeven. Het is beter zo. Ik zie er nu nog leuk uit, maar als ik over een aantal jaren in de overgang zit, dan zal dat wel snel afgelopen zijn en dan was hij vermoedelijk toch wel op mij uitgekeken geraakt."
Wendy keek haar verbijsterd aan. Er welden vele vragen in haar op, waaruit zij niet direct een keus kon maken.
"Hoe kijk je nu op de jaren met Maarten terug?", vroeg zij uiteindelijk.
"Het zijn veruit de gelukkigste jaren uit mijn leven geweest. Ik heb twintig jaar met de liefste, de knapste en de geilste man van Nederland samengeleefd. Ik heb niets dan goede herinneringen aan hem."
"En je houdt nog steeds van hem?"
"Ja, natuurlijk! En dat zal ik ook tot aan mijn dood blijven doen."
"Waarom... Waarom ben je dan in godsnaam bij hem weggegaan?"
"Om dezelfde reden, waarom ik bij zijn opvolger ben weggegaan: ik had het gevoel, dat het op de lange termijn tussen ons stuk zou gaan lopen."
"Was er een reden voor dat gevoel?"
"O, ja! Daar was zelfs een hele duidelijke reden voor."
"Welke dan?"
"Een jaar of zes geleden heeft hij mij een bekentenis ontlokt over de paar slippertjes, die ik ooit heb begaan en ik geloof stellig, dat het daardoor is misgegaan, dat ik daardoor het idee heb gekregen, dat er op een kwade dag wel eens een Wendy in zijn leven zou kunnen komen tegen wie ik het zou gaan afleggen."
"Denk je nou echt, dat ik een kans bij hem zou hebben gemaakt als jij bij hem was gebleven?", vroeg Wendy kwaad.
"Misschien niet", antwoordde Sandy, met een al dan niet gemeende vriendelijkheid.
"Ik weet zeker van niet! Ik weet zeker, dat hij op de dag van je vertrek zielsveel van je hield en ik acht de kans ook heel groot, dat hij dat nog steeds doet."
"Misschien heb je wel gelijk."
"Ik weet absoluut zeker, dat ik gelijk heb."
Er viel een stilte. Wendy wist niet, hoe het gesprek verder moest gaan en hoopte vurig, dat haar kwelgeest snel de plaat zou poetsen. Die hoop zou vermoedelijk niet in vervulling gaan. Sandy at haar mousseline, zonder zich te haasten en nipte met belachelijk kleine teugjes van haar koffie.
"Hoe gaat het eigenlijk met hem?", vroeg Sandy na een poosje.
"Goed."
"Hij is gelukkig en gezond?"
"Ja, hij is heel gelukkig en hij verkeert in een werkelijk fantastische conditie."
"Jogt hij nog steeds elke avond op en neer naar Durgerdam?"
"Ja, zodra de kinderen in bed liggen, gaat hij op pad. Hij heeft er echt heel veel baat bij en ik dus ook."
"Hoezo?"
"Hij is echt onvermoeibaar in bed", was het half gemene, half nuffige antwoord.
"Ach jee!", riep Sandy vertederd, "Is het nog steeds zo'n onverzadigbaar knuffelbeertje?"
"Ja, dat kun je wel stellen, ja. Het is nog steeds elke avond raak."
"Dat is mooi. Ik denk ook niet, dat daar ooit een einde aan zal komen. Wat dat betreft, heb je echt een lot uit de loterij getrokken."
"Dat geloof ik ook wel, ja."
"Gaat hij verder nog wat doen?"
"Hoe bedoel je?"
"Heeft hij nog plannen om iets zakelijks te gaan ondernemen?"
"O, nee! Daar heeft hij helemaal geen tijd voor. De kinderen gaan op dit moment voor alles. Hij heeft mij gezegd, dat hij pas wil gaan werken als de jongens naar de middelbare school gaan en geen dag eerder."
"Wat goed van hem!"
"Ja, hŤ?"
"Hoe is hij als vader?"
"Zoals hij als voetballer was: fantastisch. Hij is ook echt degene, die ze opvoedt. Ik heb inspraak bij alles, wat hij doet, maar uiteindelijk beslist alleen hij, wat er moet gebeuren."
"En daar leg je je altijd bij neer?", vroeg Sandy lachend.
"Ja, natuurlijk! Ik denk, dat die eensgezindheid de belangrijkste grondregel van het opvoeden is. Je moet als ouders zijnde ook te allen tijde met ťťn mond praten. Als je dat niet doet, word je meedogenloos tegen elkaar uitgespeeld."
