VEREFFENING

Het was zaterdagnacht, vijf minuten over een. Debby Harberts, een Leidse studente in de rechten, verliet café Barrera aan het Rapenburg en liep over de kinderkopjes van de Kloksteeg naar haar ouderlijk huis aan het Pieterskerkhof. Zij was alleen, hetgeen opmerkelijk was, want zij vormde een bijzonder aantrekkelijke verschijning. Zij had een knap gezichtje, met donkerblonde haren, een slank figuurtje, mooie, lange benen en zij droeg een rood mini-jurkje en lage, bruine lakschoenen.
De avond daarvoor had zij met een paar vrienden haar eenentwintigste verjaardag gevierd. Het was een weinig geslaagd feestje geweest. Omdat eerder die dag de wedstrijd Nederland-Argentinië, de kwartfinale van het WK voetbal in Frankrijk, was gespeeld, waren de gesprekken van de heren in het gezelschap voornamelijk over voetbal gegaan en de dames waren niet echt in staat geweest om andere gespreksonderwerpen aan te dragen.
Debby had zich wat meer van het feestje voorgesteld, maar zij had zich inmiddels bij het echec neergelegd. Het zou misschien ook wel goed zijn om een keer wat vroeger naar bed te gaan. Het was de vorige avond ook al heel laat geworden en zij was nu toch wel een beetje aan het einde van haar latijn. Zij passeerde de Pieterskerk en stevende daarna recht op haar huis af, een fraai, gerestaureerd huis van drie verdiepingen, waarvan zijzelf de bovenste verdieping in gebruik had. In de komende tijd zou zij het huis overigens geheel voor zichzelf hebben. Haar ouders waren twee dagen daarvoor voor drie weken naar Ierland vertrokken.
Na het betreden van het huis liep zij meteen door naar haar eigen appartementje. Zij schopte haar schoenen uit, liep via de slaapkamer naar de zitkamer en vlijde zich op haar divan neer. Zij was te moe en tegelijkertijd te ongedurig om meteen naar bed te kunnen gaan en na enig aarzelen stak zij haar laatste sigaret van die dag op.
Met die sigaret tussen de vingers verzonk zij in zwaarmoedige overpeinzingen. Zij twijfelde over de zin van haar studie, zij had een beetje genoeg van het zorgeloze luxeleventje, dat zij dankzij haar rijke ouders kon leiden en zij wilde dolgraag wat meer diepgang in haar leven gaan aanbrengen. Eigenlijk wist zij precies, wat daarvoor nodig was, maar zij wist nog niet goed, hoe zij dat doel zou kunnen bereiken.
Zij doofde haar sigaret en slofte naar de keuken, waar zij met een wat chagrijnige gelaatsuitdrukking haar tanden begon te poetsen. Zij vond het bij nader inzien toch geen prettig idee om deze nacht alleen in dit grote huis te moeten doorbrengen. Hoewel zij even overwoog om een van haar vriendinnetjes uit te nodigen, besloot zij om dat toch maar na te laten. Snel naar bed gaan en zo snel mogelijk in slaap proberen te vallen, dat was het enig juiste devies.
Zij liep naar de badkamer op de tweede verdieping, kleedde zich uit en stapte onder de douche. Daar knapte zij enigszins van op, zowel in lichamelijke als in geestelijke zin. Zij nam zich alvast voor om in ieder geval met haar studie te gaan stoppen. Zij had er schoon genoeg van; het was de hoogste tijd om een leuke baan te gaan zoeken en om eigen benen te gaan staan. Haar vader had haar nu wel lang genoeg onderhouden. Zij draaide de kranen dicht, droogde zich af en liep in gedachten verzonken naar haar slaapkamer, waar zij een kort, zwart nachthemd aantrok. Tijdens het föhnen van haar haren bekeek zij zichzelf in de kastspiegel. Dat spiegelbeeld behaagde haar in sterke mate. Haar figuurtje leek de laatste tijd toch een beetje voller te zijn geworden, maar dat misstond haar niet.
