ZOMERSEKSSIňSTA

Op de eerste julidag van het jaar 2000 werd het rustige, en gelukkige renteniersleventje van Dennis en Trudy voor even wreed verstoord. Na hun thuiskomst van een feestje troffen ze hun kat in een deerniswekkende toestand aan. De stokoude poes, die de naam Miepie droeg en al een poosje met haar gezondheid sukkelde, zat ineengedoken naast een stoel in de slaapkamer. Zij ademde heel moeizaam en met elke ademstoot bracht zij een luguber, ratelend geluid voort. Trudy keek het met een gepijnigd gezicht aan. Zij was stapelgek op het beest en voelde het begin van een paniekaanval aankomen. Het was vandaag zaterdag, het liep al tegen middernacht en op dit tijdstip zouden ze natuurlijk met geen mogelijkheid de hulp van een dierenarts kunnen inroepen.
Dennis bleek er iets nuchterder tegen aan te kijken. Hij stelde voor om even niets te doen. Als de situatie vannacht hetzelfde zou blijven, of zou verslechteren, zou hij morgenochtend vroeg de Dierenambulance bellen en de medewerkers aldaar om hulp vragen. Die zouden dan vast wel weten, wat ze zouden moeten doen. Zij stemde met dat voorstel in. Dennis haalde een geel hoeslaken uit de linnenkast in de huiskamer, vouwde het op, legde het op de vloer voor het bed en vlijde de kat er op neer.
Ze bleven nog even naar de kat kijken, maar daarna gingen ze zelf ook naar bed. Terwijl Trudy zich met een bezwaard gemoed in de armen van haar echtgenoot nestelde, bleef zij gespannen naar Miepie's ademhaling luisteren. Het geluid ging haar door merg en been en zou haar nog wel voor een poosje uit de slaap houden.
De volgende morgen werd zij om half tien wakker. Zij zag, dat Dennis zich al had aangekleed en op zijn knieŽn naast de kat zat. Het beest ademde nog steeds op dezelfde, hortende manier van gisteravond; haar gelaatsuitdrukking had daarbij iets lijdzaams. Zij leek niet eens bang te zijn over wat er met haar gaande was, hoogstens een beetje verbaasd. Trudy sloeg de dekens terug, stapte het bed uit en kroop naar Dennis en de kat toe.
"Het is goed mis, hŤ?", zei zij.
"Ja, volgens mij lijdt zij hartstikke veel pijn!"
"Ik ben er ook bang voor."
"Ik eh... Ik heb daarnet het nummer van de Dierenambulance opgezocht. En ik wil eigenlijk maar meteen gaan bellen."
"Doe dat dan maar, liefje. Ik pas wel even op haar."
Hij stond op en liep naar de woonkamer, waar de telefoon stond. Zij ging in kleermakerszit naast de kat zitten en legde de kat met laken al op haar schoot. De kat begon tot haar verbijstering onmiddellijk te spinnen. Dennis had inmiddels de Dierenambulance aan de lijn gekregen. Zij hoorde, hoe hij de situatie uiteenzette, maar kon uit wat hij daarna zei, niet precies opmaken, hoe het gesprek verder verliep. Na een minuutje hing hij op en toetste hij opnieuw een nummer in.
"Wat doe je?", vroeg zij.
"Ik heb het nummer opgekregen van een dierenarts, die weekenddiensten draait."
"O, mooi!"
Trudy aaide de kat nu onafgebroken over haar kop en zij begon ineens weer wat moed te krijgen. Misschien zou het beest toch nog te redden zijn. In de woonkamer was haar man aan zijn tweede telefoongesprek begonnen. Dat gesprek duurde maar kort en nadat hij nog een derde en al even kortstondig telefoongesprek had gevoerd, kwam hij met een energieke tred de slaapkamer binnenlopen.
"En?", vroeg zij.
"De Dierenambulance komt er aan en we kunnen zometeen bij een dierenarts aan de Weesperzijde terecht."
"O, wat goed van je!"
Hij knielde bij haar neer en krauwde de kat over haar kop, op een wat afwezige, bijna mechanische manier.
"Je gaat niet mee naar de dierenarts?", vroeg hij.
"Nee, dat lijkt mij een beetje te druk voor haar. Maar ik wil natuurlijk wel weten, wat er precies aan de hand is. Dus als er echt iets ernstigs aan de hand is, moet je mij wel bellen."
"Wat moet ik doen als ik het advies krijg om haar te laten inslapen?"
"Dan bel je mij dus op en dan stap ik in een taxi en kom ik naar je toe."
"Dus daar wil je dan wel bij zijn?"
"Ja, maar volgens mij zal dat niet nodig zijn, hoor. Ik heb nog steeds goeie hoop, dat ze er wel bovenop komt."
""Maar zij is wel negentien, lieverd. En over twee maanden wordt zij twintig!"
"Dat weet ik natuurlijk ook wel. Maar ik heb er toch een goed gevoel over."
"Wel, dan kan het eigenlijk niet meer misgaan, hŤ?", zei hij, met een vage glimlach.
Gedurende een paar minuten bleven ze zwijgend bij elkaar zitten, tot het moment, waarop ze een auto voor hun huis hoorden stoppen. Dennis stond op en keek uit het raam.
