TERUGREIS

De eerste trein, waarmee Dennis en Trudy Harberts van Amsterdam naar 's Heerenberg reisden, was geen Regiorunner, maar een wat oudere enkeldekstrein. Omdat het een zaterdag was, een van de laatste, stralende decemberdagen van 1999, konden ze zonder veel moeite een lege, eerste-klasse coupé vinden. Ze legden hun reiskoffertjes in het bagagerek en begonnen zich vervolgens met de daarnet aangeschafte koffie en broodjes bezig te houden.
De reden, waarom ze naar 's Heerenberg reisden, was ietwat sentimenteel van aard. Dennis wist sinds een aantal jaren, dat zijn voorouders uit 's Heerenberg stamden en hij wilde dat stadje nu wel eens bezoeken. Veel wist hij er niet van. Het grensstadje had een mooi kasteel en het lag in een fraaie omgeving, maar daar bleef het dan ook bij.
De Harberts-stamboom, samengesteld door een paar aardige en zeer fanatieke stamboomnavorsers van een andere zijtak der Harbertsen, ging terug tot 1625. Tot het geboortejaar van een zekere Hendrik Herberts om precies te zijn. Deze Hendrik Herberts, wonende in 's Heerenberg en aldaar overleden in 1682, was boer geweest. Zijn naar Amsterdam verhuisde nazaten waren een andere richting ingeslagen en hadden het in de daaropvolgende eeuwen tot bakker, poorter, schuitenvoerder, kruidenier, vuurwerker, worstmaker, procuratiehouder, PTT-employee, computerprogrammeur en journalist geschopt. De familiegeschiedenis van de Harbertsen vertoonde veel overeenkomsten met die van de Buddenbrooks, de koopmansfamilie in het gelijknamige boek van Thomas Mann. Ook bij de familie Harberts was een sterk geslacht van nuchtere boeren en handelslui in een aantal generaties veranderd in een geslacht, waarin sensitiviteit, kunstzinnigheid en geestelijke kwetsbaarheid de boventoon begonnen te voeren. Dennis ervoer dat overigens niet als iets betreurenswaardigs, eerder als het tegendeel.
De trein verliet Amsterdam en reed door de weilanden rond Abcoude. Dennis keek naar buiten, zonder het landschap echt in zich op te nemen. Hij dacht aan de stamboom van zijn familie en liet de Harbertsen van de twintigste eeuw nog eens de revue passeren. Buiten zijn broers, Arie, Peter en Eric, zijn schoonzuster en zijn neven en nichten waren er maar drie, die echt belangrijk voor hem waren geweest: zijn ouders en zijn grootvader van vaderszijde.
Zijn moeder was niet meer dan een lieflijke schim voor hem. Zij was gestorven, toen hij net negen maanden oud was. Hij wist ook niet veel van haar. Zij had op jonge leeftijd astma opgelopen en zij was niet ouder dan achtendertig geworden. Waaraan zij precies was overleden, wist hij ook al niet. Over de toedracht van haar dood had hij namelijk twee verschillende verhalen gehoord. Volgens de ene broer was een hartaanval, volgend op een zware astma-aanval, haar fataal geworden; volgens de ander was het mogelijk een geval van zelfdoding geweest. Hij geloofde het eerste verhaal en kon met de tweede mogelijkheid zonder moeite leven. Zij was hem veel te vroeg ontvallen. Dat was het enige, wat voor hem telde. De manier waarop het was gebeurd, interesseerde hem geen zier meer. Zijn moeder was ook nooit ver van hem weggeweest. Iets of iemand had hem in de vijftien jaar na haar dood tegen onherstelbaar onheil beschermd, iets of iemand had hem in die vijftien jaar voor het afglijden in de goot behoed en hij was ervan overtuigd, dat het, behalve zijn grootvader en zijn vader, ook zijn moeder moest zijn geweest.
Aan zijn vader Peter Harberts had hij wel duidelijke herinneringen. Hij was een joviale, hardwerkende en enigszins naïeve man geweest, die na de dood van zijn vrouw met vier kinderen was achtergebleven, in een tijd, waarin er van het begrip gezinshulp nog niet echt sprake was. Desondanks was het hem wel gelukt om het huishouden draaiende en zijn gezin bij elkaar te houden. Soms had hij daarbij de hulp van een, meestal zeer incompetente huishoudster gehad, soms was de grootvader van Dennis als de reddende engel opgetreden, maar voor de rest had Peter het toch voor een groot deel alleen opgeknapt.
Terugkijkend op die twintig jaar kon Dennis niets dan bewondering voor zijn vader voelen. Hij had onder de moeilijkste omstandigheden voor zijn gezinnetje pal gestaan en hij had zijn vier zoons toch op een fatsoenlijke manier groot kunnen brengen, want toen hij een maand voor zijn pensionering stierf, waren zijn vier zoons allemaal gelukkig getrouwd, of stonden op het punt dat te doen, en hadden ze alle vier een redelijk tot goede baan.
Toch was niet zijn vader, maar zijn grootvader Aart Harberts de grootste held uit Dennis' jeugd geweest. Een kei van een man, rechtlijnig van karakter, hard voor zichzelf en voor anderen, maar zorgzaam voor vrouw en kinderen en vooral voor zijn kleinkinderen. Het feit, dat hij ook nog een verzetsheld was geweest, omdat hij tijdens de oorlog aan twee joodse kinderen onderdak had geboden, was pas na zijn dood aan Dennis verteld.
Op zijn eigen leven had zijn opa misschien nog wel de meest beslissende invloed gehad. In de eerste tien jaar was hij het veilige baken voor de jonge en o zo kwetsbare Dennis geweest. Hij had, zoals daarnet gememoreerd, regelmatig in het huishouden van zijn zoon geholpen, hij was altijd komen opdraven als Dennis ziek thuis was, of naar de tandarts, of dekaakchirurg moest worden begeleid en in de laatste jaren van zijn leven had zijn huis ook nog een poosje als overblijfgelegenheid voor Dennis gefungeerd.
Nu, meer dan dertig jaar later, keek Dennis met weemoed op die eindeloze reeks van middagvisites terug. De fietstocht naar de Hasebroekstraat, de aankomst in dat stokoude huis, de bruine boterhammen met bruine suiker, de mierzoete, maar o zo smakelijke thee, de oude, logge stoelen, waarin hij altijd zo heerlijk had kunnen wegzakken, de lelijke pendule, die de laatste jaren van zijn opa meedogenloos had weggetikt, zijn opa zelf als die weer een van zijn kleurige verhalen vertelde, al die beelden stonden hem nog haarscherp voor de geest. Het huis van zijn opa was in die jaren een heuse oase voor hem geweest. Een plekje, waar hij voor even van de niet altijd even prettige buitenwereld was verlost.