"Ik snap het."
Wendy had zichzelf weer enigszins onder controle gekregen en wierp Sandy een wat peinzende blik toe. Zij wist, dat Sandy nooit kinderen had kunnen krijgen en zij vroeg zich af, hoe het laatste gedeelte van de conversatie op haar was overgekomen. Zij kreeg er niet echt hoogte van. Sandy glimlachte vaag voor zich heen en er waren geen tekenen, die erop wezen, dat zij de conversatie pijnlijk vond.
"Een van de kinderen is niet van jou, hŤ?", hernam Sandy.
"Nee, Yaran is van jouw eerste opvolgster."
"Hoe ga je daarmee om?"
"Tja, hoe ga ik daarmee om? Heel simpel eigenlijk: hij is mijn zoon. Niets meer en niets minder dan dat. Hij heeft een wat donkerder huidskleur dan Jelle, dus als we met zijn vieren op stap zijn, kan iedereen zien, dat ik hem niet heb gebaard, maar daar kan ik echt geen probleem mee hebben. Het is een schattig ventje, ik heb ongelooflijk veel plezier van hem en ik hou heel veel van hem."
"En hij ook van jou?"
"Ja, ik ben zijn moeder in zijn ogen. Als ik thuiskom, staat hij mij in het halletje al op te wachten en is hij volkomen door het dolle heen. En in het halfuur daarna is hij, net als Jelle, niet van mijn schoot weg te slaan."
"Ben je niet bang, dat zijn houding jegens jou verandert als hij eenmaal weet, dat je niet zijn echte moeder bent."
"Nee, helemaal niet."
"Wanneer gaan jullie hem dat eigenlijk vertellen?"
"Dat weten we nog niet. We twijfelen nog een beetje over het juiste tijdstip."
"Tja, daar kun je ook niet zorgvuldig genoeg in zijn."
"Ja, hŤ?"
"Laten jullie het eigenlijk bij twee kinderen?"
"Misschien wel, misschien niet. Ik zou er best nog eentje bij willen hebben, maar dat moet Maarten natuurlijk ook willen."Misschien wel, misschien niet."
"Tja, als hij voor de opvoeding opdraait, lijkt mij dat ook wel redelijk."
Er viel een stilte. Wendy keek weer naar Sandy en zag, dat de gelaatsuitdrukking van haar bezoekster enigszins was verhard. Sandy beantwoordde haar blik ook niet; zij keek over de weilanden heen en zij leek ineens mijlenver weg te zijn. Nu Wendy wat langer naar haar keek, zag zij pas goed, hoe mooi zij nog was: Sandy kon moeiteloos voor een vrouw van dertig doorgaan. Haar gezicht had iets jeugdigs en onschuldigs behouden en met dat mollige, lelieblanke lichaam en die prachtige, mooie benen zou zij nog iedere man hebben kunnen inpalmen.
De gedachte, dat zij dat eventueel ook met Maarten zou kunnen doen, was nogal deprimerend voor Wendy, maar gelukkig voor haar werd zij al snel door iets afgeleid: door het zoemen van haar mobieltje. Zij nam het apparaat gretig ter hand. Het moest Maarten zijn en in die verwachting werd zij niet teleurgesteld.
"Dag, lief, geil, gereformeerd trutje van mij!", klonk het monter.
"Hee, waar zitten jullie?", vroeg zij lachend.
"In de Dorpsstraat. We zijn al bijna thuis."
"Hoe is het met de kinderen?"
"Goed, ze zitten naast elkaar in de kinderwagen. Jelle zit heel zoet en heel rustig voor zich uit te staren en Yaran kletst mij zoals gewoonlijk weer de oren van mijn kop."
"Ha, net goed!"
"Net goed?"
"Ja, het is heel goed, dat jij en Michelle nog even dat oeverloze geklets van dat kreng moeten aanhoren. Dan zal hij vanavond - als jullie hem eindelijk weer eens aan mijn zorgen hebben toevertrouwd - misschien wat rustiger zijn."
"Ha, Yaran en rustig!", gniffelde hij, met een wat sadistische ondertoon, "Dat zijn twee volstrekt onverenigbare grootheden!"
"Ik ben er ook heel bang voor."
"Wat ben je eigenlijk aan het doen?"
"Wat ik altijd op een zaterdagochtend doe: niets."