Na het föhnen liet zij zich met een zucht van verlichting op bed vallen. Zij rolde zich in elkaar, trok het dekbed over zich heen en doezelde langzaam weg. Niets leek een gezonde nachtrust verder nog in de weg te staan, maar toen zij een verdacht geluid hoorde, was zij ineens weer klaarwakker. Eerst dacht zij nog aan muizen, daarna drong het beetje bij beetje tot haar door, dat er beneden in de salon een heuse inbreker aan het werk was.
Haar reactie op die ontdekking was koel, berekenend en van enige angst gespeend. Zij gleed van het bed af, opende het nachtkastje, haalde daar een alleraardigste, kleine revolver uit te voorschijn en liep toen met een sluipende tred de slaapkamer uit. Zij daalde de twee trappen af zonder geluid te maken. Bij elke stap groeide haar vastberadenheid. Zij was al twee jaar lid van een schietvereniging, waar zij inmiddels tot de beste schutters behoorde, en zij zou de inbreker zonder meer voor zijn raap kunnen schieten als hij haar ook maar één haar zou proberen te krenken.
Zij trof haar potentiële slachtoffer inderdaad in de salon aan. Hij had zijn werkzaamheden aan de in de huiskamer aanwezige kluis onderbroken om even naar het daar ook aanwezige schilderij van Carl Caspar Friedrich te kunnen kijken. Het schijnsel van zijn zaklantaarn zwierf een poosje over het desolate Boheemse landschap en bleef bij elk pregnant detail een poosje hangen. Wat voor inbreker het ook mocht zijn; hij was in ieder geval niet van kunstzin gespeend.
Die ontdekking ontroerde haar een beetje, want toen zij de lamp aandeed, lag er een wat verontschuldigend glimlachje om haar lippen. De inbreker, een rijzige, grijzende en bebaarde man van een jaar of tweeënveertig, had daar in eerste instantie totaal geen oog voor. Het was moeilijk te zeggen, waarvan hij het meest onder de indruk was. Van de revolver in Debby's hand of van haar lieflijke verschijning. Met wijd opengesperde ogen verdeelde hij zijn aandacht tussen het vuurwapen en haar mooie, stevige benen.
Debby op haar beurt bekeek haar vangst met een zegevierende blik in haar ogen. De man viel zeer in de smaak bij haar. Hij had iets gedistingeerds over zich, iets zwierigs. Dit was niet zomaar een inbreker, nee, dit was het prototype van de knappe en zeer charismatische gentlemen-inbreker.
"Mag ik u vragen, wat u hier aan het doen bent?", vroeg zij vriendelijk.
"Wel, mijn lieve kind", antwoordde hij, "Wat wil je, dat ik daarop antwoord?"
"Ik zou dolgraag de waarheid van u willen vernemen."
"Ik ben aan het inbreken."
"U meent het? Doet u dat wel vaker?"
"De laatste tijd niet zoveel meer."
"O, nee?"
"Nee, ik doe het in ieder geval niet meer bij wijze van broodwinning."
"Waarom niet?"
"Omdat dat niet meer nodig is. Ik heb een glanzende en zeer lucratieve carrière achter de rug en ik heb mijn schaapjes inmiddels wel op het droge."
"Meent u dat?"
"Ach, ja! Ik heb enige miljoenen op de bank, een leuk huisje in Amsterdam-Noord en een villaatje in de bossen rond Castricum en bij elk huis heb ik een lief autootje voor de deur staan. Als ik nu inbreek, doe ik dat echt alleen maar voor de lol."
"Ach, wat jammer nou, dat ik u dat plezier heb moeten ontzeggen!"
"Tja, daar heb je natuurlijk wel gelijk in. Ik heb tot nu toe een blanco strafblad en een eventuele veroordeling zou toch wel een vlekje op mijn blazoen zijn. Dat zal iets zijn, waaraan ik later met enige tegenzin zal terugdenken."
"Meent u dat? Bent u werkelijk nooit opgepakt?"