Een kwartier na het vertrek uit Amsterdam reed de trein het station van Utrecht binnen en ook daar bleef het echtpaar van het gezelschap van medepassagiers verschoond. Dennis nipte vergenoegd van zijn Cola Light en Trudy maakte van de gelegenheid gebruik om een kapotte nylonkous te vervangen. Het uittrekken van de oude kous ging snel en geroutineerd. Voor het aantrekken van de nieuwe kous nam zij echter de tijd. Zij pulkte de donkerbruine kous met enige moeite uit de verpakking, wachtte geduldig op het moment, waarop het wagentje van 'Albron Travel Catering' voorbij was gerold en begon toen op haar gemak de kous aan te trekken. Elk onderdeel van dat karwei had bijzonder veel van een ritueel weg en vooral aan het vastmaken van de kous aan de witte jarretelles werd de nodige aandacht en zorg besteed. Het slot van het ritueel was ook ditmaal weer hetzelfde: zij speelde even met de boord, trok de kous nog wat strakker, streek even een oneffenheidje van de andere kous weg en sloeg tenslotte met een lief glimlachje de zoom van haar rokje weer terug.
Hij bekeek het een en ander met een hunkerende gelaatsuitdrukking en had daar alle reden toe: de jaren hadden nog maar weinig vat op haar gehad. Zij had nog steeds een bijzonder knap gezichtje en zij was in de afgelopen maanden ook nog flink afgeslankt. Dennis had die transformatie van haar zeer mollige figuurtje tot een slank figuurtje met veel bewondering aangezien. Eens zou zij die strijd met de voortschrijdende tijd wel gaan verliezen, maar de blijmoedige manier, waarop zij die strijd steeds weer bleef aangaan, had iets ontroerends.
De trein passeerde onderwijl met grote snelheid het station van Maarn. Trudy ontdeed zich van haar bruine, kortgehakte schoenen, plantte haar tere kousevoetjes op zijn schoenen en zakte daarna behaaglijk onderuit. Hij hield van dit soort, intieme momenten en ook nu koesterde hij een sterk geluksgevoel, waartegen geen enkele depressie bestand zou zijn geweest. Vanaf hun eerste ontmoeting in augustus 1971 had zij zijn leven volkomen beheerst. Hun vrolijk begonnen verkering was soepeltjes in een al even vrolijk concubinaat overgegaan en dat concubinaat had tot in 1977 tot een zeer hecht en gelukkig huwelijk geleid. Ze deelden het leven, zonder ooit ook maar één keer ruzie te hebben gehad. Hun dromerige karakters sloten naadloos op elkaar aan en voor hun sterke sensualiteit gold hetzelfde.
Als hij op hun huwelijksjaren terugkeek, ontvouwde zich een weids scala van 'Gouden Momenten' voor zijn ogen. De vele uren, waarin hij haar voor zichzelf had gehad, waren hem echter het dierbaarst. Trudy in een doorschijnend nachthemd tijdens hun huwelijksreis in Florence, Trudy, die vrijwel naakt op de rand van bed zat en hem na een vermoeiende werkdag zoetjes het bed inpraatte, Trudy, die de voorbereidingen voor een poseeruurtje trof en onderwijl rustig met hem over koetjes en kalfjes praatte, Trudy, die hem na een sporadisch dagje van afwezigheid giechelend om de hals vloog, de ene herinnering was nog lieflijker dan de andere en hij kon met het oproepen van al die herinneringen menig uurtje zoekbrengen.
Die gezamenlijk doorgebrachte uren waren ook veruit in de meerderheid. Vanaf het eerste moment van hun verkering hadden ze zich in hun eigen wereldje teruggetrokken. Buiten haar moeder en haar moeders vriendin gingen ze eigenlijk alleen maar met de familie van Dennis om. Dat isolement was geen bewuste keus geweest, maar zolang ze elkaar nog hadden, konden ze met dat isolement zonder moeite leven.
Door dat isolement leidden ze ook een heel rustig leventje. Na de dood van Trudy's grootmoeder in 1997 hadden ze een zeer omvangrijke erfenis ontvangen, die hen in staat hadden gesteld om ontslag bij hun werkgevers te nemen en sindsdien hadden ze zorgeloos en relaxed van de omvangrijke renterevenuen geleefd. Dat kapitaal was in de voorbije tweeënhalf jaar nog danig gegroeid. Ze hadden geen enkele concessie aan hun leefstijl gedaan en waren zich in geen enkel opzicht aan financiële uitspattingen te buiten gegaan. Integendeel zelfs: ze waren zelfs minder gaan uitgeven.
Hun voornaamste bezigheden en hobby's kostten ook helemaal geen geld. Op doordeweekse dagen verdeelden ze hun aandacht tussen lezen, joggen en vrijen. De ochtenden waren hun leesuurtjes, van twee tot drie ondernamen ze een joggingstochtje en de namiddagen en de avonden werden in bed doorgebracht. In de weekenden gingen ze vaak uit eten en ondernamen ze soms een paar dagtripjes.
Maar waar ze zo ook naartoe gingen: het joggen bleef elke dag een terugkerend ritueel. De af te leggen afstand bedroeg altijd vier kilometer, de route was altijd dezelfde en de tijd, waarin ze die route aflegden, schommelde altijd rond de dertig minuten. Elke thuiskomst werd met een gezamenlijke douche besloten. Na die douche belandden ze altijd in bed, waar zij dan de rest van de dag niet meer uitkwamen.
Hij hield van die regelmaat van lezen, joggen en vrijen en vond het uitermate vervelend als ze door bijvoorbeeld overvloedige regenval van het joggen moesten afzien. Als het buiten echt te bar was, bleven ze binnen en besteedden ze dat jogginguurtje aan een tekensessie, waarbij Dennis als de getalenteerde tekenaar en Trudy als het zeer bekoorlijke naaktmodel fungeerde. Het totaal van die tekeningen begon zo langzamerhand in de richting van de honderd te lopen. Zij waren geen allen groter dan een foto en ze pasten dus allemaal in een foto-album.
De albums met die tekeningen behoorden tot zijn meest dierbare bezittingen. Hij was met die tekeningen begonnen, toen zij net dertig was geworden en op haar mooist was geweest, maar de tekeningen van de laatste jaren waren hem veel dierbaarder. Op de eerste tekeningen had zij nog de onverzadigbare vamp uitgehangen; in de tekeningen van de laatste jaren had hij veel meer haar lieve karakter tot uitdrukking kunnen brengen.