"Hee, ze zijn er al!", zei hij verrast.
"Ga dan maar gauw opendoen."
"Goed, het zijn trouwens wel twee mannen."
"O, shit! Dan moet ik wel even iets aantrekken."
Hij stond op, gaf haar een zwart jurkje aan en liep naar de voordeur om open te doen. Terwijl zij heel behoedzaam het jurkje aantrok, hoorde zij, hoe hij de deur ontsloot en de mannen binnenliet. Het bleken twee mannen van allochtone afkomst te zijn. De een was een forsgebouwde, wat kalende man; de ander was klein en tenger. Ze groetten haar vriendelijk en keken vervolgens met een heel zorgelijk gezicht naar het kalm ogende patiŽntje op haar schoot.
"Heeft u enig idee wat er aan de hand is?", vroeg zij.
"Nee, maar hij moet onmiddellijk naar de dierenarts. Heeft u een tas?"
"Ja", antwoordde Dennis, "Ik pak hem wel even."
Hij verliet de kamer, haalde een gele kattentas uit de gangkast en keerde een wat aarzelende gelaatsuitdrukking in de kamer terug. Bij het zien van de tas realiseerde Trudy zich, dat ze die tas maar twee keer hadden gebruikt: in 1981, toen ze de kat hadden laten steriliseren en zij na de operatie een nachtje in de praktijk van de dierenarts had geslapen. Sindsdien had Miepie het huis nooit meer verlaten.
"Is deze goed?", vroeg Dennis aan de kalende man.
"Ja, als u hem wilt openhouden, dan stop ik hem er wel in."
"O, jee!", zei Trudy, "Dat zal zij absoluut niet leuk vinden."
Haar angst was ongegrond. Dennis hield de tas open en de kalende man greep de kat bij haar nekvel en liet haar kalm in de tas zakken. Zij gaf geen kik en de man kon zonder enige moeite de tas dichtmaken.
"Als het nodig is, bel je, hŤ?", vroeg Trudy, toen de mannen de kamer al hadden verlaten en Dennis aanstalten maakte om hen te volgen.
"Ja, lieverd!"
"En neem je een taxi op de terugweg?"
"Dat is een goed plan. Dat zal ik zeker doen."
Hij boog zich naar haar over, gaf haar een kus en rende de heren achterna. Zij wierp het laken van zich af en ging op haar knieŽn voor het raam zitten. De auto, een wit bestelbusje, stond dubbel geparkeerd voor hun huis, maar toen Dennis was ingestapt, reed het bestelbusje vrijwel meteen met grote snelheid weg. Zij keek de auto na en voelde weer iets van angst in haar opkomen. Hoewel zij daarnet met veel aplomb van haar hoop op een goede afloop had blijk gegeven, was zij er toch verre van gerust op. Zij achtte de kans vrij groot, dat Dennis haar zometeen zou bellen en haar het doodvonnis voor Miepie zou gaan meedelen. Om zo goed mogelijk daarop voorbereid te zijn, was het zaak om zich snel aan te kleden. Zij ging dus eerst naar het toilet, waar zij een plas deed en daarna liep zij naar de douchecel om een korte douche te nemen.
Tijdens het douchen was zij ineens weer wat optimistischer over de levenskansen van haar kat. Dennis moest nu zo'n beetje bij de dierenarts zijn aangekomen en als hij in de komende minuten niet zou bellen, kon zij dus nog wel op een goede afloop blijven hopen. Het telefoontje bleef tijdens het douchen inderdaad achterwege en ook tijdens het afdrogen bleef het stil in de huiskamer. Zij stapte de douchecel uit, liep naar de keuken, gooide de badhanddoek in de wasautomaat en liep daarna naar de slaapkamer om zich aan te kleden. Het was een koele, grijze dag en zij peinsde even over de vraag welk jurkje zij zou aantrekken. De keus viel tenslotte op een kort, grijs jurkje; de nylons, die zij ook tijdens de zomer altijd droeg, zou zij straks wel aantrekken. Het aantrekken van dat jurkje verliep tamelijk moeizaam. Zij was de laatste weken weer wat dikker geworden. Tot voor een paar maanden was zij, dankzij haar dagelijkse joggingtochtjes en een uitgekiend dieet, bijzonder slank geweest. Een slepende knieblessure had haar echter drie maanden aan de kant gehouden en er waren de laatste weken ook wel een paar momenten geweest, waarop zij haar dieet een beetje ontrouw was geworden. Die paar extra kilootjes misstonden haar echter niet. Kijkend in de spiegel boven haar make-up tafel wreef zij met een ietwat genotvolle glimlach over haar heupen. Zij mocht er werkelijk nog wel zijn en zij had ineens weer heel veel zin om Dennis na zijn terugkeer het bed in te trekken. De voorbije, kuise nacht was zowel onontkoombaar als irritant geweest en als het met Miepie's ziekte zou meevallen, waar het nu alle schijn van had, dan zou Dennis zometeen alsnog aan de bak moeten.