"Nee, mijn kind, die ellende is mij tot nu toe bespaard gebleven."
"Dat is toch wel heel knap van u!", riep zij, met onverholen bewondering.
"Dank je, mijn kind."
Dat voortdurend gebezigde 'mijn kind' amuseerde haar in sterke mate. Zij zag er een poging om haar in figuurlijke zin te ontwapenen. Daar viel vanzelfsprekend wel wat voor te zeggen. Iedere, wat oudere man, die in deze omstandigheden met zo'n mooie, jonge meid zou worden geconfronteerd, zou maar al te graag een zekere distantie in de conversatie willen aanbrengen. Zijzelf had daar geen enkele behoefte aan. Met het pistool nog steeds op zijn hart gericht liep zij langzaam naar de man toe. Het leek hem nog wat meer in verwarring te brengen, maar hij bleef een correcte en welwillende houding aannemen.
"Zou u het prettig vinden als uw blazoen onbevlekt blijft?", vroeg zij, met een wat vreemd aandoende gretigheid.
"Ja, natuurlijk, maar ik begrijp natuurlijk volkomen, dat ik nu niet meer aan een arrestatie zal kunnen ontkomen."
"Dat kunt u wel!"
"Wel?"
"Ja, wel degelijk. U hebt namelijk in het goede huis ingebroken!"
"Waarom?"
"Omdat ik al sinds eeuwen rechten studeer."
"Waarom is dat een voordeel voor mij?"
"Omdat ik daarmee in ieder geval al zo ver ben gevorderd, dat ik allang niet meer in de effectiviteit van het strafrecht geloof."
"Dat klinkt mij als muziek in de oren!", murmelde de inbreker.
"Ik ben dus van mening, dat de meeste gevangenisstraffen door een wijd scala van alternatieve straffen zouden moeten worden vervangen en ik ben om die reden dan ook heel blij, dat ik die mening nu eindelijk eens aan de praktijk kan gaan toetsen."
De man keek haar wat glazig aan. In haar stem had iets vreemds doorgeklonken, iets, wat hem toch enigszins leek te alarmeren.
"Mag ik uit je gloedvolle betoog opmaken, dat je voor mij ook een alternatieve straf in petto hebt?", vroeg hij aarzelend.
"Ja, dat mag u. Maar ik zou het toch liever een vorm van alternatieve dienstverlening willen noemen."
"Wat moet ik doen?"
"U moet... Nee, u mag mij zometeen een kind gaan schenken."
Dat nieuws kwam toch nog tamelijk hard aan bij de man. Hij wankelde op zijn benen en zeeg met een bleek gezicht op de comfortabele sofa neer.
"Een kind?", herhaalde hij werktuiglijk.
"Ja, het zal voor u een kleine moeite zijn en voor mij een fijne genoegdoening voor de schrik, die uw insluiping bij mij heeft teweeggebracht."
"Waarom wil je een kind..."
"Omdat ik daar gewoon aan toe ben."
"Daar kan ik mij wel iets bij voorstellen. Maar waarom van mij?"
"Omdat u veruit de meest interessante man bent, die ik ooit heb ontmoet."
"Meen je dat?"
"Ja, dat meen ik echt!", antwoordde zij, met een ineens wat kinderlijk aandoend enthousiasme, "Ik heb in de afgelopen jaren een respectabel aantal vriendjes gehad, maar geen een kon ook maar in de verste verte in uw schaduw staan."
De man toonde zich gevleid, maar bleef zich desondanks heel bescheiden opstellen.
"Wel, in dat geval beschouw ik je voorstel toch wel als bijzonder aanlokkelijk!", zei hij.
"U neemt het aan?"
"Natuurlijk, liefje! Ik zal mij met genoegen van deze plezierige taak gaan kwijten."
"Prima!", riep zij verheugd.
"Is het de bedoeling, dat het bij één samenzijn blijft?"