Buiten henzelf waren de tekeningen nog maar door twee personen bekeken: Trudy's moeder, een bijna zeventig jaar oude vrouw, en haar vriendin. Dat was anderhalf jaar geleden gebeurd. Haar moeder was verrukt van een van de tekeningen geweest en had die tekening maar gewoon meegenomen en na haar thuiskomst onmiddellijk aan haar schoorsteenmantel gehangen. Een week later had Dennis de diefstal van de tekening ontdekt en was hij van woede bijna uit zijn vel gesprongen. Een mogelijke ruzie tussen hem en zijn dierbare schoonmoeder was echter onmiddellijk door zijn vrouw in de kiem gesmoord. Trudy had zich door de handelwijze van haar moeder heel gevleid gevoeld en uiteindelijk had hij zich mokkend bij het onvermijdelijke neergelegd.
Hij keek weer naar Trudy's gezicht en zag haar ogen langzaam dichtvallen. Een reden daarvoor was er eigenlijk niet: ze hadden het vannacht niet extreem laat gemaakt. Om die reden riep dat wegdommelen een paar tegenstrijdige gevoelens in hem wakker. Aan de ene kant was er een sterk gevoel van vertedering, aan de andere kant drong het daardoor ineens tot hem door, dat ook voor hen de jaren begonnen te tellen. Over zes jaar zouden ze vijftig zijn. Statistisch gezien hadden ze nog maar zestien gezonde jaren voor de boeg en aan het einde van die zestien jaar zou ook de dood dan onherroepelijk in zicht zijn gekomen. Hij ging verstandig met die wetenschap om. De angst voor de dood was hem vreemd. Hij was een gelovig man. Hij geloofde, behalve in God, ook in voorbestemming en een leven na de dood. Het tijdstip van zijn dood en de daaropvolgende hereniging met zijn overleden dierbaren lag allang vast, daar was hij inmiddels rotsvast van overtuigd geraakt.
Het moment, waarop Trudy wakker werd, viel samen met de aankomst in Arnhem. Ze stonden op, tilden de koffertjes uit het bagagerek en verlieten de trein. Hun aansluitende trein naar Doetinchem vertrok van een ander perron. Ze kochten bij de kiosk op dat perron nog snel twee bekers koffie, stapten de trein in en zochten het piepkleine eerste-klasse compartiment op. Hun beenruimte aldaar was nog beperkter dan in de eerste trein, want toen ze eenmaal zaten, raakten hun knieën elkaar voortdurend.
De trein vertrok na tien minuten en reed met een slakkengang richting station Velperpoort. Aan de rechterkant lag het moderne, koele centrum, aan de linkerkant bevond zich een oude, gezellig ogende volksbuurt. Trudy had er weinig oog voor. Zij was, ondanks de koffie, opnieuw in slaap gevallen, met een vrolijke glimlach om de lippen en met de kleine handen ineengevouwen in de schoot. Dennis zag het aan en begon ineens heel erg naar het einde van de reis te verlangen.
Hij werd ook steeds nieuwsgieriger naar 's Heerenberg. Ze zouden vandaag in 's Heerenberg overnachten en als 's Heerenberg hen zou bevallen, zouden ze misschien nog wel een paar dagen langer blijven. Hij had daar eigenlijk wel zin in. Het was alweer drie jaar geleden, dat ze voor het laatst langer dan een dag van huis waren geweest en het vooruitzicht op een korte fietsvakantie in het beboste en heuvelachtige Montferland had zeker iets aantrekkelijks.
Na de korte stop in station Velperpoort reed de trein Arnhem uit. Hij stak de IJssel over, passeerde Duiven en Zevenaar en reed na Zevenaar in de richting van Didam. Ze waren hier niet vaak geweest en Dennis liet het mooie landschap van de Liemers met oprechte belangstelling aan zich voorbijtrekken. Het was voornamelijk een weidelandschap, afgewisseld met wat kleine bossen. Aan de horizon zag hij de heuvels van Montferland liggen, de streek, waar zich ook hun reisdoel bevond.
Na het vertrek uit Didam werd Trudy weer wakker. Zij rekte zich uit en keek met een heel voldane gelaatsuitdrukking uit het raam.
"Zijn we er al?", vroeg zij.
"Nee, nog niet! Maar daar moet Montferland ergens liggen."
Zij keek in de richting, waarheen hij wees en klakte even met haar tong.
"Het ziet er aanlokkelijk uit", zei zij.
"Ja, ik ben er ook razend benieuwd naar."
"Hebben je vader en grootvader je nooit iets over 's Heerenberg verteld?"
"Nee, die hebben ook nooit geweten, dat de Harbertsen oorspronkelijk uit 's Heerenberg komen. Mijn grootvader schijnt altijd in de veronderstelling te hebben verkeerd, dat we uit Oost-Friesland afkomstig zijn en mijn vader heeft zich helemaal nooit over iets dergelijks uitgelaten."
"Wat denk je eigenlijk in 's Heerenberg aan te treffen?"
"Ik weet het niet."
"Het graf van Hendrik Herberts?"
"Ah, nee! Die man is al meer dan driehonderd jaar dood."
"Maar wat dan?"
"Ach, niets! Ik wil gewoon eens kijken, hoe het er daar uitziet. Ik denk echt niet, dat ik daar nog verre familieleden zal aantreffen."
"Wat vind je nou eigenlijk van die stamboom van die malle familie van jou?"
"Het heeft mijn hele wereldbeeld omver geworpen", antwoordde hij grinnikend, "Ik ben altijd nogal prat gegaan op mijn arbeidersafkomst en de stamboom zegt eigenlijk precies het tegendeel: een aantal van mijn voorouders waren heel voorname burgers, die in de achttiende eeuw tot het stadspatriciaat van Amsterdam hebben behoord en ook in een heel voornaam huis aan de Prinsengracht hebben gewoond."
"Overdrijf je nou niet een beetje?"
"Nee, hoor! Ze waren poorters en volgens de kleine Winkler Prins betekent dat, dat je in de middeleeuwen stadsrechten had en dat je in latere eeuwen tot het stadspatriciaat behoorde. En als je naar dat huis aan de Prinsengracht kijkt, kun je echt wel zien, dat ze in die achttiende eeuw verschrikkelijk goed hebben geboerd."
"Jemig!", riep zij lachend.