"Niets?"
"Ja, niets. Ik zit wat in de tuin te zonnen."
"In je blootje?"
"Nee, natuurlijk niet, idioot! Ik heb mij keurig aangekleed."
"Ach, wat jammer nou!"
"Jammer?"
"Ja, dan had ik na mijn terugkeer meteen aan de slag gekund."
"Ach, jee! Heeft mijn lieve, brave huismannetje weer eens last van zijn macho-oprispingen?"
"Helemaal niet!"
"Helemaal wel! En ik vind het helemaal niet erg, hoor. Want ik heb natuurlijk wel degelijk het een en ander voor je in het vat zitten."
"Wat?"
"Iets leuks."
"Kun je dat wat nader preciseren?"
"Nou, vooruit dan maar! Als jij erin slaagt om Yaran dusdanig moe te maken, dat hij straks een lekker, lang middagslaapje zal gaan doen, mag je mij vanmiddag best wel weer eens voor een uurtje op de keukentafel leggen."
"Ha, dat klinkt goed!"
"Mits ik dan wel Frank Sinatra als achtergrondmuziekje mag gebruiken."
"O, dat mag, hoor! Als ik zometeen weer eens lekker mijn gang mag gaan, mag je, wat mij betreft, zelfs wel een hip-hopplaat opzetten."
"Die hebben we niet."
"Tja, en daar ben ik nou niet echt rouwig om."
Sandy stond op, liep met een stuurs gezicht en met haar tasje in de hand langs haar heen en ging het huis binnen. Wendy hoopte, dat zij weg zou gaan, maar zij was daar toch niet helemaal zeker van. Op het moment, dat Sandy uit het zicht was verdwenen, veranderde Wendy meteen van toon.
"Wil je als de sodemieter hiernaartoe komen?", vroeg zij, zonder haar agitatie te verbergen.
"Wat is er dan?"
"Sandy is hier. En ik word helemaal gek van haar!"
"Zeg maar niks meer: ik kom er aan en ik ben zo bij je."
Hij verbrak de verbinding en zij was eigenlijk al helemaal gerustgesteld. Of Sandy nog lang zou blijven, wist zij niet, maar als Maarten zometeen terug zou zijn, dan zou haar kwellende aanwezigheid een stuk makkelijker te verdragen zijn. Zij hoorde, hoe Sandy de wc doortrok en bereidde zich peinzend op haar onvermijdelijke terugkeer voor.
Na een halve minuut hoorde zij, hoe Sandy de tuin binnenliep. Toch bleef zij uit een soort narrigheid hardnekkig naar de kerktoren van Ransdorp kijken. Dat had zij beter niet kunnen doen, want het volgende moment voelde zij een sjaal rond haar hals glijden. Een sjaal, die vrijwel onmiddellijk op een niet mis te verstane wijze werd strakgetrokken. Gedurende een paar seconden besefte zij niet, wat haar overkwam; daarna probeerde zij zich met alle macht tegen de onverhoedse aanval te verweren. Dat ging haar slecht af. Sandy bleek een stuk sterker te zijn. Wendy vocht voor wat zij waard was, maar bij elke voort tikkende seconde vloeiden haar krachten langzaam weg en leek de druk op haar hals alleen maar sterker te worden.
Op het moment, dat zij de moed had opgegeven, klonk een harde klap en het oorverdovende gerinkel van glas. De druk op haar hals viel weg, de rode, zijden sjaal viel op haar schoot en na een tiental seconden, waarin zij hevig naar adem hapte, wist zij zich met enige moeite om te keren. Sandy lag ineengezakt achter haar stoel, tussen de brokstukken van wat eens een foeilelijke vaas van Maartens moeder was geweest. Maarten stond met een verhit gezicht over haar heengebogen en hield zijn vingers tegen haar hals. Wendy wilde vragen, of zij dood was, maar haar stem weigerde nog even dienst. Zij strekte haar armen naar Maarten uit en liet zich door hem in de armen nemen.
Terwijl zij in de huiskamer gelukkig ook weer het vertrouwenwekkende gekwebbel van Yaran hoorde, begon hij haar met sussende woordjes te kalmeren. Zowel het een als het ander zorgde ervoor, dat haar interesse in Sandy's lot snel verdwenen. Zij had de moordaanslag overleefd; wat er verder met Sandy moest gaan gebeuren, was van later zorg.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 16 mei 2000. © Bert Harberts