"Dat is geheel aan u om te beoordelen. Er is een goede kans, dat het vannacht meteen raak zal zijn, maar als u mij desondanks vaker wilt komen bezoeken, dan staat u dat natuurlijk vrij."
"Wel, dat lijkt mij op dit moment toch wel een heel fijn vooruitzicht."
"Dat is mooi. Zullen we dan nu maar meteen naar boven gaan?"
"Zoals je wilt, liefje. Zoals je wilt."
Hij stond op en liet zich door haar de weg naar haar slaapkamer wijzen. Tijdens het bestijgen van de eerste trap, stelde zij hem opnieuw een op vriendelijke toon gesteld vraagje:
"Zou u het overigens erg vervelend vinden als ik uw handen zometeen aan de spijlen van mijn bed vastketen?"
"Nee, hoor! Je mag over mij beschikken, zoals jou dat goeddunkt."
"U vindt het niet beledigend?"
"Nee, hoor! Ik kan je niet anders dan gelijk geven. Ik ben en blijf nog steeds de persoon, die zich ongevraagd een toegang tot je huis heeft verschaft. Ik kan mij dan ook levendig voorstellen, dat je in die omstandigheden nog enige veiligheidsmaatregelen in acht wilt nemen."
"Ah, dat is lief van u. Maar het is overigens geen veiligheidsmaatregel, hoor!"
"Wat is het dan wel?"
"Ik vind het gewoon lekker!"
"O, werkelijk?"
"Ja, ik vind het heel erg plezierig om bij dit soort gelegenheden de regie in eigen handen te hebben. Enne... mijn ex-vriendjes hebben daarover ook nooit enige reden tot klagen gehad."
"Ik geloof het graag", zei de man monter, "Maar ik ben wel benieuwd naar wat er gebeurt als ik een dezer dagen terugkom en dan gewoon bij de voordeur aanbel."
"Als u dat prettig vindt, dan zullen die handboeien echt wel achterwege blijven."
"Is dat een belofte?"
"Jazeker! Als ik de zekerheid van u krijg, dat u ook werkelijk terugkomt, dan wil ik daar zelfs wel een eed op doen."
"Dat is niet nodig, hoor! Maar zoals het er nu naar uitziet, zal ik je heel graag en heel vaak aan je belofte gaan houden."
Ze gingen de slaapkamer binnen, waar de man op de rand van het bed ging zitten en zich kalm begon uit te kleden. Het resultaat daarvan viel haar bepaald niet tegen: hij was slank, zonder broodmager te zijn. Ook bij dat uitkleden toonde hij zijn discretie en wellevendheid: hij beperkte zich tot het uittrekken van zijn bovenkleding. Zijn rode T-shirt en zijn witte slipje hield hij aan. Hij ging op het bed liggen en liet toe, hoe zijn handen met een wat verontrustende handigheid aan de spijlen van het bed werden vastgeketend. Hij keek daarbij belangstellend en zonder angst te tonen toe. Dat ontroerde haar. Zij boog zich over hem heen en schoof met een liefdevol gebaar een grijze lok voor zijn ogen weg. Die liefkozing, de eerste uit vele, leek hem volkomen uit het veld te slaan.
"Ligt u lekker zo?", vroeg zij.
"Het kan niet beter!"
"Prima, dan ga ik nu eerst iets lekkers voor u klaar maken."
"Iets lekkers?", vroeg hij, met een ineens wat angstige blik in zijn ogen.
"O, wees maar niet bang! Het is echt heel lekker en u zult er zometeen heel veel plezier aan beleven. Mijn ex-vriendjes hebben er altijd heel veel baat bij gehad."
"Wel, in dat geval zal ik dat lekkers met veel plezier tot mij nemen."
"Prima!"
Zij legde de revolver in haar nachtkastje terug, streelde de man nogmaals over het voorhoofd en verdween vervolgens naar de keuken, waar zij met een stralend gezichtje een smakelijk ogend drankje begon klaar te maken.

BERT HARBERTS


Terug


Amsterdam, 26 juli 1998. © Bert Harberts