"Ja, zeg dat wel! Ik heb mijn hele leven tegen de bewoners van de grachtengordel lopen aanschoppen, terwijl nu is gebleken, dat ik daar zelf ook toe behoor. Dat is een hele verwarrende gewaarwording, dat kan ik je wel vertellen."
"Maar je grootvader en vader waren toch wel echte arbeiders?"
"Ja, maar toch ook weer niet."
"Mijn opa was, wat zijn werk betreft, een echte arbeider. Hij was een vuurwerker, een soort smid, maar hij was eigenlijk veel meer dan dat. Hij was ook een soort uitvinder, die allerlei soorten gereedschap ontwierp, waarmee hij zijn werk beter, gemakkelijker en sneller kon doen."
"Wat leuk!"
"Ja, hè? In die dagen bestond het begrip stukloon nog en er waren er echt wel weken, waarin hij gigantisch veel geld mee naar huis nam."
"Is hij dan ook niet rijk geworden?"
"Nee, want hij was in alle opzichten solidair met zijn collega's. Hij wilde niet meer verdienen dan die collega's en nam het er dus van als hij zijn weekloon eenmaal binnen had. Hij werkte drie dagen heel erg hard en de rest van de week was hij aan het lanterfanten of lag hij zelfs te slapen."
"Wat goed!"
"Ja, hè? En bij stakingen en zo deed hij natuurlijk ook mee. Hij heeft echt aan de wieg van de welvaartsstaat gestaan en heeft die dus ook mee helpen opbouwen. Hij was ook sympathisant van de communistische partij."
"Maar waarin was hij nou geen arbeider?"
"In zijn privéleven niet. Hij ging, net als pa trouwens, ook met artsen en tandartsen om en hij ging niet op een onderdanige manier met ze om, maar op voet van gelijkheid. En ten tweede was hij uitermate zorgzaam. Ten eerste ten opzichte van zijn vrouw, die suikerziekte had en de laatste tien jaar van haar leven in een rolstoel moest slijten en daarna ten opzichte van zijn jongste kleinzoons."
"Jij en Eric?"
"Ja, hij was eigenlijk een man, waarvan de hedendaagse vrouwen zouden hebben gesmuld. Hij kon, als het moest, een echte macho zijn, maar hij kon ook zo zorgzaam als een toegewijde verpleegster zijn."
"Maar dat kun jij toch ook?"
"Ja, maar nou weet je dus precies, wie mijn grote voorbeeld is geweest."
"En je vader dan?"
"Die is op een andere manier mijn voorbeeld geweest."
"Waarin dan?"
"Ik heb van hem zijn hang naar harmonie en zijn afkeer van conflicten geërfd. Mijn opa was verschrikkelijk rechtlijnig naar mensen toe. Als je in zijn ogen een misstap beging, dan keek hij je rest van je leven niet meer aan. Mijn vader was totaal anders. Zelfs naar mensen toe, die hem verschrikkelijk veel pijn hadden gedaan."
"Geef daar eens een voorbeeld van?"
"Toen mijn moeder stierf, bleef het gros van haar familie ineens bij ons weg. Er was één schoonzuster, die bij ons bleef komen en bij wie we op visite bleven gaan, maar de rest van de familie liet ons stikken op het moment, dat we hen het meeste nodig had. Mijn vader had twee kinderen, die nog veel verzorging nodig hadden, en die zusters van mijn moeder staken na verloop van tijd dus echt geen hand meer uit. En dat alles onder het mom 'Als de vrouw uit huis verdwenen is, verdwijnt de gezelligheid in huis en dus komen we maar niet meer.'"
"Met als gevolg..."
"Dat mijn vader ineens zonder huishoudelijke hulp zat en dat ik voor een paar maanden in een op de hel gelijkend kindertehuis verdween. Ikzelf heb het die tantes nooit vergeven, maar mijn vader heeft uiteindelijk toch weer het contact hersteld. Met als gevolg, dat ze ineens weer op verjaardagen en feestdagen kwamen opdraven en dat ik dus ook de feestdagen bij hen moest gaan doorbrengen."
"Hetgeen je dus niet zo prettig vond."
"Nee, ik heb dat echt verschrikkelijk gevonden. Ik deed het om mijn vader een plezier te doen en omdat hij bij dit soort gelegenheden zo lekker op mijn gevoel kon werken, maar ik heb mij tijdens die feestelijke bijeenkomsten dus doodongelukkig gevoeld. Het is met Oud en nieuw gelukkig maar één keer gebeurd. Het jaar daarop was ik lekker bij jou en je moeder."
"Maar het is toch wel mooi van je vader, dat hij ze toch weer in genade aannam."
"Ja, daar heb ik hem ook zeer om bewonderd. Ik heb zelf ook weinig last van rancuneuze gevoelens, maar ik maak toch echt een uitzondering voor die ex-tantes van mij. Die zal ik altijd blijven haten."
"Daar heb je ook het volste recht toe", zei zij zacht.
"Ja, hè? Ik vraag mij ook af, wat mijn moeder daarover zou hebben gedacht. Juist omdat zij zo aan die zusters van haar hing. Als het andersom was geweest, dan was het allemaal heel anders gelopen."
"Wat weet je eigenlijk nog meer van je moeder?"
"Ik weet, dat zij in 1917 is geboren, in de Fannius Scholtenstraat in de Staatsliedenbuurt. Zij was, net als ik, het vierde kind in een arbeidersgezin. Over haar jeugdjaren weet ik praktisch niets. Zij was als kind al ziekelijk en zij is voor het huwelijk met mijn vader verloofd geweest met een jongen, die vlak voor hun huwelijk is verdronken. Iets, waar zij vanzelfsprekend heel lang, heel erg kapot van is geweest."
"Oh, meen je dat?"
"Ja! Wat een raar idee, hè? Als die jongen niet was verongelukt, waren mijn broers en ik er niet eens geweest."
"Brrr, ik moet er niet aan denken."
"Hoe het ook zij: zij is op 20 april 1938 met mijn vader getrouwd en de gevolgen daarvan ken je."
"Dat is gelukkig maar al te waar!", zei zij lachend, "Wat weet je nog meer van haar?"