Met die plezierige gedachte in het achterhoofd liep zij naar de keuken, waar zij voor zichzelf een kop espresso inschonk. Zij liep naar de huiskamer, ging op een van de zwarte, leren stoelen zitten en verzonk in gedachten. Die hadden niet zozeer met Miepie als wel met seks te maken. De zomermaanden waren immers aangebroken en dat was de periode, die Dennis en zij voornamelijk in bed plachten door te brengen. Het was weinig minder dan een familietraditie geworden. Sinds ze drie jaar geleden met werken waren gestopt, hadden ze eindelijk de mogelijkheid gekregen om aan de gevolgen van die afschuwelijke, warme zomermaanden te ontkomen en ze hadden die mogelijkheid elk jaar met beide handen aangegrepen.
Die 'ZomersekssiŽsta' was vrijwel altijd stipt op 1 juli begonnen en vrijwel altijd op 31 augustus beŽindigd. Dennis was in die periode altijd de enige, die een stap buiten de voordeur zette. Zijzelf liep in die maanden altijd in een luchtig niemendalletje in het huis rond en beperkte het opsnuiven van de buitenlucht tot het uurtje, dat zij na zonsondergang op de veranda aan de achterkant van het huis doorbracht. Zij hield van die uurtjes op die veranda. Het was uitermate prettig om onder het genot van een glas wijn naar het geroezemoes in de tuinen rondom hun huis te kunnen luisteren en het vooruitzicht op hun genoeglijke seksnachtje was altijd weer prikkelend en plezierig. Door het feestje, waarbij ze gisteravond aanwezig waren geweest, en de ziekte van Miepie hadden ze het begin van dat festijn met anderhalve dag moeten uitstellen en zij voelde zich daar tamelijk verongelijkt over.
Zij stond op en liep naar het venster. Juist op dat moment stopte aan de overkant van de straat een taxi. Zij besefte meteen, dat Dennis daarin zat. Zij zag, hoe hij uitstapte en wachtte tot de taxi was weggereden. Daarna stak hij met een lijkbleek gezicht de straat over. Hij droeg de tas in zijn linkerhand en die tas leek vele kilo's te wegen.
"Het is mis!", dacht zij onmiddellijk.
Zij liep naar het portaal, posteerde zich bovenaan het portaal en bleef angstvallig zwijgen tot hij boven was gekomen.
"Hoe is het gegaan?", vroeg zij uiteindelijk.
"Zij is dood!", antwoordde hij, met een wat rauwe stem.
"O, nee! Dat is niet waar!"
"Helaas wel, lieverd! Zij was al dood, toen we bij de dierenarts waren aangekomen."
"Wat is er dan in godsnaam gebeurd?"
"Zullen we even in de huiskamer gaan zitten? Ik ben er echt hartstikke kapot van."
"Goed, liefje", zei zij, terwijl zij een wat angstige blik op de tas wierp, "Heb je haar eigenlijk weer meegenomen?"
"Nee, dat kon ik echt niet opbrengen. Ik heb haar daar achtergelaten. Ik hoop, dat je dat niet erg vindt."
"Nee, hoor!", zei zij opgelucht, "Ik denk, dat je daar wel goed aan hebt gedaan."
Hij zette de tas onder de kapstok en zij ging hem voor naar de huiskamer, waar hij op een stoel plaatsnam en zij aan zijn voeten ging zitten. Het duurde even, voordat hij een beetje op verhaal was gekomen, maar uiteindelijk was hij toch in staat om een verslag te geven van hetgeen er in de auto was voorgevallen:
"Het ging dus allemaal best wel goed, tot ik in de auto stapte en de chauffeur de motor startte. Vanaf dat moment ging het dus helemaal fout, omdat zij ineens in paniek raakte en uit alle macht probeerde om uit de tas te ontsnappen. Ik heb haar even kunnen tegenhouden en ik heb daarbij ook mijn uiterste best gedaan om haar gerust te stellen, maar dat lukte dus voor geen meter. Uiteindelijk kwam die kalende man op het idee om haar in een kooi te stoppen, waarin zij wat meer ruimte zou hebben."
"En dat hebben jullie dus gedaan."
"Ja, hij haalde haar uit de tas, waarbij zij even heel klaaglijk miauwde en stopte haar in een vrij grote kooi. En toen viel zij dus al heel raar neer. Ik had toen al het gevoel, dat het helemaal mis was. Ik heb haar toen echt zien sterven, volgens mij, maar zonder dat ik haar in mijn armen heb kunnen houden."
"O, nee!"
"Ja, lieverd, zo is het echt gegaan! Zij is echt op een hele nare, hele angstige manier doodgegaan en dat neem ik mijzelf zeer kwalijk. Het was echt veel beter geweest als we haar hier hadden laten sterven."
Zij zweeg en zocht even naar de juiste woorden, waarmee zij zijn schuldgevoel zou kunnen wegpraten.
"Je hoeft jezelf niets kwalijk te nemen, liefje", begon zij aarzelend, "Je kon niet weten, dat zij al zo zwak was, dat zij die autorit niet zou overleven."
"Dat is wel zo, maar..."
"Niks 'maar'! Je hebt er heel goed aan gedaan. Punt uit."
"Tja, als ik mijn verstand gebruik, moet ik je natuurlijk gelijk geven."
"Dat moet je ook, jochie! Dat moet je ook! En vertel mij nu maar, hoe het verder ging."