"Ik weet, dat zij een moordwijf moet zijn geweest, dat zij Eric vaak een boterham met pindakaas op bed bracht, als hij door pa naar bed was gestuurd, omdat hij zijn bord niet had leeggegeten, dat Peter geen kwaad bij haar kon doen, omdat hij stapelgek op haar was, dat Arie, ondanks zijn vele ziekten, regelmatig met de mattenklopper kreeg, omdat hij zich wel eens achterbaks gedroeg. Ik weet, dat zij een verschrikkelijke driftkop was, die minstens één keer per week mijn vader de huid volschold, dat zij zeer intelligent was, dat zij heel goed dingen kon vertellen en dat ik mijn schrijftalent dus waarschijnlijk van haar heb geërfd. Kortom: zij moet een echte moeder zijn geweest. Een moeder, die haar kinderen regelmatig knuffelde en een moeder, die voor haar kinderen door het vuur ging. Een moeder, die behalve doodziek, ook heel angstig van aard was en tijdens de oorlog door een hel moet zijn gegaan."
"Weet je al wat meer van haar depressies en haar mogelijke zelfmoord."
"Nee, ik heb ook geen zin om daar verder nog naar te vragen. Alleen Arie heeft een paar keer iets in die richting gesuggereerd, maar Peter en Eric zeggen in bedekte termen iets heel anders. Ik weet het dus niet. Ik weet alleen maar, dat zij te jong is gestorven. Zij had zeker nog tot 1997 moeten leven en zij heeft, om wat voor een reden dan ook 1957 niet eens gehaald. De dood heeft haar vele jaren ontzegd en dat is verdomd onrechtvaardig."
"Dat is het ook, lieverd! Dat is het ook."
Intussen waren ze in Doetinchem aangekomen. Ze verlieten de trein en gingen op zoek naar de halte voor de bus naar 's Heerenberg. Ze hoefden niet lang te zoeken. De halte bevond zich praktisch naast het station en het duurde slechts enige minuten, voordat de bus arriveerde. Ze stapten in en namen op een bank bij de uitgang plaats. Ook hier was de zitruimte ietwat beperkt, hetgeen Dennis overigens niet als een straf ervoer. Hij zag, dat de boord van Trudy's rechterkous voor een deel onder de zoom van haar rokje vandaan stak en vermoedde, dat een van haar jarretelles was losgeschoten. Dat bleek na een nader, door hemzelf uitgevoerd onderzoek inderdaad het geval te zijn. Trudy herstelde het euvel met een glimlach en liet daarbij veel meer van haar mooie bovendijen zien dan strikt noodzakelijk was. Terwijl hij haar zo bezig zag, moest hij ineens denken aan een scène in een Arnhemse hotelkamer, waarin zij hem op dezelfde, half treiterige, half liefhebbende manier van haar benen had laten genieten. Zijn gepeins over die scène trok al snel Trudy's aandacht. Terwijl hij haar zo bezig zag, moest hij ineens denken aan een scène in een Arnhemse hotelkamer, waarin zij hem op dezelfde, half treiterige, half liefhebbende manier van haar benen had laten genieten. Zijn gepeins over die scène trok al snel Trudy's aandacht.
"Waar denk je aan?", vroeg zij.
"Aan dat verblijf in dat Arnhemse hotel, van een jaar of twintig geleden. Toen we die nacht in dat hotel sliepen, dat nog door je vader was gebouwd."
"Ah, dat kan ik ook nog wel herinneren", zei zij glimlachend, "Ja, alleen is er in de nacht, dat wij er waren, niet veel van slapen terechtgekomen."
"Tja, dat is best wel een leuk nachtje geweest."
"Ik heb je toen helemaal sufgeneukt, bedoel je?"
"Tja, zo zou je het ook wel kunnen noemen. Het was een van die nachten, waarop ik totaal geen vat op je had."
"Vind je het gek? Ik heb nooit zo sterk het gevoel gehad, dat mijn vader heel erg nabij was als toen in Arnhem. Dat vond ik heel prettig, toen jij nog niet was gearriveerd, maar toen jij er wel was en we hadden ontdekt, dat hij dat verdomde hotel zelf had gebouwd, had ik het gevoel, dat hij maar beter heel snel kon ophoepelen."
"En was hij weg, toen we eenmaal klaar waren?", zei hij grinnikend.
"Nee, dat niet. Hij was er nog steeds. Maar ik kon mij niet aan de indruk onttrekken, dat hij toch wel trots op mij was."
"En terecht!"
"Dank je! Die nacht in dat hotel is inderdaad een van de nachten, waaraan ik met heel veel plezier terugdenk."
"Geldt dat ook nog steeds voor je vader?"
"Ja, ik voel geen verdriet meer, omdat hij dood is. Mijn dierbare herinneringen aan hem hebben al mijn nare herinneringen allang doen vervagen. Ik ben er echt helemaal overheen gegroeid."
"Ha! Zo mag ik het horen!""
"En je beseft toch zeker wel, dat jij en jij alleen daar verantwoordelijk voor bent geweest?"
"Vind je dat echt?", vroeg hij gevleid.
"Ja, natuurlijk, imbeciel! Jij hebt mij ervan doordrongen, dat mijn vader zijn leven lang aan zware depressies heeft geleden, jij hebt mij ervan doordrongen, dat hij gewoon zwaar ziek was, jij hebt mij ervan doordrongen, dat hij het dus niet meende, toen hij in zijn afscheidsbrief schreef, dat hij om mij zelfmoord zou gaan plegen. Je hebt in je hele leven best wel een heleboel goede dingen gedaan, maar alleen daarvoor zou je bij leven al heilig moeten worden verklaard."
"Och..."
"Nee, ik meen het serieus. Het zal er wel nooit van komen, en daarom ben ik wel gedwongen om je elke avond op een wat platvloersere manier te belonen, maar..."
"O, maar met die dagelijkse, platvloersere beloning van jou ben ik al heel tevreden, hoor!"
"Echt waar?", vroeg zij lachend.
"Ja, echt! In de afgelopen achtentwintig jaar ben ik niets bij je tekort gekomen. In emotioneel en seksueel heb je al mijn dromen laten uitkomen. En dan doe ik je nog onrecht ook, omdat je eigenlijk nog veel meer voor mij hebt gedaan."
"Hoe bedoel je?"
"Toen ik met je trouwde, had ik niet het flauwste vermoeden, dat ik op mijn eenenveertigste door jouw en je oma's toedoen miljonair zou gaan worden."
"Ha! Je bent dus toch wel blij met dat geld, dat je van oma hebt geërfd!"
"Ja, natuurlijk!"
"En waarom ben je daar zo blij mee?"
"Om de vrijheid en de rust, die het mij heeft verschaft."
"Dat is mooi!", zei zij voldaan, "Als ik het allemaal zo overzie, dan hebben we het in die achtentwintig jaar toch wel heel erg goed gedaan, hè?"
"Dat denk ik ook wel, ja!"
"En het heden? Heb je daar nog wensen over?"
"Nee, deze jaren vormen het hoogtepunt van ons leven, volgens mij. We zijn in de kracht van ons leven, we zijn gezond, we zijn vrij en betrekkelijk zorgeloos en we zien er nog hartstikke goed uit. Beter dan nu zal het echt nooit worden."
"Mijn moeder vindt anders wel, dat we rare kluizenaartjes zijn geworden, die niets met hun vermogen doen."
"Tja, misschien heeft zij ook wel gelijk. Maar als zij daar echt zo over denkt, dan kan ik mij daar toch echt niet rot over voelen. Ik heb helemaal geen zin om extravagante dingen te doen. Ik zit liever in een lief familiehotelletje in 's Heerenberg dan op een groot en luxueus cruiseschip in de Stille Zuidzee, ik zit veel liever bij onze geliefde Chinees dan in een driesterrenrestaurant, ik zit liever in het restaurant van de V & D in Amsterdam-Noord dan in een trendy kroeg in de binnenstad, ik heb geen zin om in de Caraïben te gaan diepzeeduiken als ik elke ochtend naar Kadoelen kan joggen, ik heb geen zin om naar een door Gerard-Jan Rijnders vernield toneelstuk van Tsjechow te kijken als ik het boek met dat toneelstuk op mijn eigen divan kan lezen. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Ik wil mijzelf blijven en wil mijzelf geen geweld aandoen, alleen omdat je moeder dat zo graag wil."
"Dat hoeft ook niet. En ik ben ook blij, dat je mij met die eenvoudige levensstijl hebt aangestoken. Er zijn in de afgelopen drie jaren vele maanden geweest, waarop ik alleen maar wat geld aan nieuwe kousen heb besteed en als ik dan denk aan het geld, dat ik in de jaren daarvoor over de balk heb gegooid, stijgt het schaamrood mij wel eens naar de kaken."
"Ach, toen werkte je er nog voor, moet je maar denken."
"Dat is waar! Van het geld, dat ik door de jaren heen van oma heb gekregen, ben ik altijd afgebleven."
De bus verliet de A 15 en draaide de weg naar Zeddam op. Ze reden nu langs de rand van Montferland, rechts van de weg verhief zich een heuse heuvelrug. Ze passeerden Braamt, een klein gehucht, en Zeddam, een charmant toeristenplaatsje, en reden verder door een heuvelachtig, Deens aandoend weidelandschap.
"Hoe sta je eigenlijk tegenover de toekomst?", vroeg hij.
"Die zie ik heel zonnig in. En dat heb ik eigenlijk ook aan jou te danken."
"Hoezo?
"Omdat jij mij ertoe hebt overgehaald om ook te gaan joggen."
"Verklaar je eens nader."
"Ten eerste, omdat het goed voor mijn algemene geestelijke gezondheid is geweest en ten tweede, omdat het mij van mijn twee enige, overgebleven angsten heeft verlost. Ik heb jarenlang over het komende verlies van mijn schoonheid getobd, ik heb jarenlang een streng dieet gevolgd om toch vooral niet zo dik als mama te worden en van zowel het een als het ander ben ik nu verlost. Ik ben dankzij dat joggen een flink stuk afgevallen en de angst voor het verlies van mijn schoonheid is dankzij dat joggen eigenlijk ook helemaal weg. Mijn huid zal op termijn heus wel zijn soepelheid gaan verliezen, maar dankzij dat joggen kan ik dus wel de vorm van dat mooie, sexy lijf van mij in stand blijven houden. En aangezien ik elke dag merk, hoe hopeloos verslaafd jij aan dat lijf bent, is dat eigenlijk meer dan genoeg voor mij."
"Dat is mooi!", zei hij grinnikend.
"Dus, lieverd, wees maar niet bang! We gaan samen heel oud worden en we gaan heel gelukkig samen oud worden. Daar ben ik absoluut zeker van."
Ze reden de bebouwde kom van 's Heerenberg binnen. Het stadje was groter dan hij had verwacht. Om de oude kern lag een schil van nieuwbouwwijken, die door de geaccidenteerde wegen en straten toch wel een wat apart karakter hadden. Ze stapten uit op een bushalte bij het begin van het centrum. Ze liepen langs een oud, deerlijk vervallen kerkhof, staken een schuin aflopend pleintje over en liepen het centrum binnen: een aantrekkelijke mengeling van oude huizen en niet-detonerende nieuwbouw.
Dennis nam het straatbeeld in zich op en voelde onmiskenbaar een déjà-vugevoel opkomen. Hij herkende dit straatje, al was hij hier zelf nog nooit geweest. Zelfs als zou hij nog enige twijfel over zijn afkomst zou hebbheenen gehad, dan was die nu voorgoed weggenomen: zijn voorvaderen waren inderdaad hier vandaan gekomen en niet uit Oost-Friesland.
Ze staken het Marktplein over en betraden het oudste gedeelte van 's Heerenberg. Ze liepen door een mooi straatje, passeerden het stadhuis en kwamen uit op een laantje, dat naar het kasteel leidde. Dat kasteel, het vijftiende-eeuwse kasteel Bergh, zag er stoer en onneembaar uit. Dennis keek ernaar met een zelfvoldane blik in zijn ogen; als hij het imposante bouwwerk zelf had ontworpen, had zijn gevoel van trots niet sterker kunnen zijn. Ze passeerden een houten brug over de slotgracht, keken even in het rond en verlieten de omwalling van de slotgracht om een wandeling door het aangrenzende bos te maken. Dat bleek een mooi, oud bos te zijn, waarin het plezierig wandelen was. Hoog in de bomen floot een goedgemutste merel; aan het eind van het pad was het silhouet van een vermoedelijk Duitse kerktoren zichtbaar.
Tijdens de wandeling verwerkte Dennis zijn eerste indrukken van 's Heerenberg. Hij betreurde het, dat hij hier nooit met zijn vader was geweest, maar vond het tegelijkertijd uiterst plezierig om hier met Trudy te zijn. Hij was ook vast van plan om hier een dag of vijf te blijven. Het leek hem fantastisch om hier in ieder geval één wild nachtje met haar te kunnen hebben. Hij keek naar haar gezicht en zag niets wat op een afkeer van 's Heerenberg leek te duiden. Zij keek weer heel tevreden voor zich uit. Haar tred had ineens iets slepends en uitdagends gekregen. Zij was op iets aan het broeden en zij had vermoedelijk wel iets leuks voor hem in petto.