"Wel, toen we op de Weesperzijde waren aangekomen, keek ik weer even door de spijlen van de kooi en toen zag ik, dat zij al dood was. En toen zij op de tafel van de dierenarts lag, werd dat door de dierenarts bevestigd. En het rare is, dat ik mij toen eigenlijk wel even opgelucht voelde."
"Omdat we niet meer dat vreselijke doodvonnis hoefden uit te spreken?"
"Precies, want daar had ik toch wel heel erg tegenop gezien."
"Ik snap het, liefje! En eigenlijk voel ik dat ook wel zo."
"Ja, hŤ? Ik was ook heel nuchter, daarna. Ik heb haar nog wel even over haar koppie geaaid, ik heb haar nog wel even een allerlaatste afscheidsgroet toegefluisterd, maar daarna heb ik bij de balie van de praktijk de dierenarts betaald."
"Moest je nog veel betalen?"
"Nee", antwoordde hij aarzelend, "Het was maar vijfentwintig gulden. Maar die dierenartsassistente vroeg mij nog wel, of we haar wilden laten cremeren of begraven."
"Hoe heb je daarop geantwoord?"
"Met een 'nee', onder voorbehoud. Ik wist natuurlijk niet, wat jij precies wilde, maar als jij het dus ook niet wilt, gaat zij morgen naar een destructiebedrijf."
"Dat is wel goed, liefje. Ik ben stapelgek op dat beest geweest, maar gezien onze sentimentele karakters lijkt het mij niet zo goed voor ons als we een soort van monumentje voor haar gaan creŽren."
"Ja, zo denk ik er ook over."
"Wat kostte die Dierenambulance nou?"
"Dertig gulden. Maar ik heb die kalende man maar vijf gulden extra gegeven."
"Waarom?"
"Omdat hij totaal over zijn toeren was."
"Om de dood van Miepie?"
"Ja, het was echt hartstikke ontroerend. Hij stond echt bijna te janken. Hij vond het verschrikkelijk, dat zij juist in de auto was overleden."
"O, wat aardig!"
"Ja, hŤ? Ik heb altijd het hardnekkige vooroordeel gehad, dat moslims de pest aan dieren hebben, maar dat vooroordeel is daarnet dus hardhandig de grond ingestampt."
"Daar kan ik mij wel iets bij voorstellen."
Ze vielen even stil. Hij keek een beetje dromerig voor zich uit en leek ook wel wat tot rust te zijn gekomen.
"Wil je koffie?", vroeg zij.
"Ja, lekker!"
"Prima! Dan zal ik even het water op zetten."
"Dat is goed, dan zal ik even het bed gaan opmaken."
"Heeft dat eigenlijk wel zin?"
"Waarom?"
"Het is inmiddels allang en breed 1 juli geweest!"
"Shit, dat is waar ook! Het is weer tijd voor onze 'ZomersekssiŽsta'."
"Precies! En we hebben nu een reden temeer om vergetelheid in elkaars armen te zoeken."
"Dat is maar al te waar. Nou, ja! Dan zal ik toch maar even de lakens gaan verwisselen."
"Dat kan inderdaad geen kwaad!", zei zij droogjes.
Zij liep naar de keuken en Dennis liep met een paar schone lakens onder de arm naar de slaapkamer. Terwijl zij de fluitketel weer met water vulde, luisterde zij naar zijn gescharrel in de slaapkamer. Het leek erop, dat zij erin was geslaagd om zijn gedachten te verzetten, maar toen zij naar hem toe liep, keek hij met een wat vreemd vertrokken mond naar het hoeslaken, waarop hun kat haar laatste nacht had doorgebracht. Op het laken waren de donkere haren van de kat nog duidelijk zichtbaar.
"O, shit!", prevelde hij voor zich heen, "Een uur geleden leefde zij nog."
"Ik weet het, liefje."
"Ik mis haar nu al."
"Ik ook, liefje, ik ook!"
"Zij zal nooit meer op haar plekje tussen onze hoofdkussens liggen, zij zal ons nooit meer om zes uur wekken, zij zal ons nooit meer bovenaan de trap staan opwachten, zij zal nooit meer op de rugleuning van de oude stoel zitten, zij zal nooit meer op mijn bureau en naast mijn toetsenbord zitten, zij zal nooit meer op onze schoot zitten, we zullen nooit meer die typische, goeÔge 'Miepie-blik' zien, we zullen haar nooit meer om eten horen bedelen, zij zal nooit meer de boter van onze vingers aflikken, we zullen nooit meer haar nagelafdrukken in de pindakaas vinden, we zullen haar nooit meer als ons levende teddybeertje mogen gebruiken, we zullen nooit meer die nukkige en meewarige blik zien, waarmee zij zich dat maffe geknuffel liet welgevallen, zij zal nooit meer onze wangen aflikken."
"Ik weet het, liefje. Zij laat echt een hele grote leegte achter."
"Ja, hŤ? We hebben ons er jaren op in kunnen stellen, maar nu het zover is, valt het mij veel zwaarder dan ik mij ooit had kunnen voorstellen."
"Mij ook, lieverd! Zij was ook zo lief, de laatste weken! Zij begon al te spinnen als we haar alleen maar aankeken of aanspraken."
"Ja, we konden voor het slapen gaan zelfs hele 'gesprekjes' met haar voeren."