Het weggetje naar de kerktoren liep dood. Het eindigde met een stuk prikkeldraad en het uitzicht op een onooglijk weiland op Duits grondgebied. Ze keerden op hun schreden terug en sloegen bij het volgende pad rechtsaf. Noch de een, noch de ander wist, waar ze precies heen gingen. Dat kon hen ook niets schelen. Ze waren samen en aan iets anders hadden ze op dit moment geen behoefte. Ze liepen door, tot ze het bos hadden verlaten en wandelden verder over een wandelpad door de weilanden, op ongeveer honderd meter van de grens. Voor ze hun hotel zouden gaan opzoeken, wilde Dennis die grens nog even oversteken. Trudy had met dat plan al in Amsterdam ingestemd en drentelde met een vrolijk gezicht naast hem voort.
Na een paar minuten bereikten ze de Emmerikseweg. Ze passeerden 'Gouden Handen', die wat onduidelijke mengeling tussen een museum en een pretpark, en het oude, vervallen douanekantoor, en stonden toen opeens voor het bruggetje, dat over het zeer onooglijke grensriviertje lag.
"Hier is het", sprak hij monter.
"Ja, grijp je kans en breng even een bezoek aan onze beminnelijke Oosterburen!"
"Okay."
Met de handen op de rug en gadegeslagen door een grinnikende Trudy wandelde Dennis het bruggetje over. Aan de andere kant van het bruggetje bleef hij alweer stilstaan. Hij keek met een wat filosofische blik om zich heen, snoof even de 'typisch Duitse lucht' op en keerde toen weer snel bij zijn vrouw terug.
Daarna begonnen ze gearmd aan de zoektocht naar hun hotel. Het straatbeeld langs de Emmerikseweg was hetzelfde als in het begin van hun wandeling: oude gebouwen, waaronder een klein kasteel, afgewisseld met nieuwbouw.
"Wat zullen we zometeen gaan doen?", vroeg hij.
"Mag ik het zeggen?"
"Ja, zeg jij het maar."
"Laten we dan eerst maar een erotische fotosessie gaan houden. Eentje, die weer tot een serie van die fantastische tekeningen van jou moet gaan leiden."
"O, wat leuk!", kraaide hij uit.
"Ja, hè? Ik wil weer zo'n stripachtige serie hebben, te beginnen bij de striptease op de rand van het bed en eindigend op het moment, waarop ik, op mijn slipje en mijn kousen na, naakt op het bed lig en jou met lieve woordjes het bed in lijk te praten."
"Dat is goed! En wat gaan we daarna doen?"
"Na die fotosessie gaan we nog wat in het stadje en de omgeving rondneuzen, daarna gaan we heel lekker en heel uitgebreid dineren en als we daarmee klaar zijn, zal het zo langzamerhand wel tijd worden om te gaan slapen."
"Prima!"
Het duurde niet lang, voordat zij hun hotel hadden gevonden: hotel 'Heitkamp', een klein familiehotel, met in totaal tien kamers en een, zoals later zou blijken, alleszins redelijk restaurant. Ze meldden zich bij de receptioniste en kregen, na de vereiste plichtplegingen te hebben gepleegd, de sleutel voor een kamer aan de achterkant van het hotel aangereikt.
Ze konden de kamer zonder moeite vinden. Het was een sobere, maar van alle gemakken voorziene kamer, met een mooi uitzicht op het bos.
"Zullen we maar meteen met de fotosessie beginnen?", vroeg Dennis.
"Goed, liefje."
Dennis haalde zijn Polaroid-camera uit zijn koffertje tevoorschijn en Trudy begon zich glimlachend uit te kleden. Het jasje, de witte, wollen trui, de beha en het rokje werden op een bedaarde manier uitgetrokken; daarna ging zij op de rand van het bed zitten en probeerde zij met een vaag-ondeugende glimlach een aantal gekmakende poses uit. Dennis legde elke pose op een professionele manier vast. Hij had zichzelf dit soort momenten altijd perfect in de hand. Iets, wat hem telkens weer hooglijk verbaasde.
Na in totaal vierentwintig foto's te hebben gemaakt, legde hij zijn camera op het bureau en begon hij zich op een wat andere manier met zijn muze bezig te houden. Hij liep naar het bed toe, knielde aan haar voeten neer en trok met een wat bruusk gebaar haar bekoorlijke rechterbeen naar zich toe.
"Wat ga je doen?", vroeg zij plagend.
"Ja, sorry, hoor!", antwoordde hij, met een wat vage glimlach, "Ik moet even mijn hart ophalen!"
"Goed, liefje. Ga je gang maar. Ik heb het je daarnet ook wel heel erg moeilijk gemaakt."
Hij streelde haar kuit, kietelde haar even onder haar knie en beproefde ook nog even de stevigheid van haar dijbeen. Daar was hij bepaald niet teleurgesteld over. Het joggen had ook daarop een gunstige uitwerking gehad. De omvang was gelukkig hetzelfde gebleven. Wat wel was veranderd, was de substantie: het overtollige vet was door spierweefsel vervangen. Hij wist, dat hij zich deze middag moest beheersen, omdat zij vanochtend ongesteld was geworden, maar daar had hij dus geen enkel probleem mee. Dit was niet de tijd voor blinde hartstocht en de manier, waarop het binnenvallende zonlicht haar kousen deed oplichten, had ook iets buitengemeen poëtisch. De foto's van daarnet zouden inderdaad een paar prachtige tekeningen kunnen gaan opleveren.
"Zou je mij iets willen beloven?", vroeg zij.
"Wat dan?", klonk het achterdochtig.
"Ik wil graag, dat je het normaal gaat vinden, dat mama en Kitty die naakttekening van mij hebben opgehangen. Hij hangt al anderhalf jaar in hun huis en je blijft er maar over doorzeuren, als we bij mama en Kitty zijn geweest."
"Ach, jee!", zei hij, na een korte aarzeling, "Ik eh... Ik heb echt wel even aan het idee moeten wennen, maar ik vind het nu inderdaad niet zo erg meer."
"Echt niet?"
"Neuh, al moet ik wel zeggen, dat ik hem zonder meer had weggehaald als je moeder een vriend had gehad in plaats van een vriendin."
"Seksistisch zwijn!", riep zij schaterend.
"Hè?"
"Je discrimineert! Je ontzegt het mannelijk geslacht het genot van de aanblik van mijn mooie gezichtje, mijn prachtige lijf en mijn vorstelijke benen en je laat onderwijl wel toe, dat de lesbische vriendin van mijn moeder zich daaraan staat te verlustigen."
"Dan ben ik maar een seksist!", zei hij filosofisch.
"Ach, je bent natuurlijk helemaal geen seksist", murmelde zij voor zich heen, "Ik vind het juist heel lief van je, dat ze die tekening mogen houden. Daar heb je ze echt een verschrikkelijk groot plezier mee gedaan."
"Ik vind het overigens wel gek, dat jij dat zelf zo leuk vindt."
"Dat komt, omdat ik zo verzot op die tekeningen van jou ben. En dat is natuurlijk niet zo gek, want als ik over vijf, of tien jaar mijn schoonheid definitief heb verloren, zal ik in ieder geval toch nog je tekeningen hebben."
"Daar zit iets in."
"En ook daarom wil ik ook heel graag, dat je iets met die tekeningen gaat doen."
"Hoe bedoel je?"
"Ik zou heel graag willen, dat je gaat proberen om ze ergens tentoongesteld te krijgen."
"Meen je dat nou werkelijk?"
"Ja, dat meen ik!"
"Denk je echt, dat ze daarvoor goed genoeg zijn?"
"Ik weet zeker, dat ze daarvoor goed genoeg voor. Je weet, dat mama een echte kunstkenner is en je hebt gezien, hoe idolaat zij ervan is."
"Ja, dat is zo. Maar ik vraag mij natuurlijk wel af, of zij er een objectief oordeel over kan vellen?"
"Ja, dat kan zij! Zij kan ook niet anders dan een objectief oordeel vellen, omdat zij door en door eerlijk is. En als zij zegt, dat jij een fantastische tekenaar bent, die een heel groot publiek verdient, dan meent zij dat ook. Je moet er dus echt de boer mee op, hoor! Dat ben je echt aan je talent verplicht."
"Dat kan ik niet!", riep hij, een tikje wanhopig.
"Waarom dan niet, liefje?"
"Om die ene, hele goede reden: omdat ik het idee, dat andere mannen zich aan je verlustigen, nog steeds onverdraaglijk vind."
"Het is heel lief van je, dat je er na al die jaren nog steeds zo over denkt, maar van mij mogen ze dat nu wel! Ik heb er heel lang over nagedacht en ik heb er totaal geen problemen meer mee. Als je er succes mee zult hebben, dan zullen er onder je bewonderaars misschien een paar vieze mannetjes zitten, die zich aan mijn lichaam zullen verlustigen. Maar wat dan nog? Ik word mijn hele leven al nagekeken, nagefloten en op een gore manier begeerd. De wetenschap, dat het met die tekeningen misschien ook zal gebeuren, kan er dan ook nog wel bij. Ik ben inmiddels te oud geworden om mij daar nog druk over te maken. Het is voor mij nu echt veel belangrijker, dat jij als kunstenaar helemaal tot ontplooïng gaat komen."
"Waarom wil je dat zo graag?"
"Omdat je dat verdient! En, omdat ik je enige muze ben, ook een beetje om mijzelf. Op die tekeningen zal ik namelijk altijd blijven voortleven, ook als ik allang dood zal zijn. Op die tekeningen zijn de dierbaarste momenten van mijn leven vastgelegd. Die tekeningen vertellen het mooiste verhaal van mijn leven en dat is het verhaal van ons gelukkige huwelijk. Dat verhaal mag nooit verloren gaan. Ik wil, dat deze tekeningen zeker tot het einde van het volgende millennium blijven voortbestaan. Voor minder doe ik het niet. En om dat doel te bereiken, wil ik echt alles opzij zetten."
Hij zweeg, deels uit ontroering, deels omdat hij besefte, dat zij, hoe dan ook, haar zin zou gaan doordrijven. Het vooruitzicht om met zijn tekeningen 'de boer op te moeten gaan' bleef hem echter tegenstaan, tot hij opeens een fantastisch idee kreeg.
"Heb ik je overtuigd?", vroeg zij lachend.
"Ja, ik heb het licht gezien! Maar ik ga wel iets anders doen dan jij denkt."
"Wat ga je dan doen?"
"Ik ga de Trudy-tekeningen maar meteen tot een stukje 'Openbaar Kunstbezit' verheffen."
"Hoe bedoel je?"
"Ik ga ze op internet zetten. Ik ga een pracht van een website maken, waarin ik die tekeningen van jou in ingescande vorm zal gaan tentoonstellen."
"Kun je dat?"
"Natuurlijk kan ik dat. Een dagje blokken, een dagje zwoegen en ik heb het voor elkaar. Volgens Eric moet het hartstikke simpel zijn."
"Oh, wat een fantastisch idee!"
"Snap je eigenlijk, wat we hiermee kunnen bereiken?"
"Een beetje."
"Hiermee kunnen we bereiken, dat de tekeningen zullen blijven bestaan als de tekeningen in papiervorm allang zullen zijn vergaan."
"Je hebt gelijk! Het zal een dubbele overwinning op de tijd zijn. De tekeningen zullen mij gaan overleven en de digitale tekeningen op de website zullen de papieren tekeningen gaan overleven."
"Precies!"
"Wil je alle tekeningen op die website gaan zetten?"
"Ja."
"Ook de tekeningen, waarop ik vrijwel helemaal naakt ben te zien?"
"Ja, maar daar wil ik wel iets aparts mee doen."
"Wat dan?"
"Ik wil ze op een pagina gaan zetten, die alleen na het invullen van een wachtwoord te zien zal zijn. Op die manier kunnen wij er dus wel naar kijken, maar de eventuele bezoekers niet."
"O, wat een briljant plan!"
"Ja, hè? Een dergelijk foefje verleent ook iets mysterieus aan het geheel. De kans is volgens mij ook heel groot, dat de website daardoor nog wat meer bezoekers gaat trekken."
"Hou maar op! Je hebt mij al helemaal overtuigd. Als we donderdag eenmaal thuis zijn, moet je onmiddellijk aan de slag."
"Niet vandaag al?", vroeg hij plagend, "Als je wilt, kunnen we nu meteen naar Amsterdam terugkeren en dan kan ik vanavond al aan de slag gaan."
"Nee, nu hebben we vakantie!", zei zij resoluut, "En nu... gaan we daar ook lekker van genieten."
Zij gleed van de stoel af en nestelde zich lachend in zijn armen. Hij liet zich dat met plezier welgevallen. Terwijl hij haar op een wat afwezige manier over het haar streelde, zocht hij in gedachten naar een naam voor hun toekomstige website. Hij zou uiteindelijk voor 'The Trudy Files' gaan kiezen en hij zou er veel meer succes mee gaan boeken dan hij ooit voor mogelijk had gehouden.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 16 februari 2000. © Bert Harberts