"Ja, zij babbelde er flink op los in die laatste weken."
"Jezus! Wat zal ik dat stomme beest gaan missen in de komende dagen! Die leegte is nu al nauwelijks te verdragen."
Zij greep hem bij de onderarm en streelde die arm op een kalme manier. Zijn verdriet greep haar nogal aan. Het was voor het eerst in hun huwelijk, dat hij volkomen van slag leek te zijn. In al die jaren was hij bij elke crisis altijd het toonbeeld van rust en tevens haar grootste steunpilaar geweest, maar nu waren de rollen ineens omgedraaid. Dat was een wat verontrustende gewaarwording voor haar en zij zocht uit alle macht naar een gespreksonderwerp, waarmee zij de conversatie een wat zakelijker wending kon geven. Gelukkig voor haar vond zij dat gespreksonderwerp uiteindelijk wel:
"Heb je eigenlijk enig idee, waaraan zij is overleden?"
"Volgens de dierenarts was het haar hart. Zij was gewoon op. Hij was overigens heel verbaasd, dat zij al negentien was."
"Waarom?"
"Omdat zij nog zo slank was. De meeste, oude katten zijn dikke, vormeloze hobbezakken, die dan ook nooit de negentien halen."
"Ha, je hebt haar dus wel degelijk heel lang in leven gehouden met die Spartaans aandoende voedingsideeŽn van je."
"Ja, dat ene halve blikje Whiskas per dag heeft echt wonderen gedaan."
"Is dat geen troostgevende gedachte?"
"Ja, dat is het zeker."
"En jij bent trouwens ook degene geweest, die er voor heeft gezorgd, dat zij Łberhaupt heeft geleefd."
"Omdat ik toen in 1980, zonder overleg met jou te plegen, haar zwangere moeder in huis heb gehaald?"
"Ja, en omdat jij het vertikte om haar en haar broertjes door de dierenarts te laten afmaken, zoals onze lieve buurvrouw toen suggereerde."
"Je wilt mij toch niet vertellen, dat je het had goedgekeurd als ik op die suggestie was ingegaan?"
"Nee, dat zou wel erg cru zijn geweest, hŤ? Bovendien was ik, toen ze eenmaal waren geboren, net zo weg van die kleintjes als jij."
"Ja, dat is zo!"
Ze vielen stil en keken weer even naar het laken op de vloer.
"Wat zullen we daarmee doen?", vroeg hij, "Ik kan het echt niet opbrengen om dit weg te gooien."
"Omdat haar haren er nog op zitten?"
"Ja, precies! En ook omdat haar nagelafdrukken er nog op te zien zijn."
Zij hurkte bij het laken neer en zag inderdaad, dat het met vele gaatjes was bezaaid. Die aanblik emotioneerde haar meer dan haar lief was.
"Leg het maar ergens op zolder!", stelde zij voor, "Er ligt daar zoveel rotzooi, dat dit 'Miepie-relikwie' er ook wel bij kan."
"Dat is een goed idee."
Hij raapte het laken op, verliet de kamer en verdween naar de zolder. Trudy liep naar de keuken, waar zij twee kopjes espresso inschonk. Zij vermoedde, dat ze nog niet meteen aan hun 'ZomersekssiŽsta' zouden kunnen beginnen. Het zou waarschijnlijk beter voor Dennis zijn als ze zometeen een stukje zouden gaan fietsen. Hij bleef langer weg, dan zij had verwacht, maar na zijn terugkeer ging hij meteen weer aan haar voeten zitten.
"Hoe is het nou?", vroeg zij, terwijl zij hem liefdevol over zijn haren streelde.
"Slecht! Ik zit er echt helemaal doorheen."
"Het is je aan te zien."
"Ik snap echt niet, dat ik er zo door van slag ben."
"Daar hoef je je toch niet voor te schamen, malle jongen!"
"Dat moet ik natuurlijk wel. Ik ga er in het geniep altijd heel erg prat op, dat ik in crisistijden altijd zo koel en nuchter ben en ik vind het maar niks, dat ik nu precies het tegenovergestelde ben."
"Maar je was vanmorgen toch ook koel en nuchter? Ik was zelf de wanhoop nabij en ik vond het maar wat prettig, dat jij weer zo resoluut het heft in handen nam."
"Ja, vanmorgen wel, ja..."
"En het is dus niet meer dan normaal dat je - nu de crisis voorbij is - effe een tikkie krijgt."
"Misschien heb je wel gelijk", mompelde hij, onderwijl een slokje van zijn koffie nemend.
"Natuurlijk heb ik gelijk. En ik vind het maar wat fijn, dat je nu een beetje in de war bent."
"Waarom?"
"Omdat ik je na de koffie dan heel gemakkelijk het bed in kan lokken. Het is namelijk de hoogste tijd, dat we aan onze 'ZomersekssiŽsta' beginnen."
"Dat klinkt heel aanlokkelijk."
"Ha! Op zo'n reactie hoopte ik al."
"Maar ik wil eigenlijk eerst even gaan joggen."
"Ah, nee! Meen je dat nou?"
"Ja, ik denk echt, dat het beter voor mij is."
"Maar waarom dan, jochie?"
"Omdat ik dan even lekker uit zal kunnen huilen."
"En dat wil je liever niet in mijn armen doen?", vroeg zij pruilend.
"Nee, in jouw armen wil ik mij alleen maar gelukkig voelen."
"En zul je je dan wel gelukkig voelen als je je daarna wel in mijn armen zult nestelen?"
"Ja, natuurlijk! Dat overkomt mij toch altijd."
"Nou, vooruit dan maar! Ga dan maar gauw!"
"Vind je het echt niet erg?"
"Ja, natuurlijk vind ik het erg, maar als jij weggaat, zal ik mij meteen gaan uitkleden en dan zal ik meteen in mijn blootje tussen de schone lakens gaan liggen."
"En dan?"
"Dan ga ik lekker op jou liggen wachten en dan ga ik lekker aan al die leuke dingen denken, die we in die zomermaanden altijd doen."
"Hm, dat is wel mooi en aardig, natuurlijk, maar zullen we vanaf vandaag maar een poosje op zolder gaan slapen?"
"Dat moeten we maar doen, hŤ?"
"Ja, Miepie is de laatste maanden de slaapkamer vrijwel niet uit geweest en ik denk niet, dat ik mij daar echt gelukkig zal kunnen voelen."
"Goed, grote liefde van mij, dan gaan we komende maanden lekker in de zolderkamer doorbrengen."
"Afgesproken!"
"En ga nu maar gauw, want ik wil je hier binnen een half uur terugzien."
"O, ik ga al, hoor!"
Hij stond op en liep naar de gang om zijn sportschoenen aan te trekken. Zijzelf liep naar de slaapkamer om het bed af te nemen. Zij trok het hoeslaken los, frommelde het dekbed in elkaar, nam het beddengoed in de armen en liep naar het portaal, waar haar echtgenoot inmiddels zijn sportschoenen en een aftands, vaalrood sweatshirt had aangetrokken.
"Kom je snel terug?", vroeg zij liefjes.
"Natuurlijk kom ik snel terug! Ik bedoel maar..."
"He, nou ben je nou alweer die ellendige Voskuil aan het citeren!", riep zij, quasi-verstoord, "Dat krijg ik maar niet uit bij je, hŤ?"
"Nee, mijn lief! Dat zul je er nooit bij mij uitkrijgen. Maar als je daarover het land hebt, of je daardoor bedreigd voelt, wil ik zometeen wel een morekop voor je meenemen."
"Ha! Daar worden mijn tanden anders wel dupe van."
"De dupe, mijn lief!", zei hij, terwijl hij grijnzend de trap afdaalde, "Tanden worden ergens de dupe van, niet dupe."
"Ik geloof er niks van."
"Sla de litteratuur er dan maar op na."
Zij schoot in de lach, maar had daar geen repliek meer op. Zij hoorde, hoe hij de deur dichtdeed en liep daarna zelf naar de zolder. Op de voorste deel van die zolder, naast het zolderkamertje, stonden een aantal spullen van een broer van Dennis. Tot die spullen behoorde een opklapbed en over dat opklapbed had Dennis daarnet het 'Miepie-relikwie' gedrapeerd. Zij keek er naar en voelde een vlaag van weemoed door zich heen gaan. Het huis voelde ineens heel leeg aan; het zou misschien wel verstandig zijn om heel snel een nieuwe kat in huis te nemen.
Zij liep door naar de zolderkamer, een smal vertrek, waarin alleen maar een tweepersoonsbed, twee oude keukenstoelen en een kleine koelkast stonden, en begon het beddengoed te verwisselen. Na dat klusje probeerde zij voor zichzelf uit te maken, wat zij nog meer nodig had. Zij wilde in de komende weken de zolderkamer zo weinig mogelijk verlaten en om die reden moest zij dus de nodige proviand vanuit de koelkast in de keuken naar de zolder verhuizen. Het werd een tamelijk lang lijstje met zaken zoals de pil, vitaminepillen, rauwkost, sinaasappelen, brood, boter, broodbeleg en de koolzuurloze 'Sisi Light', waaraan zij de laatste weken verslingerd was geraakt.
Maar het kon dus niet bij levensmiddelen alleen blijven: zij wilde ook iets te lezen hebben als Dennis de boodschappen voor hen deed of aan het joggen was, dus was het ook zaak om het nodige leesvoer naar de zolder te verhuizen. Haar keus viel daarbij op 'Een kwestie van opvoeding', het eerste deel van 'Een dans op de muziek van de tijd', de roman-fleuve van Anthony Powell. Daaraan zou zij voor een paar weken wel genoeg hebben.
Zij stopte het vuile beddengoed in de wasautomaat, keerde terug naar de zolder en begon de zolderkamer zorgvuldig te stofzuigen. Dat vond zij, zoals altijd, een plezierige bezigheid. Zij kon in vrijwel geen enkel opzicht een voorbeeldig huisvrouwtje worden genoemd, maar zij had het toch altijd wel prettig gevonden om de lichte, huishoudelijke karweitjes als het opruimen, het afstoffen en het stofzuigen voor haar rekening te nemen.
Na al die klusjes te hebben voltooid, ging zij naar beneden om al die zaken te verzamelen, waarmee zij de 'ZomersekssiŽsta' zou kunnen gaan veraangenamen. Zij begon met het leeghalen van de koelkast en verhuisde de inhoud daarvan naar de zolderkoelkast. Bij haar terugkeer in de keuken zette zij de koelkast uit en het afwasbakje onder het vriesvak. Daarna liep zij naar de slaapkamer, waar zij de deur van haar klerenkast opende om een keus uit haar grote lingeriegarderobe te kunnen maken. Zij nam daar rustig de tijd voor, tot de keus uiteindelijk viel op: vijf zwarte nachthemden, drie zwarte jarretellegordeltjes en tien paar zwarte nylonkousen. Daar bleef het bij. De beha's en de slipjes zou zij de komende weken achterwege laten.
Zij deed de lingerie in een boodschappentasje, stopte daar het boek van Powell bij en besteeg toen nogmaals de zoldertrap. In het voorbijgaan wierp zij nog een laatste blik op het 'Miepie-relikwie'; daarna glipte zij de zolderkamer binnen, waar zij met een wat blozend gezicht haar boodschappentasje begon uit te pakken. Zij deed ook dat karweitje op de nette, ordelijke manier, die haar zo eigen was. Zij hing de nachthemden en de gordeltjes heel zorgvuldig over de rug van een van de stoelen en legde de nog ingepakte kousen en de make-up-spulletjes op twee ordelijke en bijna kaarsrechte stapeltjes. Zij had nog geen zin om zich ook daadwerkelijk in die lingerie en die kousen te hullen, dus ging zij maar even op het voeteneind van het bed zitten om op haar gemak haar teennagels te kunnen lakken.
Terwijl zij daarmee bezig was, wierp zij een blik op de, op de koelkast staande wekker. Dennis was al bijna een half uur weg. Hij kon nu elk moment thuiskomen. Zij vroeg zich af, in wat voor gemoedstoestand hij zou zijn en zij was daar toch wel een beetje ongerust over. Het was misschien beter geweest als zij met hem mee was gegaan. Haar conditie was weliswaar niet meer zo goed als een paar maanden geleden, maar zij had het vermoedelijk best wel kunnen volhouden.
Zij lakte de laatste nagel, liet alle nagels zorgvuldig opdrogen en borg de nagellak weer op. Tijdens die laatste bezigheid gleed er een glimlach over haar gezicht. Het was de hoogste tijd om zich uit te kleden en onder het dekbed te kruipen. Zij stond op, trok het jurkje over haar hoofd en legde het op het bed. Die laatste handeling viel samen met de thuiskomst van Dennis. Zij hoorde, hoe hij de sleutel in het sleutelgat stak en de deur opende.
"Ben je daar eindelijk?", blŤrde zij.
"Ja, natuurlijk ben ik daar eindelijk! Ik bedoel maar..."
Zij schoot in de lach en voelde zich heel erg opgelucht. Over zijn gemoedsstemming hoefde zij zich geen zorgen meer te maken. De deur viel dicht en hij besteeg in een bedaard tempo de eerste trap.
"Kom je meteen naar boven?", vroeg zij.
"Nee, ik wil eerst even douchen!"
"Dat hoeft niet, imbeciel!"
"Waarom niet?"
"Omdat ik wel een leukere manier weet om je schoon te krijgen!"
"Ach, wat een lief, geil grietje ben je toch!"
"Hee! Wil je wel een beetje op je woorden letten?"
"De waarheid dient altijd gezegd te worden!"
"Ja, maar die hoef je toch niet door die gehorige muren heen te brullen?"
"Ach, de buurtjes zullen na al die jaren nu wel weten, wat voor vlees ze met jou in de kuip hebben."
Zij voelde, dat zij in deze discussie weer het onderspit zou gaan delven, dus deed zij er verder maar het zwijgen toe. Zij trok haar beha en haar slipje uit, vouwde haar kleren op, legde ze op een stapeltje onder de stoel, waarop zij haar lingerie en haar kousen had gelegd, en kroop haast spinnend van genoegen onder het dekbed. Eenmaal onder dat dekbed voelde zij de opwinding over dat naderende samenzijn snel groeien. Zij genoot van haar naaktheid en haar handen streken even langs haar, klam aanvoelende dijen.
Gelukkig voor haar deed Dennis niet zo lang over het douchen. Na een paar minuten hoorde zij hem neuriŽnd de zoldertrap oplopen.
"Are you decent?", vroeg hij, vlak voor het betreden van zolderkamer.
"Nee, natuurlijk niet, imbeciel!"
"Dat staat je mooi. Dan heb ik mij voor niks weer aangekleed."
"Ach, wat een oen ben je toch!"
Hij kwam de kamer binnen en zij zag, dat hij inderdaad een rood T-shirt en een blauwe spijkerbroek droeg. Het joggen leek hem wel goed te hebben gedaan. Hij keek weer heel monter uit zijn ogen en van de wanhoop, zoals hij die na zijn eerdere thuiskomst had tentoongespreid, was niets meer te merken. Hij kroop het bed op, sloeg het dekbed terug en nestelde zich, zonder iets te zeggen, in haar armen.
"Hoe is het nou met je?", vroeg zij.
"Goed, hoor!"
"Geen verdriet meer om Miepie?"
"Ja, dat heb ik natuurlijk nog wel, maar het is nu wel een beetje hanteerbaar. Zij heeft een lang en goed leven gehad, waarin zij waarschijnlijk de meest vertroetelde kat van de wereld is geweest en daarom kan ik ook wel vrede met haar dood hebben."
"Ik ook wel."
"En bovendien is het ook wel prettig, dat we nu weer eens met vakantie kunnen gaan."
"Hee, daar had ik nog niet eens bij stilgestaan!"
"Ja, dat is ook wel leuk, hŤ? Dat loeder heeft ons echt een geweldige poets gebakken door zo lang door te blijven leven."
"Ja, maar ik heb er toch geen spijt van, hoor! Het is waar, dat we niet meer op vakantie zijn gegaan, omdat zij zo oud en zo suffig en zo aandoenlijk werd, maar ik had het ook niet kunnen verdragen als we wel op vakantie waren gegaan en haar na onze thuiskomst dood hadden aangetroffen."
"Ik ook niet, lieverd, ik ook niet. Maar het is toch wel prettig, dat we, wat het reizen betreft, nu wat meer vrijheid van handelen hebben."
"Dat is waar, maar eigenlijk wil ik toch ook wel graag een nieuwe kat hebben."
"Ik eigenlijk ook wel."
"Echt?"
"Ja, misschien moet ik morgen maar eens naar dat asiel in Oostzaan gaan."
"Doe dat maar, liefje! En als je daar een redelijk jong katje vindt, dat heel erg op Miepie lijkt, dan moet je die maar meteen meenemen."
"Ik zal het doen, hoor."
"O, jee! Ik heb er eigenlijk best wel weer zin in! Het zou best wel weer leuk zijn om weer zo'n leuk, speels ettertje in huis te hebben, dat voortdurend door het huis rent en voortdurend in de gordijnen hangt."
"Ja, je hebt gelijk. Al kunnen we er natuurlijk niet omheen, dat we vandaag een grens zijn gepasseerd."
"Welke grens?"
"De grens van onze jaren als jong-volwassenen."
"Hoe bedoel je dat?"
"Miepie is onze metgezel van onze rijpere jeugd geweest. De kat, die we morgen in huis zullen halen, zal de metgezel van onze middelbare-leeftijdjaren gaan worden."
"Dat is waar!"
"Ja, hŤ? En het zou natuurlijk heel goed kunnen, dat we later, als we oud en uitgeblust zijn, tot de conclusie gaan komen, dat die Miepie-jaren de leukste jaren van ons leven zijn geweest."
"Hm, dat weet ik niet, hoor! Ik denk zelf, dat we nog een heleboel goede jaren voor de boeg hebben en dat het leven alleen maar beter en leuker zal worden."
"Denk je?"
"Ja, dat denk ik echt. Naarmate we ouder worden, zullen we het leven steeds beter gaan begrijpen en doorgronden en ik denk, dat we daardoor ook gelukkiger zullen gaan worden."
"Hm, misschien heb je wel gelijk! We zijn heel vroeg volwassen geworden, jij en ik, en we zullen daardoor ook wel heel vroeg wijs gaan worden."
"Precies! En om die hoopvolle conclusie te vieren moeten we onze buren maar weer eens flink gaan shockeren."
"Door een stevige, luidruchtige vrijpartij op een grijze, saaie zondagochtend?"
"Ja! Ja! Ja!"
"Ja, maar ik lig net zo lekker."
"Daar heb ik niets mee te maken!"
"Daar heb je alles mee te maken!", zei hij grinnikend, "Jij bent degene, die mij zo zalig in haar armen wiegt."
"Dat kan wel zo zijn, maar..."
"Bovendien ben ik nog een beetje moe?"
"Van dat kleine stukje joggen?"
"Ja, Jezus! Je moet er natuurlijk wel rekening mee houden, dat ik nu een man van middelbare leeftijd ben, en dat mijn recuperatievermogen sinds vandaag een heel stuk is afgenomen."
"O, nou goed dan!", riep zij lachend, "Als je je dan echt zo oud voelt, dan mag je nog wel een poosje uitrusten."
"Ah, je bent lief! We hebben trouwens de hele dag nog voor ons. Sterker nog: we hebben de hele zomer nog voor ons."
"Ja, lekker, hŤ? Ik ben echt van plan om hier de hele zomer te blijven liggen. Minstens tot aan 15 september."
"Dat is goed, liefje."
"Je vindt het echt niet erg, als ik in de komende maanden lekker in dit kamertje blijf bivakkeren en 's avonds alleen een uurtje op de veranda doorbreng?"
"Nee, natuurlijk niet! Ik zal elke minuut bij je zijn en alleen voor de boodschappen en het joggen de deur uitgaan."
"Ah, dan is het goed."
Zij streelde hem over het haar en telde haar zegeningen. Het bleken er vele te zijn en de wetenschap, dat ze die dag hun kat hadden verloren en daarmee inderdaad een grens waren gepasseerd, deed haar eigenlijk helemaal niets meer. De 'ZomersekssiŽsta' was nu eindelijk begonnen en dat was op dit moment verreweg het belangrijkste voor haar.

BERT HARBERTS


Miepie (1980-2000)


Terug


Amsterdam, 20 april 2002. © Bert Harberts